Jaarverslag 2002
1. Concretisering van zijn werkingsprincipes
1.1. Algemeen kader
1.2. Verdeling van de opdrachten en taken
1.3. Overleg of contacten met verscheidene andere partners, actoren of betrokkenen
Hoofdstuk I: Toezichts- en opvolgingsonderzoeken
Afdeling 2: Rechten van de mens en doelmatigheid in het kader van het politiebeleid
3.1. Doorgangscellen (amigo's) en opsluitingen in commissariaten
3.2. Vrijheidsberovingen, fouilleringen en beheer van (tijdelijk) ingehouden of in beslag genomen bezittingen of goederen
3.3. Gebruik van geweld, meer in het bijzonder door wapens
3.4. Onthaalfunctie
3.5. Relatie politie - woonwagenbewoners
3.6. Relatie politie - kansarmen
3.7. 101-centrales3.7.1. Algemeen kader
3.7.2. Voornaamste vaststellingen
3.7.3. Vooruitzichten
3.7.4. Opvolging3.8. Toezicht op de functie intern toezicht
3.9. Van handhaving en herstel van de openbare orde naar een genegotieerd politioneel beheer van de publieke ruimte3.9.1. Algemeen kader
3.9.2. Voornaamste vaststellingen
3.9.3. Voornaamste conclusies en aanbevelingen4.1. Steun van de federale component aan de lokale component
4.1.1. Algemeen kader
4.1.2. Voornaamste conclusies
4.1.3. Opvolging4.2. Werkwijze en optreden van de politiediensten die te maken hebben met het fenomeen prostitutie
4.2.1. Algemeen kader
4.2.2. Voornaamste conclusies
4.3.3. Voornaamste aanbevelingen5. Implementatie van het algemeen veiligheidsbeleid onder het gezag van de gerechtelijke overheden
5.1. Rekrutering en beheer van informanten
5.2. Verscheidene bijzondere gerechtelijke onderzoeken6.1. Discriminatie, intolerantie en racisme bij politieambtenaren
6.2. Slachtofferonthaal en geweld tussen partners
6.3. Diverse administratieve vragen
6.4. Tuchtbeleid
Afdeling 3: Doelmatigheid en coördinatie
7. Verzameling, verwerking, terbeschikkingstelling en archivering van informatie
7.1. Informatiebeheer bij de geïntegreerde politie
7.2. Websites gewijd aan geseinde of op te sporen personen en de interactie tussen burgers en politie via internet7.3. Politionele criminaliteitsstatistieken7.3.1. Algemeen kader
7.3.2. Voornaamste vaststellingen
7.3.3. Voornaamste conclusies en aanbevelingen8. Nationale en internationale samenwerking
8.1. Verbindingsofficieren
8.2. Samenwerking inzake mensensmokkel en politionele opvolging van het fenomeen mensensmokkel8.2.1. Voornaamste vaststellingen
8.2.2. Voornaamste conclusies
8.2.3. Voornaamste aanbevelingen9. Coördinatie en samenwerking op het terrein
9.1. Inleiding
9.2. Geïntegreerde en gecoördineerde politionele acties9.2.1. Algemeen kader
9.2.2. Eerste vaststellingen
9.2.3. Eerste conclusies
10. Capaciteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
11. Toezichtsonderzoeken in verschillende zones
12. Opvolgingsonderzoeken sensu stricto
13. Beheer van de bewapening bij de geïntegreerde politie
14. Inleiding
15. Politie over het vervoer
Hoofdstuk II: Globale monitoring van de politiediensten
16. Enkele inleidende beschouwingen
17. Structuren17.1.1. Inleiding
17.1.2. Aantal zones
17.1.3. Integratie
17.1.4. Human resources management
17.1.5. Administratief beheer
17.1.6. Functie van intern toezicht17.2.1. Audit van Price Waterhouse Coopers over de werking van de federale politie
17.2.2. Bestuurlijke directeur-coördinator
17.2.3. Gerechtelijke directeur
17.2.4. Relatie lokale politie - federale politie18.1. Reglementering, omzendbrieven, richtlijnen, enz
18.2. Gehypothekeerde capaciteit
18.3. Toezicht19.1. Statuut
19.2. Rekrutering, opleiding en intreding
19.3. Mobiliteit
19.4. Personeelskader
19.5. Operationele capaciteit
19.6. Sociaal secretariaat
19.7. Tuchtraad
19.8. Andere actoren21.1. Financiering
21.2. Infrastructuur
21.3. Astrid
21.4. Computer Crime Unit
21.5. Uniform22. Enkele beschouwingen over verschillende positieve en minder positieve punten van de hervorming
23. Op weg naar een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus
24. Inleiding
25. Dossiers met betrekking tot klachten en aangiften
26. Dossiers met betrekking tot gerechtelijke onderzoeken
27. Dossiers in behandeling
28. Diverse aangeklaagde feiten
30. Evaluatie van de informatie over vonnissen en arresten en over lopende opsporings- en gerechtelijke onderzoeken
31. Evaluatie van de informatie overgemaakt op basis van artikel 14bis, 2de lid32. Evaluatie van de informatie overgemaakt op basis van artikel 14bis, 1ste lid
32.1. Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie
32.2. Federale politie
32.3. Lokale politie
Hoofdstuk III : Enkele bijzondere beschouwingen over de gevoerde onderzoeken of behandelde dossiers
33. Onvoldoende kennis van de wet op het politieambt
34. Respect voor de privacy
35. Gebrekkig primair gerechtelijk werk
36. Opportuniteit naast wettelijkheid
37. Machts(ge)(mis)bruik
38. Intimiderend optreden
39. Vermeende partijdigheid
40. Klachtenbeheer door de diensten intern toezicht
41. Onbeleefdheid
42. Niet optreden ingevolge burgerlijke klachten
43. (On)herkenbaar optreden
44. Bescherming van het recht op eigendom
45. Takelen van voertuigen
Hoofdstuk IV: Enkele bijzondere conclusies en aanbevelingen
46. Inleiding
47. Houding tegenover de burgers en de rechten van de mens
48. Coördinatie
49. Doeltreffendheid sensu lata
50. Opvolging van de implementatie van de wet van 7 december 1998
51. Kritische succesfactor: de effectieve informatiedoorstroming
Voorwoord
Gezien de bepalingen van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, die zeer recent werd gewijzigd door de wetten van 3 mei 2003 [ i 1 ], de gedachtenwisseling hierover met de Voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de verkiezing van de federale wetgevende kamers van 18 mei 2003, is het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten zich ervan bewust dat het enige tijd kan duren vooraleer zijn activiteitenverslag 2002 zal worden besproken in de bijzondere Commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten. In dit opzicht en gelet op de veelheid en verscheidenheid aan regelgeving die sinds 1 januari 2002, en zelfs na de redactie van dit verslag, is uitgevaardigd, dient voor ogen te worden gehouden dat sommige aspecten van dit jaarverslag op het ogenblik van de bespreking met de Parlementaire begeleidingscommissie achterhaald zullen zijn of aan pertinentie zuIlen hebben ingeboet.
Uiteraard is dit eigen aan ieder jaarverslag, maar het is hier des te meer het geval aangezien in de beschreven periode het nieuwe politielandschap verder werd in plaats gesteld. Het Vast Comité P meent evenwel dat dit veranderingsproces het best als afgesloten wordt beschouwd en het zal dan ook de volgende werkingsjaren de politiewerking eerder bekijken tegen de achtergrond van een permanent verbeteringsproces.
Zoals hiertoe reeds in het jaarverslag 2001 de aanzet werd gegeven, werd getracht het jaarverslag 2002 zodanig te structureren dat zowel aan de behoeften van de geïnteresseerde lezer als van de specialist wordt voldaan. Aldus bevat het eerste deel, het 'corpus', een synthese van de voornaamste krachtlijnen van het door het Vast Comité P aangekondigde en gevoerde beleid, de uitgevoerde onderzoeken en analyses en de geplande acties voor de toekomst. In de bijlagen [ i 2 ] wordt op een meer volledige en gedetailleerde wijze verslag uitgebracht.
Tevens moet er rekening mee worden gehouden dat in het afgelopen jaar over een aantal onderzoeken door het Vast Comité P reeds verslag werd uitgebracht aan de bijzondere Commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten. Het Vast Comité P is voornemens deze politiek van verslaggeving aan de begeleidingscommissie voort te zetten en aldus zijn rol van toezichtsorgaan zo adequaat mogelijk te vervullen, ten opzichte van de politiediensten en -ambtenaren, de burger maar ook en bij voorrang van het Parlement.
Met dit jaarverslag meent het Vast Comité P gestalte gegeven te hebben aan zijn fundamentele opdracht, met name als extern ondersteunend orgaan van het Parlement bij te dragen tot de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden van elke burger en intrinsiek tot de verhoging van het vertrouwen in het politiebestel. Hiertoe oefent het Comité toezicht uit op het politiesysteem zoals dit door de uitvoerende macht wordt ingevuld met als doel een totaalbeeld ervan te ontwikkelen, eventuele problemen te identificeren en tot slot, indien nodig, nuttige of nodige verbeteringen of wijzigingen aan het politiesysteem voor te stellen.
Meer nog dan in het verleden heeft het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten bijzondere aandacht besteed aan een proactieve en constructieve aanpak van de geschetste problemen. Niettegenstaande in dit jaarverslag geregeld de begrippen 'controle' en 'disfuncties' vermeld worden, wenst het Vast Comité P dan ook duidelijk te stellen dat het zijn onderzoeken voert vanuit een positieve ingesteldheid en met de bedoeling bij te dragen tot een betere politiewerking. De begrippen mogen dan al negatief klinken en inherent zijn aan een toezichtsorgaan, het dient benadrukt dat zij zeker zo niet gehanteerd worden in de dagelijkse werking van het Comité P en zijn Dienst Enquêtes.
De in dit jaarverslag vermelde en ontwikkelde vaststellingen tonen ook aan dat het Vast Comité P zo transparant als mogelijk wenst te werken en in partnerschap met andere instellingen die soortgelijke doelen nastreven.
Tot slot, stemt de goede samenwerking met zijn Parlementaire begeleidingscommissie in het afgelopen jaar het Vast Comité P hoopvol dat het ook naar de toekomst zijn politiek van regelmatige verslaggeving en dialoog met het Parlement nog zal kunnen intensifiëren en het aldus ook in staat zal zijn, naar de burgers, de politiediensten en de bevoegde overheden toe, zijn opdrachten met nog meer efficiëntie te vervullen.
Algemene inleiding
1. Concretisering van zijn werkingsprincipes
1.1. Algemeen kader
In zijn jaarverslag 2001 [ i 3 ], en in mindere mate in zijn jaarverslag 2000, heeft het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, met instemming van zijn Parlementaire begeleidingscommissie en na rijp beraad binnen het Comité niet alleen getracht zijn werkingsprincipes te verduidelijken, maar heeft het zich vooral tot taak gesteld deze principes concreet in praktijk te brengen doorheen de meest diverse activiteiten, contacten en verwezenlijkingen. Deze concretisering, die zich ook heeft vertaald in de verschillende lopende onderzoeken, was eveneens één van de hoofddoelstellingen van zijn werkingsjaar 2002-2003, dat stilaan plaats maakt voor het nieuwe onderzoeks- en observatieprogramma 2003-2004.
Zo waren de gedachtewisselingen en de werkzaamheden met de Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten erg succesvol. Deze commissie heeft niet enkel het werkingsprogramma van het Comité goedgekeurd en het nieuwe opdrachten en taken toevertrouwd, ze heeft een deel van haar werkzaamheden besteed aan de grondige voorbereiding van twee wetsvoorstellen tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, die door de Senaat respectievelijk tijdens de plenaire zittingen van 27 maart en 3 april 2003 [ i 4 ] werden goedgekeurd. Wij komen hier elders op terug.
Het overleg dat in 2001 en 2002 met diverse partners werd aangevat, werd onverminderd voortgezet. Er vonden verscheidene constructieve gesprekken en vruchtbare werkvergaderingen plaats, zowel met de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie als met de commissaris-generaal van de federale politie, alsook met hun naaste medewerkers. Met elk van hen werd een specifiek protocol afgesloten [ 1 ] en geleidelijk aan ten uitvoer gebracht. De bepalingen van deze protocollen worden ook steeds beter nageleefd, hoewel er nog een aantal moeilijkheden of problemen blijven bestaan. Wat de federale politie betreft, heeft het Vast Comité P een werkvergadering gehad met de commissaris-generaal en met verscheidene directeurs-generaal en hun naaste medewerkers, waaronder een overigens schitterende - ad hoc globale uiteenzetting over de hervorming van de federale politie, waarin heel wat lessen werden getrokken en veel referte-elementen werden aangereikt voor de huidige en toekomstige analyses van het Vast Comité P. Ook met de inspecteur generaal van de federale politie en van de lokale politie hebben bijzonder constructieve besprekingen plaatsgehad, meer in het bijzonder met betrekking tot de verdeling van de taken tussen de Dienst Enquêtes P, de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, de diensten of personen die de functie 'intern toezicht' waarnemen en verschillende andere componenten van de geïntegreerde politie. We komen hier later op terug. Er werden ook besprekingen gevoerd met de algemene inspectie met betrekking tot de toezending van gegevens inzake klachten en aangiften zoals ingesteld door artikel 14bis, § 1 van de wet van 18 juli 1991 en door artikel 31 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001, inzake de uitwisseling van bepaalde informatie tussen het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, de Algemene inspectie en verschillende andere componenten van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus. Tevens werd voorzien in de eerste opvolgingsvergadering over de uitvoering van het protocol tussen het Vast Comité P en de Algemene inspectie. Wij kunnen evenwel niet voorbijgaan aan de aangevoelde malaises en aan bepaalde misverstanden die eind vorig jaar zijn ontstaan. Het Comité heeft de indruk dat deze het gevolg zouden kunnen zijn van of gebonden zouden kunnen zijn aan de ontwikkeling en de implementatie van een strategie door de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, alsook van de houding of de initiatieven van sommige van haar leden of van sommige andere 'gecontroleerden', waarop het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten reeds eerder de aandacht van zijn Parlementaire begeleidingscommissie heeft getrokken. Het is evenmin uitgesloten dat deze misverstanden of malaises werden ingegeven of versterkt door sommige bezorgdheden, voornamelijk statutair van aard, in hoofde van sommige personen. In het kader van de huidige politiehervorming zou dit immers lang geen uitzondering zijn.
Hoewel bepaalde recente contacten en ontwikkelingen erop lijken te wijzen dat de misverstanden en malaises stilaan verdwijnen, achtte het Vast Comité P het onontbeerlijk de voorzitter van de Begeleidingscommissie hierover in te lichten, hierover van gedachten te wisselen met dezelfde commissie, alsook verscheidene afspraken te maken met de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie. Daarenboven zullen de wijzigingen die door de wetten van 3 mei 2003 werden aangebracht aan de wet van 18 juli 1991 meer dan waarschijnlijk een duidelijker licht werpen op de situatie en zal het engagement van mensen van goede wil die deze wetten dienen toe te passen, de laatste twijfel wegnemen en bijgevolg elk van beide instellingen, elk met haar specificiteiten en kenmerken, in staat stellen haar steentje bij te dragen tot een betere organisatie van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus door toe te zien op de goede werking ervan.
1.2. Verdeling van de opdrachten en taken
De problematiek van de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie door de Dienst Enquêtes werd heraangepakt en opnieuw bekeken in het licht van artikel 16, 4de lid van de wet van 18 juli 1991 en artikel 143ter van het Gerechtelijk wetboek. Het College van procureurs-generaal werd ingelicht van de zienswijze van het Vast Comité P, zoals die reeds ter kennis werd gebracht van de minister van Justitie. In het verlengde van een eerste gedachtewisseling, vond overleg plaats met de Raad van procureurs des Konings op 8 juni 2001 en met een delegatie van deze Raad op 26 juni 2001, 6 september 2001 , 4 februari 2002 en 28 februari 2002. Later volgden nog verscheidene contacten met verschillende procureurs-generaal of procureurs des Konings. Er kon reeds een consensus worden bereikt omtrent een ontwerp tot uniformisering van de uitwisseling van informatie betreffende strafvervolgingen ten laste van politieambtenaren. De verdere besprekingen hadden meer in het bijzonder betrekking op een aanpassing van de taakverdeling tussen de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de reguliere politiediensten.
Bij deze diverse besprekingen heeft het Vast Comité P bevestigd dat het wat zijn Dienst Enquêtes betreft o.a. uitgaat van het specialisatie- en subsidiariteitsbeginsel, zoals dit meermaals werd herhaald door het Parlement [ 2 ] en door de betrokken ministers, namelijk dat de gerechtelijke onderzoeken moeten worden beperkt tot feiten waarvoor het verantwoord is een beroep te doen op gespecialiseerde enquêteurs en dat de Dienst Enquêtes in de eerste plaats de opdrachten van het Vast Comité P moet uitvoeren, vooreerst ten bate van het Parlement, dan van andere intervenanten of overheden zoals bepaald in de wet van 18 juli 1991. De zeer recente wijziging van deze wet gaat trouwens ook duidelijk in deze richting.
De absolute vereiste dat bij onderzoeken ten laste van politieambtenaren moet worden vermeden dat een schijn van partijdigheid zou worden gewekt, mag evenmin uit het oog worden verloren. Daar waar de gerechtelijke overheden vóór de politiehervorming een grote keuzemogelijkheid hadden om voor vaststellingen en onderzoeken ten laste van politieambtenaren een beroep te doen op een andere politiedienst dan deze waarvan de politieambtenaar deel uitmaakte, is deze keuzemogelijkheid sinds 1 januari 2002 aanzienlijk beperkt. Tevens is het niet aangewezen dat voor elke 'banale' zaak een beroep wordt gedaan op de Dienst Enquêtes P. Het is bijgevolg in deze optiek dat het Vast Comité P van oordeel is dat - naast de Algemene inspectie, die onafhankelijk en extern optreedt ten opzichte van de geïntegreerde politie - elke component van zekere omvang van de geïntegreerde politie zou moeten kunnen beschikken over een structuur of een persoon die de functie 'intern toezicht' waarneemt (of een dienst 'intern toezicht') die, weliswaar onder het rechtstreekse toezicht en de verantwoordelijkheid van de korpschef, onafhankelijk van de andere geledingen van het korps kan optreden.
Al deze besprekingen hadden normaliter eerder snel moeten zijn afgerond en de minister van Justitie had dan, in toepassing van artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek, net zo snel richtlijnen kunnen uitvaardigen, zoals voorzien in artikel 16 van de wet van 18 juli 1991 en krachtens deze wettelijke bepaling voorgesteld door het Vast Comité P. Wij moeten echter tot onze spijt vaststellen dat, bijna twee en een half jaar later, wij nog steeds geen reactie die naam waardig hebben ontvangen, noch van de betrokken minister noch van zijn diensten. Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten begrijpt dit niet goed en wenst de bijzondere aandacht van zijn Parlementaire begeleidingscommissie hier dan ook op te vestigen.
Niettegenstaande in het kader van welbepaalde dossiers of specifieke werkvergaderingen verschillende opbouwende contacten en gedachtewisselingen konden tot stand worden gebracht met verscheidene procureursgeneraal of procureurs des Konings, betreurt het Comité dat de meer institutionele contacten tussen het College van procureurs-generaal, het Federaal parket of de Raad van procureurs des Konings of hun vertegenwoordigers, alsook deze met de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie in 2002 enige vertraging hebben opgelopen. In dit verband zal het Vast Comité P meer aandacht moeten schenken aan de regelmaat, de relevantie en de kwaliteit van deze contacten.
1.3. Overleg of contacten met verscheidene andere partners, actoren of betrokkenen
Er vonden eveneens, al dan niet voor de eerste keer, interessante gedachtewisselingen plaats met o.a. de Tuchtraad, het Centrum voor gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, de federale ombudsmannen, de Raad van Europa, alsook met wetenschappelijke of niet-gouvernementele instellingen of organen zoals Intercenter, International Commission against Corruption (ICAC), Beweging tegen Racisme en Antixenofobie (MRAX-BRAX), de Liga voor de rechten van de mens, Amnesty International, enz. en tot slot met sommige diensten van de universiteiten van Luik, Gent, Leuven en Brussel.
Het Vast Comité P heeft zijn beleid van openheid en transparantie in het jaar 2002 voortgezet. Zo heeft het deelgenomen aan werkzaamheden van de jaarlijkse vergadering van de vereniging van de Belgische politievrouwen, die trouwens plaatsvond in de lokalen van het Comité. Het Vast Comité P heeft, met de steun van het Parlement, een internationale conferentie georganiseerd met als thema "Policing - Ethics and Corruption». Dit colloquium, waaraan delegaties van 23 landen deelnamen, vond plaats in de gebouwen van het Parlement van 29 september 2002 tot 4 oktober 2002 [ 3 ] .
Op 30 oktober 2002 ontving het Vast Comité P in zijn lokalen een Bulgaarse delegatie onder leiding van de vice-minister van Binnenlandse Zaken. Deze delegatie had interesse betoond voor de controle en het toezicht op de politiediensten en de politiewerking. Enkele weken later kwam een Roemeense delegatie naar België. Deze wenste tevens inlichtingen te verkrijgen over de werking van het toezicht op de politiediensten. De leiding van de federale politie achtte het nochtans niet nuttig het Vast Comité P hierbij te betrekken, niettegenstaande onze instelling reeds eerder het initiatief had genomen om alle toezichts- en controleorganen van de EU-lidstaten samen te brengen om enerzijds de specifieke werking van de verschillende diensten te leren kennen en anderzijds de werking en samenwerking van de verschillende diensten te bespreken in het kader van de politionele samenwerking in EU-verband [ 4 ] .
Van 27 tot 29 november 2002 vond bij Europol een tweede vergadering plaats van de toezichts- en controleorganen van de landen van de Europese Unie. Alleen de vertegenwoordiger van Griekenland kon uiteindelijk niet aanwezig zijn. Thema van deze tweede conferentie was: "Présentation des méthodologies et procédures de contrôle des services de police et du système de gestion des plaintes à charge de fonctionnaires et services de police appliqué par les différents services de contrôle et d'inspection» [ 5 ] .
De besluiten van deze conferentie luidden als volgt: (1) Compte tenu des évolutions de l'action policière au niveau européen, iI est confirmé par les participants au colloque que l'organisation de réunions à intervalles réguliers constitue une nécessité ; (2) dans ce même contexte, les participants considèrent que, dans le cadre du développement d'une collaboration entre services, iI y a lieu de persévérer dans l'échange de toute information utile et notamment des rapports d'activités établis par les différents organes et services; (3) les participants s'engagent à collaborer entre eux dans le cadre d'enquêtes transfrontalières en conformité avec les politiques et législations respectives ; (4) ils s'accordent pour organiser une réunion dans le courant de l'année 2003 au Grand-Duché de Luxembourg ; (5) ils considèrent que la participation à la prochaine conférence des services et organes de contrôle et d'inspection des pays candidats à l’Union européenne est une nécessité ; (6) ils s'accordent pour que le Comité permanent P continue à assurer le secrétariat en vue de l'organisation des prochaines réunions; (7) les participants, qui représentent des institutions ou services chargés du contrôle des services de police dans les pays européens, notamment dans les domaines de l'éthique et de la déontologie policières telles qu'elles sont définies dans les travaux du Conseil de l'Europe, s'accordent pour échanger leurs expériences concernant le fonctionnement et les méthodologies de leurs services. Leur objectif final est de développer des approches, des démarches et des méthodes similaires et compatibles au-delà des frontières.
Het Vast Comité P heeft in het kader van de verdere uitbouw van dit quasi geïnstitutionaliseerd forum contacten gelegd met de «Inspection générale de la police luxembourgeoise», die zich bereid verklaarde om deze bijeenkomst te huisvesten in 2003. Het Vast Comité P verzorgt verder het secretariaat van deze bijeenkomsten en neemt onder meer contact op met de toezichts- en controleorganen van de 10 landen die binnenkort zullen toetreden tot de Europese Unie. Het Vast Comité P heeft ook verschillende contacten gehad in het raam van het opstellen van de Belgische verslagen van het Europees Comité ter voorkoming van foltering (CPT), de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI), enz., alsook met verscheidene diensten van de departementen van Buitenlandse of Binnenlandse Zaken en van Justitie.
Na opsomming van al deze contacten waaruit heel wat lessen konden worden getrokken en die geregeld werden geconcretiseerd in de vorm van nuttige werkvergaderingen, kan het Vast Comité P, gezien de vertraging, niet anders dan betreuren dat het niet voldoende oog heeft gehad voor de regelmaat van zijn contacten met de Vaste Commissie van de gemeentepolitie (die van de lokale politie was nog steeds niet geïnstalleerd) of met zijn voornaamste leden, alsook met de Adviesraad voor burgemeesters waarop, het dient gezegd, vooral een beroep werd gedaan in het kader van de inplaatsstelling van het nieuwe landschap en de overvloed aan nieuwe reglementeringen die daarmee gepaard ging. In 2003 zal het Comité deze verschillende contacten versterken en verbeteren, ze zijn immers onontbeerlijk voor een nauwgezettere opvolging van de politiehervorming en de vervulling van zijn opdracht van globale monitoring van de werking van de volledige politiestructuur in ons land, doorheen al haar modaliteiten en componenten, meer in het bijzonder via de bevordering van de diverse hiertoe noodzakelijke informatieuitwisselingen, die bovendien duidelijk en wettelijk zijn bepaald.
In zijn twee laatste jaarverslagen [i 5 ] heeft het Vast Comité P onderstreept dat zijn optreden en aanpak geenszins enkel reactief kon zijn of gebonden aan één of ander, al dan niet losstaand, incident. Het Comité heeft dus zijn intentie herbevestigd om zijn opdrachten ook op proactieve wijze uit te voeren. Deze proactieve aanpak kwam in 2002 onder meer tot uiting in het kader van zijn onderzoek naar de wijze waarop de politiediensten omgaan met handhaving en herstel van de openbare orde, hoe ze de beveiliging van hun wapens en munities garanderen of nog hoe ze de amigo's of veiligheidskamers beheren. Deze onderzoeken worden intra meer in detail besproken.
Eveneens in zijn twee laatste jaarverslagen heeft het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten zich gebogen over de toepasbaarheid en de geldigheid van zijn benaderingswijzen en analyses. In dit verband had het aangekondigd dat het van plan was grondig na te denken over zijn onderzoeks- of toezichtsmethoden en -technieken; wat het dan ook in de loop van 2002 heeft gedaan. Dit beraad en vooral de conclusies die eruit zijn voortgevloeid, maken het voorwerp uit van een afzonderlijke publicatie en verslag. Tegelijkertijd werd een referentieparadigma uitgewerkt, «nulmeting» genaamd [ i 6 ]. Verschillende vaststellingen die wij hierbij hebben gedaan, meer bepaald in het kader van de opstelling van dit jaarverslag, brengen ons er thans toe, onder andere wegens een aantal moeilijkheden of problemen, waarop wij intra zullen terugkomen, om minder optimistisch te zijn dan wij totnogtoe waren en er nu reeds voor te opteren onze vorige analyse aan het einde van het jaar 2003 te verfijnen rekening houdend met de verschillende parameters of bijzonderheden - soms gebonden aan de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap - die we zopas aan het licht hebben gebracht of waarvan we nog elke dag nieuwe implicaties ontdekken.
2. Dagelijkse werking van het Vast Comité P [ 6 ]
In 2002 wijzigde de samenstelling van de leden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten niet. Het huidig administratief kader bedraagt 21 personeelsleden [ 7 ]
Het nieuwe personeelsstatuut werd goedgekeurd door het Parlement en tevens werd het sociaal fonds eindelijk opgericht en gestructureerd [ i 7 ] . Op 31 december 2002 waren er 37 leden van de Dienst Enquêtes actief op een kader van 38 leden. In de loop van het jaar 2002 werden 8 nieuwe enquêteurs benoemd. In de Dienst Enquêtes P werd tevens een nieuwe Nederlandstalige adjunct -directeur -generaal aangesteld.
Verschillende leden van het Vast Comité P hebben deelgenomen aan diverse studiedagen, zowel in binnen als buitenland, als gastsprekers en als deelnemers. Zij volgden ook opleidingen, onder meer in methodologie en overheidsmanagement. Het merendeel van het administratief personeel heeft opleidingen gevolgd met als thema's informatica, boekhouding en coaching. Daarnaast werden ook taalopleidingen georganiseerd. Naast een belangrijke opleiding in methodologie werd, in samenspraak met de federale politie, een hogere aanvullende gerechtelijke opleiding gegeven aan de leden van de Dienst Enquêtes. Verschillende leden van de Dienst Enquêtes namen ook deel aan diverse studiedagen, zowel als gastspreker als als deelnemer.
Zoals in 2001 volgde het Vast Comité P de inplaatsstelling van de politiehervorming niet enkel door een aantal controles en vaststellingen op het terrein maar ook door onder meer hearingste organiseren [ 8 ] In dit verband dient ook gemeld te worden dat het Vast Comité P in dit kader verscheidene bezoeken heeft gebracht aan de commissaris-generaal van de federale politie, aan diverse directeurs-generaal van de federale politie, aan verscheidene gerechtelijke directeurs of bestuurlijke directeurs-coördinators, alsook aan de Directie van de speciale eenheden (DSU). Het Vast Comité P heeft ook verscheidene korpschefs van de lokale politie in zijn gebouwen ontvangen of hen een bezoek gebracht op het terrein. In hetzelfde kader heeft het Vast Comité P deelgenomen aan de werkzaamheden van de werkgroep gerechtelijke pijler en nationale gegevensbank van het Ministerie van Justitie, alsook aan deze van het begeleidingscomité met betrekking tot de conventie afgesloten tussen het Centrum voor gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding en het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In samenspraak met de Hoge Raad voor Justitie en het Ministerie van Justitie werden in de lokalen van het Vast Comité P twee studiedagen (1 dag voor de Nederlandstaligen en 1 dag voor de Franstaligen) georganiseerd in het kader van de voortgezette opleiding van de magistraten. Het Vast Comité P werd ook nog doeltreffend vertegenwoordigd in televisieuitzendingen zoals «Ooggetuige» (VRT) en «Cartes sur table» (RTBF).
Naar aanleiding van de eerste fase van de uitbreiding van het personeelskader van de leden van de Dienst Enquêtes en van het administratief personeel was het Vast Comité P genoodzaakt te voorzien in een uitbreiding van de lokalen. Hiervoor werd, met de goedkeuring van het Parlement, een verdieping gehuurd in het gebouw gelegen Wetstraat 38.
Bij koninklijk besluit van 30 september 2002 werd eindelijk aan het Vast Comité P toegang verleend tot het Rijksregister, al zijn de voorwaarden in dit verband nog steeds vatbaar voor discussie.
Het Vast Comité P heeft zich ook akkoord verklaard om mee te werken aan drie stages: één van een stagiairmagistraat, één van een studente in de criminologie en één van een kaderlid van de Luxemburgse «Inspection générale de la police».
Op het gebied van communicatie heeft het Vast Comité P ervoor gezorgd dat de informatiebrochures verder bedeeld werden en dat zijn website regelmatig werd bijgestuurd of aangepast.
Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten heeft ervoor gekozen zijn toezichtsonderzoeken voortaan, naargelang hun aard en de twee voornaamste doelstellingen waaraan ze dienen te voldoen, in vier categorieën [ i 8 ] op te splitsen. In dit jaarverslag worden niet enkel afgesloten onderzoeken besproken, maar wordt eveneens tussentijds verslag uitgebracht over onderzoeken die pas zijn aangevat of die nog verder dienen te worden geconcretiseerd. Er zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan de opvolgingsonderzoeken. Een onderzoek dat niet wordt opgevolgd heeft immers totaal geen zin.
Het jaarverslag is de gelegenheid bij uitstek om de essentiële aspecten en conclusies van deze onderzoeken, alsook de opties voor de toekomst, de eventuele lessen die eruit moeten worden getrokken en de nodige aanbevelingen die moeten worden geformuleerd, te vermeiden. De volledige (geïntegreerde), definitieve, bijzondere of tussentijdse verslagen worden bovendien integraal toegezonden aan de Parlementaire begeleidingscommissie. Indien het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten beslist deze verslagen, geheel of gedeeltijk, openbaar te maken, kunnen zij worden geraadpleegd op onze website www.comitep.be. Soms maken deze verslagen ook het voorwerp uit van een afzonderlijke publicatie. Daarnaast dient opgemerkt dat het merendeel van deze volledige verslagen ook werd toegezonden aan de ministers van Binnenlandse Zaken of van Justitie, aan het College van Procureurs-generaal, aan de verschillende autoriteiten van bestuurlijke politie of van gerechtelijke politie, aan de hiërarchie van de betrokken diensten en, in sommige gevallen, aan de academische kringen die interesse hebben voor politie- of veiligheidszaken. En dit af en toe zelfs voordat deze verslagen werden besproken met zijn Parlementaire begeleidingscommissie. Wij houden er ook aan te onderstrepen dat er op het vlak van onze werkzaamheden en procedures nooit enig «lek» is geweest. In verschillende dossiers konden de voornaamste elementen van het onderzoek ook door de hoofdverantwoordelijken worden geraadpleegd of werden deze hen meegedeeld. In andere gevallen werd de betrokkenen de mogelijkheid geboden deze elementen te bespreken of erover van gedachten te wisselen met het Vast Comité P, één van zijn leden of de Dienst Enquêtes.
Deze personen hebben positief gereageerd op deze transparante werkwijze en het Vast Comité P heeft hiermee rekening gehouden bij de voortzetting van zijn werkzaamheden. In vele gevallen heeft deze manier van werken de verantwoordelijke personen of overheden ook in staat gesteld bepaalde noodzakelijke maatregelen te treffen, waardoor ze enigszins vooruitliepen op de aanbevelingen die het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten formuleerde, hoofdzakelijk ten bate van zijn Begeleidingscom missie.
Tot deze categorieën waaraan het Vast Comité P voortaan refereert, onderscheiden we vooreerst de onderzoeken naar de bescherming van de rechten van de mens enerzijds en de doelmatigheid van de politiediensten anderzijds, in het kader van de uitvoering van het politiebeleid voorzien in: (1) de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en volgens de minimale functionaliteiten van de politie, omschreven in het koninklijk besluit [ 9 ] houdende de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie. De mogelijke disfuncties situeren zich op het gebied van de handelingen en houdingen ten opzichte van burgers, hun behandeling in het kader van politietussenkomsten, alsook de relaties tussen de politie en de burger; (2) het beleid onder de verantwoordelijkheid van de bestuurlijke overheid. Hier situeren de disfuncties zich op het gebied van de handelingen en houdingen naar aanleiding van een specifiek politieoptreden; (3) het beleid onder de verantwoordelijkheid van de gerechtelijke overheid. De disfuncties hebben betrekking op de werkwijzen gebruikt bij de afhandeling van bepaalde politionele onderzoeken; (4) het beleid naar aanleiding van specifieke wetten, bijzondere procedures of maatregelen. De mogelijke disfuncties doen zich dan voor op het gebied van de werkwijzen en mogelijke schendingen van de fundamentele rechten en vrijheden in specifieke gevallen.
Ten tweede, de onderzoeken in het kader van de coördinatie tussen politiediensten en de doelmatigheid in het kader van: (1) de verzameling, de verwerking en de terbeschikkingstelling van informatie; (2) de supralokale, nationale en internationale politiesamenwerking en de informatie-uitwisseling; (3) de samenwerking van de politiediensten op het terrein.
Ten derde, de onderzoeken naar de doelmatigheid van de algemene politiewerking van één of meer politiekorpsen of -diensten vanuit: (1) de politieorganisatie, waarbij disfuncties worden verondersteld ingevolge tekorten op het vlak van de systemen, de structuren, het politiebeleid en/of het beheer van het personeel en de middelen alsook de regels en procedures; (2) de interne gezagsrelaties, waarbij disfuncties worden verondersteld ingevolge de overschrijding van bevoegdheden, het doorbreken van de hiërarchische lijn of het gebrek aan onderlinge samenwerking; (3) de interne relaties tussen collega's, waarbij disfuncties worden verondersteld als gevolg van interne relationele en functionele problemen; (4) het individu, waarbij disfuncties worden verondersteld als gevolg van individuele handelingen of houdingen die een nefaste impact hebben op de doelmatigheid van de dienst.
Tot slot, de onderzoeken naar de doelmatigheid van de werking van de diensten of personen met een beperkte of andere politiebevoegdheid. De disfuncties situeren zich op het gebied van de bevoegdheidslimieten met betrekking tot de functie, de bevoegdheidsverdeling binnen een dienst en de hieruit volgende conflicten, en ten slotte op het gebied van de politiewerking binnen een dienst waar belangenconflicten mogelijk zijn.
Afdeling 2: Rechten van de mens en doelmatigheid in het kader van het politiebeleid
3. Algemeen veiligheidsbeleid, zoals voorzien door de wet op het politieambt [ 10 ] en georganiseerd volgens de politiefunctionaliteiten beschreven in het koninklijk besluit houdende de organisatieen werkingsnormen van de lokale politie [ 11 ]
Hier hebben de mogelijke disfuncties [ i 9 ] betrekking op de handelingen en houdingen van politie-ambtenaren ten opzichte van burgers, hun behandeling in het kader van politietussenkomsten, alsook de onderlinge relaties tussen de politie en de burger.
Het toezicht op de uitvoering van het politiebeleid, waarbij de relatie tussen de politie en de burger voor het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten in grote mate centraal staat, heeft vrijwel altijd onvermijdelijk betrekking op de handelingen en de houding van individuele politieambtenaren. Ook uit de evolutie van de klachten en aangiften blijkt dat de tekortkomingen en eventuele misbruiken naar aanleiding van de handelwijze of bepaalde houdingen van politiemensen, een constant gegeven zijn, dat evenwel noch gebanaliseerd noch overdreven dient te worden. Dit neemt echter niet weg dat deze handelwijze en houding van politiemensen duidelijk dient te worden omschreven in het licht van de finaliteiten eigen aan het politieambt. De taakomschrijving van de politie in haar relatie tot de burger, alsook de werkingsnormen worden thans, als gevolg van de recente politiehervorming, duidelijker gedefinieerd in een aantal uitvoeringsbesluiten, in de veiligheidsplannen en in de omzendbrieven of, al dan niet dwingende, richtlijnen. Het toezicht betreft dus niet uitsluitend de uitvoering van het beleid op zich, maar spitst zich ook toe op de aanwezigheid van waarden, normen en regels, waarbij ook de politieopleiding en de voortgezette vorming een cruciale rol zouden kunnen spelen. In de toekomst dient het toezicht de politiewerking in al haar functionaliteiten te beslaan, waarbij de minimale gelijke dienstverlening die aan de burgers overal in het land wordt geboden centraal moet staan.
Deze onderzoeken zijn over het algemeen toegespitst op de legaliteit maar ook, in mindere mate, op de legitimiteit van het optreden en de gelijke behandeling van burgers en tot slot op de dienstverlening die hen uiteindelijk wordt geboden. Het gaat in deze gevallen om het collectief optreden van de politie bij acties of manifestaties, waarbij het dilemma tussen enerzijds de wet respecteren en de rechten van alle betrokkenen vrijwaren en anderzijds de openbare orde handhaven - waardoor de politie de rechten van bepaalde burgers dient te beperken - een grote rol speelt. Een dergelijk dilemma is belangrijk en het voorkomen [ 12 ] en de houding van de politieambtenaren, die in functie van de te beheersen situatie moeten zijn, zijn hier een eerste belangrijk aspect van. Vooral wanneer het politieoptreden niet aangepast is aan de situatie [ 13 ] , kunnen interacties tussen de politie en burgers ontaarden in conflicten en eventueel escaleren in geweld en vernieling, waardoor de politie zich verplicht zou kunnen voelen nog hardhandiger op te treden en men uiteindelijk terecht komt in een situatie van «acting en overacting» aan beide kanten.
De handhaving en het herstel van de openbare orde is sinds de politiehervorming duidelijk één van de functionaliteiten van alle componenten van de geïntegreerde politie. Zoals voorzien en hierboven verduidelijkt, dient het toezicht zich toe te spitsen op de activiteiten, handelwijzen en houdingen van de politieambtenaren. Dit betekent dat dit domein, net als de andere functionaliteiten van de lokale politie, relatief vaak het voorwerp van toezicht en ook van de opvolging ervan zal zijn, gezien de doelstellingen van de wet van 18 juli 1991 die dit toezicht instelt en de specifieke opdrachten die deze wet toekent aan het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes.
Het is evident dat het beheer van de klachten en aangiften, de al dan niet verplichte meldingen en de onderzoeken van het Comité als waardemeter kunnen dienen om een proactief toezicht beter te oriënteren. Dit toezicht moet vooral gericht zijn op het sensibiliseren van alle politiediensten en politieambtenaren, aan de hand van de vaststellingen en aanbevelingen ten behoeve van het algemeen leer- en verbeteringsproces en moet, normaal gezien en in principe, geenszins streven naar het stigmatiseren van diensten of het sanctioneren van individuen. Soms zijn orde- of tuchtmaatregelen echter onvermijdelijk of noodzakelijk en in deze gevallen zal het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten erop moeten toezien dat de hiërarchie en de overheden hun verantwoordelijkheid ten volle opnemen.
3.1. Doorgangscellen (amigo's) en opsluitingen in commissariaten [ 14 ]
Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten heeft zijn Dienst Enquêtes gevraagd de studie die in 1997 en 1998 werd uitgevoerd in de celcomplexen van verschillende Belgische politieposten [ 15 ] te actualiseren. De opdracht bestond er meer bepaald in vaststellingen te doen ter plaatse, inlichtingen in te winnen over de praktijken bij vrijheidsberovingen (fouillering, aanhouding, opsluiting), onderzoek te verrichten naar de geldende richtlijnen in de verschillende gecontroleerde centra en personen te verhoren die op het ogenblik van de controles waren opgesloten. Zo werden tussen eind maart en eind oktober 2002, uit de 196 politiezones van ons land, 12 commissariaten van de lokale politie geselecteerd in functie van demografische en geografische gegevens en werden zij 's nachts tijdens het weekend bezocht door de enquêteurs. Tijdens andere opdrachten die overdag worden vervuld, werden 50 andere celcomplexen bezocht in andere politiezones. Zo werden politieposten in elk van de tien provincies gecontroleerd in het kader van dit onderzoek. Er werd een eenvormige checklist ter beschikking gesteld van de enquêteurs om een zeker aantal gegevens te kunnen inzamelen over identieke punten [ i 10 ] .
Er werden uiteindelijk 62 celcomplexen, of 265 cellen in totaal, onderzocht. Niettegenstaande het grote aantal uitgevoerde controles, werden er slechts in weinig gevallen opgesloten personen aangetroffen, met name 25 personen in totaal. Geen van de ondervraagden heeft zich beklaagd over een slechte behandeling, tenzij dan op het ogenblik van hun interceptie (twee gevallen van zogenaamde hardhandige interceptie ingevolge alcoholintoxicatie of dronkenschap achter het stuur en het bieden van weerstand; de desbetreffende gerechtelijke dossiers werden geraadpleegd en uit hun inhoud bleek duidelijk de reden waarom dwang werd gebruikt). De uitleg van de meeste aangehoudenen was weinig samenhangend want ze waren onder invloed van alcohol of verdovende middelen. Alle aangehoudenen waren volledig gekleed (men had hen wel hun riem en schoenveters ontnomen), ze vertoonden geen sporen van slechte behandeling. Ze waren allemaal ingeschreven in het aanhoudingsregister en de gerechtelijke aanhoudingen maakten allemaal het voorwerp uit van een proces-verbaal dat nog werd opgesteld of reeds klaar was om te worden overgemaakt.
De infrastructuur van de celcomplexen kan variëren van politiepost tot politiepost afhankelijk van het feit of deze posten gelegen zijn in een oud gebouw of in een recent opgetrokken gebouw. In de meeste gevallen beschikken de cellen, waarvan de afmetingen schommelen tussen 2,50 m2 en 30 m2, over een slaapplaats (betonnen of houten sokkel) met matras en een individuele WC in inox. De cellen zijn net. Er is weinig verlichting maar de verluchting wordt gewaarborgd door verluchtingsroosters. In achttien gevallen maken bewakingscamera's het mogelijk de gevangenen nagenoeg voortdurend via een monitor in het oog te houden. De voorschriften van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt worden nageleefd (inschrijving in het aanhoudingsregister, handtekening van de aangehoudene, kennisgeving aan de familie, enz.). Gedetailleerde interne richtlijnen voorzien in na te leven procedures, meer bepaald op het vlak van het verschaffen van drank en voedsel aan de aangehoudenen, de kennisgeving aan de familie, het oproepen van een arts. Op het ogenblik van de aanhouding en a posteriori wordt systematisch controle uitgeoefend door de hiërarchie.
In enkele gevallen blijft de inrichting van de cellen echter Spartaans: een betonnen of stenen blok zonder matras, of soms zelfs een houten blok is er het enige meubilair. Er zijn geen dekens ter beschikking van de aangehoudenen en, als die er al zijn, worden ze meermaals gebruikt door verschillende aangehoudenen en weet men niet hoe vaak ze worden gereinigd. Soms krijgen de aangehoudenen enkel voedsel wanneer ze geld bij zich hebben, wanneer hun familie hen iets te eten brengt of wanneer de politieambtenaar die toezicht op hen houdt, hen iets uit eigen zak aanbiedt (in 19 gecontroleerde celcomplexen is er op dit vlak immers niets voorzien) [ 16 ] . Aangezien de politieambtenaar 's nachts vaak alleen is om de gevangenen te bewaken, het onthaal van de politiepost te verzekeren en dienst te doen als dispatcher, kunnen de aangehoudenen slechts aan hun natuurlijke behoefte voldoen wanneer deze politieambtenaar een externe ploeg terugroept om de gevangene uit de cel te halen en hem naar de toiletten te begeleiden. In een dertigtal gevallen zijn er geen interne voorschriften voor te volgen procedures en hangen de aangehoudenen af van de goede wil van het personeel dat hen bewaakt. De voorschriften voor de inschrijving van aangehoudenen in het verplichte register laten nog te vaak te wensen over: met de hand geschreven, niet alle inlichtingen betreffende de aanhouding (uur van aanhouding, identiteit van de persoon, inventaris van de voorwerpen die de aangehoudene voor opsluiting worden ontnomen, handtekening van de aangehoudene voor en na zijn opsluiting) komen er in voor of deze informatie is onvolledig; bovendien wordt deze informatie niet erg zorgvuldig opgesteld. Er wordt niet noodzakelijk noch a priori formele controle uitgevoerd door de hiërarchie. In 20 gevallen ontbreekt de handtekening van een officier van gerechtelijke politie of van een officier van bestuurlijke politie. Dit is op zijn minst verbazend te noemen wanneer men rekening houdt met het huidige aantal officieren bij de politiediensten. Aangezien het aantal officieren nu merkelijk hoger ligt dan op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 1992, zou men zelfs terecht kunnen verwachten dat een professionele controle van dergelijke uitzonderlijke situaties, die per definitie afbreuk kunnen doen aan één van de meest fundamentel rechten van de burger, inhoudt dat een officier zich ter plaatse begeeft.
In twee gevallen kon geen register worden voorgelegd en in acht andere gevallen was het register niet goed ingevuld. In 22 gevallen was de kennisgeving aan de bestuurlijke overheid niet in het register vermeld.
Niettegenstaande verscheidene korpschefs in dit specifieke domein van tijdelijke opsluiting van aangehoudenen heel wat inspanningen hebben geleverd, zijn er nog te veel plaatsen waar nog heel wat zaken moeten worden verwezenlijkt. De politieverantwoordelijken maar ook en misschien vooral de overheden moeten waken over het respect voor de menselijke waardigheid en moeten elke persoon die van zijn vrijheid is beroofd een fatsoenlijk onderdak bieden in geschikte lokalen. Dergelijke situaties moeten ook op elk ogenblik van nabij worden opgevolgd en gecontroleerd.
Dankzij zijn onderzoek kon het Vast Comité P op doeltreffende wijze bijdragen tot het antwoord dat de Belgische regering heeft geformuleerd op het recentste verslag van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en van onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing [ 17 ] .
De verschillende aspecten van deze problematiek zouden moeten worden geregeld in een specifieke wetgeving of reglementering en worden aangevuld met al dan niet dwingende richtlijnen, die de situatie kunnen verduidelijken en de rechtszekerheid kunnen waarborgen, zowel van de burgers als van de betrokken politieambtenaren.
Het Vast Comité P neemt zich voor om in zijn werkjaar 2003-2004 blijvende aandacht te besteden aan deze belangrijke en delicate problematiek en dit in hoofdzaak naar aanleiding van de uitvoering van opvolgingsonderzoeken naar verschillende componenten van de geïntegreerde politie.
3.2. Vrijheidsberovingen, fouilleringen en beheer van (tijdelijk) ingehouden of in beslag genomen bezittingen of goederen [ 18 ]
Los van het bovenvermelde onderzoek, is het Vast Comité P relevante informatie blijven inzamelen met betrekking tot vrijheidsberovingen en fouilleringen van personen, zowel door raadpleging van externe bronnen als via de analyse van een zeker aantal interne dossiers (gerechtelijke, klachten of aangiften) of gegevens die hem eerder waren toegezonden, al dan niet op basis van de wet van 18 juli 1991. In het kader van het toezichtsonderzoek naar de amigo's en veiligheidskamers beheerd door de politiediensten kwam deze problematiek eveneens terloops ter sprake, meer bepaald in sommige punten van het verslag dat werd opgesteld naar aanleiding van dit onderzoek. De vaststellingen die werden gedaan in dit bijzondere kader zullen eveneens worden opgenomen in dit onderzoek.
Uit de eerste analyses blijkt dat het hier zou kunnen gaan om een nogal aanzienlijk en terugkerend probleem dat zijn oorsprong zou kunnen vinden in een gebrekkige kennis van de wettelijke of reglementaire basissen voor het optreden van de politiediensten of -ambtenaren, meer in het bijzonder de wet van 5 augustus 1992. Andere redenen hiervoor zouden kunnen zijn dat de onderwezen theorieën in sommige gevallen verkeerd begrepen worden of dat men er een verkeerde zienswijze op nahoudt.
In een tussentijds verslag [ 19 ] van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten werd reeds aangegeven dat het aantal klachten inzake vermogensdelicten waarvan aangehouden personen het slachtoffer werden, op zijn minst zorgwekkend kon worden genoemd [ 20 ] . Tevens werd benadrukt dat de burger hier een bijzondere bescherming verdient [ 21 ] . Het uniform toepassen van een doordachte procedure moet voorkomen dat de inbeslagneming/ inbewaringneming het voorwerp kan zijn van betwisting en moet ertoe bijdragen dat elke redelijke twijfel van verduistering kan worden opgeheven. Voor de toepassing van deze procedure gaat het niet alleen om individueel van hun vrijheid benomen rechtsonderhorigen, maar evenzeer om de bestuurlijke aanhoudingen die resulteren in een opsluiting in de zogenaamde 'collectieve cellen' [ 22 ] .
Van hun vrijheid benomen personen die het voorwerp uitmaken van een tijdelijke opsluiting in een cel, zijn niet steeds in de mogelijkheid om zelf een juiste beoordeling te maken van welke goederen hen, ter bewaring of ter beveiliging, worden ontnomen. Openbare dronkenschap en bepaalde vormen van intoxicatie kunnen immers het intellectueel vermogen, op het ogenblik van hun vrijheidsbeneming, beperken. Niet-Belgen kennen meestal niet de draagwijdte van de gestelde handeling van fouillering en inbeslagneming of inbewaarneming van goederen die zij op zich hebben.
Het Vast Comité P heeft in het licht van zijn opdracht tot bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden [ 23 ] , de taak hetzij persoonlijke hetzij organisatorische disfuncties te signaleren. De gearresteerde heeft het afdwingbare recht te eisen dat er met zijn eigendommen en bezit zorgzaam en correct wordt omgegaan. In deze optiek is het steeds belangrijk dat kan worden aangetoond - bij voorkeur het rechtmatig bewijs kan worden geleverd - dat de interveniërende politieambtenaar correct heeft gehandeld. Daartoe is een nauwgezette registratie en dito behandeling van de eerste afgifte van de goederen aan de arresterende politieambtenaar van primordiaal belang. Betwistingen die in een later stadium ontstaan (bewaring van goederen gedurende een kort verblijf in de gerechtshoven, overbrenging naar de gevangenis, enz.) kunnen alzo gereconstrueerd en desgevallend weerlegd worden. Dit laatste heeft een weerslag op de eventueel betwiste plichtplegingen uitgevoerd door de betrokken politieambtenaar.
Wat betekent dit concreet? Een persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke of gerechtelijke aanhouding wordt onderworpen aan een fouillering [ 24 ] Daarenboven wordt ook een veiligheidsfouillering uitgevoerd. Bij de opsluiting in een cel heeft deze fouillering tot doel zich ervan te vergewissen dat de persoon niet meer in het bezit is van voorwerpen of stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor hemzelf of voor anderen. Die fouilleringen dienen te worden uitgevoerd door een politieambtenaar of een daartoe gevorderd persoon van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde persoon. De fouillering dient te geschieden overeenkomstig de richtlijnen van de verantwoordelijke officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie. Hoewel zijn aanwezigheid daartoe niet verplicht is, is ze in vele omstandigheden aangeraden. Er dient op gewezen dat die fouillering niet mag ontaarden in een onderzoek aan het lichaam. De rechtsleer is echter verdeeld over deze strikte interpretatie van het Hof van Cassatie, dat meent dat een onderzoek aan het lichaam de onderzoeksmaatregel is die een werkelijke exploratie van de intieme delen inhoud [ 25 ] . Desalniettemin moet in bepaalde gevallen de fouillering op het lichaam grondig geschieden, om ernstige risico's voor de op te sluiten persoon en/of anderen te voorkomen. De gefouilleerde kan daarbij, in uitzonderlijke gevallen, gezien de omstandigheden, verzocht worden zich te ontkleden in het bijzijn van een persoon van hetzelfde geslacht. De 'kniebuigingen' waaraan sommige personen systematisch worden onderworpen, zijn in dergelijke gevallen zelden verantwoord. [ i 11 ]
Alvorens in de cel te worden opgesloten, worden de goederen van de gefouilleerde in bewaring genomen. Die inbewaringneming moet uiterst zorgvuldig geschieden en voorkomen dat de goederen van de opgeslotene kunnen weggemaakt of ontvreemd worden. Hiervoor bestaan geen algemeen geldende richtlijnen [ 26 ] . Verkieslijk is dat in het bijzijn van de gefouilleerde, desgevallend in aanwezigheid van een andere collega of, indien mogelijk, een getuige, een inventaris wordt opgemaakt van de aangetroffen goederen. De nood aan zorgvuldigheid vereist dat alle voorwerpen afzonderlijk en omstandig worden omschreven. Geld, sieraden en andere waardevolle voorwerpen moeten daarbij bijzondere aandacht krijgen.
Het Vast Comité P stelt dat men de goederen na inventarisatie, die zoals eerder aangehaald best wordt opgesteld in het bijzijn van de gefouilleerde of desgevallend van getuigen, veilig moet opbergen en een eventuele verzegeling moet overwegen. Er is bij de korpsen geen enkele uniformiteit, het ene korps gebruikt de klassieke bruine omslagen, het andere bewaart de goederen los in een kluis of kast. De bij sommige politiekorpsen [ 27 ] reeds in gebruik zijnde plastieken en tevens doorzichtige opbergzakken, waarop rechtstreeks kan worden geïnventariseerd, bieden het bijkomend voordeel dat ze dermate kunnen worden afgesloten dat elke poging tot het openen van de opbergzak kan worden vastgesteld. Ook hergebruik, in casu het eventueel opnieuw afsluiten na opening van deze opbergzakken, is onmogelijk zonder dat zulks sporen nalaat. Daarmee kunnen reeds enkele frequente problemen, worden vermeden. Daarmee wordt de al dan niet terechte discussie over het verdwijnen van opgeborgen voorwerpen uitgesloten, of toch op zijn minst tot de uitzondering herleid.
Daarenboven kan de opgeslotene zijn voorwerpen meteen herkennen. Verwisseling bij de teruggave wordt hiermee eveneens uitgesloten.
De politieambtenaar die de voorwerpen uit veiligheidsoverwegingen in beslag neemt of de goederen in bewaring neemt van de gefouilleerde die in de cel wordt opgesloten, heeft de plicht zorgvuldig en bedachtzaam te handelen. Het is daarbij evident dat het eigendomsrecht van de opgeslotene met de nodige zorg dient te worden gevrijwaard. Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten is ervan overtuigd dat het volgen van de navolgende regels, klachten en betwistingen, alsook verdachtmakingen van politieambtenaren tot een minimum zal beperken. Deze regels zijn: (1) een inventarisatie, op zorgvuldige en omstandige wijze, in aanwezigheid van de gefouilleerde/gearresteerde; (2) desgevallend inventariseren in aanwezigheid van collega(s) of, indien mogelijk, getuige(n), te weten wanneer de arrestant niet in de mogelijkheid verkeert met volle bewustzijn de handelingen waar te nemen en evenmin samen met de politieambtenaar de inventaris kan tekenen; (3) gebruikmaken van identificeerbaar en doorzichtig verpakkingsmateriaal, dat niet kan geopend en opnieuw gesloten worden zonder sporen na te laten (door bijvoorbeeld een speciale zegelband); (4) bewaren van de in beslag genomen of in bewaring genomen goederen op een veilige plaats. Daartoe moet men doordacht te werk gaan en rekening houden met de waarde en de omvang van de goederen (desgevallend gebruikmaken van een brandkast, verzegelde kast, enz.); (5) waardevolle goederen (juwelen, waardepapieren, valuta, enz.) moeten specifiek identificerend omschreven worden; (6) de verpakking mag slechts worden geopend bij teruggave en in het bijzijn van de opgeslotene of collega(s) of, indien mogelijk, de getuige(n); (7) van al die verrichtingen wordt uitdrukkelijk melding gemaakt in een verslag of in een proces-verbaal; (8) ook in geval van de bestuurlijke aanhouding, individueel of collectief, moet de inbewaringneming en de teruggave van de goederen in een geschreven verslag worden vervat, door de beslagene eveneens ondertekend.
De voorgestelde, niet-limitatieve, maatregelen beogen de eigendomsvrijwaring van arrestanten en, in bijkomende orde, de bescherming van de rechtschapen politieambtenaar tegen onterechte aantijgingen. Het toepassen van een gestandaardiseerde procedure draagt niet alleen bij tot de vrijwaring van de fundamentele rechten en vrijheden van de gearresteerde en de bescherming van de politieambtenaar, maar heeft evenzeer een invloed op de efficiënte werking omdat zal worden voorkomen dat onnodige en overbodige arbeidsintensieve onderzoeken worden gevoerd op basis van woord tegen wederwoord.
Het vraagstuk van de aanhoudingen van bestuurlijke politie en van gerechtelijke politie, alsook alle andere operaties inherent aan deze bijkomende interventies zal in 2003-2004 verder worden opgevolgd en zal het voorwerp zijn van een tussentijds verslag aan de Parlementaire begeleidingscommissie.
3.3. Gebruik van geweld, meer in het bijzonder door wapens [ 28 ]
Artikel 1 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten stelt dat het toezicht dat het Vast Comité P uitoefent betrekking heeft op de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen, alsook op de coördinatie en de doelmatigheid van de politiediensten. Een onderzoek naar het gebruik van geweld door politieambtenaren en meer precies het gebruik van vuurwapens en bijzondere middelen, zoals traan- en pepperspray's en telescopische matrakken strookt dan ook perfect met de wettelijke opdracht van het Vast Comité P en behoort tot zijn voornaamste aandachtspunten. Zoals reeds aangekondigd in het Aanvullend activiteitenverslag 1999 [ 29 ] werden de reeds verzamelde gegevens verder verfijnd en geanalyseerd mede in het licht van de politiehervorming. Het is immers mogelijk dat de politiehervorming haar weerslag heeft op het vlak van de technieken en methodes die worden gebruikt tijdens delicate of gevaarlijke tussenkomsten. Politieambtenaren met soms erg verschillende vormingen, gewoonten en culturen moeten nu immers niet alleen occasioneel samenwerken maar ook daadwerkelijk de handen in elkaar slaan binnen één enkel operationeel dispositief. Uit sommige onderzoeken is gebleken dat de opleiding inzake geweldsbeheersing, o.a. het gebruik van vuurwapens van bepaalde politieambtenaren soms (te vaak) te wensen overlaat. Daarenboven kan de aanwending van deze middelen ontegensprekelijk afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen, ongeacht het feit of ze op wettelijke, rechtmatige, redelijke, geleidelijke, bedachtzame en proportionele wijze werden aangewend. Bijgevolg lijkt deze materie zonder twijfel de aandacht te verdienen die het Vast Comité P eraan besteedt. Dergelijke gegevens moeten immers de begeleidingscommissie in staat stellen te oordelen of het om geïsoleerde incidenten gaat, dan wel of, bijvoorbeeld, de opleiding mank loopt.
Met betrekking tot de problematiek van het gebruik van wapens door de politiediensten werden reeds verschillende stappen ondernomen om te trachten te komen tot volledige, betrouwbare en recente statistische informatie die kan worden geanalyseerd en geëxploiteerd. Zo werd onder meer contact opgenomen met de voormalige Algemene Rijkspolitie, de Cel «GeweIdsbeheersing» en het opleidingscentrum Luik van de federale politie, alsook met het arrondissementscommissariaat van Bergen dat beschikte over bijzondere informatie die ons interesseerde. Naar aanleiding van deze initiatieven konden wij vaststellen dat dergelijke (betrouwbare, relevante en volledige) cijfergegevens eerder zeldzaam waren. Deze conclusie wordt grotendeels bevestigd door de federale politie.
Er werd eveneens een inventaris opgesteld van de dossiers die de Dienst Enquêtes P onlangs met betrekking tot deze problematiek heeft behandeld. Op datum van 30 december 2002 werden 21 dossiers geteld die verband hielden met wapengebruik. Er dient te worden opgemerkt dat voor deze 21 dossiers, slechts in zes gevallen (drie klasseringen zonder gevolg, twee buitenvervolgingstellingen en één veroordeling van politieambtenaren) de bevoegde overheden het Comité uit eigen beweging in kennis hebben gesteld van de eventueel genomen beslissing door de gerechtelijke overheid. Een tiental andere dossiers kon worden geïdentificeerd en het Vast Comité P heeft verscheidene bevoegde overheden verzocht, in sommige gevallen zelfs meermaals [ i 12 ] hem toegang te verlenen tot deze dossiers, net als tot de dossiers behandeld door zijn eigen Dienst Enquêtes teneinde deze grondig te kunnen analyseren.
Er werden door de overheid initiatieven genomen om een aantal gebreken op dit vlak te verhelpen, zo wordt op dit ogenblik een ontwerp van koninklijk besluit voorbereid betreffende de bewapening bij de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, een ontwerp van omzendbrief «GPI» betreffende het bezit, het dragen, het bewaren en de beveiliging van politiewapens, alsook een ontwerp van omzendbrief «MFO» met betrekking tot de politionele informatie inzake veiligheidsincidenten.
Alle significante dossiers waarvan het Vast Comité P kennis heeft genomen, zijn momenteel samengebracht om te worden bestudeerd, er relevante lessen uit te trekken en de nodige aanbevelingen te formuleren.
Het zou voorbarig zijn om nu al een stand van zaken van deze materie te maken en zich uit te spreken over de stappen die desgevallend zouden moeten worden ondernomen. De grondige analyse van deze dossiers moet immers worden geconcretiseerd en voortgezet in de tweede helft van 2003 en het eerste semester van 2004.
Het Vast Comité P acht het niettemin essentieel de eindbestemmeling te zijn van de verslagen die worden opgesteld naar aanleiding van vuurwapengebruik of schietincidenten teneinde dit delicate en moeilijke probleem verder of nog beter te kunnen opvolgen.
3.4. Onthaalfunctie [ 30 ]
De onthaalfunctie is één van de zes functionaliteiten die werden gedefinieerd teneinde bij te dragen tot de concretisering van een gemeenschapsgerichte politiezorg op het lokale niveau [ 31 ] . Voor deze functionaliteiten werden - beperkte - kwalitatieve en kwantitatieve normen opgelegd om een minimale gelijkwaardige dienstverlening aan de ganse bevolking aan te bieden.
Het belang van de onthaalfunctie, dat meermaals werd onderstreept in het kader van verschillende onderzoeken, is één van de kernfuncties voor de uitvoering van de opdrachten van een lokale politiedienst [ 32 ] . De uit te voeren taken zijn inderdaad divers en hebben een invloed op de verdere uitvoering van andere opdrachten, zoals de afhandeling van klachten en aangiften, de uitvoering van gerechtelijke en administratieve dossiers, de doorverwijzing naar een andere dienst binnen het korps of een professionele slachtofferbejegening.
Dit dossier werd opgevolgd in het kader van de opvolgingsonderzoeken beheerd door de Dienst Enquêtes P onder het gezag van het Comité, die intra nader worden besproken. Net zoals het opvolgingsonderzoek naar de functie 'interventie', heeft dit onderzoek betrekking op de algemene werking van de politie op lokaal vlak, maar ook, zij het in mindere mate, op sommige componenten van de federale politie. Deze kwestie kwam eveneens aan bod in verschillende onderzoeken die werden ingesteld naar aanleiding van een klacht of aangifte.
Tijdens zijn onderzoeken heeft het Vast Comité P nazicht verricht naar de organisatie van het onthaal, de taakuitvoering en de overeenstemming met de opgelegde minimale normen. Het Vast Comité P zal doorheen zijn algemene, thematische of bijzondere onderzoeken veel interesse blijven betonen voor deze fundamentele functie, alsook voor de andere functionaliteiten. Zo zal naar aanleiding van het opvolgingsonderzoek naar de wijze waarop de politiediensten en -ambtenaren klachten in verband met geweld tussen partners behandelen dat in 2003-2004 is voorzien, extra aandacht worden besteed aan de rol van de onthaalfunctie.
3.5. Relatie politie - woonwagenbewoners [ 33 ]
Het Vast Comité P werd gevat van meerdere klachten van 'woonwagenbewoners' - en meer in het bijzonder een klacht uitgaande van de secretaris van het Nationaal comité van woonwagenbewoners - met betrekking tot talrijke disfuncties naar aanleiding van de contacten tussen woonwagenbewoners en politiediensten. Het Vast Comité P heeft bijgevolg beslist een toezichtsonderzoek in te stellen.
Tijdens dit toezichtsonderzoek werden volgende punten ter sprake gebracht: achterhaalde of niet gekende wetten, een systematisch negatieve houding van sommige politiekorpsen, alsook het betreurenswaardige gedrag van sommige politieambtenaren. Het is eveneens belangrijk te benadrukken dat er op gemeentelijk vlak geen 'verlichte' gesprekspartners waren. Tot slot is de problematiek van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij politiecontroles aan het licht gekomen. Dit onderzoek heeft tot doel "over te gaan tot een eerste exploratief onderzoek teneinde enerzijds de redenen voor de interventies te bepalen en anderzijds het wettelijke kader waarin deze plaatsvinden, af te bakenen».
In een eerste fase werden zestien politiezones geselecteerd voor dit toezichtsonderzoek. Op 4 december 2001 werden de Commissaris-generaal en de betrokken zonechefs ingelicht van het feit dat het Vast Comité P informatie inzamelde teneinde een standpunt te kunnen innemen tegenover deze problematiek. Er werd hen gevraagd of er op nationaal vlak of binnen hun respectieve zones politiediensten of -ambtenaren waren die gespecialiseerd zijn in deze materie, alsook het Comité in kennis te stellen van bijzondere richtlijnen, orders of voorschriften of nog van eventuele 'projecten' die op dit vlak de afgelopen jaren werden uitgevoerd of nog steeds lopen.
Bij de Algemene directie van de gerechtelijke politie komt deze problematiek in de programma's «Mensenhandel» en «Bestrijding van de criminaliteit tegen goederen» enkel aan bod in het kader van bijzondere gebeurtenissen die verband houden met strafbare feiten die hen kunnen aanbelangen.
De afdeling «rondtrekkende dadergroepen» behandelt de problematiek van «de veiligheidsfenomenen gebonden aan georganiseerde criminele bendes die zich voortdurend verplaatsen, zeer actief zijn in specifieke domeinen en gebruik maken van bepaalde hinderpalen inzake gerechtelijke en politionele vervolgingen».
Binnen verschillende gerechtelijke diensten arrondissement (o.a. Doornik, Bergen, Luik) zijn er cellen «Overvallen op oudere personen» die gespecialiseerd zijn in diefstallen bij oudere personen, waarbij een groot deel van de daders zigeuners zouden zijn.
Het lijkt evident dat de aanpak van de verschillende politiekorpsen die het Vast Comité P in het kader van dit dossier heeft bevraagd, verschilt naargelang hun aandachtsvelden en ondervonden problemen: (1) openbare orde; (2) openbare veiligheid; (3) openbare rust; (4) openbare hygiëne; (5) bedelarij; (6) jeugdproblematiek; (7) vreemdelingenproblematiek; (8) diefstallenproblematiek; (9) milieuproblematiek.
De mate waarin de verschillende politiekorpsen betrokken zijn bij deze problematiek varieert dus sterk van plaats tot plaats.
In verscheidene gemeenten was er vroeger een woonwagenpark, maar dit is tegenwoordig verdwenen, voornamelijk als gevolg van de milieuhinder die werd veroorzaakt op en in de omgeving van deze terreinen. Elders is nog niets voorzien maar verschillende gemeenten hebben wel plannen om een dergelijk park te creëren.
De zone VLAS, waartoe de stad Kortrijk behoort, lijkt sinds enige jaren deze problematiek op bevredigende wijze aan te pakken door middel van een speciaal daartoe opgeleide ploeg.
Een beroep doen op een ombudsman die geen politieambtenaar is lijkt een interessante oplossing die door diverse politiezones wordt overwogen. Andere politiekorpsen opteren voor punctuele acties op het ogenblik dat er woonwagenbewoners op hun grondgebied aanwezig zijn. Tot slot lijken sommige zones helemaal niet te kampen met deze problematiek.
Het Vast Comité P zal deze gevoelige kwestie verder blijven opvolgen in zijn programma 2003-2004.
3.6. Relatie politie - kansarmen [ 34 ]
Dit thematisch onderzoek betreffende «de manier waarop politiediensten communiceren met sommige personen in een zorgwekkende toestand» werd geopend in het verlengde van de conclusies van een toezichtsonderzoek dat werd verricht in een specifiek kader. In één van de zaken die ons werden voorgelegd, is gebleken dat de optredende agenten onmiddellijk hadden geopteerd voor een operationele tactiek gebaseerd op het gebruik van geweld zonder eerst te hebben geprobeerd het conflict via dialoog op te lossen, en dit ondanks de aard van de gepleegde strafrechtelijke inbreuk. Dat sommige politieambtenaren moeilijk een probleemsituatie kunnen beheersen voor de ogen van het publiek, draagt uiteraard niet bij tot een positief beeld van de politiediensten en doet afbreuk aan hun geloofwaardigheid. In dit concrete geval hebben de verantwoordelijken van de politiehiërarchie zichzelf de vraag gesteld of de federale politieambtenaren niet te categoriek waren opgetreden.
In een steeds meer uitgesproken duale maatschappij, waarin marginale groepen zoals daklozen, bedelaars of landlopers voorkomen, zouden de diverse verantwoordelijken van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, zich moeten aanpassen aan deze zichtbare aanwezige groep van «aan hun lot overgelaten mensen». Meer nog, ze zouden de politieagenten op het terrein moeten doen inzien dat de interventieopvattingen veranderd zijn en dat men niet meer kan dulden dat deze opvattingen te vaak of nagenoeg uitsluitend zijn gebaseerd op het ietwat simplistische principe van «de wet is de wet». Vooral wat kansarmen en sommige marginalen betreft, moet men de verschillen onder ogen durven zien: de politie is allerminst de Pretoriaanse lijfwacht van de wet, ze moet ook ten dienste staan van de bevolking. Bijgevolg is het van belang politieambtenaren bewust te maken van het bestaan van deze marginale subgroepen en hen aan te sporen om, in overleg met de overheden en andere betrokkenen, te zoeken naar meer afdoende oplossingen, uiteraard voor zover de aanwezigheid van deze 'marginalen' de openbare veiligheid in haar geheel niet in het gedrang brengt. Kortom, de politieambtenaar moet wanneer hij zijn medemens aanspreekt een begripsvolle houding aannemen ten opzichte van zijn situatie, bij voorkeur eerst proberen te onderhandelen en altijd goed voor ogen houden dat het gebruik van geweld de ultima ratio is en moet blijven.
Met dit thematisch onderzoek, dat uitging van een specifiek geval, had het Comité de bedoeling de aanpak van het probleem in een zeker aantal lokale zones [ 35 ] in kaart te brengen door na te gaan: (1) of de politie er te kampen heeft met een verstoring van de openbare veiligheid als mogelijk gevolg van bedelarij en landloperij sinds deze inbreuken niet meer strafbaar zijn; (2) hoe deze politieambtenaren reageren tegenover of omgaan met niet-verslaafde kansarmen of minderbedeelden.
Er werd dus overwogen de relatie politie-kansarmen te analyseren vanuit een methodologie [ 36 ] die het mogelijk maakte een staal van politieambtenaren te bevragen via een lijst [ 37 ] met gesloten en open vragen. Deze politieambtenaren maken deel uit van stedelijke korpsen [ 38 ] die werden geselecteerd op basis van drie criteria: (1) een relatief hoog bevolkingsaantal of zogenaamde 'doorgangsplaatsen'; (2) een spreiding over verschillende politiezones, er werden namelijk twee politiezones gekozen in elke provincie en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; (3) de aanwezigheid van het etiket «stad met vele toeristische troeven». Deze benaderingswijze liet ook toe inlichtingen in te zamelen via antwoorden op brieven die werden gericht aan de politiehiërarchie en aan de bestuurlijke overheid van de geselecteerde steden. Aan deze instanties werd gevraagd: (1) of hun politiedienst werd geconfronteerd met het fenomeen van bedelarij; (2) of er strafbare feiten werden geregisteerd en, zo ja, van welke aard; (3) of ze kennis hadden van het bestaan van een subjectief onveiligheidsgevoel en, zo ja, hoe zij dit hadden vernomen; (4) of stappen werden overwogen om de politieambtenaren in dit verband te sensibiliseren of hen te betrekken bij een of ander participatief project; (5) of er lokale reglementen of richtlijnen waren. Tot slot konden we via deze werkwijze een aantal verantwoordelijken van onthaalstructuren [39 ] ontmoeten die een ander beeld konden schetsen van deze doelgroep en ons konden informeren over eventuele disfuncties die hen in dit verband werden gemeld.
In grote lijnen bracht ons onderzoek de volgende elementen aan het licht: (1) de aandacht die de politie besteedt aan deze problematiek verschilt sterk van plaats tot plaats; (2) de politie heeft niet overal dezelfde perceptie van het fenomeen; (3) de politie wordt er vooral mee geconfronteerd wanneer ze wordt opgeroepen door de handelaars; (4) de politie stelt slechts weinig strafbare feiten vast die door deze doelgroep zijn gepleegd.
Het Vast Comité P zal in het kader van zijn actieplan 2003-2004 aandacht blijven schenken aan deze bijzonder gevoelige problematiek.
3.7. 101-centrales [ 40 ]
3.7.1. Algemeen kader
In opdracht van de minister van Binnenlandse Zaken werd het Vast Comité P gelast een toezichtsonderzoek uit te voeren naar de werking van de 101-centrales in België. Deze opdracht omvatte «het uitvoeren van een toezichtsonderzoek naar de huidige werking van de 101-centrales, ter voorbereiding en optimalisering van de werking van de toekomstige oproepcentrales met het ASTRID-systeem».
Dit onderzoek naar de werking van de 101-centrales heeft niet alleen relevante onderzoeksresultaten opgeleverd met betrekking tot de initiële doelstelling van het onderzoek, maar resulteerde ook in een aantal bevindingen in domeinen die (in)direct de werking van de 101-centrale beïnvloeden of een gevolg zijn van de werking ervan [ i 13 ] .
In de loop van het onderzoek werd duidelijk dat de wijze van organisatie van de interventiediensten en -ploegen in de diverse korpsen, de verschillende (korps)prioriteiten, de aanzet tot implementatie van het ASTRID-systeem en de politie hervorming ontegensprekelijk een weerslag hebben op de huidige en toekomstige werking van de 101-centrales. De wijze waarop deze factoren de werking van de 101-centrales beïnvloeden, werd in het aanvankelijk onderzoek niet volledig achterhaald en maakte het voorwerp uit van het opvolgingsonderzoek dat dit jaar werd uitgevoerd. In dit opvolgingsonderzoek werd gepeild naar de evolutie van de werking van de 101-centrales en werd een antwoord gezocht op een aantalonderzoeksvragen met betrekking tot de belangrijkste thema's van de werking van een 101-centrale.
Deze onderzoeksvragen omvatten: (1) de prioriteitenbepaling van een oproep; (2) de toekenning van een oproep aan een korps; (3) de modaliteiten en de normen van het beschikbare interventiepersoneel; (4) de duur van de behandeling van de oproep; (5) de invloed van de politiehervorming op de werking van een 101-centrale; (6) de invloed van de implementatie van ASTRID op de werking van een 101-centrale. Om een antwoord te krijgen op deze onderzoeksvragen, werden deze thema's tijdens semi-gestructureerde interviews voorgelegd aan: (1) de verantwoordelijken van de 101- centrales van Antwerpen, Brussel, Gent en Charleroi; (2) een hoofdcommissaris van de federale politie, Algemene Directie, Operationele Ondersteuning, Directie van de Telematica die belast is met de implementatie van ASTRID; (3) de verantwoordelijke van het communicatie- en informatiecentrum (CIC) te Gent. Tevens werd een analyse verricht van: (1) de bestaande documenten met betrekking tot de werking en de toepassingsmogelijkheden van ASTRID; (2) de bedenkingen en vragen van de parlementaire begeleidingscommissie; (3) de dossiers van de Dienst Enquêtes P van de incidenten met betrekking tot 101-centrales; (4) de antwoorden van de korpschefs als feedback op de onderzoeksresultaten.
3.7.2. Voornaamste vaststellingen
De prioriteitenbepaling van een oproep gebeurt in de diverse bezochte 101-centrales steeds aan de hand van een lijst die een voorlopige indeling geeft van opdrachten die (zeer) dringend zijn, die een niet-dringende of uitstelbare actie van de politie vragen of die geen politietussenkomst vereisen. De verschillende 101-centrales beschikken over indelingslijsten met prioriteitencodes die bij een oproep door elk Computer Aided Dispatchingsysteem (CAD) automatisch worden aangegeven. Deze prioriteitscode kan echter steeds handmatig worden gewijzigd door de call-taker (en dispatcher). Deze indeling en de criteria die aanleiding kunnen geven tot een wijziging in de prioriteitenbepaling, vertonen in alle 101-centrales slechts geringe verschillen. De categorisering van mogelijke oproepen is vrijwel gelijk en wordt enkel beïnvloed door het politiebeleid van de respectieve korpsen. In Antwerpen werd voor het beantwoorden van nietdringende vragen om politiehulp en/of politiegerelateerde informatie een callcenter opgericht, dat na bijna één jaar werking door de korpsleiding positief werd geëvalueerd.
De toekenning van een oproep aan een politiedienst is afhankelijk van het aantal beschikbare interventiepatrouilles. Aangezien de 101-centrales enkel de dispatching verzorgen van de ploegen van hun eigen lokaal korps, hebben zij niet altijd kennis van de beschikbare interventieploegen van de andere politiekorpsen waarvoor zij de call-takingverrichten. De 101-centrales vervullen echter een primaire taak in het aansturen van interventieploegen op het terrein. Voor een optimale uitvoering van hun opdracht dienen zij een duidelijk overzicht te hebben van alle beschikbare (interventie)ploegen. De afhandeling van een oproep is immers een ketenverantwoordelijkheid, waarbij de rol van de 101-centrale als eerste schakel in het proces erg belangrijk is.
De modaliteiten en normen van het beschikbare interventiepersoneel zijn in Gent en Antwerpen duidelijk bepaald. Het operationeel model van het provinciaal communicatie-en informatiecentrum (CIC) in het Astrid-concept voorziet voor de uitvoering van de politie-opdrachten vier soorten ploegen met een verschillend statusniveau.
Ongeacht de technische vooruitgang (zie infra) blijft het een feit dat de operator/dispatcher een centrale rol zal blijven spelen, een rol die heel wat communicatievaardigheid en een groot inlevingsvermogen vereist, onder meer wat de benaming van de gemelde feiten betreft. Zo onstaan er soms misverstanden omdat de politieambtenaar en de burger niet dezelfde terminologie hanteren. «Wanneer iemand een bestuurder doet stoppen en er dan met de wagen vandoor gaat, is dit voor een burger misschien een «vluchtmisdrijf», daar waar de politie van carjacking spreekt». De politieambtenaren die oproepen beantwoorden, moeten er zich dan ook van bewust zijn dat de taal van de burger-politioneel gezien - niet noodzakelijk de meest adequate is en zich bijgevolg niet uitsluitend verlaten op de gebruikte bewoordingen. Door enkele bijkomende vragen te stellen, kunnen dergelijke misverstanden gemakkelijk vermeden worden.
3.7.3. Vooruitzichten
Tijdens dit onderzoek werd voor de invloed van de politiehervorming verwezen naar een aantal bepalingen die in de rechtspositieregeling van het politiepersoneel zijn vervat en die een flexibele inzet van het personeel zouden hypothekeren. Tevens verwijst men te Brussel naar de stijgende personeelstekorten door een verhoogde mobiliteit en een geringe rekrutering voor de 101-centrale.
De invloed van de implementatie van Astrid op de werking van de 101-centrale werd door alle respondenten als zeer belangrijk omschreven. De beoogde functionaliteiten van het concept, met name een nationaal dekkend digitaal trunking radionetwerk, zijn: (1) all round: een nationaal netwerk dat moet dienen voor alle hulpen veiligheidsdiensten; (2) semi-cellular : een cellulair netwerk dat wordt gevormd door een geheel van basisstations die allen radiodekking verzorgen binnen één cel, al deze cellen zijn met elkaar verbonden, zodat ze één virtueel netwerk vormen; (3) trunked : een bundel van kanalen kan ter beschikking worden gesteld van verschillende gebruikers; (4) integrated dispatchings: in het radionetwerk zijn geïntegreerde dispatchings voorzien voor de politiediensten.
Het Astrid-concept bestaat uit: (1) een radiocommunicatiesysteem gevormd door een aantal basisstations die verbonden worden met een centrale die de gesprekken naar de juiste bestemmeling(en) stuurt en (2) geïntegreerde dispachtings. De gebruikte technologie voor het Astrid-concept - een trunkingsysteem gebaseerd op de nieuwe Tetrastandaard - werd door de Europese Unie naar voor geschoven als standaard voor de communicatie van hulp- en veiligheidsdiensten.
Het operationeel model voor de implementatie van het Astrid-concept rijmt met de kenmerken van een gemeenschapsgerichte politie. Volgens het functioneel model moet Astrid: (1) de dienst aan de bevolking centraal stellen en een externe oriëntering beogen; (2) het model van een politiedienst zijn die georiënteerd is naar het bevorderen van het oplossen van problemen; (3) de naleving van standaarden bevorderen die een minimale en gelijkwaardige kwaliteit waarborgen over het ganse land; (4) een lokale invulling van het veiligheidsbeleid waarborgen. Voor de concretisering van deze principes, die de waarde van het Astrid-concept verhogen, is het echter noodzakelijk dat de politiestructuur over de vereiste communicatiemogelijkheden beschikt om de technisch-functionele invulling te realiseren.
Door deze basisprincipes te poneren, wordt niet alleen een technische visie maar ook het belang van een operationele visie op het gebruik van het Astrid-systeem benadrukt. De synthese van beide visies heeft tot een operationeel model geleid dat een optimale afhandeling van alle politieopdrachten moet waarborgen. Voor de ontwikkeling van dit operationeel model, dat een globale bedrijfsmatige visie op politie en communicatie inhoudt, werd door een projectgroep van de federale politie: (1) een analyse verricht van de bedrijfsconcepten van politie; (2) procesanalyse-technieken toegepast; (3) rekening gehouden met de wettelijke context van de politiehervorming en (4) een analyse gevoerd naar de wijze waarop callcenters in een bedrijfsomgeving worden beheerd.
Door gebruik te maken van de nieuwe opportuniteiten die de technologische evolutie biedt, kunnen de politiediensten de dienstverlening aan de bevolking verbeteren. In samenhang met deze technologische ontwikkelingen, kan de verbetering van de bedrijfsprocessen hier eveneens toe bijdragen. De ontwikkeling van meldkamers op provinciaal niveau vereist echter dat de traditionele politieprocessen geoptimaliseerd worden door o.a. business process re-engineering. De ontwikkeling van een optimale integratie van het beheer van de operationele informatie en communicatie dient tot slot gekaderd te worden in een globale visie, strategie en doelstellingen. Voor de realisatie hiervan dient per provinciale meldkamer een beleidsplan te worden ontwikkeld. De realisatie hiervan kan enkel door een duidelijk partnership van het CIC met de andere politie-entiteiten van de provincie.
Reeds in augustus 1998 werd de start van de implementatie van het Astrid-project door de regering aangekondigd [ 41 ] . In deze omzendbrief van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken werd de oprichting van een CAD-systeem in combinatie met een nieuw radionetwerk voorgesteld. Dit CAD-systeem zou nieuwe en performante mogelijkheden moeten bieden om de politionele noodoproepen sneller en efficiënter te behandelen. Vanaf de bekendmaking van het Astrid-project werd gewezen op de nakende politiehervorming en werd gevraagd om door een doorgedreven samenwerking tussen de respectieve politiediensten, de implementatie optimaal te laten verlopen. De omzendbrief verduidelijkt de rol en de diensten van de Astrid-CAD in de politiestructuur, met name: (1) call-taking: het aannemen van oproepen van politiediensten; (2) distributie: het doorgeven van de via call-taking bekomen informatie; (3) dispatching: de inzet en aansturing van de ploegen; (4) opvolging: de mogelijkheid om in reële tijd geïnformeerd te blijven over de activiteiten van de ploegen en het verloop van incidenten; (5) coördinatie: het laten samenwerken van mensen en middelen uit verschillende zones/niveaus of het verstrekken van diensten in uitzonderlijke omstandigheden.