Jaarverslag 1994

Inhoudsopgave

VOORWOORD

A.    GEMEENSCHAPPELIJK VERSLAG VAN DE VASTE COMITÉS VAN TOEZICHT OP DE POLITIE- EN INLICHTINGENDIENSTEN

1.     De gemeenschappelijke werkzaamheden

B.  DE  BEGROTINGSMIDDELEN

2.     Begrotingsjaar 1993
          2.1.   Rekening over het begrotingsjaar 1993
          2.2.   Begrotingsjaar 1994
          2.3.   Beheer

C.    OVERZICHT VAN DE DOOR HET VAST COMITE P ONTVANGEN KLACHTEN/AANGIFTEN

3.     Vóór 6 mei 1994
4.     Vanaf 6 mei 1994 tot 31 juli 1994

D.    De Dienst Enquêtes P

5.     Analyse van het politieambt
          5.1.   Definitie
          5.2.   De doelstelling van de politie
          5.3.   De opdrachten van de politiediensten
          5.4.   De middelen van de politiediensten
                    5.4.1.    De begrotingen
                    5.4.2.
    Het menselijk potentieel
                    5.4.3.
    Het materieel
          5.5.   De methoden
          5.6.   De organisatie van een politiedienst
                    5.6.1.    Het management
                    5.6.2.
    De structuur van de dienst
          5.7.   De activiteiten van een politiedienst
                    5.7.1.    De interne activiteiten
                    5.7.2.
    De externe activiteiten
          5.8.   De effecten
6.     De coördinatie
          6.1.   De coördinatie van het beheer
          6.2.   De coördinatie van het beleid
                    6.2.1.    Doelstelling van de coördinatie van het beleid
                    6.2.2.
    De coördinatie op federaal vlak
                    6.2.3.
    De coördinatie op lokaal vlak
          6.3.   De coördinatie van de uitvoering
7.     Statistische gegevens over de Dienst Enquêtes
          7.1.   Maanden mei, juni, juli 1994
          7.2.   Voor de drie bekeken maanden

E.     Algemene conclusies en aanbevelingen

8.     Structuur van de algemene politiediensten
9.
     Coördinatie van de algemene politiediensten
10.
   De organisatie van de algemene politiediensten
11.
   De bijzondere politiediensten
12.
   De interne controlesystemen

F.     BESLUIT


VOORWOORD


De problemen in verband met de onvolkomen werking van de politiediensten zijn duidelijk aan het licht gekomen in de rapporten van de parlementaire onderzoekscommissies over het Heizeldrama en de Bende van Nijvel.

Voor politiediensten is het, opdat zij hun opdracht efficiënt en naar behoren zouden kunnen uitvoeren, noodzakelijk dat zij beschikken over de nodige middelen en over de nodige bevoegdheden.  Terecht hebben zij de bevoegdheid om in te grijpen in de grondrechten en de democratische vrijheden van de burgers.

Het kunnen aanwenden van deze bevoegdheden is voor de politiediensten onontbeerlijk voor het uitoefenen van hun opdrachten, maar houdt anderzijds het gevaar in van een onwettig, oneigenlijk of onredelijk gebruik van die bevoegdheden.  Recente en minder recente gebeurtenissen, grote en kleine affaires tonen dat aan.

Lang niet alle beschuldigingen die ter attentie van politiediensten worden geuit zijn gegrond.  Maar ook dan is het belangrijk dat zij door een neutrale instantie worden onderzocht en dat ondubbelzinnig wordt vastgesteld dat er geen reden is om zich zorgen te maken of wantrouwen te koesteren.

Het kunnen beschikken over speciale bevoegdheden is voor politiediensten enerzijds een noodzakelijk voorrecht maar vergt anderzijds een voortdurende aandacht en waakzaamheid om te vermijden dat de fundamentele rechten en vrijheden van de burgers te sterk zouden worden aangetast.  Dat is des te meer het geval in de gerechtelijke sfeer omdat de politiediensten hun werkwijze en resultaten van hun werk geheim zullen houden.

Omwille van dit geheim, is een strikt en permanent toezicht noodzakelijk, zodat de aandacht van de overheden kan worden gevestigd op handelingen die de rechten van de burger in het gedrang brengen of dreigen in het gedrang te brengen, en voorstellen en beleidsadviezen kunnen worden verstrekt.

De politiediensten en de politieambtenaren hoeven zich echter over dit toezicht geen zorgen te maken.  Het is vooral bedoeld om in sommige diensten de onontbeerlijke "verplichting om rekenschap af te leggen bij de verantwoordelijke instantie" - wat de Angelsaksische landen accountability noemen - te versterken of zelfs in te voeren.

Een onafhankelijk toezicht zal ook als gevolg hebben dat de politiediensten zelf worden gevrijwaard van onterechte verdenkingen die het vertrouwen van de bevolking in hun werking kunnen schaden.

Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten is er niet om te oordelen over individuele schuldvragen : dat is en blijft de volle bevoegdheid van de strafrechter en de tuchtoverheden.

Het Vast Comité P is er wel om de fouten en onvolkomenheden van het systeem vast te stellen en voorstellen te formuleren om dat te verhelpen.

Om zijn doelstellingen te bereiken moet het Vast Comité P, naast de wil om ze te bereiken, ook kunnen rekenen op de steun en de medewerking van alle politieoverheden en politiediensten.

De onafhankelijkheid van het Vast Comité P moet door iedereen erkend en gerespecteerd worden.

In de voorbereidende werkzaamheden die tot de oprichting van het Vast Comité P en de Dienst Enquêtes hebben geleid, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken verklaard :

"... De problemen die zijn gerezen bij de werking van de politie- en inlichtingendiensten zijn niet zo futiel dat men vrede zou kunnen nemen met een minimale of met een uiterst lichte structuur voor de controleorganen.  Het is noodzakelijk de controleorganen qua personeel en qua werkingsmogelijkheden de mogelijkheid te bieden hun opdracht ten volle op te nemen en uit te oefenen (...).  De toezichtsorganen moeten in staat worden gesteld werkelijk diepgaand een probleem te onderzoeken en een zaak volledig uit te spitten, zoniet zal men het doel - met name de veiligheid verhogen en het vertrouwen van de bevolking in de veiligheidsdiensten herstellen - voorbijschieten... " [1]

Niets is minder waar; de middelen waarover de toezichtsorganen thans beschikken zijn daartoe niet toereikend !

Dit eerste jaarverslag van het Vast Comité P en de Dienst Enquêtes laat weinig ruimte voor conclusies. Daarvoor was de operationele fase te kort.

Er is in de opbouwfase echter veel gestudeerd en overleg gepleegd waardoor nu reeds een aantal aanbevelingen over organisatie en coördinatie van politiediensten kunnen worden geformuleerd.

Specifieke beleidsadviezen over gespecialiseerde onderdelen van de politiediensten en hun werking zijn echter maar mogelijk na ernstig onderzoek.

Politie is immers politiek een zeer gevoelig, delicaat en ondankbaar onderwerp dat alle facetten van de maatschappij omvat, dat gecompliceerd is vanwege tegenstrijdige ideologische en filosofische denkpatronen en theorieën, dat is belast met een veelvoud aan belangen en machtsposities, en dat het voorwerp uitmaakt, naar gelang van de gebeurtenissen, van emotionele reacties van de bevolking, op gang gebracht en aangewakkerd door de media.

Het Vast Comité P is daarom van mening dat de betekenis van controle op de politie moet worden opgevat als het uitoefenen van invloed op het beleid en het handelen van politie. Het moet echter duidelijk zijn dat de vastgestelde gebreken nooit alleen de verantwoordelijkheid van de politie kunnen zijn. Indien de bevoegde overheden de tekortkomingen in beleid en wetgeving niet pogen te verhelpen, zal de oplossing van problemen alleen maar leiden tot de ontdekking van nieuwe problemen....

Freddy TROCH,

Voorzitter.

Georges PYL,

Ondervoorzitter.

Walter DE SMEDT,

Vast Lid.

Arille CORNET,

Vast Lid.

Valère DE CLOET,

Vast Lid.

Carmelo ZAITI,

Griffier.


A.      GEMEENSCHAPPELIJK VERSLAG VAN DE VASTE COMITÉS VAN TOEZICHT OP DE POLITIE- EN INLICHTINGENDIENSTEN


1.                 De gemeenschappelijke werkzaamheden

Omdat de Vaste Comités P en I op het ogenblik van hun installatie niet over infrastructuur en personeel beschikten, hebben zij in de eerste maanden van hun bestaan samengewerkt om een infrastructuur op te zetten.

Hun eerste gemeenschappelijke inspanningen hadden betrekking op :

Er werden vijf gemengde werkgroepen opgericht om bepaalde gemeenschappelijke problemen te onderzoeken en beleidsvoorstellen uit te werken die tijdens de gemeenschappelijke plenaire vergaderingen ter goedkeuring werden voorgelegd.

Er werden gemengde werkgroepen opgericht over de volgende onderwerpen :

Alleen het laatstgenoemde punt maakt het voorwerp uit van een vaste gemengde groep, die regelmatig vergadert en is samengesteld uit de voorzitter, de griffier en de veiligheidsofficier van beide Vaste Comités. De andere werkgroepen hebben opgehouden te vergaderen zodra hun taak volbracht was.

De andere onderwerpen van gemeenschappelijk belang (o.a. het beheer van het gebouw) worden behandeld tijdens de wekelijkse vergaderingen tussen de Voorzitter en de griffier van  beide Vaste Comités.

Voor het Vast Comité P,

de Voorzitter,

Voor het Vast Comité I,

De Ondervoorzitter,

F. TROCH

R. DECOUX

 


B.  DE  BEGROTINGSMIDDELEN

2.                 Begrotingsjaar 1993

De algemene uitgavenbegroting voor dat begrotingsjaar voorzag in een provisioneel krediet "politietoezicht" van 100 miljoen frank, in de vorm van een dotatie aan de nationale wetgevende Kamers.

Dit budget werd verdeeld in een verhouding van 60 miljoen voor het Vast Comité P en 40 miljoen voor het Vast Comité I.

2.1.            Rekening over het begrotingsjaar 1993

Dotatie van het Vast Comité P

(+ kredietintresten)

BEF 61.101.593

Uitgaven (betalingen) 1993

- BEF 33.365.266

Saldo :

BEF 27.736.327

 

Voormelde uitgaven van 33.365.266 frank, die lopende en kapitaaluitgaven betreffen, werden als volgt aangerekend op de kredieten 1993 :

Titel I :            Lopende uitgaven

A, B, C, D :      Bezoldigingen + vergoedingen

BEF     12.141.228

E + F :  Gebouwen

            7.986.543

G :        Uitrusting + onderhoud

            240.789

H :        Artikelen voor dagelijks gebruik

            479.895

I :         Belgacom

            122.772

J :         Informatica + bureautica

            2.270

M :       Onderhoud van het wagenpark

            135.337

Totaal Titel I

BEF     21.108.834

Titel II :          Kapitaaluitgaven

1.         Bibliotheek

BEF     351.060

2.         Installatie van de telefooncentrale

            2.322.056

3.         Installatie van het veiligheidssysteem

            1.800.327

4.         Meubelen

            7.782.989

Totaal Titel II

BEF     12.256.432

Totaal Titels I + II

BEF     33.365.266

 

De Commissie Comptabiliteit van de Kamer heeft voornoemde rekeningen unaniem goedge­keurd.

2.2.                      Begrotingsjaar 1994

Tussen augustus en december 1993, heeft het Vast Comité P vier verschillende begrotingsvoorstellen ingediend.

Over het door het Vast Comité P voorgestelde begrotingsschema werd verschillende keren vergaderd met de Commissie Comptabiliteit en met het  Ministerie van Begroting.

Tenslotte heeft de ad hoc commissie ingestemd met een begroting van 117.736.327 frank, die als volgt is uitgesplitst :

Titel :  Lopende uitgaven

A :        Leden van het Vast Comité P en griffier

BEF     21.500.000

B :        Administratief en logistiek personeel

            18.800.000

C :        Personeel van de Dienst Enquêtes

            30.000.000

D :        Verzekeringen en eventuele sociale tussenkomsten

            500.000

E :        Gebouwen (huur, verzekeringen, enz.)

            20.500.000

G :        Uitrusting en onderhoud (meubilair, kantoormachines, enz.)

            900.000

H :        Artikelen van dagelijks gebruik

            2.700.000

I :         Belgacom

            3.000.000

J :         Informatica en bureautica

            100.000

K :        Bibliotheek

            2.500.000

M :       Onderhoud van het wagenpark

            1.500.000

N :        Onvoorziene uitgaven

            1.236.327

Totaal Titel

BEF     103.236.327

Titel II :          Kapitaaluitgaven

G :        Uitrusting en onderhoud

BEF     2.500.000

J :         Informatica en onderhoud

            7.000.000

M.        Voertuigen

            5.000.000

Totaal Titel II

BEF     14.500.000

Totaal Titels I + II

BEF     117.736.327

 

Eenparig besliste de Commissie Comptabiliteit dat het aantal personeelsleden van het Vast Comité P in 1994 vooralsnog moet beperkt blijven tot 10 eenheden administratief/logistiek personeel en 15 leden voor de Dienst Enquêtes (met inbegrip van het hoofd van deze dienst).  Zulks sluit niet uit dat later, tijdens een gedachtewisseling in commissie over de uitvoering van de begroting 1994 en over de werkzaamheden van het Vast Comité P, de uitbreiding van de Dienst Enquêtes opnieuw ter sprake komt.

2.3.                      Beheer

Conform het bepaalde in artikel 40 van het huishoudelijk reglement, binnen de grenzen van de aan het Vast Comité P toegekende begroting en in naleving van de door de Kamers goed­gekeurde begrotingsposten, staat de voorzitter van het Vast Comité P in voor het beheer van de geldmiddelen.

Bijgevolg hecht hij zijn goedkeuring aan alle bestellingen voor materiaal of diensten; keurt hij de facturen goed; controleert hij de regelmatigheid van de comptabiliteitsstukken; ziet hij toe op de boekingen en op het eerbiedigen van de kredieten.  Over het algemeen ziet hij toe of de boekhouding regelmatig wordt gevoerd.

Tot februari 1994, met andere woorden, tot op het ogenblik van de aanwerving van admini­stratief personeel, werd de algemene boekhouding van het Vast Comité P, onder het toezicht van de voorzitter van het Vast Comité P, kosteloos gedaan door de Dienst Comptabiliteit van het Rekenhof.

Sedert 1 februari 1994, na de aanwerving van administratief personeel en de informatisering, wordt de boekhouding dagelijks en uitsluitend bijgehouden door een personeelslid dat met die taak is belast.

Het beheer wordt in de eerste plaats gecontroleerd door de griffier van het Vast Comité P, daarna door de voorzitter.  Daarna wordt de boekhouding ter controle voorgelegd aan twee door het Vast Comité P aangeduide leden die, in voorkomend geval, bij het Vast Comité P verslag kunnen uitbrengen.  Het beheer van de boekhouding is volledig gecomputeriseerd volgens een model voorgesteld en aanbevolen door het Rekenhof.

 


C.      OVERZICHT VAN DE DOOR HET VAST COMITE P ONTVANGEN KLACHTEN/AANGIFTEN

3.                          Vóór 6 mei 1994

Voor de uitoefening van zijn opdrachten waarvoor het bij wet van 18 juli 1991 werd opge­richt, diende het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes te wachten tot de goedkeuring van zijn Huishoudelijk Reglement door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat.  Sedert 6 mei 1994 is dat een feit.

Toch ontving het Vast Comité P vóór 6 mei 1994 12 klachten/aangiften.  Het Vast Comité P heeft getracht deze een zo goed mogelijke opvolging te geven.  Ondertussen werden 10 dossiers afgesloten.

De 2 resterende worden door het Vast Comité P nog gevolgd.

4.                          Vanaf 6 mei 1994 tot 31 juli 1994

Het Vast Comité P ontving rechtstreeks 19 klachten/aangiften.

Bestemming :

Van de Dienst Enquêtes ontving het Vast Comité P 15 klachten/aangiften (het betreft enerzijds ambtshalve vaststellingen door de Dienst Enquêtes, anderzijds klachten/aangiften van particulieren).

Bestemming :


Klachten en aangiften : Overzicht tot 31 juli 1994 :

 

Totaal

Betrokken politiediensten [4]

Bestemming

Rw [5]

GPP [6]

Gp [7]

A [8]

Zonder gevolg

DE [9]

A

Vóór 06/05/1994 [10]

12

5

0

6

1 [11]

   

10 [12]

2 [13]

Vanaf 06/05/1994 rechtstreeks naar het Vast Comité P

19

7

5

7

3 [14]

7

5

7 [15]

Vanaf 06/05/1994 via Dienst Enquêtes naar Vast Comité P

15

2

0

10 [16]

4

3

5

7 [17]

Totaal

46

14

5

23

8

10

10

26


Grafiek klachten en aangiften tot 31 juli 1994 :


 

Overzicht van de op 31 juli 1994 nog in behandeling zijnde klachten [18]  :

 

Totaal

Betrokken politiediensten

Bestemming

Gd

PJP

PC

A

SE

A

Klachten/aangiften ontvangen vóór 06/05/1994

2

1

0

1

0

 

2 [19] et [20]

Vanaf 06/05/1994 rechtstreeks naar het Vast Comité P

12

4

2

6

1 [21]

5

7 [22]

Vanaf 06/05/1994 via de Dienst Enquêtes naar het Vast Comité P

12

2

0

7

4 [23]

5

7 [24]

Totaal

26

7

2

13

5

10

16

 

Grafiek klachten nog in behandeling op 31 juli 1994 :


 

 

D.      De Dienst Enquêtes P

5.                          Analyse van het politieambt

5.1.                      Definitie

Het politieambt is de institutionele functie die tot de bescherming en de regulering van de maatschappelijke orde behoort en erop gericht is de uitoefening van de fundamentele rechten mogelijk te maken en de verstoring van deze orde te voorkomen of ten minste te verhelpen.

5.2.                      De doelstelling van de politie

De doelstelling van de politie bestaat er dus in te waken over de naleving van deze rechten en vrijheden en bij te dragen tot de bescherming en de democratische ontwikkeling van de maatschappij.

Met het oog op de verwezenlijking van deze algemene doelstelling, heeft de wetgever zowel de algemene opdrachten van de politiediensten bepaald als de methoden die zij, in bepaalde omstandigheden, mogen gebruiken en werden hen, rechtstreeks of onrechtstreeks, middelen ter beschikking gesteld.

De politiediensten hebben zich georganiseerd om verschillende activiteiten op te zetten en uit te voeren zodat resultaten kunnen worden bereikt die overeenkomen of zouden moeten overeenkomen met de vastgelegde doelstellingen.

Bijgevolg moet er naar doelmatigheidsindiciën worden gezocht inzake :

5.3.                      De opdrachten van de politiediensten

De opdrachten van de verschillende politiediensten werden vastgelegd in de wet op het politieambt, alsmede in de verschillende wetten houdende oprichting van de afzonderlijke politiediensten.

Die opdrachten kunnen in twee grote categorieën worden verdeeld :

Naast deze twee grote categorieën, hebben de politiediensten nog tal van andere taken, ondermeer :

5.4.                      De middelen van de politiediensten

5.4.1.                De begrotingen

De begrotingen die ter beschikking worden gesteld van de politiediensten zijn natuurlijk bepalend voor alle andere middelen waarover die diensten kunnen beschikken, ongeacht of het over menselijke of materiële middelen in de ruime zin van het woord gaat.

Bij het onderzoek van de begrotingen dient te worden nagegaan :

5.4.2.                Het menselijk potentieel

De doelmatigheid van een politiedienst hangt essentieel af van het menselijk potentieel waarover hij beschikt. De motivering, de kennis, de waarden en de deontologie van de personeelsleden zijn van kapitaal belang voor de kwaliteit van de politiezorg.  Belangrijk daarbij zijn ook :

5.4.3.                Het materieel

Onder materieel wordt verstaan alle andere dan menselijke middelen waarover de politiedien­sten beschikken. Het gaat dus zowel over de infrastructuur als over het wagenpark, de wa­pens, de uitrusting, de kantoorbenodigdheden, etc.  Er moet aandacht worden besteed aan :

5.5.                      De methoden

Onder methoden moet worden verstaan het geheel van normatieve beginselen waarop de politiepraktijk is gebaseerd. In feite gaat het over het geheel aan dwangmiddelen die, in welbepaalde omstandigheden, door sommige politiediensten kunnen worden gebruikt en die kunnen raken aan de individuele rechten gewaarborgd door de Grondwet en door de wetten. Het gaat o.m. over:

5.6.                      De organisatie van een politiedienst

Het geheel van structuren en de principes die bepalend zijn voor de manier waarop het werk wordt verricht (managementregels) vormen de organisatie van een politiedienst.

5.6.1.                Het management

De resultaten die eventueel door een politiedienst kunnen worden bereikt staan in een recht­streekse verhouding tot de managementsregels die erop worden toegepast.  Bijzondere aandacht zal worden geschonken aan :

5.6.2.                De structuur van de dienst

De structuur is natuurlijk afhankelijk van de grootte van de betrokken dienst. Ongeacht de grootte en de specificiteit van de dienst, zal iedere structuur, mutatis mutandis bestaan uit :

5.7.                      De activiteiten van een politiedienst

De activiteit van een politiedienst omsluit het geheel der taken die worden gerealiseerd ten einde de wettelijk opgelegde opdrachten uit te oefenen (bestuurlijke en gerechtelijke politie) en de oorspronkelijk vastgestelde doelstellingen te concretiseren.  Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen interne en externe activiteiten.

5.7.1.                De interne activiteiten

Het gaat om het geheel van activiteiten waardoor de externe activiteiten tot een goed einde kunnen worden gebracht, te weten :

5.7.2.                De externe activiteiten

Het gaat over het geheel van activiteiten die worden opgezet om in concreto de resultaten te bereiken en de doelstellingen die van de politiediensten worden verwacht te verwezenlijken, te weten :

5.8.                      De effecten

Aan de hand van het geheel aan activiteiten streven de politiediensten ernaar de resultaten te bereiken die overeenkomen of zouden moeten overeenkomen met de gestelde doelstellingen. Ter zake van de effecten moet worden gesproken in termen van :

6.                          De coördinatie

Er werd niet alleen geprobeerd het begrip doelmatigheid, maar ook het begrip coördinatie van de politiediensten te definiëren.

Ter zake van de politionele coördinatie blijken er verschillende niveaus te bestaan, waarvan twee ressorteren onder de politieoverheden.

Er moet een onderscheid worden gemaakt  tussen de coördinatie van het beleid en de coördi­natie van het beheer die onder de politieoverheden ressorteren en de coördinatie van de uitvoering die ressorteert onder de controle ingesteld bij de wet van 18 juli 1991.

6.1.                      De coördinatie van het beheer

Onder coördinatie van het beheer wordt verstaan de coördinatie van het algemeen beheer en van de organisatie van de verschillende politiediensten. Deze coördinatie gebeurt door de contacten en de relaties tussen de ministers die bevoegd zijn voor de betrokken politiedien­sten, dus de Minister van Binnenlandse Zaken, de Minister van Justitie en de Minister van Verkeer, in bepaalde gevallen.

6.2.                      De coördinatie van het beleid

6.2.1.                Doelstelling van de coördinatie van het beleid

De coördinatie van het beleid streeft naar :

Deze coördinatie gebeurt zowel op federaal vlak als op lokaal niveau en wordt geregeld door de artikelen 9 en 10 van de wet op het politieambt.

6.2.2.                De coördinatie op federaal vlak

Op federaal vlak wordt de coördinatie van het politiebeleid verzekerd door de Ministers van Justitie, van Binnenlandse Zaken en van Verkeer en eventueel door anderen naar gelang de materie.

6.2.3.                De coördinatie op lokaal vlak

Op lokaal vlak wordt de coördinatie verzekerd op het niveau van het gerechtelijk arrondisse­ment en de provincie.

Zijn daarbij betrokken :

6.3.                      De coördinatie van de uitvoering

De coördinatie van de uitvoering, zowel intern, binnen dezelfde politiedienst, als extern, tussen de politiediensten, is nauw verbonden met alle geledingen van de organisatie van de politiediensten.  Om het multidisciplinaire karakter ervan aan te tonen, wordt verwezen naar het item doelmatigheid.

Bijgevolg zou de coördinatie van de uitvoering kunnen worden gedefinieerd als de indeling  van de bevoegdheden, de taken, de concepten zowel wat de structuur, het management en de activiteiten als de producten betreft, alsmede een rationele inzet en gebruik van manschappen, middelen en methoden om een optimaal resultaat te bereiken.

Ter zake wordt er gedacht aan:

In de nabije toekomst zal de Dienst Enquêtes proberen een beter zicht te krijgen op de proble­matiek van de coördinatie van de uitvoering, vooral dan aan de hand van een onderzoek naar de methodes die ter zake van coördinatie worden gebruikt en de mogelijkheden tot harmoni­sering.

7.                          Statistische gegevens over de Dienst Enquêtes [25]

7.1.                      Maanden mei, juni, juli 1994.

Een globaal overzicht van de door de dienst opgestelde processen-verbaal, met een onder­scheid tussen de verschillende types uitgevoerde onderzoeken,voor de maanden mei, juni en juli 1994 (zie tabel A hieronder).

7.2.                      Voor de drie bekeken maanden


Tabel A :         Aantal opgestelde processen-verbaal in de maanden mei, juni en juli 1994.

Toezicht

Op vraag van het Vast Comité P

Ambtshalve

Navolgend

Totaal toezicht

Opgestelde PV’s per politiedienst [26]

Rw [27]

GP [28]

GPP [29]

A [30]

Belgen

Klachten door

Buitenlanders

3

6

1

10

4

8

   

1

   

1

 

1

   

Belgen

Aangiften door

Buitenlanders

 

3

1

4

 

2

 

1

               

Andere

 

3

 

3

1

3

   

Totaal toezicht

4

12

2

18

5

14

 

1

Gerechtelijk

Op vraag van de parketten of auditoraten

Ambtshalve

Navolgend

Totaal gerechtelijk

Opgestelde PV’s per politiedienst

RW

GP

GPP

A

Belgen

Klachten/Aangiften

Buitenlanders

5

8

18

31

2

19

11

 
 

8

1

9

4

6

   

Andere pro justitia

 

1

 

1

       

Totaal gerechtelijk

5

17

19

41

6

25

11

 

 

Tabel en grafiek B : Aantal dossiers per provincie van 1 mei 1994 tot 26 juli 1994

 

Aantal dossiers

Antwerpen

5

Brabant

22 [31]

Henegouwen

3

Limburg

1

Luik

4

Luxemburg

0

Namen

2

Oost-Vlaanderen

4

West-Vlaanderen

0

België

41

 


 

Tabel en grafiek C :          Aantal betrokken politiediensten van 1 mei 1994 tot 26 juli 1994

Rijkswacht

Gemeentepolitie

Gerechtelijke politie bij de parketten

NMBS

11

31

3

1

 


 

Tabel en grafiek D :          Aantal opgestelde processen-verbaal, verdeeld per type en per maand

 

Toezicht

Gerechtelijk

Mei

1

7

Juni

12

23

Juli

5

11

Totaal

18

41

 


 

Tabel en grafiek E :          Aantal opgestelde processen-verbaal, verdeeld per taalrol en per maand

 

Nederlands

Frans

Mei

1

7

Juni

19

16

Juli

8

8

Totaal

28

31

 


 

 

E.               Algemene conclusies en aanbevelingen

In toepassing van het artikel 80 van het huishoudelijk reglement van het Vast Comité P bevat het jaarverslag een aantal algemene conclusies en aanbevelingen over de coördinatie tussen de politiediensten, de werking van die diensten en de verenigbaarheid van hun werkzaamheden met de individuele rechten en vrijheden [32] .

De conclusies en aanbevelingen in dit jaarverslag zijn niet het resultaat van toezichts- en andere onderzoeken.  Zij zijn het resultaat van studie en overleg binnen het kader van de bestaande structuren van politiediensten en met als belangrijkste doelstelling, de doelmatig­heid van die diensten en de coördinatie tussen die diensten op korte termijn te verbeteren.

8.                          Structuur van de algemene politiediensten

De kwantitatieve gegevens die m.b.t. de algemene politiediensten ter beschikking staan zeggen natuurlijk nog niets over de kwaliteit van al die politieambtenaren [33] .  Daarvoor is enige reflexie en studiewerk nodig en zullen de ervaringen uit het verleden en die van de toekomst moeten gebruikt worden. Maar er zijn hoe dan ook een aantal vaststellingen te doen, zelfs op basis van loutere cijfers, die onmiskenbaar aantonen dat het met de politiezorg in bepaalde regio's niet zo best gesteld is. Er zijn in België nog 252 korpsen van gemeentepolitie met landelijk karakter; dat is nog altijd 42,8% van het totaal aantal gemeentelijke politiekorp­sen. Deze korpsen variëren van een organieke sterkte van één politieambtenaar (de enige veldwachter) tot twee korpsen van elf veldwachters. De overgrote meerderheid van deze korpsen haalt een bezetting van minder dan 6 politieambtenaren [34] maar staat wel in voor een gemiddelde bevolking van 5.037 inwoners per gemeente. Onverminderd de kwalitatieve waarde van deze politieambtenaren moet men zich de vraag stellen of dergelijke korpsen wel efficiënt kunnen  werken.

Sedert de wet van 11 februari 1986, die het wettelijk statuut van de gemeentepolitie vastlegt, wordt de landelijke politie inzake aanwerving, opleiding, benoemingsvoorwaarden en het uitvoeren van politietaken, gelijkgeschakeld met de stedelijke politie. De resterende verschil­len doen zich vooral gevoelen op financieel vlak [35] .  Een eventuele gelijkschakeling op dit terrein kan slechts gebeuren binnen éénzelfde statuut en dus in het kader van één type ge­meentepolitie.

De publicatie van het koninklijk besluit van 7 juli 1994, tot regeling van de gevolgen van de beslissing om aan een landelijk politiekorps een stedelijk karakter te verlenen [36] is een eerste stap daartoe.

Op langere termijn zou kunnen gestreefd worden naar een volledige integratie van de landelijke en stedelijke politie in één type gemeentepolitie, met stedelijk karakter.

Maar daarmee is de kous nog niet af. Want ook de stedelijke politie vertoont tot op zekere hoogte de kwalen van de landelijke korpsen.

Van de 337 stedelijke korpsen in België zijn er nog altijd 52 die een bezetting hebben van minder dan 10 agenten, en dit cijfer loopt op tot 119 wanneer de lat op 15 agenten wordt gelegd. Die 119 korpsen staan in voor een gemiddelde bevolking van 11.112 inwoners.

Een verhoging van de doelmatigheid van politiediensten in het algemeen en de gemeen­tepolitie in het bijzonder, zal dus niet beperkt kunnen blijven tot de afschaffing van de landelijke politie, maar zal noodzakelijkerwijze moeten uitgebreid worden naar een reorganisatie en coördinatie van bepaalde stedelijke korpsen.

Het Vast Comité P is er zich van bewust dat het in bepaalde gebieden van het Rijk slechts dankzij enorme financiële inspanningen  mogelijk zal zijn de gemeentepolitie volwaardig te maken. Louter economisch gezien zal het dus onvermijdelijk worden, hier en daar keuzes te maken. Ofwel worden de kleine korpsen samengesmolten tot regionale korpsen met een effectieve en efficiënte getalsterkte die het mogelijk maakt de basispolitiezorg te verlenen; ofwel kiest men resoluut voor de afschaffing van de gemeentepolitie in die gebieden en wordt de politiezorg verleend door de rijkswacht.

Hoe dan ook, moet het duidelijk zijn dat dergelijke reorganisaties maar verantwoord zijn als daarbij wordt uitgegaan van de belangen van de bevolking en de verantwoorde­lijkheid van de gemeentebesturen.

De demilitarisering van de rijkswacht maakt het nu mogelijk de globale structuur te hervor­men naar meer gedecentraliseerde en operationele eenheden.

In het ontwerp van wet tot wijziging van sommige bepalingen betreffende de rijkswacht en het statuut van haar personeel [37] worden een aantal belangrijke wijzigingen van de korpsstruc­tuur voorgesteld, ondermeer de afschaffing van de mobiele eenheden in de provincies als autonome entiteiten en de hergroepering ervan in een algemene reserve; de vereenvoudiging van de commandostructuur van vijf naar vier echelons; de mogelijkheid om op bepaalde echelons interventie-eenheden te voorzien en de mogelijkheid om brigades op te richten in delen van de grote steden.

Deze voorstellen zien er zee