Inhoudsopgave

Chapitre III : De toezichtsonderzoeken

Algemene beschouwingen

1        Het geheel van ingestelde toezichtsonderzoeken en opdrachten
2        De afgewerkte toezichtsonderzoeken en opdrachten
3        Het werkjaar 1997 - 1998
4        De nieuwe opdrachten

De afgewerke toezichtsonderzoeken op 31 augustus 1998

          Toezichtsonderzoek nr. 3601/94 met betrekking tot de organisatie en het functioneren van het politiekorps van Herentals
          Toezichtsonderzoek nr. 6454/96 naar de werking van het politiekorps van Etterbeek
          Toezichtsonderzoek nr. 6842/96 met betrekking tot de organisatie en de werking van het politiekorps van Rochefort
          Toezichtsonderzoek nr. 7181/97 naar het functioneren van het politiekorps van Retie

          Toezichtsonderzoek nr. 7116/96 naar de werking van het politiekorps van Grâce-Hollogne
          Toezichtsonderzoek nr. 2685/97 naar het functioneren van het politiekorps van Beersel
          Toezichtsonderzoek nr. 10.427/97 en 2781/98 naar de wijze waarop bepaalde politiekorpsen
          naturalisatieaanvragen behandelen
          Toezichtsonderzoek nr. 9392/96 met betrekking tot bepaalde aspecten van de werking van de Centrale Dienst
          voor de Bestrijding van de Georganiseerde Economische en Financiële Delinquentie (C.D.G.E.F.I.D.)

De toezichtsonderzoeken waarvan een tussentijds verslag werd neergelegd

          Toezichtsonderzoek nr. 3677/98 m.b.t. de bij de A.P.S.D. genomen veiligheidsmaatregelen om het
          welslagen van gerechtelijke onderzoeken te verzekeren en meer in het algemeen over de doeltreffenheid van deze dienst
          Toezichtsonderzoek nr. 9380/97 over het thema "Amigo's en bewaarkamers van de politiediensten"

Hoofdstuk III : De toezichtsonderzoeken

Algemene beschouwingen

Teneinde de fundamentele individuele rechten en vrijheden van de mens te waarborgen, legt de wet op het politieambt vooral de opdrachten en bevoegdheden van de verschillende politiediensten zo duidelijk mogelijk vast.  De wet voorziet eveneens in een aantal instrumenten die een coherent en gecoördineerd veiligheidsbeleid mogelijk moeten maken.  In dit opzicht bepaalt de wet het uiteindelijke doel van het politieambt en beschrijft zij de betrekkingen tussen de verschillende instanties en de voornaamste partijen die bij de uitoefening van de politiefunctie betrokken zijn : de bestuurlijke en gerechtelijke overheden, de politiediensten, de politieambtenaren en, last but not least, de burgers.

In de mate van het mogelijke en in functie van de bijzonderheden van elke politiedienst, harmoniseert de wet de opdrachten en de uitvoering ervan, en regelt ook de modaliteiten van de inwerkingstelling.

De wet bakent de voornaamste bevoegdheden, , taken, verplichtingen en verantwoordelijkheden van deze verschillende politiediensten, politieambtenaren en politie-instanties af.

Zij bevat een aantal bepalingen met betrekking tot de toepassing of de inwerkingstelling ervan, die zowel de rechtszekerheid van de burger als die van de politieambtenaar zelf versterken.  Politiediensten en politieambtenaren krijgen evenwel ook bepaalde algemene of bijzondere opdrachten toegewezen door andere wetgevingen : federale, gewest- en gemeenschapsregelgevingen.  Zij putten er eveneens bepaalde bijkomende bevoegdheden uit.

De wet voorziet eveneens in de verplichting tot overleg en coördinatie tussen de politieoverheden onderling en tussen die overheden en de politiediensten, en heeft onder meer de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie ingevoerd.  Ten slotte regelt deze wetgeving bepaalde aspecten van de rechtsvorderingen tegen politieambtenaren wegens in de oefening van hun ambt gestelde daden, de daaraan verbonden rechtshulp en de vergoeding van bepaalde schade die zij bij die gelegenheid lijden [1] .

Samen vormen deze bevoegdheden, structuren, instrumenten, mensen en middelen een systeem.

Het doel van het toezicht van het Vast Comité P bestaat er dus in om eventuele fouten en onvolkomenheden van het systeem op te sporen en besluiten naar voor te brengen die aan de doelmatigheid moeten beantwoorden.

Bovendien zal het Vast Comité P ook nagaan of de mensen en middelen op doeltreffende wijze worden ingezet, met andere woorden of de middelen op een juiste manier worden aangewend en beantwoorden aan de vereisten inzake efficiëntie.

De wet van 18 juli 1991 betreffende het toezicht op de politiediensten maakt ook gewag van de zorg voor de coördinatie van de politiediensten [2] .

Coördinatie van politiediensten is echter in hoge mate een zaak van de overheden.  De coördinatie van het beheer is immers in handen van de regering, terwijl de coördinatie van het beleid alle politieoverheden te beurt valt.

Hieruit volgt al dat gebrek aan coördinatie of het falen van de coördinatie niet noodzakelijk een fout is van de politiediensten zelf.

Diezelfde wet van 18 juli 1991 heeft echter het toezicht van het Vast Comité P beperkt tot de politiediensten zelf en kan dus normaliter geen betrekking hebben op de overheden [3] .

Dat maakt de uitvoering van deze opdracht er niet gemakkelijker op en heeft in het verleden al herhaaldelijk geleid tot moeilijkheden.

Het doel van het toezicht van het Vast Comité P zal er dus in bestaan de uitvoering van de coördinatie op het terrein te controleren, waaruit dan onvermijdelijk ook de tekorten aan beleid en beheer zullen te voorschijn komen.

De zorg voor doelmatigheid en coördinatie is meestal het voorwerp van de zgn. toezichtsonderzoeken.  Zij kunnen ambtshalve ingesteld worden of op verzoek van het Parlement, de regering en elke andere overheid voorzien in de wet [4] .


1.       Het geheel van ingestelde toezichtsonderzoeken en opdrachten

Sedert de effectieve start van de werkzaamheden in 1994 is het Vast Comité P 47 toezichtsonderzoeken begonnen.

De meeste daarvan op eigen initiatief (20), de andere op verzoek van een burgemeester (11), het Parlement (7), de federale regering (6) en de procureurs-generaal (3).

Daarnaast heeft het Vast Comité P een aantal andere opdrachten afgewerkt, onder de titel "Bijzondere opdrachten" [5] .

Het betrof het onderzoek bij de stedelijke politiekorpsen van de gemeentepolitie naar de werking van de hulpagenten van politie; het onderzoek naar de eventuele extreem-rechtse activiteiten van de hoofdcommissaris van de politie van Schaarbeek; een onderzoek in toepassing van artikel 16 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten; het advies aan de minister van Justitie met betrekking tot de beoordeling van het onderzoek naar het onderzoek; een advies aan de Parlementaire Commissie van onderzoek naar de georganiseerde criminaliteit en een advies aan de Commissie voor Binnenlandse en Administratieve aangelegenheden van de Senaat met betrekking tot de hervormingen van het politielandschap [6] .


Het geheel van deze toezichtsonderzoeken en opdrachten had betrekking op alle algemene politiediensten, bepaalde bijzondere politiediensten en politie in het algemeen.


2.       De afgewerkte toezichtsonderzoeken en opdrachten

In het jaarverslag van 1997 wordt een gedetailleerd overzicht gegeven van de tot dan toe afgewerkte toezichtsonderzoeken en opdrachten [7] .

Het betreft zeventien toezichtsonderzoeken en zes bijzondere opdrachten.  Daar zijn thans 8 toezichtsonderzoeken bijgekomen hetgeen het aantal afgewerkte opdrachten brengt op 31; twee tussentijdse verslagen werden ook goedgekeurd.


3.       Het werkjaar 1997 - 1998

Tijdens het afgelopen werkjaar werden 6 nog lopende toezichtsonderzoeken van vorige werkjaren afgewerkt [8] terwijl 14 nieuwe opdrachten werden aanvaard.

Van deze 14 nieuwe opdrachten werden er 2 reeds afgewerkt en 2 tussentijdse verslagen opgesteld [9] .

De nieuwe opdrachten zijn voornamelijk afkomstig van het Parlement en eigen initiatieven.


Deze 14 nieuwe oprachten hebben vooral betrekking op de gemeentepolitie maar ook op de politiediensten in het algemeen.


4.         De nieuwe opdrachten

Ø                  Ambtshalve gestart

q                 Toezichtsonderzoek op het functioneren van het politiekorps van Elsene, dd. 16 september 1997.

q                 Toezichtsonderzoek over het thema "Amigo"s en bewaarkamers van de politiediensten", dd. 24 september 1997.

q                 Toezichtsonderzoek met betrekking tot het samenwerkingsakkoord afgesloten te Ankara op 9 juli 1996, tussen enerzijds de directeur-generaal van de Turkse nationale politie en de voorzitter van de Raad van bestuur van de APSD, dd. 11 december 1997.

q                 Gemeenschappelijk toezichtsonderzoek met het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten met betrekking tot de veiligheidsonderzoeken en veiligheidsmaatregelen binnen de APSD, dd. 3 februari 1998.

q                 Toezichtsonderzoek naar de wijze waarop politieambtenaren hebben gehandeld bij het ontvangen en het gebruik van informatie in het K.B.Lux dossier (...) om na te gaan of de bescherming van de rechten die de grondwet en de wet aan personen verlenen geëerbiedigd werd alsook om de doelmatigheid van het politioneel optreden te beoordelen, dd. 9 april 1998.

Ø                  Op verzoek van het Parlement

q                 Toezichtsonderzoek naar de wijze waarop de politiediensten klachten over huishoudelijk geweld behandelen, dd. 24 september 1997.

q                 Toezichtsonderzoek naar de wijze waarop bepaalde politiekorpsen de naturalisatieaanvragen behandelen; gebundelde opdracht dd. 4 december 1997 en 24 februari 1998.

q                 Toezichtsonderzoek naar de zelfmoordgevallen bij de politiediensten, dd. 24 februari 1998.

q                 Toezichtsonderzoek naar het optreden van de rijkswacht bij de ordehandhaving tijdens de voetbalwedstrijd SK Lierse - SV Leverkusen (Duitsland) van 26 november 1997, dd. 12 maart 1998.

q                 Toezichtsonderzoek naar de problemen bij de veiligheidsdienst van de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer Brussel, dd. 12 mei 1998.


Ø                  Op verzoek van burgemeesters

q                 Toezichtsonderzoek naar het functioneren van het politiekorps van Retie, dd. 8 januari 1998.

q                 Toezichtsonderzoek naar het functioneren van het politiekorps van Quaregnon, dd. 19 februari 1998.

Ø                  Op verzoek van een minister

q                 Toezichtsonderzoek naar het functioneren van het politiekorps van Schaarbeek, dd. 19 februari 1998.

Ø                  Op verzoek van het Parket-generaal

q                 Toezichtsonderzoek naar het functioneren van het politiekorps van Evergem, dd. 8 januari 1998.


De afgewerke toezichtsonderzoeken op 31 augustus 1998

Toezichtsonderzoek nr. 3601/94 met betrekking tot de organisatie en het functioneren van het politiekorps van Herentals

1.         Aanleiding

Begin 1995 maakt de pers gewag van problemen binnen het politiekorps van Herentals.  Het Vast Comité P ontvangt talrijke brieven van politieambtenaren van het korps en tenslotte een uitvoerige brief van de korpschef zelf.  Het geheel van de aldus bekomen informatie bevat voldoende aanwijzingen van dysfunctie.

2.         Beslissing

Het Vast Comité P beslist in zijn vergadering van 23 maart 1995 een toezichtsonderzoek te openen.

3.         Opdracht

q                 Onderzoeken welke dysfuncties aan de basis liggen van de huidige malaise in het politiekorps van Herentals.

q                 Voorstellen te doen om aan deze dysfuncties te verhelpen.

4.         Eindverslag

Goedgekeurd door het Vast Comité P op 13 oktober 1997.

4.1.      Belangrijkste conclusies

De werking van het politiekorps van Herentals wordt gekenmerkt door een aantal problemen die door het quasi voltallig personeel worden herkend.

Het zijn achtereenvolgens maar in willekeurige volgorde :

q                 een gebrek aan beleid en visie op gemeentelijke veiligheid;

q                 een betwiste en niet efficiënte stijl van leidinggeven op alle niveaus van de hiërarchie;

q                 een groot gebrek aan, vooral interne communicatie;

q                 een negatief geïnspireerde korpscultuur.

Nochtans wordt ook vastgesteld dat bij een groot deel van het personeel een grote wil tot verandering aanwezig is; een niet belangrijk pluspunt als men weet dat de weerstand tegen verandering zowat de universele struikelsteen is in alle pogingen tot vernieuwing van organisaties.

Een groot deel van het korps wijt de algemene disfunctie aan een niet adekwate stijl van leidinggeven zowel aan de top als in het midden van de organisatie.

Het gebrek aan interne communicatie wordt vrij algemeen en spontaan naar voor gebracht; er is grote nood aan informatie en duiding van het beleid.

Dit gebrek aan communicatie en de stijl van leidinggeven veroorzaken een korpscultuur die eerder conflictstimulerend dan conflictregulerend werkt.

4.2.      Belangrijkste aanbevelingen

Het politiekorps van Herentals heeft nood aan een beleidsplan waarin wordt aangegeven :

q                 welke de prioriteiten zijn;

q                 hoe de politie als dienstverlenende organisatie past in het gemeentelijk beleid;

q                 welke waarden en normen de bedrijfscultuur zullen bepalen.

Door introductie van doelstellingen moet de organisatie functioneler worden; de organisatiecultuur moet worden uitgebouwd rond een sterk middenkader dat als draaischijf fungeert tussen strategisch management en uitvoerend management.

Het managementsysteem moet een systematische verbetering van de organisatie beogen om te komen tot het concept van integrale kwaliteitszorg.

De rigide en inefficiënte stijl van leidinggeven moet worden verlaten en vervangen door een participerende en responsabiliserende stijl van leidinggeven met twee componenten; een taakgerichte en een mensgerichte component.

Het geheel van deze aanbevelingen moet op termijn leiden tot cultuurverandering.


Toezichtsonderzoek nr. 6454/96 naar de werking van het politiekorps van Etterbeek

1.         Aanleiding

Het Vast Comité P ontvangt op 26 september 1996 een verslag van de Dienst Enquêtes P waaruit blijkt dat in het politiekorps ernstige dysfuncties aan het licht zijn gekomen.  Uit het verslag blijkt ook dat de burgemeester aandringt op een toezichtsonderzoek.

2.         Beslissing

Op 28 oktober 1996 beslist het Vast Comité P een toezichtsonderzoek te openen.

3.         Opdracht

Een globale doorlichting uit te voeren met bijzondere aandacht voor :

q                 de wijze waarop het korps wordt geleid;

q                 de werking van de dienst Intern Toezicht;

q                 de werking van de gerechtelijke brigades.

4.         Eindverslag

Goedgekeurd door het Vast Comité P op 4 december 1997.

Met zijn brief van 3 september 1998 heeft de Burgemeester van Etterbeek, het Vast Comité P laten weten dat de publicatie van het rapport niet opportuun wordt geacht, gelet op het feit dat er een meningsverschil zou bestaan over het voorwerp van het onderzoek en dat het rapport elementen zou bevatten die hem onterecht in vraag stellen [10] .


Toezichtsonderzoek nr. 6842/96 met betrekking tot de organisatie en de werking van het politiekorps van Rochefort

1.         Aanleiding

Het Vast Comité P ontvangt op 7 oktober 1996 een verzoek van de burgemeester om de organisatie en de werking van zijn politiekorps door te lichten.

2.         Beslissing

Het Vast Comité P beslist in vergadering van 28 oktober 1996 een toezichtsonderzoek te openen.

3.         Opdracht

q                 Een diagnose te stellen van de belangrijkste dysfuncties die de werking van het politiekorps belemmeren.

q                 Voorstellen te doen om de vastgestelde dysfuncties te verhelpen.

4.         Eindverslag

Goedgekeurd door het Vast Comité P op 4 december 1997.

4.1.      Belangrijkste conclusies

Het politiekorps van Rochefort beschikt over onvoldoende middelen om tot een goede werking te kunnen komen.

Bij gebrek aan een veiligheidsbeleid bestaat er geen doelgerichte activiteit en beperkt de werking zich tot de zgn. "brandweerfunctie".

De korpscultuur is overwegend negatief geïnspireerd.

De leiding van het korps wordt als ondoeltreffend en onverantwoordelijk beschouwd.

Er woedt een strijd tussen de clans van de "stedelijken" en de "landelijken" die door de hiërarchie niet wordt gecontroleerd.

De vele interne tegenstellingen, zowel verticaal als horizontaal, beletten elke vorm van gezonde communicatie en onderhouden een sfeer van wantrouwen tussen de korpsleden.

4.2.      Belangrijkste aanbevelingen

Er moet zo snel als mogelijk een open en constructieve dialoog worden opgezet tussen de korpsleiding en de bestuurlijke overheid op basis van de wettelijke en deontologische principes die deze relatie beheersen.

De korpsleiding moet zijn verantwoordelijkheid opnemen; uit het isolement breken en de dialoog met het korps aangaan.

Beleidsmatig moeten een aantal doelstellingen worden uitgewerkt die vnl. de relatie politie - bevolking, politie - bestuur en politie - IPZ beogen te verbeteren.

Organisatorisch moet een plan worden opgesteld om de beschikbare middelen eerst te verhogen en ze daarna te ontwikkelen.

De activiteiten moeten geprogrammeerd worden in functie van de noden van de bevolking en in functie van de IPZ.

In de eerstvolgende jaren moet een verhoogde inspanning worden geleverd op het vlak van de aanwerving, de basis- en de voortgezette opleiding.


Toezichtsonderzoek nr. 7181/97 naar het functioneren van het politiekorps van Retie

1.         Aanleiding

Op 16 juli 1997 ontvangt het Vast Comité P een vraag tot advies en onderzoek vanwege de burgemeester van Retie, met betrekking tot bepaalde problemen binnen zijn politiekorps.

Op 4 december 1997 dringt de provinciegouverneur aan op een onderzoek.

2.         Beslissing

Het Vast Comité P beslist in vergadering van 8 januari 1998 over te gaan tot een toezichtsonderzoek.

3.         Opdracht

Uit verkennende gesprekken met de burgemeester en de korpschef is gebleken dat de problemen individueel en specifiek zijn.  Bijgevolg wordt een bevraging van het personeel georganiseerd die moet toelaten de individuele dysfuncties te identificeren.

4.         Eindverslag

Goedgekeurd door het Vast Comité P op 30  juni 1998.

4.1.      Belangrijkste conclusies

Er bestaat een ernstig en diepgaand conflict tussen de korpsleden van basis- en middenkader en de korpsleiding, waarbij één personeelslid fungeert als katalysator.

Een en ander leidt tot ernstige communicatieproblemen, afwezigheid van een effectieve dienstorganisatie en een alarmerende demotivatie bij het personeel.

4.2.      Belangrijkste aanbevelingen

De bestuurlijke overheid moet krachtdadig reageren en de professionele relaties in het korps trachten te herstellen.

Het korps bevat voldoende menselijk en materieel potentieel om te kunnen functioneren; voorwaarde is dat een plan wordt opgesteld met een (her)verdeling van de taken, herstel van het hiërarchisch gezag en respect voor de deontologische waarden en normen.


Toezichtsonderzoek nr. 7116/96 naar de werking van het politiekorps van Grâce-Hollogne

1.         Aanleiding

Op 24 oktober 1996 ontvangt het Vast Comité P een verzoek vanwege de burgemeester om de werking van zijn politiekorps aan een doorlichting te onderwerpen.

2.         Beslissing

Het Vast Comité P beslist in vergadering van 9 januari 1997 over te gaan tot een toezichtsonderzoek.

3.         Opdracht

Overwegende dat de korpschef van het politiekorps onbeschikbaar is en dat recente gebeurtenissen in de criminele sfeer het politiekorps hebben geschaad is het noodzakelijk :

q                 de werking van het politiekorps te evalueren;

q                 de belangrijkste dysfuncties vast te stellen;

q                 voorstellen te doen om de werking te verbeteren.

4.         Eindverslag

Goedgekeurd door het Vast Comité P op 30 juni 1998.

Met zijn brief van 21 augustus 1998 heeft de Burgemeester van Grâce-Hollogne het Vast Comité P laten weten dat een publicatie van het rapport niet opportuun is gelet op het feit dat  :

"de vrees bestaat dat een synthese niet de juiste inhoud van het rapport zou weergeven maar enkel de dysfuncties van het politiekorps zou bevatten en niet de maatregelen die werden getroffen om eraan te verhelpen" [11] .


Toezichtsonderzoek nr. 2685/97 naar het functioneren van het politiekorps van Beersel

1.         Aanleiding

Het Vast Comité P ontvangt op 11 maart 1997 een verzoek vanwege de burgemeester om te willen overgaan tot een onderzoek naar het functioneren van het politiekorps.

2.         Beslissing

Het Vast Comité P beslist op 27 mei 1997 in te gaan op het verzoek van de burgemeester en een toezichtsonderzoek te openen met een aangepaste opdracht.

3.         Opdracht

Gelet op het feit dat de door de overheid aangevoerde problemen niet zozeer betrekking hebben op het globaal functioneren van het politiekorps maar eerder op specifieke problemen die het functioneren (kunnen) beïnvloeden wordt gevraagd een analyse te maken van die specifieke problemen en na te gaan in hoeverre deze een invloed hebben op het functioneren van het korps.

4.         Eindverslag

Goedgekeurd door het Vast Comité P op 25 juni 1998.

4.1.      Belangrijkste conclusies

Het politiekorps van Beersel functioneert goed binnen de IPZ Beersel.  Het korps is goed gestructureerd en functioneel georganiseerd.  De samenwerking met de rijkswacht verloopt optimaal.

De werksfeer in het korps wordt echter permanent bedreigd door één politieambtenaar, die gelet op zijn functie (hoger kader) en zijn syndicale activiteiten erin slaagt op permanente wijze conflicten uit te lokken en in stand te houden.

4.2.      Belangrijkste aanbevelingen

Gelet op het bestaan van voldoende elementen om zowel op gerechtelijk als op disciplinair vlak tegen de politieambtenaar in kwestie op te treden moeten de gerechtelijke en disciplinaire overheden hun verantwoordelijkheid nemen.


Toezichtsonderzoek nr. 10.427/97 en 2781/98 naar de wijze waarop bepaalde politiekorpsen naturalisatieaanvragen behandelen

1.         Aanleiding

Tijdens de vergadering van de Bijzondere Commissie belast met de parlementaire begeleiding van de Vaste Comités van toezicht op de politie- en inlichtingendiensten van 2 juli 1997 wordt beslist het Vast Comité P te gelasten met een onderzoek naar de wijze waarop het politiekorps van Ukkel de naturalisatieaanvragen behandelt.

Tijdens  de  vergadering van  dezelfde  commissie van  9 februari  1998  wordt beslist  het Vast Comité P te gelasten met een soortgelijk onderzoek bij het politiekorps van Antwerpen-Noord.

Beide verzoeken gaan in feite uit van de parlementaire commissie voor de naturalisaties van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die aan de hand van individuele dossiers de problematiek van de behandeling ter discussie heeft gesteld.

2.         Beslissing

Het Vast Comité P neemt kennis van beide opdrachten en beslist in vergadering van 4 december 1997 en in vergadering van 24 februari 1998 de onderzoeken uit te voeren.

Het Vast Comité P beslist beide dossiers samen te voegen.

3.         Opdracht

q                 Nagaan welke dienst(en) belast zijn met het uitvoeren van de onderzoeken in verband met naturalisatieaanvragen.

q                 Onderzoeken op welke manieren en op basis van welke criteria de enquêtes worden uitgevoerd.

q                 Onderzoeken hoe de besluitvorming in de adviezen tot stand komt.

4.         Eindverslag

Goedgekeurd door het Vast Comité P op 20 augustus 1998.

4.1.      Belangrijkste conclusies

De onderzoeken naar de naturalisatieaanvragen worden bijna uitsluitend uitgevoerd door het wijkpersoneel van de gemeentepolitie.

Binnen de context van het geheel der politiediensten is dat niet onlogisch.

De opdrachten gaan uit van de parketten die aan de politie een algemeen verslag vragen.  In de  praktijk betekent dit dat de bij de opdracht gevoegde vragenlijst moet worden ingevuld.

De onderzoeken beperken zich dan ook tot het invullen van die vragenlijst, meestal op het commissariaat, soms bij de aanvrager thuis.  In zeldzame gevallen wordt verder onderzoek gedaan, zoals buurtonderzoek, bevraging van derden, enz.

De behandeling van de naturalisatieaanvragen concentreert zich rond twee elementen : de vragenlijst en de politieambtenaar die hem invult.

Er bestaat echter geen eensluidende versie van de vragenlijst voor het Rijk, hetgeen de rechtszekerheid van de aanvragers niet ten goede komt.

Het begrip "integratiewil" is van doorslaggevend belang in de dossiers maar wordt door de wetgever niet gedefinieerd.  De interpretatie heeft plaats op verschillende niveaus : politie - parket - rechtbanken van eerste aanleg - hoven van beroep - Kamer van Volksvertegenwoordigers.

De interpretaties kunnen dus tegengesteld zijn, wat de rechtszekerheid en de rechtsgeldigheid van de aanvragers niet ten goede komt.

De politiediensten hebben geen specifieke richtlijnen ontvangen voor het uitvoeren van de opdrachten.

De bestaande onderrichtingen (per parket van eerste aanleg) zijn hoofdzakelijk juridisch-technisch en geven geen informatie over de wijze waarop subjectieve informatie moet worden ingevuld.

De politieambtenaren zijn niet geschoold, noch opgeleid om bepaalde vormen van informatie te geven, voornamelijk met betrekking tot de "integratiewil".

De informatie is dan ook persoonlijk getint, sterk subjectief en getoetst aan het eigen referentiekader en opvattingen.

Bovendien speelt de invloed van de politiecultuur, die hoewel niet homogeen, tegenover bepaalde bevolkingsgroepen, i.c. vreemdelingen, varieert van terughoudendheid over argwaan en wantrouwen tot antagonisme.

De politieambtenaren hebben geen kennis van de rechtspraak van de Commissie voor de naturalisaties zodat elementen die voor de commissie geen determinante rol meer spelen, toch nog worden aangevoerd om de "integratiewil" al dan niet te benadrukken.

Tenslotte is de doorsnee politieambtenaar niet bekwaam om de kennis van de landstalen te evalueren.

4.2.      Belangrijkste aanbevelingen

In de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd een wetsvoorstel ingediend tot wijziging van het Wetboek van de Belgische Nationaliteit wat de naturalisatieprocedure betreft [12] .

Het wetsvoorstel gaat uit van de stelling dat :

"de nationaliteit het behoren en de aansluiting bij de natie concretiseert, met name bij een politieke gemeenschap die de etnische, culturele, taalkundige, godsdienstige, levensbeschouwelijke en partijpolitieke verschillen overstijgt".

Bovendien wordt gesteld dat de huidige procedure bezaaid is met administratieve obstakels en vaak vexatoir (sic) voor personen die vragen om Belg te worden.

Het wetsvoorstel wil concreet het criterium "integratiewil" afschaffen.

"Om een einde te maken aan het soms willekeurige karakter van bepaalde onderzoeken stellen wij aldus de afschaffing voor van het criterium "integratiewil".

In het jaarverslag 1997 behandelt het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding dezelfde problematiek en komt tot een gelijkaardig voorstel :

"Afschaffing van de voldoende integratiewil inzake de verwerving van de Belgische nationaliteit" [13] .

Vermits is aangetoond dat bepaalde elementen van de onderzoeken naar naturalisatie de bevoegdheid en de bekwaamheid van de politieambtenaren te boven gaan kan overwogen worden deze elementen toe te vertrouwen aan gespecialiseerd personeel, hetzij op het niveau van de parketten, hetzij op niveau van de lokale besturen.

De bevoegdheid van dit personeel kan getoetst worden aan de principes van het sociaal onderzoek zoals voorzien in de wet op de O.C.M.W.'s [14] .

Indien de bestaande toestand behouden blijft moeten alleszins een aantal maatregelen getroffen worden, zoals :

q                 Bijscholing voor het personeel dat zich met naturalisatie kan inlaten.

q                 Opstellen van duidelijke richtlijnen voor het uitvoeren van de opdrachten met definiëring van de criteria die worden gebruikt.  In dit verband verdient het aanbeveling de jurisprudentie van de Commissie voor de naturalisaties te verspreiden op het niveau van alle diensten die zich met de aanvragen tot naturalisatie bezig houden.

q                 Inhoudelijke controle van de dossiers, vóór verzending naar de gerechtelijke overheden, op het niveau van de korpschefs.

In ieder geval verdient het aanbeveling de politiediensten te blijven betrekken bij het onderzoek naar de naturalisatieaanvragen.  Hun kennis en ervaring bevat waardevolle informatie voor de overheden die instaan voor de adviezen.

De rol van de politie moet evenwel beperkt blijven tot het geven van informatie die waardenvrij en verifieerbaar moet zijn en als dusdanig in overeenstemming met hun opdracht.

Tenslotte wordt in deze materie belangrijk werk geleverd op het niveau van de parketten.  Volledigheidshalve zou het dus interessant zijn na te gaan hoe daar de informatie wordt behandeld.


Toezichtsonderzoek nr. 9392/96 met betrekking tot bepaalde aspecten van de werking van de Centrale Dienst voor de Bestrijding van de Georganiseerde Economische en Financiële Delinquentie (C.D.G.E.F.I.D.)

1. Aanleiding

Op 20 december 1996 diende de Minister van Justitie bij het Vast Comité P een verzoek in tot advies omtrent drie zaken die de directeur van de C.D.G.E.F.I.D. hem had aangebracht.

2. Beslissing

Vooraleer het Vast Comité P een beslissing nam omtrent de aard van het onderzoek, vroeg het een voorafgaand verslag over het statuut en de organisatie van de C.D.G.E.F.I.D..

Op 7 mei 1997 belastte het Vast Comité P de Dienst Enquêtes met dit onderzoek.

Uit de eerste verhoren blijkt dat de doelmatigheid van deze politiedienst ernstig aangetast is door ernstige interne geschillen en door mogelijke structurele problemen.

Op 4 augustus 1997 heeft het Vast Comité P beslist een toezichtsonderzoek te openen.

3. Opdracht

Aantonen van de volgende punten :

q                 welke de dysfuncties zijn waaronder deze dienst lijdt;

q                 welke de juiste oorzaken zijn;

q                 wat hun gevolgen zijn op de doelmatigheid van de dienst;

q                 wat het gevolg is van de structuur zelf van de dienst en van zijn gemengde samenstelling op de moeilijkheden die hij kent;

q                 welke oplossingen een waarborg zouden kunnen zijn voor een optimaal rendement.

Het Vast Comité P heeft deze opdracht tot een toezichtsonderzoek uitgebreid betreffende bepaalde aspecten van de werking van de C.D.G.E.F.I.D..

4. Eindverslag.

Door het Vast Comité P goedgekeurd op 21 oktober 1997.

Met zijn brief van 31 augustus 1998 heeft de Minister van Justitie het Vast Comité P laten weten dat een publicatie van dit rapport niet opportuun is, gelet op het nog lopende gerechtelijk onderzoek lastens leden van deze dienst [15] .


De toezichtsonderzoeken waarvan een tussentijds verslag werd neergelegd *

* Hiermee wordt bedoeld : goedkeuring van het tussentijdsverslag door het Vast Comité P en verzending naar het Parlement en/of de opdrachtgever.


Toezichtsonderzoek nr. 3677/98 m.b.t. de bij de A.P.S.D. genomen veiligheidsmaatregelen om het welslagen van gerechtelijke onderzoeken te verzekeren en meer in het algemeen over de doeltreffenheid van deze dienst

1.         Aanleiding

Op 18 december 1997 heeft het Vast Comité van Toezicht op de Inlichtingendiensten een onderzoek geopend na een aanklacht van de directeur ad interim van de Commissie-SIRENE betreffende de houding van de Veiligheid van de Staat die aan de genaamde (X) een veiligheidscertificaat had uitgereikt.  Deze laatste werd door een onderzoeksrechter te Brussel in voorlopige hechtenis genomen.

Uit het onderzoek is gebleken dat een uitbreiding naar het functioneren van de A.P.S.D. op het stuk van de veiligheid zich opdringt.

2.         Beslissing

Op plenaire vergadering van 3 februari 1998 beslissen de Vaste Comités van Toezicht op politie- en inlichtingendiensten het onderzoek gemeenschappelijk verder te zetten.

3.         Opdracht

q                 een beschrijving geven van de structuur van de Algemene Politiesteundienst;

q                 een beschrijving geven van de samenstelling van de Algemene Politiesteundienst;

q                 het bepalen van de aanwervingsprocedure van de leden van de Algemene Politiesteundienst;

q                 het veiligheidsconcept van de Algemene Politiesteundienst onderzoeken :

-                                             m.b.t. het personeel : het veiligheidscertificaat;

-                                             m.b.t. de gegevens : de beveiliging, de verwerving, de verwerking, de toegang.

q                 een vergelijking met het systeem POLIS en het Centraal Bureau der Opsporingen naar eventueel dubbel gebruik;

q                 het geheel verwerken in vaststellingen en het formuleren van aanbevelingen.

4.         Stand van zaken van het dossier

Op 1 juli 1998 hebben de Diensten Enquêtes P en I een tussentijds verslag neergelegd.  Dit verslag beschrijft in grote lijnen de werking van de A.P.S.D. op het stuk van de veiligheid.

Op 10 augustus 1998 hebben de Vaste Comités van Toezicht op de politie- en inlichtingendiensten het tussentijds verslag van dit onderzoek goedgekeurd.

Met zijn brief van 24 augustus 1998 heeft de Minister van Justitie het Vast Comité P laten weten dat een publicatie van dit rapport niet opportuun is, gelet op het nog lopende gerechtelijk onderzoek lastens een lid van deze dienst [16] .


Toezichtsonderzoek nr. 9380/97 over het thema "Amigo's en bewaarkamers van de politiediensten"

1.         Aanleiding

Reeds in het jaarverslag van het jaar 1995 [17] hebben het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes, op grond van bepaalde dossiers die ze hadden behandeld, op bepaalde tekortkomingen gewezen bij het beschermen van de door de grondwet gewaarborgde rechten en vrijheden (in het bijzonder: identiteitscontroles, vrijheidsberoving en moreel en/of fysiek geweld bij arrestaties):

"bij de Dienst Enquêtes P werden concrete gevallen aangebracht waarin sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen het plegen van een klein feit en de daaropvolgende vrijheidsberoving, ongeacht het bepaalde in artikel 31 van de wet op het politieambt waarin de "absolute noodzaak" wordt geëist" [18] .

"Uit verschillende door de Dienst behandelde gerechtelijke dossiers blijkt dat nogal wat wettelijke of reglementaire bepalingen in verband met het beheer van de aanhoudingen miskend of overtreden werden" [19] .

Voorts werd in dit jaarverslag de nadruk gelegd op het feit dat het aantal klachten waarvan de Dienst Enquêtes  P kennis had gekregen beperkt was in verhouding tot het aantal aanhoudingen die de diverse politiediensten jaarlijks verrichten. Tegelijk echter werd erop gewezen dat voornoemde dienst geen kennis had van alle klachten die op dit gebied in het hele land waren neergelegd.

Ook in het jaarverslag 1996 van het Vast Comité P werd dezelfde materie opnieuw behandeld [20]

Door het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende  behandeling of bestraffing te ondertekenen [21] , laat België een internationale instantie (het Comité ter voorkoming van folteringen, hierna het C.P.T. genoemd) toe eender welke plaatsen te inspecteren waar mensen worden opgesloten en er alle nuttige vaststellingen te doen. Voorts laat ons land dit Comité toe de concrete toestand in België volledig autonoom en kritisch te beoordelen. Indien nodig kan dit Comité ook aanbevelingen formuleren om de toestand te verbeteren.

Het C.P.T. heeft in België twee bezoeken verricht, het eerste in 1993 en het tweede in 1997.

Bij zijn eerste bezoek werd het C.P.T. op de hoogte gebracht van het bestaan van het Vast Comité P en vroeg het de Belgische regering meer inlichtingen te bezorgen over de opdrachten die aan dit Comité worden toevertrouwd.

Bij de voorbereiding van het tweede bezoek heeft een delegatie van het C.P.T. een ontmoeting gewenst met het Vast Comité P. In zijn tweede inspectierapport heeft het C.P.T. aanbevelingen geformuleerd over de rol die het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes kunnen spelen bij het voorkomen van folteringen en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing.

Het onderzoek waarmee het Vast Comité P zijn Dienst Enquêtes heeft belast, past duidelijk

in dit kader.

2.         Beslissing

Het Vast Comité P beslist in plenaire vergadering van 24 september 1997 over te gaan tot een ambtshalve toezichtsonderzoek.

3.         Opdracht

De algemene opdracht omvat volgende elementen :

q                 vaststellingen te doen in alle plaatsen waar personen van hun vrijheid werden beroofd (cellen, ...);

q                 kontrole van de staat van deze cellen;

q                 nagaan welke richtlijnen het gedrag van de politieambtenaren bepalen wanneer zij mensen opsluiten;

q                 nagaan in hoeverre de wet op het politieambt wordt gerespecteerd (controle door de officieren van gerechtelijke en/of bestuurlijke politie; inschrijving in het register, ...)

q                 de houding en attitude van verschillende politieambtenaren in gelijkaardige situaties bepalen (voorziening in maaltijden, drank en dekens, verwittigen van familie, het beschermen tegen publieke nieuwsgierigheid, ...)

Het is de bedoeling bewijs te leveren van :

q                 dysfuncties;

q                 schending van rechten en vrijheden van de burgers;

q                 schending van internationale verdragen

met het oog op de verbetering van het systeem.

4.         Stand van zaken

Op 7 augustus 1998 heeft de Dienst Enquêtes P een tussentijds verslag neergelegd.

De analyse van de toegankelijke dossiers en de reeds gedane vaststellingen laten toe denkrichtingen af te bakenen die ruwweg onder drie thema's kunnen worden gegroepeerd:

q                 Het aanpassen van de lokalen aan de opsluiting van personen en de uitrusting ervan (infrastructuur).

q                 De werking van de opsluiting : inbreuk (of niet) op de welvoeglijkheid en de menselijke waardigheid.

q                 Het naleven van de veiligheidsvoorschriften.

Op 11 augustus 1998 heeft het Vast Comité P het tussentijds verslag van dit onderzoek goedgekeurd.

4.1.      Belangrijkste vaststellingen

4.1.1.   Aanpassen van de lokalen aan de opsluiting van personen en de uitrusting ervan.

a.         Infrastructuur

Binnen het raam van de door het Vast Comité P toevertrouwde opdracht heeft de Dienst Enquêtes 250 cellen en de zogenaamde bewaarkamers geïnspecteerd [22] , verspreid over 63 politiekorpsen (63 van de 74 bezochte politiekorpsen beschikken over een of meer cellen of "bewaarkamers").

In iets minder dan 1/5de van de bezochte plaatsen werden in 1996 of 1997 verbouwingen uitgevoerd.   Op diverse plaatsen zullen in de loop van dit jaar verbouwingen plaatsvinden. Dit zal in het eindrapport verder worden uitgewerkt.

b.         Uitrusting

75% van de bezochte cellen is zodanig uitgerust dat de opgeslotene er kan gaan liggen.

De uitrusting verschilt sterk van plaats tot plaats: betonnen of gemetselde blok met of zonder matras en hoofdkussen (met of zonder hoes) en/of deken, opengewerkte houten planken op de vloer, spiraalmatras of lattenbodem, matras op de vloer.

Matras, hoofdkussen en dekens worden niet systematisch ter beschikking gesteld van de opgeslotenen. Dit wordt vaak overgelaten aan het oordeel van de politieambtenaren met dienst.

Op de meeste bezochte plaatsen krijgen opgeslotenen een matras, een hoofdkussen en een deken. De regelmatigheid waarmee deze voorwerpen worden gereinigd varieert tussen een maand... en een jaar. De netheid van het beddegoed laat dus duidelijk te wensen over.

Op 10% van de bezochte plaatsen is de opsluitingszone uitgerust met camera's (gewoonlijk in de gang die naar de cellen leidt). Op één plaats worden de beelden op band opgenomen en gedurende twee maanden bewaard (zes maanden wanneer zich een incident heeft voorgedaan).

Overeenkomstig de wetgeving tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens, zou de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer op de hoogte moeten worden gebracht van deze registraties en hun (tijdelijke) bewaring. Momenteel gebeurt dit niet. Met behulp van affiches worden opgeslotenen op de hoogte gebracht van het feit dat hun doen en laten op beeldband wordt opgenomen.

c.         Richtlijnen

Het onderzoek van dit aspect werd nog niet aangevat.  In deze fase van het toezichtsonderzoek verwijzen we naar de relevante conclusies van het K.U.L.-onderzoek [23] .

4.1.2.   Inbreuk (of niet) op de menselijke waardigheid en de welvoeglijkheid.

Artikel 23 van de Grondwet bekrachtigt het recht op een menswaardig bestaan. Gewoonlijk wordt deze bepaling opgenomen in het fundamenteel handvest van een democratische staat. De meeste internationale verdragen tot regeling van de verhoudingen tussen een staat en zijn burgers, die België heeft goedgekeurd, waarborgen overigens uitdrukkelijk het recht op menselijke waardigheid.

In de twee verslagen die het C.P.T. na zijn bezoeken aan België heeft opgesteld, heeft dit Comité in de rubriek "Fundamentele waarborgen tegen de slechte behandeling van gevangenen" diverse problemen aan de kaak gesteld betreffende de (al dan niet genomen) maatregelen en de werking van de opsluiting. Het Comité heeft ook aanbevelingen geformuleerd om deze problemen te verhelpen [24] [25] .

a.         Gebrek aan hygiëne. Algemene staat van netheid/hygiëne

q                 Het gebrek aan hygiëne bemoeilijkt de omstandigheden waarin de met de bewaking belaste politieambtenaren moeten werken. Het betreft hier niet alleen de lokalen, maar soms ook de opgeslotenen zelf.

q                 Het gedrag van sommige opgeslotenen maakt de omstandigheden van bewaking soms bijzonder lastig (geschreeuw, geklop op de deur enz.).

q                 Het contact met sommige opgeslotenen kan leiden tot gezondheidsproblemen (besmettelijke ziektes). Het ter beschikking stellen van ontsmettingsproducten en een opleiding inzake het voorkomen van besmettelijke ziektes zijn zeker geen overbodige luxe.

q                 Op plaatsen waar er geen of onvoldoende luchtverversing is, is er vaak geurhinder.

q                 De netheid van toiletpotten laat soms te wensen over (sporen van braaksel en uitwerpselen).

q                 De muren zijn niet altijd voldoende gereinigd (op een van de bezochte plaatsen werden bloedvlekken op de muur gevonden).

q                 Regelmatigheid van schoonmaken: in het algemeen worden de cellen elke dag schoongemaakt door het technisch personeel, samen met de bureaus.

b.         Overbevolking/promiscuïteit

Het probleem van de eventuele overbevolking en promiscuïteit van opgeslotenen in politielokalen wordt later onderzocht in een studie die met name de scheiding van mannelijke en vrouwelijke opgeslotenen enerzijds en van volwassenen en minderjarigen anderzijds behandelt [26] .

c.         Inbreuk op de intimiteit: het fouilleren op het lichaam

Uit diverse dossiers is gebleken dat het fouilleren uit veiligheidsoverwegingen en het fouilleren op het lichaam de oorzaak zijn van problemen tussen de politieambtenaar die fouilleert en de aangehouden en opgesloten persoon [27] .

De problemen die hierbij voorkomen zijn tweeërlei:

q      de concrete wijze waarop de politieambtenaar fouilleert (communicatie tussen personen en ongepaste handelwijze, gaande van een gebrek aan tact of welvoeglijkheid [28] tot brutaliteit);

q      het ontbreken van een specifiek of aangepast lokaal waar voldoende discretie mogelijk is.

Soms moet een opgeslotene zich volledig uitkleden in een ruimte waar het publiek hem of haar kan zien. Dit is een inbreuk op de wet op het politieambt [29] . Tegelijk wordt de vertrouwelijkheid van het onderzoek geschonden en is er sprake van een aanslag op de menselijke waardigheid (welvoeglijkheid).

d.         Onaanvaardbare disfuncties in een democratische maatschappij

ü               In diverse dossiers wordt het principe van de wettelijkheid en/of de wettigheid van bepaalde arrestaties duidelijk geschonden. Uit deze dossiers blijkt dat de arrestatie, gevolgd door een opsluiting waarvan de duur varieert, voortvloeit uit een inbreuk op een wetsbepaling (in het algemeen van de wet op het politieambt [30] ), een interventie waarbij een elementaire regel van de politiedeontologie wordt geschonden [31] , een weinig professionele interpellatie die snel ontaardt [32] of uit de houding van de geïnterpelleerde die zich als een burger gedraagt en terecht laat blijken dat hij het niet eens is met het feit dat het optreden onwettelijk of onwettig is [33] .

In al deze gevallen blijkt dat de beschuldigingen van ongepast en zelfs agressief gedrag van politieambtenaren jegens opgeslotenen (slagen en verwondingen, licht geweld, kwetsende opmerkingen, racistische uitlatingen, weigering om gevolg te geven aan een legitiem verzoek van de opgeslotene [34] ) gegrond zijn [35] . Diverse dossiers bevatten een medisch attest waarin een geneesheer slagen en verwondingen heeft vastgesteld [36] . Het Vast Comité P heeft reeds in vorige rapporten de aandacht hierop gevestigd.

Deze klachten en aangiften leiden slechts uiterst zelden tot een gerechtelijke sanctie of een tuchtstraf. Het Vast Comité P heeft, in zijn jaarverslag 1997, al de nadruk gelegd op deze anomalie en ook het C.P.T. maakt zich hierover terecht zorgen.

ü               Bij bepaalde politiekorpsen wordt de wachtdienst, vooral 's avonds en tijdens het weekend, nog te vaak bemand door politieambtenaren die niet de hoedanigheid van officier van gerechtelijke of bestuurlijke politie bezitten. Krachtens de wetgeving zijn bepaalde bevoegdheden echter uitdrukkelijk toegewezen aan ambtenaren die bovengenoemde hoedanigheid bezitten, vooral op het gebied van arrestaties die, na de levensberoving, de meest wezenlijke inbreuk op de fundamentele vrijheden vormen. Het is niet overbodig erop te wijzen dat met deze ingrijpende bevoegdheid al te vaak wordt omgesprongen als betrof het een politionele routinemaatregel.

ü               Al wie van zijn vrijheid wordt beroofd en in een politielokaal wordt vastgehouden, staat onbetwistbaar onder het toezicht en bijgevolg onder de volledige verantwoordelijkheid van de met de bewaking belaste politieambtenaar [37] .

Bijgevolg is het even onaanvaardbaar als onverantwoord een opgeslotene in een cel of een zogenaamde "bewaarkamer" aan zichzelf over te laten zonder doorlopend een effectief en concreet toezicht te verzekeren [38] .

ü               Al te vaak krijgt de opgeslotene onvoldoende of helemaal geen eten en drinkbaar water. Het C.P.T. had dit al vastgesteld tijdens zijn twee bezoeken. Dit rapport bevestigt de vaststellingen van het C.P.T [39] .

ü               Sommige politieambtenaren vinden nog steeds dat de opgeslotene zelf zijn cel moet reinigen wanneer hij deze heeft bevuild. Dit kan niet worden aanvaard.

ü               Het recht van de opgeslotene om zonder uitstel een verwant of een derde van zijn keuze te verwittigen wordt uitdrukkelijk voorzien in de artikelen 31, laatste lid (in geval van een bestuurlijke aanhouding) en 35, laatste lid (in geval van een gerechtelijke aanhouding) van de wet op het politieambt.

Ter gelegenheid van dit werkjaar hebben het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes opnieuw vastgesteld dat deze fundamentele wet onvoldoende wordt beheerst of niet wordt nageleefd door bepaalde politieambtenaren [40] .

ü    Verschillende dossiers waarvan het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes kennis hebben of die ze hebben behandeld, tonen aan dat sommige politieambtenaren onwettig geweld gebruiken tijdens de opsluiting. Dit komt herhaaldelijk voor en laat toe te stellen dat de aanbevelingen van het C.P.T., volgens dewelke :

"de overheden maatregelen moeten nemen die aan elke gevangene het recht verlenen, indien hij dat wenst, te worden onderzocht door een geneesheer van zijn keuze (naast elk onderzoek door een door de politie aangesteld geneesheer);

elk medisch onderzoek buiten gehoorsafstand en, behoudens  andersluidend verzoek van de geneesheer, buiten het zicht van de leden van de politie moet plaatsvinden;

de resultaten van elk onderzoek, alsmede de relevante verklaringen van de gevangene aan de geneesheer en de conclusies van de geneesheer, door deze laatste moeten worden genoteerd en ter beschikking van de gevangene moeten worden gesteld",

op formele wijze zouden moeten worden gereglementeerd. Het gebeurt nog steeds dat een opgeslotene, zelfs wanneer hij daar uitdrukkelijk om vraagt, geen geneesheer mag zien [41] . Het systematisch onderzoek door een geneesheer bij het begin van de opsluiting vormt onbetwistbaar een krachtige preventieve maatregel en een doeltreffende waarborg tegen de mishandeling van opgeslotenen door politieambtenaren. Deze gevallen van mishandeling, waarvan de precieze meting niet systematisch wordt georganiseerd, vormen geen uitzondering en zijn in ieder geval zorgwekkend. Het C.P.T. maakt zich dan ook terecht zorgen over deze situatie.

ü    In zijn beide verslagen (1994 en 1998) beveelt het C.P.T. aan dat

"bij het begin van de opsluiting systematisch een formulier aan de gevangene wordt overhandigd waarin hij op de hoogte wordt gebracht van al zijn rechten, met name :

-                      het recht een verwant of een derde van zijn keuze op de hoogte te brengen van zijn aanhouding;

-                      het recht een advocaat te zien [42] ;

-                     het recht een geneesheer te zien.

Dit document moet in een gepast aantal talen beschikbaar zijn. De betrokkene moet een verklaring tekenen volgens dewelke hij van zijn rechten op de hoogte werd gebracht".

Sommige politiekorpsen hebben het initiatief genomen om een dergelijk document in de opsluitingszone uit te hangen. Het veralgemenen en opleggen van deze maatregel door hem bij wet vast te leggen zou een concrete en doeltreffende aanvulling zijn van het geheel van maatregelen ter voorkoming van onwettig politiegeweld tijdens de opsluiting. Het gaat om een terugkerende vorm van geweld die zeker niet alleen in theorie bestaat.

ü    Bijhouden van het register van bestuurlijke aanhoudingen.

Het bijhouden van dit register werd verplicht gesteld krachtens artikel 33 van de wet op het politieambt, wat de bestuurlijke aanhoudingen betreft. In de praktijk leidt de naleving van deze bepaling op heel wat plaatsen tot problemen. Soms wordt de betrokkene gewoonweg niet geregistreerd, in andere gevallen worden niet alle verplichte gegevens vermeld - in het bijzonder het tijdstip waarop de betrokkene is binnengekomen en weggegaan -waardoor elke controle onmogelijk is, in nog andere gevallen zijn de genoteerde gegevens onleesbaar.

Bij de vaststellingen is gebleken dat de controle door het gezag en de hiërarchie op het bijhouden van deze registers in het algemeen ontoereikend of gewoon onbestaande is.

Hoewel de wet dit niet uitdrukkelijk voorziet, zou het bovendien wenselijk zijn dat alle gebeurtenissen, in het bijzonder eender welke incidenten, die zich tijdens de opsluiting voordoen, duidelijk in het register worden opgenomen. Nu blijkt niet alleen dat incidenten niet systematisch worden geregistreerd, maar ook dat enkel het min of meer betrouwbaar werkend geheugen van politieambtenaren toelaat deze incidenten aan het licht te brengen.

Op gerechtelijk gebied moet een aanhouding steeds met behulp van een proces-verbaal worden gerechtvaardigd, maar het bijhouden van een register wordt niet door de wet opgelegd. Het Vast Comité P is ook hier voorstander van het bijhouden van een register.

4.1.3.   Naleven van de veiligheidsregels.

In een democratische maatschappij moet de overheid erop toezien dat ambtenaren die met ingrijpende bevoegdheden ten opzichte van de fundamentele vrijheden zijn bekleed, deze slechts spaarzaam gebruiken. Het lijkt vanzelfsprekend dat de overheid daarvoor over indicatoren moet kunnen beschikken. Bijgevolg moet een aantal relevante indicatoren worden uitgewerkt, waaronder het creëren van nationale statistieken over incidenten die zich voordoen gedurende de periode dat iemand wordt aangehouden en opgesloten.

Deze statistieken moeten het mogelijk maken:

q                    precies te weten hoeveel arrestaties er in het land werden verricht en hoeveel daarvan er werden gevolgd door een opsluiting;

q                    de omvang en de aard te bepalen van incidenten die zich voordoen gedurende de periode dat mensen worden gearresteerd en opgesloten worden;

q                    vast te stellen wat de oorzaken van deze incidenten zijn, zodat men ze beter kan voorkomen.

Het systematisch en gecentraliseerd verzamelen van deze gegevens zou ook betrekking moeten hebben op het aantal opgesloten personen, het aantal politieambtenaren dat bij een aanhouding of een opsluiting wordt gewond (of gedood), het aantal zelfmoorden en zelfmoordpogingen, alsmede het aantal ontsnappingen en ontsnappingspogingen.

Een systematische analyse van de diverse onderzoeken die naar aanleiding van deze incidenten werden gevoerd moet het mogelijk maken hun oorzaken te ontdekken (waaronder structurele gebreken, gebrek aan bewaking, het niet aandoen van handboeien [43] en het niet of slecht fouilleren).

4.2.      Belangrijkste aanbevelingen

De voorlopige aanbevelingen die we op grond van de analyse van de dossiers en de reeds gedane vaststellingen kunnen formuleren, hebben betrekking op drie thema's:

ü      Vermenselijken van opsluitingslokalen (materiële omstandigheden).

ü      Verbeteren van de arbeidsvoorwaarden van de politieambtenaren die met de bewaking van opgeslotenen zijn belast (ter beschikking te stellen middelen).

ü      Uitwerken van het veiligheidsconcept (technische maatregelen).

-                     Alle opsluitingslokalen uitrusten met de middelen die nodig zijn voor hun werking.

-                     Alle politieambtenaren die met de bewaking van opgeslotenen zijn belast sensibiliseren en de officieren van gerechtelijke politie en officieren van bestuurlijke politie hun verantwoordelijkheid doen opnemen voor het verloop van de aanhouding en de opsluiting.

-                     Aan minderjarigen meer juridische bescherming bieden.

-                     Politieambtenaren die met de bewaking van opgeslotenen zijn belast een specifieke opleiding bieden.

-                     De voedselvoorziening organiseren van personen die in politielokalen worden opgesloten.

-                     Het uitrusten van opsluitingslokalen met middelen voor afstandsbewaking voortzetten.

-                     De opsluitingslokalen van politiediensten bouwen of renoveren overeenkomstig nieuwe normen.

-                     De opsluitingslokalen van politiediensten herstructureren op grond van plannen.

-                     Voor elke opgeslotene een volledig opsluitingsdossier opstellen.

-                     Precieze richtlijnen verspreiden en doorlopend ter beschikking stellen van de met de bewaking van opgeslotenen belaste politieambtenaren.

4.3.  Besluit

Dit rapport bevat een beschrijving van alle disfuncties die werden vastgesteld tijdens de inspecties op de plaatsen die door de onderzoekers van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P werden geselecteerd, alsmede bij de analyse van de dossiers die het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes hebben behandeld sinds de oprichting van dit extern controleorgaan.

De aanbevelingen die tot besluit van dit onderzoek worden geformuleerd, moeten het mogelijk maken zowel de organisatie en de werking van de opsluitingslokalen van de politie als de omstandigheden waarin personen in deze lokalen in worden opgesloten, gevoelig te verbeteren.



[1]      G.L. BOURDOUX e.a., o.c., 22 - 23.

[2]      Wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, B.S. van 26 juli 1991, artikel 1.

[3]      Ibidem, artikel 2.

[4]      Ibidem, artikel 7.

[5]      Over de bijzondere opdrachten bestaat een discussietekst die is weergegeven in het jaarrapport van het Vast Comité P, 1997, 204 - 211.

[6]      Vast Comité van Toezicht op de politiediensten - Jaarverslag 1997, 171 - 203.

[7]      Vast Comité van Toezicht op de politiediensten - Jaarverslag 1997, 77 - 130 en 171 - 211.

[8]      Het betreffen achtereenvolgens : het toezichtsonderzoek met betrekking tot de organisatie en het functioneren van het politiekorps van Herentals; het toezichtsonderzoek naar de werking van het politiekorps van Etterbeek; het toezichtsonderzoek met betrekking tot het organisatie en de werking van het politiekorps van Rochefort; het toezichtsonderzoek naar de werking van het politiekorps van Grâce-Hollogne; het toezichtsonderzoek met betrekking tot bepaalde aspecten van de werking van de CDGEFID; het toezichtsonderzoek naar het functioneren van het politiekorps van Beersel.

[9]      Stand op 31 augustus 1998.

[10]     Toepassing van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, artikel 13.

[11]     Toepassing van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, artikel 13.

[12]     Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1334/1 - 97/98, 17 december 1997.

[13]     Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, Jaarverslag 1997, blz. 41-42.

[14]     Wet van 18 juli 1976 - Organieke wet betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, B.S. van 5 augustus 1976; err., B.S. van 26 november 1976, art. 44 en 60.

[15]     Toepassing van artikel 13 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten.

[16]     Toepassing van artikel 13 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten.

[17]     Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Jaarverslag 1995, 93 - 124.

[18]     Ibidem, 97.

[19]     Ibidem, 102.

[20]     Ibidem, 63 - 94.

[21]     Wet van 7 juni 1991 houdende goedkeuring van het Europees Verdrag en van de Bijlage ter voorkoming van foltering en onmenselijke vernederende behandeling of bestraffing, opgemaakt op 26 november 1987 te Straatsburg (B.S. van 29 januari 1992).

[22]     129 in het Vlaams Gewest, 79 in het Waals Gewest en 42 in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.

[23]     Katholieke Universiteit Leuven.  Centrum Industrieel Beleid & Vervolmakingscentrum voor Overheidsbeleid en Bestuur.  Beveiliging en infrastructuur van politiecommissariaten.  Rapport van Bart VANNIEUWENHUYSE & Wouter BEKE. 14.11.1997, Summary 2 and 3.  We onderstrepen echter dat het onderzoek alleen betrekking had op de infrastructuur van de gemeentepolitie; niet op die van de rijkswacht, van de gerechtelijke politie bij de parketten of van de bijzondere politiediensten.

[24]     Raad van Europa - Verslag aan de Belgische regering betreffende het bezoek van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke vernederende behandeling of bestraffing (CPT) aan België van 14 tot 23 november 1993, Straatsburg/Brussel, 14 oktober 1994.

[25]     Raad van Europa - Verslag aan de Belgische regering betreffende het bezoek van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke vernederende behandeling of bestraffing (CPT) aan België van 31 augustus tot 12 september 1997, Straatsburg/Brussel, 18 juni 1998.

[26]     Artikel 37 c) van de wet dd. 25 november 1991 houdende goedkeuring van het Verdrag betreffende de rechten van het kind, op 20 november 1989 in New York goedgekeurd, bepaalt : " De Staten die partij zijn waarborgen dat ieder kind dat van zijn vrijheid is beroofd, wordt behandeld met menselijkheid en met eerbied voor de waardigheid inherent aan de menselijke persoon, en zodanig dat rekening wordt gehouden met de behoeften van een persoon van zijn leeftijd.  Met name wordt ieder kind dat van zijn vrijheid is beroofd, gescheiden van volwassenen tenzij het in het belang van het kind wordt geacht dit niet te doen," (...).

[27]     Voorbeelden : Vast Comité P, dossiers nrs. 1861/96 - 4040/96 - 7999/97 - 9037/97 - 10229/97 - 3811/98 - 4355/98 - 7146/98.

[28]     Iemand verhoren die enkel een slipje draagt, naar aanleiding van een klacht wegens nachtlawaai (niet vastgesteld), kan een wettelijke inbreuk op de welvoeglijkheid vormen (Vast Comité P - dossiers nrs. 7221/98 en 10395/97).  Een vrouw verplichten zich volledig uit te kleden om haar te fouilleren binnen het gezichtsveld van de in de cel geïnstalleerde bewakingscamera (Vast Comité P - dossier nr. 5719/96).

[29]     Lid 1 van artikel 35 van de wet op het politieambt bevat het uitdrukkelijk verbod voor politieambtenaren om aangehouden, gevangen of opgehouden personen zonder noodzaak aan de nieuwsgierigheid van het publiek bloot te stellen.

[30]     Onregelmatige identificatie (misdrijf "sale gueule") : Vast Comité P - dossiers nrs 3321/97 - 7244/97 - 8159/97 - 3402/98; ongeoorloofd geweld : Vast Comité P - dossier nr. 9782/97.

[31]     Interventie waarbij de politieambtenaar een persoonlijk belang heeft en zich bijgevolg onbevoegd zou moeten verklaren (Vast Comité P - dossier nr. 2685/96); burger wordt opgepakt en meegenomen "dans la nature" (Vast Comité P - dossier nr. 3640/98); racistische uitlatingen (Vast Comité P - dossier nr. 10395/97), men laat het licht in de cel de hele nacht branden en men maakt opzettelijk lawaai om de opgeslotenen te beletten te slapen of met een andere opgeslotene te communiceren (Vast Comité P - dossier nr. 1708/97).

[32]     Het feit dat de politieambtenaar er niet in slaagt te communiceren leidt tot een ander probleem : de burger verliest zijn geduld en de situatie begint te escaleren, van mondeling geweld (obsceniteiten, beledigingen en smaad) naar het gebruik van morele en vervolgens lichamelijke dwang, waarna de arrestatie of de opsluiting en het fouilleren op het lichaam plotseling "gerechtvaardigd" zijn; dit alles in een klimaat van vernedering.  Dit proces werd reeds beschreven in het jaarverslag 1995 van het Vast Comité P (voorbeelden : Vast Comité P - dossiers nrs. 1708/97 - 6198/98 - 6380/98).

[33]     Voorbeelden : de weigering om de sleepkosten van een op vordering van de politie weggespleept voertuig onmiddellijk te betalen heeft tot gevolg dat de takelaar weigert het voertuig terug te geven.  De eigenaar vraagt de politie tussenbeide te komen, ... wat tot een arrestatie leidt ... (Vast Comité P - dossiers nrs. 1326/97 - 8118/97).  Een gestolen voertuig werd teruggevonden en aan de rechtmatige eigenaar terugbezorgd, maar men vergat het voertuig te ontseinen.  Bij een controle wordt de bestuurder zonder enige andere vorm van proces gearresteerd (Vast Comité P - dossier nr. 2390/98).  Een burger komt tussen wanneer twee jongeren, waaronder een meisje, met een matrak worden mishandeld; deze burger wordt aangehouden omdat hij tussenbeide is gekomen (Vast Comité P - dossier nr. 6113/95).

[34]     Vast Comité P - dossier nr. 10552/97.

[35]     Vast Comité P - dossiers nrs. 7221/98 - 5322/98 (een politieambtenaar verplicht een burger hem te volgen door hem bij het haar voort te trekken).

[36]     Vast Comité P - dossiers nrs. 6535/96 - 10395/97 - 3891/98.

[37]     Dit blijkt ondubbelzinnig uit een bepaling van de deontologische code van de Franse nationale politie.  Zie S. PORRA en C. PAOLI, Code annoté de déontologie policière, Librairie générale de droit et de jurisprudence, Paris, 1991, 100 en 101.

[38]     Volgens het K.U.L-rapport wordt in slechts iets meer dan de helft van de gevallen (54,8%) een dienst van 24 uur op 24 verzekerd wanneer een persoon wordt opgesloten (blz. 2.48).

[39]     Vast Comité P - dossiers nrs. 7243/96 - 10091/97 - 7548/98.

[40]     Vast Comité P - dossiers nrs. 6113/95 - 3195/96 (weigering de ouders van een minderjarige te verwittigen) - 9100/97 - 7552/98.

[41]     Vast Comité P - dossier nr. 7548/98.

[42]     Volgens de huidige bepalingen van de strafprocedure kan deze aanbeveling geen formele gevolgen hebben.

[43]     Of, integendeel, verwondingen door het aandoen van de handboeien of door het te hard aanspannen ervan met verwondingen tot gevolg (dossier nr. 7548/98).