Jaarverslag 1995
InhoudsopgaveHOOFDSTUK IV VATTING VAN HET VAST COMITE P
1. ALGEMEEN
1.1. OP VERZOEK VAN DE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS EN DE SENAAT
1.2. OP VERZOEK VAN DE BEVOEGDE MINISTER OF OVERHEID
1.3. AMBTSHALVE
1.4. KLACHTEN EN/OF AANGIFTEN
2. OVERZICHT VAN DE DOOR HET VAST COMITE P ONTVANGEN KLACHTEN EN/OF AANGIFTEN
2.1. BESTEMMING
2.2. BETROKKEN POLITIEDIENSTEN
2.3. VATTING TOEZICHTSDOSSIERS
2.4. TOEZICHTSDOSSIERS - BETROKKEN POLITIEDIENSTEN
3. CONCLUSIE
4. INLEIDING
5. AANLEIDING TOT DE ENQUÊTE
6. VOORWERP VAN DE ENQUÊTE
7. METHODOLOGIE
8. DOELSTELLING
9. DE ENQUÊTE
9.1. INFORMATIE MET BETREKKING TOT DE STEDELIJKE POLITIEKORPSEN DIE
OVER HULPAGENTEN VAN POLITIE KUNNEN BESCHIKKEN
9.2. ORGANISATIE VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
9.2.1. GETALSTERKTE VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
9.2.2. HET DIENSTVERBAND VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
9.3. DE PERSOONSGEGEVENS VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
9.3.1. VERDELING VOLGENS GESLACHT
9.3.2. VERDELING NAAR LEEFTIJD
9.3.3. VERDELING NAAR STUDIENIVEAU
9.3.4. OPLEIDING EN VORMING
9.3.5. HET STATUUT VAN DE HULPAGENT VAN POLITIE
9.3.6. DE TWEETALIGHEID IN HET BRUSSELS GEWEST
9.4. DE KLEDIJ EN DE UITRUSTING VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
9.5. DE ALGEMENE EN DE BIJZONDERE DOELSTELLINGEN
9.5.1. ALGEMENE DOELSTELLINGEN
9.5.2. BIJZONDERE DOELSTELLINGEN
9.6. DE TAKEN EN DE OPDRACHTEN
9.7. DE RESULTATEN
10. CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
10.1. DE STEDELIJKE POLITIEKORPSEN DIE OVER HULPAGENTEN VAN POLITIE (KUNNEN) BESCHIKKEN
10.2. DE ORGANISATIE VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
10.2.1. DE GETALSTERKTE
10.2.2. DE PERSOONSGEGEVENS VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
10.2.3. HET DIENSTVERBAND VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
10.2.4. DE KLEDIJ EN DE UITRUSTING VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
10.2.5. DE DOELSTELLINGEN
10.2.6. DE TAKEN EN DE OPDRACHTEN
10.2.7. DE RESULTATEN
11. BESLUIT
HOOFDSTUK VI DE DIENST ENQUÊTES P
12. VOORWOORD
13. DE OPDRACHTEN VAN DE DIENST ENQUÊTES P
14. DE ACTIVITEITEN VAN DE DIENST
14.1. CIJFERGEGEVENS
14.2. DE GEGRONDHEID VAN DE KLACHTEN EN AANGIFTEN
14.2.1. OP GERECHTELIJK VLAK
14.2.2. OP HET STUK VAN HET TOEZICHT
14.3. GERECHTELIJKE ONDERZOEKEN
14.3.1. WIJZE VAN VATTING
14.3.2. FOLLOW-UP VAN GERECHTELIJKE ONDERZOEKEN
14.4. TOEZICHTSONDERZOEKEN
15. STATISTIEKEN VAN DE DIENST ENQUÊTES VAN 1 AUGUSTUS 1994 TOT EN MET 31 JULI 1995
15.1. AANTAL DOSSIERS
15.2. AANTAL GERECHTELIJKE DOSSIERS PER HOF VAN BEROEP
15.3. AANTAL DOSSIERS PER TAALROL
15.4. BETROKKEN POLITIEDIENSTEN
15.5. VATTING
15.6. AFKOMST VAN DE PERSONEN DIE KLACHTEN EN/OF AANGIFTEN HEBBEN INGEDIEND
15.7. AANTAL PROCESSEN-VERBAAL
15.8. AANTAL GERECHTELIJKE DOSSIERS PER TYPE INBREUK
HOOFDSTUK VII ALGEMENE CONCLUSIES EN AANBEVELINGEN
16. DE BESCHERMING VAN DE GRONDWETTELIJKE RECHTEN EN VRIJHEDEN VAN DE BURGERS
17. DE DOELMATIGHEID VAN DE POLITIEDIENSTEN
18. DE COÖRDINATIE VAN DE POLITIEDIENSTEN
Het doel van een beleidsinstelling is het welzijn en het geluk van de burgers
te verzekeren door te trachten aan de gemeenschap een op waarden gebaseerde
toekomst te geven. Dergelijk beleid veronderstelt onder meer het continu optreden
van politie en
justitie.
Met de gebeurtenissen van de jaren '80 is het bewustzijn gegroeid dat sociale orde niet meer zozeer de openbare orde maar wel de veiligheid beoogt.
Het was dus noodzakelijk dat de politiekorpsen, die een brede maatschappelijke
erkenning wilden bereiken, zich aanpasten, beter beantwoordden aan de verwachtingen
van het publiek, zich beter integreerden in de bevolking en zich bewust werden
van het
streven naar resultaat.
De regering is op meerdere terreinen begonnen met een metamorfose van de politiediensten; onder meer door te investeren in wetgeving, in opleiding, in middelen, in openheid, in coördinatie en in de toenadering van politie en publiek.
De opleiding is een hefboom in de verandering van de politie, die echter op
meer moet steunen dan op loutere ervaring. Vertrekkende van het principe dat
een goed opgeleide politieambtenaar een ambtenaar is die in staat is zijn potentieel
aan arbeid te evalueren,
probeert men meer en beter aan te werven en op te leiden.
Die opleiding moet natuurlijk passen in een ruimere context dat ook de verbetering
voorziet van de uitrusting en de middelen. Er van uitgaande dat het tot niets
leidt goed op te leiden en te werken met verouderde middelen en uitrusting,
heeft de regering
hiervoor de budgettaire middelen vrijgemaakt.
Een en ander heeft voor gevolg dat een typisch "politierecht" ontstaat,
onder meer geconcretiseerd door de wet op het politieambt. Deze wet herneemt
een aantal traditionele politieopdrachten die echter beter worden afgelijnd,
ondergebracht in een
aangepaste structuur, die de controle op de wettelijkheid van politionele acties
vergemakkelijkt en die de begrippen van gezag, leiding en toezicht op de politiediensten
preciseert.
Het concept om de politie dichter bij het publiek te brengen heeft een vrij
precieze inhoud gekregen. Het gaat er enerzijds om de opdrachten van de politie
beter in evenwicht te brengen, de middelen rationeel aan te wenden en met de
gebruikers een
dialoog op gang te brengen. Anderzijds gaat het ook om meer openheid. Om hieraan
tegemoet te komen werd een extern controleorgaan gecreëerd, het Vast Comité
P.
België kent nationale en lokale politiekorpsen, met algemene en specifieke bevoegdheden en zelfs tot voor kort met militair en burgerlijk statuut, naast elkaar.
Er is iets voor te zeggen dat dit pluralisme ontstaan is uit het verloop van de geschiedenis en de tradities der instellingen, maar er is vermoedelijk een meer rationele dimensie aan verbonden.
Enerzijds wenst de overheid niet de speelbal te zijn van de zich wijzigende
steun van één enkele politiemacht, maar anderzijds koestert zij,
op de grond van de oude spreuk "verdeel en heers", misschien onbewust
de hoop dat deze politiediensten elkaar zullen
controleren.
Wanneer de overheid haar drie politiediensten voor lief neemt moeten de rivaliteiten echter beheersbaar blijven. De dialoog moet dus verbeterd worden, de complementariteit verzekerd en de concurrentie georganiseerd.
De oprichting van de gemeenschappelijke politiesteundienst biedt nieuwe perspectieven om het politieapparaat te reguleren. Het moet die bevoorrechte plaats worden om de coördinatie van de verschillende diensten te bewerkstelligen.
Andere plaats van overleg is het vijfhoeksoverleg, dat als coördinatieinstrument een geïntegreerd veiligheidsbeleid wil verwezenlijken. Hier wordt vooral een betere aanpassing op het terrein verwacht.
De regering wil een efficiënte, effectieve en doelmatige politiedienst. De maatregelen van de laatste jaren proberen deze doelstellingen te verwezenlijken.
Hoewel men de loop der dingen zijn tijd moet laten, zullen deze maatregelen toch op hun waarde moeten getoetst worden, al was het maar dat hun praktische uitvoering om structurele en andere redenen niet vanzelfsprekend is. Coördinatie en communicatie kan worden gestuurd en aangemoedigd; maar op het terrein blijft de doelmatigheid van deze maatregelen een zaak van mensen.
"De politieoorlog kan niet worden herleid tot een probleem van teksten die in coördinatie voorzien ... Hij heeft een sociologische basis. Hij is niet hervormbaar, hij maakt integraal deel uit van het systeem" [1] .
Bij gebrek aan een globale hervorming, werden een aantal wijzigingen doorgevoerd die de disfuncties moeten beheersbaar maken. Deze hervormingen zetten de politiediensten met de rug tegen elkaar. Aan de korpsen de keus om blijk te geven van eigen specificiteit en creativiteit, dan wel zich op te sluiten in bevoegdheidsconflicten of concurrerende strategieën te ontwikkelen.
Het is een vorm van pragmatisme om oplossingen te overwegen die zich beperken tot de harmonisering van de activiteiten en de rationalisering van de middelen.
Een zaak staat vast; bij faling zullen de bevoegdheden, de opdrachten en de territoria van elk van de diensten of van "de dienst" zeer dringend en zeer duidelijk moeten worden omschreven.
Veiligheid herdefinieert de sociale orde vanuit een maatschappelijke nood. Als de politie aan deze nood voldoet zal zij aan legitimiteit winnen. Als de bevolking het gevoel heeft dat de politie ook aan preventie doet en de rechten van de mens respecteert, zal ze de neiging hebben deze politie te steunen en te helpen. De politie zal daardoor doeltreffender worden.
De burger-klant heeft verwachtingen. Hij weet ongetwijfeld dat politie en veiligheid moet gezien worden in al hun complexiteit; dat de politie lang niet de enige overheidsdienst is die antwoorden kan bieden en dat haar mogelijkheden beperkt zijn. Maar de burger verwacht wel haar deel van de oplossingen. Bij ontstentenis zal de burger vinden dat aan zijn verwachtingen niet werd voldaan.
|
Freddy TROCH, Voorzitter. |
Georges PYL, Ondervoorzitter. |
|
Walter DE SMEDT, Vast Lid. |
Arille CORNET, Vast Lid. |
|
Carmelo ZAITI, Griffier. |
Valère DE CLOET, Vast Lid. |
HOOFDSTUK
IV
VATTING VAN HET VAST COMITE P [2]
1.1. OP VERZOEK VAN DE KAMER VAN VOLKSVERTEGENWOORDIGERS EN DE SENAAT
1.2. OP VERZOEK VAN DE BEVOEGDE MINISTER OF OVERHEID
Het Vast Comité P ontving volgende verzoeken tot een toezichtsonderzoek :
Zoals uit het hiernavolgende overzicht blijkt ontving het Vast Comité P vanaf 1 augustus 1994 tot en met 31 juli 1995 197 klachten/aangiften.
Het Europees Comité inzake de voorkoming van folteringen en onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen heeft op 10 juni 1994 haar verslag m.b.t. de Belgische situatie neergelegd.
Het verslag van voornoemd Comité maakt gewag van slechte behandeling van aangehouden personen, vooral vreemdelingen, over het ontbreken van behoorlijke maaltijden voor deze personen of over de slechte infrastructuur van de cellen.
Wat de infrastructuur betreft bereidt de regering een aantal minimumnormen voor inzake hygiëne en veiligheid van de cellen bij de politiediensten.
Met betrekking tot de behandeling is er eveneens nood aan een aantal basisregels.
De Minister van Binnenlandse Zaken heeft aan het Vast Comité P gevraagd hiervoor een ontwerptekst op te stellen.
2. OVERZICHT VAN DE DOOR HET VAST COMITE P ONTVANGEN KLACHTEN EN/OF AANGIFTEN
Vanaf 1 augustus 1994 tot en met 31 juli 1995 ontving het Vast Comité P 197 klachten/aangiften.
|
KLACHTEN EN AANGIFTEN [3] |
|
|
Onmiddellijk zonder gevolg geklasseerd door het Vast Comité P* |
48 [4] |
|
Zonder gevolg geklasseerd na onderzoek* |
85 [5] |
|
Nog in onderzoek bij de Dienst Enquêtes |
28 |
|
Nog voor nazicht of bijkomende informatie bij het Vast Comité P |
10 |
|
Overgemaakt aan tuchtrechtelijke overheid |
6 |
|
Gaven aanleiding tot een toezichtsonderzoek |
8 [6] |
|
Toegevoegd aan bestaande dossiers |
4 |
|
Waren geen klachten of aangiften en werden geklasseerd ter informatie |
8 |
|
TOTAAL |
197 |
* Elke klager/aangever werd van de beslissing schriftelijk op de hoogte gebracht en, indien mogelijk en nuttig, bijkomend geïnformeerd.
2.2. BETROKKEN POLITIEDIENSTEN
KLACHTEN EN AANGIFTEN - BETROKKEN POLITIEDIENSTEN |
|||||
|
PC |
Gd |
PJP |
PS |
TOTAL [7] |
|
|
Afgesloten klachten/aangiften |
121 |
28 |
9 |
0 |
158 |
|
Open klachten/aangiften op 31/07/95 |
31 |
5 |
7 |
0 |
43 |
|
TOTAAL |
152 |
33 |
16 |
0 |
201 |
2.3. VATTING TOEZICHTSDOSSIERS
|
VATTING TOEZICHTSDOSSIERS |
|||||
|
Min. BIZA |
Burgemeesters |
Proc.-generaal |
Particulieren |
Ambtshalve |
TOTAAL |
|
1 |
2 |
1 |
8 |
4 |
16 |
2.4. TOEZICHTSDOSSIERS - BETROKKEN POLITIEDIENSTEN
|
TOEZICHTSDOSSIERS - BETROKKEN POLITIEDIENSTEN |
|||||
|
Gp |
Rw |
GPP |
BP |
TOTAAL |
|
|
Afgesloten dossiers |
4 |
0 |
1 |
0 |
5 |
|
Open dossiers op 31/07/95 |
8 |
0 |
2 |
1 [8] |
11 |
|
TOTAAL |
12 |
0 |
3 |
1 |
16 |
Voor het uitoefenen van zijn opdrachten waarvoor het bij wet van 18 juli 1991 werd opgericht, diende het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes te wachten tot de goedkeuring van zijn Huishoudelijk Reglement door de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Senaat. Sedert 6 mei 1994 is dat een feit.
Het jaarverslag 1995 is aldus het eerste verslag van een volledig werkjaar.
Er dient vastgesteld dat de burger en de gerechtelijke overheid veelvuldig beroep doen op het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes.
Hierdoor kwam in het voorbije werkjaar in hoofdzaak de eerste van het in artikel 1 van de wet van 18 juli 1991 omschreven doelstelling, in casu de bescherming van de grondwettelijke rechten en vrijheden van de burgers, aan bod.
Het is uiteraard een verheugende vaststelling dat o.a. de gerechtelijke overheid zijn vertrouwen heeft gesteld in het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes.
Het veelvuldig beroep doen van de gerechtelijke overheid op de Dienst Enquêtes
P heeft voor gevolg dat deze Dienst, tengevolge van zijn te beperkt aantal enquêteurs,
hoofdzakelijk voor de gerechtelijke overheid heeft gewerkt en zich aldus minder
kon bezighouden met de eigenlijke toezichtsonderzoeken of andere opdrachten
van het Vast
Comité P.
Als gevolg hiervan werd aan de gerechtelijke overheid gevraagd om aan de Dienst Enquêtes P met voorrang de onderzoeken toe te vertrouwen beantwoordend aan volgende criteria :
Het Vast Comité P wenst in de toekomst meer nadruk te leggen op zijn tweede en derde opdracht voorzien bij artikel 1 van de wet van 18 juli 1991, in casu de doelmatigheid en de coördinatie van de politiediensten.
Dit zal slechts op een kwalitatief verantwoorde manier kunnen gebeuren wanneer aan het Vast Comité P de nodige middelen ter beschikking worden gesteld. Hierbij is de uitbreiding van de Dienst Enquêtes P van fundamenteel belang.
In de voorbereidende werkzaamheden die tot de oprichting van het Vast Comité P en de Dienst Enquêtes hebben geleid, heeft de Minister van Binnenlandse Zaken verklaard :
«... De problemen die zijn gerezen bij de werking van de politie- en inlichtingendiensten zijn niet zo futiel dat men vrede zou kunnen nemen met een minimale of met een uiterst lichte structuur voor de controleorganen.
Het is noodzakelijk de controleorganen qua personeel en qua werkingsmogelijkheden de mogelijkheid te bieden hun opdracht ten volle op te nemen en uit te oefenen (...). De toezichtsorganen moeten in staat worden gesteld werkelijk diepgaand een probleem te onderzoeken en een zaak volledig uit te spitten, zoniet zal men het doel - met name de veiligheid verhogen en het vertrouwen van de bevolking in de veiligheidsdiensten herstellen - voorbijschieten...» [9] .
HOOFDSTUK
V
DE ENQUÊTE BIJ DE STEDELIJKE POLITIEKORPSEN VAN DE GEMEENTEPOLITIE NAAR
DE WERKING VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
Bekijkt men de evolutie van de politiediensten in België gedurende het laatste decennium, dan zijn er ten aanzien van de sterkte en de output enkele interessante ontwikkelingen te zien.
In de jaren '80 hebben de politiediensten, net als alle openbare diensten, omwille van de budgettaire toestand de riem moeten toesnoeren. De rijkswacht heeft nog het beste haar positie weten te vrijwaren, o.m. door gebruik te maken van de grotere aandacht voor veiligheid en politie na de zware incidenten van 1985.
Met het Pinksterplan is het politiebeleid in een stroomversnelling gekomen en werden enorme inspanningen geleverd om niet alleen het evenwicht tussen de politiediensten te herstellen maar ook meer middelen ter beschikking te stellen van iedereen in het kader van het "contract met de burger". Met de veiligheidscontracten, de herwaardering van de statuten en de modernisering van de politiediensten werden belangrijke impulsen gegeven om zowel de werking als de samenwerking te verbeteren.
Wil men echter deze input vergelijken met de uiteindelijke resultaten, om zich een oordeel te vormen over het functioneren van die politiediensten, dan stuit men op het bekende probleem van de vaststelling van prestaties in dienstverlenende sectoren en op de problemen van meting en waardering daarvan.
Gewoonlijk en ook "gemakshalve" wordt de output gemeten aan de hand van de geregistreerde vaststellingen. Maar dit kan hoogstens een indicatie zijn voor wat men noemt "arbeidsproductiviteit" en geeft absoluut geen correct beeld van wat beoogd wordt. Een andere waardemeter is het percentage opgehelderde misdrijven waarbij een stijging of een daling een indicatie zou moeten zijn voor efficiëntie en effectiviteit.
Ook in de politieorganisaties waar het management al verder geëvolueerd is dan het opstellen van een dienstregeling bieden de verschillende beleidsmodellen geen pasklare oplossing voor het omzetten van beleidsmaatregelen in kwantificeerbare gevolgen.
Een feit is zeker : de toenemende behoefte bij burgers en bedrijven aan effectieve politiezorg stijgt. Op een stijging van de vraag zou in principe een stijging van het aanbod moeten volgen. Maar dat is met organisaties die gefinancierd worden via het budgetmechanisme niet evident. Een verhoging van de budgetten is theoretisch mogelijk maar in de praktijk ontbreekt het de meeste besturen aan financiële ademruimte.
Daarom wordt uitgekeken naar alternatieve financieringsmechanismen, zoals subsidiëring door de overheid, veiligheidscontracten, preventiecontracten en tewerkstellingsprojecten [10] .
Er bestaan ook wettelijke alternatieven die ingeschreven zijn in de gemeentewet en waarbij enerzijds de werking van politiekorpsen wordt ondersteund en anderzijds de gemeenten een vergoeding kunnen vragen voor opdrachten van bestuurlijke politie [11] .
Een tweede mogelijke reactie op een stijgende vraag is het uitwijken naar aanpalende markten waar een redelijk concurrerend product wordt aangeboden. Voorwaarde is natuurlijk dat de afnemers bereid zijn de marktprijs te betalen. In de praktijk betreft het hier de privatisering van een deel van de politiefunctie. Krachtens een ongebreideld recht op privé-bezit en privé-initiatief is een veelhoofdige nieuwe industriële en commerciële bedrijfstak ontstaan die weliswaar werkgelegenheid betekent zij het vaak van bedenkelijke kwaliteit, zowel inzake recrutering als inzake taakstelling en taakuitoefening, maar waarvan de overheid niet zonder moeite de omvang en de activiteiten kent [12] . Einde 1993 werden in België 34 bewakings- en 524 beveiligingsondernemingen geregistreerd. Daarnaast beschikken nog 10 ondernemingen over een erkende interne bewakingsdienst [13] .
Het is echter nog altijd moeilijk om zicht te krijgen op de ondernemingen die bewakings- en/of beveiligingsactitiviteiten uitoefenen zonder daartoe over de vereiste vergunning of erkenning te beschikken [14] .
De derde mogelijkheid is het ingrijpen van de overheid als regulator met een pakket aan maatregelen gericht op een verhoging van de doelmatigheid. Opvallende maatregelen op dat terrein zijn het project van samenwerking tussen de gemeentepolitie en de rijkswacht inzake het bepalen van de interpolitiezones (IPZ) per provincie en de intergemeentelijke politiesamenwerking [15] .
Een andere maatregel was de wettelijke regeling van het statuut van de hulpagent. In de memorie van toelichting van het ontwerp van wet tot wijziging van de nieuwe gemeentewet staat het volgende :
« Teneinde de functie van de gemeentepolitie te herwaarderen en een grotere doelmatigheid ervan mogelijk te maken, is het onontbeerlijk binnen de gemeentepolitie in de aanwerving te voorzien van enerzijds hulpagenten van politie en anderzijds burgerpersoneel » [16] .
De bedoeling van de wetgever was duidelijk. De goed opgeleide politieagenten ontlasten van een aantal eenvoudige taken en het organiseren van toezicht op een aantal belangrijke aspecten in steden en gemeenten, i.c. allerlei vormen van hinder.
« Hulpagenten van politie zijn reeds wettelijk bevoegd voor een aantal opdrachten inzake politie van het wegverkeer en zij kunnen de overtredingen die zij in dit kader vaststellen opnemen in een proces-verbaal dat zij opmaken. Zij zijn vandaag dus reeds agent van bestuurlijke en van gerechtelijke politie met beperkte bevoegdheid.
Voorgesteld wordt deze bevoegdheid uit te breiden tot het toezicht op de naleving van en het vaststellen van overtredingen op gemeentelijke politieverordeningen. Dit zal toelaten enerzijds om de naleving van een aantal gemeentelijke verordeningen beter te controleren (bv. over de netheid in de straten en het plaatsen van vuilniszakken op de openbare weg) en om anderzijds de politiekorpsen te ontlasten van een aantal eerder eenvoudige taken (bv. toezicht op de reglementen met betrekking tot het plaatsen van terrassen of met betrekking tot geluidshinder) » [17] .
Met de wet van 15 juli 1992 werd in de gemeentewet een artikel 217 ingevoegd als volgt :
« De gemeentepolitie kan administratief en logistiek personeel omvatten. De stedelijke politie kan ook hulpagenten omvatten. De leden van het administratief en logistiek personeel mogen geen opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie uitvoeren. De hulpagenten mogen geen opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie uitvoeren, behalve de bevoegdheden die hun zijn toegekend inzake de politie op het wegverkeer, en die om toe te zien op de naleving van gemeentelijke politieverordeningen.
De bij hen ingediende klachten en aangiften, alsook de door hen verkregen inlichtingen en gedane vaststellingen nopens inbreuken op deze verordeningen worden opgenomen in processen-verbaal die aan de bevoegde gerechtelijke overheid worden overgezonden » [18] .
De bevoegdheden van de hulpagenten worden nader omschreven in de ministeriële omzendbrief POL 37 :
« De bevoegdheid van de hulpagent vindt zijn wettelijke grondslag in artikel 217 van de nieuwe gemeentewet en betreft met name de volgende materies :
1. De bevoegdheden inzake de politie op het wegverkeer, die aan de hulpagent expliciet zijn toegekend krachtens de wet en steunend op artikel 3, 1°, van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en de ter uitvoering daarvan genomen reglementen.
2. Het toezicht op de naleving van gemeentelijke politieverordeningen.
3. Een algemeen veiligheidstoezicht buiten het toepassingsgebied van het verkeersreglement, namelijk in openbare plaatsen, pleinen en parken; de hulpagent kan toezien op de veiligheid in de nabijheid van scholen en in het bijzonder op de veiligheid van de kinderen. Indien hij tijdens de uitoefening van dit veiligheidstoezicht zou vaststellen dat de tussenkomst van een politieagent noodzakelijk is omdat die beschikt over een algemene politiebevoegdheid omwille van zijn eigen veiligheid, dient hij onverwijld beroep doen op de dienstdoende politieagenten.
4. Administratieve taken inherent aan de werking van het politiekorps, in zoverre het niet gaat om opdrachten in de zin van titel IV van de nieuwe gemeentewet. Zo kan de hulpagent belast worden met archiefwerkzaamheden, dactylografie, diverse kantoorwerken en eventueel het onthaal op het politiecommissariaat.
De hulpagent mag in geen geval worden ingezet voor andere opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie dan diegene hiervoor vermeld.
Het is derhalve duidelijk dat de hulpagent van politie als lid van de gemeentepolitieslechts over een beperkte bevoegdheid beschikt in wel omschreven materies.
Door zijn regelend, ordenend, bemiddelend en eventueel verbaliserend optreden, zal de hulpagent van politie meewerken aan de orde en rust in de gemeenschap in die materies die tot zijn bevoegdheid behoren.
Deze beperkte bevoegdheid houdt ook in dat de hulpagent van politie niet mag ingezet worden voor criminaliteitsbestrijding, vermits dit een wezenlijke politietaak is waarvoor de eigenlijke politiediensten instaan » [19] .
Het statuut van de hulpagenten wordt sedert 1991 geregeld door een aantal koninklijke besluiten en een omzendbrief [20] .
Bovendien gelden de specifieke eisen inzake de kennis van de tweede landstaal ook voor de hulpagenten [21] .
Vóór 19 februari 1991 was de situatie van de hulpagenten vrij vaag en omzeggens niet geregeld. Op basis van de verkeerswet werden zij her en der ingezet om controle uit te oefenen op bepaalde aspecten van het verkeer waarbij het financiële aspect meer belang scheen te hebben dan het doelmatigheidsaspect [22] .
In de loop van 1994 ontvangt het Vast Comité P een aantal aangiften die aanleiding geven tot het openen van toezichtsonderzoeken in stedelijke politiekorpsen van de gemeentepolitie. Het voorwerp van deze toezichtsonderzoeken is onder meer : een onderzoek naar de organisatie, de uitrusting en de inzet van de contingenten hulpagenten [23] .
De resultaten van deze onderzoeken laten aan duidelijkheid niets te wensen over :
Er wordt tevens vastgesteld dat in bepaalde gevallen politiekorpsen noodgedwongen moeten afwijken van de reglementaire voorschriften en zelf niet gelukkig zijn met deze evolutie.
Het Vast Comité P beslist op 23 maart 1995 het onderzoek te globaliseren en een enquête te houden in alle stedelijke politiekorpsen die op dat tijdstip hulpagenten in dienst hebben.
De enquête richt zich tot 65 stedelijke politiekorpsen in België, waarvan 27 in Vlaanderen, 19 in Wallonië en de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest [25] .
Deze 65 politiekorpsen vertegenwoordigen samen 71 % van het feitelijk kader van de gemeentepolitie in België [26] .
De enquête werd uitgevoerd aan de hand van een gestandaardiseerde vragenlijst die aan alle korpsen werd toegestuurd. Om de verwerking van de gegevens te vereenvoudigen werd ook de antwoordvorm in de vorm van voorbeelden, gestandaardiseerd.
Niettegenstaande de vrij strakke tijdslimiet was de respons 100 %.
Aan de politiekorpsen werd volgende informatie gevraagd :
1. Informatie met betrekking tot het politiekorps (situatie op 01.04.1995), o.a. de getalsterkte van het politiekorps en de organisatiestructuur.
2. Organisatie van de hulpagenten (situatie op 01.04.1995) met de getalsterkte van de hulpagenten en hun dienstverband.
3. Persoonsgegevens van de hulpagenten, in het bijzonder; geslacht, geboortejaar, studieniveau, jaar van indiensttreding, opleiding en statuut. Alle gegevens worden anoniem verwerkt.
4. Informatie met betrekking tot het uniform, de uitrusting, en de bewapening.
5. De algemene en bijzondere doelstellingen die men wil bereiken.
6. De taken en opdrachten die aan de hulpagenten worden toebedeeld.
7. De behaalde resultaten.
De doelstelling van de enquête is te komen tot een globaal beeld van de organisatie van de hulpagenten in België, het vaststellen van de afwijkingen en de knelpunten : het evalueren van de resultaten en het formuleren van beleidsadviezen die tegemoetkomen aan de eisen van een moderne, efficiënte bedrijfsvoering op het vlak van de hulpagent.
9.1. INFORMATIE MET BETREKKING TOT DE STEDELIJKE POLITIEKORPSEN DIE OVER HULPAGENTEN VAN POLITIE KUNNEN BESCHIKKEN
De informatie met betrekking tot het politiekorps was noodzakelijk omdat de normen die een organiek kader van hulpagenten toelaten gebaseerd zijn op de getalsterkte van het politiepersoneel en op de organisatie van de politiewerking.
Immers de omzendbrief POL 37 voorziet drie categorieën van gemeenten die een kader van hulpagenten kunnen oprichten.
Een eerste categorie van gemeenten waar het organiek kader van het politiepersoneel uit minstens 50 leden bestaat.
Dit is het geval voor 45 van de 65 deelnemende korpsen [27] .
Een tweede categorie van gemeenten waar het organiek kader uit minder dan 50 leden bestaat, doch waar 24 uur op 24 een permanentie- en interventiedienst wordt ingericht eventueel in samenwerking met andere gemeenten of politiediensten.
Dit is het geval voor 15 van de 65 deelnemende korpsen [28] .
Tenslotte de overige gemeenten onder de volgende voorwaarden :
1. het aantal effectieve agenten van de basisformatie, aspiranten en stagedoende politieagenten inbegrepen, mag niet minder bedragen dan 85 % van het aantal voorziene betrekkingen;
2. de instelling van een kader hulpagenten moet gepaard gaan met een evenredige verhoging van de openingstijd van het politiecommissariaat, tenzij dit reeds gebeurde tijdens de voorbije 6 maanden.
Dit is het geval voor 5 van de 65 deelnemende korpsen [29] .
De stedelijke korpsen met hulpagenten zijn samen goed voor een organiek kader van 11.851 politieambtenaren met een gemiddelde bezettingsgraad van 90 %.
De bezettingsgraad is het hoogst in het Vlaams Gewest (94 %), het laagst in het Brussels Gewest (85 %) met daar tussen in Wallonië (92 %).
De cijfers met betrekking tot het basiskader alleen wijken niet fundamenteel af van het globale kader [30] .
Politiekaders van de gemeenten uit de enquête, met volledige bevoegdheid, aspiranten en stagedoende agenten inbegrepen
|
Organiek |
Feitelijk kader politiepers. |
% |
Organiek basiskader |
Feitelijk basiskader |
% |
|
|
Vlaams Gewest |
4 916 |
4 638 |
94 |
3 546 |
3 316 |
94 |
|
Waals Gewest |
2 803 |
2 566 |
92 |
2 085 |
1 951 |
94 |
|
Brussels Gewest |
4 132 |
3 498 |
85 |
2 808 |
2 349 |
84 |
|
TOTAAL |
11 851 |
10 702 |
90 |
8 439 |
7 616 |
90 |
Bezettingsgraad politiepersoneel
Commentaar
Langs de ene kant moeten hulpagenten wel bijzonder welkom zijn in korpsen waar het basiskader voor minder dan 80 % is opgevuld 17 % van de gevallen) maar zal dit onvermijdelijk leiden tot afwijkingen op de voorziene bepalingen inzake normering en taakstelling en in sommige gevallen tot invulling van de job van politieagent met alle gevolgen op het vlak van wettelijkheid, bevoegdheid en verantwoordelijkheid.
Wat de derde categorie van de korpsen betreft waar een bezetting van 85 % een formele norm is , voldoen slechts 2 van de 5 gemeenten aan deze norm. De drie andere halen een gemiddelde bezetting van slechts 76 %.
9.2. ORGANISATIE VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
9.2.1. GETALSTERKTE VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
De getalsterkte van de hulpagenten in België wordt in eerste instantie bepaald door de normen opgelegd door de omzendbrief POL 37, die daaromtrent het volgende zegt :
« Het aantal betrekkingen in een formatie van hulpagenten van politie bedraagt maximum 15 % van het aantal voorziene betrekkingen in de basisformatie van het politiepersoneel, d.w.z. politieagenten, politieagenten-brigadier en politieagenten-hoofdbrigadier. Het resultaat van de diverse berekeningen wordt naar boven afgerond ».
Op basis van deze norm is het theoretisch maximum aantal hulpagenten in België gelijk aan 1858, waarvan 914 in Vlaanderen, 522 in Wallonië en 422 in Brussel. Daar niet alle stedelijke korpsen over hulpagenten beschikken is dit een theoretisch gegeven. Op basis van het organiek basiskader van de korpsen uit de enquête bedraagt het mogelijk maximum aantal hulpagenten 1266, waarvan 532 in Vlaanderen, 422 in Brussel en 313 in Wallonië.
De diverse initiatieven die in de legislatuur 1992-1995 werden genomen in het kader van het globaal plan voor de werkgelegenheid, het concurrentievermogen en de sociale zekerheid, en die o.m. voorzien in bijkomende aanwervingen voor de gemeentepolitie voorzien geen mogelijkheid de in de omzendbrief POL 37 gehanteerde norm te overschrijden [31] .
Ook het koninklijk besluit van 10 juni 1994 dat aan de gemeenten die voldoen aan de minimale veiligheidsnorm, de mogelijkheid biedt hulpagenten of burgerlijk personeel aan te werven, biedt geen mogelijkheid de in de omzendbrief POL 37 gehanteerde norm te overschrijden [32] .
Een uitzondering hierop vormen de veiligheidscontracten. Niettegenstaande de regering steeds heeft vooropgesteld dat de realisatie van de veiligheidscontracten volledig in overeenstemming dient te verlopen met de bestaande wetgeving en richtlijnen inzake aanwerving en statuut van personeel, voorziet de omzendbrief van 17 juni 1994 de volgende bepalingen :
« ... Ook met betrekking tot de hulpagenten van politie blijven inzake aanwerving en taakuitvoering de bepalingen van mijn omzendbrief POL 37 van 28 januari 1993 betreffende het statuut van de hulpagent van politie volledig van kracht.
De gemeenten waarvan in het veiligheidscontract voorzien wordt dat ze bijkomende hulpagenten in dienst kunnen nemen, kunnen deze echter uitzonderlijk wel in contractueel verband aanwerven indien deze hulpagenten bestemd zijn voor het realiseren van doelstellingen die specifiek in het veiligheidscontract werden opgenomen. Een dergelijke contractuele aanwerving moet uitdrukkelijk gemotiveerd worden.
Het aantal hulpagenten in dienst mag ook slechts de 15 % van het aantal voorziene betrekkingen in de basisformatie voor politiepersoneel overschrijden in het kader van de doelstellingen van het veiligheidscontract ... » [33] .
Hieruit volgt dat de contractuele hulpagenten aangeworven in het kader van het veiligheidscontract kunnen toegevoegd worden aan het aantal toegelaten betrekkingen op basis van de omzendbrief POL 37.
In de veiligheidscontracten afgesloten met 29 steden en gemeenten is in de aanwerving voorzien van 401 hulpagenten [34] waarvan 162 in vast verband (statutair) en 239 in contractueel verband. Het zijn dus deze laatsten die eventueel aan de norm kunnen toegevoegd worden.
Het aantal hulpagenten in dienst op 1 april 1995 bedroeg 1152, waarvan 607 in het Brussels Gewest, 339 in het Vlaams Gewest en 206 in het Waals Gewest
|
Organiek basiskader |
Feitelijk basiskader |
% |
Norm hulpagenten |
Aantal hulpagenten |
% |
|
|
Vlaams Gewest |
3 546 |
3 316 |
94 |
532 |
339 |
64 |
|
Waals Gewest |
2 085 |
1 951 |
94 |
313 |
206 |
66 |
|
Brussels Gewest |
2 808 |
2 349 |
84 |
422 |
607 |
143 |
|
TOTAAL |
8 439 |
7 616 |
90 |
1 266 |
1 152 |
91 |
Commentaar
Het aantal hulpagenten in Vlaanderen ligt ver onder de toegelaten norm. De betrokken steden en gemeenten hebben voor 64 % gebruik gemaakt van de voorziene mogelijkheden, veiligheidscontracten inbegrepen. Indien men geen rekening houdt met het aantal contractuele agenten uit de veiligheidscontracten zakt het cijfer zelfs tot 37 % [35] .
De situatie in Wallonië is bijna identiek. De betrokken steden en gemeenten hebben voor 66 % gebruik gemaakt van de voorziene mogelijkheden, veiligheidscontracten inbegrepen. Indien men geen rekening houdt met het aantal contractuele agenten uit de veiligheidscontracten zakt het cijfer tot 42 % [36] .
In het Brussels Gewest bestaat een totaal andere situatie. Rekening houdende met de contractuele agenten uit de veiligheidscontracten die aan de norm mogen worden toegevoegd bedraagt het teveel aan hulpagenten nog 25,5 %. Bijna de helft van de Brusselse steden en gemeenten overschrijdt de toegestane normen met ruim 70% [37] . De oorzaak van deze vaststellingen moet gezocht worden in de desastreuze toestand van de politiekaders in het Brusselse van enkele jaren geleden. Het zijn trouwens de korpsen met de grootste tekorten aan politiepersoneel die hoogste overschrijdingspercentages vertonen.
9.2.2. HET DIENSTVERBAND VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
Aan de politiekorpsen werd gevraagd op te geven in welke dienst de hulpagenten werden ingedeeld, waarbij een onderscheid werd gemaakt tussen interventiedienst, wijk- of kwartierdienst, verkeersdienst, administratie, onthaal en andere diensten.
Bijna de helft van de hulpagenten blijkt te zijn ondergebracht in een verkeersdienst. De andere helft is verspreid over de andere genoemde diensten, terwijl ongeveer 15 % in geen enkele specifieke dienst is ondergebracht.
|
Interventiedienst |
Wijkdienst |
Verkeersdienst |
Administratie |
Onthaal |
Andere |
|
|
Vlaams Gewest |
27,1% |
2,9% |
51,3% |
4,4% |
3,2% |
11,1% |
|
Waals Gewest |
1,9% |
6,3% |
56,7% |
6,7% |
2,9% |
25,5% |
|
Brussels Gewest |
4,6% |
10,2% |
45,6% |
15,6% |
10,8% |
13,2% |
|
TOTAAL |
10,7% |
7,3% |
49,3% |
10,7% |
7,2% |
14,8% |
Commentaar
De gegevens met betrekking tot het dienstverband moeten voorzichtig geëvalueerd worden omdat zij niet onmiddellijk aantonen wat de hulpagenten in die diensten juist doen. Dat is vooral het geval voor de interventiedienst, de wijkdienst en de andere diensten [38] .
De grote aanwezigheid in de verkeersdiensten is normaal, gelet op de wettelijke bevoegdheid van de hulpagent. Opmerkelijk is wel dat de regio met de grootste verkeersproblemen, het laagste aantal hulpagenten in de verkeersdienst onderbrengt. Op het vlak van de administratie en onthaal zijn de cijfers voor het Brussels Gewest opvallend hoger dan voor de andere regio's.
In de categorie "andere diensten" zitten vooral kleinere politiekorpsen die geen autonome afdelingen kennen en waar de hulpagenten deel uitmaken van het korps in zijn totaliteit.
Wat het Brussels Gewest betreft zijn heel wat hulpagenten gedetacheerd naar o.m. de centrale dispatching, dienst slachtofferhulp, de groenzones en naar gemeentelijke kabinetten [39] .
9.3. DE PERSOONSGEGEVENS VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
9.3.1. VERDELING VOLGENS GESLACHT
Het contingent hulpagenten in België bestaat voor 55,2 % uit vrouwen en voor 44,8 % uit mannen. Deze verhouding schommelt nogal bij een verdeling naar de regio en in Wallonië is de situatie omgekeerd.
|
Mannen |
Vrouwen |
|||
|
Vlaams Gewest |
133 |
39,2% |
206 |
60,8% |
|
Waals Gewest |
114 |
55,3% |
92 |
44,6% |
|
Brussels Gewest |
269 |
44,3% |
338 |
55,7% |
|
TOTAAL |
516 |
44,8% |
636 |
55% |
Commentaar
De cijfers vormen natuurlijk een schril kontrast met de verhouding binnen de groep politieambtenaren met volledige bevoegdheid. Het aandeel vrouwelijke politieambtenaren bij de gemeentepolitie bedroeg op 31 december 1993 niet meer dan 8,2 % [40] . De redenen hiervoor zijn vermoedelijk niet ver te zoeken. De aanwervingsexamens voor hulpagenten die door de gemeenten zelf worden georganiseerd bestaan enkel uit een mondelinge en schriftelijke proef. De fysieke capaciteiten van de kandidaat hulpagenten wordt niet getest. Bovendien is ongeveer 40 % van de hulpagenten gerecruteerd in het kader van de veiligheidscontracten met nogal wat nadruk op het sociaal karakter van de bediening. Tenslotte lijkt het bevoegdheidspakket van de hulpagent, met verbod tot wapendracht en criminaliteitsbestrijding, meer vrouwen aan te spreken dan mannen.
9.3.2. VERDELING NAAR LEEFTIJD
De gemiddelde leeftijd van de hulpagent bedraagt 34 jaar en 9 maanden, met een licht verschil tussen de mannen, 34 jaar en 8 maanden, en de vrouwen, 35 jaar en 2 maanden. Regionaal bekeken is de Brusselse hulpagent ouder dan zijn collega's in Vlaanderen en Wallonië.
|
Mannen |
Vrouwen |
|
|
Vlaams Gewest |
33 j. 9 m. |
32 j. 1 m. |
|
Waals Gewest |
31 j. 8 m. |
33 j. 1 m. |
|
Brussels Gewest |
35 j. 1 m. |
36 j. - |
|
TOTAAL |
34 j. 8 m. |
35 j. 2 m. |
Commentaar
Gelet op het relatief jonge bestaan van het fenomeen hulpagent (begin 1991) is de gemiddelde leeftijd eerder aan de hoge kant. Een eerste verklaring is natuurlijk de leeftijdsgrens die in tegenstelling tot de politieambtenaren een heel stuk hoger ligt, nl. 50 jaar voor hulpagenten tegenover 35 jaar voor politieambtenaren.
Een tweede verklaring kan gevonden worden in de relatief lage status van de functie die vooral mensen aantrekt die reeds op de arbeidsmarkt actief waren en die niet zozeer op zoek zijn naar een loopbaan met perspectieven, maar gewoon naar werk.
9.3.3. VERDELING NAAR STUDIENIVEAU
Voor een benoeming in de graad van hulpagent is geen diploma vereist. Indien men dus rekening houdt met de in openbare dienst bestaande niveaus, kan iedereen, met of zonder diploma zich kandidaat stellen [41] .
De meerderheid van de hulpagenten is van niveau 3 en 4, namelijk 64 %. Niveau 2 is goed voor 35,6 % terwijl niveau 1 nog slechts 0,6 % van de hulpagenten vertegenwoordigt.
Regionaal beteken ontstaan er echter belangrijke verschuivingen. Zo blijken de niveaus 3 en 4 vooral te domineren in het Brussels Gewest (76,7 %) en in het Waals Gewest (61,1 %) terwijl die in het Vlaams Gewest niet de helft bereiken (42,1 %)
Het studieniveau bij de vrouwelijke hulpagenten ligt iets hoger dan dat van de mannelijke collega's vooral in niveau 2
|
Mannen |
Vrouwen |
TOTAAL |
|
|
Niveau 4 |
12,6% |
11,3% |
11,9% |
|
Niveau 3 |
55,0% |
49,3% |
51,9% |
|
Niveau 2 |
31,6% |
38,8% |
35,6% |
|
Niveau 1 |
0,8% |
0,6% |
0,6% |
De niveaus 2 en 1 domineren dan weer het Vlaams Gewest (57,9 %) terwijl die in Wallonië (48,9 %) en vooral in Brussel (23,3 %) de minderheid uitmaken
|
Vlaams Gewest |
Waals Gewest |
Brussels Gewest |
TOTAAL |
|
|
Niveau 4 |
2,9% |
9,2% |
17,8% |
11,9% |
|
Niveau 3 |
39,2% |
51,9% |
58,9% |
51,9% |
|
Niveau 2 |
56,9% |
37,4% |
23,1% |
35,6% |
|
Niveau 1 |
1,0% |
1,5% |
0,2% |
0,6% |
Commentaar
De aanwerving en selectie, de opleiding en het uiteindelijk takenpakket van de hulpagent van politie is niet van die aard om een bepaald studieniveau noodzakelijk te stellen. De praktijk wijst uit dat ook de laagst geschoolden behoorlijk hun job doen en goed meedraaien in het systeem.
Het systeem hulpagent kan echter een belangrijke reserve betekenen voor kandidaat-politieagenten indien aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan [42] .
Een van die voorwaarden is het bezit van diploma of studiegetuigschrift dat ten minste gelijkwaardig moet zijn met het gehomologeerd getuigschrift van lagere secundaire studies of anders gezegd een niveau 3.
Bovendien moeten de kandidaten de volledige selectieprocedure en de opleiding van aspirant-politieagent doorlopen, die dan weer gericht is op het aanwervingsniveau, i.c. niveau 2.
Het is dus voor de steden en gemeenten die van deze sociale promotie gebruik wensen te maken interessant zich vooral te richten naar de niveaus 3 en 2, zonder daarom de niveaus 4 uit te sluiten. Een zekere planning in de aanwerving is daarbij noodzakelijk.
Het koninklijk besluit betreffende de aanwerving en de benoeming van de hulpagent [43] voorziet in een theoretische stage met een lessencyclus van ten minste 140 en ten hoogste 180 uren die door alle kandidaat hulpagenten moet gevolgd worden, ongeacht hun statuut.
Het koninklijk besluit voorziet daarnaast in een praktische stage van ten minste 450 effectief gepresteerde werkuren die echter alleen vereist is voor een vaste benoeming als hulpagent van politie. De hulpagenten aangeworven als contractueel of in een tijdelijk statuut zijn niet verplicht de praktische stage te doorlopen [44] .
De hulpagenten die op 19 februari 1991, de dag dat het koninklijk besluit in werking trad, als tijdelijke of als contractuele in dienst waren, werden geacht te voldoen aan de voorwaarden van de theoretische en praktische stage om vast benoemd te worden [45] .
De vóór 19 februari 1991 vastbenoemde hulpagenten bleven natuurlijk in functie
|
HA na 1991 |
Theoretische stage |
Praktische stage |
|
|
Vlaams Gewest |
77,3% |
90,6% |
78,1% |
|
Waals Gewest |
84,5% |
93,2% |
55,8% |
|
Brussels Gewest |
68,4% |
82,5% |
71,9% |
|
TOTAAL |
73,9% |
86,8% |
70,9% |
Commentaar
Ongeveer drie vierden van de in dienst zijnde hulpagenten is aangeworven na 19 februari 1991 en moet dus de theoretische stage hebben doorlopen. Dat is ruimschoots het geval daar 86,8 % van alle hulpagenten deze vorming heeft gekregen. Wat betreft de praktische stage, die voor een statutaire benoeming eveneens verplicht is, blijkt dat een aantal hulpagenten benoemd werd zonder aan deze voorwaarde te voldoen [46] .
Alhoewel het hier om een relatief kleine groep handelt, ongeveer 8 % van alle statutaire benoemingen, zijn dit gevallen van benoeming in strijd met de wettelijke bepalingen van een koninklijk besluit met alle gevolgen vandien voor de geldigheid van deze beslissingen maar ook voor alle, door deze hulpagenten gestelde handelingen, in de uitoefening van hun bevoegdheden.
Het was uit de enquêtedossiers niet mogelijk op te maken welke precieze taken deze groep kreeg toebedeeld.
9.3.5. HET STATUUT VAN DE HULPAGENT VAN POLITIE
De statutaire toestand van de hulpagenten is vrij verward; hij steunt op verschillende reglementaire bepalingen en bevat in feite nogal wat tegenstrijdigheden.
Er is eerst en vooral het koninklijk besluit van 27 december 1990 dat de toestand regelt van de vast benoemde hulpagenten [47] . Daarnaast is er de omzendbrief POL 37 die in de aanwerving voorziet van tijdelijke hulpagenten voor de duur van 4 maanden of voor de duur van een buitengewoon evenement [48] .
De omzendbrief bepaalt duidelijk dat er slechts 2 mogelijkheden voor aanwerving bestaan, nl. als statutair of als tijdelijk hulpagent.
« ...tenslotte wens ik er de aandacht op te vestigen dat hulpagenten van politie slechts kunnen worden aangeworven hetzij als statutair personeel, hetzij als tijdelijke hulpagent zoals hier omschreven. Het spreekt vanzelf dat deze tijdelijken enkel kunnen worden aangeworven met een contract voor een bepaalde tijd of voor een duidelijk omschreven werk zoals voorzien in artikel 7 van de wet van 03 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten. De aanwerving van contractuele hulpagenten, andere dan deze bedoeld in punt IV is dan ook uitgesloten ... »
Maar er is ook nog de omzendbrief van 17 juni 1994 met nadere richtlijnen met betrekking tot de uitvoering van de veiligheidscontracten [49] . In tegenstelling tot wat de omzendbrief POL 37 bepaalt zijn hier wel andere vormen van contractuele aanwerving mogelijk.
« "...Ook met betrekking tot de hulpagenten van politie blijven inzake aanwerving en taakuitvoering de bepalingen van mijn omzendbrief POL 37 van 28 januari 1993 betreffende het statuut van de hulpagent van politie volledig van kracht.
De gemeenten waarvan in het veiligheidscontract voorzien wordt dat ze bijkomende hulpagenten in dienst kunnen nemen, kunnen deze echter uitzonderlijk wel in contractueel verband aanwerven indien deze hulpagenten bestemd zijn voor het realiseren van doelstellingen die specifiek in het veiligheidscontract werden opgenomen. Een dergelijke contractuele aanwerving moet uitdrukkelijk gemotiveerd worden.
Het aantal hulpagenten in dienst mag ook slechts de 15 % van het aantal voorziene betrekkingen in de basisformatie voor politiepersoneel overschrijden in het kader van de doelstellingen van het veiligheidscontract ... »
Er zijn dus drie mogelijkheden :
|
Statutair |
Contractueel |
Tijdelijk |
|
|
Vlaams Gewest |
56,9% |
42,8% |
0,3% |
|
Waals Gewest |
64,0% |
36,0% |
0% |
|
Brussels Gewest |
81,7% |
7,2% |
11,1% |
|
TOTAAL |
71,3% |
22,8% |
5,9% |
Statuts
Commentaar
De realiteit is niet zo eenvoudig !
In het punt d. (opleiding en vorming) is al gewag gemaakt van een aantal vastbenoemde hulpagenten die niet aan de voorwaarden van het koninklijk besluit voldoen.
Van het aantal contractuele hulpagenten (263 in totaal) is 90 % terug te vinden in een veiligheidscontract. De resterende 10 % vormt dus een ander soort contractuele hulpagent die in feite niet voorzien is.
De overblijvende 68 hulpagenten hebben een tijdelijk statuut. Met uitzondering van één hebben de 68 tijdelijke hulpagenten geen contract van 4 maanden of voor de duur van een evenement, maar zij zijn aangeworven tussen 1990 en 1994 met een contract voor onbepaalde duur.
Het is niet toevallig dat de meeste hulpagenten die niet in orde blijken te zijn met bepaalde voorwaarden van opleiding, vorming en tweetaligheid terug te vinden zijn in deze afwijkende statuten.
De al niet zo eenvoudige structuur met drie mogelijke statuten bestaat dus in feite uit zes varianten, waarvan drie reglementair en drie niet reglementair.
Men kan zich dus ook hier de vraag stellen welke de rechtsgeldigheid is van de handelingen die door deze hulpagenten worden gesteld en wie de verantwoordelijkheid draagt voor de eventuele gevolgen van deze handelingen.
9.3.6. DE TWEETALIGHEID IN HET BRUSSELS GEWEST
Overeenkomstig de wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken wordt ook van de hulpagenten een elementaire kennis van de tweede taal vereist [50] .
« ...onverminderd voorgaande bepalingen kan niemand benoemd of bevorderd worden tot een ambt of betrekking, waarvan de titularis omgang heeft met het publiek, indien hij er niet mondeling van laat blijken door een aanvullend examengedeelte of door een bijzonder examen, dat hij een aan de aard van de waar te nemen functie aangepaste voldoende of elementaire kennis bezit van de tweede taal.
De hierboven bedoelde taalexamens of examengedeelten worden afgenomen onder het toezicht van de Vaste Wervingssecretaris... »
Het koninklijk besluit van 27 december 1990 voorziet geen diplomavereiste. In toepassing van het artikel 21, '' 3 en 5, van de gecoördineerde taalwetten moeten de kandidaat hulpagenten voldoen aan een mondelinge proef niveau 4 vooraleer zij kunnen benoemd worden tot stagedoend hulpagent [51] . Indien een gemeentebestuur echter, als bijkomende voorwaarde, een diploma eist van niveau 3, zullen de kandidaat hulpagenten moeten voldoen aan het schriftelijk en mondeling examen niveau 3.
Het feit dat de niveaus 4 en 3 veel sterker vertegenwoordigd zijn in het Brussels Gewest zou wel iets kunnen te maken hebben met de eis tot tweetaligheid.
Het contingent hulpagenten in het Brussels Gewest is voor 83,2 % tweetalig, d.w.z. dat 505 van de 607 hulpagenten een taalexamen hebben afgelegd.
9.4. DE KLEDIJ EN DE UITRUSTING VAN DE HULPAGENTEN VAN POLITIE
De kledij en de uitrusting van de hulpagent van politie wordt geregeld door het koninklijk besluit van 24 april 1995 [52] en steunt op volgende principes :
Tijdens de uitvoering van deze enquête waren de oude koninklijke besluiten op het uniform van de gemeentepolitie nog van kracht [53] zodat de resultaten hierop gebaseerd zijn.
Ondertussen zijn deze besluiten opgeheven met dien verstande dat het uniform geregeld door het besluit van 29 november 1978 verder mag gedragen worden gedurende een periode van drie jaar [54] .
Uit de enquête blijkt dat de grote meerderheid van de hulpagenten het voorgeschreven uniform draagt, maar dat toch nog 13 % met het donkerblauwe politieuniform is uitgerust. Dit is voornamelijk het geval in het Brussels Gewest (21 %) en in het Vlaams Gewest (17 %).
Bijna alle hulpagenten (94 %) zijn voorzien van een dienstkaart, hoewel hiervoor geen reglementaire verplichting bestaat. Er zijn dan ook nogal wat verschillende dienstkaarten in omloop [55] .
Negen op tien hulpagenten blijken tijdens de dienst gebruik te kunnen maken van radioapparatuur, hetzij individueel, hetzij collectief.
Aan de korpsen werd ook gevraagd aan te geven of de hulpagenten voorzien zijn van enige bewapening, hetzij in de vorm van een vuurwapen, een slagwapen of traangas en andere neutraliserende middelen. Volgens de opgegeven informatie uit de enquête zou slechts 1,5 % van de hulpagenten beschikken over een slagwapen [56] .
|
Uniform HA |
Uniform PA |
Dienstkaart |
Radio |
Bewapening |
|
|
Vlaams Gewest |
83% |
17% |
93% |
95% |
5% |
|
Waals Gewest |
100% |
- |
92% |
98% |
- |
|
Brussels Gewest |
79% |
21% |
97% |
98% |
- |
|
TOTAAL |
87% |
13% |
94% |
90% |
2% |
Commentaar
Het is zeker niet toevallig dat de politiekorpsen waar de hulpagent hetzelfde uniform draagt als de politieambtenaar grotendeels die korpsen zijn waar men de hulpagent terugvindt in de interventiediensten en de wijkdiensten. Uit toezichtsonderzoeken is trouwens gebleken dat dit een bewuste keuze is. De motivatie voor deze keuze varieert van "blijk van integratie" over "vermijden van discriminatie" tot "opdracht van de burgemeester".
Er is nochtans niet veel ruimte tot discussie. Het is de gemeentewet die bepaalt dat de Koning o.a. het uniform van de gemeentepolitie regelt [57] . Het onderscheid in uniform tussen de politieambtenaar en de hulpagent is ingegeven door rationele overwegingen die verband houden met de beperkte bevoegdheid van de hulpagent en de hem specifiek toegewezen taken. Het publiek moet weten dat hij met een hulpagent te doen heeft of mag zich niet vergissen als hij beroep doet op een politieambtenaar. Het onderscheid des uniform wordt trouwens in alle landen waar het systeem bestaat toegepast, zij het in minder uitgesproken vorm.
Het onderscheid in uniform zal ook een rem betekenen op het toewijzen van taken en opdrachten die onverenigbaar zijn met het statuut van de hulpagent. Het veelgebruikte argument dat het donkerblauwe uniform voor de hulpagent een motivatie zou betekenen is een tweesnijdend zwaard. Het zal immers voor vele politieambtenaren demotiverend werken ...
Het bezit en gebruik van een dienstkaart is ook voor de hulpagent niet nutteloos. Het feit dat 94 % van de hulpagenten er reeds een bezitten onderstreept het nut ervan. Het ware dan ook opportuun dit meteen te regelen zodat ook op dit vlak een uniformiteit bestaat.
Gelet op de beperkte bevoegdheid van de hulpagent en het verbod tot wapendracht is de radio een onontbeerlijk uitrustingsstuk. Elke individuele hulpagent zou hierover moeten kunnen beschikken.
Hoewel de gegevens uit de enquête, geleverd door de politiekorpsen zelf, voor het grootste deel als betrouwbaar moeten beschouwd worden, is enig voorbehoud voor de gegevens m.b.t. de bewapening wel op z'n plaats.
De toezichtsonderzoeken in bepaalde korpsen hebben zwa