Inhoudsopgave

HOOFDSTUK 4: Toezichtsonderzoeken

Inleiding

Sectie 1: Eindverslagen

1.Organisatie en werking van een politiekorps in het arrondissement Brussel-Hoofdstad (dossier nr. 1912/1999)
1.1.Algemeen kader en onderwerp
1.1.1.Inleiding
1.1.2.Methodologie van het onderzoek
1.2.Verloop van het onderzoek
1.3.Besluiten
1.3.1.Sterke punten
1.3.2.Zwakke punten
1.3.3.Redenen tot ontevredenheid van het personeel
1.4.Voornaamste voorgestelde en genomen maatregelen – aanbevelingen
1.5.Opvolging
2.Organisatie en werking van een middelgroot gemeentepolitiekorps in West-Vlaanderen (dossier nr. 14280/2000)
2.1.Algemeen kader en onderwerp
2.2.Verloop van het onderzoek
2.3.Voornaamste voorgestelde en genomen maatregelen – aanbevelingen
3.Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in Henegouwen (dossier nr. 5626/2000)
3.1.Algemeen kader en onderwerp
3.2.Verloop van het onderzoek
3.3.Voorgestelde en genomen maatregelen – aanbevelingen
4.Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in Henegouwen (dossier nr. 11149/1999)
4.1.Algemeen kader en onderwerp
4.2.Verloop van het toezichtsonderzoek
4.3.Besluiten
4.4.Voorgestelde en genomen maatregelen – aanbevelingen
4.4.1.Maatregelen genomen door het Vast Comité P
4.4.2.Contact met de minister van Binnenlandse Zaken
4.5.Opvolging
5.Onderzoek aangaande het te Ankara op 9 juli 1996 ondertekende samenwerkingsakkoord (dossier nr. 9896/1997)
5.1.Algemeen kader en onderwerp
5.2.Verloop van het onderzoek
5.3.Besluiten
5.4.Voornaamste genomen en voorgestelde maatregelen – aanbevelingen

Sectie 2: Tussentijdse verslagen

6.Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in Luxemburg (dossier nr. 6521/2000)
6.1.Algemeen kader en onderwerp
6.2.Verloop van het onderzoek
6.3.Belangrijkste voorlopige genomen en voorgestelde maatregelen – aanbevelingen
7.Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in het arrondissement Brussel-Hoofdstad (dossier nr. 2219/1998)
7.1.Algemeen kader en onderwerp
7.2.Verloop van het onderzoek
7.3.Belangrijkste voorgestelde en genomen maatregelen – aanbevelingen
7.3.1.‘Actualiseren’ van het dossier
7.3.2.Ontmoeting met de burgemeester benoemd na de verkiezingen van 8 oktober 2000
7.4.Opvolging
8.Organisatie en werking van een gemeentepolitie in het arrondissement Brussel-Hoofdstad (dossier nr. 8900/1997)
8.1.Algemeen kader en onderwerp
8.2.Verloop van het onderzoek
8.2.1.Herneming van de in 1998 vastgestelde toestand
8.2.2.Herneming van de in het verslag van december 1998 geformuleerde voorstellen en aanbevelingen
8.2.3.Nieuwe leiding van het politiekorps
8.2.3.1.             Ontmoetingen en vaststellingen
8.2.3.2.             Studie van de geleverde informatie
8.3.Besluiten
8.4.Opvolging
9.Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in West-Vlaanderen (dossier nr. 9395/1996)
9.1.Algemeen kader en onderwerp
9.2.Verloop van het onderzoek
9.3.Tussentijdse besluiten
9.4.Opvolging
10.Organisatie en werking van een stedelijke politiekorps in West-Vlaanderen (dossier nr. 7654/1998)
10.1.Algemeen kader en onderwerp
10.2.Verloop van het onderzoek
10.3.Opvolging
11.Organisatie en werking van een gemeentepolitiekorps in Antwerpen (dossier nr. 1678/1994)
11.1.Algemeen kader en onderwerp
11.2.Verloop van het onderzoek
11.3.Besluiten en aanbevelingen
12.Organisatie en werking van een gemeentepolitiekorps in Oost-Vlaanderen (dossier nr. 8128/1999)
13.      101-centrales
13.1.Algemeen kader en onderwerp
13.1.1.Opdracht
13.1.2.Methodologie
13.2.Verloop van het onderzoek en belangrijkste vaststellingen
13.2.1.101-centrales
13.2.2.Onderzoeksresultaten
13.3.Besluiten
13.3.1.Menselijke middelen
13.3.2.Materiële middelen
13.3.3.Procedures
13.3.4.Tevredenheid van het publiek
13.3.5.Personeelstevredenheid
13.3.6.Impact op de samenleving
13.3.7.Resultaten
13.3.8.Leiderschap
13.3.9.Beleid en strategie
13.4.     De Toekomst: ASTRID
13.5.Opvolging
14.Politiecapaciteit inzake informaticacriminaliteit (dossier nr. 20162/2000)
15.Mensensmokkel
15.1.Algemeen kader en onderwerp
15.1.1.Inleiding
15.1.2.Opdracht
15.2.Verloop van het onderzoek
15.2.1.Afbakening van het onderwerp
15.2.2.Doelstellingen en onderzoeksmethoden
15.2.3.Betrokken partijen
15.3.Besluiten
15.4.Opvolging
16.Politiewebsites gewijd aan geseinde en opgespoorde personen – Internetsamenwerking tussen burgers en politie (dossier nr. 20165/2000)
16.1.Algemeen kader en onderwerp
16.2.Verloop van het onderzoek
16.3.Besluiten
16.4.Aanbevelingen
16.5.Opvolging
17.Beheer informanten (dossier nr. 16546/2000)
17.1.Algemeen kader en onderwerp
17.2.Verloop van het onderzoek
17.3.Tussentijds besluit
17.4.Opvolging
18.APSD/SGAP (dossier nr. 4874/2000)
18.1.Algemeen kader en onderwerp
18.2.Verloop van het onderzoek
18.3.Besluiten
18.3.1.Statistieken
18.3.2.Andere aspecten van de werking van de APSD
18.4.Opvolging
19.Politie van en op het verkeerswezen (dossiers nr. 1692/1994 en 17856/2000)
19.1.Algemeen kader en onderwerp
19.2.Verloop van het onderzoek
19.3.Tussentijds besluit

Sectie 3: Opvolgingsverslagen

20.Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in Henegouwen (dossier nr. 2272/1998)
21.Tuchtprocedure bij de rijkswacht

Sectie 4 : Gezamenlijk onderzoek

22.Veiligheidsmaatregelen die binnen de Algemene Politiesteundienst (APSD) werden genomen om het welslagen van de gerechtelijke onderzoeken te waarborgen en meer in het algemeen naar de doelmatigheid van deze dienst
22.1.Inleiding
22.2.Vervolg van het onderzoek


Hoofdstuk 4: Toezichtsonderzoeken

Inleiding

Tijdens de vergadering van 20 januari 2000 met de Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten [1] , heeft het Vast Comité P de nieuwe krachtlijnen van het beleid dat het wenst te volgen en die door de Begeleidingscommissie werden goedgekeurd, kunnen uiteenzetten.  In de loop van de maand februari heeft de voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, in het verlengde van het verslag van het Vast Comité P 1998-1999, aan het Vast Comité P laten weten dat het zijn taak was om aan de Begeleidingscommissie verslag uit te brengen over de activiteiten van het Vast Comité P vanaf de maand juli 1999.   
Naar aanleiding van deze vraag heeft het Vast Comité P hem een aanvullend activiteitenverslag [2] laten geworden waarin het zijn activiteiten en onderzoeken voor de periode van 1 juli 1999 tot 31 december 1999 maar ook de tussen 1 november 1999 en 1 april 2000 lopende of afgesloten onderzoeken heeft besproken.

In dit verband heeft het Comité met name reeds verslag uitgebracht over zijn toezichtsonderzoeken naar de politie van Mechelen, Eeklo, Quaregnon, de onderzoeken die betrekking hebben op de manier waarop de klachten en aangiften door de politieambtenaren worden behandeld in het kader van geweld tussen partners, op de inbeslagname en reproductie van videocassettes in een gerechtelijk onderzoek gevoerd door de Bewakings- en opsporingsbrigade (BOB) van Charleroi, of op de relatie tussen de politie en allochtone jongeren.  Het heeft eveneens verslag uitgebracht over zijn toezichtsonderzoeken naar de organisatie en de werking van de politie van Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node alsook over die betreffende suïcide binnen de Belgische reguliere politiediensten (1990-1998) en de tuchtprocedure bij de rijkswacht [3] .  Het Comité heeft nog kort zijn onderzoeken betreffende bepaalde diensten met politiebevoegdheid bij de Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen (N.M.B.S.) of de Maatschappij Intercommunaal Vervoer Brussel (M.I.V.B.) geschetst.

Het Comité heeft tot slot zijn bijzondere belangstelling voor het aan gang zijnde integratieproces van de politiediensten uitgedrukt alsook voor de wisselwerking tussen de verschillende tussenkomende partijen op het gebied van openbare veiligheid, in casu de politie en privé-beveiliging vooraleer de voortzetting van het onderzoek betreffende de amigo’s en veiligheidscellen van de politiediensten [4] bekend te maken.

In het verlengde van zijn werkvergaderingen van 7, 8 en 9 augustus 2000 heeft het Vast Comité P beslist een opvolging te waarborgen van de onderzoeksdossiers betreffende de politie van Quaregnon, Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node in de loop van het jaar 2000 en, in de loop van het jaar 2001, voor de onderzoeken betreffende de wijze waarop de klachten en aangiften door de politieambtenaren worden behandeld in het kader van geweld tussen partners, de relatie tussen de politie en allochtone jongeren, de suïcide binnen de Belgische reguliere politiediensten, de tuchtprocedure bij de rijkswacht, bepaalde diensten met specifieke politiebevoegdheid, de amigo’s en veiligheidscellen van de politiediensten, enz.  Het onderzoek naar de politie van Menen werd opgeschort en rekening houdend met het vertrek van één van zijn leden, heeft het Vast Comité P beslist uitvoeriger verslag uit te brengen over de onderzoeken naar de gemeentepolitie van Lokeren en Anderlecht in zijn volgend verslag.


Sectie 1: Eindverslagen

1.                        Organisatie en werking van een politiekorps in het arrondissement Brussel-Hoofdstad (dossier nr. 1912/1999)

1.1.                      Algemeen kader en onderwerp

1.1.1.              Inleiding

Op vraag van de minister van Binnenlandse Zaken, heeft het Vast Comité P een toezichtsonderzoek gevoerd naar de werking van een gemeentepolitie in het arrondissement Brussel-Hoofdstad. In zijn vraag verduidelijkte de minister: "Een politiekorps is de laatste tijd herhaaldelijk in de pers gekomen door zijn aanpak van een aantal incidenten op zijn grondgebied, door gerechtelijke onderzoeken die lopen tegen een aantal leden van het korps, door de gebrekkige leiding en supervisie van het korps en, recentelijk, door de protocolakkoorden die door de syndicale afgevaardigden ter ondertekening aan de burgemeester werden voorgelegd."

1.1.2.              Methodologie van het onderzoek

De mehtodologie van het merendeel van de onderzoeken werd aan het Parlement voorgelegd in de vorm van een bijlage [1] .

1.2.                      Verloop van het onderzoek

35.2.1. De belangrijkste elementen van het merendeel van de onderzoeken werden beschreven in bijlage aan het verslag dat aan het Parlement werd voorgesteld [2] .

35.2.2. De vaststellingen werden aan de burgemeester en de korpschef meegedeeld. Er hadden eveneens verscheidene ontmoetingen met hen plaats.  Zoals aangekondigd in de methodologie, werd het verslag van de Dienst Enquêtes P in het begin van de maand juni 2000 voorgelegd aan het hoofd van de politie, zijn korpschef en alle personeelsleden. Eind juni 2000 was een plenaire vergadering gepland om de kritiek van alle partijen te horen. Deze vergadering werd meermaals verschoven op vraag van de korpschef of de gemeentelijke overheid en heeft uiteindelijk op 29 augustus 2000 plaatsgevonden. Tijdens deze vergadering hebben de vakbondsafgevaardigden en bepaalde personeelsleden hun ontevredenheid geuit omdat ze, naar eigen zeggen, niet behoorlijk kennis hadden kunnen nemen van het verslag. Sommigen meenden dat het verslag te veel de nadruk legde op de negatieve aspecten en disfuncties en onvoldoende de positieve kanten onderstreepte. Er werd geen andere kritiek geformuleerd op de inhoud van het verslag, behalve door een adjunct-commissaris die meende dat zijn dienst proactief handelde en dus niet reactief was, in tegenstelling tot het te algemeen besluit van het verslag.

De burgemeester wenste dat alle personeelsleden kennis konden nemen van het verslag. Het vast lid van het Vast Comité P heeft een nieuwe termijn van drie weken vastgelegd opdat de personeelsleden hun opmerkingen en kritiek betreffende het verslag konden meedelen.

Op 15 oktober 2000, datum waarop het Comité nog contact heeft gehad met de korpsleiding, had het Vast Comité P noch de Dienst Enquêtes P een bijkomende opmerking noch een bijzonder verslag ontvangen.   

35.2.3. Het verslag dat door het Vast Comité P werd goedgekeurd, is een synthese van een uitvoeriger verslag waarover met de verschillende betrokken partijen van gedachten werd gewisseld.

1.3.                      Besluiten

Door de antwoorden op de vragenlijsten, de resultaten van de gesprekken en zijn vaststellingen te bundelen, heeft de Dienst Enquêtes de sterke en zwakke punten van de politie in kwestie kunnen bepalen.

1.3.1.              Sterke punten

Ø      dit politiekorps beschikt over een menselijk potentieel dat zeer gemotiveerd blijft en beschikbaar is en haar relatief performant maakt (de behaalde resultaten op gerechtelijk gebied en de handhaving van een aanvaardbaar sociaal klimaat gezien de multi-etnische context zijn hier het bewijs van);

Ø      een dagelijkse aanwezigheid van ‘îlotiers’ die zeer dicht bij de bevolking staan;

Ø      het groot aantal vrouwen bij de politie;

Ø      het multiculturele karakter van de politie;

Ø      er bestaat sinds negen jaar een samenlevingscontract en dit is positief voor de bevolking.

1.3.2.              Zwakke punten

Ø      een onaangepaste structuur;

Ø      een organisatie naar het model van de mechanistische bureaucratie;

Ø      een ruim ontoereikende personeelsformatie;

Ø      de infrastructuur.

1.3.3.              Redenen tot ontevredenheid van het personeel

De werkomstandigheden zijn niet de echte redenen voor de ontevredenheid van het personeel maar slechts één van de, weliswaar niet onbelangrijke, aspecten van de problematiek.  Uit de analyse blijkt dat de redenen voornamelijk liggen op het vlak van:

Ø      de communicatie tussen de korpsleiding en het geheel van de kaderleden en tussen de kaderleden onderling maar ook met de leden van het samenlevingscontract;

Ø      de houding van de leiding die zonder voorafgaand overleg beslissingen lijkt te nemen;

Ø      de breuk in de hiërarchische lijn die als herhaaldelijk wordt bestempeld;

Ø      het voortbestaan van de achterhaalde visie op management waarbij enkel de chef op het hoogste niveau leiding geeft, waarbij er een overdreven centralisatie is zonder werkelijke en concrete delegatie (geen participatief beleid);

Ø      de afwezigheid van doelstellingen en actieplannen;

Ø      de afwezigheid van functiebeschrijvingen;

Ø      de afwezigheid van coördinatie;

Ø      de afwezigheid van een transparant evaluatiesysteem;

Ø      het binnen het korps verspreide gevoel van het bestaan van privileges;

Ø      het aangevoelde gebrek aan discipline en respect van de hiërarchie.

1.4.                      Voornaamste voorgestelde en genomen maatregelen – aanbevelingen

Hierna worden de voornaamste voorgestelde maatregelen en aanbevelingen van het Vast Comité P ontwikkeld.

1°) Zonder te wachten tot de wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus ten uitvoer is gebracht, zou de korpschef zich moeten toeleggen op de herziening van zijn beheersysteem, rekening houdend met de belangrijkste moderne managementsprincipes.

Er lijkt zich een reorganisatie van het politiekorps in zijn geheel op te dringen. Deze wordt bovendien geëist door een grote meerderheid van het ondervraagde personeel. Deze prioriteit lijkt evident want de politiekrachten zijn versnipperd, niet op elkaar afgestemd en derhalve onderbenut. Het ontoereikend aantal manschappen doet de moeilijkheden alleen maar toenemen. De organisatiestructuur van het korps zelf legt de harmonische werking ervan aan banden. De versnippering van de diensten maar vooral hun hokjesgeest dragen in belangrijke mate bij tot het in stand houden van een ongezellige werksfeer. De centralisatie van de machten in de handen van één enkele persoon of de fictie ervan, vergroot de problemen in verband met het nemen van beslissingen en wekt onverschilligheid op bij de verschillende niveaus van de hiërarchie. Deze reorganisatie moet aangepast zijn aan de behoeften van de bevolking en het is van belang haar te laten overeenstemmen met de moderne politiefilosofie, die een gemeentepolitie dicht bij de burger voorstaat. Merk op dat, hoewel de ‘îlotiers’ dagelijks druk in de weer zijn op het terrein, hun opdrachten en taken niet duidelijk werden bepaald, bijgevolg vaag bleven en voor alle personeelsleden van het korps voor interpretatie vatbaar zijn.  

2°) Er wordt een structuur op drie niveaus voorgesteld.

Ø      Het eerste niveau is uit vier bestanddelen opgebouwd:

q de korpschef, aan wie een burgersecretaris(esse) kan worden toegekend;

q het intern toezicht wordt verzekerd door een officier (die zich eveneens met public relations zou kunnen bezighouden) die moet worden bijgestaan door twee onderofficieren;

q onder leiding van een officier, alle operationele diensten: 101-dienst, gerechtelijke brigade, jeugddienst, wijkagenten, ‘îlotiers’, dossiers;

q onder leiding van een officier, alle diensten die betrekking hebben op de politieadministratie (personeelsadministratie – zelfs indien er een dergelijke dienst bestaat op het vlak van de gemeenteadministratie –,  beheer van ter beschikking gestelde goederen – infrastructuur, bureaus, wagenpark, materieel –,  computerisering van de diensten, voorbereiding van dossiers voor de gemeenteraad – aanvullende reglementen – beheer van de openbare weg, beheer van de wapendossiers, voortgezette opleiding).

Ø      Het tweede niveau wordt gevormd door de leidinggevenden van de verschillende diensten.

Ø      Het derde niveau bestaat uit de verantwoordelijken en het personeel van elk departement.

Elk departement van elk niveau beschikt over een personeelsformatie waarvan de leden zijn gekozen op basis van een vooraf opgestelde job description. Een  evaluatie van de kwaliteiten van deze personen en een zoektocht naar deze personen binnen het korps dringen zich op want, voor het ogenblik, lijken de kwalificaties geenszins benut.

3°) Er zou een communicatiestructuur tussen de verschillende niveaus moeten worden ingesteld.  Zonder te vervallen in een overdaad van vergaderingen, is het van belang dagelijkse of bijna dagelijkse ontmoetingen te voorzien tussen de leidinggevende leden, tussen de verantwoordelijke van de operationele leiding en zijn naaste medewerkers alsook geregelde vergaderingen op vastgelegde data tussen de dienst- of afdelingsverantwoordelijken en hun personeel. Tot slot zou, één of twee keer per jaar, onder het voorzitterschap van de korpschef een vergadering moeten worden gehouden met alle personeelsleden. Hoewel natuurlijk steeds een basispolitiedienst verzekerd moet zijn, moet worden overwogen acties te ondernemen in specifieke domeinen eigen aan de gemeente. De organisatie moet hier dus rekening mee houden. In een eerste fase, moet men acties die niet zelf kunnen worden ondernomen door gebrek aan manschappen en materiële middelen, afstaan aan andere diensten, zoals de federale politie.

Een geregelde evaluatie die, op gezette tijden, het voorwerp is van een individuele ontmoeting met elk personeelslid blijft noodzakelijk, ook al is zij reeds verplicht  (krachtens het sociaal handvest).

De diensten werken onafhankelijk van elkaar. Er is wel een dagelijkse briefing maar niet alle verantwoordelijken worden erop uitgenodigd. Vandaar dat niet iedereen de lasten inherent aan het ambt van zijn collega kent of ze miskent. Bovendien zijn zaken die iedereen kunnen aanbelangen slechts door een klein aantal personen gekend. De leden van het samenlevingscontract werken zonder daadwerkelijke steun noch gestructureerde relaties met de politie. Deze complementariteit zou iedereen in staat moeten stellen om oplossingen te vinden op uiteenlopende vlakken ten dienste van de bevolking. Een werkelijke coördinatie tussen elke dienst zou dit dynamisme, dat onontbeerlijk is voor de goede samenwerking van een onderneming, moeten waarborgen.

4°) Met elk niveau van de hiërarchie moet een graad van verantwoordelijkheid overeenstemmen. Het is belangrijk dat deze verantwoordelijkheid wordt opgenomen maar eveneens dat ze wordt erkend. Bepaalde leden van het hoger kaderpersoneel worden nog verplicht uitvoerende taken te vervullen veeleer dan denktaken en leidinggevende taken. Deze praktijken leiden ertoe dat de officieren verantwoordelijkheden op zich moeten nemen die ze niet volledig kunnen opnemen omdat ze het te druk hebben met het vervullen van uitvoeringstaken (ondervragingen, verhoren, opstellen van proces-verbaal, enz.).    
Er wordt officieel niets aan wie dan ook gedelegeerd. Iedereen, op zijn niveau, neemt zo veel en zo goed mogelijk beslissingen – en dit op eigen risico – of vreest er te nemen. Er moet een precieze delegatie zijn in de te specificeren domeinen (administratieve of operationele) opdat degene die er gebruik van maakt, zich verantwoordelijk voelt voor zijn daden. Hij zal uiteraard verslag moeten uitbrengen aan zijn overste maar zal, op zijn niveau, de macht hebben om beslissingen te nemen en daarbij tegelijkertijd de draagwijdte van zijn delegatie en het ingevoerde beleid na te leven. Het beslissingsproces zal dan duidelijk sneller verlopen. Overleg, lees onderhandeling, met het personeel is onontbeerlijk. Zijn toevlucht nemen tot het referendum lijkt evenwel niet het doeltreffendste middel te zijn om een systeem te verbeteren of te wijzigen.

5°) Indien men wil dat de coördinatie tussen de diensten efficiënt verloopt, moeten degenen die er verantwoordelijk voor zijn, elkaar ontmoeten. Veelvuldige vergaderingen van korte duur kunnen een dynamiek opwekken die men in het beoogde korps niet vindt. Een omschrijving van de opdrachten en taken die het personeel van elke dienst moet uitvoeren, is uiterst belangrijk. Weten wat de ander doet en met welke bedoeling, bewijst dat de organisatie transparant is; de activiteiten van de enen verbergen, leidt ertoe dat de anderen zich inbeelden dat ze bevoorrecht zijn, wat aanleiding geeft tot roddels. De mobiliteit van de personeelsleden, die open en bloot wordt gerealiseerd, nadat de gegrondheid van deze maatregel in het belang van het publiek werd meegedeeld, kan een zekere wedijver tot stand brengen want ze opent perspectieven voor de toekomst voor iedereen. Indien bij de realisatie van deze mobiliteit de voorafbepaalde regels worden nageleefd, wuift ze elke gedachte van favoritisme weg.

De job description is het doeltreffendste middel voor de toekenning van een functie, op voorwaarde dat de chef zijn personeel en de bekwaamheid van elkeen kent.  Er wordt eveneens een nieuwe dynamiek aan de organisatie gegeven door bijzondere aandacht te schenken aan het onthaal op het politiecommissariaat. Men zou de organisatie van personeelsontmoetingen moeten aanmoedigen, binnen het commissariaat maar ook daarbuiten (sportactiviteiten, feesten, enz.), alsook de uitgifte van een politieblad (gewijd aan een of ander personeelslid dat zich bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt), de deelname van de politie aan manifestaties van culturele, economische of andere aard (stands bezetten, vertegenwoordigd zijn bij voordrachten of debatten, enz.).  

6°)   Men moet een zekere mobiliteit binnen het hoger kaderpersoneel nastreven.  Dit maakt het niet enkel mogelijk na enkele jaren van functie te veranderen maar leidt er onvermijdelijk toe dat men zich bij de uitoefening van zijn ambt opnieuw in vraag stelt en motiveert.  Bovendien draagt deze mobiliteit ertoe bij dat alle hogere kaderleden de voor- en nadelen van elke functie leren kennen, vermijdt ze routine en vormt ze per definitie een job protection voor allen.  De leden van bepaalde diensten voelen zich bestraft en zijn jaloers op degenen die deel uitmaken van een ander departement. Het klopt dat de toewijzing aan bepaalde diensten tot inkomstenverlies leidt en men zich benadeeld kan voelen.

Personeelsleden worden ook opnieuw gemotiveerd wanneer hun talenten worden erkend.  Initiatieven, van wie ze ook uitgaan, moeten worden onderzocht en indien mogelijk uitgebouwd.  De evaluatie draagt, indien ze goed is bedacht, ook bij tot het bepalen van de stand van zaken en het stimuleren van het personeel. Niet-toegepaste sancties kunnen een bron van demotivatie zijn voor personeelsleden die hun werk correct uitoefenen.  Het feit dat men weet dat een of andere persoon vergissingen heeft begaan of herhaaldelijk fouten maakt en er geen sanctie werd getroffen, ontmoedigt de goede elementen.  De sancties moeten niet noodzakelijk zwaar zijn om vruchten af te werpen, zij moeten vooral in verhouding staan tot de begane fouten en op rechtvaardige wijze worden toegepast.

7°)  Het personeel belast met het onthaal zou moeten worden gekozen naargelang zijn bekwaamheid (vriendelijkheid, houding, talenkennis, enz.) en opleiding (specifieke onthaalopleiding).  

De besluiten van het Vast Comité P werden, voordat ze in dit verslag werden besproken, aan de minister van Binnenlandse Zaken meegedeeld.
Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten heeft bovendien beslist nog een eerste gericht onderzoek uit te voeren in de loop van de volgende drie maanden en een tweede in de loop van de volgende twaalf maanden. 

1.5.                      Opvolging

Zo heeft het Vast Comité P vastgesteld dat het politiekorps in kwestie moest werken in een bijzondere, soms moeilijke omgeving.  De eerste reacties op de sterke of zwakke punten die werden onderstreept alsook een snelle verbetering van de minder gunstige elementen, stellen ons in staat een gunstige evolutie van de toestand te voorspellen.

Rekening houdend met de voorgaande elementen, meent het Vast Comité P dat het voortaan aan de nieuwe korpsleiding is om, onder het gezag van de gemeentelijke overheid en onder leiding van de burgemeester – die kennis hebben kunnen nemen van de belangrijkste elementen van het verslag van de Dienst Enquêtes P – rekening te houden met de vaststellingen en zich te laten leiden door de reeds gedane suggesties om de politiedienst performanter te maken.

2.                        Organisatie en werking van een middelgroot gemeentepolitiekorps in West-Vlaanderen (dossier nr. 14280/2000)

2.1.                      Algemeen kader en onderwerp

Door het Vast Comité P werd op 28 juni 2000 een schrijven ontvangen uitgaande van de gouverneur van de provincie West-Vlaanderen waarin werd gesteld dat de werking van een bepaald middelgroot korps van de gemeentepolitie reeds sedert geruime tijd problematisch is en dat de leiding van het korps niet functioneert en er niet in slaagt de lokale gemeenschap een kwalitatief goede basispolitiezorg te verstrekken. Tevens werd vermeld dat de gemeenteraad zich hiervan ook bewust was en een opdracht had uitgeschreven voor een externe auditopdracht, die resulteerde in een eindrapport onder de titel "Reorganisatie Politie". Door de provinciegouverneur werd het Vast Comité P verzocht een toezichtsonderzoek uit te voeren. In zijn plenaire zitting van 28 juni 2000 besliste het Vast Comité P een toezichtsonderzoek betreffende dit politiekorps uit te voeren. Op 30 juni 2000 ontving het Vast Comité P een schrijven van 28 juni 2000 waarin door de burgemeester wordt verwezen naar de besprekingen omtrent de verslaggeving en de conclusies van het auditrapport, opgesteld ten gevolge van voormelde auditopdracht. Bij de mondelinge toelichting op dit eindrapport werd door het auditteam duidelijke stelling genomen inzake het neutraliseren van negatieve krachten binnen de leiding van het korps. Door de burgemeester wordt gesteld dat hij niet over concrete elementen beschikt die de vooropgestelde maatregel t.a.v. twee sleutelfiguren in de leiding zouden kunnen verantwoorden. In dit perspectief verzocht hij het Vast Comité P een toezichtsonderzoek uit te voeren opdat via dit onderzoek voldoende elementen naar voren zouden kunnen worden gebracht om gevolg te kunnen geven aan de door het auditteam voorgestelde dringende maatregel.

2.2.                      Verloop van het onderzoek

Het verloop van het onderzoek en de belangrijkste vaststellingen werden beschreven in bijlage aan het verslag dat aan het Parlement werd voorgelegd [3] .

2.3.                      Voornaamste voorgestelde en genomen maatregelen – aanbevelingen

Primordiaal dient gewerkt aan de verbetering in de communicatie tussen de gemeentepolitie en het gemeentebestuur. De rol van de plaatselijke burgemeester is daarin cruciaal. Wat de werking van dit korps betreft, dient, niet in het minst met het oog op de nakende integratie van de zonale politiediensten, gewerkt aan de externe communicatie en informatie-uitwisseling. Tevens dient het imago, althans wat cultuur en operationaliteit betreft, te worden bijgestuurd.

Los van de onbetwistbare goodwill tot het bijdragen in de werking van de organisatie door de meeste politiefunctionarissen, dient de beschikbare personeelscapaciteit (doordacht) herverdeeld te worden. Daarbij kan onder meer in overweging worden genomen of de vier interventieploegen in getalsterkte zouden kunnen verminderd worden en/of bij het niet-verzekeren van de IPZ-samenwerking de aanwezigheid van een voltallige permanentie ploeg (vier manschappen) noodzakelijk en/of te verantwoorden is.  
Het afstoten van de resterende oneigenlijke politietaken, vooralsnog uitgevoerd door een politiefunctionaris in opdracht van het plaatselijk bestuur, zal een restcapaciteit doen ontstaan. Zonder te problematiseren, dient dan overwogen of enige projectmatige werking een meerwaarde zou kunnen geven aan dit politiekorps.

 Een gerichtere en meer directieve leiderschapsstijl, uitgaand van de korpschef en het officierenkader, moet de organisatie meer vorm geven ter voorbereiding op de nakende integratie. 

Het middenkader dient bij hoogdringendheid aangevuld. Zowel wat de operationaliteit betreft als wat de vertaling van beleidsideeën naar de werkvloer aangaat, is dit cruciaal. Over de vergrijzing van het korps (de gemiddelde leeftijd is hoger dan 45 jaar) dient men zich eveneens tijdig te buigen.  Een personeelsbehoeftenplanning moet de beleidsverantwoordelijke(n) toelaten in een vroeger stadium de nodige rekruteringen en bevorderingen te realiseren.

Een meer extern gericht denken dringt zich op, wil het korps niet in een nog verder geïsoleerde positie verzanden. Externe verzuchtingen en verwachtingen moeten het veranderingsproces beïnvloeden en het politiekorps de noodzakelijke meerwaarde geven.

Het bedachtzaam sensibiliseren van het gehele politiekorps moet het ten dele noodzakelijke veranderingsproces sturen en gestalte geven. Het officierenkader moet - bij voorrang - het veranderingsproces/verbeterplan inhoud geven en operationeel effectueren.

Bij voormelde besluitvorming en aanbevelingen moeten een aantal fundamentele bemerkingen worden gemaakt:

Ø      Er dient te worden vastgesteld dat noch bij de bestuurlijke overheid noch bij de korpsleiding een duidelijke visie werd ontwikkeld over het te voeren beleid met betrekking tot de werking van het politiekorps. Door de voorstellen ontwikkeld in het extern auditrapport wordt hiertoe een impuls gegeven.

Ø      De toekomst wordt echter ernstig gehypothekeerd door het gebrek aan potentieel bij de korpsleiding, alhoewel aan een van de grote problemen, namelijk een zeker drankmisbruik bij de korpsleiding, werd geremedieerd. Uit de talrijke contacten met deze laatste en ook uit de verstrekte informatie blijkt er hier terzake een kentering opgetreden. Nochtans hebben dezelfde contacten aangetoond dat er ernstig voorbehoud moet worden gemaakt in welke mate de huidige korpschef nog in staat is om het noodzakelijk veranderingsproces de nodige impulsen te geven, te leiden en te begeleiden. Ook mag niet worden verwacht dat de andere officieren hier ofwel de nodige ambitie toe hebben, ofwel hiertoe over de nodige capaciteiten beschikken.
Ook heeft de bestuurlijke overheid geen blijk gegeven hierbij het voortouw te willen nemen.

Ø      Het is wel positief dat kon worden vastgesteld dat bij een grote meerderheid van het personeel een potentieel en bereidheid aanwezig is om de werking van het korps te verbeteren.

Ø      Waarschijnlijk ligt er in de nakende politiehervormingen, waarbij dit politiekorps zal worden geïntegreerd in een groter geheel, een mogelijkheid om onder leiding en met medewerking van andere politieofficieren de werking van het alsdan geïntegreerd politiekorps merkbaar te verbeteren.

3.                        Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in Henegouwen (dossier nr. 5626/2000)

3.1.                      Algemeen kader en onderwerp

37.1.1. Deze politie heeft geen effectieve leiding meer sinds 31 december 1995, datum waarop de politiecommissaris met pensioen is gegaan. Dit vertrek werd voorafgegaan door lange periodes van ziekteverlof. Het politiekorps dat dertien leden telt, wordt momenteel geleid door de adjunct-commissaris.
Er dient benadrukt te worden dat de gemeenteraad een hoofdinspecteur eerste klasse had aangeduid om het politiekorps te leiden na de pensionering van de politiecommissaris. Ingevolge een beroep aangetekend door de adjunct-commissaris, werd deze beslissing vernietigd.   
Het lijkt tevens nuttig te onderstrepen dat drie leden van het politiekorps zich kandidaat hebben gesteld of nog steeds kandidaat zijn voor de functie van politiecommissaris. De benoemingsprocedure is momenteel opgeschort als gevolg van een geding voor de Raad van State. Bovendien bestaat er een ernstig conflict tussen twee leden van het politiekorps.

37.1.2. Gezien de slechte werking van dit politiekorps heeft de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Bergen het Vast Comité P op 11 februari 2000 gevraagd een toezichtsonderzoek in te stellen. Bij beslissing van 21 februari 2000 is het Vast Comité P op dit verzoek ingegaan.

37.1.3. De volgende drie gebeurtenissen hebben er ongetwijfeld toe geleid dat de procureur des Konings bij de procureur-generaal te Bergen is tussengekomen om een toezichtsonderzoek aan het Vast Comité P te vragen:

Ø      de verwijzing van een personeelslid van dit korps naar de correctionele rechtbank wegens schending van het briefgeheim;

Ø      het opsporingsonderzoek wegens valsheid in geschrifte en verduistering door een ambtenaar ten laste van een ander personeelslid;

Ø      het opstellen en versturen, door een onderofficier, van een schrijven aan de procureur des Konings aangaande een agent en dit zonder medeweten van de waarnemende korpschef.

3.2.                      Verloop van het onderzoek

Het verloop van het onderzoek en de belangrijkste vaststellingen werden vermeld in bijlage aan het verslag dat aan het Parlement werd voorgelegd [4] .

3.3.                  Voorgestelde en genomen maatregelen – aanbevelingen

Het Vast Comité P meent dat twee maatregelen moeten worden genomen om de werking van het politiekorps te verbeteren.

Vooreerst moet er zo vlug mogelijk een nieuwe korpschef worden benoemd. Het Vast Comité P benadrukt dat het terzake niet bevoegd is maar acht het ten zeerste wenselijk dat de minister van Binnenlandse Zaken de benoeming van één van beide kandidaten, die door de bevoegde gemeentelijke overheid worden voorgesteld, niet ter ondertekening aan de Koning voorlegt.

Ten tweede kan de Dienst Enquêtes aan de persoon die zal worden aangeduid om dit politiekorps, dat sinds 1994 zonder effectieve leiding is, te leiden, op discrete wijze ondersteuning verlenen. De verschillende gerechtelijke onderzoeken gevoerd door de Dienst Enquêtes, in het kader van de onder leiding van de procureur des Konings te Charleroi ingestelde opsporingsonderzoeken ten laste van politieambtenaren en de verhoren die het hoofd van de Dienst Enquêtes heeft afgenomen in het kader van het door de procureur-generaal te Mons gevraagde toezichtsonderzoek, hebben bepaalde leden van de Dienst Enquêtes in het algemeen en het hoofd van de Dienst Enquêtes in het bijzonder in staat gesteld over informatie te beschikken (betreffende de werking van het korps en de ambtenaren die er deel van uitmaken) die nuttig zou kunnen zijn voor de persoon die zal worden belast met de leiding van het politiekorps, waarin blijkbaar verschillende politieambtenaren bereid zijn hun taak nauwgezet uit te voeren.

4.                        Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in Henegouwen (dossier nr. 11149/1999)

4.1.                      Algemeen kader en onderwerp

Op 22 december 1999 heeft het Vast Comité P van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep te Bergen een schrijven ontvangen met de vraag een toezichtsonderzoek in te stellen naar het politiekorps. De procureur des Konings had de procureur-generaal immers meegedeeld dat “deze politie de brieven die aan haar werden gericht, pas laattijdig beantwoordde.”
Op 29 december 1999 heeft het Vast Comité P beslist een toezichtsonderzoek in te stellen.

4.2.                      Verloop van het toezichtsonderzoek

De toegepaste methodologie, het verloop van het onderzoek en de belangrijkste vaststellingen werden vermeld in bijlage aan het verslag dat aan het Parlement werd voorgelegd [5] .

4.3.                      Besluiten

De onderzoeksverrichtingen hebben het mogelijk gemaakt de oorzaken van de disfunctie met zekerheid te bepalen. Deze liggen bij de onbekwaamheid van de korpschef om zijn politiekorps te leiden. Aan de basis van die onbekwaamheid ligt de vriendjespolitiek van de commissaris tegenover sommige politieambtenaren, zonder rekening te houden met de graden.

Het Vast Comité P verliest het vermoeden van onschuld zeker niet uit het oog maar wordt in zijn mening over de oorzaak van de disfunctie in het politiekorps gesterkt door het feit dat de commissaris verwikkeld is in een strafrechtelijk dossier waarvoor de procureur des Konings hem voor de correctionele rechtbank heeft gedagvaard wegens valsheid in geschrifte en gebruik van valse stukken [5] .

4.4.                      Voorgestelde en genomen maatregelen – aanbevelingen

4.4.1.              Maatregelen genomen door het Vast Comité P

Gezien de situatie van het politiekorps, heeft het Vast Comité P de Dienst Enquêtes toegestaan nauw betrokken te blijven bij dit dossier, door aan de officier die de korpschef - die momenteel geschorst is - vervangt, ondersteuning te verlenen. Op 11 mei 2000 werd een werkvergadering belegd op het Vast Comité P, waaraan acht politieambtenaren deelnamen. Tijdens deze vergadering werden een aantal aanbevelingen geformuleerd.  Twee arrondissementscommissarissen van de provincie Henegouwen, die door de gouverneur van de provincie belast werden met het beheer van de politiedossiers, waren hierop eveneens aanwezig.

Zes dagen later bracht de adjunct-commissaris, die waarnemend korpschef is, ons op de hoogte van de richtlijnen die hij had opgesteld om de leiding van het politiekorps te verzekeren.  Enkele weken later werd een nieuw systeem voor de wijkagenten ingevoerd, werd het onthaal gewijzigd en de dienst interventies grondig gereorganiseerd.

4.4.2.              Contact met de minister van Binnenlandse Zaken

Toen de minister van Binnenlandse Zaken op 29 september 2000 vroeg of het noodzakelijk was een preventieve schorsingsmaatregel tegenover de korpschef te treffen, antwoordde het Vast Comité P dat het van mening was dat een dergelijke maatregel zich zo snel mogelijk opdrong gezien de omstandigheden, de ernst van de feiten en de gevolgen ervan voor de goede werking van het politiekorps, voor de overheid en voor de burgers.

4.5.                      Opvolging

Het Vast Comité P zal de gerechtelijke beslissing die tegen de korpschef zal worden uitgesproken met bijzondere aandacht volgen en niet nalaten de situatie in het licht hiervan opnieuw te onderzoeken.

5.                        Onderzoek aangaande het te Ankara op 9 juli 1996 ondertekende samenwerkingsakkoord (dossier nr. 9896/1997)

5.1.                      Algemeen kader en onderwerp

Op 30 oktober 1997 ontvangt het Vast Comité P een aangifte m.b.t. een document met als titel “Compte-rendu de la réunion” dat in Ankara op 9 mei 1996 ondertekend werd door enerzijds de toenmalige commandant van de rijkswacht, als toenmalig voorzitter van de Raad van Bestuur van de Algemene Politiesteundienst (APSD), en anderzijds door de toenmalige directeur-generaal van de Turkse nationale politie.

Op 11 december 1997 beslist het Vast Comité P tot een toezichtsonderzoek m.b.t. de wijze van voorbereiding, de totstandkoming en de eventuele uitvoering van het akkoord. Een Vast lid wordt met het dossier gelast. Op 26 februari 1998 wordt terzake een tussenverslag overgemaakt.

5.2.                      Verloop van het onderzoek

Nadat een aantal onderzoeksverrichtingen werd uitgevoerd door de Dienst Enquêtes P werd om specifieke interne redenen het onderzoek verdergezet door een lid van het Vast Comité P dat, voor wat betreft de verhoren, werd bijgestaan door een lid van de Dienst Enquêtes P. Zonder afbreuk te doen aan de duidelijkheid en volledigheid, werden, gezien de bekomen stukken, weinig verhoren afgenomen.

De belangrijkste vaststellingen worden geschetst in bijlage aan het verslag dat aan het Parlement werd voorgelegd [6] .

5.3.                      Besluiten

Alhoewel formeel kan worden gesteld dat de toenmalige commandant van de rijkswacht geen internationaal politiesamenwerkingsakkoord heeft afgesloten, toont de ganse context van de zaak aan dat de voorbereiding en ondertekening van de “compte rendu” gebeurde met miskenning van de specifieke bevoegdheid van de APSD. Het Vast Comité P is van oordeel dat deze problematiek kadert in de ruimere problematiek betreffende het functioneren van de APSD.

Van bij de oprichting van de APSD werd er niet geopteerd voor het oprichten van een ‘algemene politiesteundienst’, met vooraf duidelijk uitgewerkte bevoegdheidstoewijzingen en werkingsmiddelen. Gezien de vertegenwoordiging van de drie reguliere politiediensten in deze dienst en het hierboven vermelde gebrek aan duidelijkheid, waren, in tegenstelling tot het beoogde objectief, niet alle nodige voorwaarden aanwezig om een einde te stellen aan de politieconcurrentie en een efficiënte en effectieve coördinatie en samenwerking van alle politiediensten in één steundienst te verwezenlijken.

Van bij de aanvang was het duidelijk dat dit opzet slechts kon slagen indien de sterkste partner, de rijkswacht, zijn deskundigheid met betrekking tot de aan de APSD toegewezen bevoegdheden had ter beschikking gesteld, zo o.m. op het vlak van de coördinerende nationale en internationale werking en op het vlak van de informatica en de geïnformatiseerde databestanden. Op dit vlak en onder meer in de sector van de internationale politiesamenwerking heeft het Centraal Bureau der Opsporingen (CBO) zijn deskundigheid niet moeten overdragen aan de APSD en werd deze functie bovendien verder uitgebouwd. Indien er weliswaar begrip kan worden opgebracht voor de stelling dat bij aanvang de APSD onvoldoende was uitgebouwd en niet over de nodige deskundigheid beschikte opdat door de rijkswacht onmiddellijk een aantal functionaliteiten zou worden overgedragen, is bovenvermelde houding minstens in strijd met de basisfilosofie van de APSD.

5.4.                      Voornaamste genomen en voorgestelde maatregelen – aanbevelingen

Alhoewel het besproken concrete probleem door het verdwijnen van de APSD op
1 januari 2001 elke pertinentie heeft verloren kunnen hieruit nochtans de nodige lessen voor de toekomst worden getrokken. Wij verwijzen hiervoor naar punt 52 van sectie 2 van hoofdstuk 4.
Er zal er moeten over gewaakt worden en dit zal ook effectief moeten worden gecontroleerd dat in de nieuwe politiestructuur, zowel in de schoot van de federale politie op het niveau van het Commissariaat-generaal en in de verschillende directies en in de verhouding tussen de twee niveaus van de geïntegreerde politie, wordt voorzien in en gewaakt over een niet onduidelijke bevoegdheidsafbakening.
Bovendien zal er moeten voor gezorgd worden dat thans nog bestaande diensten met een concurrentiële bevoegdheid worden afgebouwd en de aanwezige deskundigheid wordt overgedragen aan de terzake exclusief bevoegde dienst.  


Sectie 2: Tussentijdse verslagen

6.                        Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in Luxemburg (dossier nr. 6521/2000)

6.1.                      Algemeen kader en onderwerp

Het strafrechtelijk onderzoek ten laste van een lid van het politiekorps, dat wordt gevoerd door de Dienst Enquêtes onder leiding van de procureur des Konings, heeft de aandacht gevestigd op een totaal gebrek aan autoriteit bij de commissaris, op de afwezigheid van leiding en doelstellingen en het ontbreken van enig politiebeleid. Het Vast Comité P heeft bijgevolg op 13 maart 2000 beslist een toezichtsonderzoek in te stellen naar de werking van dit politiekorps, dat is samengesteld uit twaalf politieambtenaren (een commissaris, een adjunct-commissaris, een hoofdinspecteur, een inspecteur en acht agenten).  Op 24 februari 2000 had de procureur-generaal van Luik het Comité immers om een toezichtsonderzoek verzocht. Deze hoge magistraat was door de procureur des Konings ingelicht over een gebrek aan rendement bij het diensthoofd van de politie alsook over het feit dat talrijke dossiers nog niet waren afgehandeld.

6.2.                      Verloop van het onderzoek

De informatie die werd ingewonnen tijdens een onderhoud tussen de burgemeester, twee leden van de Dienst Enquêtes en een lid van het Vast Comité P, een gesprek tussen twee leden van de Dienst Enquêtes en de adjunct-commissaris, de resultaten van een vragenlijst die de twaalf leden van het politiekorps hebben ingevuld, een gesprek tussen twee leden van de Dienst Enquêtes en de hoofdinspecteur alsook het verhoor van de politiecommissaris, bevestigen het totale gebrek aan leiding van het politiekorps door de leidinggevende commissaris, die op 1 juli 2000 zijn functie heeft neergelegd.

Tijdens een werkvergadering die heeft plaatsgevonden op woensdag 14 februari 2001, werden de ingezamelde inlichtingen en de eerste statistische gegevens door het hoofd van de Dienst Enquêtes en een lid van het Vast Comité P voorgelegd aan een magistraat van het parket-generaal te Luik en aan de procureur des Konings.

6.3.                      Belangrijkste voorlopige genomen en voorgestelde maatregelen – aanbevelingen

Tijdens deze ontmoeting werd overleg gepleegd over de manier waarop dit toezichtsonderzoek, waarover de volgende maanden een eindverslag zal worden opgesteld, verder moet worden gevoerd.

7.                        Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in het arrondissement Brussel-Hoofdstad (dossier nr. 2219/1998)

7.1.                      Algemeen kader en onderwerp

Aangezien de betrokkenheid van bepaalde politieagenten in opsporingsonderzoeken en strafrechtelijke onderzoeken en sommige werkwijzen die deze politie in de strijd tegen de misdaad aanwendt, in het nieuws waren, heeft de minister van Binnenlandse Zaken het Vast Comité P op 5 februari 1998 gevraagd een toezichtsonderzoek in te stellen naar een groot politiekorps van het arrondissement Brussel-Hoofdstad.

7.2.                      Verloop van het onderzoek

Na een vragenlijst die 212 leden van de politie hadden beantwoord, te hebben verwerkt en een onderhoud te hebben gehad met de korpschef a.i. alsook met twaalf verantwoordelijke ambtenaren, hebben de leden van de Dienst Enquêtes die met dit dossier zijn belast in november 1998 aan het Vast Comité P een verslag voorgelegd waarvan de grote lijnen kort als volgt kunnen worden samengevat: een groot deel van het personeel inclusief hogere kaderleden is niet op de hoogte van de grote beleidslijnen van het politiekorps, er is geen efficiënte informatiedoorstroming, het personeel wordt niet geraadpleegd wat de organisatie van de dienst betreft en de lokalen zijn te eng en onveilig.

Om redenen die reeds aan het Parlement werden uiteengezet, heeft het Vast Comité P, dat niet in de mogelijkheid was een definitief verslag aan te nemen, twee van zijn leden verzocht de burgemeester uit te nodigen teneinde het toezichtsonderzoek ‘nieuw leven in te blazen’. Dit onderhoud, dat op 5 mei 2000 heeft plaatsgevonden, werd gevolgd door een gesprek tussen een lid en de hoofdcommissaris op 5 juli 2000.

7.3.                      Belangrijkste voorgestelde en genomen maatregelen – aanbevelingen

7.3.1.              ‘Actualiseren’ van het dossier

Op basis van de informatie die werd ingezameld tijdens de onderhouden met de burgemeester en de hoofdcommissaris alsook de documenten die de korpschef op
1 augustus 2000 aan het Vast Comité P heeft gestuurd, heeft het Comité beslist het dossier te ‘actualiseren’ door over te gaan tot een interview met de hoofdcommissaris en met de officieren die mee leiding geven aan het politiekorps.

Uit het verslag dat de Dienst Enquêtes op 15 december 2000 aan het Vast Comité P heeft uitgebracht over de uitvoering van deze opdracht, blijkt dat, hoewel op het vlak van de inrichting van de lokalen belangrijke vooruitgang werd geboekt, er nog inspanningen moeten worden geleverd om het beleid van het politiekorps te verbeteren. De herstructureringsnota van het politiekorps die door de huidige hoofdcommissaris werd opgesteld, lijkt geen vruchten te hebben afgeworpen.

7.3.2.              Ontmoeting met de burgemeester benoemd na de verkiezingen van 8 oktober 2000

De benoeming van de nieuwe burgemeester heeft een lid van het Vast Comité P ertoe gebracht deze op 7 maart 2001 te ontmoeten enerzijds om hem op de hoogte te brengen van de recente ontwikkelingen van de toestand en anderzijds om met hem en de hoofdcommissaris de geschikte maatregelen te overwegen om de werking van het politiekorps te verbeteren.

7.4.                      Opvolging

Het Vast Comité P is bijgevolg voornemens in een nabije toekomst een definitief verslag op te stellen en eveneens bij te dragen tot de verbetering van de toestand, waarover de toekomstige zonechef zich alleen maar kan verheugen.

8.                        Organisatie en werking van een gemeentepolitie in het arrondissement Brussel-Hoofdstad (dossier nr. 8900/1997)

8.1.                      Algemeen kader en onderwerp

In 1997-1998 had het Vast Comité P beslist een toezichtsonderzoek in te stellen naar de organisatie en de werking van een gemeentepolitie in het arrondissement Brussel-Hoofdstad. In dit verband zijn er verschillende contacten geweest tussen het Vast Comité P, zijn Dienst Enquêtes, de burgemeester en de korpschef.

Het onderzoek werd in het begin van het jaar 1999 opgeschort.

Het Vast Comité P heeft in de loop van het jaar 2000 beslist om dit onderzoek een nieuwe impuls te geven.  Er werd terug contact opgenomen met een aantal betrokkenen.

8.2.                      Verloop van het onderzoek

8.2.1.                Herneming van de in 1998 vastgestelde toestand

Tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat het politiekorps routinematig werkte, zonder echte leiding, zonder dagelijks beheer noch beheer op termijn. Het personeel was armoedig gehuisvest in bouwvallige en geenszins functionele gebouwen. In alle diensten ontbrak het noodzakelijke materieel. Er was noch coördinatie noch communicatie tussen de diensten. Er waren evenmin doelstellingen bepaald. De activiteiten waren geenszins beïnvloed door de criminogene fenomenen eigen aan de gemeente; geen enkele richtlijn regelde het optreden van de met goede wil bezielde personeelsleden. Iedereen probeerde zijn best te doen zonder richtlijn. Sommigen zaten tot over hun oren in het werk, terwijl anderen zonder enige overtuiging doelloos bezig waren.

8.2.2.                Herneming van de in het verslag van december 1998 geformuleerde [6] voorstellen en aanbevelingen

Het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes bevalen het volgende aan:

Ø      een bepaling van het te volgen politiebeleid, met vaststelling van de doelstellingen en hun, zo breed mogelijke, verspreiding onder het personeel;

Ø      een volledige reorganisatie gebaseerd op de principes van de community policing (de opstelling van een organigram);

Ø      een volledige heraanpassing van de korpsstructuur (om een einde te maken aan de versnippering van het personeel);

Ø      de instelling van een intern toezicht overeenkomstig de voorschriften van de omzendbrief Pol 48.

Ø      het bijbrengen van verantwoordelijkheidsgevoel op alle niveaus van de hiërarchie door middel van delegatie;

Ø      de opstelling van een job description voor elke functie;

Ø      de invoering van een efficiënt coördinatiesysteem;

Ø      de instelling van een performant communicatiesysteem dat de overdracht van informatie mogelijk maakt, zowel tussen de personeelsleden als tussen de directie en het personeel (horizontaal en verticaal);

Ø      de creatie van een groepsdynamiek (behoren tot een korps, bedrijfscultuur, verbetering van de werksfeer);

Ø      een voortgezette opleiding;

Ø      een infrastructuur die beter is aangepast aan de verschillende politieposten, met een bijzondere aandacht voor het onthaal van het publiek;

Ø      de levering van het noodzakelijke materieel voor elke dienst;

Ø      op het vlak van de activiteiten, een systematische operationele of strategische evaluatie, de verplichting om actieplannen op te stellen en de naleving van artikel  40 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt;

Ø      een evaluatie van het personeel;

Ø      de raadpleging van de bevolking.

8.2.3.              Nieuwe leiding van het politiekorps

8.2.3.1.        Ontmoetingen en vaststellingen

De nieuwe korpschef heeft het ambt van hoofdcommissaris van politie opgenomen in november 1999.   

In de loop van het jaar 2000 hebben verscheidene contacten en gedachtewisselingen plaatsgevonden tussen het Vast Comité P, de korpschef en de leidinggevende leden van het korps.

Tijdens een bezoek van de Dienst Enquêtes P in december 2000, is er een ontmoeting geweest met drie leidinggevende officieren in afwezigheid van de korpschef. Uit dit contact en de vaststellingen die naar aanleiding hiervan konden worden gedaan, blijkt dat er sinds de komst van de nieuwe korpschef een fundamentele verandering heeft plaatsgevonden. Het politiekorps werd volledig gereorganiseerd. Dankzij de onmiddellijke verwerving van subsidies konden de gebouwen volledig worden gerenoveerd, werd het personeel met het nodige materieel en wagenpark uitgerust. De nieuwe hoofdcommissaris heeft de doelstellingen duidelijk bepaald, taken aan zijn naaste medewerkers toegewezen en iedereen verantwoordelijkheidsgevoel bijgebracht. Hij heeft het beheersysteem van zijn voorganger van onder tot boven herzien. Niet alle personeelsleden, die gewoon waren aan de losse houding van de vorige leider, zijn gelukkig met deze totaal verschillende bevelvoering maar de rechtvaardigheid, de objectiviteit en het gezond verstand die kenmerkend zijn voor de huidige hoofdcommissaris zijn van aard dat ze de orde kunnen herstellen in een politiekorps waarvan het beheer sinds vele jaren werd verwaarloosd.

8.2.3.2.        Studie van de geleverde informatie

Uit onderzoek van de verslagen die de korpschef op vraag van het Vast Comité P heeft overgelegd, blijkt dat de voorstellen en aanbevelingen die zijn opgenomen in het verslag van 1998, bijna allemaal in aanmerking werden genomen en werden opgevolgd. 

8.3.                      Besluiten

De situatie van dit politiekorps is helemaal niet meer te vergelijken met die beschreven in het verslag van december 1998.

Zodra hij de leiding van het korps had genomen, heeft de nieuwe chef, onmiddellijk en uit eigen beweging, alle noodzakelijke maatregelen getroffen om de disfuncties die door het Vast Comité P werden vastgesteld, te verhelpen.

8.4.                      Opvolging

Een evaluatie van de situatie zou kunnen worden overwogen in de tweede helft van het jaar 2001, zonder afbreuk te doen aan de aan gang zijnde hervorming van het politielandschap.

9.                        Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in West-Vlaanderen (dossier nr. 9395/1996)

9.1.                      Algemeen kader en onderwerp

Het Vast Comité P heeft op 1 december 1996 een aanvraag ontvangen van de burgemeester om een toezichtsonderzoek in te stellen naar de werking van het politiekorps. De gemeentelijke overheden achtten de tussenkomst van het Vast Comité P nuttig aangezien het gedrag van sommige politieambtenaren van aard was dat het de efficiënte werking en de goede reputatie van het politiekorps kon schaden. Wat zich op 17 maart 1996 tijdens een stoet heeft voorgedaan, heeft ongetwijfeld een doorslaggevende rol gespeeld in de beslissing om voornoemd verzoek aan het Vast Comité P te richten. Tijdens deze festiviteiten werd de houding van een politie-inspecteur in de schijnwerpers geplaatst. Hij zou zich op een te opdringerige wijze hebben ingelaten met de fondsenwerving van een lokale sportclub. Deze ‘voorstelling’, die zeker niet naar de zin was van een collega van bovenvermelde politieambtenaar, heeft aanleiding gegeven tot een incident, dat echter geen verdere gevolgen heeft gehad.

9.2.                      Verloop van het onderzoek

De toekenning van verlof zonder wedde vanaf 1 april 1999 aan de bewuste inspecteur om hem in staat te stellen zich voltijds te wijden aan zijn activiteiten van secretaris van de sportclub, betekende in feite de verwijdering van deze persoon uit het politiekorps.

Aangezien het Vast Comité P oordeelde dat de stand van zaken moest worden geactualiseerd, heeft het hiertoe inlichtingen ingewonnen bij de burgemeester en de politiecommissaris. Daaruit blijkt dat de toestand binnen het politiekorps gunstig is geëvolueerd en dat de relaties met de buitenwereld veel verbeterd zijn.

Aangezien de politiecommissaris op 25 april 2000 van mening was dat bovenvermelde politieambtenaar zeer waarschijnlijk met ingang van 1 oktober 2000 ontslag zou nemen, heeft het Vast Comité P, dat het voornemen had om dit dossier in geval van ontslag af te sluiten, er de voorkeur aan gegeven tot het einde van het jaar te wachten alvorens een standpunt in te nemen.  Toen de politiecommissaris het Comité op 16 oktober 2000 meedeelde dat de politie-inspecteur op 1 april 2001 zeer waarschijnlijk zijn functie opnieuw zou opnemen, heeft het Vast Comité P beslist de formulering van zijn definitieve besluiten uit te stellen.

9.3.                      Tussentijdse besluiten

Het Vast Comité P meent evenwel nu reeds te kunnen opmerken dat enerzijds de vrijwillige tijdelijke afwezigheid van de betrokken politieambtenaar een heilzame invloed heeft gehad op de werking van het politiekorps en dat anderzijds de te grote ijver waarvan hij blijk gaf bij het inzamelen van fondsen voor zijn sportclub onvermijdelijk tot een moeilijke relatie met de bevolking heeft geleid; de burgers konden hem immers verdenken van een gebrek aan objectiviteit en onpartijdigheid.

9.4.                      Opvolging

Aangezien de betrokkene van plan is zijn functie binnen het politiekorps opnieuw op te nemen, neemt het Vast Comité P zich voor de situatie uiterlijk op 30 juni 2001 opnieuw te bekijken.

10.                   Organisatie en werking van een stedelijke politiekorps in West-Vlaanderen (dossier nr. 7654/1998)

10.1.                  Algemeen kader en onderwerp

In opdracht van het Vast Comité P werd in de loop van de maand april 1999 een toezichtsonderzoek uitgevoerd.  Op concreet aangeven van de burgemeester, aangaande mogelijk absenteïsme en onduidelijkheid omtrent de dienstprestaties in het algemeen bij zijn plaatselijke politiekorps, werden oriënterende en verkennende gesprekken gevoerd. 

10.2.                  Verloop van het onderzoek

Een aantal voor verbetering vatbare knelpunten werden vastgesteld.  Vooral het communicatieprobleem tussen de burgemeester en de korpschef kwam als een niet onbelangrijk probleem in de algemene werking naar voren.  De gesprekken waren constructief en de betrokken partijen verklaarden hun bereidheid tot noodzakelijke verbetering.

Bijgevolg werd door het Vast Comité P beslist om het voorgehouden zelfregulerend effect zijn toepassing te laten vinden.  Medio 2000 werd opnieuw een gesprek gevoerd met de burgemeester.  Bij die aanvullende bespreking gaf de burgemeester te kennen dat de eerder aangehaalde knelpunten die de werking van de gemeentepolitie enigszins hypothekeerden, waren opgelost.  Vooral aangaande de inmiddels op een professioneel niveau gebrachte communicatie, lichtte hij de daartoe ontwikkelde structuren toe.  Volledigheidshalve merkte de burgemeester op dat hij voor het optimaliseren van de algemene werking, de nakende politiehervorming afwacht.

10.3.                  Opvolging

Vooral omdat uit de gesprekken de bereidheid is gebleken om aan de knelpunten een positieve wending te geven en er daarenboven wat communicatie betreft, duidelijk inspanningen werden gedaan, hetgeen de (samen)werking aanzienlijk heeft verbeterd, eveneens rekening houdend met de inplaatsstelling van de lokale politie, heeft het Vast Comité P zich voorgenomen voorlopig geen verdere initiatieven meer te nemen en het onderzoek op te schorten en om, zo nodig, binnen afzienbare tijd na te gaan in welke mate de werking in het algemeen en de besproken knelpunten in het bijzonder, de optimale werking nog langer in de weg staan.

11.                   Organisatie en werking van een gemeentepolitiekorps in Antwerpen (dossier nr. 1678/1994)

11.1.                  Algemeen kader en onderwerp

Op 25 oktober 1994 besliste het Vast Comité P, uit eigen beweging, een toezichtsonderzoek te openen.

11.2.                  Verloop van het onderzoek

De meest recente ontwikkelingen van het onderzoek worden geschetst in bijlage aan het verslag dat aan het Parlement werd voorgelegd [7] .

11.3.                  Besluiten en aanbevelingen

Ingevolge de nakende benoeming van een zonechef alsook de reeds gedane vaststellingen, neemt het Comité zich voor het toezichtsonderzoek in de komende maanden te finaliseren met als doelstelling de invulling van het herstructureringsplan van de firma Berenschot te evalueren, alsook sommige specifieke functionaliteiten te onderzoeken. Dit zou het Comité in staat moeten stellen om aanbevelingen te formuleren die zouden moeten bijdragen tot de optimale werking van dit korps, en dit in het vooruitzicht van de installatie van de lokale politie van de zone in het kader van de politiehervorming.

12.                   Organisatie en werking van een gemeentepolitiekorps in Oost-Vlaanderen (dossier nr. 8128/1999)

Naar aanleiding van een anoniem schrijven omtrent de werking van de politie in kwestie werd in 1999 een toezichtsonderzoek geopend.   
De vaststellingen van dit onderzoek werden op 23 oktober 2000 met de burgemeester besproken. Dit contact heeft toegelaten een aantal knelpunten te verduidelijken en na te gaan hoe de samenwerking met de rijkswacht werd georganiseerd.   
Gelet op de resultaten van dit onderhoud en de inplaatsstelling van de lokale politie werd beslist terzake voorlopig geen verdere initiatieven meer te nemen en het onderzoek op te schorten.

13.                   101-centrales

13.1.                  Algemeen kader en onderwerp

13.1.1.          Opdracht

Op verzoek van de minister van Binnenlandse Zaken werd het Vast Comité P gelast een toezichtsonderzoek uit te voeren naar de werking van de 101-centrales in België.

Tijdens de tweede helft van het jaar 2000 werd de Dienst Enquêtes P gelast met de concrete uitvoering van een toezichtsonderzoek naar de huidige werking van de 101-centrales teneinde de werking van de toekomstige oproepcentrales bij de invoering van het ASTRID-systeem voor te bereiden en te optimaliseren.

13.1.2.          Methodologie

De methodologie van dit onderzoek werd besproken in bijlage aan het verslag dat aan het Parlement werd voorgelegd [8] .

13.2.                  Verloop van het onderzoek en belangrijkste vaststellingen

13.2.1.          101-centrales

De wettelijke basis van de organisatie van de 101-centrales en een korte beschrijving van het systeem vindt u als bijlage aan het verslag dat aan het Parlement werd voorgelegd [9] .

13.2.2.          Onderzoeksresultaten

Het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes hebben de resultaten van een vragenlijst en de observatie uitgevoerd in diverse 101-centrales bestudeerd [7] .     
Het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes hebben achtereenvolgens aandacht gehad voor de beschikbare menselijke middelen, de materiële middelen en de procedures. Zo hebben ze meer in het bijzonder het aantal personeelsleden dat deel uitmaakt van de dienst 101 en hun anciënniteit onderzocht; alsook de samenstelling van de dienst volgens graad en korps; de bezetting van de dienst volgens de uitgeoefende functie, overdag, ’s nachts en tijdens het weekend; het werkschema van de personeelsleden van de dienst; de aanwezigheid van een voldoende groot aantal personeelsleden – op elk ogenblik – om de vereiste taken uit te voeren; de vaardigheden die van het aanwezige personeel worden vereist; de opleiding van de personeelsleden voor ze in dienst treden; de bijkomende vorming van de personeelsleden; de selectie van de personeelsleden, enz.

Wat de materiële middelen betreft, hebben het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes zich gebogen over de beschikbare materiële middelen; het contact met de dienst 100; de ontbrekende middelen voor een doelmatige uitvoering van de opdrachten, de aanwezigheid en het gebruik van manuele en geautomatiseerde documentatie alsook de aanwezigheid en het gebruik van checklists. Ze hebben ook belangstelling getoond voor de aanwezigheid van documentatie inzake rampenplanning en crisisinterventie alsook voor de vraag of de aanwezige manuele en geautomatiseerde documentatie voldoende is.

Wat de procedures betreft, hebben het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes aandacht geschonken aan de taakverdeling binnen de dienst en de procedures die worden gevolgd bij oproepen.   
De procedure die moet worden gevolgd voor de afhandeling van een oproep, werd beschreven door een werkgroep van de universiteit van Luik [8] als zijnde een ‘interventie’ en omvat volgende taken:

Ø      call-taking: telefonische oproep aan de 101-centrale of rechtstreeks via het politiekantoor;

Ø      dispatching: beoordeling die leidt tot het aanduiden van een dienst die de interventie moet uitvoeren.  De beoordelingselementen zijn de dringendheid, de lokale afspraken tussen de verschillende politiediensten en de interne organisatie van het werk (eigen aan de dienst die de oproep ontvangt);

Ø      afhandeling: wijze van afhandeling na het ter plaatse gaan, gaat van klassering zonder gevolg (valse oproep) over conflictbemiddeling tot uitgebreide vaststellingen met een buurtonderzoek;

Ø      administratie: registratie van de oproepafhandeling op een interventiefiche of een proces-verbaal.

Het vraagstuk van de mededeling van de wachttijd aan de oproeper en de registratie van de oproepen werd eveneens bestudeerd.
De oproepen worden geregistreerd in een informaticatoepassing die opzoekingen ad hoc en een weergave op band mogelijk maakt.  Dit systeem registreert niet alleen de oproepen maar ook de communicatie tussen de 101-centrale en de ploegen.  
In de 101-centrales die door de rijkswacht worden beheerd, worden de oproepen geregistreerd door het IPOG-systeem.  Dit systeem werd ontwikkeld naar aanleiding van de omzendbrief OOP 13 betreffende de coördinatie van het optreden van de gemeentepolitie en de rijkswacht, waardoor deze diensten samenwerkingsakkoorden dienden af te sluiten.  In deze akkoorden werden afspraken vastgelegd over de toewijzing en uitvoering van de interventies en de noodzakelijke informatie-uitwisseling die ermee gepaard gaat. 

De doelstellingen van IPOG [9] zijn:

Ø      de ondersteuning van de call-taker door de automatisering van de oproepafhandeling van alle vragen om dringende interventie die de alarmcentrale 101, de politie of de rijkswacht bereiken;

Ø      de correcte toepassing en opvolging van de afgesloten samenwerkingsakkoorden inzake de toewijzing van de interventies en de informatie-uitwisseling tussen de politie en de rijkswacht;

Ø      de beheersing van incidenten.

De integratie in IPOG (rijkswacht) en PIPOG (politie) werd nog niet gerealiseerd. Zodra de connectie tussen beide netwerken – het Novell-netwerk van de rijkswacht en het PIP-netwerk van de politie – zal zijn gerealiseerd, zal de beschikbare informatie in reële tijd beschikbaar zijn en moet zij niet per fax of per brief worden doorgestuurd.     
Na afhandeling van een interventie wordt de andere politiedienst ingelicht over de werkelijke aard van het incident. Deze mededeling gebeurt eveneens in reële tijd of per fax, afhankelijk van het reeds eerder weergegeven onderscheid.
Tevens is er binnen het netwerk elektronisch berichtenverkeer mogelijk tussen de erop aangesloten politiediensten. 

Gelet op het dringend karakter van de oproepen en het ontbreken van een volledig uitgebouwd netwerk met de andere politiediensten, worden alle oproepen radiofonisch of telefonisch aan de betrokken politiedienst doorgegeven.  In sommige centrales (Namen) worden opdrachten ook per gsm doorgegeven.  
De registratiemogelijkheden maken het mogelijk een ‘doorlopend verslag’ af te drukken waarbij een chronologisch overzicht wordt gegeven van de meldingen en incidenten van de voorbije 24 uur die door politie en rijkswacht werden behandeld. Dit doorlopend verslag kan globaal worden bekeken of per gemeente of politiedienst worden ingedeeld.
Wat de mogelijkheden tot opzoekingen en exploitatie betreft, stellen wij vast dat de geautomatiseerde opzoekingen zich veelal beperken tot de geregistreerde gegevens inzake oproepen. 

De grote troef van IPOG is de mogelijkheid tot analyse en exploitatie van de databanken die werden aangelegd door de beschikbare gegevens van politie en rijkswacht te integreren.   
Ter illustratie halen wij de belangrijkste toepassingen aan [10]

Ø      oproep: aantal oproepen, verdeeld in tijd en ruimte, volgens de wijze van oproep en de oproepmogelijkheden.

Ø      dispatching: verdeling van de interventies tussen politie en rijkswacht, werklastbepaling, bezettingscapaciteit, naleving van de protocolakkoorden.

Ø      interventie: bepaling van de interventietermijnen, interventiecapaciteit, al dan niet opgesplitst volgens de aard van de interventie.

Ø      incident: analyse van de gebeurtenissen die aanleiding hebben gegeven tot een interventie van de betrokken politiedienst; bepaling in tijd en ruimte van de incidenten, aard van de incidenten; behoefte aan dringende politiezorg; fenomeenanalyse; bepaling en oriëntering van de beschikbare ploegen.

Naast de opzoekingen inzake oproepen, beschikt elke centrale over een aantal toepassingen die het mogelijk maken gegevens inzake personen, voertuigen, voorwerpen, feiten en plaatsen te genereren.  Een uitvoeriger bespreking hiervan gaat het bestek van dit onderzoek te buiten.  Bepaalde respondenten hebben beperkingen geuit over deze toepassingen. Over deze opzoekingen werden dan ook geen cijfergegevens gevraagd.

Het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes hebben ook interesse getoond voor de gemiddelde duur van wachttijden en de oproepen. In geen enkele 101-centrale konden exacte gegevens worden ingewonnen met betrekking tot deze kwesties.  Steeds werd geantwoord dat de duur van deze wachttijdend tot het strikte minimum worden beperkt en meestal niet langer dan één minuut zijn.  Als redenen voor het gebrek aan informatie over de duur werden technische beperkingen en de geringe relevantie van deze informatie gegeven.
De gemiddelde wachttijd van de oproeper alvorens de operator de hoorn opneemt, het visueel overzicht van de oproepen, de gemiddelde aanrijtijd van de interventieploegen en de lokalisatie en identificatie van de oproeper werden eveneens onderzocht.   
In de 101-centrales beheerd door de rijkswacht verschijnt bij een 101-oproep enkel het identificatienummer onmiddellijk en automatisch op het scherm.  Voor de lokalisatie (naam en adres van de oproeper) doen ze een beroep op de Belgacom-cd-rom. De 101-centrales die door de politie worden beheerd, beschikken eveneens over een systeem waarbij de lokalisatie automatisch op het scherm verschijnt.  
In alle 101-centrales worden de gesprekken van de oproeper op band opgenomen. In normale omstandigheden worden de oproepen in een 101-centrale beheerd door de rijkswacht, gedurende één maand bewaard. Plaatselijke initiatieven kunnen deze termijn verlengen.

De knelpunten bij de identificatie betreffen de oproepen met een gsm-toestel. Voor gsm-oproepen is immers geen identificatie mogelijk.  De diverse telecomoperatoren verzetten zich, om financiële redenen, tegen de bekendmaking van de lokalisatie van de oproeper. Voor de meeste oproepen met een gsm-toestel kan de identificatie van deze oproepers wel gebeuren via een faxbericht aan de telecomoperator, indien deze aan de hand van het oproepnummer kan worden achterhaald.
Tevens zijn er technische beperkingen aan de oproepen met een gsm-toestel. Zo is de display om het gsm-nummer af te lezen te klein (Brugge) of verschijnen sommige buitenlandse gsm-nummers foutief op het scherm (Hasselt). Voor Duitse gsm-nummers wordt niet het oproepnummer weergegeven maar verschijnt op het scherm van de operator enkel een technisch nummer van de SIM-kaart.    
We stippen eveneens aan dat alle 101-oproepen per gsm aanvankelijk bij de 101-centrale van Brussel werden beantwoord.  Na een aanpassing werden deze oproepen per basisstation verdeeld, zodat op basis van de lokalisatie van de oproeper wordt bepaald welke 101-centrale de oproep ontvangt.

De 100-centrales te Waver en te Bergen geven de identificatiegegevens niet (Waver) of slechts na een faxaanvraag (Bergen) door aan de 101-centrale, niettegenstaande door de verantwoordelijke van de 100-centrale het inroepen van het beroepsgeheim niet werd toegestaan. 

Wat het visueel overzicht van de beschikbare ploegen betreft, kan men vaststellen dat de beschikbare software van het IPOG-registratiesysteem het mogelijk maakt na te gaan welke oproepen volledig afgehandeld of nog in behandeling zijn. Samen met een overzicht van de beschikbare ploegen kan rechtstreeks worden bepaald welke ploegen vrij zijn. Een correcte en voortdurende radiofonische verbinding met de interventieploegen is hierbij een noodzakelijke voorwaarde.  
Een visuele voorstelling van de ploegen op het terrein - door een GPS-toepassing - werd enkel te Brugge waargenomen. Dit systeem is momenteel wegens technische problemen voor bepaalde tijd buiten gebruik. Niettegenstaande een GPS-toepassing in alle 101-centrales als een nuttige en wenselijke meerwaarde wordt beschouwd, is deze slechts in een gering aantal korpsen in werking. Te Waver werd meegedeeld dat de politie van Rixensart wel over een GPS-toepassing beschikt, evenals de politie van Anderlecht.

Het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes hebben eveneens het vraagstuk van de oproepen in een vreemde taal en de beltoon/mededeling bij oproepen bestudeerd.
Bovendien werden er vragen gesteld over nachtlawaai (aantal oproepen en procedure) en het takelen van voertuigen (aantal oproepen en procedure).  
Het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes hebben eveneens oog gehad voor het vraagstuk van de tevredenheid van het publiek, de beschikbare cijfergegevens en de leiderschapsstructuren. Deze kwesties werden besproken in bijlage aan het verslag dat aan het Parlement werd voorgelegd [10] .

Het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes hebben ook de kwesties onderzocht in verband met de toekomstplannen of projecten in verband met het te volgen beleid van de dienst, de initiatieven met betrekking tot de aanwending van ASTRID en de invloed van de politiehervorming op de werking van de dienst 101. 
Niettegenstaande de algemene hervorming van de politiediensten en de reorganisatie van de 101-centrales bijzonder actuele thema’s zijn, hebben de antwoorden weinig bijkomende informatie opgeleverd betreffende de evolutie van het te volgen beleid en de toekomstprojecten binnen elke dienst. De nakende hervormingen verklaren misschien waarom een algemeen beleidsplan en de ontwikkeling van een toekomstproject voor de dienst ontbreekt of men er niet van op de hoogte is en bijgevolg een eerder afwachtende houding aanneemt. 
Af en toe werd bijgedragen tot de hervorming van de 101-centrales in de ASTRID-gestuurde provinciale meldkamers (Gent – Hasselt – Namen) wegens hun onmiddellijke betrokkenheid bij dit project. In Gent werd dit veranderingsproces ingeleid door de invoering van de functie ‘hoofd operationele communicatie’, de detachering van twee personeelsleden bij de rijkswacht om het ASTRID-project op te starten en het volgen van alle nieuwe opleidingen inzake ASTRID. In Hasselt zijn de verbouwingswerken en de technische aanpassingen voor het ASTRID-project bijna voltooid.

13.3.                  Besluiten

In dit stadium van het onderzoek kunnen reeds heel wat besluiten worden getrokken in verband met de menselijke en materiële middelen, de procedures, de tevredenheid van het publiek, de impact op de samenleving, de vragen in verband met de beleiden of strategieën.

13.3.1.          Menselijke middelen

De personeelsleden van de 101-centrale hebben meestal een ruime ervaring in politiewerk en bevinden zich in een (geschatte) gemiddelde leeftijdsklasse van 35 – 45 jaar met een dienstanciënniteit van 10-20 jaar. 
De 101-centrales zijn, met uitzondering van Gent en Charleroi, uitsluitend samengesteld uit personeelsleden van het korps dat de 101-centrale in zijn beheer heeft.
De functie van operator of call-taker en dispatcher worden respectievelijk uitgeoefend door leden van het basis- en middenkader, al dan niet met ondersteuning van een officier.  In de praktijk worden de functies van operator en dispatcher door beide categorieën van personeelsleden uitgeoefend.

De bezetting van de dienst varieert volgens de dag, de nacht en het weekend maar is meestal vooraf bepaald.  Slechts in een gering aantal centrales wordt de bezetting aangepast naar aanleiding van geplande manifestaties en/of het inzetten van extra personeel tijdens gerechtelijke opdrachten. 
Het werkschema van de personeelsleden is onregelmatig opgebouwd en bestaat uit afwisselende (dag- en nacht)diensten van meestal twaalf uur.
Er is geen samenhang tussen de verschillende dienstroosters van de respectieve 101-centrales.

De personeelsleden die een 101-centrale bemannen, krijgen vóór hun indiensttreding geen specifieke opleiding ter voorbereiding op hun specifieke functie. 
De vorming bestaat uit een training-on-the job waar zij als ‘doublure’ van een personeelslid gedurende een korte periode (10 of 14 dagen) hun taak leren.
De bijkomende vorming die de personeelsleden krijgen, is meestal beperkt tot een beroepsspecifieke opleiding van bestaande en nieuwe software en/of het gebruik van nieuwe apparatuur alsook telefoononthaal.

De personeelsleden van de dienst zijn allemaal vrijwilligers en worden meestal geselecteerd op basis van een geschreven functieprofiel met een opsomming van de vereiste bekwaamheid, gevolgd door een schriftelijke test en/of interview.

13.3.2.          Materiële middelen

De specifieke middelen die vereist zijn in een 101-centrale, met name de 101-lijnen volstaan meestal om de oproepen te behandelen.  Een verhoging van het aantal lijnen zonder een verhoging van het aantal personeelsleden is zinloos.

Er zijn enkel rechtstreekse verbindingen met de dienst 100 in de provinciehoofdplaatsen (Brugge, Gent, Hasselt en Namen).    
In de andere centrales zijn er gewone lijnen beschikbaar waar met een sneltoetscombinatie via een gewone telefoonlijn of een telefooncentrale onmiddellijk contact met de 100-centrales kan worden opgenomen.  De verbinding tussen de diensten 100 en 101 door middel van het publiek netwerk geeft echter dezelfde technische communicatiemogelijkheden als een rechtstreekse verbinding.  

Door de respondenten werd gewezen op het ontbreken van bepaalde middelen (bijkomende telefoontoestellen, PC’s en operatortafels), een gebrekkige werking van de radiomiddelen, de afwezigheid van een GPS-systeem en de noodzaak om infrastructurele aanpassingen aan te brengen. Dat het onmogelijk is om de ploegen op het terrein visueel (GPS) te volgen (met uitzondering van de politie van Brugge), wordt eveneens als een beperking ervaren.
Voor het ontbreken van deze materiële middelen werden technische redenen, financiële overwegingen en een gebrekkige investeringsbereidheid met het oog op de toekomstige hervorming in provinciale meldkamers gegeven.

De meeste 101-centrales (uitgezonderd Charleroi) beschikken over manuele documentatie die aan de vereiste behoeften voldoet. Er zijn slechts in een gering aantal 101-centrales geïnformatiseerde documentatiesystemen aanwezig. 
In de meeste 101-centrales voldoen de aanwezige algemene manuele documentatie en de voorschriften inzake rampenplanning en crisisinterventie aan de behoeften van de gebruikers.

13.3.3.          Procedures

De afhandeling van een oproep of ‘interventie’ verloopt volgens een bepaalde procedure en bestaat uit diverse taken die kunnen worden omschreven als ‘call-taking’, ‘dispatching’, ‘afhandeling’ en ‘administratie’.  Met uitzondering van de laatste opdracht, vervult de dienst 101 een belangrijke rol bij de uitvoering van de drie overige taken.
De behandeling van de oproepen verloopt in alle 101-centrales op vrijwel identieke wijze.  Rekening houdend met de verschillende informaticatoepassingen die worden gebruikt om de oproepen te registreren, zijn er tussen de centrales die door de politie en de rijkswacht worden beheerd, onderling slechts geringe verschillen waar te nemen. Deze toepassingen maken een ‘beslissingsondersteunde’ dispatching mogelijk, gebaseerd op beslissingsregels die zijn opgenomen in de protocolakkoorden van de respectieve politiediensten en (interpolitie)zones.   
Het ontbreken van een schriftelijke procedure die de algemene (of specifieke) afhandeling van oproepen regelt, kan leiden tot een verschillende afhandeling van gelijkaardige oproepen, wat vermeden dient te worden.

De vermoedelijke wachttijd wordt niet altijd aan de oproeper meegedeeld omdat de operator veelal onvoldoende informatie heeft over de inzetbaarheid en beschikbaarheid van de interventieploegen.
De oproepen worden geregistreerd in een informaticatoepassing die opzoekingen ad hoc en een weergave op band mogelijk maken.  Dit systeem registreert niet alleen de oproepen maar ook de communicatie tussen de 101-centrale en de ploegen.

De gemiddelde duur van de oproepen en de gemiddelde wachttijd van de oproeper alvorens de operator de hoorn opneemt, is niet gekend.
Door technische tekortkomingen kan de oproeper zeven tot acht beltonen horen, vóór een telefonische oproep in de 101-centrale hoorbaar is.  
De gemiddelde aanrijtijd van de interventieploegen kon slechts in een zeer beperkt aantal 101-centrales worden achterhaald.

13.3.4.          Tevredenheid van het publiek

Behalve in Brugge en Hasselt, wordt de tevredenheid inzake de werking van de 101-centrale niet geëvalueerd.
De meeste centrales beschikken niet over geïnventariseerde cijfergegevens over het aantal klachten met betrekking tot de werking van de dienst, wat doet veronderstellen dat er geen algemeen klachtenbeheer is. 
De meegedeelde cijfers konden slechts na aandringen worden verkregen en zijn slechts intuïtieve schattingen, die elke toetsing of vergelijking onmogelijk maken. 

De mondelinge en/of schriftelijke klachten worden behandeld door de hiërarchische chef, die er het gepaste gevolg aan geeft.    
Er worden slechts weinig maatregelen genomen om de tevredenheid van het publiek te vergroten.   
De systematische implementatie van concrete verbeteringsmaatregelen naar aanleiding van eigen vaststellingen of interne onderzoeken gebeurt te weinig.  
Het systeem van weigering van interventie - aan de hand van duidelijke richtlijnen - wordt slechts sporadisch correct toegepast (Gent). 
De gemiddelde aanrijtijd van de interventieploegen wordt nauwelijks geïnventariseerd (Gent) en bestaat veelal uit geschatte cijfergegevens, zodat men eraan kan twijfelen of deze gegevens kunnen worden aangewend om het te volgen beleid te verbeteren. De relatie tussen de gemiddelde aanrijtijd en de tevredenheid van de oproepers kon niet worden onderzocht.

13.3.5.          Personeelstevredenheid

Met uitzondering van enkele 101-centrales, kon de tevredenheid van het personeel wat de  personeelsleden van de centrale en de leden van andere politiediensten betreft, niet rechtstreeks worden gemeten.

13.3.6.          Impact op de samenleving

De vraag over de kennis van de wijze waarop de dienst 101 naar buiten toe wordt waargenomen door de media, de overheden of andere politiediensten, lijkt weinig relevant en wordt door de respondenten negatief beantwoord.  Intuïtief werd gesteld dat er bij derden een algemeen gevoel van tevredenheid over de werking van de dienst leeft.

13.3.7.          Resultaten

Een geringe systematische inventarisatie van de cijfergegevens met betrekking tot het aantal oproepen laat geen uitvoerige exploitatie toe.  Het ontbreken van onmiddellijk beschikbare cijfergegevens laat veronderstellen dat deze gegevens nog onvoldoende systematisch worden geëxploiteerd.

13.3.8.          Leiderschap

Tijdens de uitvoering van de opdrachten door de personeelsleden van de dienst 101, is er steeds een lid van het middenkader aanwezig, dat de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie heeft en de algemene leiding verzekert. Een officier van bestuurlijke politie is niet altijd aanwezig maar kan binnen de vereiste termijn ter plaatse komen of gecontacteerd worden. 
De korpsleiding die de 101-centrale in beheer heeft, is in beperkte tot ruime mate betrokken bij de werking van de dienst door op verzoek of op geregelde tijdstippen overleg te plegen met het diensthoofd en/of de leden van de dienst.
Er is wel een algemene periodieke evaluatie van de personeelsleden van de dienst 101 maar er is geen specifieke evaluatie van de kennis van de voorziene procedures en/of vaardigheden die van de personeelsleden van de dienst 101 worden verlangd.

13.3.9.          Beleid en strategie

De ondervraagde respondenten konden maar weinig bijkomende inlichtingen verstrekken over de ontwikkeling van het te volgen beleid en de toekomstplannen van hun eigen dienst. 
De nakende hervormingen verklaren wellicht het ontbreken of het niet kennen van een algemeen beleidsplan en/of visieontwikkeling van de eigen dienst en de eerder afwachtende houding.

13.4.                  De Toekomst: ASTRID

Om de doeltreffendheid van de interventies van de hulp- en veiligheidsdiensten – die op kwaliteitscommunicatie dient te berusten – te verhogen en de snelheid, flexibiliteit, veiligheid en betrouwbaarheid van deze communicatie te verbeteren, werd in 1998 de naamloze vennootschap ASTRID opgericht [11]
Het ASTRID-project (All-round Semi-cellular Trunking Radiocommunication Network with Integrated Dispatching) kwam – met federale steun – tot stand, in uitvoering van de wet van 8 juni 1998 betreffende de radiocommunicatie van hulp- en veiligheidsdiensten [12] .  
Door een synergie van de vier basiselementen van ASTRID, met name een radiocommunicatiesysteem, computerondersteunende dispatchings, eindapparatuur en een mobiel operatiecentrum, zullen nieuwe werkwijzen worden gehanteerd bij de afhandeling van oproepen, met inbegrip van de 101-oproepen.  

Het radiocommunicatiesysteem moet het mogelijk maken op een flexibele, snelle en veilige wijze (via  gecodeerde berichtgeving) met andere politie- en hulpdiensten in verbinding te treden.  Het digitaal karakter van het netwerk zorgt voor een doeltreffende dekking over het hele grondgebied en verzekert de noodzakelijke betrouwbaarheid die van een radionetwerk wordt verwacht.
De computerondersteunende dispatchings (CAD) laten toe de 101-oproepen vanuit één provinciaal meldpunt en overeenkomstig de plaatselijke protocolafspraken te verdelen onder de bevoegde politiediensten, de dispatching te optimaliseren door gebruik te maken van talrijke technische mogelijkheden en de informatie-uitwisseling tussen de politiediensten te verbeteren. 
De noodzakelijke eindapparatuur bestaat uit een netwerk van radiomiddelen en terminals zodat de gegevensuitwisseling inzake oproepen en incidenten en de raadpleging van de beschikbare databanken zonder problemen kan geschieden.

Een belangrijke meerwaarde van de CAD zijn de twee beeldschermen waarover de operator beschikt en die hem in staat stellen enerzijds de geografische informatie en de positie van de interventieploegen en incidenten aan te geven en anderzijds een overzicht te geven van de inkomende oproepen en de operationele status van de interventieploegen. [13]
De mogelijkheid om de interventievoertuigen uit te rusten met een GPS-systeem kan als een meerwaarde worden beschouwd.  De systemen waarmee het mobiel operatiecentrum is uitgerust, moeten er eveneens voor zorgen dat de communicatie bij rampen en crisisinterventies gewaarborgd blijft.

De implementatie van het ASTRID-project verloopt gespreid en is in 2001 in Oost-Vlaanderen gestart (Gent).  Vervolgens zullen alle provincies worden uitgerust met deze nieuwe technologie. De meerwaarde van het ASTRID-project lijkt groot te zijn voor de werking van de politiediensten in het algemeen en de afhandeling van de 101-oproepen in het bijzonder.  
Dankzij een uniforme structuur, één enkel informaticanetwerk en een communicatiesysteem dat aan de vooropgestelde vereisten voldoet (snelheid, flexibiliteit, veiligheid en betrouwbaarheid) zou ASTRID een belangrijke bijdrage kunnen leveren om de doeltreffendheid van de interventies van hulp- en veiligheidsdiensten te verhogen.

13.5.                  Opvolging

Dit onderzoek naar de werking van de 101-centrales heeft niet alleen relevante onderzoeksresultaten opgeleverd met betrekking tot de initiële doelstellingen van dit onderzoek maar resulteerde ook in een aantal bevindingen in domeinen die de werking van de dienst 101 (on)rechtstreeks beïnvloeden of er een gevolg van zijn.
De wijze van organisatie van de interventiedienst en -ploegen in de diverse korpsen, de verschillende (korps)prioriteiten, de implementatie van het ASTRID-systeem en de aan gang zijnde politiehervorming zouden een weerslag moeten hebben op de huidige werking van de 101-centrales.   
De wijze waarop deze – en wellicht ook andere – factoren de werking van de 101-centrales beïnvloeden, kon niet volledig worden bestudeerd en zal het voorwerp zijn van een volgend onderzoek. 

Een gepland onderzoek naar de werking van de 101-centrales in enkele grootsteden moet ons in staat stellen de resultaten van het reeds gevoerde onderzoek te vergelijken en te toetsen in een grootstedelijke context en later, in functie van sommige specificiteiten, misschien in andere bijzondere zones .  Wij menen dat we pas na afloop van een dergelijk onderzoek, meer algemene en relevante aanbevelingen kunnen formuleren met betrekking tot de werking van de 101-centrales.

De implementatie van het ASTRID-systeem zou in principe de werking van de huidige 101-centrales fundamenteel moeten wijzigen en verbeteren.  De wijze waarop dit zal gebeuren werd slechts kort besproken en zal door een uitvoeriger beschrijving van het ASTRID-systeem nader worden toegelicht.     
De bijdrage van ASTRID zou ontegensprekelijk een meerwaarde moeten zijn voor de werking van de 101-centrales.  Voorlopig kan dit systeem nog niet op een relevante en betrouwbare manier worden geëvalueerd en kunnen wij enkel hopen dat de wens om “een inhaalbeweging voor de communicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten” te realiseren, wordt vervuld. 

14.                   Politiecapaciteit inzake informaticacriminaliteit (dossier nr. 20162/2000)

Op 13 februari 2001 is de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit van kracht geworden. Hierdoor vernieuwt België zijn juridische middelen in de strijd tegen dit relatief recent fenomeen dat voortdurend verandert, in navolging van de technologieën waarop het berust. Deze nieuwe wet bevat artikelen tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering, tot aanvulling van het Strafwetboek en tot wijziging van de wet van 21 maart 1997 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven en vult bijgevolg een juridische leemte op, waaronder België te lijden had.

Dat ICT’s (Information and Communication Technologies) in ondernemingen en bij particulieren ingang vinden, heeft aanleiding gegeven tot nieuwe vormen van criminaliteit: valsheid in informatica en informaticabedrog, vandalisme en zelfs terrorisme. Ondernemingen en instellingen zijn het doelwit geworden van personen die zich ofwel op onrechtmatige wijze gegevens toe-eigenen of in hun voordeel wijzigen, ofwel nogal aanzienlijke schade berokkenen.  
Anderzijds bieden de informatica en de nieuwe telecommunicatiemiddelen nieuwe mogelijkheden om ‘klassieke’ wanbedrijven te begaan en te verbergen: geld witwassen, kinderpornofoto’s verspreiden,...

Om het hoofd te bieden aan deze nieuwe vorm van criminaliteit, hebben de vroegere gerechtelijke politie bij de parketten en de vroegere rijkswacht gespecialiseerde diensten opgericht. In 1992 zagen de Computer Crime Units (CCU) van de gerechtelijke politie het daglicht; deze zijn over het Belgische grondgebied verspreid in veertien antennes en zijn  samengesteld uit onderzoekers die reeds informaticakennis hebben verworven. In 1995 heeft de rijkswacht binnen het Centraal Bureau voor Opsporingen (CBO) de Bijstand en Opsporingen in Geautomatiseerde Omgevingen (BOGO) in het leven geroepen en streefde hierbij dezelfde doelstelling na. Tot slot heeft de gerechtelijke politie de CCU’s in 1997 aangevuld met de National Computer Crime Unit (NCCU), die verbonden is aan de Nationale Brigade. Deze dienst is belast met de studie van de technische en juridische aspecten van informaticacriminaliteit en is eveneens gespecialiseerd in de strijd tegen kinderpornografie op internet. Het Gerechtelijk Centraal Contactpunt (GCCP), waar internetgebruikers sites die dergelijke beelden bevatten, kunnen melden, bevindt zich op het vlak van de NCCU.
Op 1 januari 2001 zijn de NCCU en de BOGO samengesmolten binnen de Directie van de bestrijding van de economische en financiële criminaliteit (DJF) van de Algemene Directie Gerechtelijke Politie (DGJ) van de nieuwe federale politie, en vormen nu de Federal Computer Crime Unit (FCCU).

Het Vast Comité P heeft een eerste studie uitgevoerd om de impact van de toepassing van de nieuwe wet en de fusie NCCU – BOGO op de informaticacriminaliteit te meten.

Dit zijn de voorlopige resultaten:

Ø      de FCCU beschikt over onvoldoende personeelsleden om aan de huidige vraag te voldoen. Deze situatie kan alleen maar verslechteren want het juridische kader van deze nieuwe wet, zal de vragen om bijstand door magistraten en onderzoekers doen toenemen;

Ø      personeelsleden van de CCU’s aantrekken zou de situatie kunnen verbeteren. De leden van deze eenheden zijn evenwel ook systeembeheerder van de vroegere brigades van gerechtelijke politie waartoe ze behoren. De ervaring heeft geleerd dat de cumul van deze functies meer problemen opleverde dan oploste, met name op het vlak van de beschikbaarheid van specialisten;

Ø      Een beroep doen op externe experten slechts een noodoplossing is omdat zij:

q niet voldoende talrijk zijn;

q niet altijd over dezelfde kennis en bekwaamheid beschikken dan de specialisten van de federale politie;

q niet altijd werk van goede kwaliteit leveren binnen een redelijke termijn;

q aanzienlijke gerechtskosten met zich brengen;

Ø      de afwezigheid van een departement dat gespecialiseerd is in ICT’s binnen het Nationaal Instituut voor Criminalistiek en Criminologie (NICC) is een echt probleem voor de onderzoekers van de FCCU, omdat zij een beroep moeten doen op dure privé-laboratoria zodra de diepgaande wettelijke onderzoeken van bepaalde informaticabestanddelen te complex wordt. Het is ook mogelijk buitenlandse tegenhangers van het NICC te vragen dergelijke analyses uit te voeren maar deze instituten hebben eveneens capaciteitsproblemen en kunnen zelden binnen een redelijke termijn aan deze vragen voldoen;

Ø      het is vrijwel onmogelijk om ervaren specialisten van buiten de politiewereld aan te werven door de barema’s die binnen het openbaar ambt gelden;

Ø      de onmogelijkheid om snel te voldoen aan de vragen om bijstand kan ernstige gevolgen hebben voor de goede werking van het onderzoek;

Ø      het onderzoek kan volledig worden opgeschort in afwachting van de resultaten;

Ø      ondertussen kunnen gegevens verdwijnen;

Ø      onschuldige personen moeten het gedurende lange tijd zonder hun inormaticamaterieel stellen.

Over deze kwestie werd een eerste tussentijds verslag aan de minister van Justitie gericht. In dit stadium van het dossier meent het Vast Comité P de volgende aanbevelingen te kunnen doen om deze problematiek aan te pakken:

Ø      integratie van personeel van de CCU’s in de FCCU om op korte termijn de capaciteit te verhogen, onder de volgende voorwaarden:

q geen cumul van functies. Het systeembeheer zou, na een overgangsperiode, een taak moeten zijn van de Directie van de telematica (DST) van de Algemene Directie Operationele Ondersteuning (DGS);

q standaardisatie van de opleidingen, uitrusting, procedures;

q verdeling van het personeel om de capaciteit te maximaliseren.

Ø      bepaling van de prioriteiten in de dossiers volgens criteria als het soort criminaliteit, het gebruikte materieel of andere aspecten van het onderzoek;

Ø      bepaling van de situaties waarin het beter is om een beroep te doen op de FCCU of op een extern expert.

15.                   Mensensmokkel

15.1.                  Algemeen kader en onderwerp

15.1.1.          Inleiding

Op 19 juni 2000 werden achtenvijftig verstekelingen, afkomstig uit China, dood aangetroffen in een Nederlandse vrachtwagen in Dover.  Twee andere Chinezen overleefden de tocht.  Gelet op het feit dat deze vrachtwagen in Zeebrugge op een ferry inscheepte, startte het Vast Comité P ambtshalve een onderzoek naar de wijze waarop de controle, onder andere in verband met illegale immigratie, door de Belgische politiediensten gebeurt.

15.1.2.          Opdracht

In het bijzonder diende te worden nagegaan:

Ø      welke politiedienst(en) in Zeebrugge belast is (zijn) met deze controle;

Ø      welke instructies er terzake aan deze politiedienst(en) zijn gegeven;

Ø      welke samenwerking er bestaat tussen deze politiedienst(en) en de douane en eventueel met de verantwoordelijke van de ferrymaatschappij;

Ø      of er terzake regelmatige uitwisselingen van informatie of contacten tussen onze politiediensten en deze van het Verenigd Koninkrijk en/of eventueel andere landen zijn;

Ø      er in het verleden in verband met deze problematiek door de bevoegde politieautoriteiten signalen werden uitgezonden naar de politieke verantwoordelijken;

Ø      uit sommige open bronnen blijkt dat de politiedienst belast met de controle op het ogenblik van het inschepen van de vrachtwagen, zou zijn weggeroepen naar een andere ferry alwaar zich moeilijkheden met hooligans zouden hebben voorgedaan;

Ø      de verklaring van de twee overlevende getuigen volgens dewelke de achtenvijftig overleden personen veel lawaai zouden hebben gemaakt, teneinde uit hun benarde positie te worden verlost (informatie uit open bronnen), stelt zich natuurlijk de vraag op welk ogenblik en waar zulks gebeurde, met verzoek terzake contact op te nemen met de diensten belast met het onderzoek in het Verenigd Koninkrijk.

15.2.                  Verloop van het onderzoek

Het verloop van het onderzoek en de belangrijkste vaststellingen werden aan het Parlement voorgelegd in de vorm van een bijlage [11] .

15.2.1.          Afbakening van het onderwerp

Het toezichtsonderzoek werd aan de hand van deze bevindingen dan ook ratione loci uitgebreid tot een studie van de wijze waarop de Belgische politiediensten het fenomeen mensensmokkel aanpakken [12] , niet alleen in de kuststreek, waar zich acute problemen voordoen, maar over het hele grondgebied.  Tevens wordt er nagegaan welke samenwerkingsverbanden er bestaan, zowel nationaal als supranationaal.

Ratione materiae wensen wij in het kader van dit onderzoek een onderscheid te maken tussen de begrippen mensenhandel en mensensmokkel, en stellen wij voor het onderzoeksveld te beperken tot dit laatste.  Het fenomeen mensenhandel maakte immers het voorwerp uit van wetenschappelijk onderzoek en wordt van nabij gevolgd door de parlementaire subcommissie "mensenhandel en prostitutie".

Een eerste probleem dat zich hierbij stelt is de definiëring van de begrippen mensenhandel en mensensmokkel, die in de praktijk dikwijls door elkaar gebruikt worden.  Mensensmokkel is een vorm van mensenhandel, en geen synoniem ervan. De wet van 13 april 1995 houdende bepalingen tot bestrijding van de mensenhandel en van de kinderpornografie [14] , van kracht sinds 5 mei 1995, bestaat wat mensenhandel betreft, uit twee delen:

Ø      de artikelen 380bis § 3, 4 en 5 Strafwetboek wat mensenhandel betreft in het kader van de prostitutie;

Ø      artikel 77bis § 1, 2 en 3 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980.

Artikel 77bis van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bestraft degene die rechtstreeks of via een tussenpersoon, ertoe bijdraagt dat een vreemdeling het Koninkrijk binnenkomt of er verblijft, wanneer hij daarbij:

Ø      ten opzichte van de vreemdeling direct of indirect gebruik maakt van listige kunstgrepen, geweld, bedreigingen of enige andere vorm van dwang;

Ø      of misbruik maakt van de bijzonder kwetsbare positie waarin de vreemdeling verkeert ten gevolge van een onwettige of precaire administratieve toestand of ten gevolge van zwangerschap, ziekte dan wel een lichamelijk of een geestelijk gebrek of onvolwaardigheid.

Artikel 77bis omschrijft echter niet expliciet wat onder mensenhandel van vreemdelingen wordt verstaan.  Uit de voorbereidende werkzaamheden blijkt dat dit begrip niet alleen slaat op de netwerken van vrouwenhandel doch ook op personen die kandidaat politiek vluchtelingen binnensmokkelen.

Er bestaat mogelijks een lacune in deze wet, die niet voorziet in een bestraffing van de doorvoer van een vreemdeling, al dan niet met diens instemming.   
Het is juist in deze doorvoer dat mensensmokkel zich onderscheidt van het ruimere begrip mensenhandel.  Hoewel de persoon die van de diensten van een georganiseerd netwerk gebruik maakt deze stap vrijwillig zet, leert de studie van open bronnen terzake en de ervaring die tot op heden tijdens het onderzoek werd opgedaan, dat hij tijdens het traject onderworpen wordt of kan worden aan dwangmaatregelen en dat er uiteraard misbruik kan worden gemaakt van zijn zwakke positie.  Mensensmokkel kan uiteraard voorafgegaan of gevolgd worden door een vorm van mensenhandel. Met name in Nederland worden beide fenomenen afzonderlijk en uitdrukkelijk geïncrimineerd.

15.2.2.          Doelstellingen en onderzoeksmethoden

De doelstellingen en de onderzoeksmethoden werden aan het Parlement voorgelegd in de vorm van een bijlage [13] .

15.2.3.          Betrokken partijen

De betrokken partijen werden aan het Parlement meegedeeld in de vorm van een bijlage [14] .

15.3.                  Besluiten

De meeste intervenanten in deze problematiek werden inmiddels gehoord.  Tot op heden lag het zwaartepunt van ons onderzoek in het gerechtelijk arrondissement Brugge.  Het fenomeen mensensmokkel situeert zich binnen dit gerechtelijk arrondissement voornamelijk in de interpolitiezones (IPZ) Brugge, Oostende en Jabbeke-Oudenburg. Binnen deze laatste IPZ speelt de parking ter hoogte van het FINA tankstation langs de E40 te Jabbeke een belangrijke rol in de trafiek richting Groot-Brittannië. Op deze plaats rijden immers vrachtwagens die zowel via Oostende, Zeebrugge als Calais het kanaal oversteken of eronderdoor gaan via de kanaaltunnel.  Er werd een werkbezoek gebracht aan de haven van Dover, waar wij de Heimannscanner aan het werk konden zien, alsook de geautomatiseerde nummerplaatlezer.  De terugkeer verliep via de haven van Calais, wat bijkomende inzichten verschafte in de problematiek. Wij konden tevens vergaderingen van de projectgroepen mensensmokkel bijwonen bij Europol en Interpol.

De directie van de SPN is duidelijk zeer begaan met de problematiek van de mensenhandel en in het bijzonder de mensensmokkel.  Zij gaf de impuls voor de oprichting van een "Kwaliteitskring Mensenhandel", die voor het eerst bijeenkwam in september 2000 en streeft naar een kwalitatieve en geïntegreerde aanpak door de verschillende partijen aan overheidszijde rond de tafel te brengen.
Daarnaast werden regelmatig vergaderingen georganiseerd in de gebouwen van het havenbestuur Zeebrugge, teneinde, samen met de belanghebbenden in de private sector, na te gaan hoe de inspanningen van private en publieke sector op elkaar kunnen inspelen, teneinde een meer doelmatige proactieve aanpak te bereiken. Wij hebben deze vergaderingen in de mate van het mogelijke bijgewoond.

15.4.                  Opvolging

Het onderzoek werd geopend onder de vroegere politiestructuur en zal in de loop van de eerste helft van 2001 worden geactualiseerd op basis van de nieuwe politiestructuur.  
Het zal bijgevolg mogelijk zijn de impact te meten van deze herstructurering op de beteugeling van dit type van misdrijven, wat één van de prioriteiten van het federale veiligheids- en detentieplan is.

Een aantal herstructureringen dienen in de komende maanden nauwlettend gevolgd te worden: in het bijzonder de integratie van de havenbrigade en de SPN, het opzet van de "Arrondissementeel Informatiekruispunten" (AIK) en de doorstroming van informatie naar het federale niveau, het gevolg dat door de lokale politie zal worden gegeven aan de gestelde prioriteiten inzake mensenhandel en –smokkel in het eerste Nationaal Veiligheidsplan, enz.

16.                   Politiewebsites gewijd aan geseinde en opgespoorde personen – Internetsamenwerking tussen burgers en politie (dossier nr. 20165/2000)

16.1.                  Algemeen kader en onderwerp

De minister van Justitie verzocht het Vast Comité P om op het niveau van de Algemene Politiesteundienst na te gaan, naar analogie van ervaringen in het buitenland, hoe bepaalde sites op het internet de samenwerking tussen de burgers en de politiediensten kunnen bevorderen.  Het onderzoek werd toevertrouwd aan de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P. 

16.2.                  Verloop van het onderzoek

De Dienst Enquêtes heeft zich toegespitst op de drie officiële websites van de Belgische politiediensten, in casu:

www.police.be
www.gpj.be
www.rijkswacht.be

De websites van de lokale politie werden in het kader van deze studie niet onderzocht.
Daarnaast heeft de Dienst Enquêtes ook drie buitenlandse politiewebsites onderzocht, met name:

www.rcmpc.gc.ca: de officiële website van de Royal Canadian Mounted police;   
www.fbi.org: de officiële website van de Amerikaanse F.B.I.;  
www.interpol.int: de officiële website van Interpol.

16.3.                  Besluiten

50.3.1. De Algemene Politiesteundienst (APSD) beschikt niet over een eigen website.  De opsporingsberichten worden op het net geplaatst via de websites van de voormalige gerechtelijke politie en van de voormalige rijkswacht.  Deze berichten betreffen bijna altijd personen (criminelen, vermiste personen) en/of voorwerpen die betrekking hebben op deze personen (bv. het voertuig van de dader of van een vermist persoon).  Geen enkel initiatief werd genomen om een hoofdstuk te wijden aan gestolen kunstvoorwerpen of aan gestolen voertuigen. 
De APSD, in samenwerking met de voormalige gerechtelijke politie en de voormalige rijkswacht, plaatste op de websites van deze twee diensten, berichten in verband met de televisie-uitzendingen ‘Appel à témoins’ en ‘Oproep 20/20’. De Dienst Enquêtes heeft vastgesteld dat er bij dit soort berichten heel wat problemen waren op het vlak van de kwaliteit van de berichtgeving.

50.3.2. Sommige berichten waren onnauwkeurig, andere zodanig onvolledig dat de burger die het bericht raadpleegde op de website niet wijzer werd.   
Daarnaast werd ook vastgesteld dat de opvolging en het beheer te wensen overliet. Eind 2000 stond een bericht, uitgebracht ingevolge een uitzending van 18 november 1998, m.b.t. een verdwenen persoon nog steeds op de website.  In 1999 werd het stoffelijk overschot van de verdwenen persoon, die het voorwerp uitmaakte van het bericht, nochtans teruggevonden.  Op de website wordt hiervan geen gewag gemaakt.

58.3.3. Zoals hiervoor vermeld werden er ook drie buitenlandse websites doorgenomen.  Er werd nagegaan welke gegevens er voorhanden zijn en hoe gebruiksvriendelijk ze zijn voor de burger die deze sites raadpleegt.  
De drie sites worden opgenomen als links op de Belgische politiesites.  Alhoewel de sites van de Royal Canadian Mouted Police en van het Federal Bureau of Investigations zeer professioneel zijn, moet men wel vaststellen dat de officiële internetsite van Interpol het meest volledig is en het gemakkelijkst toegankelijk en gebruiksvriendelijk is voor de burger.  
Drie rubrieken van de Interpolsite werden meer in het bijzonder onderzocht: ‘wanted’, ‘children’ en ‘works of art’.  Voor elk van deze rubrieken bestaan er verschillende opzoekingmogelijkheden en zijn er zeer veel details voorhanden.  Zo zijn er ondermeer de illustraties beschikbaar onder de vorm van foto's, die uitvergroot kunnen worden.  Er werd tevens vastgesteld dat de opvolging van deze drie rubrieken op een nauwgezette manier gebeurt.

16.4.                  Aanbevelingen

50.4.1. Het feit dat de APSD nooit het inzicht heeft gehad zelf een website op te starten, om er onder meer opsporingsberichten in op te nemen, is betreurenswaardig.  Bovendien werden er geen initiatieven genomen om informatie i.v.m. autodiefstallen en kunstdiefstallen, waarover de APSD over zeer goede documentatie beschikt, op een website te plaatsen.
Nu de politiehervorming tot stand gekomen is en de APSD sinds 1 januari 2001 niet langer bestaat, lijkt het wenselijk dat er zo snel mogelijk een website van de federale politie komt.  Naast informatie over de organisatie van het nieuwe politielandschap zou er ook aandacht moeten worden besteed aan de opsporingsberichten.

50.4.2. De hiernavolgende aanbevelingen kunnen tevens geformuleerd worden op basis van de vaststellingen van de Dienst Enquêtes.

Ø      zonder de vrijheid van meningsuiting te willen inperken, is het een feit dat websites van of over de politie toch wel een bijzondere connotatie hebben ten overstaan van de burger die er op een of andere manier moet kunnen op vertrouwen dat hetgeen vermeld wordt ook wel degelijk van de politie is. Vanuit dat oogpunt zou er minstens een ‘officiële’ site moeten zijn die de nodige garanties biedt en kan doorverwijzen naar andere ‘officiële’ sites, dan wel kan aangeven hoe de ene van de andere te onderscheiden.

Ø      gelet op de integratie, is het onderscheid tussen de voormalige rijkswacht en de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten niet langer nodig en kan er een website van de federale politie komen.  Aangezien de APSD nu ook opgenomen is in die federale politie, zou de problematiek van de opsporingsberichten gemakkelijk oplosbaar moeten zijn.  De behandeling van de opsporingsberichten gekoppeld aan ‘Oproep 20/20’ of ‘Appel à témoins’ zou herdacht moeten worden in die zin dat deze berichten een aanvulling zijn op de uitzendingen en misschien vanuit die optiek anders moeten worden opgevat.
Zeker binnen de federale politie moet het mogelijk zijn om wat de website(s) betreft een capaciteit te voorzien die zorgt voor de nodige actualisering ervan. Met andere woorden, eens gekozen voor het opmaken van een website, moet het beheer ervan professioneel opgevolgd worden.

50.4.3. Men zal uiteraard niet kunnen uitsluiten dat lokale politiekorpsen hun eigen website hebben, maar men zou ervoor moeten zorgen dat een aantal minimumnormen gehanteerd worden en dit zowel bij het opstarten als bij de actualisering ervan.   
Meer algemeen, gelet op de toch wel bijzondere plaats die de politie inneemt, moet gesteld worden dat er voor de oprichting van websites een klaar en duidelijk gedefinieerd concept nodig is, alvorens men tot de verwezenlijking ervan overgaat.

16.5.                  Opvolging

Het Vast Comité P zal deze problematiek verder opvolgen in het kader van de politiehervorming.

17.                   Beheer informanten (dossier nr. 16546/2000)

17.1.                  Algemeen kader en onderwerp

Op 29 augustus 2000 besliste het Vast Comité P over te gaan tot het uitvoeren van een toezichtsonderzoek met betrekking tot het omgaan met informanten. De aanleiding hiertoe vormden meerdere dossiers waaruit bleek dat de naleving van de ministeriële omzendbrief van 24 april 1990 [15] en de interne controle in dit domein op sommige plaatsen problemen opleverde.   
Als doelstelling van het toezichtsonderzoek werd bepaald het nagaan van de naleving van hogergenoemde omzendbrief en de conformiteit van de interventies alsmede het nagaan in welke mate voldaan is aan een aantal randvoorwaarden die zouden moeten garant staan voor een adequaat omgaan met informanten.
De pertinentie van het onderzoek ligt ook in het feit dat er initiatieven zijn om rond bijzondere opsporingstechnieken een wetgeving te maken.  Uiteraard kan die wetgeving niet alle aspecten inhouden maar een wetgeving zonder invulling van een aantal noodzakelijke randvoorwaarden binnen de politie is onwerkbaar.

17.2.                  Verloop van het onderzoek

Van dit onderzoek werd de procureur-generaal te Gent, die in het bijzonder gelast is met die problematiek, ingelicht, die op zijn beurt zijn ambtgenoten heeft aangeschreven.  Er werd van de gerechtelijke en politiële overheden totale medewerking bekomen.   
Omwille van de politiehervorming werden voor 1 januari 2001 enkel de twee vroegere nationale informantenbeheerders [16] bevraagd. Vanaf eind februari 2001 worden een aantal eenheden aangedaan.

Het opzet van het toezichtsonderzoek strekte er niet toe om diensten met elkaar te vergelijken maar wel om algemene conclusies te trekken met betrekking tot het (beter) omgaan met informanten.

17.3.                  Tussentijds besluit

Wat de twee bovenvermelde centrale diensten betreft, dient duidelijk gesteld dat op dit niveau de verplichtingen van de ministeriële omzendbrief worden nageleefd, met name de voorschriften met betrekking tot het beheer van de fondsen en de codering van de informanten.

De beide informantenbeheerders hebben trouwens zowel binnen hun korps als naar de nationaal magistraat toe initiatieven genomen om een aantal knelpunten aan te kaarten en weg te werken.  Er dient gezegd dat, wat de acties binnen de oorspronkelijke korpsen betreft, een en ander niet kon gerealiseerd worden, niettegenstaande de ideeën zeer goed zijn.  Het wegwerken van een aantal knelpunten die voornamelijk tot de bevoegdheid van de gerechtelijke overheden behoren, maakt dan wel het voorwerp uit van lopend overleg met de nationaal magistraat binnen het kader van de werkgroep ‘bijzondere opsporingstechnieken’ van het Ministerie van Justitie.

Wel kan betreurd worden dat er te weinig richtlijnen of standaarden zijn, uitgaande van het centrale niveau, inzake onder meer het profiel en de daarbijbehorende regels inzake evaluatie  van contactambtenaren en informantenbeheerders.  Evenmin is er voorzien in een specifieke opleiding voor contactambtenaren en informantenbeheerders, alhoewel wat deze laatsten betreft er voorzien wordt in voortgezette opleiding.

Niettegenstaande iedereen het er over eens is dat de contactambtenaren een zeer bijzondere positie hebben en dat hun werk bijzondere integriteitseisen stelt, wordt vastgesteld dat er geen richtlijnen zijn omtrent de evaluatie van deze integriteit noch bij de selectie van contactambtenaren noch tijdens hun dienstuitvoering.
Nochtans is hun werk, in een aantal gevallen ten dele gelijklopend met dat van undercoveragenten waarvoor wel een gans systeem is uitgebouwd.
Tevens stelt het omgaan met informanten bijzondere eisen aan bereik- en beschikbaarheid en is er een specifiek veiligheidsprobleem.  Deze aspecten kunnen voor een belangrijk deel worden opgelost door een aantal materiële voorzieningen die echter ontbreken.

Samenvattend kan in dit stadium van het onderzoek worden vastgesteld dat de richtlijnen van de ministeriële omzendbrief die betrekking hebben op de centrale diensten door beide diensten correct worden toegepast.  Alhoewel men de specificiteit van de taak van de informantenbeheerders en van de contactambtenaren onderkent, men zich bewust is van de bijzondere eisen die zich hierbij stellen en verschillende initiatieven werden genomen om het geheel zo professioneel mogelijk te maken, is men er niet in geslaagd hieraan prioriteit te verlenen en wezenlijke vooruitgang te boeken.

Zonder vooruit te lopen op de vaststellingen die zullen worden gedaan in het verder onderzoek op het niveau van de lokale eenheden, kan worden gesteld, gelet op de vaststellingen reeds gedaan in individuele dossiers, zoals in de aanvang van dit verslag vermeld, dat het vooral op dit niveau is dat de problemen zich voordoen.

17.4.                  Opvolging

Thans reeds biedt de reorganisatie van de gerechtelijke diensten en van de politiediensten een opportuniteit om in dit domein op het vlak van de waarde, kennis, integriteit, middelen, begeleiding, selectie en opleiding reeds de nodige initiatieven te nemen, zonder te moeten wachten op het eindverslag van het Vast Comité P.

18.                   APSD/SGAP (dossier nr. 4874/2000)

18.1.                  Algemeen kader en onderwerp

52.1.1.Ter vergadering van 31 januari 2000 hebben de bevoegde commissies van Kamer en Senaat besloten het Vast Comité P te vragen een toezichtsonderzoek in te stellen naar bepaalde aspecten van de werking van de APSD. Dit onderzoek zou betrekking hebben op de algemene werking van de APSD, meer in het bijzonder, op het gebied van mensenhandel en daarmee verbonden georganiseerde criminaliteit, en op de verzameling en verwerking van statistische gegevens door deze dienst.  Dit verzoek werd schriftelijk bevestigd op 3 februari 2000.

52.1.2.In enkele onderzoeken geleid door het Vast Comité P staat de werking van de APSD centraal: statistieken, verbindingsofficieren, mensenhandel, enz. [17]   De werking van APSD en de samenwerking met de politiediensten is in het verleden meermaals het voorwerp geweest van kritiek.  Het Koninklijk Besluit op de APSD werd trouwens aangepast om, althans qua besluitvorming, een en ander te verbeteren.
Een bijzonder belangrijk aspect binnen de opdrachten van APSD is de internationale politiesamenwerking waarvan een aantal aspecten – beleidsmatige en operationele – voorbereid en uitgevoerd werden door de afdeling Internationale Politiesamenwerking (IPS). meestal in overleg met de korpsen en met de overheden.  Voor sommige, voornamelijk operationele aspecten, is IPS overigens een verplicht doorgangspunt.  
Minstens moet gezegd worden dat de opdrachten van IPS door APSD zelf en de korpsen verschillend werd begrepen, waarbij de ene vaak verwees naar de formele verantwoordelijkheden die haar waren opgedragen en de andere vaak verwees naar het tijdsverlies, het gebrek aan toegevoegde waarde, de discretie, enz.

18.2.                  Verloop van het onderzoek

Het verloop van het onderzoek en de belangrijkste vaststellingen werden besproken in bijlage aan het verslag dat aan het Parlement werd voorgelegd [15] .

18.3.                  Besluiten

18.3.1.          Statistieken

Het is evident dat accurate statistieken een conditio sine qua non zijn voor een veiligheidsbeleid.  Het is echter even evident dat er bij het opstellen van statistieken tal van factoren spelen die maken dat de perfectie moeilijk te bereiken is.  De verantwoordelijken voor de statistieken binnen APSD zijn zich van de onvolmaaktheden heel goed bewust en doen met de andere betrokken partners de nodige inspanningen om deze zoveel mogelijk weg te werken [18]

Er is vanuit het  Vast Comité P dan ook, in de huidige omstandigheden, geen fundamentele behoefte of noodzaak om zich inhoudelijk in het debat te mengen. Verschillende andere wetenschappelijke instellingen of diensten hebben zich hieromtrent trouwens uitgesproken.

18.3.2.          Andere aspecten van de werking van de APSD

Men zou mogen verwachten dat met de politiehervorming een aantal vastgestelde knelpunten zouden weggewerkt worden.  Wanneer we echter kijken naar de (re)organisatie van de federale politie, dan stellen we vast dat qua structuren de zaken er mogelijks niet op vereenvoudigd zijn.  Zo is er op het niveau van de commissaris-generaal de ‘Directie van het beleid inzake internationale politiesamenwerking’; binnen de Algemene directie operationele ondersteuning bestaat er de 'Directie van de operationele politiesamenwerking’, waarbinnen onder meer het Centraal bureau Interpol, de Nationale eenheid-Europol en het invalspunt ‘Schengen’ is ondergebracht en die als verplicht doorgangspunt dienen voor de internationale (operationele) contacten van de lokale en de federale politie.  Bijkomend is voorzien dat zowel de Algemene directie bestuurlijke politie als de Algemene directie gerechtelijke politie rechtstreekse internationale contacten kunnen onderhouden. Te vrezen valt dat wanneer de verantwoordelijkheden alsmede de functionele relaties tussen het ‘beleid’ op niveau van de commissaris-generaal en de betrokken diensten in de Algemene directies niet uiterst precies omschreven zijn, de spanningen, de dubbele gebruiken en het al dan niet gerechtvaardigd en/of legitiem autonoom optreden – die er destijds waren tussen de korpsen en APSD – zich nu binnen de (federale) politie zelf zouden kunnen voordoen.

Daarenboven is het eveneens absoluut noodzakelijk dat de inhoud van het begrip ‘beleid’ in de Directie van het beleid inzake internationale politiesamenwerking en de relaties tussen deze directie en de (politieke) overheden duidelijk worden omschreven, zodat de limieten waarbinnen dit ‘beleid’ zich kan afspelen duidelijk worden vastgelegd.

Dit aspect van de politiewerking is uiterst belangrijk, niet alleen om ‘operationele’ redenen maar ook omdat een groot deel ervan zich afspeelt binnen de uitvoerende macht.  Zo is Europol niet enkel een ondersteunende dienst maar kan Europol ook zelf initiatieven nemen naar lidstaten toe; zo wordt er onder andere gewerkt aan de oprichting van een Europese Politieacademie en wordt het nodige in plaats gesteld om binnen het kader van de Europese Unie te komen tot een ‘vergadering van de Europese politiechefs’.  Elk van die initiatieven is een aspect van samenwerking met het buitenland maar ontsnapt grotendeels aan het toezicht van het Parlement.

18.4.                  Opvolging

Wat de statistieken betreft, meent het Vast Comité P wel dat het onderwerp belangrijk genoeg is om de wijze waarop gevolg gegeven wordt aan de kritieken op de bestaande statistieken, op te volgen middels het geregeld bevragen van de verantwoordelijken.  Indien het Parlement het nodig of nuttig acht en het indien het Vast Comité P hiervoor de nodige middelen kan bekomen of vrijmaken zal het, desgevallend in samenspraak met de wetenschappelijke wereld, zijn analyse in dit domein voortzetten.

Wat de internationale politionele samenwerking betreft, onder andere in het domein van de bestrijding van de mensenhandel, neemt Vast Comité P zich dan ook voor om terzake aan de commissaris-generaal en de betrokken directeurs-generaal toelichting te vragen omtrent de wijze waarop het hoger genoemde georganiseerd werd of zal worden.

19.                   Politie van en op het verkeerswezen (dossiers nr. 1692/1994 en 17856/2000)

19.1.                  Algemeen kader en onderwerp

Sinds verscheidene jaren onderzoekt het Vast Comité P geregeld de werking van politiediensten of diensten met politiebevoegdheid op het gebied van vervoermiddelen. Zo heeft het verschillende aspecten van de werking van het ambt van de spoorwegpolitie, het ambt van de metropolitie van de metro en van het bovengronds vervoer te Brussel onderzocht.

19.2.                  Verloop van het onderzoek

Gezien de reorganisatie van het politielandschap die sinds 1998 aan de gang is, heeft het Vast Comité P zijn onderzoeken terzake eerst geheroriënteerd en dan nieuw leven ingeblazen. Het heeft zijn vaststellingen en tussentijdse besluiten aan de verschillende bevoegde overheden of instanties meegedeeld. Tot slot heeft het de verschillende onderzoeken gehergroepeerd in een enkel onderzoek, waarbij de volgende punten in overweging worden genomen:

Ø      de uitoefening van het ambt van politie;

Ø      de graad van professionalisering van de betrokken politieambtenaren. In dit opzicht heeft het Vast Comité P met name belangstelling getoond voor de manier waarop de vroegere spoorweg- en zeevaartpolitie in de rijkswacht werden geïntegreerd [19] ;

Ø      de wisselwerking tussen politieambtenaren, ambtenaren met politiebevoegdheid en andere tussenkomende partijen die de openbare veiligheid bevorderen, met name de leden van de betrokken interne bewakingsdiensten;

Ø      de legitimatie van de betrokken politieambtenaren of ambtenaren met politiebevoegdheid [20] , enz.

De afgelopen maanden heeft het Vast Comité P verscheidene contacten en werkvergaderingen gehad met verschillende verantwoordelijken van de spoorwegpolitie, de N.M.B.S. en de M.I.V.B. Zij moeten ons nog een zeker aantal preciseringen geven over de uitoefening van de politiebevoegdheden en de werking van de diensten met politiebevoegdheid binnen hun organisatie, vooraleer wij opnieuw onze standpunten kunnen vergelijken.

Wij wachten nog op verschillende bijkomende inlichtingen of preciseringen.

19.3.                  Tussentijds besluit

In dit stadium van onze opzoekingen en bedenkingen, zijn wij van mening dat:

Ø      politiebevoegdheden en -verantwoordelijkheden toekennen aan emanaties of structuren van de commerciële privé-sector van aard is om disfuncties te veroorzaken;

Ø      de beschouwde taken enerzijds taken van “bewaking” zijn en anderzijds taken die beperkte politiebevoegdheden vereisen;

Ø      voor het aspect ‘bewaking’ een gedachtewisseling is voorzien met het departement van Binnenlandse Zaken. Deze kwestie valt immers niet rechtstreeks onder de bevoegdheid van het Vast Comité P;

Ø      het niet nodig is aan de betrokkenen de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie toe te kennen. Er werd ons immers meegedeeld dat “beëdigde agenten”, bekleed met enkele middelen om als politie te handelen of op te treden (identiteitscontrole, beperkte fouillering, opstellen van proces-verbaal, enz.), zouden moeten volstaan om, naast de veiligheidsvoorschriften, aan specifieke” of “bijzondere” politiebehoeften te voldoen;

Ø      deze politiemiddelen alsook een of andere bijzondere bevoegdheid eveneens nuttig zouden kunnen zijn om de doeltreffendheid van de maatregel te realiseren;

Ø      de politiebevoegdheid waarvan sprake bijzonder – dus absoluut beperkt – is en moet blijven en niet algemeen op een beperkt gebied;

Ø      deze bevoegdheid duidelijk bepaald moet zijn in of krachtens de wet;

Ø      voordat wordt overwogen een kaderwet uit te werken voor de belangrijkste politieoptredens op het vlak van bijzondere politie, een balletje zou kunnen worden opgegooid voor de politie over de vervoermiddelen in ruime zin.


Sectie 3: Opvolgingsverslagen

20.                   Organisatie en werking van een stedelijk politiekorps in Henegouwen (dossier nr. 2272/1998)

Sinds 1 april 2000 heeft het Vast Comité P reeds tweemaal geïnformeerd naar de evolutie van de toestand binnen het politiekorps, in zijn vorige activiteitenverslag betreurde het Vast Comité P namelijk dat dit korps het gedurende lange tijd zonder echte chef had moeten stellen.

De benoeming tot commissaris van een politieagent afkomstig uit een andere gemeente, een maatregel die het Vast Comité P opportuun vond, heeft de noodzakelijke reorganisatie van het politiekorps tot gevolg gehad. De Dienst Enquêtes heeft kunnen vaststellen dat er een nieuwe structuur werd ingevoerd, waarbinnen de politieambtenaren hun taken tot tevredenheid van de korpschef vervullen.

De afwezigheid van nieuwe klachten en aangiften in verband met de sfeer binnen het politiekorps en de werking van dit korps sinds de komst van de nieuwe commissaris wordt door het Vast Comité P beschouwd als een bewijs van goed beheer van het commissariaat.  Het Vast Comité P wordt in deze mening gesterkt door de inlichtingen verzameld door de Dienst Enquêtes.

Het Vast Comité P heeft bijgevolg beslist het toezichtsonderzoek dat op 19 februari 1998 op vraag van de burgemeester werd ingesteld, definitief te klasseren.

21.                   Tuchtprocedure bij de rijkswacht

In het begin van het jaar 2000 heeft het Vast Comité P zijn tussentijds verslag over de tuchtprocedure bij de rijkswacht [21] bekendgemaakt. Ingevolge verscheidene van zijn beslissingen en na dit te hebben besproken met de verschillende hiërarchische overheden van de rijkswacht, werd beslist het onderzoek voort te zetten en de weinige  individuele dossiers die hem werden gemeld door de vertegenwoordigers van verschillende vakbondsverenigingen, te transcenderen. Hierover werd bovendien van gedachten gewisseld met de verschillende vertegenwoordigers van deze verenigingen.
Na verschillende werkvergaderingen, met name met de verschillende verantwoordelijken en officieren van de Algemene Directie human resources, heeft het Vast Comité P beslist zijn onderzoeken en analyses voort te zetten door tien concrete tuchtprocedures waarvan het kennis had genomen, diepgaander te bestuderen.

Het Vast Comité P werd hierover eveneens geïnterpelleerd door bepaalde Parlementariërs, de minister van Justitie en door de Commissie van Verzoekschriften van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Het bestudeerde vraagstuk is bijzonder complex en hoewel het gedeeltelijk aan belang inboet wegens de verschillende aan gang zijnde hervormingen, lijkt het ons evenwel nog steeds even actueel en intens wat bepaalde vragen betreft. De problematiek stelt ten minste een belangrijke vraag over de naleving van de fundamentele rechten en vrijheden van de Mens, met name wanneer een gerechtelijk onderzoek en een puur administratieve procedure samenvallen. Anderzijds zouden bepaalde vragen in verband met de maatregelen van interne orde moeten worden gepreciseerd, misschien zelfs door de Wetgever.

Gezien de omvang en de moeilijkheid van de materie en de te bestuderen dossiers, heeft het Vast Comité P beslist een beroep te doen op externe experten om hem in dit onderzoek bij te staan.     


Sectie 4 : Gezamenlijk onderzoek

22.                   Veiligheidsmaatregelen die binnen de Algemene Politiesteundienst [22] (APSD) werden genomen om het welslagen van de gerechtelijke onderzoeken te waarborgen en meer in het algemeen naar de doelmatigheid van deze dienst

22.1.                  Inleiding

Het eerste deel van dit toezichtsonderzoek werd op 18 december 1997 door het Comité I geopend, ingevolge een aangifte gedaan door een lid van de ‘Commissie SIRENE’ van de APSD omdat de Veiligheid van de Staat een veiligheidscertificaat had afgeleverd aan een personeelslid van deze commissie, dat later in het kader van een gerechtelijk onderzoek werd vervolgd omdat hij inlichtingen aan het misdaadmilieu had doorgespeeld. Toen onderhavig verslag werd opgesteld, was dit gerechtelijk onderzoek nog aan de gang.   
Het Parlement was duidelijk in deze zaak geïnteresseerd, zoals uit verschillende interpellaties die uit die periode dateren, blijkt. [23]

Op 3 februari 1998 werd het toezichtsonderzoek uitgebreid tot een gezamenlijk onderzoek met het Vast Comité P, in toepassing van de artikelen 52 en volgende van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten. De opdrachten van de gezamenlijke Dienst Enquêtes bestonden erin de normen en richtlijnen die op deze problematiek van toepassing zijn, vast te leggen, om daarna de structuren, de samenstelling en de aanwervingsprocedure van de leden van de APSD te omschrijven, alsook het begrip veiligheid dat geldt in deze dienst, waartoe de afdeling ‘SIRENE’ belast met de toepassing van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord behoort.

Op 10 augustus 1998 werd een eerste tussentijds verslag respectievelijk aan de voorzitters van de Senaat, de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van de Comités P en I toegezonden, alsook aan de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken. Dit verslag schetst in grote lijnen de werking van de APSD “wat de veiligheidsmaatregelen betreft die binnen deze dienst werden genomen om het welslagen van de gerechtelijke onderzoeken te waarborgen en meer in het algemeen het onderzoek naar de doelmatigheid van deze dienst”. 
Één van de doelstellingen van dit verslag was een antwoord te formuleren op de vraag wie verantwoordelijk was voor het definiëren en implementeren van de veiligheidsmaatregelen op het niveau van de divisie internationale politiesamenwerking van de APSD (IPS), daar het hoofd van deze divisie in de praktijk geleidelijk aan de eigenlijke controle van de ‘Commissie SIRENE’ had overgenomen, ten nadele van de directeur en later ook van de directeur a.i. van deze commissie.

Het tussentijds verslag maakte eveneens melding van de talrijke moeilijkheden die men tijdens de zoektocht naar het antwoord op deze vraag had ondervonden.
Problemen zoals antagonisme, rivaliteit tussen personen uit verschillende politiekorpsen leken inderdaad vaste vorm te hebben gekregen in de werking van de ‘Commissie SIRENE’. 
Deze werkingsproblemen hadden geleid tot een bevriezing van de uitwisseling van informatie over de bescherming van gegevens en waarborgden niet langer het behoud van het veiligheidsniveau; wat sinds 1995 door de directeur van de ‘Commissie SIRENE’ werd aangeklaagd. Deze moeilijkheden hadden eveneens geleid tot een minder duidelijke bepaling van de verantwoordelijkheden in geval van ‘informatielekken’.
De gerechtelijke zaak bracht al deze problemen, waarmee de Algemene Politiesteundienst sinds 1995 kampt, aan het licht.
Na op die manier een hele reeks van disfuncties die duidelijk een klimaat van politieoorlog, met als inzet het beheer van informatie, weergeven, aan het licht te hebben gebracht, beval het tussentijds verslag in hoofdzaak aan de veiligheidsproblemen op te lossen door de voorschriften voorzien in artikel 118,1°, 2°, 3° en 4° van de Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord [24] ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in dit systeem feitelijk en nauwgezet na te leven. 

In zijn brief van 24 augustus 1998 drukte de minister van Justitie zijn terughoudendheid uit over de mogelijkheid om het verslag van het gezamenlijk toezichtsonderzoek in de jaarverslagen 1998 van de Vaste Comités P en I op te nemen. 
Om zijn standpunt kracht bij te zetten, wees de minister van Justitie op de aan gang zijnde politiehervorming en, in dat opzicht, op het voorstel om de APSD op te nemen in de Algemene directie belast met de operationele steun binnen de toekomstige federale politie. Hij maakte anderzijds gewag van de wijzigingen die net waren aangebracht [25] aan de structuur en de werking van de beheersorganen van de APSD om een einde te maken aan de problemen die er in het verleden op het vlak van het beslissingsproces waren en die de goede werking van de dienst in de weg stonden.  Hij wees er eveneens op dat reeds met andere relevante opmerkingen van het onderzoeksverslag rekening werd gehouden.  Tot slot vestigde hij er de aandacht op dat de publicatie van het verslag het goede verloop van het lopende gerechtelijke onderzoek, dat niet enkel de aangeklaagde persoon aanbelangt, maar eveneens de werking van de APSD, de afdeling IPS en de dienst SIRENE in het bijzonder, zou kunnen schaden.  

In zijn brief van 7 september 1998 nam de minister van Binnenlandse zaken een gelijkaardig standpunt in. [26]

Het deel van het onderzoek dat enkel betrekking heeft op “de voorwaarden voor de toekenning van een veiligheidscertificaat aan een persoon beschuldigd van diefstal van documenten” werd echter wel opgenomen in het activiteitenjaarverslag 1998 van het Vast Comité I [16]   in toepassing van artikel 37 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten.   

22.2.                  Vervolg van het onderzoek

Op 1 februari 1999 werd een tweede luik van het gezamenlijk onderzoek geopend. Doelstelling hiervan was de controle op de veiligheidsonderzoeken betreffende het personeel na te streven alsook de controle van de veiligheid in het algemeen (de lokalen, de functie van de veiligheidsofficier, informatica, fotokopieermachines, de terbeschikkingstelling van afluisterapparatuur).
Wij wensen er meteen op te wijzen dat dit tweede deel van het onderzoek heel wat vertraging heeft opgelopen als gevolg van interne werkingsmoeilijkheden van het vroegere Vast Comité P en van het ontslag van verscheidene van zijn leden.  Het eindverslag van dit aanvullend onderzoek werd op 15 okober 1999 aan beide Comités bezorgd. 

De nieuwe leden van het Vast Comité P werden op 18 november 1999 aangesteld en traden op 26 november 1999 in dienst.  Van die datum af konden deze laatsten, bovendien geconfronteerd met velerlei prioritaire zaken, zich eveneens aan het heronderzoek van het volledige dossier wijden. 

Ondanks deze elementen en hoofdzakelijk het feit dat, in het kader van de organisatie van de nieuwe federale politie, de divisie ‘Internationale Politiesamenwerking’ - waartoe ‘SIRENE’ behoort – vandaag is opgenomen in de algemene directie III, belast met operationele steun [27] , achten de Vaste Comités P en I het noodzakelijk, in toepassing van artikel 53 van voornoemde wet van 18 juli, dit gezamenlijk onderzoek af te sluiten en verslag uit te brengen aan het Parlement en aan de minister van Justitie om hen de de kern van de besluiten van het aanvullende onderzoek mee te delen.
Deze besluiten zijn een vervolg op de vaststellingen van het tussentijds verslag en geven vooral de evolutie weer op het vlak van veiligheid, die uit dit eerste verslag voortvloeit.  Ze onderstrepen anderzijds de noodzaak van de ontwikkeling, het behoud en de toepassing van de gepaste veiligheidsregels, met name op het vlak van informatica, alsook de noodzaak om de middelen te leveren die onontbeerlijk zijn om het resultaat te waarborgen dat wordt vereist door de ‘Overeenkomst ter uitvoering van het Schengenakkoord’ of door de ‘Europolovereenkomst’ die België heeft ondertekend.   
Zo heeft de gezamenlijke Dienst Enquêtes vastgesteld dat het veiligheidsprobleem binnen de divisie Internationale Politiesamenwerking (IPS) volop in gunstige zin evolueerde. 
Het verhaal van de divisie IPS heeft aangetoond dat, algemeen gezien, het gevaar niet steeds van buitenaf komt, maar ook van binnenuit.  Het was nodig om zich hiervan bewust te worden en dit is blijkbaar gebeurd, zoals de enquêteurs tijdens nieuwe bezoeken ter plaatse hebben vastgesteld.  De veiligheidsinstructies zijn zeer precies en de veiligheidsofficier werkt momenteel voltijds om het veiligheidsniveau te verbeteren.  De divisie IPS kreeg adequate technische controlemiddelen toegewezen. Het administratief beheer en de archiefverwerking van de dossiers voldoen eveneens aan precieze veiligheidscriteria. 

Er is een gevoelige verbetering vastgesteld voor de veiligheidsenquêtes die werden uitgevoerd bij de aanwerving van personeelsleden, zowel politiemensen als burgers.  Vragen in verband met veiligheidsonderzoeken worden gericht aan de Nationale Veiligheidsoverheid die, nadat zij tot de gebruikelijke onderzoeken is overgegaan, een veiligheidsmachtiging van het niveau “zeer geheim” aflevert.
De Vaste Comités P en I vragen zich af hoe deze procedure zal worden toegepast nu de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen op 1 juni 2000 van kracht is geworden.  De artikelen 8 en 10 van deze wet staan immers een uitzondering toe op de verplichting om houder te zijn van een veiligheidsmachtiging voor de gerechtelijke overheden wat hun eigen bevoegdheden betreft, en anderzijds bepaalt artikel 24 § 4 van het koninklijk besluit van 24 maart 2000, ter uitvoering van de wet, dat “geen enkele vraag om veiligheidsmachtiging aan de voorzitter van de Nationale Veiligheidsoverheid mag worden gericht voor de leden van de rijkswacht of andere politiediensten”. 
Op het vlak van informatica bestaan er controleinstrumenten en werden bepaalde technieken voor het beheer van informatie ingevoerd om in de toekomst elk misbruik in het kader van niet toegestane toegang tot informatie te voorkomen. [28]    
Al deze elementen die als voorbeeld werden aangehaald, waren nog niet gekend toen het tussentijds verslag werd opgesteld.  De problemen die werden ondervonden, zijn evenwel van die aard dat zij, op elk niveau, een permanente en uiterst nauwkeurige evalutie vereisen teneinde de doelmatigheid van de gerechtelijke onderzoeken te waarborgen, zowel op nationaal als op internationaal vlak, en daarbij eveneens de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en de bescherming van personen te garanderen. 

De toevoeging van artikel 257bis [29] aan de wet van 7 december 1998 betreffende de organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus [30] laat toe tijdelijk, vanaf 1 januari 2001, een zekere controle en toezicht op de politiediensten – twee opdrachten van het toekomstige federale parket – te concretiseren.   
De Vaste Comités P en I zullen, binnen het kader van hun wettelijke opdrachten, aandachtig blijven volgen hoe de veiligheidsproblemen die het voorwerp zijn van dit onderzoek in de nieuwe politieomgeving evolueren. 

Onderhavig verslag werd door de Vaste Comités P en I goedgekeurd tijdens hun gezamenlijke vergadering van 9 februari 2001.



[1]      De bijlagen zullen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P (www.comitep.be).

[2]      Idem.

[3]      De bijlagen zullen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P (www.comitep.be).

[4]      De bijlagen zullen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P (www.comitep.be).

[5]      Idem.

[6]      De bijlagen zullen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P (www.comitep.be).

[7]      De bijlagen zullen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P (www.comitep.be).

[8]      De bijlagen zullen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P (www.comitep.be).

[9]      Idem.

[10]      De bijlagen zullen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P (www.comitep.be).

[11]      De bijlagen zullen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P (www.comitep.be).

[12]     Zie hiervoor ook punt 52 en de bijlage die aan het Parlement werd overhandigd betreffende het onderzoek naar de APSD, meer in het bijzonder wat de mensensmokkel betreft.

[13]     De bijlagen zullen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P (www.comitep.be).

[14]     Idem.

[15]     De bijlagen zullen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P (www.comitep.be).

[16]       Activiteitenjaarverslag 1998 van het Vast Comité I, p. 217 tot 286.



[1]    Deze commissie wordt in dit verslag de Begeleidingscommissie genoemd.

[2]    Aanvullend activiteitenverslag 1999 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten. Parl. St., Kamer, 1999-2000, nr. 50-0827.

[3]    Zie Aanvullend activiteitenverslag 1999-2000, op.cit., respectievelijk p. 51-56, 56, 57-58, 59-66, 66-70 en 70-77.

[4]    Ibid., respectievelijk p. 44-45, 45-46, 46-47 en 47-51.

[5]    Brief van de procureur des Konings van 4 oktober 2000.

[6]    Deze voorstellen en aanbevelingen werden, onder druk van de omstandigheden, slechts in de loop van het jaar 2000 aan de korpschefs meegedeeld.

[7]    Een overzicht van de antwoorden per 101-centrale is beschikbaar bij het Vast Comité P.

[8]    Allaerts, D. en Schoenaers, F., De eeuwige twistappel: de organisatie van de afhandeling van de interventieaanvragen van de bevolking, niet gepubliceerd (publicatie van een korte synthese in: Politiejournaal, nr. 15, 30 september 2000). 

[9]      Gebruikershandleiding IPOG – Rijkswacht DGS/DST 1996.

[10]   Ibidem.

[11]   Carlier R., ASTRID maakt werking van lokale hulp- en veiligheidsdiensten efficiënter in De Gemeente, 1999-5, p. 62-64.

[12]   B.S. van 13 juni 1998.

[13]    De ASTRID-systemen. Een inhaalbeweging voor de communicatie van de hulp- en veiligheidsdiensten in Handboek Politiediensten, Afl. 54, oktober 2000.

[14]   B.S. van 25 april 1995.

[15]   Gewijzigd op 5 maart 1992.

[16]   Centraal Bureau der Opsporingen (C.B.O.) en Nationale Brigade (B.N.B.).

[17]   Zie ook bijlage I van dit verslag.

[18]    Zie nochtans X, Een beter begrip van de politiestatistieken, APSD, Brussel, Politeia, 2000.

[19]   Zie o.a. Aanvullend activiteitenverslag 1999 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Parl. St., Kamer, 1999-2000, nr. 50-827/001, p. 77-78.

[20]   In het verlengde van bepaalde dossiers, heeft het Vast Comité P belangstelling gehad voor de kwestie van de legitimatie van de politieambtenaren of ambtenaren met politiebevoegdheid. Als bijlage J vindt u hiervan een synthese.

[21]    Zie o.a. Aanvullend activiteitenverslag 1999 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, op. cit., p. 45-47 en bijlagen.

[22]   Sinds 1 januari 2001 en ingevolge de politiehervorming bestaat de APSD als dusdanig niet meer. De taken van deze dienst werden overgenomen door de Algemene directie voor operationele steun (Algemene directie III).

[23]   Zie pagina’s 4 en 5 van het tussentijds verslag van 10 augustus 1998 waarvan sprake infra.

[24]   Artikel 118

1°    Elk der overeenkomstsluitende partijen verbindt zich ertoe om voor haar nationale deel van het Schengen-informatiesysteem passende maatregelen te treffen opdat:

onbevoegden de toegang tot de voor de persoonsregistraties gebezigde automatiseringsapparatuur wordt ontzegd (controle op de toegang);

wordt voorkomen dat gegevensdragers door onbevoegden kunnen worden gelezen, gekopieerd, veranderd of verwijderd (controle op de gegevensdragers);

onbevoegde opslag in het geheugen, alsmede onbevoegde kennisneming, wijziging of verwijde-ring van opgeslagen persoonsgegevens wordt voorkomen (controle op de opslag);

wordt voorkomen dat geautomatiseerde registratiesystemen door middel van datatransmissieapparatuur door onbevoegden kunnen worden gebruikt (controle op de gebruikers);

wordt gewaarborgd dat de personen die tot gebruik van een geautomatiseerd registratiesysteem gemachtigd zijn, uitsluitend toegang hebben tot gegevens waarop hun machtiging betrekking heeft (controle op de toegang);

wordt gewaarborgd dat naderhand kan worden nagegaan en vastgesteld welke persoonsgegevens  wanneer en door wie in een geautomatiseerd registratiesysteem zijn opgenomen (controle op de overdracht);

wordt gewaarborgd dat naderhand kan worden nagegaan en vastgesteld welke persoonsgegevens wanneer en door wie in een geautomatiseerd registratiesysteem zijn opgenomen (controle op de opneming);

wordt voorkomen dat bij de overdracht van persoonsgegevens, alsmede bij transport van  gegevensdragers de gegevens op onbevoegde wijze worden gelezen, gekopieerd, gewijzigd of verwijderd (controle op het transport).

2° Iedere overeenkomstsluitende partij dient bij overdracht van gegevens aan buiten het grondgebied van de overeenkomstsluitende partijen gevestigde instanties bijzondere voorzieningen inzake gegevensbeveiliging te treffen. Hiervan dient aan de gemeenschappelijke controle-autoriteit mededeling te worden gedaan.   

3°  Iedere overeenkomstsluitende partij wijst ten behoeve van de gegevensverwerking in het nationale deel van het Schengen-informatiesysteem slechts personen aan die een passende opleiding hebben genoten en een veiligheidsonderzoek hebben ondergaan. 

4.° De voor de technisch ondersteunende functie verantwoordelijke overeenkomstsluitende partij treft voor deze functie de in de leden 1 tot en met 3 genoemde maatregelen. 

[25]   Zie hiervoor de overwegingen van het K.B. van 11 juni 1998 tot wijziging van het K.B. van 11 juli 1994 over de APSD (B.S. van 2 juli 1998) dat voorziet in de uitbreiding van de raad van bestuur met twee leden, met name een vertegenwoordiger van de bestuurlijke overheden en een vertegenwoordiger van de gerechtelijke overheden, het nemen van beslissingen bij meerderheid in plaats van bij consensus en ten slotte de vervanging van het driekoppige directiecomité door een directeur.

[26]   Voor het tussentijds verslag, zie Parl. St., Kamer, 49ste Zittingsperiode, 1998-1999, Beknopt verslag, COM 14 december 1998.

[27]   Een andere opdracht van deze Algemene directie bestaat in het beheer van de nationale gegevensbank bedoeld in artikel 44/4 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Zie ook artikel 10 van het K.B. van 3 september over de bepaling van de Algemene directies van de federale politie en de onderlinge verdeling van de opdrachten van de federale politie.

[28]   Artikel 18 van voornoemd koninklijk besluit van 24 maart 2000 bepaalt dat “de technische beschermingsmaatregelen en telecommunicatiesystemen en –netwerken voor geclassificeerde gegevens en van informaticasystemen en –netwerken waarin geclassificeerde gegevens worden opgeslagen, behandeld of doorgestuurd, worden bepaald door het Ministerieel Comité voor inlichting en veiligheid”.

[29]    Wet van 22 december 2000 (B.S. van 29 december 2000).