Jaarverslag 2002
1. Concretisering van zijn werkingsprincipes
1.1. Algemeen kader
1.2. Verdeling van de opdrachten en taken
1.3. Overleg of contacten met verscheidene andere partners, actoren of betrokkenen
Hoofdstuk I: Toezichts- en opvolgingsonderzoeken
Afdeling 2: Rechten van de mens en doelmatigheid in het kader van het politiebeleid
3.1. Doorgangscellen (amigo's) en opsluitingen in commissariaten
3.2. Vrijheidsberovingen, fouilleringen en beheer van (tijdelijk) ingehouden of in beslag genomen bezittingen of goederen
3.3. Gebruik van geweld, meer in het bijzonder door wapens
3.4. Onthaalfunctie
3.5. Relatie politie - woonwagenbewoners
3.6. Relatie politie - kansarmen
3.7. 101-centrales3.7.1. Algemeen kader
3.7.2. Voornaamste vaststellingen
3.7.3. Vooruitzichten
3.7.4. Opvolging3.8. Toezicht op de functie intern toezicht
3.9. Van handhaving en herstel van de openbare orde naar een genegotieerd politioneel beheer van de publieke ruimte3.9.1. Algemeen kader
3.9.2. Voornaamste vaststellingen
3.9.3. Voornaamste conclusies en aanbevelingen4.1. Steun van de federale component aan de lokale component
4.1.1. Algemeen kader
4.1.2. Voornaamste conclusies
4.1.3. Opvolging4.2. Werkwijze en optreden van de politiediensten die te maken hebben met het fenomeen prostitutie
4.2.1. Algemeen kader
4.2.2. Voornaamste conclusies
4.3.3. Voornaamste aanbevelingen5. Implementatie van het algemeen veiligheidsbeleid onder het gezag van de gerechtelijke overheden
5.1. Rekrutering en beheer van informanten
5.2. Verscheidene bijzondere gerechtelijke onderzoeken6.1. Discriminatie, intolerantie en racisme bij politieambtenaren
6.2. Slachtofferonthaal en geweld tussen partners
6.3. Diverse administratieve vragen
6.4. Tuchtbeleid
Afdeling 3: Doelmatigheid en coördinatie
7. Verzameling, verwerking, terbeschikkingstelling en archivering van informatie
7.1. Informatiebeheer bij de geïntegreerde politie
7.2. Websites gewijd aan geseinde of op te sporen personen en de interactie tussen burgers en politie via internet7.3. Politionele criminaliteitsstatistieken7.3.1. Algemeen kader
7.3.2. Voornaamste vaststellingen
7.3.3. Voornaamste conclusies en aanbevelingen8. Nationale en internationale samenwerking
8.1. Verbindingsofficieren
8.2. Samenwerking inzake mensensmokkel en politionele opvolging van het fenomeen mensensmokkel8.2.1. Voornaamste vaststellingen
8.2.2. Voornaamste conclusies
8.2.3. Voornaamste aanbevelingen9. Coördinatie en samenwerking op het terrein
9.1. Inleiding
9.2. Geïntegreerde en gecoördineerde politionele acties9.2.1. Algemeen kader
9.2.2. Eerste vaststellingen
9.2.3. Eerste conclusies
10. Capaciteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest
11. Toezichtsonderzoeken in verschillende zones
12. Opvolgingsonderzoeken sensu stricto
13. Beheer van de bewapening bij de geïntegreerde politie
14. Inleiding
15. Politie over het vervoer
Hoofdstuk II: Globale monitoring van de politiediensten
16. Enkele inleidende beschouwingen
17. Structuren17.1.1. Inleiding
17.1.2. Aantal zones
17.1.3. Integratie
17.1.4. Human resources management
17.1.5. Administratief beheer
17.1.6. Functie van intern toezicht17.2.1. Audit van Price Waterhouse Coopers over de werking van de federale politie
17.2.2. Bestuurlijke directeur-coördinator
17.2.3. Gerechtelijke directeur
17.2.4. Relatie lokale politie - federale politie18.1. Reglementering, omzendbrieven, richtlijnen, enz
18.2. Gehypothekeerde capaciteit
18.3. Toezicht19.1. Statuut
19.2. Rekrutering, opleiding en intreding
19.3. Mobiliteit
19.4. Personeelskader
19.5. Operationele capaciteit
19.6. Sociaal secretariaat
19.7. Tuchtraad
19.8. Andere actoren21.1. Financiering
21.2. Infrastructuur
21.3. Astrid
21.4. Computer Crime Unit
21.5. Uniform22. Enkele beschouwingen over verschillende positieve en minder positieve punten van de hervorming
23. Op weg naar een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus
24. Inleiding
25. Dossiers met betrekking tot klachten en aangiften
26. Dossiers met betrekking tot gerechtelijke onderzoeken
27. Dossiers in behandeling
28. Diverse aangeklaagde feiten
30. Evaluatie van de informatie over vonnissen en arresten en over lopende opsporings- en gerechtelijke onderzoeken
31. Evaluatie van de informatie overgemaakt op basis van artikel 14bis, 2de lid32. Evaluatie van de informatie overgemaakt op basis van artikel 14bis, 1ste lid
32.1. Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie
32.2. Federale politie
32.3. Lokale politie
Hoofdstuk III : Enkele bijzondere beschouwingen over de gevoerde onderzoeken of behandelde dossiers
33. Onvoldoende kennis van de wet op het politieambt
34. Respect voor de privacy
35. Gebrekkig primair gerechtelijk werk
36. Opportuniteit naast wettelijkheid
37. Machts(ge)(mis)bruik
38. Intimiderend optreden
39. Vermeende partijdigheid
40. Klachtenbeheer door de diensten intern toezicht
41. Onbeleefdheid
42. Niet optreden ingevolge burgerlijke klachten
43. (On)herkenbaar optreden
44. Bescherming van het recht op eigendom
45. Takelen van voertuigen
Hoofdstuk IV: Enkele bijzondere conclusies en aanbevelingen
46. Inleiding
47. Houding tegenover de burgers en de rechten van de mens
48. Coördinatie
49. Doeltreffendheid sensu lata
50. Opvolging van de implementatie van de wet van 7 december 1998
51. Kritische succesfactor: de effectieve informatiedoorstroming
Voorwoord
Gezien de bepalingen van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, die zeer recent werd gewijzigd door de wetten van 3 mei 2003 [ i 1 ], de gedachtenwisseling hierover met de Voorzitter van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de verkiezing van de federale wetgevende kamers van 18 mei 2003, is het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten zich ervan bewust dat het enige tijd kan duren vooraleer zijn activiteitenverslag 2002 zal worden besproken in de bijzondere Commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten. In dit opzicht en gelet op de veelheid en verscheidenheid aan regelgeving die sinds 1 januari 2002, en zelfs na de redactie van dit verslag, is uitgevaardigd, dient voor ogen te worden gehouden dat sommige aspecten van dit jaarverslag op het ogenblik van de bespreking met de Parlementaire begeleidingscommissie achterhaald zullen zijn of aan pertinentie zuIlen hebben ingeboet.
Uiteraard is dit eigen aan ieder jaarverslag, maar het is hier des te meer het geval aangezien in de beschreven periode het nieuwe politielandschap verder werd in plaats gesteld. Het Vast Comité P meent evenwel dat dit veranderingsproces het best als afgesloten wordt beschouwd en het zal dan ook de volgende werkingsjaren de politiewerking eerder bekijken tegen de achtergrond van een permanent verbeteringsproces.
Zoals hiertoe reeds in het jaarverslag 2001 de aanzet werd gegeven, werd getracht het jaarverslag 2002 zodanig te structureren dat zowel aan de behoeften van de geïnteresseerde lezer als van de specialist wordt voldaan. Aldus bevat het eerste deel, het 'corpus', een synthese van de voornaamste krachtlijnen van het door het Vast Comité P aangekondigde en gevoerde beleid, de uitgevoerde onderzoeken en analyses en de geplande acties voor de toekomst. In de bijlagen [ i 2 ] wordt op een meer volledige en gedetailleerde wijze verslag uitgebracht.
Tevens moet er rekening mee worden gehouden dat in het afgelopen jaar over een aantal onderzoeken door het Vast Comité P reeds verslag werd uitgebracht aan de bijzondere Commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten. Het Vast Comité P is voornemens deze politiek van verslaggeving aan de begeleidingscommissie voort te zetten en aldus zijn rol van toezichtsorgaan zo adequaat mogelijk te vervullen, ten opzichte van de politiediensten en -ambtenaren, de burger maar ook en bij voorrang van het Parlement.
Met dit jaarverslag meent het Vast Comité P gestalte gegeven te hebben aan zijn fundamentele opdracht, met name als extern ondersteunend orgaan van het Parlement bij te dragen tot de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden van elke burger en intrinsiek tot de verhoging van het vertrouwen in het politiebestel. Hiertoe oefent het Comité toezicht uit op het politiesysteem zoals dit door de uitvoerende macht wordt ingevuld met als doel een totaalbeeld ervan te ontwikkelen, eventuele problemen te identificeren en tot slot, indien nodig, nuttige of nodige verbeteringen of wijzigingen aan het politiesysteem voor te stellen.
Meer nog dan in het verleden heeft het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten bijzondere aandacht besteed aan een proactieve en constructieve aanpak van de geschetste problemen. Niettegenstaande in dit jaarverslag geregeld de begrippen 'controle' en 'disfuncties' vermeld worden, wenst het Vast Comité P dan ook duidelijk te stellen dat het zijn onderzoeken voert vanuit een positieve ingesteldheid en met de bedoeling bij te dragen tot een betere politiewerking. De begrippen mogen dan al negatief klinken en inherent zijn aan een toezichtsorgaan, het dient benadrukt dat zij zeker zo niet gehanteerd worden in de dagelijkse werking van het Comité P en zijn Dienst Enquêtes.
De in dit jaarverslag vermelde en ontwikkelde vaststellingen tonen ook aan dat het Vast Comité P zo transparant als mogelijk wenst te werken en in partnerschap met andere instellingen die soortgelijke doelen nastreven.
Tot slot, stemt de goede samenwerking met zijn Parlementaire begeleidingscommissie in het afgelopen jaar het Vast Comité P hoopvol dat het ook naar de toekomst zijn politiek van regelmatige verslaggeving en dialoog met het Parlement nog zal kunnen intensifiëren en het aldus ook in staat zal zijn, naar de burgers, de politiediensten en de bevoegde overheden toe, zijn opdrachten met nog meer efficiëntie te vervullen.
Algemene inleiding
1. Concretisering van zijn werkingsprincipes
1.1. Algemeen kader
In zijn jaarverslag 2001 [ i 3 ], en in mindere mate in zijn jaarverslag 2000, heeft het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, met instemming van zijn Parlementaire begeleidingscommissie en na rijp beraad binnen het Comité niet alleen getracht zijn werkingsprincipes te verduidelijken, maar heeft het zich vooral tot taak gesteld deze principes concreet in praktijk te brengen doorheen de meest diverse activiteiten, contacten en verwezenlijkingen. Deze concretisering, die zich ook heeft vertaald in de verschillende lopende onderzoeken, was eveneens één van de hoofddoelstellingen van zijn werkingsjaar 2002-2003, dat stilaan plaats maakt voor het nieuwe onderzoeks- en observatieprogramma 2003-2004.
Zo waren de gedachtewisselingen en de werkzaamheden met de Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten erg succesvol. Deze commissie heeft niet enkel het werkingsprogramma van het Comité goedgekeurd en het nieuwe opdrachten en taken toevertrouwd, ze heeft een deel van haar werkzaamheden besteed aan de grondige voorbereiding van twee wetsvoorstellen tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, die door de Senaat respectievelijk tijdens de plenaire zittingen van 27 maart en 3 april 2003 [ i 4 ] werden goedgekeurd. Wij komen hier elders op terug.
Het overleg dat in 2001 en 2002 met diverse partners werd aangevat, werd onverminderd voortgezet. Er vonden verscheidene constructieve gesprekken en vruchtbare werkvergaderingen plaats, zowel met de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie als met de commissaris-generaal van de federale politie, alsook met hun naaste medewerkers. Met elk van hen werd een specifiek protocol afgesloten [ 1 ] en geleidelijk aan ten uitvoer gebracht. De bepalingen van deze protocollen worden ook steeds beter nageleefd, hoewel er nog een aantal moeilijkheden of problemen blijven bestaan. Wat de federale politie betreft, heeft het Vast Comité P een werkvergadering gehad met de commissaris-generaal en met verscheidene directeurs-generaal en hun naaste medewerkers, waaronder een overigens schitterende - ad hoc globale uiteenzetting over de hervorming van de federale politie, waarin heel wat lessen werden getrokken en veel referte-elementen werden aangereikt voor de huidige en toekomstige analyses van het Vast Comité P. Ook met de inspecteur generaal van de federale politie en van de lokale politie hebben bijzonder constructieve besprekingen plaatsgehad, meer in het bijzonder met betrekking tot de verdeling van de taken tussen de Dienst Enquêtes P, de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, de diensten of personen die de functie 'intern toezicht' waarnemen en verschillende andere componenten van de geïntegreerde politie. We komen hier later op terug. Er werden ook besprekingen gevoerd met de algemene inspectie met betrekking tot de toezending van gegevens inzake klachten en aangiften zoals ingesteld door artikel 14bis, § 1 van de wet van 18 juli 1991 en door artikel 31 van het koninklijk besluit van 20 juli 2001, inzake de uitwisseling van bepaalde informatie tussen het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, de Algemene inspectie en verschillende andere componenten van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus. Tevens werd voorzien in de eerste opvolgingsvergadering over de uitvoering van het protocol tussen het Vast Comité P en de Algemene inspectie. Wij kunnen evenwel niet voorbijgaan aan de aangevoelde malaises en aan bepaalde misverstanden die eind vorig jaar zijn ontstaan. Het Comité heeft de indruk dat deze het gevolg zouden kunnen zijn van of gebonden zouden kunnen zijn aan de ontwikkeling en de implementatie van een strategie door de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, alsook van de houding of de initiatieven van sommige van haar leden of van sommige andere 'gecontroleerden', waarop het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten reeds eerder de aandacht van zijn Parlementaire begeleidingscommissie heeft getrokken. Het is evenmin uitgesloten dat deze misverstanden of malaises werden ingegeven of versterkt door sommige bezorgdheden, voornamelijk statutair van aard, in hoofde van sommige personen. In het kader van de huidige politiehervorming zou dit immers lang geen uitzondering zijn.
Hoewel bepaalde recente contacten en ontwikkelingen erop lijken te wijzen dat de misverstanden en malaises stilaan verdwijnen, achtte het Vast Comité P het onontbeerlijk de voorzitter van de Begeleidingscommissie hierover in te lichten, hierover van gedachten te wisselen met dezelfde commissie, alsook verscheidene afspraken te maken met de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie. Daarenboven zullen de wijzigingen die door de wetten van 3 mei 2003 werden aangebracht aan de wet van 18 juli 1991 meer dan waarschijnlijk een duidelijker licht werpen op de situatie en zal het engagement van mensen van goede wil die deze wetten dienen toe te passen, de laatste twijfel wegnemen en bijgevolg elk van beide instellingen, elk met haar specificiteiten en kenmerken, in staat stellen haar steentje bij te dragen tot een betere organisatie van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus door toe te zien op de goede werking ervan.
1.2. Verdeling van de opdrachten en taken
De problematiek van de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie door de Dienst Enquêtes werd heraangepakt en opnieuw bekeken in het licht van artikel 16, 4de lid van de wet van 18 juli 1991 en artikel 143ter van het Gerechtelijk wetboek. Het College van procureurs-generaal werd ingelicht van de zienswijze van het Vast Comité P, zoals die reeds ter kennis werd gebracht van de minister van Justitie. In het verlengde van een eerste gedachtewisseling, vond overleg plaats met de Raad van procureurs des Konings op 8 juni 2001 en met een delegatie van deze Raad op 26 juni 2001, 6 september 2001 , 4 februari 2002 en 28 februari 2002. Later volgden nog verscheidene contacten met verschillende procureurs-generaal of procureurs des Konings. Er kon reeds een consensus worden bereikt omtrent een ontwerp tot uniformisering van de uitwisseling van informatie betreffende strafvervolgingen ten laste van politieambtenaren. De verdere besprekingen hadden meer in het bijzonder betrekking op een aanpassing van de taakverdeling tussen de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de reguliere politiediensten.
Bij deze diverse besprekingen heeft het Vast Comité P bevestigd dat het wat zijn Dienst Enquêtes betreft o.a. uitgaat van het specialisatie- en subsidiariteitsbeginsel, zoals dit meermaals werd herhaald door het Parlement [ 2 ] en door de betrokken ministers, namelijk dat de gerechtelijke onderzoeken moeten worden beperkt tot feiten waarvoor het verantwoord is een beroep te doen op gespecialiseerde enquêteurs en dat de Dienst Enquêtes in de eerste plaats de opdrachten van het Vast Comité P moet uitvoeren, vooreerst ten bate van het Parlement, dan van andere intervenanten of overheden zoals bepaald in de wet van 18 juli 1991. De zeer recente wijziging van deze wet gaat trouwens ook duidelijk in deze richting.
De absolute vereiste dat bij onderzoeken ten laste van politieambtenaren moet worden vermeden dat een schijn van partijdigheid zou worden gewekt, mag evenmin uit het oog worden verloren. Daar waar de gerechtelijke overheden vóór de politiehervorming een grote keuzemogelijkheid hadden om voor vaststellingen en onderzoeken ten laste van politieambtenaren een beroep te doen op een andere politiedienst dan deze waarvan de politieambtenaar deel uitmaakte, is deze keuzemogelijkheid sinds 1 januari 2002 aanzienlijk beperkt. Tevens is het niet aangewezen dat voor elke 'banale' zaak een beroep wordt gedaan op de Dienst Enquêtes P. Het is bijgevolg in deze optiek dat het Vast Comité P van oordeel is dat - naast de Algemene inspectie, die onafhankelijk en extern optreedt ten opzichte van de geïntegreerde politie - elke component van zekere omvang van de geïntegreerde politie zou moeten kunnen beschikken over een structuur of een persoon die de functie 'intern toezicht' waarneemt (of een dienst 'intern toezicht') die, weliswaar onder het rechtstreekse toezicht en de verantwoordelijkheid van de korpschef, onafhankelijk van de andere geledingen van het korps kan optreden.
Al deze besprekingen hadden normaliter eerder snel moeten zijn afgerond en de minister van Justitie had dan, in toepassing van artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek, net zo snel richtlijnen kunnen uitvaardigen, zoals voorzien in artikel 16 van de wet van 18 juli 1991 en krachtens deze wettelijke bepaling voorgesteld door het Vast Comité P. Wij moeten echter tot onze spijt vaststellen dat, bijna twee en een half jaar later, wij nog steeds geen reactie die naam waardig hebben ontvangen, noch van de betrokken minister noch van zijn diensten. Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten begrijpt dit niet goed en wenst de bijzondere aandacht van zijn Parlementaire begeleidingscommissie hier dan ook op te vestigen.
Niettegenstaande in het kader van welbepaalde dossiers of specifieke werkvergaderingen verschillende opbouwende contacten en gedachtewisselingen konden tot stand worden gebracht met verscheidene procureursgeneraal of procureurs des Konings, betreurt het Comité dat de meer institutionele contacten tussen het College van procureurs-generaal, het Federaal parket of de Raad van procureurs des Konings of hun vertegenwoordigers, alsook deze met de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie in 2002 enige vertraging hebben opgelopen. In dit verband zal het Vast Comité P meer aandacht moeten schenken aan de regelmaat, de relevantie en de kwaliteit van deze contacten.
1.3. Overleg of contacten met verscheidene andere partners, actoren of betrokkenen
Er vonden eveneens, al dan niet voor de eerste keer, interessante gedachtewisselingen plaats met o.a. de Tuchtraad, het Centrum voor gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding, de Commissie voor de Bescherming van de Persoonlijke Levenssfeer, de federale ombudsmannen, de Raad van Europa, alsook met wetenschappelijke of niet-gouvernementele instellingen of organen zoals Intercenter, International Commission against Corruption (ICAC), Beweging tegen Racisme en Antixenofobie (MRAX-BRAX), de Liga voor de rechten van de mens, Amnesty International, enz. en tot slot met sommige diensten van de universiteiten van Luik, Gent, Leuven en Brussel.
Het Vast Comité P heeft zijn beleid van openheid en transparantie in het jaar 2002 voortgezet. Zo heeft het deelgenomen aan werkzaamheden van de jaarlijkse vergadering van de vereniging van de Belgische politievrouwen, die trouwens plaatsvond in de lokalen van het Comité. Het Vast Comité P heeft, met de steun van het Parlement, een internationale conferentie georganiseerd met als thema "Policing - Ethics and Corruption». Dit colloquium, waaraan delegaties van 23 landen deelnamen, vond plaats in de gebouwen van het Parlement van 29 september 2002 tot 4 oktober 2002 [ 3 ] .
Op 30 oktober 2002 ontving het Vast Comité P in zijn lokalen een Bulgaarse delegatie onder leiding van de vice-minister van Binnenlandse Zaken. Deze delegatie had interesse betoond voor de controle en het toezicht op de politiediensten en de politiewerking. Enkele weken later kwam een Roemeense delegatie naar België. Deze wenste tevens inlichtingen te verkrijgen over de werking van het toezicht op de politiediensten. De leiding van de federale politie achtte het nochtans niet nuttig het Vast Comité P hierbij te betrekken, niettegenstaande onze instelling reeds eerder het initiatief had genomen om alle toezichts- en controleorganen van de EU-lidstaten samen te brengen om enerzijds de specifieke werking van de verschillende diensten te leren kennen en anderzijds de werking en samenwerking van de verschillende diensten te bespreken in het kader van de politionele samenwerking in EU-verband [ 4 ] .
Van 27 tot 29 november 2002 vond bij Europol een tweede vergadering plaats van de toezichts- en controleorganen van de landen van de Europese Unie. Alleen de vertegenwoordiger van Griekenland kon uiteindelijk niet aanwezig zijn. Thema van deze tweede conferentie was: "Présentation des méthodologies et procédures de contrôle des services de police et du système de gestion des plaintes à charge de fonctionnaires et services de police appliqué par les différents services de contrôle et d'inspection» [ 5 ] .
De besluiten van deze conferentie luidden als volgt: (1) Compte tenu des évolutions de l'action policière au niveau européen, iI est confirmé par les participants au colloque que l'organisation de réunions à intervalles réguliers constitue une nécessité ; (2) dans ce même contexte, les participants considèrent que, dans le cadre du développement d'une collaboration entre services, iI y a lieu de persévérer dans l'échange de toute information utile et notamment des rapports d'activités établis par les différents organes et services; (3) les participants s'engagent à collaborer entre eux dans le cadre d'enquêtes transfrontalières en conformité avec les politiques et législations respectives ; (4) ils s'accordent pour organiser une réunion dans le courant de l'année 2003 au Grand-Duché de Luxembourg ; (5) ils considèrent que la participation à la prochaine conférence des services et organes de contrôle et d'inspection des pays candidats à l’Union européenne est une nécessité ; (6) ils s'accordent pour que le Comité permanent P continue à assurer le secrétariat en vue de l'organisation des prochaines réunions; (7) les participants, qui représentent des institutions ou services chargés du contrôle des services de police dans les pays européens, notamment dans les domaines de l'éthique et de la déontologie policières telles qu'elles sont définies dans les travaux du Conseil de l'Europe, s'accordent pour échanger leurs expériences concernant le fonctionnement et les méthodologies de leurs services. Leur objectif final est de développer des approches, des démarches et des méthodes similaires et compatibles au-delà des frontières.
Het Vast Comité P heeft in het kader van de verdere uitbouw van dit quasi geïnstitutionaliseerd forum contacten gelegd met de «Inspection générale de la police luxembourgeoise», die zich bereid verklaarde om deze bijeenkomst te huisvesten in 2003. Het Vast Comité P verzorgt verder het secretariaat van deze bijeenkomsten en neemt onder meer contact op met de toezichts- en controleorganen van de 10 landen die binnenkort zullen toetreden tot de Europese Unie. Het Vast Comité P heeft ook verschillende contacten gehad in het raam van het opstellen van de Belgische verslagen van het Europees Comité ter voorkoming van foltering (CPT), de Europese Commissie tegen Racisme en Onverdraagzaamheid (ECRI), enz., alsook met verscheidene diensten van de departementen van Buitenlandse of Binnenlandse Zaken en van Justitie.
Na opsomming van al deze contacten waaruit heel wat lessen konden worden getrokken en die geregeld werden geconcretiseerd in de vorm van nuttige werkvergaderingen, kan het Vast Comité P, gezien de vertraging, niet anders dan betreuren dat het niet voldoende oog heeft gehad voor de regelmaat van zijn contacten met de Vaste Commissie van de gemeentepolitie (die van de lokale politie was nog steeds niet geïnstalleerd) of met zijn voornaamste leden, alsook met de Adviesraad voor burgemeesters waarop, het dient gezegd, vooral een beroep werd gedaan in het kader van de inplaatsstelling van het nieuwe landschap en de overvloed aan nieuwe reglementeringen die daarmee gepaard ging. In 2003 zal het Comité deze verschillende contacten versterken en verbeteren, ze zijn immers onontbeerlijk voor een nauwgezettere opvolging van de politiehervorming en de vervulling van zijn opdracht van globale monitoring van de werking van de volledige politiestructuur in ons land, doorheen al haar modaliteiten en componenten, meer in het bijzonder via de bevordering van de diverse hiertoe noodzakelijke informatieuitwisselingen, die bovendien duidelijk en wettelijk zijn bepaald.
In zijn twee laatste jaarverslagen [i 5 ] heeft het Vast Comité P onderstreept dat zijn optreden en aanpak geenszins enkel reactief kon zijn of gebonden aan één of ander, al dan niet losstaand, incident. Het Comité heeft dus zijn intentie herbevestigd om zijn opdrachten ook op proactieve wijze uit te voeren. Deze proactieve aanpak kwam in 2002 onder meer tot uiting in het kader van zijn onderzoek naar de wijze waarop de politiediensten omgaan met handhaving en herstel van de openbare orde, hoe ze de beveiliging van hun wapens en munities garanderen of nog hoe ze de amigo's of veiligheidskamers beheren. Deze onderzoeken worden intra meer in detail besproken.
Eveneens in zijn twee laatste jaarverslagen heeft het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten zich gebogen over de toepasbaarheid en de geldigheid van zijn benaderingswijzen en analyses. In dit verband had het aangekondigd dat het van plan was grondig na te denken over zijn onderzoeks- of toezichtsmethoden en -technieken; wat het dan ook in de loop van 2002 heeft gedaan. Dit beraad en vooral de conclusies die eruit zijn voortgevloeid, maken het voorwerp uit van een afzonderlijke publicatie en verslag. Tegelijkertijd werd een referentieparadigma uitgewerkt, «nulmeting» genaamd [ i 6 ]. Verschillende vaststellingen die wij hierbij hebben gedaan, meer bepaald in het kader van de opstelling van dit jaarverslag, brengen ons er thans toe, onder andere wegens een aantal moeilijkheden of problemen, waarop wij intra zullen terugkomen, om minder optimistisch te zijn dan wij totnogtoe waren en er nu reeds voor te opteren onze vorige analyse aan het einde van het jaar 2003 te verfijnen rekening houdend met de verschillende parameters of bijzonderheden - soms gebonden aan de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap - die we zopas aan het licht hebben gebracht of waarvan we nog elke dag nieuwe implicaties ontdekken.
2. Dagelijkse werking van het Vast Comité P [ 6 ]
In 2002 wijzigde de samenstelling van de leden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten niet. Het huidig administratief kader bedraagt 21 personeelsleden [ 7 ]
Het nieuwe personeelsstatuut werd goedgekeurd door het Parlement en tevens werd het sociaal fonds eindelijk opgericht en gestructureerd [ i 7 ] . Op 31 december 2002 waren er 37 leden van de Dienst Enquêtes actief op een kader van 38 leden. In de loop van het jaar 2002 werden 8 nieuwe enquêteurs benoemd. In de Dienst Enquêtes P werd tevens een nieuwe Nederlandstalige adjunct -directeur -generaal aangesteld.
Verschillende leden van het Vast Comité P hebben deelgenomen aan diverse studiedagen, zowel in binnen als buitenland, als gastsprekers en als deelnemers. Zij volgden ook opleidingen, onder meer in methodologie en overheidsmanagement. Het merendeel van het administratief personeel heeft opleidingen gevolgd met als thema's informatica, boekhouding en coaching. Daarnaast werden ook taalopleidingen georganiseerd. Naast een belangrijke opleiding in methodologie werd, in samenspraak met de federale politie, een hogere aanvullende gerechtelijke opleiding gegeven aan de leden van de Dienst Enquêtes. Verschillende leden van de Dienst Enquêtes namen ook deel aan diverse studiedagen, zowel als gastspreker als als deelnemer.
Zoals in 2001 volgde het Vast Comité P de inplaatsstelling van de politiehervorming niet enkel door een aantal controles en vaststellingen op het terrein maar ook door onder meer hearingste organiseren [ 8 ] In dit verband dient ook gemeld te worden dat het Vast Comité P in dit kader verscheidene bezoeken heeft gebracht aan de commissaris-generaal van de federale politie, aan diverse directeurs-generaal van de federale politie, aan verscheidene gerechtelijke directeurs of bestuurlijke directeurs-coördinators, alsook aan de Directie van de speciale eenheden (DSU). Het Vast Comité P heeft ook verscheidene korpschefs van de lokale politie in zijn gebouwen ontvangen of hen een bezoek gebracht op het terrein. In hetzelfde kader heeft het Vast Comité P deelgenomen aan de werkzaamheden van de werkgroep gerechtelijke pijler en nationale gegevensbank van het Ministerie van Justitie, alsook aan deze van het begeleidingscomité met betrekking tot de conventie afgesloten tussen het Centrum voor gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding en het Ministerie van Binnenlandse Zaken. In samenspraak met de Hoge Raad voor Justitie en het Ministerie van Justitie werden in de lokalen van het Vast Comité P twee studiedagen (1 dag voor de Nederlandstaligen en 1 dag voor de Franstaligen) georganiseerd in het kader van de voortgezette opleiding van de magistraten. Het Vast Comité P werd ook nog doeltreffend vertegenwoordigd in televisieuitzendingen zoals «Ooggetuige» (VRT) en «Cartes sur table» (RTBF).
Naar aanleiding van de eerste fase van de uitbreiding van het personeelskader van de leden van de Dienst Enquêtes en van het administratief personeel was het Vast Comité P genoodzaakt te voorzien in een uitbreiding van de lokalen. Hiervoor werd, met de goedkeuring van het Parlement, een verdieping gehuurd in het gebouw gelegen Wetstraat 38.
Bij koninklijk besluit van 30 september 2002 werd eindelijk aan het Vast Comité P toegang verleend tot het Rijksregister, al zijn de voorwaarden in dit verband nog steeds vatbaar voor discussie.
Het Vast Comité P heeft zich ook akkoord verklaard om mee te werken aan drie stages: één van een stagiairmagistraat, één van een studente in de criminologie en één van een kaderlid van de Luxemburgse «Inspection générale de la police».
Op het gebied van communicatie heeft het Vast Comité P ervoor gezorgd dat de informatiebrochures verder bedeeld werden en dat zijn website regelmatig werd bijgestuurd of aangepast.
Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten heeft ervoor gekozen zijn toezichtsonderzoeken voortaan, naargelang hun aard en de twee voornaamste doelstellingen waaraan ze dienen te voldoen, in vier categorieën [ i 8 ] op te splitsen. In dit jaarverslag worden niet enkel afgesloten onderzoeken besproken, maar wordt eveneens tussentijds verslag uitgebracht over onderzoeken die pas zijn aangevat of die nog verder dienen te worden geconcretiseerd. Er zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan de opvolgingsonderzoeken. Een onderzoek dat niet wordt opgevolgd heeft immers totaal geen zin.
Het jaarverslag is de gelegenheid bij uitstek om de essentiële aspecten en conclusies van deze onderzoeken, alsook de opties voor de toekomst, de eventuele lessen die eruit moeten worden getrokken en de nodige aanbevelingen die moeten worden geformuleerd, te vermeiden. De volledige (geïntegreerde), definitieve, bijzondere of tussentijdse verslagen worden bovendien integraal toegezonden aan de Parlementaire begeleidingscommissie. Indien het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten beslist deze verslagen, geheel of gedeeltijk, openbaar te maken, kunnen zij worden geraadpleegd op onze website www.comitep.be. Soms maken deze verslagen ook het voorwerp uit van een afzonderlijke publicatie. Daarnaast dient opgemerkt dat het merendeel van deze volledige verslagen ook werd toegezonden aan de ministers van Binnenlandse Zaken of van Justitie, aan het College van Procureurs-generaal, aan de verschillende autoriteiten van bestuurlijke politie of van gerechtelijke politie, aan de hiërarchie van de betrokken diensten en, in sommige gevallen, aan de academische kringen die interesse hebben voor politie- of veiligheidszaken. En dit af en toe zelfs voordat deze verslagen werden besproken met zijn Parlementaire begeleidingscommissie. Wij houden er ook aan te onderstrepen dat er op het vlak van onze werkzaamheden en procedures nooit enig «lek» is geweest. In verschillende dossiers konden de voornaamste elementen van het onderzoek ook door de hoofdverantwoordelijken worden geraadpleegd of werden deze hen meegedeeld. In andere gevallen werd de betrokkenen de mogelijkheid geboden deze elementen te bespreken of erover van gedachten te wisselen met het Vast Comité P, één van zijn leden of de Dienst Enquêtes.
Deze personen hebben positief gereageerd op deze transparante werkwijze en het Vast Comité P heeft hiermee rekening gehouden bij de voortzetting van zijn werkzaamheden. In vele gevallen heeft deze manier van werken de verantwoordelijke personen of overheden ook in staat gesteld bepaalde noodzakelijke maatregelen te treffen, waardoor ze enigszins vooruitliepen op de aanbevelingen die het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten formuleerde, hoofdzakelijk ten bate van zijn Begeleidingscom missie.
Tot deze categorieën waaraan het Vast Comité P voortaan refereert, onderscheiden we vooreerst de onderzoeken naar de bescherming van de rechten van de mens enerzijds en de doelmatigheid van de politiediensten anderzijds, in het kader van de uitvoering van het politiebeleid voorzien in: (1) de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en volgens de minimale functionaliteiten van de politie, omschreven in het koninklijk besluit [ 9 ] houdende de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie. De mogelijke disfuncties situeren zich op het gebied van de handelingen en houdingen ten opzichte van burgers, hun behandeling in het kader van politietussenkomsten, alsook de relaties tussen de politie en de burger; (2) het beleid onder de verantwoordelijkheid van de bestuurlijke overheid. Hier situeren de disfuncties zich op het gebied van de handelingen en houdingen naar aanleiding van een specifiek politieoptreden; (3) het beleid onder de verantwoordelijkheid van de gerechtelijke overheid. De disfuncties hebben betrekking op de werkwijzen gebruikt bij de afhandeling van bepaalde politionele onderzoeken; (4) het beleid naar aanleiding van specifieke wetten, bijzondere procedures of maatregelen. De mogelijke disfuncties doen zich dan voor op het gebied van de werkwijzen en mogelijke schendingen van de fundamentele rechten en vrijheden in specifieke gevallen.
Ten tweede, de onderzoeken in het kader van de coördinatie tussen politiediensten en de doelmatigheid in het kader van: (1) de verzameling, de verwerking en de terbeschikkingstelling van informatie; (2) de supralokale, nationale en internationale politiesamenwerking en de informatie-uitwisseling; (3) de samenwerking van de politiediensten op het terrein.
Ten derde, de onderzoeken naar de doelmatigheid van de algemene politiewerking van één of meer politiekorpsen of -diensten vanuit: (1) de politieorganisatie, waarbij disfuncties worden verondersteld ingevolge tekorten op het vlak van de systemen, de structuren, het politiebeleid en/of het beheer van het personeel en de middelen alsook de regels en procedures; (2) de interne gezagsrelaties, waarbij disfuncties worden verondersteld ingevolge de overschrijding van bevoegdheden, het doorbreken van de hiërarchische lijn of het gebrek aan onderlinge samenwerking; (3) de interne relaties tussen collega's, waarbij disfuncties worden verondersteld als gevolg van interne relationele en functionele problemen; (4) het individu, waarbij disfuncties worden verondersteld als gevolg van individuele handelingen of houdingen die een nefaste impact hebben op de doelmatigheid van de dienst.
Tot slot, de onderzoeken naar de doelmatigheid van de werking van de diensten of personen met een beperkte of andere politiebevoegdheid. De disfuncties situeren zich op het gebied van de bevoegdheidslimieten met betrekking tot de functie, de bevoegdheidsverdeling binnen een dienst en de hieruit volgende conflicten, en ten slotte op het gebied van de politiewerking binnen een dienst waar belangenconflicten mogelijk zijn.
Afdeling 2: Rechten van de mens en doelmatigheid in het kader van het politiebeleid
3. Algemeen veiligheidsbeleid, zoals voorzien door de wet op het politieambt [ 10 ] en georganiseerd volgens de politiefunctionaliteiten beschreven in het koninklijk besluit houdende de organisatieen werkingsnormen van de lokale politie [ 11 ]
Hier hebben de mogelijke disfuncties [ i 9 ] betrekking op de handelingen en houdingen van politie-ambtenaren ten opzichte van burgers, hun behandeling in het kader van politietussenkomsten, alsook de onderlinge relaties tussen de politie en de burger.
Het toezicht op de uitvoering van het politiebeleid, waarbij de relatie tussen de politie en de burger voor het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten in grote mate centraal staat, heeft vrijwel altijd onvermijdelijk betrekking op de handelingen en de houding van individuele politieambtenaren. Ook uit de evolutie van de klachten en aangiften blijkt dat de tekortkomingen en eventuele misbruiken naar aanleiding van de handelwijze of bepaalde houdingen van politiemensen, een constant gegeven zijn, dat evenwel noch gebanaliseerd noch overdreven dient te worden. Dit neemt echter niet weg dat deze handelwijze en houding van politiemensen duidelijk dient te worden omschreven in het licht van de finaliteiten eigen aan het politieambt. De taakomschrijving van de politie in haar relatie tot de burger, alsook de werkingsnormen worden thans, als gevolg van de recente politiehervorming, duidelijker gedefinieerd in een aantal uitvoeringsbesluiten, in de veiligheidsplannen en in de omzendbrieven of, al dan niet dwingende, richtlijnen. Het toezicht betreft dus niet uitsluitend de uitvoering van het beleid op zich, maar spitst zich ook toe op de aanwezigheid van waarden, normen en regels, waarbij ook de politieopleiding en de voortgezette vorming een cruciale rol zouden kunnen spelen. In de toekomst dient het toezicht de politiewerking in al haar functionaliteiten te beslaan, waarbij de minimale gelijke dienstverlening die aan de burgers overal in het land wordt geboden centraal moet staan.
Deze onderzoeken zijn over het algemeen toegespitst op de legaliteit maar ook, in mindere mate, op de legitimiteit van het optreden en de gelijke behandeling van burgers en tot slot op de dienstverlening die hen uiteindelijk wordt geboden. Het gaat in deze gevallen om het collectief optreden van de politie bij acties of manifestaties, waarbij het dilemma tussen enerzijds de wet respecteren en de rechten van alle betrokkenen vrijwaren en anderzijds de openbare orde handhaven - waardoor de politie de rechten van bepaalde burgers dient te beperken - een grote rol speelt. Een dergelijk dilemma is belangrijk en het voorkomen [ 12 ] en de houding van de politieambtenaren, die in functie van de te beheersen situatie moeten zijn, zijn hier een eerste belangrijk aspect van. Vooral wanneer het politieoptreden niet aangepast is aan de situatie [ 13 ] , kunnen interacties tussen de politie en burgers ontaarden in conflicten en eventueel escaleren in geweld en vernieling, waardoor de politie zich verplicht zou kunnen voelen nog hardhandiger op te treden en men uiteindelijk terecht komt in een situatie van «acting en overacting» aan beide kanten.
De handhaving en het herstel van de openbare orde is sinds de politiehervorming duidelijk één van de functionaliteiten van alle componenten van de geïntegreerde politie. Zoals voorzien en hierboven verduidelijkt, dient het toezicht zich toe te spitsen op de activiteiten, handelwijzen en houdingen van de politieambtenaren. Dit betekent dat dit domein, net als de andere functionaliteiten van de lokale politie, relatief vaak het voorwerp van toezicht en ook van de opvolging ervan zal zijn, gezien de doelstellingen van de wet van 18 juli 1991 die dit toezicht instelt en de specifieke opdrachten die deze wet toekent aan het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes.
Het is evident dat het beheer van de klachten en aangiften, de al dan niet verplichte meldingen en de onderzoeken van het Comité als waardemeter kunnen dienen om een proactief toezicht beter te oriënteren. Dit toezicht moet vooral gericht zijn op het sensibiliseren van alle politiediensten en politieambtenaren, aan de hand van de vaststellingen en aanbevelingen ten behoeve van het algemeen leer- en verbeteringsproces en moet, normaal gezien en in principe, geenszins streven naar het stigmatiseren van diensten of het sanctioneren van individuen. Soms zijn orde- of tuchtmaatregelen echter onvermijdelijk of noodzakelijk en in deze gevallen zal het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten erop moeten toezien dat de hiërarchie en de overheden hun verantwoordelijkheid ten volle opnemen.
3.1. Doorgangscellen (amigo's) en opsluitingen in commissariaten [ 14 ]
Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten heeft zijn Dienst Enquêtes gevraagd de studie die in 1997 en 1998 werd uitgevoerd in de celcomplexen van verschillende Belgische politieposten [ 15 ] te actualiseren. De opdracht bestond er meer bepaald in vaststellingen te doen ter plaatse, inlichtingen in te winnen over de praktijken bij vrijheidsberovingen (fouillering, aanhouding, opsluiting), onderzoek te verrichten naar de geldende richtlijnen in de verschillende gecontroleerde centra en personen te verhoren die op het ogenblik van de controles waren opgesloten. Zo werden tussen eind maart en eind oktober 2002, uit de 196 politiezones van ons land, 12 commissariaten van de lokale politie geselecteerd in functie van demografische en geografische gegevens en werden zij 's nachts tijdens het weekend bezocht door de enquêteurs. Tijdens andere opdrachten die overdag worden vervuld, werden 50 andere celcomplexen bezocht in andere politiezones. Zo werden politieposten in elk van de tien provincies gecontroleerd in het kader van dit onderzoek. Er werd een eenvormige checklist ter beschikking gesteld van de enquêteurs om een zeker aantal gegevens te kunnen inzamelen over identieke punten [ i 10 ] .
Er werden uiteindelijk 62 celcomplexen, of 265 cellen in totaal, onderzocht. Niettegenstaande het grote aantal uitgevoerde controles, werden er slechts in weinig gevallen opgesloten personen aangetroffen, met name 25 personen in totaal. Geen van de ondervraagden heeft zich beklaagd over een slechte behandeling, tenzij dan op het ogenblik van hun interceptie (twee gevallen van zogenaamde hardhandige interceptie ingevolge alcoholintoxicatie of dronkenschap achter het stuur en het bieden van weerstand; de desbetreffende gerechtelijke dossiers werden geraadpleegd en uit hun inhoud bleek duidelijk de reden waarom dwang werd gebruikt). De uitleg van de meeste aangehoudenen was weinig samenhangend want ze waren onder invloed van alcohol of verdovende middelen. Alle aangehoudenen waren volledig gekleed (men had hen wel hun riem en schoenveters ontnomen), ze vertoonden geen sporen van slechte behandeling. Ze waren allemaal ingeschreven in het aanhoudingsregister en de gerechtelijke aanhoudingen maakten allemaal het voorwerp uit van een proces-verbaal dat nog werd opgesteld of reeds klaar was om te worden overgemaakt.
De infrastructuur van de celcomplexen kan variëren van politiepost tot politiepost afhankelijk van het feit of deze posten gelegen zijn in een oud gebouw of in een recent opgetrokken gebouw. In de meeste gevallen beschikken de cellen, waarvan de afmetingen schommelen tussen 2,50 m2 en 30 m2, over een slaapplaats (betonnen of houten sokkel) met matras en een individuele WC in inox. De cellen zijn net. Er is weinig verlichting maar de verluchting wordt gewaarborgd door verluchtingsroosters. In achttien gevallen maken bewakingscamera's het mogelijk de gevangenen nagenoeg voortdurend via een monitor in het oog te houden. De voorschriften van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt worden nageleefd (inschrijving in het aanhoudingsregister, handtekening van de aangehoudene, kennisgeving aan de familie, enz.). Gedetailleerde interne richtlijnen voorzien in na te leven procedures, meer bepaald op het vlak van het verschaffen van drank en voedsel aan de aangehoudenen, de kennisgeving aan de familie, het oproepen van een arts. Op het ogenblik van de aanhouding en a posteriori wordt systematisch controle uitgeoefend door de hiërarchie.
In enkele gevallen blijft de inrichting van de cellen echter Spartaans: een betonnen of stenen blok zonder matras, of soms zelfs een houten blok is er het enige meubilair. Er zijn geen dekens ter beschikking van de aangehoudenen en, als die er al zijn, worden ze meermaals gebruikt door verschillende aangehoudenen en weet men niet hoe vaak ze worden gereinigd. Soms krijgen de aangehoudenen enkel voedsel wanneer ze geld bij zich hebben, wanneer hun familie hen iets te eten brengt of wanneer de politieambtenaar die toezicht op hen houdt, hen iets uit eigen zak aanbiedt (in 19 gecontroleerde celcomplexen is er op dit vlak immers niets voorzien) [ 16 ] . Aangezien de politieambtenaar 's nachts vaak alleen is om de gevangenen te bewaken, het onthaal van de politiepost te verzekeren en dienst te doen als dispatcher, kunnen de aangehoudenen slechts aan hun natuurlijke behoefte voldoen wanneer deze politieambtenaar een externe ploeg terugroept om de gevangene uit de cel te halen en hem naar de toiletten te begeleiden. In een dertigtal gevallen zijn er geen interne voorschriften voor te volgen procedures en hangen de aangehoudenen af van de goede wil van het personeel dat hen bewaakt. De voorschriften voor de inschrijving van aangehoudenen in het verplichte register laten nog te vaak te wensen over: met de hand geschreven, niet alle inlichtingen betreffende de aanhouding (uur van aanhouding, identiteit van de persoon, inventaris van de voorwerpen die de aangehoudene voor opsluiting worden ontnomen, handtekening van de aangehoudene voor en na zijn opsluiting) komen er in voor of deze informatie is onvolledig; bovendien wordt deze informatie niet erg zorgvuldig opgesteld. Er wordt niet noodzakelijk noch a priori formele controle uitgevoerd door de hiërarchie. In 20 gevallen ontbreekt de handtekening van een officier van gerechtelijke politie of van een officier van bestuurlijke politie. Dit is op zijn minst verbazend te noemen wanneer men rekening houdt met het huidige aantal officieren bij de politiediensten. Aangezien het aantal officieren nu merkelijk hoger ligt dan op het ogenblik van de inwerkingtreding van de wet van 5 augustus 1992, zou men zelfs terecht kunnen verwachten dat een professionele controle van dergelijke uitzonderlijke situaties, die per definitie afbreuk kunnen doen aan één van de meest fundamentel rechten van de burger, inhoudt dat een officier zich ter plaatse begeeft.
In twee gevallen kon geen register worden voorgelegd en in acht andere gevallen was het register niet goed ingevuld. In 22 gevallen was de kennisgeving aan de bestuurlijke overheid niet in het register vermeld.
Niettegenstaande verscheidene korpschefs in dit specifieke domein van tijdelijke opsluiting van aangehoudenen heel wat inspanningen hebben geleverd, zijn er nog te veel plaatsen waar nog heel wat zaken moeten worden verwezenlijkt. De politieverantwoordelijken maar ook en misschien vooral de overheden moeten waken over het respect voor de menselijke waardigheid en moeten elke persoon die van zijn vrijheid is beroofd een fatsoenlijk onderdak bieden in geschikte lokalen. Dergelijke situaties moeten ook op elk ogenblik van nabij worden opgevolgd en gecontroleerd.
Dankzij zijn onderzoek kon het Vast Comité P op doeltreffende wijze bijdragen tot het antwoord dat de Belgische regering heeft geformuleerd op het recentste verslag van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en van onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing [ 17 ] .
De verschillende aspecten van deze problematiek zouden moeten worden geregeld in een specifieke wetgeving of reglementering en worden aangevuld met al dan niet dwingende richtlijnen, die de situatie kunnen verduidelijken en de rechtszekerheid kunnen waarborgen, zowel van de burgers als van de betrokken politieambtenaren.
Het Vast Comité P neemt zich voor om in zijn werkjaar 2003-2004 blijvende aandacht te besteden aan deze belangrijke en delicate problematiek en dit in hoofdzaak naar aanleiding van de uitvoering van opvolgingsonderzoeken naar verschillende componenten van de geïntegreerde politie.
3.2. Vrijheidsberovingen, fouilleringen en beheer van (tijdelijk) ingehouden of in beslag genomen bezittingen of goederen [ 18 ]
Los van het bovenvermelde onderzoek, is het Vast Comité P relevante informatie blijven inzamelen met betrekking tot vrijheidsberovingen en fouilleringen van personen, zowel door raadpleging van externe bronnen als via de analyse van een zeker aantal interne dossiers (gerechtelijke, klachten of aangiften) of gegevens die hem eerder waren toegezonden, al dan niet op basis van de wet van 18 juli 1991. In het kader van het toezichtsonderzoek naar de amigo's en veiligheidskamers beheerd door de politiediensten kwam deze problematiek eveneens terloops ter sprake, meer bepaald in sommige punten van het verslag dat werd opgesteld naar aanleiding van dit onderzoek. De vaststellingen die werden gedaan in dit bijzondere kader zullen eveneens worden opgenomen in dit onderzoek.
Uit de eerste analyses blijkt dat het hier zou kunnen gaan om een nogal aanzienlijk en terugkerend probleem dat zijn oorsprong zou kunnen vinden in een gebrekkige kennis van de wettelijke of reglementaire basissen voor het optreden van de politiediensten of -ambtenaren, meer in het bijzonder de wet van 5 augustus 1992. Andere redenen hiervoor zouden kunnen zijn dat de onderwezen theorieën in sommige gevallen verkeerd begrepen worden of dat men er een verkeerde zienswijze op nahoudt.
In een tussentijds verslag [ 19 ] van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten werd reeds aangegeven dat het aantal klachten inzake vermogensdelicten waarvan aangehouden personen het slachtoffer werden, op zijn minst zorgwekkend kon worden genoemd [ 20 ] . Tevens werd benadrukt dat de burger hier een bijzondere bescherming verdient [ 21 ] . Het uniform toepassen van een doordachte procedure moet voorkomen dat de inbeslagneming/ inbewaringneming het voorwerp kan zijn van betwisting en moet ertoe bijdragen dat elke redelijke twijfel van verduistering kan worden opgeheven. Voor de toepassing van deze procedure gaat het niet alleen om individueel van hun vrijheid benomen rechtsonderhorigen, maar evenzeer om de bestuurlijke aanhoudingen die resulteren in een opsluiting in de zogenaamde 'collectieve cellen' [ 22 ] .
Van hun vrijheid benomen personen die het voorwerp uitmaken van een tijdelijke opsluiting in een cel, zijn niet steeds in de mogelijkheid om zelf een juiste beoordeling te maken van welke goederen hen, ter bewaring of ter beveiliging, worden ontnomen. Openbare dronkenschap en bepaalde vormen van intoxicatie kunnen immers het intellectueel vermogen, op het ogenblik van hun vrijheidsbeneming, beperken. Niet-Belgen kennen meestal niet de draagwijdte van de gestelde handeling van fouillering en inbeslagneming of inbewaarneming van goederen die zij op zich hebben.
Het Vast Comité P heeft in het licht van zijn opdracht tot bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden [ 23 ] , de taak hetzij persoonlijke hetzij organisatorische disfuncties te signaleren. De gearresteerde heeft het afdwingbare recht te eisen dat er met zijn eigendommen en bezit zorgzaam en correct wordt omgegaan. In deze optiek is het steeds belangrijk dat kan worden aangetoond - bij voorkeur het rechtmatig bewijs kan worden geleverd - dat de interveniërende politieambtenaar correct heeft gehandeld. Daartoe is een nauwgezette registratie en dito behandeling van de eerste afgifte van de goederen aan de arresterende politieambtenaar van primordiaal belang. Betwistingen die in een later stadium ontstaan (bewaring van goederen gedurende een kort verblijf in de gerechtshoven, overbrenging naar de gevangenis, enz.) kunnen alzo gereconstrueerd en desgevallend weerlegd worden. Dit laatste heeft een weerslag op de eventueel betwiste plichtplegingen uitgevoerd door de betrokken politieambtenaar.
Wat betekent dit concreet? Een persoon die het voorwerp uitmaakt van een bestuurlijke of gerechtelijke aanhouding wordt onderworpen aan een fouillering [ 24 ] Daarenboven wordt ook een veiligheidsfouillering uitgevoerd. Bij de opsluiting in een cel heeft deze fouillering tot doel zich ervan te vergewissen dat de persoon niet meer in het bezit is van voorwerpen of stoffen die gevaarlijk kunnen zijn voor hemzelf of voor anderen. Die fouilleringen dienen te worden uitgevoerd door een politieambtenaar of een daartoe gevorderd persoon van hetzelfde geslacht als de gefouilleerde persoon. De fouillering dient te geschieden overeenkomstig de richtlijnen van de verantwoordelijke officier van bestuurlijke of gerechtelijke politie. Hoewel zijn aanwezigheid daartoe niet verplicht is, is ze in vele omstandigheden aangeraden. Er dient op gewezen dat die fouillering niet mag ontaarden in een onderzoek aan het lichaam. De rechtsleer is echter verdeeld over deze strikte interpretatie van het Hof van Cassatie, dat meent dat een onderzoek aan het lichaam de onderzoeksmaatregel is die een werkelijke exploratie van de intieme delen inhoud [ 25 ] . Desalniettemin moet in bepaalde gevallen de fouillering op het lichaam grondig geschieden, om ernstige risico's voor de op te sluiten persoon en/of anderen te voorkomen. De gefouilleerde kan daarbij, in uitzonderlijke gevallen, gezien de omstandigheden, verzocht worden zich te ontkleden in het bijzijn van een persoon van hetzelfde geslacht. De 'kniebuigingen' waaraan sommige personen systematisch worden onderworpen, zijn in dergelijke gevallen zelden verantwoord. [ i 11 ]
Alvorens in de cel te worden opgesloten, worden de goederen van de gefouilleerde in bewaring genomen. Die inbewaringneming moet uiterst zorgvuldig geschieden en voorkomen dat de goederen van de opgeslotene kunnen weggemaakt of ontvreemd worden. Hiervoor bestaan geen algemeen geldende richtlijnen [ 26 ] . Verkieslijk is dat in het bijzijn van de gefouilleerde, desgevallend in aanwezigheid van een andere collega of, indien mogelijk, een getuige, een inventaris wordt opgemaakt van de aangetroffen goederen. De nood aan zorgvuldigheid vereist dat alle voorwerpen afzonderlijk en omstandig worden omschreven. Geld, sieraden en andere waardevolle voorwerpen moeten daarbij bijzondere aandacht krijgen.
Het Vast Comité P stelt dat men de goederen na inventarisatie, die zoals eerder aangehaald best wordt opgesteld in het bijzijn van de gefouilleerde of desgevallend van getuigen, veilig moet opbergen en een eventuele verzegeling moet overwegen. Er is bij de korpsen geen enkele uniformiteit, het ene korps gebruikt de klassieke bruine omslagen, het andere bewaart de goederen los in een kluis of kast. De bij sommige politiekorpsen [ 27 ] reeds in gebruik zijnde plastieken en tevens doorzichtige opbergzakken, waarop rechtstreeks kan worden geïnventariseerd, bieden het bijkomend voordeel dat ze dermate kunnen worden afgesloten dat elke poging tot het openen van de opbergzak kan worden vastgesteld. Ook hergebruik, in casu het eventueel opnieuw afsluiten na opening van deze opbergzakken, is onmogelijk zonder dat zulks sporen nalaat. Daarmee kunnen reeds enkele frequente problemen, worden vermeden. Daarmee wordt de al dan niet terechte discussie over het verdwijnen van opgeborgen voorwerpen uitgesloten, of toch op zijn minst tot de uitzondering herleid.
Daarenboven kan de opgeslotene zijn voorwerpen meteen herkennen. Verwisseling bij de teruggave wordt hiermee eveneens uitgesloten.
De politieambtenaar die de voorwerpen uit veiligheidsoverwegingen in beslag neemt of de goederen in bewaring neemt van de gefouilleerde die in de cel wordt opgesloten, heeft de plicht zorgvuldig en bedachtzaam te handelen. Het is daarbij evident dat het eigendomsrecht van de opgeslotene met de nodige zorg dient te worden gevrijwaard. Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten is ervan overtuigd dat het volgen van de navolgende regels, klachten en betwistingen, alsook verdachtmakingen van politieambtenaren tot een minimum zal beperken. Deze regels zijn: (1) een inventarisatie, op zorgvuldige en omstandige wijze, in aanwezigheid van de gefouilleerde/gearresteerde; (2) desgevallend inventariseren in aanwezigheid van collega(s) of, indien mogelijk, getuige(n), te weten wanneer de arrestant niet in de mogelijkheid verkeert met volle bewustzijn de handelingen waar te nemen en evenmin samen met de politieambtenaar de inventaris kan tekenen; (3) gebruikmaken van identificeerbaar en doorzichtig verpakkingsmateriaal, dat niet kan geopend en opnieuw gesloten worden zonder sporen na te laten (door bijvoorbeeld een speciale zegelband); (4) bewaren van de in beslag genomen of in bewaring genomen goederen op een veilige plaats. Daartoe moet men doordacht te werk gaan en rekening houden met de waarde en de omvang van de goederen (desgevallend gebruikmaken van een brandkast, verzegelde kast, enz.); (5) waardevolle goederen (juwelen, waardepapieren, valuta, enz.) moeten specifiek identificerend omschreven worden; (6) de verpakking mag slechts worden geopend bij teruggave en in het bijzijn van de opgeslotene of collega(s) of, indien mogelijk, de getuige(n); (7) van al die verrichtingen wordt uitdrukkelijk melding gemaakt in een verslag of in een proces-verbaal; (8) ook in geval van de bestuurlijke aanhouding, individueel of collectief, moet de inbewaringneming en de teruggave van de goederen in een geschreven verslag worden vervat, door de beslagene eveneens ondertekend.
De voorgestelde, niet-limitatieve, maatregelen beogen de eigendomsvrijwaring van arrestanten en, in bijkomende orde, de bescherming van de rechtschapen politieambtenaar tegen onterechte aantijgingen. Het toepassen van een gestandaardiseerde procedure draagt niet alleen bij tot de vrijwaring van de fundamentele rechten en vrijheden van de gearresteerde en de bescherming van de politieambtenaar, maar heeft evenzeer een invloed op de efficiënte werking omdat zal worden voorkomen dat onnodige en overbodige arbeidsintensieve onderzoeken worden gevoerd op basis van woord tegen wederwoord.
Het vraagstuk van de aanhoudingen van bestuurlijke politie en van gerechtelijke politie, alsook alle andere operaties inherent aan deze bijkomende interventies zal in 2003-2004 verder worden opgevolgd en zal het voorwerp zijn van een tussentijds verslag aan de Parlementaire begeleidingscommissie.
3.3. Gebruik van geweld, meer in het bijzonder door wapens [ 28 ]
Artikel 1 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten stelt dat het toezicht dat het Vast Comité P uitoefent betrekking heeft op de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen, alsook op de coördinatie en de doelmatigheid van de politiediensten. Een onderzoek naar het gebruik van geweld door politieambtenaren en meer precies het gebruik van vuurwapens en bijzondere middelen, zoals traan- en pepperspray's en telescopische matrakken strookt dan ook perfect met de wettelijke opdracht van het Vast Comité P en behoort tot zijn voornaamste aandachtspunten. Zoals reeds aangekondigd in het Aanvullend activiteitenverslag 1999 [ 29 ] werden de reeds verzamelde gegevens verder verfijnd en geanalyseerd mede in het licht van de politiehervorming. Het is immers mogelijk dat de politiehervorming haar weerslag heeft op het vlak van de technieken en methodes die worden gebruikt tijdens delicate of gevaarlijke tussenkomsten. Politieambtenaren met soms erg verschillende vormingen, gewoonten en culturen moeten nu immers niet alleen occasioneel samenwerken maar ook daadwerkelijk de handen in elkaar slaan binnen één enkel operationeel dispositief. Uit sommige onderzoeken is gebleken dat de opleiding inzake geweldsbeheersing, o.a. het gebruik van vuurwapens van bepaalde politieambtenaren soms (te vaak) te wensen overlaat. Daarenboven kan de aanwending van deze middelen ontegensprekelijk afbreuk doen aan de fysieke integriteit van personen, ongeacht het feit of ze op wettelijke, rechtmatige, redelijke, geleidelijke, bedachtzame en proportionele wijze werden aangewend. Bijgevolg lijkt deze materie zonder twijfel de aandacht te verdienen die het Vast Comité P eraan besteedt. Dergelijke gegevens moeten immers de begeleidingscommissie in staat stellen te oordelen of het om geïsoleerde incidenten gaat, dan wel of, bijvoorbeeld, de opleiding mank loopt.
Met betrekking tot de problematiek van het gebruik van wapens door de politiediensten werden reeds verschillende stappen ondernomen om te trachten te komen tot volledige, betrouwbare en recente statistische informatie die kan worden geanalyseerd en geëxploiteerd. Zo werd onder meer contact opgenomen met de voormalige Algemene Rijkspolitie, de Cel «GeweIdsbeheersing» en het opleidingscentrum Luik van de federale politie, alsook met het arrondissementscommissariaat van Bergen dat beschikte over bijzondere informatie die ons interesseerde. Naar aanleiding van deze initiatieven konden wij vaststellen dat dergelijke (betrouwbare, relevante en volledige) cijfergegevens eerder zeldzaam waren. Deze conclusie wordt grotendeels bevestigd door de federale politie.
Er werd eveneens een inventaris opgesteld van de dossiers die de Dienst Enquêtes P onlangs met betrekking tot deze problematiek heeft behandeld. Op datum van 30 december 2002 werden 21 dossiers geteld die verband hielden met wapengebruik. Er dient te worden opgemerkt dat voor deze 21 dossiers, slechts in zes gevallen (drie klasseringen zonder gevolg, twee buitenvervolgingstellingen en één veroordeling van politieambtenaren) de bevoegde overheden het Comité uit eigen beweging in kennis hebben gesteld van de eventueel genomen beslissing door de gerechtelijke overheid. Een tiental andere dossiers kon worden geïdentificeerd en het Vast Comité P heeft verscheidene bevoegde overheden verzocht, in sommige gevallen zelfs meermaals [ i 12 ] hem toegang te verlenen tot deze dossiers, net als tot de dossiers behandeld door zijn eigen Dienst Enquêtes teneinde deze grondig te kunnen analyseren.
Er werden door de overheid initiatieven genomen om een aantal gebreken op dit vlak te verhelpen, zo wordt op dit ogenblik een ontwerp van koninklijk besluit voorbereid betreffende de bewapening bij de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, een ontwerp van omzendbrief «GPI» betreffende het bezit, het dragen, het bewaren en de beveiliging van politiewapens, alsook een ontwerp van omzendbrief «MFO» met betrekking tot de politionele informatie inzake veiligheidsincidenten.
Alle significante dossiers waarvan het Vast Comité P kennis heeft genomen, zijn momenteel samengebracht om te worden bestudeerd, er relevante lessen uit te trekken en de nodige aanbevelingen te formuleren.
Het zou voorbarig zijn om nu al een stand van zaken van deze materie te maken en zich uit te spreken over de stappen die desgevallend zouden moeten worden ondernomen. De grondige analyse van deze dossiers moet immers worden geconcretiseerd en voortgezet in de tweede helft van 2003 en het eerste semester van 2004.
Het Vast Comité P acht het niettemin essentieel de eindbestemmeling te zijn van de verslagen die worden opgesteld naar aanleiding van vuurwapengebruik of schietincidenten teneinde dit delicate en moeilijke probleem verder of nog beter te kunnen opvolgen.
3.4. Onthaalfunctie [ 30 ]
De onthaalfunctie is één van de zes functionaliteiten die werden gedefinieerd teneinde bij te dragen tot de concretisering van een gemeenschapsgerichte politiezorg op het lokale niveau [ 31 ] . Voor deze functionaliteiten werden - beperkte - kwalitatieve en kwantitatieve normen opgelegd om een minimale gelijkwaardige dienstverlening aan de ganse bevolking aan te bieden.
Het belang van de onthaalfunctie, dat meermaals werd onderstreept in het kader van verschillende onderzoeken, is één van de kernfuncties voor de uitvoering van de opdrachten van een lokale politiedienst [ 32 ] . De uit te voeren taken zijn inderdaad divers en hebben een invloed op de verdere uitvoering van andere opdrachten, zoals de afhandeling van klachten en aangiften, de uitvoering van gerechtelijke en administratieve dossiers, de doorverwijzing naar een andere dienst binnen het korps of een professionele slachtofferbejegening.
Dit dossier werd opgevolgd in het kader van de opvolgingsonderzoeken beheerd door de Dienst Enquêtes P onder het gezag van het Comité, die intra nader worden besproken. Net zoals het opvolgingsonderzoek naar de functie 'interventie', heeft dit onderzoek betrekking op de algemene werking van de politie op lokaal vlak, maar ook, zij het in mindere mate, op sommige componenten van de federale politie. Deze kwestie kwam eveneens aan bod in verschillende onderzoeken die werden ingesteld naar aanleiding van een klacht of aangifte.
Tijdens zijn onderzoeken heeft het Vast Comité P nazicht verricht naar de organisatie van het onthaal, de taakuitvoering en de overeenstemming met de opgelegde minimale normen. Het Vast Comité P zal doorheen zijn algemene, thematische of bijzondere onderzoeken veel interesse blijven betonen voor deze fundamentele functie, alsook voor de andere functionaliteiten. Zo zal naar aanleiding van het opvolgingsonderzoek naar de wijze waarop de politiediensten en -ambtenaren klachten in verband met geweld tussen partners behandelen dat in 2003-2004 is voorzien, extra aandacht worden besteed aan de rol van de onthaalfunctie.
3.5. Relatie politie - woonwagenbewoners [ 33 ]
Het Vast Comité P werd gevat van meerdere klachten van 'woonwagenbewoners' - en meer in het bijzonder een klacht uitgaande van de secretaris van het Nationaal comité van woonwagenbewoners - met betrekking tot talrijke disfuncties naar aanleiding van de contacten tussen woonwagenbewoners en politiediensten. Het Vast Comité P heeft bijgevolg beslist een toezichtsonderzoek in te stellen.
Tijdens dit toezichtsonderzoek werden volgende punten ter sprake gebracht: achterhaalde of niet gekende wetten, een systematisch negatieve houding van sommige politiekorpsen, alsook het betreurenswaardige gedrag van sommige politieambtenaren. Het is eveneens belangrijk te benadrukken dat er op gemeentelijk vlak geen 'verlichte' gesprekspartners waren. Tot slot is de problematiek van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer bij politiecontroles aan het licht gekomen. Dit onderzoek heeft tot doel "over te gaan tot een eerste exploratief onderzoek teneinde enerzijds de redenen voor de interventies te bepalen en anderzijds het wettelijke kader waarin deze plaatsvinden, af te bakenen».
In een eerste fase werden zestien politiezones geselecteerd voor dit toezichtsonderzoek. Op 4 december 2001 werden de Commissaris-generaal en de betrokken zonechefs ingelicht van het feit dat het Vast Comité P informatie inzamelde teneinde een standpunt te kunnen innemen tegenover deze problematiek. Er werd hen gevraagd of er op nationaal vlak of binnen hun respectieve zones politiediensten of -ambtenaren waren die gespecialiseerd zijn in deze materie, alsook het Comité in kennis te stellen van bijzondere richtlijnen, orders of voorschriften of nog van eventuele 'projecten' die op dit vlak de afgelopen jaren werden uitgevoerd of nog steeds lopen.
Bij de Algemene directie van de gerechtelijke politie komt deze problematiek in de programma's «Mensenhandel» en «Bestrijding van de criminaliteit tegen goederen» enkel aan bod in het kader van bijzondere gebeurtenissen die verband houden met strafbare feiten die hen kunnen aanbelangen.
De afdeling «rondtrekkende dadergroepen» behandelt de problematiek van «de veiligheidsfenomenen gebonden aan georganiseerde criminele bendes die zich voortdurend verplaatsen, zeer actief zijn in specifieke domeinen en gebruik maken van bepaalde hinderpalen inzake gerechtelijke en politionele vervolgingen».
Binnen verschillende gerechtelijke diensten arrondissement (o.a. Doornik, Bergen, Luik) zijn er cellen «Overvallen op oudere personen» die gespecialiseerd zijn in diefstallen bij oudere personen, waarbij een groot deel van de daders zigeuners zouden zijn.
Het lijkt evident dat de aanpak van de verschillende politiekorpsen die het Vast Comité P in het kader van dit dossier heeft bevraagd, verschilt naargelang hun aandachtsvelden en ondervonden problemen: (1) openbare orde; (2) openbare veiligheid; (3) openbare rust; (4) openbare hygiëne; (5) bedelarij; (6) jeugdproblematiek; (7) vreemdelingenproblematiek; (8) diefstallenproblematiek; (9) milieuproblematiek.
De mate waarin de verschillende politiekorpsen betrokken zijn bij deze problematiek varieert dus sterk van plaats tot plaats.
In verscheidene gemeenten was er vroeger een woonwagenpark, maar dit is tegenwoordig verdwenen, voornamelijk als gevolg van de milieuhinder die werd veroorzaakt op en in de omgeving van deze terreinen. Elders is nog niets voorzien maar verschillende gemeenten hebben wel plannen om een dergelijk park te creëren.
De zone VLAS, waartoe de stad Kortrijk behoort, lijkt sinds enige jaren deze problematiek op bevredigende wijze aan te pakken door middel van een speciaal daartoe opgeleide ploeg.
Een beroep doen op een ombudsman die geen politieambtenaar is lijkt een interessante oplossing die door diverse politiezones wordt overwogen. Andere politiekorpsen opteren voor punctuele acties op het ogenblik dat er woonwagenbewoners op hun grondgebied aanwezig zijn. Tot slot lijken sommige zones helemaal niet te kampen met deze problematiek.
Het Vast Comité P zal deze gevoelige kwestie verder blijven opvolgen in zijn programma 2003-2004.
3.6. Relatie politie - kansarmen [ 34 ]
Dit thematisch onderzoek betreffende «de manier waarop politiediensten communiceren met sommige personen in een zorgwekkende toestand» werd geopend in het verlengde van de conclusies van een toezichtsonderzoek dat werd verricht in een specifiek kader. In één van de zaken die ons werden voorgelegd, is gebleken dat de optredende agenten onmiddellijk hadden geopteerd voor een operationele tactiek gebaseerd op het gebruik van geweld zonder eerst te hebben geprobeerd het conflict via dialoog op te lossen, en dit ondanks de aard van de gepleegde strafrechtelijke inbreuk. Dat sommige politieambtenaren moeilijk een probleemsituatie kunnen beheersen voor de ogen van het publiek, draagt uiteraard niet bij tot een positief beeld van de politiediensten en doet afbreuk aan hun geloofwaardigheid. In dit concrete geval hebben de verantwoordelijken van de politiehiërarchie zichzelf de vraag gesteld of de federale politieambtenaren niet te categoriek waren opgetreden.
In een steeds meer uitgesproken duale maatschappij, waarin marginale groepen zoals daklozen, bedelaars of landlopers voorkomen, zouden de diverse verantwoordelijken van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, zich moeten aanpassen aan deze zichtbare aanwezige groep van «aan hun lot overgelaten mensen». Meer nog, ze zouden de politieagenten op het terrein moeten doen inzien dat de interventieopvattingen veranderd zijn en dat men niet meer kan dulden dat deze opvattingen te vaak of nagenoeg uitsluitend zijn gebaseerd op het ietwat simplistische principe van «de wet is de wet». Vooral wat kansarmen en sommige marginalen betreft, moet men de verschillen onder ogen durven zien: de politie is allerminst de Pretoriaanse lijfwacht van de wet, ze moet ook ten dienste staan van de bevolking. Bijgevolg is het van belang politieambtenaren bewust te maken van het bestaan van deze marginale subgroepen en hen aan te sporen om, in overleg met de overheden en andere betrokkenen, te zoeken naar meer afdoende oplossingen, uiteraard voor zover de aanwezigheid van deze 'marginalen' de openbare veiligheid in haar geheel niet in het gedrang brengt. Kortom, de politieambtenaar moet wanneer hij zijn medemens aanspreekt een begripsvolle houding aannemen ten opzichte van zijn situatie, bij voorkeur eerst proberen te onderhandelen en altijd goed voor ogen houden dat het gebruik van geweld de ultima ratio is en moet blijven.
Met dit thematisch onderzoek, dat uitging van een specifiek geval, had het Comité de bedoeling de aanpak van het probleem in een zeker aantal lokale zones [ 35 ] in kaart te brengen door na te gaan: (1) of de politie er te kampen heeft met een verstoring van de openbare veiligheid als mogelijk gevolg van bedelarij en landloperij sinds deze inbreuken niet meer strafbaar zijn; (2) hoe deze politieambtenaren reageren tegenover of omgaan met niet-verslaafde kansarmen of minderbedeelden.
Er werd dus overwogen de relatie politie-kansarmen te analyseren vanuit een methodologie [ 36 ] die het mogelijk maakte een staal van politieambtenaren te bevragen via een lijst [ 37 ] met gesloten en open vragen. Deze politieambtenaren maken deel uit van stedelijke korpsen [ 38 ] die werden geselecteerd op basis van drie criteria: (1) een relatief hoog bevolkingsaantal of zogenaamde 'doorgangsplaatsen'; (2) een spreiding over verschillende politiezones, er werden namelijk twee politiezones gekozen in elke provincie en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; (3) de aanwezigheid van het etiket «stad met vele toeristische troeven». Deze benaderingswijze liet ook toe inlichtingen in te zamelen via antwoorden op brieven die werden gericht aan de politiehiërarchie en aan de bestuurlijke overheid van de geselecteerde steden. Aan deze instanties werd gevraagd: (1) of hun politiedienst werd geconfronteerd met het fenomeen van bedelarij; (2) of er strafbare feiten werden geregisteerd en, zo ja, van welke aard; (3) of ze kennis hadden van het bestaan van een subjectief onveiligheidsgevoel en, zo ja, hoe zij dit hadden vernomen; (4) of stappen werden overwogen om de politieambtenaren in dit verband te sensibiliseren of hen te betrekken bij een of ander participatief project; (5) of er lokale reglementen of richtlijnen waren. Tot slot konden we via deze werkwijze een aantal verantwoordelijken van onthaalstructuren [39 ] ontmoeten die een ander beeld konden schetsen van deze doelgroep en ons konden informeren over eventuele disfuncties die hen in dit verband werden gemeld.
In grote lijnen bracht ons onderzoek de volgende elementen aan het licht: (1) de aandacht die de politie besteedt aan deze problematiek verschilt sterk van plaats tot plaats; (2) de politie heeft niet overal dezelfde perceptie van het fenomeen; (3) de politie wordt er vooral mee geconfronteerd wanneer ze wordt opgeroepen door de handelaars; (4) de politie stelt slechts weinig strafbare feiten vast die door deze doelgroep zijn gepleegd.
Het Vast Comité P zal in het kader van zijn actieplan 2003-2004 aandacht blijven schenken aan deze bijzonder gevoelige problematiek.
3.7. 101-centrales [ 40 ]
3.7.1. Algemeen kader
In opdracht van de minister van Binnenlandse Zaken werd het Vast Comité P gelast een toezichtsonderzoek uit te voeren naar de werking van de 101-centrales in België. Deze opdracht omvatte «het uitvoeren van een toezichtsonderzoek naar de huidige werking van de 101-centrales, ter voorbereiding en optimalisering van de werking van de toekomstige oproepcentrales met het ASTRID-systeem».
Dit onderzoek naar de werking van de 101-centrales heeft niet alleen relevante onderzoeksresultaten opgeleverd met betrekking tot de initiële doelstelling van het onderzoek, maar resulteerde ook in een aantal bevindingen in domeinen die (in)direct de werking van de 101-centrale beïnvloeden of een gevolg zijn van de werking ervan [ i 13 ] .
In de loop van het onderzoek werd duidelijk dat de wijze van organisatie van de interventiediensten en -ploegen in de diverse korpsen, de verschillende (korps)prioriteiten, de aanzet tot implementatie van het ASTRID-systeem en de politie hervorming ontegensprekelijk een weerslag hebben op de huidige en toekomstige werking van de 101-centrales. De wijze waarop deze factoren de werking van de 101-centrales beïnvloeden, werd in het aanvankelijk onderzoek niet volledig achterhaald en maakte het voorwerp uit van het opvolgingsonderzoek dat dit jaar werd uitgevoerd. In dit opvolgingsonderzoek werd gepeild naar de evolutie van de werking van de 101-centrales en werd een antwoord gezocht op een aantalonderzoeksvragen met betrekking tot de belangrijkste thema's van de werking van een 101-centrale.
Deze onderzoeksvragen omvatten: (1) de prioriteitenbepaling van een oproep; (2) de toekenning van een oproep aan een korps; (3) de modaliteiten en de normen van het beschikbare interventiepersoneel; (4) de duur van de behandeling van de oproep; (5) de invloed van de politiehervorming op de werking van een 101-centrale; (6) de invloed van de implementatie van ASTRID op de werking van een 101-centrale. Om een antwoord te krijgen op deze onderzoeksvragen, werden deze thema's tijdens semi-gestructureerde interviews voorgelegd aan: (1) de verantwoordelijken van de 101- centrales van Antwerpen, Brussel, Gent en Charleroi; (2) een hoofdcommissaris van de federale politie, Algemene Directie, Operationele Ondersteuning, Directie van de Telematica die belast is met de implementatie van ASTRID; (3) de verantwoordelijke van het communicatie- en informatiecentrum (CIC) te Gent. Tevens werd een analyse verricht van: (1) de bestaande documenten met betrekking tot de werking en de toepassingsmogelijkheden van ASTRID; (2) de bedenkingen en vragen van de parlementaire begeleidingscommissie; (3) de dossiers van de Dienst Enquêtes P van de incidenten met betrekking tot 101-centrales; (4) de antwoorden van de korpschefs als feedback op de onderzoeksresultaten.
3.7.2. Voornaamste vaststellingen
De prioriteitenbepaling van een oproep gebeurt in de diverse bezochte 101-centrales steeds aan de hand van een lijst die een voorlopige indeling geeft van opdrachten die (zeer) dringend zijn, die een niet-dringende of uitstelbare actie van de politie vragen of die geen politietussenkomst vereisen. De verschillende 101-centrales beschikken over indelingslijsten met prioriteitencodes die bij een oproep door elk Computer Aided Dispatchingsysteem (CAD) automatisch worden aangegeven. Deze prioriteitscode kan echter steeds handmatig worden gewijzigd door de call-taker (en dispatcher). Deze indeling en de criteria die aanleiding kunnen geven tot een wijziging in de prioriteitenbepaling, vertonen in alle 101-centrales slechts geringe verschillen. De categorisering van mogelijke oproepen is vrijwel gelijk en wordt enkel beïnvloed door het politiebeleid van de respectieve korpsen. In Antwerpen werd voor het beantwoorden van nietdringende vragen om politiehulp en/of politiegerelateerde informatie een callcenter opgericht, dat na bijna één jaar werking door de korpsleiding positief werd geëvalueerd.
De toekenning van een oproep aan een politiedienst is afhankelijk van het aantal beschikbare interventiepatrouilles. Aangezien de 101-centrales enkel de dispatching verzorgen van de ploegen van hun eigen lokaal korps, hebben zij niet altijd kennis van de beschikbare interventieploegen van de andere politiekorpsen waarvoor zij de call-takingverrichten. De 101-centrales vervullen echter een primaire taak in het aansturen van interventieploegen op het terrein. Voor een optimale uitvoering van hun opdracht dienen zij een duidelijk overzicht te hebben van alle beschikbare (interventie)ploegen. De afhandeling van een oproep is immers een ketenverantwoordelijkheid, waarbij de rol van de 101-centrale als eerste schakel in het proces erg belangrijk is.
De modaliteiten en normen van het beschikbare interventiepersoneel zijn in Gent en Antwerpen duidelijk bepaald. Het operationeel model van het provinciaal communicatie-en informatiecentrum (CIC) in het Astrid-concept voorziet voor de uitvoering van de politie-opdrachten vier soorten ploegen met een verschillend statusniveau.
Ongeacht de technische vooruitgang (zie infra) blijft het een feit dat de operator/dispatcher een centrale rol zal blijven spelen, een rol die heel wat communicatievaardigheid en een groot inlevingsvermogen vereist, onder meer wat de benaming van de gemelde feiten betreft. Zo onstaan er soms misverstanden omdat de politieambtenaar en de burger niet dezelfde terminologie hanteren. «Wanneer iemand een bestuurder doet stoppen en er dan met de wagen vandoor gaat, is dit voor een burger misschien een «vluchtmisdrijf», daar waar de politie van carjacking spreekt». De politieambtenaren die oproepen beantwoorden, moeten er zich dan ook van bewust zijn dat de taal van de burger-politioneel gezien - niet noodzakelijk de meest adequate is en zich bijgevolg niet uitsluitend verlaten op de gebruikte bewoordingen. Door enkele bijkomende vragen te stellen, kunnen dergelijke misverstanden gemakkelijk vermeden worden.
3.7.3. Vooruitzichten
Tijdens dit onderzoek werd voor de invloed van de politiehervorming verwezen naar een aantal bepalingen die in de rechtspositieregeling van het politiepersoneel zijn vervat en die een flexibele inzet van het personeel zouden hypothekeren. Tevens verwijst men te Brussel naar de stijgende personeelstekorten door een verhoogde mobiliteit en een geringe rekrutering voor de 101-centrale.
De invloed van de implementatie van Astrid op de werking van de 101-centrale werd door alle respondenten als zeer belangrijk omschreven. De beoogde functionaliteiten van het concept, met name een nationaal dekkend digitaal trunking radionetwerk, zijn: (1) all round: een nationaal netwerk dat moet dienen voor alle hulpen veiligheidsdiensten; (2) semi-cellular : een cellulair netwerk dat wordt gevormd door een geheel van basisstations die allen radiodekking verzorgen binnen één cel, al deze cellen zijn met elkaar verbonden, zodat ze één virtueel netwerk vormen; (3) trunked : een bundel van kanalen kan ter beschikking worden gesteld van verschillende gebruikers; (4) integrated dispatchings: in het radionetwerk zijn geïntegreerde dispatchings voorzien voor de politiediensten.
Het Astrid-concept bestaat uit: (1) een radiocommunicatiesysteem gevormd door een aantal basisstations die verbonden worden met een centrale die de gesprekken naar de juiste bestemmeling(en) stuurt en (2) geïntegreerde dispachtings. De gebruikte technologie voor het Astrid-concept - een trunkingsysteem gebaseerd op de nieuwe Tetrastandaard - werd door de Europese Unie naar voor geschoven als standaard voor de communicatie van hulp- en veiligheidsdiensten.
Het operationeel model voor de implementatie van het Astrid-concept rijmt met de kenmerken van een gemeenschapsgerichte politie. Volgens het functioneel model moet Astrid: (1) de dienst aan de bevolking centraal stellen en een externe oriëntering beogen; (2) het model van een politiedienst zijn die georiënteerd is naar het bevorderen van het oplossen van problemen; (3) de naleving van standaarden bevorderen die een minimale en gelijkwaardige kwaliteit waarborgen over het ganse land; (4) een lokale invulling van het veiligheidsbeleid waarborgen. Voor de concretisering van deze principes, die de waarde van het Astrid-concept verhogen, is het echter noodzakelijk dat de politiestructuur over de vereiste communicatiemogelijkheden beschikt om de technisch-functionele invulling te realiseren.
Door deze basisprincipes te poneren, wordt niet alleen een technische visie maar ook het belang van een operationele visie op het gebruik van het Astrid-systeem benadrukt. De synthese van beide visies heeft tot een operationeel model geleid dat een optimale afhandeling van alle politieopdrachten moet waarborgen. Voor de ontwikkeling van dit operationeel model, dat een globale bedrijfsmatige visie op politie en communicatie inhoudt, werd door een projectgroep van de federale politie: (1) een analyse verricht van de bedrijfsconcepten van politie; (2) procesanalyse-technieken toegepast; (3) rekening gehouden met de wettelijke context van de politiehervorming en (4) een analyse gevoerd naar de wijze waarop callcenters in een bedrijfsomgeving worden beheerd.
Door gebruik te maken van de nieuwe opportuniteiten die de technologische evolutie biedt, kunnen de politiediensten de dienstverlening aan de bevolking verbeteren. In samenhang met deze technologische ontwikkelingen, kan de verbetering van de bedrijfsprocessen hier eveneens toe bijdragen. De ontwikkeling van meldkamers op provinciaal niveau vereist echter dat de traditionele politieprocessen geoptimaliseerd worden door o.a. business process re-engineering. De ontwikkeling van een optimale integratie van het beheer van de operationele informatie en communicatie dient tot slot gekaderd te worden in een globale visie, strategie en doelstellingen. Voor de realisatie hiervan dient per provinciale meldkamer een beleidsplan te worden ontwikkeld. De realisatie hiervan kan enkel door een duidelijk partnership van het CIC met de andere politie-entiteiten van de provincie.
Reeds in augustus 1998 werd de start van de implementatie van het Astrid-project door de regering aangekondigd [ 41 ] . In deze omzendbrief van de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken werd de oprichting van een CAD-systeem in combinatie met een nieuw radionetwerk voorgesteld. Dit CAD-systeem zou nieuwe en performante mogelijkheden moeten bieden om de politionele noodoproepen sneller en efficiënter te behandelen. Vanaf de bekendmaking van het Astrid-project werd gewezen op de nakende politiehervorming en werd gevraagd om door een doorgedreven samenwerking tussen de respectieve politiediensten, de implementatie optimaal te laten verlopen. De omzendbrief verduidelijkt de rol en de diensten van de Astrid-CAD in de politiestructuur, met name: (1) call-taking: het aannemen van oproepen van politiediensten; (2) distributie: het doorgeven van de via call-taking bekomen informatie; (3) dispatching: de inzet en aansturing van de ploegen; (4) opvolging: de mogelijkheid om in reële tijd geïnformeerd te blijven over de activiteiten van de ploegen en het verloop van incidenten; (5) coördinatie: het laten samenwerken van mensen en middelen uit verschillende zones/niveaus of het verstrekken van diensten in uitzonderlijke omstandigheden. Oost-Vlaanderen werd als pilootprovincie gekozen, het Astrid-systeem diende er operationeel te zijn in november 1999. Niettegenstaande een beleidsteam werd opgericht om de implementatie van het systeem te begeleiden, werd deze termijn niet gehaald en werd Astrid pas eind 2002 operationeel.
Het Astrid-concept moet een oplossing bieden voor de belangrijkste tekorten die in de bestaande communicatiesystemen werden vastgesteld en die zich situeren op het vlak van: (1) capaciteit; (2) snelheid; (3) flexibiliteit; (4) betrouwbaarheid en (5) veiligheid [ 42 ] . Deze tekortkomingen zijn inherent aan de klassieke radiocommunicatiemiddelen en kunnen als volgt worden verduidelijkt: (1) samenwerking en gecoördineerde hulpverlening zijn nagenoeg onmogelijk omdat slechts via één radiokanaal kan worden gecommuniceerd; (2) het gebruik van uiteenlopende communicatiemiddelen belemmert een snelle en doeltreffende interventie; (3) er is slechts geringe mogelijkheid tot rechtstreekse communicatie tussen de verschillende hulpdiensten; (4) de radiodekking over het ganse grondgebied is ontoereikend; (5) de gevoerde communicatie kan worden afgeluisterd. Momenteel is slechts één provinciale meldkamer in werking, bovendien sinds korte tijd. Bijgevolg kan de werking ervan slechts voorlopig worden geëvalueerd.
De rol van het Astrid-concept gerealiseerd door de NV ASTRIO en de provinciale CIC's is belangrijk met het oog op een doeltreffende en doelmatige politionele dienstverlening aan de bevolking. De ontwikkeling van deze dienst en de evolutie ervan in geïntegreerde meldkamers voor de andere hulp- en veiligheidsdiensten, waar de bevolking terecht kan voor alle dringende verzoeken om hulp, zal zich in de toekomst voortzetten. De ontwikkeling van het Astrid-concept kan een bijdrage leveren aan de vereisten die niet meer door de klassieke communicatiemiddelen konden worden gewaarborgd.
Het beheer van de radiocommunicatie en de technische infrastructuur behoorde traditioneel tot de bevoegdheid van de politieorganisatie. Door de recente ontwikkelingen op technologisch vlak en de oprichting van de NV ASTRID is dit vandaag niet meer het geval en zal deze beheersfunctie worden toevertrouwd aan de CIC's. Deze evolutie is een voorbeeld van een outsourcing van activiteiten in een keten van actoren die in dezelfde waardeketen actief zijn. De diverse betrokkenen worden momenteel op elkaar afgestemd via beleidsteams en technische werkgroepen.
De provinciale meldkamers die technologisch uitgerust zijn voor het beheer van de informatie- en communicatieprocessen, werden als aanbevolen entiteit aangewezen om de politiekorpsen te ondersteunen op het vlak van informatie- en communicatiebeheer. Door een degelijke integratie van de meldkamers in de politieorganisatie moeten zij het veiligheidsbeleid van de respectieve korpsen in dit domein implementeren. De organisatie van de informatie- en communicatieprocessen die het operationele werk ondersteunen en die van strategisch belang zijn voor het overleven van de organisatie, blijft echter tot de bevoegdheid van de politieorganisatie behoren.
De leiding en sturing van de inzetbare interventieploegen door de CIC's wordt soms door de politieleiding nog als een inmenging in het lokale veiligheidsbeleid beschouwd. De CIC's dienen door afspraken met de lokale politiechefs de bevoegdheden duidelijk af te bakenen, zodat de discussie over het beheer en de leiding van de ploegen tot een minimum beperkt kan worden. De bepaling van inzetmodaliteiten van de interventieploegen blijft tot de bevoegdheid van de onderscheiden politieverantwoordelijkheden behoren. Per politie-entiteit kan er een gemoduleerd optreden worden geprogrammeerd, zodat de ploegen van de betrokken politiedienst onder het beheer en de leiding van hun respectieve chefs blijven.
De NV ASTRID heeft als opdracht de communicatie tussen de verschillende politie-entiteiten mogelijk te maken, de opdracht van het CIC bestaat in het vergaren en verspreiden van inlichtingen ten behoeve van de diverse politie-entiteiten op het geschikte tijdstip, op de juiste plaats en aan de juiste persoon. Het CIC moet dan ook een dienstverlening met een duidelijke meerwaarde kunnen vormen voor de diverse politiediensten die het ondersteunt, wil het als volwaardige partner worden erkend. Het CIC dient met behulp van een aantal technologische middelen een ondersteuning te bieden die moet bijdragen tot een verbetering van de klassieke incidentenafhandeling, rekening houdend met het lokale veiligheidsbeleid. Tevens kan het CIC door een periodieke rapportering een belangrijke beleidsondersteunende taak vervullen.
De invoering van Astrid loopt momenteel trager dan gepland. Bij de oprichting van de NV ASTRID werd een tijdschema opgesteld voor de geleidelijke invoering van het hele systeem over het ganse grondgebied. Deze vertraging heeft verscheidene oorzaken die meer bepaald betrekking hebben op de complexiteit van deze nieuwe technologie en de vergunningsproblematiek in verband met de zendmasten. Momenteel is er slechts één CIC operationeel, dat van Gent en werd de start van de andere provinciale meldkamers onlangs door de minister van Binnenlandse Zaken bevestigd.
In opdracht van de minister van Binnenlandse Zaken werd door de NV ASTRID, in uitvoering van het beheerscontract met de overheid, een bedrijfsplan voorgelegd dat voorziet in een pragmatische invulling van het implementatieplan, waarbij wordt afgestapt van de oorspronkelijk geplande oplevering van het netwerk per provincie [ 43 ] . De implementatie van de fusie van de 100- en 101-centrales is niet vervat in de afgesloten beheersoverkomst, maar wordt verder bestudeerd door twee werkgroepen die tegen oktober 2003 hun verslag dienen voor te leggen.
3.7.4. Opvolging
Het Vast Comité P meent dat in de loop van zijn onderzoek zowel de positieve punten als de pijnpunten van het huidige systeem voldoende duidelijk werden gemaakt. Gelet op de sleutelrol die het beheer en de dispatching van (nood)oproepen vervult, zowel naar de burger toe als vanuit het oogpunt van de coördinatie tussen de diensten, zullen de verdere ontwikkelingen in dit domein echter gevolgd worden in het komende programma, meer bepaald doorheen de klassieke opvolgingsonderzoeken, en zelfs bepaalde andere, al dan niet thematische, onderzoeken.
3.8. Toezicht op de functie intern toezicht [ 44 ]
De behandeling van klachten en aangiften door de diensten intern toezicht is een zeer bijzonder aandachtspunt van het Vast Comité P. Zo heeft het Comité een deel van zijn activiteiten van marginale controle [ i 14 ] of opvolging gewijd aan dit aspect van politiebeheer. Aangezien dit type van toezicht kadert in een veel ruimere context, heeft het Vast Comité P eind 2001 beslist toezicht uit te oefenen op de functie intern toezicht. Na een eerste analyse van de ingezamelde gegevens, heeft het Vast Comité P, met medewerking van externe experten, in de loop van het jaar 2002 een onderzoeksmethodologie ontwikkeld en aangenomen. Later werd deze methodologie voorgesteld aan de Begeleidingscommissie, die ze heeft goedgekeurd [ 45 ] . We zijn gestart met een specifieke controle van het intern toezicht in 20 politiezones. De komende maanden zal hierover een bijzonder verslag worden opgesteld.
In de huidige stand van zaken, bestaat het toezicht op het intern toezicht uit een methodisch onderzoek van een geheel van procedures die werden ingevoerd door de leidinggevenden van de politiediensten en die er enerzijds zijn op gericht vooraf gekozen doelstellingen te behalen en anderzijds de risico's te bepalen teneinde ze te kunnen beheersen. Om doeltreffend en volledig te zijn, moet het toezicht op het intern toezicht zowel betrekking hebben op de operationele activiteiten (wijkwerking, onthaal, interventie, politionele slachtofferbejegening, lokale opsporing en lokaal onderzoek, handhaving van de openbare orde, verkeerspolitie, bewakings- en beveiligingsopdrachten, lokale veiligheidsprojecten) als op de andere activiteiten, waaronder identiteitscontroles, fouilleringen, aanhoudingen, huiszoekingen, inbeslagnames, verhoren, het gebruik van geweld door de politieambtenaren, alsnog op sommige ondersteunende activiteiten zoals human resources management, materieelbeheer, financieel beheer, het intern toezicht s.s. en het communicatie- en informatiesysteem.
Het Vast Comité P hoopt dat de diensten intern toezicht zoals ze tegenwoordig functioneren [ 46 ] , elementen zullen kunnen ontlenen aan zijn referentiekader en methodologie. Wat de controlemaatregelen betreft waarnaar wordt verwezen inzake behandeling van klachten en aangiften - die we, voorlopig, nog bestempelen als intern toezicht sensu stricto -, zou het erg verstandig zijn deze zo snel mogelijk aan te nemen en te verduidelijken, o.a. rekening houdend met zeer recente wijziging van de wetgeving met betrekking tot het Vast Comité P, die elders wordt besproken.
De analyse van de resultaten van zijn onderzoek zal het Comité, eens te meer, de gelegenheid bieden om bij de diverse overheden en verantwoordelijken - op de verschillende niveaus van de volledige structuur die de politiefunctie zo goed mogelijk en in het belang van zoveel mogelijk personen in de praktijk moet brengen - aan te dringen op de dringende noodzaak om toe te zien op het waarborgen van een functie intern toezicht die naam waardig, met inbegrip van de behandeling van klachten en aangiften.
Welk globaal systeem van intern toezicht uiteindelijk zal worden gekozen, meer bepaald binnen de structuur die onder het gezag van de minister van Binnenlandse Zaken valt, er zal over dienen te worden gewaakt dat niet enkel de opdrachten en specificiteiten van elkeen worden gerespecteerd, maar dat ook dubbel gebruik wordt vermeden, net als gelijktijdige onderzoeken wanneer deze niet worden gerechtvaardigd door dwingende redenen gebonden aan de opdrachten en specificiteiten van elkeen. In ieder geval hebben zowel de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie als de hiërarchische verantwoordelijken van een component van de geïntegreerde politie er zeker belang bij binnen de structuur of directie waarvoor zij verantwoordelijk zijn een functie intern toezicht te organiseren die, zonder twijfel, de klassieke tweedeling «federaal-lokaal» overschrijdt en inherent is aan de goede werking van elke structuur van enig belang die (dienstverlenende) opdrachten vervult die net zo primordiaal zijn als de geïntegreerde politie zelf.
3.9. Van handhaving en herstel van de openbare orde naar een genegotieerd politioneel beheer van de publieke ruimte [ 47 ]
De afgelopen jaren werd het Vast Comité P geregeld gevat van klachten of aangiften met betrekking tot het politieoptreden naar aanleiding van opdrachten van handhaving en herstel van de openbare orde. Het Comité heeft eveneens drie bijzondere toezichtsonderzoeken gevoerd aangaande deze delicate materie [ 48 ] . In zijn laatste twee jaarverslagen heeft het Comité zijn bijzondere belangstelling voor deze problematiek herhaald en heeft het, meer bepaald in deze context, zijn concept van «proactieve opvolging» van een aantal thema's inherent aan de werking of het optreden van de politiediensten [ i 15 ] in herinnering gebracht, ontwikkeld en nader verklaard.
3.9.1. Algemeen kader
Afgelopen werkjaar heeft het Vast Comité P bijzondere aandacht besteed aan de wijze waarop de politiediensten omgingen met manifestaties in het kader van sociale conflicten of in het kader van de vrijheid van meningsuiting. Deze bijzondere aandacht werd noodzakelijk geacht omdat bij dergelijke gebeurtenissen en het politieoptreden dat er rond georganiseerd wordt, alle aspecten van de opdrachten van het Comité aan bod komen: de wijze waarop de politie omgaat met de fundamentele rechten en vrijheden van de mens - binnen de beperkingen opgelegd door de overheden - en de (gecoördineerde) werking van de politie zelf, die voor een belangrijk deel gestoeld is op de kennis en kunde, maar ook op de ingesteldheid van de individuele politieambtenaar.
In het kader van dit onderzoek is het Vast Comité P overgegaan tot het horen van een aantal sleutelfiguren, de kennisname van de onderwezen concepten en de analyse van een aantal concrete dossiers en waren bepaalde leden van het Comité als observator aanwezig bij een aantal van die gebeurtenissen.
3.9.2. Voornaamste vaststellingen
Terzake stellen we een duidelijke evolutie vast van de «handhaving en herstel van de openbare orde» naar het «genegotieerd politioneel beheer van de publieke ruimte». Deze vooruitgang mag ongetwijfeld op naam van de federale politie worden geschreven. Het duidelijkste en belangrijkste referentiekader binnen dit concept is de gemeenschapsgerichte politiezorg. De verschillende betrokken partijen proberen dit principe toe te passen in de aanpak van de gebeurtenis als geheel en in de uitvoering van deze aanpak. Een andere illustratie van deze nieuwe tendens is het houden van debriefings met onder meer de organisatoren.
Gelet op de politiehervorming is er meer dan ooit nood aan een afstemming van concepten, technieken en procédés. De federale politie heeft terzake een vormingsaanbod uitgewerkt, zowel voor het niveau «pelotonscommandant» als voor het niveau «commandant ordedienst» .
Op het vlak van de inzet van politiepersoneel rijzen er verscheidene problemen, zoals de aanwending van de Algemene reserve en de gehypothekeerde capaciteit of statutaire bepalingen, die niet altijd te verzoenen zijn met de specifieke noden in het kader van de diensturenregeling.
3.9.2.1. Opgevolgde gebeurtenissen
(1) BELEUR
Er kon duidelijk worden vastgesteld dat het beheer van de gebeurtenissen in het kader van het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie een zogenaamd 'hospitality'-uitgangspunt had, waarbij de politiediensten zich zo discreet mogelijk opstelden, ernaar streefden de buurtbewoners zo weinig mogelijk te hinderen en zo min mogelijk geweld te gebruiken om elke escalatie te vermijden. In de praktijk is dit op de ene plaats beter gelukt dan op de andere, wat op zich niet zo'n probleem vormt.
Het voornaamste is dat het referentiekader voortaan wel degelijk aanwezig is.
De aanduiding van de «commandant ordedienst» werd toegelicht in een omzendbrief van de minister van Binnenlandse Zaken. Dit belet evenwel niet dat er andere oplossingen werden gekozen voor nagenoeg identieke situaties. Meer nog - hoewel dit geen probleem is eigen aan de politiehervorming - dient te worden vastgesteld dat gebeurtenissen die zich afspelen in verschillende Brusselse gemeenten een aanpak ad hoc vereisen op niveau van de politionele bevelvoering en van de adminstratieve overheden, een specifieke aanpak. Hierover dient dringend te worden nagedacht. Tot slot is de reële inhoud van de beperkingen die de burgemeester kan opleggen, onvoldoende duidelijk.
Het geschreven order is een essentieel element in het beheer van de gebeurtenis. Toch is er op dit vlak nog ruimte voor verbetering: duidelijke bepalingen inzake het gebruik van bijzondere middelen, toepassing van politiereglementen, al dan niet zichtbaar dragen van het wapen, enz.
Tijdens de gedane observaties kon geen onwettig of onredelijk gebruik van geweld worden vastgesteld, wat echter niet wegneemt dat sommige tussenkomsten qua tactisch concept vragen oproepen.
De voorzieningen voor aangehouden personen waren doorgaans goed, met uitzondering van enkele infrastructuurproblemen op lokaal vlak. Toch mogen naar aanleiding van ordediensten van betekenis bepaalde gevoelige punten niet uit het oog worden verloren: verwittigen van familieleden, vrijlaten van personen op uren dat er geen openbaar vervoer meer voorhanden is, nemen van foto's en het gebruik dat er achteraf wordt van gemaakt, alsook het optreden van informatieploegen die overgaan tot aanhoudingen. Ook de aanwezigheid en, in voorkomend geval, de tussenkomst van de commissarissen-auditors [ i 16 ] van de Dienst Enquêtes P roept vragen op en moet de belangstelling wekken van de verschillende betrokken partijen en het voorwerp zijn van duidelijke standpunten of overeenkomsten die worden meegedeeld aan de verschillende verantwoordelijken of actoren.
(2) Enkele belangrijke ordediensten beheerd door de politie van Antwerpen
In het verlengde van het toezichtsonderzoek met betrekking tot de werking van de politie van Antwerpen [ 49 ] , alsook onze proactieve opvolging van de handhaving en het herstel van de openbare orde door de politiediensten, werden verschillende tussenkomsten geanalyseerd en, in sommige gevallen, in reële tijd gevolgd.
Wat de uitvoering van de verschillende operaties betreft, zijn er twee die, op objectieve basis, als litigieus van aard kunnen worden beschouwd, in casu de ordehandhaving op 3 april 2002 en de tussenkomst op het De Coninckplein op 26 juli 2002. Wat de tussenkomst op 3 april 2002 betreft, dient te worden vastgesteld dat qua voorbereiding en algemeen concept van uitvoering er, gelet op de korte termijnen en de inlichtingen waarover men beschikte, weinig andere opties mogelijk waren. Weliswaar dienen de ad hoc vragen gesteld te worden voor alle voorhanden en misschien ook «niet voorhanden» inlichtingen. Wat de concrete uitvoering van bepaalde tussenkomsten betreft, kan evenwel niet ontkend worden dat zowel op het vlak van individuele uitvoering als van tactische uitvoering en van coördinatie met eenheden van de federale politie een en ander ongetwijfeld technischer had kunnen verlopen. De meeste randaspecten (o.a. de werking van het verzamelcentrum voor aangehouden personen) waren niettemin perfect georganiseerd. Ter gelegenheid van de opvolging van deze en andere ordediensten kon ook worden vastgesteld dat er nog steeds nogal wat verschillen bestaan tussen hetgeen aangeleerd wordt bij de federale politie en bij de lokale politie inzake inlichtingenwerk en operaties.
Wat de tweede litigieuze tussenkomst (actie De Coninckplein op 26 juli 2002) betreft, dient gesteld dat de beslissing om de actie af te breken getuigde van gezond verstand en van een handelen conform de geest en de letter van de geldende wetgeving, o.a. de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
3.9.3. Voornaamste conclusies en aanbevelingen
De evolutie van het concept «handhaving en herstel van de openbare orde» naar het «genegotieerd politioneel beheer van de publieke ruimte» is geen verwezenlijking van de politiehervorming, deze ontwikkeling werd immers op de rails gezet door de voormalige rijkswacht. Wel het gevolg van de hervorming is het feit dat leden van de voormalige gemeentepolitie en van de toenmalige rijkswacht, al dan niet met gespecialiseerde steun van de Directie van de algemene reserve (DAR), de handen ineen moeten slaan, zowel op uitvoerend als op beleidsvlak. Dit is niet zo evident omdat ze elk hun eigen background en theorieën hebben, zowel qua concepten als qua modus operandi op individueel en collectief vlak.
Om dit probleem te verhelpen heeft de federale politie vormingsinitiatieven genomen.
Het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes zijn ten stelligste van plan hun proactieve observatie van de handhaving van de openbare orde voort te zetten. Zo hebben zij op het einde van 2002 hun onderzoeksdomein uitgebreid tot de observatie van tussenkomsten naar aanleiding van voetbalwedstrijden. De volledige problematiek zal worden besproken in een globaal, geïntegreerd verslag. De eerste bijzondere verslagen met betrekking tot deze problematiek werden reeds toegezonden aan de verantwoordelijke overheden of aan de hiërarchie van de geïntegreerde politie en kunnen worden geraadpleegd op onze website www.comitep.be.
Het concept «genegotieerd politioneel beheer van de publieke ruimte» dient verder te worden ontwikkeld. Het vormingsaanbod moet worden behouden en, indien nodig, uitgebreid.
4. Implementatie van het algemeen veiligheidsbeleid onder het gezag van de overheden van bestuurlijke politie
De disfuncties, voor zover ze juist blijken te zijn, situeren zich op het gebied van de handelingen en houdingen naar aanleiding van een specifiek politieoptreden.
Deze onderzoeken zijn over het algemeen toegespitst op de wettelijkheid maar ook, in mindere mate op de wetmatigheid van het optreden en op de gelijke behandeling van burgers en tot slot op de dienstverlening die hen uiteindelijk wordt geboden.
4.1. Steun van de federale component aan de lokale component [ 50 ]
4.1.1. Algemeen kader
Dit onderzoek heeft tot doel inzicht te verschaffen in: (1) de lokale behoeften aan federale steun; (2) het 'steunaanbod' van de federale politie aan de lokale politie; (3) de aanwezigheid en de pertinentie van de evaluatiecriteria; (4) de meest gevraagde en verkregen federale steun; (5) de tevredenheidsgraad over de verkregen federale steun.
Een aantal stappen werd doorlopen: (1) bepalen van de methodologie in functie van het resultaat van de enquêtes en de antwoorden van de respondenten; (2) verwerken van de enquêtes op een kwalitatieve manier; (3) opstellen van een tussentijds verslag; (4) heroriënteren van het onderzoek.
De methodologie die werd gehanteerd bij de voorbereiding van dit onderzoek en de opmaak van het analyseverslag is in bijlage beschreven en zal binnenkort waarschijnlijk kunnen worden geraadpleegd op onze website www.comitep.be. Daarenboven werd het volgende stappenplan gevolgd. Vijf respondenten, Gent, Antwerpen, Bergen, Namen en Mechelen, hebben heel wat tijd en energie geïnvesteerd in het beantwoorden van deze bevraging. Er dient te worden opgemerkt dat het de grote steden zijn die een invloed uitoefenen op het geheel als een soort van steekproef binnen de steekproef [ 51 ] . De overige respondenten hebben afwisselend diepgaander of meer oppervlakkig geantwoord op de enquête [ 52 ] . Het gedetailleerde verslag van de eerste analyse laat dan ook toe om zeer snel kennis te nemen van de verschillende antwoorden, die geformuleerd werden door een representatieve steekproef van 25 verschillende respondenten, op vijf relevante vragen voor 46 verschillende soorten federale steun, zoals gestipuleerd in de wet.
De federale politie, meer bepaald de Directie van de geïntegreerde werking van de politie (CGF) heeft een zeer kort antwoord geformuleerd, in afwachting van het nieuwe nationaal veiligheidsplan. Korte tijd voor het opstellen van dit verslag, heeft de commissaris-generaal ons een hele reeks inlichtingen toegezonden die in aanmerking zullen worden genomen bij de voortzetting van ons onderzoek en in onze volgende - al dan niet tussentijdse - verslagen terzake. Gezien de periode waarop dit verslag betrekking heeft en waarop het trouwens wettelijk gezien betrekking dient te hebben, worden deze gegevens slechts gedeeltelijk of onrechtstreeks in aanmerking genomen.
4.1.2. Voornaamste conclusies
4.1.2.1. Lokale behoeften
De reorganisatie van de lokale politie is over haar hoogtepunt heen. De verschillende zones van de lokale politie hebben sinds kort de basisbehoeften voor het personeel in grote lijnen opgelost. Sinds enkele maanden beginnende bij de ontwikkeling van het eerste zonaal veiligheidsplan, zet de lokale politie met wisselend succes de eerste stappen in de wereld van management, kwaliteit, beleidsontwikkeling, organisatieontwikkeling, enz.
De organisatie van de reguliere werking was tot voor enkele maanden gebaseerd op het inspelen op de realiteit van de dag. Deze reactieve vorm van politiebeleidsvoering had vooral te maken met het feit dat alle energie ging in de richting van de reorganisatie. Stilaan zien we de nood en de behoefte groeien om ook beleidsmatig in te spelen op die reactieve vorm van werken, met de bedoeling de kwaliteit van het bestuurlijk en gerechtelijk werk op te vijzelen. De lokale politie heeft echter tot op vandaag geen echte behoefteanalyse uitgevoerd en heeft veel meer, gebaseerd op de historische contacten en ervaringen die reeds aanwezig waren in de verschillende korpsen en structuren van voor de implementatie van de wet van 7 december 1998, gewerkt aan de uitbouw en het herstel van goede contacten, door te experimenteren.
Ingegeven door de reactieve noodzaak aan federale steun stellen we dan ook vast dat de lokale politie totnogtoe vooral ad hoc de situaties beoordeelde en dan via verschillende kanalen een behoefte formuleert aan het tussenniveau van de coördinatie- en steundienst arrondissement (CSD), niettegenstaande sommige zonechefs suggereren eigenlijk liever rechtstreeks te willen werken met de verschillende diensten van de federale politie, zelfs met de algemene directies.
Een andere vaststelling is dat naargelang de zonechef (of zijn naaste medewerkers) afkomstig is uit de vroegere rijkswacht of de gemeentelijke politie, al dan niet een beter inzicht bestaat over de verschillende mogelijkheden tot federale steun en al dan niet vlotter wordt omgesprongen met de evaluatiecriteria. Persoonlijke contacten uit een voorgaand professioneel milieu zijn daar waarschijnlijk niet vreemd aan.
We stellen ook vast dat bij gebrek aan een overzichtelijke inventaris met eenduidige en objectieve aanvraagcriteria, de lokale politie steeds dezelfde steunvormen overbevraagt. Dit leidt enerzijds tot onbegrip door een gevoel van willekeur en anderzijds tot een minder efficiënte inzet van 'alle' middelen en steunvormen van de federale politie. Bovendien is het principe van een gelijkmatige verdeling van de federale steun hierdoor in onevenwicht.
Tot slot kunnen we niet verzwijgen dat heel wat verantwoordelijken en betrokkenen zich verbazen over en kritiek leveren op het feit dat de steun door het federale niveau in de meeste gevallen niet kosteloos is.
4.1.2.2. Aanbod van de federale politie
Er bestaat geen inventaris van de verschillende federale steunvormen die de federale politie in haar wettelijke opdracht ten aanzien van de geïntegreerde politie moet en/of zou kunnen aanbieden.
Het nationaal veiligheidsplan zou een perfecte drager zijn om dergelijke inventaris te ontwikkelen en kenbaar te maken aan de lokale politie, maar ook aan de overheden. Enerzijds is er nood aan een routinematig en permanent aanbod van federale steunvormen met eenduidige en objectieve criteria die tegemoet komen aan de dagdagelijkse verzuchtingen van de verschillende zones, noem het een «reactief aanbod». Anderzijds is er nood aan een doordacht en tijdelijk aanbod van federale steunvormen die inspelen op de prioriteiten uit het nationaal veiligheidsplan en waarvoor de steun en/of samenwerking van en met de lokale politie verwacht wordt, noem het een «proactief aanbod». Dit proactief aanbod van federale steun kan onderhandeld worden met de overheid en deel uitmaken van het nationaal veiligheidsplan.
Het niveau van de coördinatie- en steundienst arrondissement (CSD) in hoofde van de bestuurlijke directeur-coördinator voor de bestuurlijke opdrachten en het niveau van de gerechtelijke dienst arrondissement (GDA) in hoofde van de gerechtelijke directeur voor de gerechtelijke opdrachten, zijn beide belangrijk door hun aanwezigheid in de verschillende zonale veiligheidsraden. Hun rol in het tot stand komen van protocollen en het aanbieden van verschillende vormen van federale steun, wordt onvoldoende benut. Zij zijn in staat om de plaatselijke noden beter in te schatten en te toetsen aan de criteria. Dit mag echter geen tijdverlies met zich meebrengen.
4.1.2.3. Aanwezigheid en pertinentie van de evaluatiecriteria
Sommige criteria zijn bekend bij de lokale politie door de wetgeving, de reglementering of door richtlijnen. Andere criteria zijn, net als de steunvormen zelf, dikwijls totaal onbekend of onbetrouwbaar (dit wil zeggen niet objectief). Bovendien is de bestaande wetgeving zo verspreid dat een overzicht zich opdringt.
De verschillende criteria staan los van elkaar en houden geen rekening met een gelijke verdeling over het grondgebied. Een efficiënte en gelijkmatige inzet van al deze vormen van steun vereist een geïntegreerd beleid tussen de verschillende algemene directies van de federale politie.
4.1.2.4. Meest gevraagde of verkregen federale steun en tevredenheidsgraad
Het gedetailleerde analyseverslag dat kan worden geraadpleegd op onze website www.comitep.be verschaft inzicht in de meest gevraagde en verkregen/geweigerde steunvormen, alsook in de tevredenheidsgraad over de toegekende steun.
4.1.3. Opvolging
In het verlengde van de recente publicatie van het nieuwe nationaal veiligheidsplan (dat wij bijgevolg niet in aanmerking konden nemen in het kader van het jaarverslag 2002 gezien de wettelijke periode waarop dit verslag betrekking dient te hebben) overwegen wij een onderzoek te voeren bij de verschillende directies van de diverse algemene directies van de federale politie om na te gaan in welke mate zij een aanbod kunnen formuleren en welke criteria zij hanteren. Verder zal nagegaan worden in welke mate zij dit aanbod ter beschikking stellen en op welke manier zij de communicatie van dit aanbod aan de lokale politie organiseren.
Ook is het nuttig om in een later stadium, na publicatie en grondige studie van het tweede nationaal veiligheidsplan, na te gaan wat de rol van de Directie van de operaties en de informatie inzake bestuurlijke politie (DAO) en de coördinatie- en steundienst arrondissement (CSD) is bij de toepassing van de criteria en de toekenning van de steun.
4.2. Werkwijze en optreden [ i17 ] van de politiediensten die te maken hebben met het fenomeen prostitutie [ 53 ]
4.2.1. Algemeen kader
Ter aanvulling van eerder verrichtte onderzoeken werd een onderzoek gevoerd in Sint-Truiden en langs de gewestweg tussen Kortrijk en Gent, die over verschillende lokale politiezones loopt. In het Franstalig landsgedeelte vond onderzoek plaats te Charleroi, Gembloux, Seraing en Sombreffe. Ten slotte vond een opvolgingsonderzoek plaats naar de situatie te Antwerpen en Luik. Wat Luik betreft, werd naar aanleiding van het jaarverslag 2001 door een commissielid de aandacht gevestigd op het vraagstuk van de «geïmporteerde» prostitutie in het centrum van Luik [ 54 ] , reden waarom deze stad dan ook in het onderzoek werd opgenomen. Daarnaast vonden gesprekken plaats met de voornaamste actoren in de strijd tegen de mensenhandel in de betrokken arrondissementen.
In beide landsgedeelten sluiten de bevindingen van deze onderzoeken aan bij de vaststellingen die in de eerste fase van dit toezichtsonderzoek werden gedaan en waarover uitvoerig werd gerapporteerd in ons tussentijds verslag 2001 [ i 18 ] aan het Parlement. Over het algemeen zijn de respondenten tevreden over het optreden van de politie, dat zij door de band als correct, beleefd en zelfs vriendelijk bestempelen. Wanneer er een beroep gedaan wordt op de politie, blijken zowel de responstijd als de kwaliteit van politietussenkomst over het algemeen correct. Vooral een objectief optreden en het geven van feedback worden op prijs gesteld.
Zowel in Vlaanderen als in Wallonië wordt steeds meer onderling overleg gepleegd tussen de bevoegde politiediensten van de steden die het meest te kampen hebben met het prostitutieprobleem, wat een coherent geïntegreerd beleid enkel ten goede kan komen. Het succes van doorgedreven controles brengt eerder geografische verplaatsingen teweeg dan verschuivingen naar alternatieve vormen van prostitutie. De routinecontroles worden normaliter uitgevoerd door de lokale politie, die voor meer gerichte controles en acties goed blijkt samen te werken met de gerechtelijke dienst van het arrondissement (GDA). Een uitzondering op deze regel wordt gevormd door Charleroi, waar alle controles worden uitgevoerd door de GDA, die evenwel de lokale politie daarbij betrekt.
Zoals uitvoerig werd beschreven in het tussentijds verslag van 2001, worden verschillende strategieën aangewend om het fenomeen raamprostitutie onder controle te houden. Niettemin kan gesteld worden dat er een duidelijke trend bestaat naar het beperken van prostitutie tot een welafgebakende gedoogzone. In een aantal zones wordt een taks geheven op de prostituees die als dienster zijn ingeschreven in een bar. De ervaring in de verschillende steden leert dat er zeer snel dient te worden opgetreden tegen elke vorm van verloedering van de prostitutiebuurten. Deze vormt immers een voedingsbodem voor verschillende vormen van randcriminaliteit.
Andere, minder zichtbare vormen van prostitutie zoals escort en privé-ontvangst nemen toe, zonder dat er sprake is van een echte verschuiving aangezien de raamprostitutie over het algemeen status quo blijft. Dit leidt tot een herschikking van de werklast van de lokale politie naar de GDA's die, met uitzondering van de recherche van de lokale politie van Antwerpen, belast zijn met de meer arbeidsintensieve opvolging van deze prostitutievormen, die soms gepaard gaan met dwang.
In sommige steden nemen de privé-prostitutie en de escort een georganiseerde vorm aan met mobiliteit tussen verschillende locaties, wat doet vermoeden dat achterliggende dwang en mensenhandel mogelijk zijn. Pooiers zijn echter over het algemeen niet massaal vertegenwoordigd binnen deze sector van prostitutie. Echt verontrustend is echter het fenomeen waarbij - meestal jonge en illegaal in het land verblijvende - meisjes in drankgelegenheden worden aangeboden voor prostitutie, die elders doorgaat, in een hotel of voertuig. Er is tevens een duidelijke tendens van samenwerking tussen verschillende nationaliteiten en verschillende etnische origines, die ook merkbaar is in de mensensmokkel.
Zeer uitzonderlijk werd er inzake raamprostitutie melding gemaakt van dwang of pogingen tot afpersing met bescherming tegen betaling. Wel werd er in sommige gevallen, o.a. in Antwerpen, 'off the record' geklaagd over huisjesmelkerij, met huurbedragen die rond de 750 EUR per week schommelen, niettegenstaande de gerechtelijke en politionele overheden van Antwerpen in het verleden reeds successen boekten in de strijd tegen dit fenomeen.
Een aanpak die resultaten blijkt op te leveren, bestaat erin om zoveel mogelijk aan prostituees die illegaal in het land verblijven te suggereren een beroep te doen op het statuut van slachtoffer van mensenhandel. Geregeld leidt dit, na een verblijf in een gespecialiseerd onthaalcentrum, tot verklaringen. Wat de gerechtelijke onderzoeken inzake prostitutie in bars betreft, lijkt het patrimoniumonderzoek en de inbeslagname en verbeurdverklaring van bezittingen een effectieve en efficiënte techniek te zijn. De buurt moet immers duidelijk zien dat er concrete maatregelen worden genomen. Bij andere organisatievormen, zoals in het Antwerpse Schipperskwartier lijkt de inzet van een 'kaalplukteam' dan weer ineffectief omdat de daders meestal over weinig vermogen beschikken in België en hun winsten onmiddellijk doorsluizen naar het land van herkomst.
Op het niveau van het parket wordt steeds meer thematisch, planmatig en projectmatig gewerkt, meestal in samenwerking met de arbeidsauditeur. Er is in sommige parketten behoefte aan meer feedback vanwege de Dienst Mensenhandel, die een nog actievere rol zou kunnen spelen naar het parket toe. Het parket hecht veel belang aan de aansturing van de politiediensten door het stellen van duidelijke prioriteiten en doelstellingen en via een projectmatige aanpak en feedback vanwege het parket. Deze vindt onder meer plaats via het rechercheoverleg in het raam van de COL 12/99.
Met betrekking tot het fenomeen 'loverboys' werden tot op heden noch in Vlaanderen noch in Wallonië aanwijzingen gevonden dat dergelijke praktijken in België bestaan, althans niet in de vorm waarin melding werd gemaakt in de pers, zijnde het doelbewust selecteren van tieners in scholen en ze vervolgens isoleren van hun familiale omgeving en geleidelijk aan introduceren in het prostitutiemilieu .
4.2.2. Voornaamste conclusies
In de beheersing van de raamprostitutie lijkt zich een positieve trend af te tekenen. Nadat er in ons tussentijds verslag 2001 reeds gewag gemaakt werd van overleg tussen de Vlaamse steden en stedelijk prostitutiebeleid, blijkt zich ook in het Waalse landsgedeelte een geïntegreerde aanpak van de prostitutie af te tekenen, zowel op het niveau van de controles als op het niveau van de recherche en de informatieverwerking. De rol van de gerechtelijk directeur blijkt primordiaal teneinde de politionele acties en strategieën te plannen en te coördineren op het niveau van het arrondissement.
Met betrekking tot een reglementering van de prostitutie lijkt zowel bij de prostituees als de verschillende intervenanten een positieve perceptie te bestaan. Dergelijke reglementering leidt over het algemeen tot een gevoel van 'veiligheid' bij de prostituees en enige mate van rechtszekerheid. Voor de verschillende intervenanten biedt zij een referentiekader voor hun optreden en kan zij leiden tot een gemakkelijkere detectie en opsporing van mensenhandel. Daarbij dient er echter over gewaakt te worden dat de overheid niet in die mate betrokken raakt in de prostitutie dat zij zelf als 'ondernemer' in de sector kan worden beschouwd.
Aangezien in de loop van het toezichtsonderzoek duidelijk werd dat inzake mensenhandel qua nationaliteit heterogeen samengestelde dadergroepen actief zijn en een significant aantal prostituees afkomstig is uit het buitenland, is internationale samenwerking ook in deze materie onontbeerlijk. Het Vast Comité P zal in de komende maanden dan ook nagaan in welke mate de relaties met Europol en Interpol vruchtbaar zijn inzake mensenhandel en in het bijzonder prostitutie, alsook hoe de inbreng van de Belgische politiediensten in deze materie er wordt geëvalueerd. In het aanvullend activiteitenverslag 1999 werd immers vastgesteld dat Europol en Interpol met een aantal operationele problemen te kampen hadden en dat buitenlandse contacten nog te veel op bilaterale en persoonlijke relaties steunen, zodat onder meer de ingewonnen informatie niet afdoende geëxploiteerd wordt [ 55 ] .
Een dergelijke analyse dringt zich des te meer op aangezien, zoals gesteld in hetzelfde verslag, de uitbreiding van de prostitutie één van de rechtstreekse gevolgen is van de mensenhandel; daarenboven werd betoogd dat een repressief beleid het arresteren van de mensenhandelaars en de ontmanteling van netwerken bemoeilijkt [ 56 ] .
Opvolgingsonderzoek lijkt opportuun en zal dus worden gevoerd naar de bestrijding van mensenhandel in het raam van privéprostitutie, escort en het aanbieden van meisjes o.a. in Turkse vzw's.
4.2.3. Voornaamste aanbevelingen
De volgende aanbevelingen kunnen gedaan worden: (1) de politiediensten dienen voortdurend alert te blijven om te beletten dat bepaalde criminele geledingen in het prostitutiemilieu, die latent aanwezig blijven, opnieuw aan invloed winnen; (2) er dient aandacht te worden besteed aan de nieuwe verdoken vormen van prostitutie die bijzonder onderhevig zijn aan dwang; (3) aangezien hij dicht bij de lokale gemeenschap staat, zou de wijkinspecteur een belangrijke signaalfunctie kunnen waarnemen bij de opsporing van de meer verdoken vormen van prostitutie die, door hun aard, meestal zorgen voor een zekere mate van overlast in de wijk. Dit impliceert dat er meer gerichte vorming dient te worden gegeven aan deze doelgroep, zowel naar het herkennen van de symptomen van het fenomeen als in het gebruik van informatieverslagen; (4) met het verdwijnen van de eenvormige formulieren nr. 1 zal er bijzondere aandacht dienen te worden besteed aan de inplaatsstelling van de nieuwe structuren van informatiebeheer en -uitwisseling, overeenkomstig de wet en met eerbiediging van de rechten en vrijheden van de mens; (5) verdere uitwerking van het aanbod aan gespecialiseerde vorming.
5. Implementatie van het algemeen veiligheidsbeleid onder het gezag van de gerechtelijke overheden
De disfuncties, indien ze bewaarheid worden, situeren zich op het vlak van de werkwijzen gebruikt bij de afhandeling van bepaalde politionele onderzoeken.
Een vaak voorkomend probleem is de gebrekkige (manier van) verzameling, verwerking en (manier van) uitwisseling van informatie. Hier gaat het meer bepaald om de wijze van informatieinzameling, volgens de principes van bewijsverzameling in strafzaken, en de naleving van de procedures inzake de werking met informanten. Het is evident dat een aantal toezichtsonderzoeken die binnen dit kader gebeurde, gekende en gevoelige materies betreft die door de media en bijgevolg ook door het grote publiek kritisch werden opgevolgd. De algemene politiewerking, maar eveneens de samenwerking tussen verschillende politiediensten, stond reeds naar aanleiding van andere dossiers ter discussie. De vaststelling van een aantal fundamentele disfuncties door de verschillende parlementaire onderzoekscommissies, die door dit toezichtsonderzoek werden bevestigd, vormden de basis voor de recente politiehervormingen.
Actief zijn op het domein van gerechtelijke politie en de werking en, in voorkomend geval, de eventuele disfuncties analyseren van deze pijler van de geïntegreerde politie, maar ook van deze politiefunctionaliteit is bijzonder delicaat en moeilijk. Wij komen hier niet alleen intra op terug, maar ook in een nog aan te vullen of te verduidelijken bijzonder verslag.
5.1. Rekrutering en beheer van informanten [ 57 ]
In 2001 heeft het Vast Comité P een toezichtsonderzoek geopend naar het beheer van informanten binnen de federale politie en de lokale politie [ i 19 ] , waarbij een aantal minpunten aan het licht zijn gekomen. Deze knelpunten werden meegedeeld aan de directeur-generaal van de gerechtelijke politie, dan aan de bevoegde ministers, aan het College van procureurs-generaal vooraleer ze tijdens een werkvergadering met de Parlementaire begeleidingscommissie werden besproken.
Het Vast Comité P heeft deze problematiek opgevolgd en vastgesteld dat omzeggens alle voorheen gemelde of besproken pijnpunten waren verholpen. Met andere woorden, de federale politie of, beter gezegd, de nationale informantenbeheerder, is erin geslaagd de problemen die tot zijn bevoegdheden behoorden en binnen zijn mogelijkheden lagen op te lossen.
Intussen werd een nieuw wettelijk kader geschapen, in casu de wet van 6 januari 2003 [ 58 ] betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden, die op officiële wijze sommige aanbevelingen van het Vast Comité P vastlegt. Er dient te worden opgemerkt dat het Comité duidelijk werd betrokken bij de redactie van de reglementering. Bovendien heeft het Vast Comité P ingevolge dit nieuwe wettelijke kader zijn opvolgingsonderzoek opgeschort, teneinde de toepassing van de wet op het terrein niet in de weg te staan en niet te worden geconfronteerd met een overgangsreglementering. Het Comité heeft niettemin beslist de implementatie van het luik «informant» van de wet van 6 januari 2003 op te volgen om later over te gaan tot een methodisch opvolgingsonderzoek «in regime» van deze delicate kwestie.
5.2. Verscheidene bijzondere gerechtelijke onderzoeken [ 59 ]
Politieambtenaren hebben altijd het voorwerp uitgemaakt van diverse en uiteenlopende klachten of aangiften, die in sommige gevallen ook uitgingen van collega's. Sinds hun inplaatsstelling beheren de instellingen of diensten die zich specifiek bezighouden met controle of toezicht op de politiediensten zowel administratieve dossiers als gerechtelijke en niet-gerechtelijke dossiers. De diensten die zijn belast met de functie 'intern toezicht' of het human resources management dienen eveneens in dit kader op te treden. Sinds enige jaren komt het ook vrij geregeld voor dat een politieambtenaar om allerlei redenen klacht indient tegen een collega en dit zowel op hiërarchisch, statutair, tuchtrechtelijk, strafrechtelijk of burgerlijk vlak. In sommige zaken worden de betrokkenen nu eens als «verdachte» en dan weer als klager of aangever bestempeld. In andere zaken worden op min of meer systematische wijze, al dan niet objectieve en soms ook veranderlijke «verbonden» gesloten. Soms ook reageren sommige politieambtenaren, die eventueel behoren tot een welbepaalde groep, hierop, rechtstreeks of onrechtstreeks, soms in het kader van dezelfde zaak, en versnellen zo de bestaande neerwaartse spiraal of creëren er een nieuwe. Om dergelijke situaties te beschrijven, gebruiken we soms de term «welgekende malaise». In één van de behandelde zaken kunnen de verschillende dossiers die in aanmerking werden genomen, worden onderverdeeld in drie grote categorieën: (1) gerechtelijke dossiers; (2) puur interne dossiers; (3) andere dossiers, waarvan sommige werden behandeld door de Algemene inspectie (van de rijkswacht) en andere werden geopend door het Vast Comité P. In deze algemene context worden de dossiers dus beheerd door de gerechtelijke overheden, zowel op strafrechtelijk als op tuchtrechtelijk vlak [ 60 ] , door de Algemene directie personeel op verscheidene vlakken (administratief, interne orde, tuchtrechtelijk, statutair), door de Algemene inspectie (van de rijkswacht), door de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, door het Vast Comité P of door zijn Dienst Enquêtes.
In zulke gevallen is de situatie soms erg ingewikkeld en zouden onze analyses en aanbevelingen in de meeste gevallen slechts echt doeltreffend zijn indien we over alle informatie zouden beschikken. Hoewel deze informatie aan verscheidene diensten wordt gevraagd, soms meermaals, bereiken de gegevens ons meestal slechts druppelsgewijs. Andere gegevens, meer bepaald deze uitgaande van de gerechtelijke overheden, zouden ons krachtens de wet geregeld moeten worden toegezonden. Toch werd deze informatie ons (nog) niet meegedeeld. Soms moeten wij ook aandringen op de toezending van deze gegevens.
In één van de onderzochte zaken en in de huidige stand van zaken werden op een totaal van 84 [ 61 ] geïnventariseerde of gekende dossiers, 49 dossiers geteld met een strafrechtelijk aspect (van de burgerlijke dossiers hebben wij slechts onrechtstreeks kennis); 14 dossiers van administratieve aard s.l. en 21 niet-gerechtelijke dossiers.
Op dit ogenblik zouden 27 strafrechtelijke dossiers nog steeds niet zijn afgesloten (1 lopende zaak, 14 klasseringen zonder gevolg en 7 buitenvervolgingstellingen); zouden verscheidene zaken nog in behandeling zijn op burgerlijk vlak; zouden de meeste administratieve dossiers afgesloten zijn, ook al hebben ze geleid tot beslissingen waarop geregeld kritiek kwam; zijn twee toezichtsonderzoeken afgesloten en tot slot, is één niet-gerechtelijk onderzoek nog aan de gang.
Met betrekking tot deze delicate zaak in haar geheel werden twee bijzondere verslagen gericht aan de voorzitter van de Parlementaire begeleidingscommissie van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, waarmee deze zaak ook meermaals maar kort werd besproken.
In het kader van één van de facetten van de zaak in kwestie hadden de onderzoekers - niettegenstaande het in de meeste gevallen om zeer professionele onderzoekers ging - toch erg te lijden van de algemene context waarin ze moesten werken. Op basis van de meeste al dan niet rechtstreekse getuigenissen, kan hieraan worden toegevoegd dat de situatie in sommige delen van de dienst waartoe ze behoorden afschuwelijk was, en dit is misschien nog zacht uitgedrukt. Men kan hier ook de nadruk leggen op de bijzonder moeilijke aard van de verhoren van bepaalde personen met multiple persoonlijkheidssyndroom. Het is eveneens van belang op te merken dat de meeste van deze verhoren werden gefilmd en dat de ondervragers werden bijgestaan door experts. Dergelijke initiatieven zijn onderzoeksdaden van gerechtelijke politie, onder het gezag van de procureur des Konings en de onderzoeksrechter die, in principe, het verdere verloop van deze daden hebben opgevolgd.
Het gevoerde onderzoek heeft, rechtstreeks of onrechtstreeks, het voorwerp uitgemaakt of maakt dit nog uit van onderzoeksdaden van gerechtelijke politie. In de huidige context en gezien de omstandigheden is het uiterst moeilijk om zich hierover uit te spreken. We kunnen niettemin stellen dat de banden tussen de onderzoekers en de gerechtelijke overheden onvoldoende duidelijk waren; dat er spanningen waren tussen sommige onderzoekers en magistraten; dat de wil tot slagen van sommigen hun gebruikelijke «professionalisme» en nauwkeurigheid kon aantasten; dat de besprekingen die de situatie(s) hadden kunnen uitklaren nooit of ten minste nooit echt hebben plaatsgevonden; enz. Het is ons nog altijd niet duidelijk of de herlezingen van de dossiers toelaten het werk, de inzet, het professionalisme, enz., kortom de doeltreffendheid van sommige onderzoekers alsook de wijze waarop ze de deontologie en de fundamentele rechten hebben nageleefd, in twijfel te trekken.
Zonder inbreuk te maken op het geheim van het gerechtelijk onderzoek en zonder kennis te nemen van het gerechtelijk dossier of van sommige elementen van het Parlementair onderzoek, kunnen wij, in de huidige stand van zaken en binnen de beperkingen van onze bevoegdheden, onmogelijk een duidelijker antwoord formuleren op de vraag of dit gevolgen heeft voor sommige geciteerde personen, in welke hoedanigheid dan ook.
Om het aspect 'toezicht' van dit delicate, maar ook bijzonder complexe onderzoek tot een goed einde te kunnen brengen, zou het Vast Comité P toegang moeten kunnen hebben tot alle beschikbare informatie [ 62 ] , meer in het bijzonder de gegevens die werden ingezameld in het kader van de Parlementaire onderzoekscommissie Dutroux en consorten [ i 20 ] . Tot slot zal, tijdens de bespreking over het nut van het voortzetten van dit onderzoek, zijn prijs en het kluwen van eventuele gevolgen duidelijk moeten worden vermeld. Het Comité zal zich dan schikken naar de beslissing van zijn Begeleidingscommissie en zijn projecten en prioriteiten dienovereenkomstig aanpassen.
Twee andere onderzoeken hebben in het bijzonder de nadruk gelegd op een geheel van gedragingen, houdingen, situaties die, hoewel ze geen strafrechtelijke inbreuken vormen, toch problemen opleveren voor het verloop van een strafonderzoek. In één van deze onderzoeken werd de onderzoekers verweten dat ze de verdachte tijdens de uren durende ondervraging geboeid had gelaten, tegen hem meermaals hadden geroepen en hem hadden uitgescholden. In verschillende andere onderzoeken werd de te lange duur van de ondervragingen aan de kaak gesteld of nog de lange wachttijd vooraleer werd overgegaan tot verhoor, meer bepaald van een kroongetuige. Eén van de andere bestudeerde onderzoeken duidde op de moeilijkheden die gepaard gaan met het werken met gemengde ploegen samengesteld uit personen komende uit verschillende structuren en culturen, wat aanleiding geeft tot verschillende beoordelingen, zowel wat de inzet van middelen als wat de aan te wenden methodes betreft.
Op basis van één van de geanalyseerde onderzoeken is eens te meer gebleken dat sommige onderzoekers nog te veel belang hechten aan bekentenissen; dit gaat zelfs zo ver dat sommigen menen dat het onderzoek is beëindigd zodra iemand een bekentenis heeft afgelegd. In verscheidene bestudeerde onderzoeken hebben de geraadpleegde magistraten ons, zich steunend op de bevoegdheden en verantwoordelijkheden die hen door het Wetboek van Strafvordering zijn toegekend, meer dan eens bevestigd dat de onderzoekers wier optreden ter discussie wordt gesteld, correct en overeenkomstig hun richtlijnen hadden gehandeld.
Daarnaast komt in verscheidene dossiers soms nog marginaal gedrag naar voren, maar ook een zeker gebrek aan professionalisme. De onderzoeken die werden aangehaald in het kader van het onderzoek dat voorafging aan het toezichtsonderzoek naar bepaalde aspecten van de functionaleit van gerechtelijke politie hebben duidelijk aangetoond dat er een terugkerende terughoudendheid bestond om mee te werken aan het onderzoek of om informatie toe te zenden, dat men zich systematisch verschanste achter de bevoegdheden van de gerechtelijke overheid, zelfs wanneer deze de toelating tot inzage van de dossiers had gegeven of wanneer de vragen betrekking hadden op niet-gerechtelijke aspecten, achter de goedkeuring van de gerechtelijke overheid of nog het feit dat deze, om de meest uiteenlopende redenen, het niet nuttig achtte om sommige gedragingen, feiten of situaties op strafrechtelijk vlak te vervolgen.
Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten is niettemin ten stelligste van plan een aantal aspecten van de uitvoering van het gerechtelijk werk te analyseren en dit via de analyse van de relevante onderzoeken van de Dienst Enquêtes en andere significante dossiers, eventueel, indien nodig, aangevuld met verificaties op het terrein. Het Comité zal ook kortelings aan zijn Parlementaire begeleidingscommissie het vervolg overmaken van zijn bijzonder verslag over verschillende aspecten van de bijdrage die politiediensten leveren in de strijd tegen het terrorisme. Over deze kwestie werden ook twee bijzondere verslagen toegezonden aan de minister van Binnenlandse Zaken.
6. Implementatie van het algemeen veiligheidsbeleid ingevolge specifieke wetten, bijzondere procedures of maatregelen
Mogelijke disfuncties inzake uitvoering van het politiebeleid naar aanleiding van specifieke wetten of maatregelen situeren zich op het gebied van de werkwijzen en de mogelijke schendingen van specifiek toegekende rechten.
Het toezicht dat binnen het domein van specifieke wetten of van bijzondere procedures uitgeoefend wordt, gebeurt bijna uitsluitend op verzoek. In dit soort toezicht staan enerzijds de gebruikte werkwijzen door de politie centraal. Anderzijds gaat het over het volgen van procedures of bepalingen die bij het schenden ervan afbreuk doen aan de rechten van de belanghebbende. Dit kan zowel gelden ten aanzien van de burger als ten aanzien van een lid van de politie zelf. Deze onderzoeken betreffen in mindere mate de bredere politiewerking wanneer het dossier betrekking heeft op een specifieke zaak. In principe eindigt het dossier dan zodra de aanbevelingen zijn opgevolgd, hoewel in nogal wat gevallen een opvolgingsonderzoek wordt verricht.
Sommige onderzoeken hebben echter betrekking op een nieuwe, specifieke regel of een procedure van toepassing in het ganse politiebestel. In dit geval kan de opvolging van het toezicht gebeuren naar aanleiding van het algemeen toezicht, waarvan reeds sprake, en volgens de functionaliteiten van de politie s.l. Dit gebeurt ofwel in het kader van de uitvoering van het politiebeleid volgens de wet op het politieambt ofwel met betrekking tot de naleving van specifieke interne richtlijnen en procedures.
6.1. Discriminatie, intolerantie en racisme bij politieambtenaren [ 63 ]
Feiten van discriminatie, intolerantie en racisme sensu lato zijn dikwijls moeilijk op te sporen en, a fortiori, te onderzoeken. Uit de analyse van de voornaamste dossiers waarvan het Vast Comité P werd gevat, blijkt dat het probleem vaak ligt bij de vaststelling zelf van feiten die een daad van discriminatie inhouden, aangezien niet kan worden uitgesloten dat deze daden min of meer worden verdoezeld in processen-verbaal of politieverslagen die gewag maken van (dreigingen van) slagen en verwondingen, beledigingen, weerspannigheid, smaad, enz. Dit soort afwijkend politiegedrag wordt vaak ook goedgepraat onder het mom van een proces van actie/reactie of een escalatie.
Het is bijgevolg moeilijk in deze gevallen met zekerheid vast te stellen dat er sprake is van echte discriminatie.
In dit opzicht is het ook van belang op te merken dat de internationale politieke context ook een rol heeft gespeeld in deze problematiek, meer bepaald de gebeurtenissen van 11 september 2001 in New Vork en Washington. Aangezien personeelsleden van politiediensten noodzakelijkerwijs deel uitmaken van de maatschappij en, actief of passief, deelnemen aan de socio-culturele evolutie van deze maatschappij, is het interessant hier de mening weer te geven van de voorzitter van het Centrum voor gelijkheid van Kansen en Racismebestrijding: «Hoewel het aantal klachten niet echt is toegenomen, uiten mensen sinds 11 september openlijker hun afkeer tegen de islam en andere culturen» [ 64 ] Sommige verantwoordelijken van het Centrum hebben bovendien vastgesteld dat «de taboes zijn weggevallen. Alles wordt nu ook hardop gezegd». Tot slot maken de voormelde verantwoordelijken naast dit doorbreken van de taboes gewag van een daling van het aantal klachten wegens verbale agressie met een duidelijke racistische inslag.
Dit doorbreken van de taboes treft niet alleen de burger, het is ook van aard om de politieambtenaar te raken, hetzij in zijn eigen daden of uitspraken, hetzij in de vaststelling van daden of uitspraken van derden. De overheden moeten in dit verband dan ook uiterst waakzaam zijn, zonder evenwel te vervallen in een overdreven wantrouwen, zelfs vooroordelen tegenover alle politieambtenaren.
In de loop der jaren heeft het Vast Comité P geprobeerd problemen van discriminatie, intolerantie en racisme en xenofobie binnen de politiediensten of bij politieambtenaren op te volgen. In elk jaarverslag heeft het Comité de kwestie aangesneden via de beschikbare gegevens. Bovendien werd er een syntheseverslag van gemaakt in de nulmeting die werd uitgevoerd in het kader van het jaarverslag 2001 [ i 21 ] en werd er, al dan niet rechtstreeks, deze of gene meer systematische of specifieke analyse aan gewijd. Om zijn acties te kunnen richten in het licht van de nieuwe bepalingen van de wet van 15 februari 1993, werd een reeks dossiers geanalyseerd die door het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes waren behandeld en waarin, in meer of mindere mate, feiten van intolerantie, racisme of discriminatie konden worden vermoed of aan het licht gebracht. De wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie en tot wijziging van de wet van 15 februari 1993 tot oprichting van een Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding [ 65 ] bepaalt immers nieuwe incriminaties. Dit heeft ook als gevolg dat, wanneer feiten worden voorgelegd aan het Vast Comité P via klachten of aangiften deze dossiers meer dan vroeger nagenoeg automatisch uit handen zullen moeten worden gegeven ten voordele van de bevoegde gerechtelijke overheden, ten minste in een eerste fase en voor individuele of specifieke problemen. De analyse die het Vast Comité P heeft gemaakt van een aantal dossiers zet deze stelling kracht bij. Er werd immers overgegaan tot onderzoek van een reeks dossiers die werden behandeld door het Vast Comité P, tegelijkertijd als toezichtsonderzoek en als gerechtelijk onderzoek, en uit de analyse van deze dossiers blijkt dat een zeker aantal dossiers dat door het Vast Comité P werd onderzocht en het voorwerp is geweest van een toezichtsonderzoek, van een doorverwijzing naar de dienst intern toezicht van de betrokken politiedienst of nog een doorverwijzing naar de tuchtrechtelijke overheid, in de toekomst, naar de geest van de nieuwe wetgeving, enkel en alleen zal moeten worden toegezonden aan de bevoegde overheden gezien hun «recente» gerechtelijke en strafrechtelijke karakter. Het Comité zal bijgevolg, meer nog dan voorheen, de informatieuitwisseling met deze overheden [ i 22 ] moeten proberen te verbeteren.
Bovendien leveren de verplichtingen die hem voortaan terzake worden opgelegd een aantal niet te verwaarlozen problemen op. Het lijkt ons dan ook nodig deze verplichtingen dringend te verduidelijken en een evaluatie te maken van alle gevolgen ervan voor de goede werking van het Comité ten aanzien van zijn hoofdopdrachten, meer bepaald ten bate van het Parlement. [ i 23 ]
Gelet op hetgeen voorafgaat, heeft het Vast Comité P geen enkele rechtstreekse bevoegdheid terzake en heeft hem een wettelijke verplichting opleggen op een situatie die hij, wettelijk gezien, niet in staat is te beheersen of te beïnvloeden, geen enkele zin. Over deze stand van zaken dient men zich minstens verder te beraden en dienen een aantal preciseringen te worden aangebracht aan deze wetgeving, ongetwijfeld door de wetgever zelf.
De bepalingen van de wet van 25 februari 2003 beletten het Comité niet, naast de veronderstellingen van discriminatie op racistische grond, nazicht te verrichten naar het eventuele bestaan van discriminatie 'van gemeenrecht' en zich te wenden tot de rechterlijke macht en de gerezen vragen te beantwoorden, de vastgestelde problemen op te lossen en de nodige aanbevelingen te formuleren, zodra de gegevens die hem moeten worden toegezonden hem zullen zijn overgemaakt en hij deze zal hebben kunnen analyseren of evalueren.
Het Comité heeft dus beslist: (1) de stappen die worden ondernomen inzake discriminatie, racisme en intolerantie sensu Iato in hoofde van sommige personeelsleden van politiediensten bij te sturen; (2) de balans op te maken van de problemen, denkpistes en mogelijke oplossingen; (3) indien nodig, een thematisch onderzoek in te stellen.
In dit opzicht werd de federale politie gevraagd naar: (1) alle initiatieven en maatregelen die werden genomen binnen de politie, meer bepaald de federale politie om intern te strijden tegen daden van discriminatie op basis van zogenaamd ras en om de integratie van allochtone personeelsleden te bevorderen; (2) alle initiatieven en maatregelen die werden genomen binnen de politie, voornamelijk de federale politie om, intern, de nieuwe wetgeving op de daden van discriminatie sensu Iato te implementeren en bekend te maken. In het licht van het antwoord van de federale politie, zullen gelijkaardige vragen gesteld worden aan een een aantal korpsen van de lokale politie.
6.2. Slachtofferonthaal en geweld tussen partners [ 66 ]
De wijze waarop politiediensten en -ambtenaren of andere personen die er deel van uitmaken klachten in verband met geweld tussen partners en sommige gevolgen [ i 24 ] daarvan behandelen, worden eveneens permanent opgevolgd. Hetzelfde geldt voor de politionele slachtofferbejegening, voornamelijk in hoofde van de lokale component van de geïntegreerde politie en, in mindere mate, van sommige componenten die taken van gespecialiseerde gerechtelijke politie uitvoeren.
Het Vast Comité P had reeds in 1998 een toezichtsonderzoek verricht naar de manier waarop de politiediensten omgaan met geweld tussen partners [ i 25 ] . Gezien het maatschappelijke belang van deze problematiek zal tijdens het werkingsjaar 2003-2004 nagegaan worden in welke mate met de voorgestelde aanbevelingen uit dat toezichtsonderzoek rekening werd gehouden en hoe de politie van vandaag met het fenomeen partnergeweld omgaat.
De doelstelling van het opvolgingsonderzoek dat hieromtrent zal georganiseerd worden, is het verkrijgen van een goed inzicht in de wijze waarop de nieuw opgerichte geïntegreerde politie de problematiek van partnergeweld behandelt met betrekking tot: (1) opleiding; (2) registratie; (3) eerstelijnspolitie (interventie en onthaal); (4) fenomeenopvolging op lokaal niveau (met het oog op preventie en ter ondersteuning van de verschillende functionaliteiten); (5) slachtofferbejegening;teneinde na te gaan of deze aanpak kan geoptimaliseerd worden.
Men stelt zich eveneens de vraag of de werkmethodes van de federale politie en van de lokale politie werden aangepast sinds de aanbevelingen die door het Vast Comité P werden geformuleerd ingevolge zijn onderzoek naar de wijze waarop politieambtenaren omgaan met geweld tussen partners.
Tevens zal worden onderzocht welke maatregelen in de korpsen van de lokale politie worden genomen voor de aanpak van het fenomeen, meer bepaald op het vlak van: (1) eerstelijnspolitie (interventie en onthaal); (2) geïntegreerde aanpak van het fenomeen en opvolging ervan op lokaal niveau (met het oog op preventie en ter ondersteuning van de verschillende functionaliteiten); (3) kennis van de wetgeving en eventuele richtlijnen terzake door de (eerstelijns) politieambtenaren.
6.3. Diverse administratieve vragen
Onze opvolging van de onthaalfunctie, van de wijze waarop de politiediensten omgaan met de problematiek van geweld tussen partners en met sommige gevolgen daarvan, van de slachtofferbejegening of nog van de doorverwijsfunctie enerzijds en het onderzoek van verscheidene klachten en aangiften anderzijds hebben nogmaals de problematiek van de administratieve taken die de politiediensten dienen te vervullen of die hen min of meer uitdrukkelijk worden toevertrouwd tot uiting gebracht. Herhaaldelijk hebben klachten betrekking op het verlenen van bijstand aan deurwaarders of andere intervenanten of op taken die de politiediensten of -ambtenaren dienen te verrichten met betrekking tot de inschrijvingen in het bevolkingsregister, naturalisaties, het afleveren van bewijzen van goed zedelijk gedrag. Niet enkel naar aanleiding van het onderzoek naar de «capaciteit» en van het onderzoek naar de «steun» maar ook uit bepaalde hearings is gebleken dat er te veel administratieve taken worden toevertrouwd aan de politiediensten, meer bepaald door de gerechtelijke overheden of op hun verzoek. Een ander voorbeeld is de specifieke opdracht van de lokale politie ten opzichte van bepaalde buitenlandse ingezetenen en de taak om bepaalde boetes te innen en bepaalde documenten te betekenen.
Niettegenstaande de problematiek van de administratieve taken sinds het begin van de jaren 80 aanleiding heeft gegeven tot vele geregeld opduikende discussies, kunnen we niet stellen dat er over dit onderwerp in zijn totaliteit en grondig werd nagedacht. De nieuwe structuur moet ook de gelegenheid zijn om deze problematiek te bekijken in het licht van de basisidee een gemeenschapsgerichte politiezorg in plaats te stellen met een zichtbare en toegankelijke politie die voor alles haar essentiële taken en opdrachten dient te vervullen. In deze context is ook gebleken dat, onder meer omwille van de door de wetgever gehanteerde terminologie, er verwarring is omtrent de aard van de opdrachten en taken die de politiediensten en -ambtenaren vervullen ten bate van de deurwaarders en bepaalde gerechtelijke overheden. Tegen deze achtergrond en gelet op de in de Octopusakkoorden vastgelegde en in de wet van 7 december 1998 verder geconcretiseerde prioriteiten en keuzes, alsook gelet op de politiestructuur en de praktische problemen die er zich in voordoen, lijkt het ons belangrijk zich grondig te buigen over het geheel van administratieve taken die worden toevertrouwd aan de politiediensten en -ambtenaren en de bestaande richtlijnen [ 67 ] , indien nodig, aan te passen aan het nieuwe gegeven vooraleer ze te vervangen.
In dit opzicht zijn wij van mening dat alle opdrachten en taken die worden uitgevoerd ten gunste van de gerechtelijke overheden en de gerechtsdeurwaarders het voorwerp zouden moeten uitmaken van een bijzonder voorschrift of richtlijn. Deze reflectie zou dan de gelegenheid moeten zijn om zich te buigen over de aard van deze bijstandsfunctie aan de deurwaarders of aan bepaalde diensten en overheden. Ons lijkt het evenwel niet correct de taken en opdrachten van bijstand te bestempelen als «administratieve taken».
Het Comité P zal aandacht blijven schenken aan deze problematiek, in het algemeen kader van de opvolgingsonderzoeken die zijn Dienst Enquêtes uitvoert.
6.4. Tuchtbeleid [ i26 ]
In zijn laatste twee jaarverslagen [ i 27 ] heeft het Vast Comité P al uitvoerig bericht over de wijze waarop sommige tuchtonderzoeken of administratieve onderzoeken (van interne orde) door de politiediensten worden geleid. In 2001 waren de lopende analyses nog niet allemaal afgerond en sommige werden dus voortgezet in 2002. Volgens de eerste vaststellingen en analyses zouden de gerechtelijke, tuchtrechtelijke en statutaire procedures elkaar overlappen. In casu zou de overheid de bevoegdheden of procedures van gerechtelijke politie aanwenden om zaken van tuchtrechtelijke, statutaire en/of interne orde te regelen.
De analyse van bepaalde klachten en aangiften die in 2002 werden behandeld, heeft ook nieuwe problemen en moeilijkheden op het vlak van het tuchtbeleid in de politiediensten aan het licht gebracht. In een eerste fase heeft het Comité verscheidene dossiers uitgaande van de voormalige rijkswacht bestudeerd, daarna verscheidene dossiers van de vroegere gemeentepolitie of huidige lokale politiezones en tot slot verschillende dossiers met betrekking tot statutaire en/of tuchtrechtelijke procedures die werden ingesteld tegen leden van de voormalige gerechtelijke politie of van de huidige algemene directie van de gerechtelijke politie alsook de personeelsdossiers van de betrokkenen.
Al deze dossiers werden op dezelfde wijze benaderd, met name door de chronologie ervan te bestuderen om de eventuele kritieke fasen van de procedures op te sporen. Een tweede luik van het onderzoek had betrekking op sommige stappen die werden ondernomen door één van de eminentste leden van een van de voormalige inspecties die, kennelijk ten persoonlijke titel, zou hebben geprobeerd inzage te krijgen in een bijzonder gevoelig stuk van een al even delicaat dossier. Het desbetreffende stuk bevatte kritische opmerkingen over een onderzoek dat door de diensten van de algemene inspectie in kwestie was gevoerd.
In één van de geanalyseerde dossiers waren processen-verbaal (verhoren) van de gerechtelijke procedure formeel toegevoegd aan de administratieve procedure vooraleer de toelating van de bevoegde gerechtelijke overheden was verkregen. Op vraag van de verdediging werden deze stukken uit het administratief dossier verwijderd. Niettegenstaande deze betwiste stukken tot tevredenheid van de verdediging effectief uit het dossier werden gehaald, rijzen er vragen bij de geldigheid van de proceduredaden die werden gesteld na een dergelijk onrechtmatig gebruik. In een ander dossier werden informatieverslagen van gerechtelijke aard gebruikt in het onderzoek dat vooraf op tuchtrechtelijk vlak werd gevoerd. Dit gebruik is problematisch. De verdediging heeft immers het recht het tegensprekelijk debat uit te breiden tot de inhoud en de relevantie van deze verslagen en tot elk ander stuk van het tuchtrechtelijk dossier. Het spreekt vanzelf dat deze verslagen die enkel ten laste zijn opgesteld en als dusdanig niet het bewijs vormen van een vaststaand feit, moeilijk kunnen worden opgenomen in een tuchtrechtelijke procedure. Deze «mengeling van soorten procedures» kan leiden tot disfuncties, zowel op het vlak van het administratief onderzoek wat de rechten van de verdediging betreft als op het vlak van het gerechtelijk onderzoek, zoals de inbreuk op de vertrouwelijkheid van informanten of het in gevaar brengen van het gerechtelijk onderzoek. In een eveneens gevoelig dossier werd tijdens het inleidend onderzoek een beroep gedaan op gegevensbanken van de geautomatiseerde gerechtelijke documentatie om op tuchtrechtelijk vlak verbanden te leggen tussen de beschuldigde politieambtenaar en derden betrokken bij criminele feiten.
In twee dossiers gebruikten de hiërarchische oversten in de administratieve procedures (voorstel van mutatie door ordemaatregel en informatieverslag op tuchtrechtelijk vlak) de informatie waarover ze beschikten omdat ze de inhoud van het gerechtelijk onderzoek kenden, terwijl de bevoegde gerechtelijke overheden hun toestemming nog niet hadden verleend om de stukken van het gerechtelijk onderzoek op administratief vlak te gebruiken. In een ander dossier gaat een officier die dronkenschap vaststelt op zo'n manier tewerk dat het in zijn verhouding tot de verbaliserende politieambtenaar moeilijk te bepalen is welke daden hij stelt als hiërarchische overheid en welke als officier van gerechtelijke politie, meer bepaald wanneer hij aan het personeelslid in kwestie vraagt hoeveel alcoholische dranken hij heeft genuttigd of wanneer hij hem vraagt van zichzelf een ademtest af te nemen of op zichzelf een ademanalyse toe te passen.
In verscheidene dossiers twijfelt de verdediging aan de processen-verbaal die aanvankelijk werden opgesteld. Argumenten die hiervoor worden aangehaald, zijn de ongegrondheid van de gedane vaststellingen of de bedrieglijke aard van het relaas van de verbalisanten met betrekking tot de omstandigheden waarin deze vaststellingen werden gedaan. De verdediging lijkt daarentegen, behalve in een dossier waarin ze vraagt dat processen-verbaal uit de procedure worden gehaald, geen aandacht te schenken aan het risico op overlapping van de gerechtelijke, tuchtrechtelijke en/of administratieve procedures.
In een ander dossier, ingevolge een klacht betreffende een optreden van gerechtelijke aard, gelast de verantwoordelijke van de dienst intern toezicht een van zijn medewerkers over te gaan tot onderzoeksdaden op administratief vlak door hem uitdrukkelijk te vragen vooraf kennis te nemen van het proces-verbaal dat werd opgesteld naar aanleiding van dit optreden. In dit dossier bevindt zich echter geen vraag om toestemming aan de bevoegde gerechtelijke overheid om het proces-verbaal te gebruiken in een administratieve procedure.
Uit de studie van de personeelsdossiers van de leden van de voormalige gerechtelijke politie blijkt dat de hiërarchische overheden anders te werk gaan voor feiten die aanleiding kunnen geven tot tuchtrechtelijke vervolgingen en tevens een gerechtelijk aspect bevatten [ 68 ] . In afwachting van een gerechtelijke beslissing vertonen de ingestelde procedures een statutair karakter (weigering van promotie) of bevatten ze maatregelen van interne orde (preventieve schorsing, ambtshalve overplaatsing in het belang van de dienst). Er worden in afwachting van een gerechtelijke beslissing echter geen stappen ondernomen op tuchtrechtelijk vlak. Een dergelijke werkwijze heeft uiteraard als voordeel dat er geen verwarring of overlapping kan zijn tussen de administratieve en gerechtelijke procedures. Nadeel is dat hierdoor de kans bestaat dat er op tuchtrechtelijk vlak niet wordt bestraft omdat er ofwel te veel tijd is verstreken tussen de feiten en het ogenblik waarop een gerechtelijke uitspraak wordt gedaan, rekening houdend met het principe van redelijke termijn, waardoor het instellen van een tuchtrechtelijke procedure niet nodig wordt geacht, ofwel omdat de afwezigheid van veroordeling op gerechtelijk vlak afbreuk doet aan het principe volgens hetwelk de ten laste gelegde feiten, behoudens het strafrechtelijke aspect, niettemin een tuchtrechtelijke tekortkoming inhouden die dient te worden bestraft. Men heeft ook kunnen opmerken dat verscheidene personen die het voorwerp waren van min of meer ernstige gerechtelijke of tuchtrechtelijke procedures tegelijkertijd promotie, soms zelfs op indrukwekkende wijze, hebben gemaakt in het kader van de aan gang zijnde politiehervorming.
Twee van de onderzochte dossiers zijn op zijn minst verrassend te noemen. In het eerste kan een politieambtenaar die bij een zaak van verduistering van informaticamateriaal is betrokken zijn taak zonder enige formaliteit weer opnemen na klassering zonder gevolg van het strafdossier door het parket, en dit om opportuniteitsredenen. De zaak werd dus niet onderworpen aan een formele tuchtrechtelijke procedure. In het tweede dossier werden de maatregelen genomen ingevolge een procedure voor bijzonder ernstige feiten ongeldig verklaard als gevolg van een stomme fout of vergetelheid van de diensten van een «hoge voogdijautoriteit». Zo kwam de betrokkene, na bevordering in het verlengde van de politiehervorming, opnieuw aan het hoofd van een operationele dienst.
Bovendien toonden onze analyses [ i 28 ] eens te meer aan dat in verschillende zones de hiërarchie haar verantwoordelijkheden inzake tucht doorschuift. Zo worden procedures veeleer ingesteld in het verlengde van een verzoek van de overheid, van het Vast Comité P of in geval van doorverwijzing van het parket naar de tuchtoverheid van het korps, dan wel uit eigen beweging. Te veel tuchtverantwoordelijken menen gewoonweg dat een klassering zonder gevolg op strafrechtelijk vlak een einde stelt aan elke andere procedure en dus ook in zekere zin uiteindelijk aan hun verantwoordelijkheid. Sommigen vragen of wensen zelfs dergelijke klasseringen om zich enigszins in te dekken.
Verscheidene procedures ingesteld op vraag van het Vast Comité P zijn zo traag verlopen dat de feiten intussen zijn verjaard. Zeven dossiers werden geopend op uitdrukkelijk verzoek van de voorzitter van het Vast Comité P en hebben geleid tot een marginale controle. Groot was de verbazing van het Comité toen het ontdekte dat vier dossiers aanleiding hebben gegeven tot een erg summiere procedure of dat er helemaal geen formele procedure werd gevolgd. In dit verband dienen we de zaak Temse te vermelden die bovendien in dit jaarverslag aan bod komt.
In de betrokken zones zullen nieuwe marginale controles worden uitgevoerd in het kader van de opvolgingsonderzoeken.
Wanneer de gerechtelijke procedures enerzijds en de statutaire en/of disciplinaire procedures anderzijds gelijktijdig werden gevoerd, moesten de hiërarchische overheden blijk geven van uiterste nauwkeurigheid en voorzichtigheid om te vermijden dat de verschillende procedures elkaar zouden overlappen. Bijgevolg geniet het de voorkeur verschillende beheerders aan te wijzen die uitsluitend belast zijn met één luik - hetzij gerechtelijk, hetzij administratief - van eenzelfde feit. Een mogelijke oplossing bestaat erin, in de mate van het mogelijke, het administratieve luik toe te vertrouwen aan een beheerder die niet met de hoedanigheid van officier of agent van gerechtelijke politie is bekleed (bijvoorbeeld administratief of logistiek kader) en die is belast met human resources. Wanneer systematisch wordt gewacht tot de gerechtelijke procedure is afgesloten vooraleer voor hetzelfde feit een procedure in te stellen op tuchtrechtelijk vlak, bestaat de kans op straffeloosheid. Er dient te worden opgemerkt dat de bepalingen van de nieuwe tuchtwet in deze richting gaan [ 69 ] .
Een aantal indicatoren laat vermoeden dat te veel hiërarchische verantwoordelijken en zelfs overheden nog proberen hun verantwoordelijkheid inzake tucht af te wentelen of dat ze niet streng genoeg zijn. In het verlengde van deze vaststellingen en analyses heeft het Vast Comité P beslist dit onderzoek voort te zetten en daarbij oog te hebben voor sommige tendensen om zijn verantwoordelijkheid te ontvluchten of voor sommige lakse houdingen in deze delicate materie.
Afdeling 3: Doelmatigheid en coördinatie
De toezichtsonderzoeken in het kader van de doelmatigheid en de coördinatie tussen de politiediensten kaderen in een ruimere problematiek die, reeds in het verleden, de aandacht van de overheden had getrokken en had geleid tot de oprichting en de inplaatsstelling, via reglementaire weg, van de APSD. Het spreekt voor zich dat het Vast Comité P de evoluties op dit vlak van nabij volgt en dat de verbetering van de coördinatie en de samenwerking tussen de politiediensten één van zijn hoofdbekommernissen is. Het toezicht in deze dossiers heeft betrekking op de bovenlokale, federale en internationale politiesamenwerking, meer bepaald en vooral inzake informatie-uitwisseling in het kader van het «opsporingsbeleid» . Bij deze opvolging wordt ook rekening gehouden met de nieuwe politiestructuren, de nieuwe werking en de prioriteiten bepaald in de nationale en zonale veiligheidsplannen.
7. Verzameling, verwerking, terbeschikkingstelling en archivering van informatie
7.1. Informatiebeheer bij de geïntegreerde politie [ 70 ]
Uit de werkzaamheden van verschillende parlementaire onderzoekscommissies is gebleken dat de inzameling, de verwerking en de doorstroming van politionele informatie één van de pijnpunten was in een aantal belangrijke strafonderzoeken die de laatste decennia werden gevoerd.
Het is onmiskenbaar dat de gebrekkige informatiedoorstroming een doorslaggevend argument is geweest bij het totstandkomen van de «Octopusakkoorden» . Het belang dat bij de hervorming aan het informatiebeheer werd gehecht, komt bijgevolg duidelijk tot uiting in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, waarbij door het art. 191 een nieuw wettelijk kader wordt gecreëerd met betrekking tot het inwinnen en verwerken van de informatie door de politiediensten.
Het Vast Comité P heeft ook in een aantal eigen dossiers en onderzoeken vastgesteld dat het informatiebeheer aanleiding geeft tot problemen en dit op verschillende niveaus.
Deze vaststellingen hebben het Vast Comité P ertoe gebracht te beslissen terzake een bijzonder toezichtsonderzoek op te starten.
In het nationaal veiligheidsplan van de federale politie voor het jaar 2003-2004 wordt het belang van het informatiebeheer eveneens bevestigd door de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie. In het voorwoord bij het nationaal veiligheidsplan stellen deze ministers:
«In deze gedachtegang moet de noodzaak worden onderstreept van de prioritaire realisatie van de integratiebevorderende elementen van de politiehervorming, zoals de laterale samenwerking, de performante werking van de arrondissementele informatiekruispunten en de communicatie- en informatica centra, en het implementeren van een nationaal operationeel informatie- en documentatiesysteem. »
Er rekening mee houdend dat het systeem van informatiebeheer nog in een fase van progressieve inplaatsstelling van nieuw ontwikkelde concepten verkeert, wordt in het toezichtsonderzoek geopteerd voor het opvolgen van deze inplaatsstelling eerder dan voor een werkelijke audit. De gedane vaststellingen zullen aan dit concept en aan de vooropgestelde doelstellingen worden getoetst.
Terzake werd dan ook en zal er nog overleg worden gepleegd met het Controleorgaan van de Politionele Informatie.
Tegen het einde van het jaar 2003-begin 2004 zal een eerste tussentijds verslag worden uitgebracht omtrent de gedane vaststellingen.
7.2. Websites gewijd aan geseinde of op te sporen personen [ 71 ] en de interactie tussen burgers en politie via internet [ i29 ]
De minister van Justitie heeft het Vast Comité P verzocht een onderzoek in te stellen naar de interactie tussen burgers en de politiediensten via internet, naar analogie van buitenlandse ervaringen op dit vlak. In het onderzoek werd de werking van de bestaande websites van de federale component van de geïntegreerde politie, alsook van een aantal buitenlandse politiewebsites geëvalueerd. De huidige websites zijn het resultaat van individuele initiatieven, die werden genomen binnen specifieke politiediensten of -korpsen. Er werd vastgesteld dat de kwaliteit van de gegevensuitwisseling niet altijd optimaal was. De berichtgeving was soms onnauwkeurig en, in een aantal gevallen, liet de opvolging te wensen over.
Op basis van de conclusies en aanbevelingen gedaan in zijn vorige verslagen [ i 30 ] heeft het Vast Comité P de websites van de politie opnieuw bekeken om na te gaan of er vooruitgang werd geboekt. Het onderzoek van zijn Dienst Enquêtes heeft de volgende elementen aan het licht gebracht.
7.2.1. Voornaamste vaststellingen
7.2.1.1. Website «lokale politie»
De samenwerking tussen de designers van de websites van de lokale politie en van de federale politie verloopt goed, maar aangezien er geen «gezamenlijke autoriteit» is, duurt het lang vooraleer beslissingen worden genomen. Enerzijds staat dit de creatie van één enkele herkenbare stijl voor de surfende burgers in de weg en anderzijds wordt de verspreide informatie duidelijk onvoldoende gecontroleerd. Zo zijn sommige pagina's van de website van de lokale politie een exacte kopie van pagina's van de website van de federale politie, wat zou kunnen leiden tot een gebrek aan samenhang of tegenstrijdige berichten wanneer slechts een van de twee sites zou worden geupdatet. Verontrustender is dat men op de website van de lokale politie informatie aantreft die enkel voor intern gebruik is bestemd. In dit verband is het meest opvallende voorbeeld ongetwijfeld de volstrekt ongeoorloofde verspreiding van telefoonnummers die niet voor het publiek zijn bestemd, zoals de nummers van de personeelsleden van de Directie van de speciale eenheden (DSU). Hoewel deze pagina snel werd verwijderd, hadden heel wat journalisten en particulieren deze informatie die niet voor hen was bestemd, intussen opgeslagen.
Uit deze fout werden niet veel lessen getrokken, want op de website van de lokale politie wordt nog steeds interne informatie bestemd voor politiepersoneel (Infonieuws) verspreid. Niettegenstaande men begrip kan opbrengen voor de redenen van deze «onvoorzichtigheid», met name de beperking van de kosten voor de verspreiding van folders en de afwezigheid van een intranet tussen de verschillende lokale politiediensten, blijft deze oplossing onaanvaardbaar. Er kan immers ernstige schade worden toegebracht aan het imago van de politie indien dergelijke informatie verkeerd wordt geïnterpreteerd door 'externe bezoekers'.
In tegenstelling tot bij de federale politie, vervullen de designers van de website van de lokale politie deze functie niet voltijds en zijn ze, ondanks hun engagement en goede wil, geen professionele webdesigners. Er is al meermaals gebleken dat aan deze noodoplossing een aantal beperkingen zijn verbonden. Zo werd de domeinnaam www.politie.be. als gevolg van een reservatiefout, door een privé-firma gedurende verscheidene maanden gebruikt voor commerciële doeleinden.
7.2.1.2. Beheer en ontwerp van de website van de federale component van de geïntegreerde politie
De woordvoerster van de federale politie betreurt dat de terugroepbaarheidstoelage van de twee webmasters met wachtdienst werd ingetrokken. Ze merkt terecht op dat de twee kenmerken van internet die het meest door de gebruikers op prijs worden gesteld precies de permanente beschikbaarheid en de snelheid van de update van informatie zijn. Voor de geloofwaardigheid van de website is het dus van belang over voldoende personeelsleden te kunnen beschikken om de verwachtingen van het publiek te kunnen inlossen.
Behalve een aanpak die misschien eerder intentie-dan organisatorisch gericht is en een integrale vertaling in het Duits en het Engels, biedt de vernieuwde website de bezoekers eveneens nieuwe mogelijkheden, zoals bijvoorbeeld het automatisch on line beschikbaar zijn van de verkeersinformatie die wordt verspreid door sommige commerciële radiostations. Hiervoor werd een bijkomend budget voorzien.
7.2.2. Vooruitzichten
Momenteel wordt de laatste hand gelegd aan de Duitse vertaling van de website van de federale politie, waaraan de politie van Eupen een aanzienlijke bijdrage heeft geleverd. De datum waarop de Duitse versie on line zal worden geplaatst, hangt echter af van het werk dat nog moet worden geleverd op het vlak van ontwerp en programmatie van de nieuwe website.
Wij zullen de afstemming van de websites van de federale politie en van de lokale politie op elkaar verder opvolgen en uitdiepen, alsook het onderzoek naar de problematiek van de inhoud van de website van de lokale politie voortzetten.
7.3. Politionele criminaliteitsstatistieken [ 72 ]
7.3.1. Algemeen kader
Het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes P hadden reeds een toezichtsonderzoek gevoerd naar de geïntegreerde politionele criminaliteitsstatistiek (GICS) van de Algemene Politiesteundienst (APSD). Toen werd onderzocht of deze cijfers al dan niet bruikbaar waren voor de verschillende politie-eenheden op het terrein. De APSD was zich in die tijd bewust van de beperkingen die enerzijds gepaard gingen met het uitsluitend gebruik van kwantitatieve onderzoeksmethodes en anderzijds met het tekort aan een centrale uitbouw van een algemeen aanvaarde, geformaliseerde (uniform, eenvormig en eenduidig) en gestandaardiseerde databank [ i 31 ] . De politiehervorming heeft aanzienlijke veranderingen teweeggebracht in het informatiebeheer in het algemeen en in het opmaken van de criminaliteitscijfers in het bijzonder. Thans worden de criminaliteitsstatistieken opgemaakt in het licht van de implementatie van de algemene nationale gegevensbank (ANG), waarbij de uitgave van de GICS geleidelijk wordt afgebouwd.
Eind 2002 is er polemiek ontstaan omtrent de relevantie van de criminaliteitscijfers voor de jaren 2000 en 2001 van de federale politie en omtrent de relevantie van de vergelijkingen die op basis van deze cijfers werden gemaakt. De Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten heeft toen het Comité verzocht om een toezichtsonderzoek in te stellen naar de wijze waarop de criminaliteitscijfers worden opgesteld, zodat de nodige aanbevelingen kunnen worden geformuleerd om te komen tot een correcte registratie en verwerking van de criminaliteitscijfers. Daarnaast moest het toezichtsonderzoek bestaan uit de studie en de formulering van aanbevelingen betreffende enkele specifieke punten die onder andere betrekking hebben op de melding en de registratie van sommige misdrijven.
Het Vast Comité P heeft, met het oog op het opstellen van een eerste tussentijds verslag, in het kader van de politiehervorming, rekening houdend met de wijze waarop de gegevens worden ingezameld, verwerkt, geëxploiteerd en ter beschikking gesteld, nagegaan of de criminaliteitsstatistieken van de politie het Parlement en de verschillende overheden die verantwoordelijk zijn voor de opstelling van het veiligheidsplan in staat stellen om zich een betrouwbaar beeld te vormen van de criminaliteitsfenomenen, van de werking van de politiediensten en van hun evolutie in de tijd.
7.3.2. Voornaamste vaststellingen
De studie van de criminaliteitscijfers van 2000 en 2001 toont duidelijk een breuk in de toezending van gegevens door de lokale politiediensten vanaf augustus 2001, zelfs vroeger, waardoor de cijfers erg onvolledig zijn. Het Vast Comité P heeft een beroep gedaan op een statisticus en twee universitairen die losstaan van de politiediensten [ 73 ] om zijn analyse op een wetenschappelijke basis te stoelen. Zij waren van mening dat deze breuk duidelijk een grote impact had op de exploiteerbaarheid van de cijfers afkomstig van het herstelde netwerk voor de inzameling van criminaliteitscijfers.
Een kritische studie van de verschillende fasen van opmaak en verwerking van de criminaliteitscijfers in het kader van de Algemene nationale gegevensbank heeft aangetoond dat verscheidene factoren een negatieve invloed hebben op het volume van de geregistreerde criminaliteit en op de kwaliteit van de registraties, de omvang van deze factoren is echter moeilijk te bepalen.
Op het vlak van de inzameling van gegevens kunnen volgende factoren een negatieve invloed hebben gehad: (1) uitgestelde ontdekking van de criminaliteit; (2) wijzigingen aangebracht aan de wetten en reglementeringen; (3) impact van maatregelen genomen in het kader van de modernisering van de politiediensten (24 op 24-urenpermanenties, decentralisatie van de diensten, enz.); (4) oriëntatie van het op alle niveaus van de overheid gevoerde politioneel en politiek beleid; (5) niet-aangeven van feiten aan de politie (zwarte cijfer); (6) niet-verbaliseren van feiten aangegeven aan de politie (grijze cijfer) omdat de slachtoffers door de politieambtenaren worden ontmoedigd om klacht neer te leggen, meer bepaald door hun expliciete houding, door slachtoffers door te sturen naar andere politiediensten, door het gebrekkig onthaal [ i 32 ] van slachtoffers of nog door de eenvoudige weigering om hun klacht te akteren, een fenomeen dat sterk toenam tussen 1996 en 2001 [ i 33 ] ; (7) diverse redenen waarom de klacht niet wordt geakteerd bijvoorbeeld omdat ze in der minne wordt afgehandeld, omdat het feit niet ernstig is of nog omdat er geen prioriteit wordt gehecht aan bepaalde misdaadfenomenen of zelfs omdat politieambtenaren gewoonweg gedemotiveerd zijn als gevolg van de ingrijpende veranderingen die voortvloeien uit de politiehervorming.
Er konden eveneens andere factoren worden geïdentificeerd die een correcte en uniforme registratie van de criminaliteitsgegevens en dus ook de betrouwbaarheid van deze gegevens, zowel op kwantitatief als op kwalitatief vlak, in het gedrang brengen: (1) structurele en technische factoren gebonden aan de politiehervorming en de uniformering van het globale informaticasysteem die ernstige moeilijkheden veroorzaken zowel bij de registratie van gegevens in ISPL (Integrated System for Local Police) als bij de toezending van deze gegevens aan de ANG; (2) gebruik van het systeem van vereenvoudigde processen-verbaal en praktijken inzake registratie van deze inbreuken die variëren van arrondissement tot arrondissement; (3) de tendens van sommige politieambtenaren om de inbreuken uit gemakzucht te «diskwalificeren» om het systeem van vereenvoudigde processen-verbaal te kunnen toepassen.
In sommige zones bestaat er nog onduidelijkheid met betrekking tot de verwerking, terbeschikkingstelling en aanwending van gegevens. Er werd een werkgroep 'Statistieken' opgericht door de Directie van de nationale gegevensbank van de federale politie om de problemen inzake verwerking en productie van statistieken te bestuderen.
7.3.3. Voornaamste conclusies en aanbevelingen
Vooraleer opnieuw relevante conclusies kunnen worden getrokken uit de criminaliteitscijfers, zal het nieuwe systeem van inzameling van gegevens gedurende enkele jaren moeten draaien, zodat een voldoende lange reeks van cijfers kan worden opgesteld. De problemen die gepaard gaan met de politiestatistieken zullen dus pas zijn opgelost wanneer de voeding van de ANG door de politiediensten correct zal gebeuren. Indien dit niet gebeurt, zal de situatie niet enkel delicaat zijn op het vlak van de statistieken maar eveneens op het vlak van de operationele informatiedoorstroming, en dit niettegenstaande de verbetering van de informatiedoorstroming één van de hoekstenen was van de «Octopusakkoorden» en de wet van 7 december 1998 die eruit voortvloeide.
De politiehervorming heeft het globale telematische concept ingevoerd, wat een belangrijke breuk betekende met de vroegere situatie waarin de verschillende politiediensten over niet-geïntegreerde gegevensbanken beschikten. De overgang naar de geïntegreerde politie is de gelegenheid om een einde te stellen aan de chaotische situatie die er heerste op het vlak van de politie-informatica. Dit is echter een zeer complexe operatie die tijd vraagt en op verscheidene plaatsen werd vastgesteld dat stappen werden ondernomen om tegen deze stroming in te gaan en een 'meer geïndividualiseerd' systeem te ontwikkelen.
Het is moeilijk om niet te verwijzen naar de cijfers om een coherente actie te voeren inzake veiligheid en om de politieactiviteit rationeel te sturen. Zo werden diverse aanbevelingen geformuleerd om te komen tot een correcte registratie en verwerking van de criminaliteitscijfers. Toch moet er worden aan herinnerd dat criminaliteitscijfers enkel een weergave zijn van de geregistreerde criminaliteit en slechts zeer onvolledig de werkelijkheid benaderen. Naast de traditionele criminaliteitscijfers moeten dus andere gegevens worden bekeken die bijkomende toelichting kunnen verschaffen over de werkelijke criminaliteit (gegevens uit de veiligheidsmonitor en andere socio-morfologische gegevens). In tegenstelling tot de huidige situatie waarbij verscheidene gegevens op versnipperde manier worden gepubliceerd, zou een systeem moeten worden ontwikkeld voor een systematische, globale, gecoördineerde en geplande studie van de verschillende beschikbare gegevens teneinde conclusies te kunnen trekken die zijn gebaseerd op de evolutie van de criminaliteit.
Overeenkomstig de suggestie gedaan in het jaarverslag 2001 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, stellen wij voor een opvolgingsonderzoek te voeren, niet enkel naar de evolutie van de criminaliteitsstatistieken maar ook naar de bruikbaarheid ervan in het kader van de politiewerking [ i 34 ] .
Ter aanvulling bij de voorgestelde onderzoeken zuIlen wij ons eveneens toeleggen op de opvolging van de implementatie van de aanbevelingen gedaan in het kader van dit onderzoek. In voorkomend geval lijkt het ons eveneens noodzakelijk na te gaan in welke mate de operationele werking van de politiediensten wordt verstoord door het gebrek aan volledigheid en kwaliteit van de ANG.
8. Nationale en internationale samenwerking
8.1. Verbindingsofficieren [ 74 ]
Zoals aangekondigd in zijn laatste activiteitenverslag [ i 35 ], zal het Vast Comité P, vooreerst voor rekening van het Parlement, de problematiek van de leiding en de werking van verbindingsofficieren bij de federale politie alsook hun inplaatsstelling in het buitenland opvolgen. In het aanvullend activiteitenverslag werd het bovendien aangewezen geacht de plaats van tewerkstelling van de verbindingsofficieren in het licht van de migratiestromen, te onderzoeken [ 75 ].
In dit kader werd in 2002 het bezoek voorbereid aan twee verbindingsofficieren en werd, op meer algemene wijze, verder onderzocht hoe het beheer werd georganiseerd. Niettemin kon vastgesteld worden dat er duidelijke profielbeschrijvingen worden opgesteld, naar vacante bedieningen, blijven er onduidelijkheden inzake de evaluatie van de post zelf, de op te stellen verslagen,enz. en dit niettegenstaade duidelijke bepalingen in de ministeriële omzendbrief van 1993. Een nieuwe omzendbrief werd echter voorbereid en eind maart 2003 verspreid.
Het Vast Comité P zal de concretisering hiervan verder opvolgen, alsmede zijn toezichtsopdracht in de context van het ruimer kader van de internationale politiesamenwerking verder preciseren.
8.2. Samenwerking inzake mensensmokkel en politionele opvolging van het fenomeen mensensmokkel [ i36 ]
8.2.1. Voornaamste vaststellingen
De geraadpleegde literatuur en de gesprekken met gespecialiseerde onderzoekers laten vermoeden dat mensenhandel in hoofdzaak het werk is van individuen en kleine groepen, wiens paden kruisen in sporadische samenwerkingsverbanden met een eerder horizontale dan verticale werkverdeling. Men kan derhalve eerder spreken van criminele netwerken dan van criminele organisaties, wat enerzijds de lokale politiediensten toelaat een rol te spelen in de bestrijding van dit misdrijf, maar tevens het ruimere fenomeen moeilijker beheersbaar maakt.
Uit een toegevoegd onderzoeksluik te Antwerpen, Brussel, Gent en Hasselt blijkt dat ook in deze steden de mensensmokkelaars actief zijn. Men vindt er voornamelijk de organisatoren terug, alsook de safehouses waar de illegale immigranten een tijdelijk onderdak vinden, waarna zij naar een transportmiddel worden gebracht om hun reis verder te zetten. Zowel de respectievelijke parketten als de gerechtelijke diensten van het arrondissement (GDA) zijn zich bewust van dit fenomeen dat waarschijnlijk sinds lang bestond, doch wellicht duidelijker wordt daar er sinds twee jaar beduidend meer politiecapaciteit wordt besteed aan de bestrijding van mensensmokkel en -handel. De inbreng van de private sector is ook toegenomen sinds de start van dit toezichtsonderzoek. Vooral de havenautoriteiten van Oostende hebben in deze opmerkelijke inspanningen verricht en zijn van plan om ernstig werk te maken van een doeltreffende fysieke beveiliging, gebaseerd op fysieke barrières, gekoppeld aan camerabewaking. Op dat vlak dient de haven van Zeebrugge nog een inhaalbeweging te maken.
De politiediensten dienen er in ieder geval over te waken dat zij over voldoende materiële middelen en mankracht kunnen beschikken om in te spelen op de verhoogde waakzaamheid die door de private sector aan de dag wordt gelegd, zodat deze bijzondere investeringen niet vruchteloos blijven.
Zowel de scheepvaartpolitie (SPN) als de spoorwegpolitie (SPC) en de provinciale verkeerseenheden (PVE) werken in toenemende mate samen met de administratie van douane en accijnzen die, het dient te worden onderstreept, kan putten uit een ruime ervaring in het opstellen van risicoprofielen inzake trafieken. Ook de dienst vreemdelingenzaken (DVZ) probeert de gevolgde reisroutes in kaart te brengen door middel van informatie afkomstig uit de gesprekken met asielzoekers. Het capaciteitsprobleem van de DVZ met betrekking tot het herbergen van illegalen blijft gevolgen hebben op de efficiëntie van de politiediensten. Het zijn vooral dergelijke problemen, die volledig aan de controle van de politionele overheden ontsnappen, die kunnen leiden tot frustratie en moedeloosheid. Anderzijds bestaat er een zeer goede samenwerking met het Bureau Opsporingen van de Dienst Vreemdelingenzaken en heeft de dienst reeds ernstige inspanningen verricht inzake de administratieve afhandeling van aangetroffen illegalen; onder meer door het ter beschikking stellen van personeel bij bijzondere acties.
De werking van een aantal gespecialiseerde diensten werd sinds het tussentijds verslag 2002 verder onderzocht, voornamelijk omdat werd vastgesteld dat zij een aanzienlijke bijdrage zouden kunnen leveren in de opsporing van illegale immigranten, in het bijzonder in het binnenland. Het betreft in het bijzonder de spoorwegpolitie en de provinciale verkeerseenheden. Beide diensten hebben prioritaire opdrachten in het raam van hun specificiteit en bleken tot voor kort te kampen met een personeelstekort dat thans grotendeels werd ingevuld. Sinds het najaar 2002 organiseren zij zowel maandelijkse routinecontroles als gerichte acties tegen de mensensmokkel, al dan niet in samenwerking met andere diensten. Er werden doordachte tactische procedures uitgewerkt met het oog op een efficiënte aanpak, waarbij de controles soms worden verbonden aan andere fenomenen zoals diefstal in vrachtwagens. Beide diensten lijken echter zowel de materiële middelen als de deskundigheid te ontberen om de procedure van vrijheidsberoving van vluchtelingen van begin tot einde in goede banen te kunnen leiden. Hierdoor dienen zij geregeld beroep te doen op andere diensten van de lokale politie voor de verdere afhandeling van deze procedure, die dit ervaren als het afschuiven van werk.
De noodzakelijke of relevante informatiedoorstroming via het arrondissementeel informatiekruispunt (AlK) blijkt nog niet overal optimaal te functioneren, waardoor verschillende diensten alternatieve vormen van informatiewerving zoeken en de informatiedoorstroming onvoldoende gestructureerd gebeurt. In de meeste arrondissementen kan men beschikken over strategische analisten, doch er bestaat tevens een behoefte aan de inzet van operationele misdrijfanalisten gespecialiseerd in dit soort criminaliteit. Er dient steeds vaker te worden geïnvesteerd in onderzoeken op langere termijn, doch deze komen vaak op de laatste plaats bij de toekenning van de inzet van bijzondere politietechnieken. In de grote agglomeraties is er dan ook geregeld nood aan observatiecapaciteit.
Een andere terugkerende opmerking heeft betrekking op de inzet van tolken, waarbij men geconfronteerd wordt met een grote diversiteit aan talen, waaronder soms zeldzame talen of dialecten. Het huidige wetgevend kader laat niet toe om, zoals bijvoorbeeld in Nederland, de tolken rechtstreeks verslag te laten uitbrengen. Dit zou niet alleen een enorme tijdwinst tot gevolg hebben maar tevens politiecapaciteit vrijmaken voor andere taken.
De opgelegde vergaderingen in het raam van de COL 12/99 blijken hun nut te hebben en geven in sommige arrondissementen ook aanleiding tot informele contacten en recherche-overleg tussen parket, GDA en lokale recherche. De impact van een planmatige, projectmatige en fenomeengerichte aanpak op het niveau van de parketten blijkt in de praktijk zeer positief.
Er wordt, in het raam van de maatregelen die de regering in haar nota van 5 november 2002 heeft afgekondigd, naar aanleiding van het toenemend aantal aangetroffen illegale immigranten, een dispatchingdispositief voor de kuststreek opgericht te Brugge, onder het acroniem RAAK (Regionaal Administratief Afhandelingkantoor). Dit centrum dient 24 uur op 24 bemand te worden door een gemengd dispositief van ambtenaren van de Dienst Vreemdelingenzaken en de federale politie, met het oog op de administratieve afhandelingprocedure bij het aantreffen van illegalen.
8.2.2. Voornaamste conclusies
Het probleem is ratione loci wereldomvattend en ratione materiae pluridisciplinair. Samenwerking en coördinatie spelen dan ook een determinerende rol in het beheer van dit misdrijffenomeen. Een studie in 2002 van de Dienst Vreemdelingenzaken gaf reeds aanwijzingen dat de immigratiestroom in belangrijke mate wordt 'gereguleerd' door de activiteiten van mensensmokkelaars. In ons tussentijds verslag 2001 werd reeds gewezen op de paradox dat een doeltreffender en doelmatiger controle vanwege de politiediensten dreigt tot gevolg te hebben dat de mensensmokkelaars hun klanten steeds meer risico gaan laten lopen. De langetermijnoplossing ligt dan ook in structurele maatregelen in de landen van herkomst (inspelen op de pushfactoren) en het minder aantrekkelijk maken van de West-Europese landen als land van bestemming (wegnemen van de pullfactoren). Inmiddels dienen de politiediensten, binnen het bestaande wettelijk en reglementair kader, de nodige inspanningen te verrichten om het fenomeen op hun niveau zo goed mogelijk te beheersen, in het bijzonder door het ontradingseffect dat gepaard gaat met een effectieve aanpak. Daarbij dient te worden gestreefd naar een efficiënte aanpak, dit wil zeggen het bereiken van een zo groot mogelijke effectiviteit zonder dat dit ten koste gaat van andere prioriteiten en basisfunctionaliteiten. In de loop van dit toezichtsonderzoek werd een positieve trend vastgesteld, zowel met betrekking tot het ter beschikking stellen van materiële middelen als wat de interne en externe samenwerking betreft.
8.2.3. Voornaamste aanbevelingen
Inzake mensensmokkel en -handel acht het Vast Comité P het belangrijk de aandacht te vestigen op de volgende punten: (1) een aantal preventieve maatregelen implementeren in de landen van herkomst, in het bijzonder pre-boarding checks en instructies aan de visadiensten; (2) duidelijke en vooral gemotiveerde taakafspraken maken, wat, in combinatie met het geven van feedback en erkenning voor het geleverde werk, misnoegdheid en demotivatie dient te voorkomen; (3) zowel de lokale politie als een aantal gespecialiseerde diensten van de federale politie (in het bijzonder de SPC en PVE's) kunnen een duidelijke meerwaarde bieden in de strijd tegen de mensenhandel, mits een aantal randvoorwaarden worden geschapen inzake opvang en verhoor van aangetroffen verstekelingen en verdere administratieve afhandeling van deze dossiers; (4) vooral de functie van de wijkinspecteur verdient opwaardering met het oog op de aanbreng van inlichtingen; (5) de bestaande profielen samenbrengen in de verschillende politiediensten en externe partners kan een interessante bijdrage vormen naar zowel de opsporing van verstekelingen als het in kaart brengen van de netwerken van mensensmokkelaars en de gerechtelijke aanpak ervan; (6) gezien het belang van informatie en feedback in de strijd tegen de mensensmokkel en mensenhandel dient zo snel mogelijk een oplossing te worden gevonden voor de problemen inzake capaciteit, vatting, verwerking en analyse waarmee een aantal AlK's blijken te kampen; (7) een oplossing zoeken voor het probleem inzake transport van illegale immigranten lijkt eveneens erg belangrijk. Het project RAAK lijkt terzake hoopgevend.
9. Coördinatie en samenwerking op het terrein
9.1. Inleiding
Niettegenstaande er in het verleden slechts drie toezichtsonderzoeken binnen dit specifiek domein [ 76 ] verricht werden, had een aantal onderzoeken naar de doelmatigheid van de werking van bepaalde korpsen of politiediensten ook betrekking op de samenwerking van het korps of de dienst met de nabijgelegen korpsen of andere politiediensten en werden gelijkaardige disfuncties vastgesteld. Daarnaast vinden we ook aanwijzingen voor lokale en bovenlokale samenwerkingsproblemen binnen de klachten en aangiften die ons worden toegezonden. Voorheen ging het om de samenwerking van de diensten in het kader van de IPZ-werking (interpolitiezones). Thans betreft deze problematiek de politiezones, alsook de integratie van verschillende diensten in deze zones en de samenwerking tussen het lokale en het federale niveau. Zo legt het Vast Comité P zich toe op het onderzoek van de coördinatie en de samenwerking tussen de politiediensten, niet enkel op bovenlokaal, federaal en internationaal vlak maar ook vanuit het standpunt van de «globale» werking op het terrein. De toezichtsonderzoeken over «steun» en bepaalde «capaciteitsgebonden» problemen zullen ook bijdragen tot een beter begrip van de coördinatie- en samenwerkingsproblemen.
9.2. Geïntegreerde en gecoördineerde politionele acties [ 77 ]
9.2.1. Algemeen kader
Onder het toezicht van de heer minister van Binnenlandse Zaken worden steeds vaker en verspreid over het hele land, soms nogal spectaculaire en vaak 's nachts, op zaterdag of zondag, gecoördineerde en geïntegreerde acties georganiseerd [ i 37 ] . Tijdens deze interventies of operaties werden ook al andere dan de «klassieke» betrokkenen, douaniers, diverse inspecteurs of controleurs, zelfs militairen, enz. ingezet.
Zo dient de bestuurlijke directeur-coördinator (DirCo) geregeld meerdere suprazonale acties te organiseren waarbij de verschillende lokale politiekorpsen worden betrokken. Die acties zijn inmiddels gekend onder de benaming FIPA, wat staat voor Full lntegrated Police Action. Voor de werkingsjaren 2002-2003 werden in het FIPA-plan drie prioriteiten gesteld, te weten: (1) car- en homejacking; (2) openbaar vervoer; (3) controle van portiers aan dancings. Voor één van deze acties werd eveneens een beroep gedaan op verscheidene personeelsleden van de MIVB, waaronder stewards [ 78 ] .
Het leek ons belangrijk, op basis van de opgestelde operatieorders, gehouden debriefings en desgevallend opgestelde verslagen van incidenten te peilen naar de wijze waarop de acties worden voorbereid en uitgevoerd.
9.2.2. Eerste vaststellingen
Het werkingsprincipe bestaat erin dat elke zone of andere betrokken dienst voor zijn gebied het operatie-order opstelt. Voor de uitvoering van de actie kan aan de coördinatie- en steundienst materiële en personele steun worden gevraagd. De DirCo beschikt, afhankelijk van de situationele omstandigheden, over 30 à 40 personeelsleden. Deze kunnen, na evaluatie van de behoeften, over de onderscheiden zones/diensten worden verdeeld en ingezet. Elke zone of dienst oordeelt vervolgens op autonome wijze over de aanwending van de middelen en de wijze van uitvoering.
Wanneer een zoneoverschrijdende samenwerking moet of zou moeten plaatsvinden, stelt de coördinatie-en steundienst arrondissement (GSD) een overkoepelend en gemeenschappelijk operatieorder op. Daarbij wordt opgemerkt dat zulks voor het item 'openbaar vervoer' niet noodzakelijk is. Voor dergelijke operaties wordt namelijk een informatierapport (RAR) opgesteld.
Op aanraden en verzoek van de metrobrigade van de federale politie werden de veiligheidsdiensten van de MIVB betrokken bij de eerste actie «openbaar vervoer», medio 2002. Die feilloze, incidentloze en vooral succesvolle actie had tot gevolg dat de leden van de NMBS en De Lijn, bevoegd tot controle van vervoerbewijzen, uitdrukkelijk hebben verzocht om aan deze gecoördineerde actie te kunnen deelnemen. In het licht van de algemene veiligheid werd op dit verzoek ingegaan. Bij contacten voorafgaand aan de verder te plannen gecoördineerde acties inzake «openbaar vervoer» werd duidelijk gesteld dat elke dienst zou opereren op zijn terrein en binnen de hem toegewezen wettelijke competenties. Daarenboven is er tijdens de ganse duur van de actie een verbindingsofficier van elke dienst aanwezig in de commando-/operatieroom, met als voornaamste doel om, weliswaar onder leiding van de DirCo of zijn vervanger, zelf zijn ploeg op het terrein te kunnen (bij)sturen.
De directie GSD heeft opgemerkt dat de gecoördineerde acties «openbaar vervoer» totnogtoe feilloos en incidentloos zijn verlopen, dit tot algehele tevredenheid van alle betrokken diensten en overheden. Wij hebben de doeltreffendheid s.l van dergelijke acties op het netwerk van het openbaar vervoer of elders nog niet echt kunnen meten.
9.2.3. Eerste conclusies
De DirCo heeft in uitvoering van artikel 104, 10 van de wet tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (WGP), beantwoord aan de vraag tot ondersteuning en coördinatie. Niettegenstaande bedoelde steun, strikt genomen, enkel betrekking heeft op de lokale politie, kan deze verruiming worden beschouwd als beleidsondersteuning aan de bestuurlijke overheid, zoals voorzien in artikel 104, 50 van de WGP. De samenwerking met de diensten van de federale politie (metrobrigade) kadert in zijn zorg voor de coördinatie van de ondersteuning door het federale niveau. Daarenboven staat de DirCo in voor de operationele leiding en coördinatie bij de uitvoering van bovenlokale opdrachten in opdracht van het Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken.
In het licht van hun autonomie, plichten en bevoegdheden hebben de onderscheiden deelnemende diensten een operatieorder opgesteld. Het geheel werd geëvalueerd door de DirCo/CSD. De externe diensten hebben zonder meer parallel en aansluitend gefunctioneerd. De aanwezigheid van een verbindingsofficier per dienst, die aan de actie deelnam, liet niet enkel gerichte coördinatie, maar zo nodig directe bijsturing op het terrein toe.
Het Vast Comité P heeft beslist dergelijke gecoördineerde operaties verder te blijven observeren en analyseren tijdens zijn werkingsjaar 2003-2004 door meer in het bijzonder aandacht te besteden aan de rol van bovenvermelde «niet-klassieke» betrokkenen. Het Comité neemt deze gelegenheid ook te baat om te wijzen op zijn studie van de talrijke diensten en -ambtenaren van politie of met politiebevoegdheden waarop de wet van 18 juli 1991 van toepassing is, die het voorwerp is van een afzonderlijke publicatie.
Behalve met onderzoeken die worden verricht met het oog op de analyse van een specifieke situatie in een of andere politiedienst of in één van zijn componenten, heeft het Vast Comité P zijn Dienst Enquêtes eveneens gelast met de organisatie van opvolgingsonderzoeken, die bovendien werden bedacht in functie van de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap.
Daarnaast heeft het Comité een bijzonder onderzoek verricht naar de naleving van bepaalde normen inzake het beheer en de bewaring van wapens en munitie bij de politiediensten.
In dit soort onderzoeken staat de zoektocht naar mogelijke oorzaken van disfuncties centraal. Indien de oorzaken van de disfuncties gekend zijn, kunnen immers aanbevelingen worden gedaan. Uit de analyse van de dossiers blijkt dat de oorzaken van deze mogelijke disfuncties moeten worden gezocht in fouten of tekortkomingen die verband houden met de organisatie van een bepaalde politiedienst of één van zijn componenten, of die te wijten zijn aan individuen of aan een wisselwerking tussen verschillende individuen, of nog en vooral, dat de oorzaken van deze disfuncties voortspruiten uit de wisselwerking tussen de verschillende niveaus. De gestaafde organisatorische tekortkomingen kunnen betrekking hebben op de systemen, structuren, regels en procedures, middelen en resultaten die de basis zijn van het bestaan en zelfs het voortbestaan van de politie-entiteit als organisatie. De eventuele individuele tekortkomingen hebben vooral te maken met de methodes of houdingen van de leden van de politie-entiteit, die niet beperkt blijven tot de handelingen en houdingen in het kader van de uitvoering van het beleid en dus evenzeer slaan op de handelingen die een individuele politieambtenaar buiten dienst stelt maar die een invloed hebben op de goede werking van de organisatie. Tot slot blijken zowel de hiërarchische relaties als de collegiale relaties aanleiding te geven tot mogelijke disfuncties.
De doorlichting van een politiekorps of -dienst zoals georganiseerd door het Vast Comité P vindt vrij vaak zijn oorsprong in de hypothese dat er, op basis van de beschikbare gegevens en zonder afbreuk te doen aan de algemene werkingsprincipes van het Vast Comité P, min of meer controleerbare disfuncties zouden bestaan. Dit uitgangspunt steunt echter zelf op de elementen van het verzoek van de overheden of op de elementen die voortvloeien uit de behandeling van de klachten die aanleiding hebben gegeven tot de opening van een onderzoek uit eigen beweging. Het gaat hier dus geenszins om een vooroordeel, het is louter een basis voor een neutraal en objectief onderzoek. Na afloop van het onderzoek wordt dit uitgangspunt aangevuld met zo veel mogelijk betrouwbare informatie afkomstig uit de analyse van de voorhanden zijnde gegevens. Dit zijn de gegevens die werden ingezameld bij de overheid, de beleidsmakers, de uitvoerders van dit beleid, de andere eventueel betrokken diensten, alsook alle informatie die kan worden gehaald uit geschreven werken, registers of verslagen. De individuen die het voorwerp uitmaken van het politiebeleid [ 79 ] worden haast nooit beschouwd als 'informatiebron' voor het onderzoek.
De recente politiehervormingen en de algemene herstructurering met een aantal nieuwe regels en normen, maar ook de invoering van een aantal interne controIe-en evaluatiemechanismen die zouden moeten toelaten het politiemanagement en de politieprestaties op regelmatige wijze op te volgen [ 80 ] , maken dat het Vast Comité P beschikt over een aantal bijkomende elementen om een breder toezicht uit te oefenen. Ook dit verslag, dat een kwalitatieve analyse van verscheidene toezichtsonderzoeken inhoudt, kan inductief een bijdrage leveren tot de veronderstelling van een aantal indicatoren of bijzondere verbanden tussen indicatoren en bepaalde disfuncties, zodat de toezichtsonderzoeken binnen dit domein kunnen worden voortgezet.
Naar aanleiding van de dossieranalyse van verschillende toezichtsonderzoeken kunnen we verschillende indicatoren onderscheiden die duiden op problemen die zich situeren op drie vlakken, met name op het vlak van de politieorganisatie [ 81 ] , van de menselijke verhoudingen [ 82 ] en van de politieambtenaar als individu [ 83 ] . Dit onderscheid vormt de klassieke leidraad doorheen onze onderzoeken in de loop der jaren, van de aanvankelijke problematiek van het dossier tot de uiteindelijke vaststelling van disfuncties en de wil om deze te verhelpen.
Aan de inhoud van deze diverse toezichtsonderzoeken wordt slechts zeer zelden ruchtbaarheid gegeven en ze maken ook haast nooit het voorwerp uit van een afzonderlijke publicatie. In principe, wordt er steeds een verslag gestuurd aan de korpschef, aan de commissarisgeneraal of aan de top van de hiërarchie. Meestal, zo niet altijd worden deze verslagen ook toegezonden aan verschillende overheden. Een van de voornaamste doelstellingen van deze transparante werkwijze, waarin in vertrouwen en in partnerschap wordt gewerkt, is deze personen de mogelijkheid te bieden, indien nodig, te reageren op het verslag, preciseringen aan te brengen of opmerkingen te formuleren, vragen te stellen, enz. Het Vast Comité P zal daarmee rekening houden bij het opstellen van zijn eindverslag. De onderzoeken en verslagen geven ook aanleiding tot talrijke en verrijkende gedachtewisselingen, soms bijzonder geanimeerd of gespannen, die de diverse overheden, verantwoordelijken of andere betrokken partijen in fine in staat zouden moeten stellen maatregelen uit te vaardigen, te treffen of te laten nemen die kunnen bijdragen tot een betere werking van ons politiebestel in zijn geheel.
10. Capaciteit in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest [ 84 ]
Op verzoek van mevrouw Véronique Paulus de Châtelet, gouverneur van het arrondissement Brussel-Hoofdstad, werd het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten in 2002 gelast een toezichtsonderzoek uit te voeren met het oog op het uitbrengen van een advies over «de overeenstemming tussen de beschikbare effectieven van de lokale en de federale politie en de wettelijke opdrachten van de politiediensten binnen het administratief arrondissement Brussel-hoofdstad». Aanleiding tot dit onderzoek was de kennisgeving door de korpschefs van de zones van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad aan de gouverneur dat, als gevolg van de inwerkingtreding van de nieuwe politiestructuur, in hun respectieve korpsen een capaciteitsprobleem was ontstaan, dat de uitvoering van de wettelijk voorziene opdrachten hypothekeerde.
De methodologie die voor dit onderzoek werd gehanteerd, bestond uit: (1) een analyse van de documenten die door de korpschefs ter beschikking werden gesteld; (2) een analyse van de bestaande cijfergegevens met betrekking tot de capaciteit; (3) contacten en overleg met de diverse korpschefs; (4) een onderhoud met de verbindingsofficier politionele veiligheid van de gouverneur; (5) een onderhoud met de directeur-generaal van de federale politie, Algemene Directie Personeel; (6) opzoekingen van cijfergegevens bij de federale politie; (7) de ontwikkeling van een meetinstrument tot identificatie van de risicofactoren van capaciteitsproblemen; (8) een schriftelijke enquête gericht aan de diverse korpschefs.
Op basis van de documenten die door de respectieve zones en diensten aan het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten werden toegezonden, kon deze probleemstelling worden geconcretiseerd door de aangereikte knelpunten en/of beïnvloedende factoren te inventariseren.
De geïdentificeerde knelpunten en factoren hebben betrekking op navolgende thema's, met name: (1) het verschil tussen de organieke en de effectief beschikbare capaciteit; (2) de minimale KUL-norm; (3) de statutaire bepalingen in verband met de inzetbaarheid van het personeel; (4) de permanent beschikbare gehypothekeerde capaciteit; (5) de aanwerving van Calog-personeel; (6) detacheringen; (7) hulpagenten; (8) rekrutering; (9) mobiliteit; (1 0) motivatie en ziekteverzuim; (11) nieuwe (federale) opdrachten; (12) taakverdeling tussen lokale en federale politie inzake gerechtelijke opdrachten; (13) opgelegde wettelijke normen en (14) bijkomende specifieke opdrachten voor Brussel.
De belangrijkste tussentijdse vaststellingen met betrekking tot het onderzoek naar de huidige capaciteitsproblematiek kunnen als volgt worden samengevat:
(1) de onbeschikbaarheid van correcte of relevante cijfergegevens met betrekking tot de uitgevoerde activiteiten van de diverse politiediensten; (2) het ontbreken van een uniform capaciteitsmeetsysteem.
Het uitvoeren van een studie naar de overeenstemming tussen de beschikbare effectieven en de wettelijke opdrachten van de politiediensten, vereist immers niet alleen een kennis van de actuele aanwending van de capaciteit maar impliceert voor het realiseren van trendinformatie ook een overzicht van de prestaties in het verleden. Het ontbreken van dergelijke gegevens en de afwezigheid van een (uniform) meetsysteem, lieten niet toe de prestaties van de diverse betrokken politiediensten te inventariseren, te vergelijken en een overeenstemming te vinden met de huidige opdrachten.
Tijdens het onderzoek bleek eveneens dat vele knelpunten slechts intuïtief en op basis van geschatte gegevens werden aangereikt en dat een nauwkeurig onderzoek naar beschikbare en correcte cijfergegevens veelal niet mogelijk was. Cijfergegevens over gedetacheerde personeelsleden, de mobiliteit, de federale opdrachten, de vorderingen, de taakverdeling tussen lokale en federale politie inzake gerechtelijke opdrachten, het ziekteverzuim, de rekrutering, waren veelal niet en/of onvolledig beschikbaar.
De afwezigheid van nauwkeurige cijfergegevens deed het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten evenwel niet besluiten dat de capaciteitsproblematiek niet reëel zou zijn. In de loop van dit onderzoek werden door de minister van Binnenlandse Zaken reeds diverse initiatieven gepland en/of genomen om voor een aantal van de geïnventariseerde knelpunten een oplossing te bieden. Uit de gegevens die voor het onderzoek beschikbaar werden gesteld, bleek dat er voor het operationeel personeel van alle zones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een globaal tekort is van 13 % tussen het werkelijk effectief en het aanbevolen organiek kader. Uit het onderzoek blijkt dat er voldoende officieren zijn en dat er slechts een geringe onderbezetting in het middenkader is. De personeelstekorten situeren zich voornamelijk in de personeelscategorie van het basiskader.
Voor het Calog-personeel van de betrokken zones bedraagt het tekort 34 %. Dit aanzienlijk tekort kan ten dele worden verklaard door een opmerkelijke stijging van het aantal functies die actueel enkel aan het Calog-personeel worden voorbehouden.
Deze cijfergegevens bevestigen de onderbezetting van de Brusselse korpsen, die echter niet uitsluitend aan de politiehervorming kan worden toegeschreven maar van historische aard is. Diverse redenen hebben op termijn tot een geringe attractiviteit van deze korpsen geleid; de hervorming van de politiediensten heeft deze problematiek geactualiseerd. De meeste respondenten verwezen eveneens naar de invloed van de nieuwe statutaire bepalingen die de inzetbaarheid van het personeel negatief beïnvloeden en een algemene verhoogde capaciteit vereisen. Noch door de federale politie, noch door de betrokken korpsen van de lokale politie werd hiernaar evenwel een cijfermatig onderbouwde analyse verricht.
In de huidige stand van zaken zijn de voornaamste aanbevelingen voor dit onderzoek: (1) de noodzaak van het ontwikkelen van een uniform meetsysteem voor de respectieve zones om de noodzakelijke capaciteit voor de diverse opdrachten van de politie te meten; (2) de noodzaak van een evaluatie van de normen en regelgevingen die in het kader van de politiehervorming werden uitgevaardigd en die een invloed kunnen hebben op de beschikbare capaciteit.
Het meetsysteem, dat een inventarisatie moet bevatten van alle politieopdrachten en de werklast ervan, is onmisbaar om een capaciteitsanalyse te kunnen verrichten. Door de diensten van de federale politie werd een dergelijk capaciteitsmeetsysteem ontwikkeld dat door alle korpsen en diensten van de geïntegreerde politie zal kunnen worden gebruikt. Het gebruik van dit systeem lijkt echter niet door iedereen als een goede oplossing te worden beschouwd.
Evaluatief onderzoek naar de invloed van normen en regelgeving en de toepassing van een uniform capaciteitsmeetsysteem door o.a. de zones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, zal de noodzakelijke informatie genereren om de beschikbare capaciteit optimaal aan te wenden en af te stemmen op de wettelijke opdrachten.
11. Toezichtsonderzoeken in verschillende mn~
Algemeen gesproken blijkt uit de meeste van deze onderzoeken het belang om toe te zien op de kwaliteit van de relaties tussen de bestuurlijke overheid en de korpschef en tussen de korpschef en zijn naaste medewerkers. In 2002 heeft het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, bijgestaan door zijn Dienst Enquêtes, vierentwintig dergelijke onderzoeken verricht. Verschillende van deze toezichtsonderzoeken tonen aan dat men zich in sommige gevallen vragen kan stellen bij de capaciteiten en kwaliteiten van de officieren die belangrijke functies dienen te vervullen, meer bepaald in het verlengde van de politiehervorming, die ook haar deel ontgoochelde en ontevreden personen heeft voortgebracht. Bovendien zijn de huidige structuren vaak geïnspireerd op de (te) talrijke structuren zoals die destijds bestonden op niveau van de generale staf van de rijkswacht. Daarnaast onderstrepen deze onderzoeken het belang van interpersoonlijke en menselijke verhoudingen op alle vlakken.
Niettemin kunnen we, eens te meer, niet nalaten te melden dat sommige leden van de hiërarchie, tot op het hoogste niveau, of sommige overheden nog te vaak wachten totdat de de problemen na verloop van tijd vanzelf verdwijnen. Deze overheden en hiërarchische verantwoordelijken hebben niettemin bevoegdheden om maatregelen van interne orde of tucht te nemen. Ze schijnen deze niet altijd te kennen of wenden ze niet aan zolang er geen interventie is van een externe dienst zoals het Vast Comité P of zijn Dienst Enquêtes, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie of in sommige gevallen zelfs het parket.
Er dient evenwel te worden vastgesteld dat in twee van de dossiers men niettemin kan stellen dat niet enkel in de hoofden van de bevolking maar ook in de hoofden van de belangrijkste verantwoordelijken en overheden de tijd raad en rust heeft gebracht. Er lijkt ook te kunnen worden onderstreept dat, in een bepaalde zaak, de terugkeer van de hoofd betrokkene van de zaak geen problemen heeft opgeleverd omdat de korpschef zeer terecht de beslissing heeft genomen om deze politieambtenaar een functie toe te kennen waarin hij geen contact meer heeft met de bevolking.
Bovenop hun eventuele gevolgen op gerechtelijk vlak, leggen verscheidene onderzoeken die dit jaar werden gevoerd eens te meer de nadruk op problemen in verband met professionalisme, integriteit s.l., alsook op de normvervaging. Zo ook in het onderzoek dat werd geopend naar aanleiding van aantijgingen dat een ambtenaar van de voormalige gemeentepolitie blijk zou hebben gegeven van te grote ijver bij het inzamelen van fondsen voor een plaatselijke sportclub. Het lijkt ons interessant dit dossier ook op te nemen in het kader van het onderzoek naar de integriteit dat het Vast Comité P in 2003-2004 zal voortzetten. Net als in het verleden doen wij de klassieke en steeds terugkerende vaststellingen met betrekking tot het min of meer vage gebruik van dienstvoertuigen en het tellen van prestaties waarvoor men een specifieke vergoeding krijgt.
In het kader van een bijzonder delicaat onderzoek achten wij het niettemin wenselijk de aandacht te vestigen op twee elementen: (1) de snelheid en de discretie waarmee de Dienst Enquêtes P het onderzoek en de opdrachten die hem werden toevertrouwd heeft verricht. De verschillende opdrachten werden ook onafgebroken uitgevoerd; (2) er werd in de grootste vertrouwelijkheid [ 85 ] een beroep gedaan op een expert. Rekening houdend met de persoonlijkheid van de korpschef en de vastgelopen situatie in het korps meende het Vast Comité P gebruik te moeten maken van deze techniek, wat bovendien een verrijkende ervaring was voor alle leden van het Vast Comité P en de Dienst Enquêtes.
In een ander dossier kwam, ditmaal in het kader van een toezichtsonderzoek, de problematiek van het takelen nog eens aan bod. Wij komen later in dit jaarverslag terug op deze problematiek die één van de terugkerende problemen is in te veel klachten en aangiften en in sommige gevallen aanleiding geeft tot interventies en bedenkingen van het Vast Comité P. Het is immers niet de eerste keer dat takeldiensten klachten formuleren over de soms arbitraire manier waarop één van hen wordt aangeduid. De objectieve oplossing die de korpschef in dit geval heeft voorgesteld en die unaniem door de politieraad werd goedgekeurd, heeft de «rust» onder de takeldiensten laten weerkeren. Momenteel worden de opdrachten voor het takelen van voertuigen immers uitgevoerd door vier vennootschappen die om de beurt een wekelijkse wachtdienst verzekeren.
12. Opvolgingsonderzoeken sensu stricto
Het Vast Comité P heeft ten aanzien van een aantal korpsen een opvolgingsonderzoek laten uitvoeren teneinde na te gaan in welke mate eerder gedane vaststellingen van disfuncties of problematische situaties waren verholpen. Gelet op de politiehervorming waarbij sommige van de onderzochte korpsen intussen deel uitmaken van een politiezone en de veranderingen inzake leiding die er vaak mee gepaard gingen, leverden deze onderzoeken tezelfdertijd ook informatie op met betrekking tot de inplaatsstelling van de lokale component van de geïntegreerde politie in het algemeen. In het kader van de opvolgingsonderzoeken werden een twintigtal korpsen of zones bezocht [ 86 ] .
Uit deze opvolgingsonderzoeken kunnen volgende algemene conclusies worden getrokken: (1) daar waar individuele problemen aan de basis lagen van een eerder onderzoek, werden deze ook in de meeste gevallen verholpen; (2) meer structurele problemen werden verholpen waar mogelijk, hetzij via een tussenkomst ad hoc, hetzij via de opname van de wegwerking van het probleem in een stappenplan in het kader van de inplaatsstelling van de politiezone; (3) de materiële middelen van de korpsen zijn zeer verscheiden: gaande van een degelijk uitgerust korps tot korpsen die het echt moeten stellen met een minimum aan verouderd materiaal. In de meeste gevallen is echter ook voor dit probleem een stappenplan in plaats gesteld; (4) de meeste korpsen halen ruimschoots de normen die voorzien zijn voor de verschillende functionaliteiten; (5) de inzet van gehypothekeerde capaciteit veroorzaakt een aantal problemen, waarop elders in dit jaarverslag wordt gewezen; (6) de huisvesting en vooral het feit dat verschillende diensten over verschillende gebouwen zijn verspreid, komt de werking over het algemeen niet ten goede; (7) de personeelscapaciteit als dusdanig leidt in een aantal korpsen tot problemen in termen van onderbezetting, die niet altijd op korte termijn kunnen worden verholpen; (8) niet overal worden de bepalingen inzake statuut naar de letter nageleefd, meestal omdat een strikte toepassing ervan problemen oplevert voor de operationele werking van het korps.
13. Beheer van de bewapening bij de geïntegreerde politie [ 87 ]
In het verlengde van een aantal lopende onderzoeken en dossiers handelend over de verdwijning of het oneigenlijke gebruik van vuurwapens in politiecommissariaten heeft het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten zijn Dienst Enquêtes begin 2002 opgedragen na te gaan hoe het beheer van de bewapening en de munitie bij de politiediensten was georganiseerd. Na voorafgaande kennisgeving van hun bezoek aan de commissaris-generaal van de federale politie en aan alle politiezones, bezochten de enquêteurs in de loop van het jaar 2002 vijftien politiezones, waar telkens twee diensten of commissariaten werden aangedaan. Deze zones werden geselecteerd op basis van het personeelseffectief en de geografische spreiding.
Tijdens de integratie van de politie werd het beheer van de bewapening en munitie van de politiediensten, meer bepaald op zonaal niveau, wettelijk nog niet specifiek en uitdrukkelijk geregeld, en dit niettegenstaande de wettelijke bepalingen geldend voor de lokale politie [ 88 ] nog niet waren opgeheven. In afwachting van een specifieke regelgeving, normen en standaarden kan men verwachten dat de huidige korpsen van lokale politie de veiligheidsvereisten en -voorschriften die in deze wetgeving waren opgenomen, blijven toepassen, zoals trouwens door een recente specifieke reglementering opnieuw uitdrukkelijk werd bepaald.
Een eerste belangrijke vaststelling in het onderzoek is dat in meergemeentenzones de «post» van één bepaalde «gemeente» voldeed aan nagenoeg alle veiligheidsvoorschriften, terwijl er in de andere politieposten van deze zone zeer weinig veiligheidswaarborgen aanwezig waren. Er werd ook opgemerkt dat men op zonaal vlak meestal nog geen uniforme richtlijnen had uitgevaardigd. Nochtans is hier dringend nood aan gelet op de integratie van ex-rijkswachters die uit hun korps een eigen regelgeving en cultuur meebrachten naar de lokale eenheid. Daarbij komt dat de federale politie, op haar beurt, nog andere gewoonten had.
Daarnaast is het belangrijk te onderstrepen dat de geïntegreerde politie en de actuele hervorming op zich geen oorzaak zijn van de vastgestelde tekortkomingen. De meeste richtlijnen en voorschriften voor de lokale politie dateren immers uit de periode 1990-1995, maar er werd vastgesteld dat veel lokale korpsen deze dwingende richtlijnen of voorschriften nooit of slechts gedeeltelijk hebben nageleefd. Bovendien bestonden in één korps bijzonder uitgewerkte richtlijnen, die echter niet werden bijgewerkt en eigenlijk ook niet echt werden nageleefd.
De meest voorkomende disfunctie is dat men in de meeste gevallen vuurwapens opbergt in kledijkastjes of bureaumeubilair. Er bleken in sommige zones niet-permanent bemande commissariaten te zijn die nog steeds niet beschikten over een brandkast, wapenkluis of -koffer. In combinatie met de afwezigheid van een elektronisch alarmsysteem en een gebrek aan technopreventieve maatregelen wordt onmiskenbaar een risicovolle situatie gecreëerd. Dit staat in schril contrast met de inspanningen die sommige korpsen leveren om voorlichting inzake inbraakpreventie te geven aan het grote publiek. Slechts de helft van de bezochte commissariaten voldoet aan alle wettelijke bepalingen ter beveiliging van hun lokalen tegen inbraak. Slechts in een kleine minderheid bleek een pakket van technopreventieve maatregelen of een veiligheidsplan uitgewerkt te zijn. Het onaantrekkelijk maken van de vuurwapens voor diefstal door het graveren van een bijzonder merkteken werd slechts in twee zones toegepast.
Hoewel een alarmsysteem sinds 1993 bij wet verplicht is, stelde men vast dat in tien van de vijftien bezochte zones één of meer commissariaten niet over een elektronische alarminstallatie beschikte. Het toezicht door patrouilles op niet-bemande commissariaten kon slechts in één zone formeel worden aangetoond. Wanneer de resultaten van huidig onderzoek worden vergeleken met deze van een onderzoek gevoerd naar de beveiliging en infrastructuur van politiecommissariaten, kan men vaststellen dat de toestand zoals omschreven in voormeld onderzoek, voor de periode van 1993 tot 1998, nog altijd gelijkaardig is. Men stelde toen vast dat tijdens de onderzochte vijf jaar er in bijna 20 % van de commissariaten werd ingebroken, dat men in de eerste plaats zocht naar vuurwapens en 15,3 % van de korpsen nog niet over een gepantserde kast beschikte. Het opbergen van vuurwapens in kledijkastjes en bureau meubilair was ook een grote onveiligheidsfactor. Ook nu stelt men vast dat in tien van de vijftien bezochte zones nog steeds vuurwapens in niet-slotvast meubilair worden bewaard.
Uit huidig onderzoek blijkt dat betreffende het meenemen van het dienstwapen naar huis geen eenduidige houding wordt aangenomen, hoewel de wetgever in het verleden voor de gemeentepolitie, nu lokale politie, vanuit het principe vertrok dat enkel bij uitzondering een dienstwapen naar huis kon worden meegenomen. Slechts een kleine minderheid van de zones heeft via een korpsvoorschrift dit wettelijke principe bekrachtigd door te stellen dat men na zijn dienst het vuurwapen dient op te bergen in de wapenkluis of -koffer. In een beperkt aantal zones vonden we gemeentelijke korpsvoorschriften die dit bevestigden. In de praktijk is echter gebleken dat in de meeste zones aan de individuele politieambtenaar een grote vrijheid wordt toegekend en dat hij zelf beslist of hij al dan niet zijn wapen meeneemt naar huis, dan wel een ander wapen gebruikt in dienst. Deze vrijheid vloeit niet alleen voort uit het ontbreken van formele richtlijnen maar vooral uit de afwezigheid van enig toezicht of controle hierop. Daar waar de wetgever voor het bewaren van vuurwapens strenge en concrete eisen stelt aan particulieren, laat men bij de lokale politiekorpsen na om deze eisen duidelijk te omschrijven of mee te delen. Op het vlak van het gebruik van wapens of persoonlijk of geleend materieel in het kader van de uitoefening van politieopdrachten blijven dus nog een aantal vragen onbeantwoord.
Slechts in een kleine minderheid van de zones waren alle noodzakelijke wettelijke en reglementaire voorschriften met betrekking tot deze kwesties via een korpsonderrichting ter kennis gebracht van de medewerkers. In de andere zones waren slechts bepaalde aspecten of helemaal niets gereglementeerd. Behoudens een algemene inventaris van het patrimonium van de zone, bleek een uitgewerkt controleproces op het wapenbezit van de individuele politieambtenaar of globaal nazicht van de stock van wapens en munitie niet gangbaar. Het specifieke toezicht op het vuurwapenbeheer door de korpsleiding en de overheid, opgelegd bij ministeriële omzendbrief van 1998, is nooit praktisch uitgewerkt.
Hoewel algemeen kan worden gesteld dat de huidige situatie, die in sommige zones alles behalve optimaal is, voortvloeit uit een gebrek aan investeringen, aandacht en het niet opnemen van de verantwoordelijkheden in het verleden - en niet, zoals sommigen maar al te vaak beweren, het gevolg is van de aan gang zijnde hervorming -, komt het de huidige zonechefs toe om binnen een korte tijdspanne de nodige inspanningen te leveren om te vermijden dat een politievuurwapen in het crimineel circuit terechtkomt of door het eigen personeel wordt misbruikt [ i 38 ] . De resultaten toonden ook aan dat de huidige toestand van het wapenbeheer losstaat van de grootte van het voormalige gemeentelijk korps of van de huidige zone. Er kon evenmin een merkbaar verschil worden vastgesteld tussen de zones of de korpsen volgens hun geografische spreiding. In de context van dit onderzoek kunnen we niet nalaten te wijzen op de delicate kwestie van de, soms erg gevoelige, documenten en gegevens die worden bewaard in de lokalen van de politie of daar beschikbaar zijn.
De kosten die men nog zal moeten maken voor materiële veiligheidsvoorzieningen zullen onbetwistbaar een gevoelige weerslag hebben op menige politiebegroting. De bijkomende werklast voor de uitwerking op zonaal vlak van een vuurwapenbeheer aangepast aan de veiligheidsvoorschriften is in deze periode van verandering waarschijnlijk niet welkom. Toch menen wij dat dit één van de prioriteiten dient te zijn binnen het strategische en tactische beleid van de zones.
Een positief gevolg - dat mag worden onderstreept - van het door het Vast Comité P genomen initiatief tot onderzoek van deze materie is dat, nog voor het afsluiten van het onderzoek, al talrijke maatregelen werden genomen in diverse zones. Bovendien heeft dit onderzoek de belangstelling van heel wat verantwoordelijken gewekt [ 89 ] .
14. Inleiding
Wanneer ze juist blijken te zijn, situeren de disfuncties inzake onderzoeken naar de doelmatigheid en het beheer van diensten of personen met een beperkte of andere politiebevoegdheid zich op het vlak van de bevoegdheidslimieten met betrekking tot de functie, de bevoegdheidsverdeling binnen een dienst en de hieruit volgende conflicten en ten slotte op het gebied van de politiewerking binnen een dienst met conflicterende belangen.
De onderzoeken die gebeuren naar de doelmatigheid van de werking of het beheer van diensten hebben in dit geval betrekking op de politiebevoegdheid en de eventuele disfuncties die zich in dit verband voordoen.
Enerzijds hebben de onderzoeken betrekking op de wettelijke begrenzing van de politiebevoegdheden, die verband houdt met de beperkingen met betrekking tot het individu, zijn opleiding en de functie die hij uitoefent. Het Vast Comité P stelde een aantal disfuncties vast op het niveau van het personeelsbeheer, met betrekking tot de inzet van personen die noch over de bevoegdheid noch over de nodige opleiding beschikken om bepaalde taken, voorzien in de wet op het politieambt, uit te voeren of om bepaalde politie-uitrustingen te dragen, zoals het uniform of een dienstwapen. Soms zijn het de personen zelf die ontevreden zijn met hun dubieuze situatie en aangifte doen van de tekortkomingen met betrekking tot hun statuut. In andere gevallen komen er externe klachten met betrekking tot hun handelen. Op basis van deze conclusies, doet het Vast Comité P de aanbeveling de regels en normen die deze bevoegdheidslimieten bepalen te verduidelijken.
Anderzijds houdt het toezicht verband met de rol van niet-politiële overheden die, als overheid van bestuurlijke politie, de leiding hebben over personeel met een zekere politiebevoegdheid. In dit toezicht stond de politiewerking in verhouding tot het commerciële belang van de organisatie centraal. De toekenning alsook het beheer van politiebevoegdheden uit veiligheidsoverwegingen veronderstelt de implementatie van duidelijke structuren en procedures. Dit is zeker het geval wanneer het beheer ervan in handen is van een niet-eigenlijke politiële overheid, die zich ook voor andere belangen dient te verantwoorden. Het toezicht richtte zich specifiek op mogelijke tekortkomingen met betrekking tot hun structuren en procedures, als mogelijke oorzaak voor de onwettige - of zelfs totaal vervormde politiepraktijken. Het is wenselijk te voorzien in een geregelde en zelfs permanente opvolging om na te gaan of de toegekende structuren en procedures nageleefd worden.
Ten slotte betreft het toezicht de bevoegdheidsverdeling op het niveau van de leiding van een bepaalde dienst. De conflicten die hieruit kunnen ontstaan, worden geenszins vergeten, ze kunnen immers leiden tot disfuncties die het doelmatig functioneren van een dienst in de weg staan. In de aanbevelingen worden structurele oplossingen vooropgesteld die de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van elkeen duidelijk regelen.
15. Politie over het vervoer
15.1. Inleiding
De spoorwegpolitie werd geïntegreerd in de federale politie, terwijl de NMBS, naast haar politiewerking, haar interne veiligheidsdienst (B-Security) behoudt en verder uitbouwt. Deze interne veiligheidsdienst is verre van bevorderlijk voor de algemene werking omdat de verschillende belangen en bevoegdheden, zelfs bepaalde spanningen of conflicten blijven bestaan. Dit toezichtsonderzoek en dat naar de beëdigde leden van de dienst veiligheid van de MIVB en de politie van de metro zullen worden opgevolgd in het licht van de opeenvolgende wijzigingen als gevolg van de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap, maar ook van de nieuwe keuzes inzake uitoefening van de politiefunctie door de niet-publieke optredende partijen. Het weze hierbij opgemerkt dat eerder werd gesteld dat het Vast Comité P bevoegd is indien er een band is tussen het optreden van de reguliere politie en een private beveiligings- of bewakingsagent; het Vast Comité P, zo werd in het activiteitenverslag 1999 gesteld, moet de mogelijkheid hebben om een klacht of een aangifte integraal te kunnen afronden indien er raakvlakken blijken te zijn met de private veiligheidssector [ 90 ] .
De opvolging van dit onderzoek zal dus specifiek zijn toegespitst op de politiefunctie, de professionele werking en de wisselwerking tussen de verschillende bevoegdheden en hun wettelijke basis. In een eerste tussentijds verslag heeft het Vast Comité P reeds gewezen op het gevaar van de toekenning en de veralgemeende en te ruime uitbreiding van politiebevoegdheden want we hebben hier te maken met een partij met een soms onduidelijke en dubbelzinnige structuur die vooreerst commerciële belangen dient. Bovendien is de uitbreiding van de politiebevoegdheden slechts in geringe mate nodig, voor opdrachten van bewaking en beveiliging en, in uitzonderlijke gevallen, voor privé-opsporingsopdrachten.
15.2. Politie van de metro en het MIVB-net [ 91 ]
In de loop van het kalenderjaar 1998 werd door het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en zijn Dienst Enquêtes een onderzoek gevoerd aangaande de organisatie en werking van de beëdigde leden van de dienst veiligheid van de Maatschappij voor Intercommunaal Vervoer van Brussel (MIVB) [ i 39 ] . Dat onderzoek had meer in het bijzonder betrekking op de uitoefening van de politiefunctie op het metronet. Thans opereert de Dienst Controle en Bewaking (DCB) van de MIVB samen met de metrobrigade van de federale politie in de metrostations van het MIVB-netwerk. Hoewel die samenwerking de afgelopen maanden niet heeft geleid tot rechtstreekse klachten of openbare uiting van ongenoegen, blijft de planning van de onderscheiden diensten eerder rudimentair.
Vooreerst dient opgemerkt dat vanuit de MIVB-directie op constructieve wijze werd omgegaan met de conclusies van het toezichtsonderzoek en van de vorige tussentijdse verslagen die haar werden toegezonden. Zowel wat de dienstleiding als wat de samenstelling van een vernieuwende personeelsformatie betreft, werden de nodige inspanningen geleverd om met een verbeterde bedrijfscultuur de veiligheid van de reizigers in de Brusselse metrostations verder te garanderen. Ook wat de uitrusting betreft, werd gehandeld conform de door het Vast Comité P geformuleerde aanbevelingen. Daarenboven werd een aanzet gegeven om de samenwerking met de andere partner, in casu de metrobrigade van de federale politie en soms ook lokale politiediensten te structureren. Bij middel van een aangepaste structuur, die overigens effectiviteit, efficiëntie en transparantie laat veronderstellen, werd in de MIVB-veiligheidsdiensten een positieve bedrijfscultuur gestimuleerd. Daarenboven gaf de formalisering van taken en opdrachten blijk van de wil tot het creëren van een gepaste attitude bij het veiligheidspersoneel van de MIVB.
Inmiddels werd ook overgegaan tot een meer doeltreffende samenwerking tussen de bewakingsdienst van de MIVB en de lokale politie van Brussel. Vooral op basis van hun verregaande vertrouwdheid met het MIVB-netwerk treden de MIVB-veiligheidsagenten op als technisch expert ten behoeve van de lokale politie en dit in het bijzonder voor de bestrijding van gauwdiefstallen. De observatieopdrachten van de MIVB-veiligheidsagenten behoren tot de afdeling Eenheid Net Anti-Vandalisme (ENAV). Er dient nauwlettend op toegezien dat de activiteiten van de ENAV zich beperken tot een waakzame opstelling tijdens het uitvoeren van hun routineopdrachten en het rapporteren van de nuttige inlichtingen aan respectievelijk de federale en/of de lokale politie.
Er dient volledigheidshalve gewezen op het gegeven dat de politionele bevoegdheid van de veiligheidsagenten van de MIVB, incluis de veiligheidsagenten deel uitmakend van de ENAV, zich beperkt tot de controle van vervoertitels en de vaststelling van verkeers(parkeer)-overtredingen op de bus- en tramhaltes. Waarnemingen, te weten het als getuige vaststellen van bepaalde misdrijven, kunnen en moeten ze desgevallend melden aan de bevoegde politiediensten. Wanneer de MIVB-veiligheidsagenten zich wagen aan bepaalde vormen van observatie en bewaking, gekend als bijzondere politietechniek, laat dit een bevoegdheidsoverschrijding vermoeden; zoals wij in het verleden reeds hebben opgemerkt. Voor het uitvoeren van bepaalde opdrachten - meer bepaald observatieopdrachten op de openbare weg - dient op zijn minst de wet van 19 juli 1991 tot regeling van het beroep van privédetective [ 92 ] in acht te worden genomen of de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen of de interne bewakingsdiensten.
De wettelijke basis waarbinnen de MIVB-veiligheidsagenten hun activiteiten kunnen ontplooien, blijft enigszins in de schemerzone zodanig dat ze bij de uitvoering van hun bewakings- en beveiligingsopdrachten soms het domein van strikt politionele activiteiten, of op zijn minst dit van de uitoefening van de politiefunctie betreden. Zeker wat de bewakings- en observatieopdrachten betreft, zou men moeten handelen binnen een wettelijk kader. Om de effectieve veiligheidszorg binnen het MIVB-netwerk efficiënt te organiseren, zou het toekennen van een (zeer) beperkte politiebevoegdheid aan de MIVB-veiligheidsagenten, een gepaste oplossing kunnen bieden.
Het dient herhaald dat er vanuit de MIVB-directie inspanningen zijn geleverd om de veiligheidsdiensten binnen een geformaliseerd kader te laten functioneren. Die inspanningen hebben ertoe bijgedragen dat er van een legitimiteitscrisis, momenteel geen sprake meer is.
In de rangen van de MIVB-veiligheidsagenten stelt men zich echter, overigens niet geheel onterecht, vragen bij de legaliteit van een interventie bij misdrijven en in afwachting van de komst van de reguliere politie. Het verbod tot het dragen van sprayen handboeien wordt door de MIVB-veiligheidsagenten als bedreigend ervaren en dit gelet op de omstandigheden waarin ze moeten functioneren. Met dat laatste wordt wel degelijk bedoeld de interventies door de Dienst Controle en Interventie van de MIVB die, naar onze mening, verder reiken dan de beperkte politionele bevoegdheid in het kader van het reglement op de politie van personenvervoer per tram, (pre)metro, autobus en autocar [ 93 ].
Het kan immers interessant zijn over te gaan tot een zekere bevoegdheidsuitbreiding van de MIVB-veiligheidsagenten. Deze uitbreiding moet echter gepaard gaan met, desgevallend vooraf worden gegaan door, een gedegen opleiding van de te mandateren politiefunctionarissen. Die opleiding moet bijdragen tot een strikt legaal functionerende MIVB-veiligheidsdienst.
Voor het overige en in elk geval, dient, in het licht van de regelgeving op de bewakingsorganisaties en privédetectives, te worden voorzien in een gedegen opleiding van de MIVB-veiligheidsagenten. Diezelfde opleiding en de eraan gekoppelde regelgeving zullen de toebedeling en desgevallend het gebruik van specifieke uitrustingsmiddelen eveneens een legaal kader geven. Het hiervoor aangehaald perspectief laat zich inspireren door de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten (die binnenkort zal worden gewijzigd). Het organiseren van een interne bewakingsdienst vereist weliswaar een voorafgaande vergunning [ 94 ] . Daarenboven moeten de personen die de werkelijke leiding over een interne bewakingsdienst en deze die er een functie in uitoefenen, aan bepaalde voorwaarden [ 95 ] voldoen. Dezelfde wetgeving stipuleert de voorwaarden voor de kledij en de uitrusting van de interne bewakingsdiensten, alsmede van de identificatiekaart of het herkenningsteken dat ze moeten dragen. In de huidige stand van zaken dient opgemerkt dat de bedoelde veiligheidsagenten in geen geval andere handelingen mogen stellen dan deze die voortvloeien uit de rechten waarover iedere rechtsonderhorige beschikt. De leden van de interne bewakingsdienst beschikken aldus geenszins over politionele bevoegdheden.
De stellingen die supra werden ontwikkeld aangaande de te optimaliseren werking van de MIVB-veiligheidsdiensten bieden ongetwijfeld toekomstperspectieven voor deze dienst die op het ogenblik van onze laatste observaties en analyses correct functioneerde. Een voortzetting van de positief evoluerende werkcultuur en het geformaliseerd en gestructureerd handelen dient, naar gelang van het gekozen alternatief, aangevuld met bijkomende opleiding en/of specifieke vergunning. Een doelbewuste en gerichte keuze uit de hoger omschreven alternatieven kan de schemerzone waarbinnen momenteel nog wordt geopereerd binnen de MIVB-veiligheidsdienst geheel uitklaren.
Afdeling 1: Opvolging van de implementatie van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus [ 96 ]
In de huidige context vormde de politiehervorming als het ware de achtergrond voor de analyses en de overwegingen bij de enquêtes van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten in de loop van het jaar 2002. Deze analyses en overwegingen vormen een bijkomend middel voor het Parlement om een zicht te hebben op de politiehervorming. Eerder herinnerde de Parlementaire begeleidingscommissie trouwens reeds aan het fundamenteel probleem waarmee het Parlement geconfronteerd wordt inzake het toezicht op de implementatie van de politiehervorming [ 97 ]
In deze zin, heeft deze analyse, zonder enige verdere pretentie, betrekking op de wijze waarop de politiehervorming wordt gepercipieerd en tracht ze een licht te werpen op een aantal aspecten van het nieuwe politielandschap zoals die tussen eind 2001 en het laatste trimester van 2002 naar voren zijn gekomen. Er hebben zich sindsdien echter nieuwe ontwikkelingen voorgedaan, die in dit jaarverslag slechts onrechtstreeks en gedeeltelijk in aanmerking konden worden genomen, gezien de periode waarop dit verslag betrekking dient te hebben krachtens de wet van 18 juli 1991 en de afspraken die werden gemaakt met de Parlementaire begeleidingscommissie van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten. Na de bespreking van huidig jaarverslag met deze commissie, zullen wij, indien nodig, deze analyse tegen oktober 2003 vervolledigen. Daarenboven onderscheidt deze analyse zich van andere soortgelijke analyses door het feit dat het merendeel van de uiteengezette standpunten en stellingen het voorwerp hebben uitgemaakt van een bijzondere verificatie of konden worden nagegaan naar aanleiding van verschillende onderzoeken die werden gevoerd door het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten zelf of door anderen op zijn verzoek.
In zijn twee laatste jaarverslagen had het Vast Comité P aan zijn Parlementaire begeleidingscommissie verklaard dat het «zich volledig wenste toe te leggen op de implementatie van de nieuwe potitiestructuur en in het bijzonder rekening wilde houden met de toekomstige gevolgen van deze nieuwe reglementering en wetgeving […]» [ i.40 ]
Vorig jaar heeft het Vast Comité P ervoor gekozen zijn voornaamste vaststellingen op te nemen in een bijlage bij zijn jaarverslag [ i 41 ] door te stellen dat het «gezien het zeer recente karakter van het proces en de omstandigheden, het voorbarig is en zonder twijfel noch opportuun noch nuttig is om hic et nunc algemene conclusies en aanbevelingen te formuleren». Niettegenstaande de situatie in de loop van 2002 ontegensprekelijk is veranderd, acht het Vast Comité P het nuttig te herhalen dat «Het valt niet te ontkennen dat heel wat actoren van de hervorming, hetzij op politiek, gerechtelijk of politioneel vlak, moeilijkheden ondervinden om organisatorische oplossingen te vinden». [ i 42 ]
16. Enkele inleidende beschouwingen
Het is uiterst moeilijk en in zekere zin risicovol een juiste en relevante balans op te maken van de politiehervorming, zowel wat de inhoud betreft als met betrekking tot het praktische verloop van de uitvoering van de wet van 7 december 1998 en dus van de effectieve inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap. De inwerkingtreding van de nieuwe wetgeving zal ongetwijfeld geschiedenis schrijven, zowel door haar politieke draagwijdte - zowat 40 000 personen zijn er rechtstreeks bij betrokken - als door haar inhoud (nieuwe structuur, nieuwe systemen, etc.) en door haar nooit geëvenaarde diepgang. Bovendien zijn de meningen over de impact van deze hervorming erg verdeeld, waarbij elkeen zijn oordeel meestal steunt op een persoonlijke, lokale perceptie, wat overigens normaal is voor politievraagstukken. Het is eveneens belangrijk te onderstrepen dat er een zekere tendens heerst om het hoe en het waarom van de hervorming te vergeten. Wanneer men het over de politiehervorming heeft, hetzij mondeling hetzij schriftelijk, beperkt men zich bijna uitsluitend tot het financiële luik en uiteindelijk tot een pleidooi voor bijkomend personeel. De stap om zich af te vragen of de vroegere situatie niet beter was, is dan snel gezet. Wat het «hoe» betreft, lijkt men snel te vergeten dat de hervorming werd geconcretiseerd door een wet die, doordat ze is gesteund op de Octopusakkoorden, het resultaat is van een compromis [ 98 ] dat, per definitie, niet voor alle niveaus even doelmatig en doeltreffend kan zijn. Tenzij de evaluatie van het gekozen politiemodel en zijn mechanismen derwijze is dat een andere weg - volgens sommigen in de richting van een nog meer eengemaakte politie, volgens anderen in de richting van een regionalisering van politie en volgens nog anderen van justitie - dient ingeslagen te worden, is het nochtans noodzakelijk dat binnen het bestaande wettelijk kader bestendig naar verbetering wordt gestreefd. Men mag evenmin uit het oog verliezen dat deze nieuwe wetgeving en de daarmee gepaard gaande aanpak binnen een uitzonderlijk kort tijdsbestek moesten worden uitgevoerd. In Nederland heeft men een dergelijke hervorming gedurende tien jaar voorbereid en doorgevoerd. De Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de administratieve aangelegenheden van de Senaat benadrukt bovendien dat het, gelet op haar omvang en complexiteit, te voorspellen was dat deze hervorming tot ernstige praktische problemen zou leiden. Ook het krappe tijdsbestek waarbinnen deze hervorming diende gerealiseerd te worden, heeft daarin meegespeeld [ 99 ] . Niet alles kon dus tot in de kleinste details worden uitgewerkt voordat deze hervorming werd doorgevoerd, alhoewel sommige prognoses ruimer waren uitgewerkt. Het is overigens niet gezegd dat het voorzien in een ruimer tijdsbestek noodzakelijk tot betere resultaten zou hebben geleid.
Overigens dient men te beseffen dat niet enkel de continuïteit diende verzekerd te worden gelijktijdig met het veranderingsproces, maar ook dat er, middels de veiligheidsplannen, quasi resultaatsverbintenissen dienden gerealiseerd te worden. Zo kan men zich een beeld vormen van de complexe taak en de verantwoordelijkheden die op de schouders van de korpschef rusten. Maar er is, binnen dit veranderingsproces, ook een zekere consolidatie nodig en nieuwe initiatieven zijn enkel wenselijk wanneer ze absoluut noodzakelijk zijn. Tot slot, mag de hervorming - zoals ze onmiskenbaar gewild en aangevat werd - niet verantwoordelijk worden gesteld voor sommige lacunes die ze geenszins heeft veroorzaakt. Meer dan eens werd echter vastgesteld dat er een tendens bestaat om zodra het geringste probleem opduikt, de gemaakte politieke keuzes aan de kaak te stellen. Wanneer bepaalde vergissingen dan toch aan de hervorming kunnen worden toegeschreven, moet een onderscheid worden gemaakt tussen deze die inherent zijn aan een veranderingsproces en deze inherent aan de nieuwe optie van een globaal veiligheidsbeleid. Met een dergelijk onderscheid zou men de hervorming ontegensprekelijk beter kunnen evalueren en ad hoc oplossingen zoeken voor de bestaande problemen.
17. Structuren
17.1. Creatie van zones
17.1.1. Inleiding
Wettelijk gezien kon pas een lokale politiezone worden gevormd wanneer volgende voorwaarden tegelijk waren vervuld: enerzijds dienden de territoriale omschrijving van de zone, het effectief en het kader van het lokale politiekorps, alsook de federale toelage aan de politiezone vastgelegd en anderzijds diende de begroting van het lokale politiekorps te zijn goedgekeurd door de gemeente- of de politieraad. De datum van inplaatsstelling van sommige essentiële componenten voorzien in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus was aanvankelijk vastgelegd op 1 april 2001, maar de noodzakelijke koninklijke en ministeriële besluiten volgden niet altijd, en werden niet altijd tijdig of voldoende snel uitgevaardigd, zodat op datum van de 1 januari 2002 slechts 15 zones echt operationeel waren. Niettemin moet worden opgemerkt dat wat de lokale politie betreft, de wet niet voorziet in een deadline. In dit verband verklaarde de minister van Binnenlandse Zaken het volgende: «Ik heb altijd 1 januari 2002 als streefdatum vooropgesteld voor het opstarten van de werking van de lokale politie. We liggen dus niet achter op het schema. Als u de memorie van toelichting van de wet tot organisatie van de geïntegreerde politiedienst erop naleest, zal u merken dat de wetgever goed wist dat de lokale politie er pas in de loop van 2003,2004 of zelfs pas in 2005 of 2006 zou komen" [ i 43 ] . De overgrote meerderheid van de componenten van de federale politie daarentegen is effectief van start gegaan op 1 januari 2001.
Bij nader inzien kan men zich afvragen of het niet beter was geweest beide operaties op elkaar af te stemmen want de asynchrone inplaatsstelling heeft aanleiding gegeven tot talrijke problemen, te meer daar sommige lokale politiezones pas in de loop van 2002 een definitief statuut hadden, niettegenstaande ze, fictief, allemaal eerder werden geïnstalleerd, in sommige gevallen zelfs vóór 1 januari 2002. Een gelijkaardig verschil zal mogelijks optreden op het ogenblik van de eerste hernieuwing van de mandaten van de sleutelfiguren van de geïntegreerde politie, zowel op lokaal als op federaal vlak.
17.1.2. Aantal zones
Volgens heel wat waarnemers, wier mening het Comité enkel kan delen, doet het aantal zones verscheidene vragen rijzen. Andere goed geïnformeerde waarnemers stellen dat het niet is uit te sluiten dat, na een grondige evaluatie, het aantal zones wordt teruggeschroefd. Bovendien voelen sommige gemeenten zich niet goed bij de gemeenten waarmee ze samen een zone vormen, en dit om allerhande, al dan niet terechte, redenen.
Met het oog op de evaluatie, die in principe in september 2003 zal worden gemaakt, zal dus moeten worden nagedacht over de minimale grootte van een zeker aantal zones en dus over hun personeelsbestand, opdat deze zones echt doeltreffend zouden zijn en alle, aangepaste of verduidelijkte, basisfunctionaliteiten zouden kunnen vervullen [ 100 ] . Mogelijkerwijze dient, eenzelfde denkoefening te worden gemaakt met betrekking tot de coördinatie- en steundiensten en de gerechtelijke diensten op niveau van het arrondissement.
17.1.3. Integratie
Op heel wat plaatsen is de integratie over het algemeen goed verlopen, hoewel niet kan worden ontkend dat de integratie van de territoriale rijkswachtbrigades, op sommige plaatsen, problemen heeft opgeleverd, onder andere omdat: (1) de operationele referentiestructuur (die van 1995) niet dezelfde was als deze van mei 1998, toen er reeds een personeelstekort van 10 % in het middenkader was; (2) 350 personen reeds taken van gerechtelijke politie uitoefenden vergelijkbaar met deze van de bewakings- en opsporingsbrigades (BOB); (3) er op sommige plaatsen rampzalige situaties heersten als gevolg van meningsverschillen tussen de burgemeester en de politieambtenaren; (4) sommige brigades niet de volledige zone dekten; (5) de federale politie niet enkel haar toenmalige totale tekort diende op te vullen, maar ook verplicht was 7 539 politieambtenaren te leveren aan de zones, zoals voorzien in de politieke akkoorden met betrekking tot de hervorming.
17.1.4. Human resources management
Het niet altijd even georganiseerde aspect van sommige componenten van de lokale politie, in het begin van de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap, maakte dat weinig kandidaten zich aangetrokken voelden, en zeker geen kandidaten die gewoon waren aan een sterk gestructureerde organisatie. Men moet er zich ook van bewust zijn dat, op middellange termijn, ook rekening zal moeten worden gehouden met de carrièremogelijkheden van de voormalige statutaire officieren overeenkomstig de oude statuten -, meer bepaald universitairen (die vaak geen hoofdcommissaris zijn) die de rangen van de lokale politie vervoegen. Dezelfde opmerking geldt voor de leden van de voormalige gerechtelijke politie die werden geïntegreerd in de federale politie.
Op verschillende plaatsen en tijdens verscheidene gesprekken hebben we jammer genoeg meer dan eens kunnen vaststellen dat er, zelfs in de grootste korpsen, slechts weinig leidinggevenden, die soms tot de hoogste echelons van de lokale politie behoorden, in staat waren een visie te ontwikkelen en hierbij voldoende abstractievermogen aan de dag te leggen. De hervorming heeft geleid tot een toename van het aantal officieren van alle soorten en origine. Vaak zijn het terreinmensen van goede wil, beschikbaar en met operationele ervaring, maar die soms moeilijkheden ondervinden op het vlak van de concepten en van de projecten, weze het zelfs op het organisatorische vlak.
Voor de korpschefs van de lokale politie is het nog steeds moeilijk om vers bloed binnen te halen via de rekrutering van kaderleden, meer bepaald universitairen. Nochtans zijn zij sinds 1980-1985 vragende partij om universitairen aan te werven. Men kan evenmin om de nefaste gevolgen heen van het te grote aantal gefrustreerde, jaloerse of ontgoochelde politieambtenaren, zowel anciens als nieuwelingen. Zo beschikt een korpschef van een middelgrote zone slechts over drie «echte» niveaus 1, wat hij onvoldoende acht op conceptueel en beleidsmatig vlak. Hij heeft bijgevolg geprobeerd universitairen aan te werven als burgerpersoneel: 1 psycholoog, 1 criminoloog, 1 jurist en 1 licentiaat in human resources management. Hij is niet de enige die deze stap heeft gezet. Een dergelijke aanpak heeft een zekere aantrekkingskracht en biedt ongetwijfeld een aantal voordelen voor het toekomstige politielandschap.
In een zeker aantal korpsen is er een vrij hoge absenteïsmegraad. Zonder hieruit een algemene conclusie te kunnen trekken, kunnen we wel stellen dat er zich meer gevallen van absenteïsme hebben voorgedaan na de inplaatsstelling van het nieuwe politie landschap, en dit in verscheidene politiezones.
17.1.5. Administratief beheer
In de meeste politiezones is men de richtlijnen die in het verleden werden gegeven al vergeten en in sommige gevallen stemmen de vroegere procedures niet noodzakelijk meer overeen met de nieuwe beleidsfilosofie. Uit de antwoorden op gerichte vragen van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten blijkt dat de huidige verantwoordelijken zich daar ook rekenschap van geven en treffen ze ook de noodzakelijke maatregelen. Het onderzoek naar de wijze waarop wapens en munitie worden bewaard bij de politiediensten is in dit kader zeer illustratief.
17.1.6. Functie van intern toezicht
De ontwikkeling van systemen voor intern toezicht behoort niet altijd tot de prioriteiten. Zo heeft één van de verantwoordelijken die we hebben ontmoet, ons toevertrouwd dat hij elke keer hij daartoe de kans had, controles heeft uitgevoerd, maar dat hij niet beschikt over een georganiseerd controlesysteem dat hem redelijkerwijs in staat stelt te beweren dat zijn zone behoorlijk functioneert. Hij is niet de enige. Wij hebben dit meermaals vastgesteld, ook tijdens het onderzoek naar de steun van het federale niveau aan het lokale niveau en naar de capaciteitsproblematiek in het arrondissement Brussel-Hoofdstad, alsook naar aanleiding van de thematische of opvolgingsonderzoeken. De eerste gegevens die werden ingezameld in het kader van het onderzoek naar de functie 'intern toezicht' wijzen ook in die richting. Dat er geen formeel controlesysteem bestaat, betekent evenwel niet noodzakelijk dat er geen behoorlijk toezicht wordt uitgeoefend op de diensten. Wij komen op deze problematiek terug in ons toezichtsonderzoek naar de functie 'intern toezicht'.
17.2. Federale politie
17.2.1. Audit van Price Waterhouse Coopers over de werking van de federale politie
De resultaten van de audit die in 2001 werd uitgevoerd door Price Waterhouse Coopers (PWC) van de federale politie werden begin februari 2002 door de minister van Binnenlandse Zaken voorgesteld: «Niet om de aandacht te vestigen op de disfuncties maar als hulpmiddel voor de algemene directies van de federale politie en haar politieke verantwoordelijken». Deze doorlichting had tot doel na te gaan of de hiërarchie van de federale politie de doelstellingen van de hervorming voldoende had omgezet in strategieën en actieplannen.
Positief punt uit de audit is dat het meerjarenplan opgesteld door de federale politie voorziet dat zo veel mogelijk administratieve functies, die vroeger werden vervuld door politie-personeel, zullen worden verzekerd door administratief personeel. De audit onderstreept ook dat heel wat initiatieven werden genomen met het oog op de integratie en de steun aan de lokale politie. Een ander positief punt is dat de continuïteit gewaarborgd werd, wat, terecht, een belangrijke doelstelling was in 2001.
Wat de «visie» en de «missie» van de federale politie betreft, stelt PWC vast dat «strategische en operationele plannen zijn opgesteld maar dat deze onvoldoende coherent en geloofwaardig zijn en inhoudelijk niet diepgaand genoeg. De huidige teams hebben geen precieze en meetbare doelstellingen die hen in staat stellen te bepalen welke richting ze moeten inslaan om het gewenste prestatievermogen te behouden». Enkel de continuïteit van de dienstverlening is gewaarborgd, maar via een omweg: «de opvolgingsprocedures en -mechanismen die vroeger niet bestonden, worden vandaag niet als prioriteit beschouwd». De audit legt eveneens de nadruk op de afwezigheid van prestatiemetingen, met daarbovenop «de totale afwezigheid van verbanden tussen de doelstellingen en/of activiteiten enerzijds en de werkings- en investeringskosten anderzijds».
De samensmelting van de voormalige korpsen lijkt soms de burger naar de achtergrond te hebben verdrongen: «de analyse van het cultuurverschil is te vaak hoofdzakelijk toegespitst op de mentaliteitsverschillen en niet op de strategische doelstellingen die werden bepaald voor de overgangsfase. Tegenover de subgroepen en diverse statuten, werd de communicatie versnipperd om te vermijden dat men zou terechtkomen in een zogenaamde 'premiecultuur"', volgens PWC.
De nieuwe omschrijving van de coördinerende rol van de commissaris-generaal enerzijds en de autonomie van de algemene directies anderzijds lijken, in de praktijk, soms verkeerd te worden begrepen of toegepast. Ook op dit vlak dienen een aantal keuzes te worden gemaakt en preciseringen aangebracht. In vele gevallen is er geen verantwoordingsproces [ 101 ] . De situatie inzake de strijd tegen het terrorisme, zoals soms te snel en soms zonder grondige analyse aangeklaagd, meer bepaald door Sypol, is een ander voorbeeld van deze problematiek. Het Comité heeft bovendien hierover een bijzonder verslag gericht aan zijn Parlementaire begeleidingscommissie, aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie, aan het College van procureurs-generaal, aan de federale procureur en aan verschillende andere overheden.
17.2.2. Bestuurlijke directeur-coördinator
Er dient te worden opgemerkt dat men vaak geen duidelijk beeld heeft van het beleid van de bestuurlijke directeur-coördinator (DirCo) en van de strategische doelstellingen van de gedeconcentreerde dienst. Zeer weinig zonechefs weten precies waarvoor de bestuurlijke directeur-coördinator dient. Voor hen beperkt zijn rol zich tot het beheer van de gehypothekeerde capaciteit of enkele bovenlokale operaties.
Men had kunnen veronderstellen dat de algemene directie van de bestuurlijke politie voor de bestuurlijke directeurs-coördinators een strategisch plan 2002/2003 zou hebben opgesteld dat aansloot bij het nationaal veiligheidsplan, maar dit was niet het geval. Sommige dirco's voelden zich, naar eigen zeggen, als het ware in de steek gelaten door de algemene directie en hebben dan maar naar eigen inzicht gestalte gegeven aan hun opdrachten. De verhoudingen tussen de bestuurlijke directeur-coördinator en de gerechtelijke directeur verschillen ook sterk van plaats tot plaats. In het kader van het onderzoek naar de steunverlening van de federale politie aan de lokale politie zal de werking van de coördinatie- en steundienst arrondissement uiteraard verder aan bod komen.
Dit - voorlopige - gebrek aan duidelijkheid staat haaks op de belangrijke rol die dat echelon te vervullen heeft, onder meer in het kader van de informatiedoorstroming inzake bestuurlijke politie, te meer daar deze nu in belangrijke mate toekomt aan de lokale politie en de 'infoafdelingen' van de voormalige bewakings- en opsporingsbrigades hun activiteiten lijken afgebouwd te hebben. De verandering van het politielandschap maakt dat het volledige luik «discipline 3», met name het politieluik in de planning van noodsituaties en rampenplannen, moet worden geüpdatet. Hoewel zo'n plan meestal een gemeentelijk interventieplan blijft, zal de burgemeester, verantwoordelijk voor rampen van niveau 2, kunnen overgaan tot het inzetten van de effectieven van een politiezone. Ook inzake strategische analyse heeft de DirCo een rol te vervullen, waarbij erop dient toegezien dat deze capaciteit niet uitsluitend ten behoeve van de gerechtelijke directeur wordt aangewend.
De DirCo kan ook een bijzonder belangrijke link zijn in gemengde dispositieven. Zo was er ten tijde van de Beleurtop nog geen zonechef. Er werd beslist de operationele leiding toe te vertrouwen aan de hoofdcommissaris van de gemeentepolitie van Brussel, volgens de geest van de wet, maar zonder dat hierover overeenstemming was bereikt tussen alle betrokken burgemeesters en zonder wezenlijke tussenkomst van de bevoegde minister op basis van de wet. Men kan zich niettemin vragen stellen bij de aard van deze gebeurtenis die duidelijk bovenlokaal was, net zoals men vragen kan stellen bij sommige latere akkoorden die werden afgesloten tussen een aantal burgemeesters of hun vertegenwoordigers.
De verhoudingen bestuurlijke directeur-coördinator-gerechtelijke directeur zijn bijzonder belangrijk. Krachtens de nieuwe wet op de geïntegreerde politie, werken de bestuurlijke directeur-coördinator en de gerechtelijke directeur volledig samen. Ze leiden samen een arrondissementeel informatiekruispunt, de ene wat de aspecten van bestuurlijke politie betreft en de andere voor de aspecten van gerechtelijke politie. Ze kunnen rekenen op de hulp van een gezamenlijk secretariaat, dat alle ondersteunende en administratieve functies vervult, alsook instaat voor het personeelsbeheer, de opvolging van de begroting, de logistieke opvolging, enz.
17.2.3. Gerechtelijke directeur
Krachtens artikel 105 van de wet op de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, voert de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst de gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie uit die hem overeenkomstig artikel 5, tweede en derde lid, van de wet op het politieambt zijn toevertrouwd. Deze bepaling verleent de minister van Justitie de bevoegdheid om de opdrachten van gerechtelijke politie te verdelen tussen de lokale politiekorpsen en de federale politie en dit, overeenkomstig het specialiteits- en subsidiariteitsprincipe. De gedeconcentreerde gerechtelijke dienst wordt geleid door een directeur: deze gerechtelijke directeur handelt conform de bevelen, onderrichtingen en richtlijnen vanwege de directeur-generaal van de algemene directie gerechtelijke politie [ 102 ] . Hij leidt en organiseert zijn dienst en coördineert de uitvoering van die opdrachten door de leden van zijn dienst. Hij is er ook toe gehouden zijn activiteiten af te stemmen op die van de bestuurlijke directeur-coördinator. De wet voorziet niet in een hiërarchisch verband tussen de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst en de gerechtelijke overheden, in tegenstelling tot de verhouding die bestond tussen de gerechtelijke politie bij de parketten en de procureur des Konings. Bovendien voorziet de wet geen mechanismen dat de rechterlijke macht in staat stelt betrokken te zijn bij de werking van de dienst, zowel wat de interne organisatie betreft als op het vlak van zijn prioriteiten. In dit opzicht dient ook te worden opgemerkt dat de directeur van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst geen deel uitmaakt van de zonale veiligheidsraad en dat de wet geen arbitragemechanisme heeft voorzien voor het geval dat niet aan alle vorderingen tegelijkertijd kan worden voldaan.
Artikel 160, tot invoeging van artikel 8/7 in de wet op het politieambt, lijkt immers enkel betrekking te hebben op de gespecialiseerde opdrachten van gerechtelijke politie die zijn toevertrouwd aan de algemene directie van de gerechtelijke politie. Dit artikel voert een mechanisme in om een beslissing te nemen in de gevallen waarin de vorderingen van verschillende gerechtelijke overheden onmogelijk gelijktijdig kunnen worden uitgevoerd. Het komt de federale procureur aangesteld bij de algemene directie van de gerechtelijke politie toe, na overleg met de directeur-generaal van deze algemene directie, te bepalen aan welke vordering bij voorrang gevolg wordt gegeven [ 103 ] .
Om de coördinatie van de opdrachten van gerechtelijke politie tussen het lokale en het federale niveau te verzekeren, voorziet de wet in de detachering van één of meer verbindingsambtenaren van de gedeconcentreerde gerechtelijke dienst bij één of meer lokale politiekorpsen. Zij voeren een verbindingsopdracht uit en oefenen geen enkel hiërarchisch gezag uit over de leden van de lokale politiedienst waar ze zijn gedetacheerd. Hoewel zij slechts geleidelijk aan in plaats werden gesteld, vervullen zij een belangrijke rol in het integratieproces. Deze verbindingsambtenaren verzekeren de ondersteuning van de opsporingsdiensten van de lokale politiekorpsen. De memorie van toelichting verduidelijkt dit begrip niet. Bovendien rijst de vraag of deze ondersteuning enkel kan worden geleverd op initiatief van de directeur van de gerechtelijke dienst dan wel of om deze ondersteuning, indien nodig op dwingende wijze, kan worden verzocht door een lokale politiedienst of een magistraat. Wij mogen evenmin uit het oog verliezen dat de gedeconcentreerde gerechtelijke diensten in bijkomende orde ook gespecialiseerde opdrachten van bestuurlijke politie uitvoeren.
Hieronder wordt verstaan de inzameling van informatie die de openbare orde zou kunnen betreffen [ 104 ] . Op sommige plaatsen worden deze taken echter niet altijd ten volle vervuld, meer bepaald wanneer informatie moet worden ingezameld ten bate van andere politiezones.
Wat dit punt betreft, kan alleen maar vastgesteld worden dat de betrekkingen tussen de directeur-generaal van de gerechtelijke politie en de gerechtelijke directeurs blijkbaar onvoldoende duidelijk zijn, althans, dat niet alle gerechtelijke directeurs de betrekkingen met hun directeurgeneraal op dezelfde wijze invullen. In hoofdzaak is het twistpunt het al dan niet hiërarchisch gezag dat de directeur-generaal heeft over zijn gerechtelijke directeurs. Een strikt juridische interpretatie levert-volgens sommigen mogelijks een negatief antwoord op; anderzijds staat een dergelijk interpretatie haaks op de verantwoordelijkheden die de directeur-generaal heeft, onder meer inzake het realiseren van het nationaal veiligheidsplan. Het komt het Vast Comité P voor dat juridisme in deze materie niet van aard is om de met het Octopusakkoord beoogde finaliteiten te bereiken.
In tegenstelling tot wat aanvankelijk gedacht werd, heeft de integratie van de leden van de voormalige bewakings en opsporingsbrigades en van de vroegere gerechtelijke politie bij de parketten blijkbaar tot niet zoveel - althans niet zichtbaar - problemen geleid. De samenwerking tussen de verschillende gerechtelijke diensten arrondissement (GDA) en de centrale diensten verloopt in de meeste gevallen vlot, niettegenstaande er af en toe een zekere spanning of concurrentie heerst. Meermaals werd de nadruk gelegd op de uitstekende verhoudingen met de directie van de bestrijding van de criminaliteit tegen goederen, bijvoorbeeld inzake 'targetting'. De relaties met de bijzondere eenheden waren eveneens over het algemeen zeer goed en talrijk, ook al maakt het 'Mammoetbesluit' sommige zaken moeilijker.
17.2.4. Relatie lokale politie - federale politie
Er werden verschillende maatregelen getroffen om het werk van de lokale politiekorpsen te verlichten zoals voorzien in het verlengde van de «Octopusakkoorden» en van de wet van 7 december 1998: de Ecofin-opdrachten zuIlen voorlopig verder worden uitgevoerd door de federale politie; de component van de federale politie die instaat voor de functionaliteit 'spoorwegpolitie' zal aanzienlijk worden versterkt om de politiefunctie te waarborgen in de stations die te kampen hebben met veiligheidsproblemen [ 105 ] . Er werd een tiental risicostations geïdentificeerd en er zijn 120 bijkomende agenten voorzien. Vermeldenswaardig is ook de oprichting op korte termijn van een korps voor de overbrenging van gevangenen en de veiligheid in de gerechtsgebouwen, waarvoor ongeveer 500 personen zijn voorzien [ i 44 ]
Er werd een Vaste begeleidingscommissie opgericht, die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de federale overheid en van de Steden en Gemeenten. Deze commissie moet alle nieuwe opdrachten evalueren wat de kostprijs en de doorberekening betreft en toezien op het behoud van het evenwicht dat werd overeengekomen tussen de lokale en de federale component [ 106 ] van de geïntegreerde politie.
Een richtlijn van 26 februari 2002 handelt over de taakverdeling tussen de lokale politie en de federale politie op het vlak van de opdrachten van gerechtelijke politie. Ze raakt niet aan het specialiteits- en subsidiariteitsprincipe: «alle gerechtelijke opdrachten waarvoor de interventie van een gespecialiseerde politiedienst niet is vereist, kunnen met andere woorden worden toevertrouwd aan de lokale politiekorpsen. De ingewikkeldste onderzoeken, de onderzoeken die meerdere gerechtelijke arrondissementen beslaan en de onderzoeken waarvoor gespecialiseerde onderzoeksdaden nodig zijn, vereisen de interventie van de federale politie. Zo bijvoorbeeld onderzoeken in het kader van de georganiseerde misdaad, het terrorisme of smokkel op grote schaal, gespecialiseerde vormen van vermogensanalyse en operationele analyse, onderzoeken waarin een beroep wordt gedaan op bijzondere opsporingstechnieken, onderzoeksdaden tegenover advocaten, notarissen en gerechtsdeurwaarders».
Maar in het algemeen beklaagt het lokale niveau zich erover dat het federale niveau zich niet erg bewust lijkt te zijn van de problemen van het lokale niveau. Het federale niveau luistert niet genoeg naar het lokale, biedt onvoldoende hulp en steun aan. Men kan eveneens vaststellen dat het federale niveau moeilijkheden ondervindt om te voldoen aan de vragen van het lokale. Volgens verschillende personen die we hebben ontmoet, geeft het federale niveau dan een verschillende interpretatie aan wat de verantwoordelijken van het lokale niveau zeggen of denken. Anderzijds zouden klassieke antwoorden van het federale niveau zijn «we zijn op dit ogenblik juist bezig na te denken over de gestelde vragen» en «u kunt het antwoord, met instemming van de autoriteiten, dus zeer binnenkort verwachten». Sommige lokale chefs vragen zich ook af in welke mate de Vaste Commissie van de lokale politie (gemeentepolitie) zich nog goed bewust is van de volledige politierealiteit. Ze betreuren ook dat de wetteksten worden gepubliceerd zonder advies van de Adviesraad voor burgemeesters en dat het beveiligingssysteem dat via deze raad werd ingebouwd, dus niet werkt.
De contacten die we nog hebben gehad in december 2002 en de laatst verrichte nazichten stemmen ons hoopvol voor de toekomst, meer bepaald op het vlak van ondersteuning: sinds eind 2001 en in 2002 konden we vaststellen dat er een nieuw steunaanbod en nieuwe procedures werden ingevoerd. In het begin beoogde het steunaanbod logischerwijs vooral de integratie van de personeelsleden van de federale politie die van de brigades naar de lokale politie overgingen: (1) begeleiding van het dossier; (2) schiften van de tuchtrechtelijke dossiers want er stonden nog zaken in die er niet meer mochten in voorkomen; (3) logistieke steun; (4) vermogensoverdracht van de inboedel van de gebouwen van de voormalige rijkswachtbrigades. Er zijn ook nieuwe processen voor operationele ondersteuning en niet-operationele ondersteuning want we gaan meer en meer in de richting van een geplande steun door de federale politie.
Op sommige plaatsen doen zich specifieke problemen voor, o.a. inzake de politie over het vervoer (metro en station) in het arrondissement Brussel-Hoofdstad, waarbij men zich kan afvragen of het echt nodig was dat de federale politie instond voor wat zich ondergronds afspeelt en de lokale politie voor het bovengrondse. In de praktijk zijn de twee niveau's nauw met elkaar verbonden, criminaliteit kent immers geen grenzen: iemand begaat een misdrijf in het metrostation en loopt naar buiten of omgekeerd. Wat geldt voor de metro, geldt ook voor de stations. Uit de ons meegedeelde informatie kunnen we afleiden dat 62 % van de diefstallen en de diefstallen met geweld in Sint-Gillis worden gepleegd binnen een straal van 500 meter rond het station [ 107 ] .
Het vraagstuk van de taakverdeling tussen de federale politie en de lokale politie moet in principe tegen eind 2003 worden geëvalueerd. Ook dit is een niet te miskennen aspect van de inzet van de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap. Zo stelt de Senaat vast dat «er is een finale bespreking nodig over de overname door het lokaal niveau van federale taken” [ 108 ] . De Senaat vraagt de minister bovendien «een mechanisme uit te werken om de werklast die naar de lokale politie is verplaatst, op het federale niveau te compenseren» [ 109 ] .
17.3. Grote steden
Op 19 maart 2002, naar aanleiding van een bezoek van de eerste minister - vergezeld van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie - aan Charleroi werd beslist de bijkomende steun die was toegezegd door het departement Binnenlandse Zaken met één jaar te verlengen: het was niet de eerste maal dat een gelijkaardige beslissing werd getroffen en evenmin de eerste keer dat een stad bijzondere maatregelen of middelen werden toegewezen. Bovendien heeft de regering aangekondigd een reeks bijkomende maatregelen te zullen treffen, niet enkel ten bate van Charleroi, maar ook van andere grote steden zoals Antwerpen, Brussel, Gent en Luik. In dit opzicht zullen de criminaliteitsstatistieken een belangrijke rol spelen in de financiering van de zones. De KUL-norm, de basis van de federale dotatie, zou moeten worden herzien aangezien er bij het opstellen van deze norm geen rekening werd gehouden met deze vijf steden. Deze steden ontvingen bijgevolg een federale dotatie in functie van hun begincapaciteit. De nieuwe berekening op basis van de criminaliteitscijfers zou moeten resulteren in een «nieuwe», misschien hogere, norm en dus in een hogere federale dotatie. Charleroi krijgt ook de garantie dat de aanzienlijke federale inspanningen op het vlak van de veiligheids- en preventiecontracten de komende jaren zullen worden voortgezet. Dergelijke aanpak lijkt aangewezen omdat er op het vlak van «veiligheid», naast de geïntegreerde politie en de politieambtenaren die er deel van uitmaken ook andere actoren een rol spelen.
In het vroegere systeem waren de grote steden een verplicht tussenstation voor alle nieuwkomers, zowel bij de voormalige rijkswacht als in de grote korpsen van de voormalige gemeentepolitie. Tegenwoordig lijkt er een leegloop aan de gang voornamelijk in Brussel, daar waar in steden zoals Antwerpen en Luik deze vlucht naar rustiger oorden uitblijft [ 110 ] . In de verschillende zones van het arrondissement Brussel-Hoofdstad zou er een ernstig tekort aan effectieven zijn gezien de (nog) geringe aantrekkingskracht van Brussel door de verplichte tweetaligheid en de moeilijke opdrachten in een grootstad. Er zijn genoeg redenen om het werk in een landelijke zone of in een middelgrote stad te verkiezen boven het werk in een grootstad. Momenteel is er in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op een theoretisch kader van 5400 personen een tekort van 900 personeelsleden. In het kader van de mobiliteit wensen veel politieambtenaren bovendien de Brusselse zones te verlaten en hebben slechts weinigen belangstelling voor een functie in de hoofdstad [ 111 ] . Maar heeft men zich wel de vraag gesteld of er iets fundamenteel is gewijzigd ten opzichte van vroeger (voor zover de compensatiemechanismen op nationaal vlak zoals die waren voorzien in de rijkswachtstructuur niet zouden hebben bestaan). Overschat men ook niet het belang van sommige problemen - die precies te maken hebben met de eerste mobiliteitswijzigingen in de lokale component van de politie - en die, in principe, redelijk snel zullen afnemen zodra de andere zones zijn verzadigd, zelfs indien de Brusselse zones a priori een grotere turnover zullen kennen dan de andere zones?
De onderhandelingen tussen de federale regering en de zes Brusselse politiezones waren een eerste aanzet tot een meer permanente oplossing. In het kader van het samenwerkingsakkoord tussen de federale staat en het Brusselse Gewest zal dit gewest vanaf 2004 jaarlijks een geïndexeerde begroting van 25 miljoen euro krijgen om te kunnen voldoen aan de specificiteiten die dit gewest onderscheiden van andere Belgische politiezones. Deze 'Brusselse specificiteit' (en later ook een 'grootstedelijke specificiteit') zal beter moeten worden gedefinieerd, alsook alle gevolgen daarvan, meer bepaald de financiële, en de nodige verificaties zullen moeten worden verricht. Hoewel de aanwerving van hulpagenten is gedecentraliseerd en van het federale naar het regionale niveau is gegaan, mag men de kwaliteits- en bekwaamheidsvereisten waarover deze personen dienen te beschikken niet uit het oog verliezen [ 112 ] . Een overgangssysteem zou een snellere overstap van de hulpagenten naar het basiskader mogelijk moeten maken, maar met behoud van de eis over professioneel personeel te beschikken dat een kwaliteitsvolle dienstverlening kan bieden aan de bevolking.
Geregeld merken verantwoordelijken van de grote steden op dat wanneer men de politie doeltreffender wil maken, men het parket niet mag vergeten; beide instellingen zijn namelijk onlosmakelijk met elkaar verbonden. Het is bijgevolg noodzakelijk de gerechtelijke arm net zo efficiënt te maken.
Het zal ongetwijfeld wat tijd vragen vooraleer de aanbevolen maatregelen vruchten afwerpen. Bijgevolg zal het van belang zijn hun effectiviteit te meten door na te gaan of deze maatregelen erin slagen politieambtenaren aan te trekken en vooral of ze de politieambtenaren in de hoofdstad kunnen houden. Indien de tendens van «stadsvlucht» zou aanhouden, zullen de gevolgen zich zeker laten voelen op het vlak van effectiviteit van de politieorganisatie.
18. Systemen
18.1. Reglementering, omzendbrieven, richtlijnen, enz
Uit de audit van PWC blijkt ook dat" La naissance de la police intégrée se serait, selon certains, accompagnée d'un coup de folie réglementaire ». Dit zou al te veel tijd in beslag nemen, tijd die bijgevolg niet kan worden besteed aan het echte werk. We moeten, net als de minister van Binnenlandse Zaken, erkennen dat de politiehervorming één enorme «bouwwerf» is. Het aantal op te stellen teksten is niet vreemd aan de ingewikkelde structuur van de opbouw van de geïntegreerde politie. De omzendbrieven richten zich evenwel in de eerste plaats tot de lokale overheden en niet tot de politieambtenaren. Bovendien zijn in deze omzendbrieven richtlijnen uit het verleden opgenomen (soms in een andere vorm; soms slechts voor een deel van de structuur; soms heeft men enkel de letter van de richtlijnen aangepast en de geest van vroeger bewaard). Veel omzendbrieven zijn bovendien slechts tijdelijk van kracht en waren enkel noodzakelijk voor de eigenlijke inplaatsstelling van de lokale korpsen [ 113 ] . De minister merkt, ongetwijfeld terecht, op dat indien er geen omzendbrieven waren, men hem waarschijnlijk zou verwijten dat hij te weinig informatie verspreidt, of dat de toepassing ervan niet gecoördineerd verloopt, of dat de politieambtenaren zelf de regels naar eigen goeddunken zouden kunnen interpreteren, of nog dat de toepassing van de regels niet transparant is.
Deze richtlijnen zouden niettemin kunnen worden gesystematiseerd en gecoördineerd in het verlengde van de globale evaluatie van de politiehervorming - en dus ook van de graad van integratie ervan - die is voorzien voor september 2003.
Zou men zich evenwel niet moeten afvragen of een reglementering, een richtlijn geen betrekking dient te hebben op fundamentele zaken: op wat echt dient te gebeuren? Zou het overige niet moeten worden behandeld tijdens opleidingen, zowel basis- als permanente of voortgezette opleidingen?
18.2. Gehypothekeerde capaciteit [ i45 ]
Zoals vermeld in de Octopusakkoorden en later vertaald in de wet, oefent de lokale politie, naast haar opdrachten van basispolitie ook, geheel of gedeeltelijk, de opdrachten uit die de territoriale brigades van de federale politie uitvoerden voor rekening van het federale niveau. Enerzijds dienen op lokaal niveau opdrachten van federale aard te worden uitgevoerd. Anderzijds moet versterking worden geboden wanneer in een andere zone het dispositief van de lokale of de federale politie niet volstaat om een bepaalde gebeurtenis te beheersen. Het systeem zoals beoogd in omzendbrief MFO-2 heeft betrekking op opdrachten van bestuurlijke politie die dienen te worden uitgevoerd op het grondgebied van een andere zone. Slechts in deze omstandigheden kan de hypotheek die op een zone rust worden verminderd. De federale opdrachten in de eigen zone hebben niets te maken met de gehypothekeerde capaciteit en zijn dus niet het voorwerp van deze omzendbrief. Men kan zich echter vragen stellen bij de relevantie van een dergelijke aanpak, meer bepaald in het licht van bepaalde lokale specificiteiten. Concreet luidde het principe van de gehypothekeerde capaciteit als volgt: aangezien er 7539 rijkswachters zijn overgegaan naar het lokale niveau, lijkt het op het eerste gezicht logisch dat een deel van hen een opdracht blijft vervullen op het vlak van orderhandhaving, te meer daar de handhaving en het herstel van de openbare orde vooreerst een verantwoordelijkheid van de lokale overheden is.
De gehypothekeerde capaciteit zou eind 2002 minder dan 1,5 % van de totale capaciteit van een politiekorps hebben vertegenwoordigd. Deze capaciteit wordt gecoördineerd door de Directie van de operaties en de informatie inzake bestuurlijke politie (DAO). Het systeem van de gehypothekeerde capaciteit maakt een berekening van de kredietlijn uren/manschappen op basis van een organiek kader, dat volgens sommigen willekeurig is vastgelegd. De kritiek die hierop wordt geformuleerd is allerhande: (1) het organiek referentiekader is een theoretisch kader en is niet gebaseerd op het werkelijke effectief; (2) de mobilisatietermijn (24 uur) maakt het beheer van de gebeurtenis erg onzeker in afwachting van de komst van versterking: (3) er zijn nog slechts twee secties beschikbaar bij de Directie van de algemene reserve; (4) de beheerder van de situatie of de 'crisismanager' weet niet exact over hoeveel manschappen hij beschikt totdat ze ter plaatse aankomen en, zoals in elk systeem, hangt alles vaak af 'van goede wil'.
Bovendien wordt het concept van de gehypothekeerde capaciteit vaak in twijfel getrokken door de burgemeesters en de zonechefs, die van mening zijn dat de operaties van ordehandhaving worden uitgevoerd ten bate van het federale niveau en niets bijbrengen op lokaal niveau, wel het tegendeel. Wij herinneren er niettemin aan dat deze operaties vaak behoren tot de bevoegdheid van de burgemeester en ipso facto betrekking hebben op alle burgers die op zijn grondgebied aanwezig zijn.
Wat de laterale steun betreft, beweren sommigen dat dit slechts een illusie is aangezien de zones (gemeenten) - over het algemeen - het niet met elkaar eens zouden zijn over de oplossing van de problemen eigen aan elke zone (van gemeente tot gemeente). Indien dit probleem algemeen verspreid zou blijken te zijn, kan het zwaar wegen op de werking van de gehypothekeerde capaciteit.
Aangezien de zones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest tweetalig zijn, is het volgens sommigen makkelijker een beroep te doen op deze zones. Toch spreken de cijfers waarover wij beschikten om onze analyse uit te voeren deze stelling tegen: de kredietlijn van deze zones lag, op het ogenblik van onze studie, opmerkelijk lager dan deze van een andere grote stad zoals Antwerpen (respectievelijk 15,88 % tegenover 39,5 %).
In dit verband dienen we ook te melden dat er in sommige gevallen ook sprake is van slechte wil, zoals blijkt uit een getuigenis van één van de verantwoordelijken die wij hebben ontmoet: "We hadden hen een peloton gevraagd, dat was allang gepland. Uit principe werd beslist slechts drie secties te sturen, niettegenstaande de effectieven beschikbaar waren. Uiteindelijk kwamen slechts twee secties ter plaatse, omdat er zieken waren! En dan stuurt men snel een derde». Dit is helaas geen alleenstaand geval. Wij hebben dit soort verhalen meermaals opgevangen en konden dit ook nagaan via de klachten en protestbrieven die we ontvingen. Door een dergelijke houding aan te nemen, nemen sommigen een loopje met de operationele verantwoordelijkheid van de commandant ter plaatse. Het spreekt voor zich dat zo'n mentaliteit de zaken er niet makkelijker op maakt en meer nog getuigt van een miskenning van één van de grondslagen van de hervorming. Het Vast Comité P overweegt terzake opnieuw nazicht te verrichten.
Er doen zich eveneens problemen voor op het vlak van het beheer van de gebeurtenissen. Sinds het Mammoetbesluit is het nodig de prestaties van het personeel beter vooraf te plannen. De Directie van de operaties heeft daartoe een instrument ontwikkeld, dat nu stilaan begint te draaien. De bedoeling was, om in een eerste fase, twee weken vooraf te kunnen plannen. Nu probeert men deze planningstermijn op te trekken tot drie weken.
Volgens de Senaat, ”moet de circulaire waarin men de gehypotheceerde capaciteit berekent volledig worden herzien met behoud van voldoende effectief voor het garanderen van de algemene openbare veiligheid in alle gevallen” [ 114 ] . De wederzijdse bijstandsregeling tussen lokaal en federaal niveau moet verder worden verfijnd [ 115 ] , net als de bijstand van lokaal aan lokaal niveau. Kortom, dit is de kern van het probleem van de delicate samenwerking tussen de verschillende niveaus die moet worden aangepast, verfijnd, gevormd. De wet van 7 december 1998 wenst een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus in plaats te stellen en geen waaier van politiediensten die naast elkaar bestaan, zoals in het verleden het geval was.
18.3. Toezicht
Op 19 april 2002 is in het Belgisch Staatsblad het samenwerkingsakkoord tussen de federale staat en de Gewesten gepubliceerd, dat mechanismen beoogt te creëren die een effectieve dialoog mogelijk maken tussen de verschillende overheden bevoegd voor de uitoefening van het toezicht op de beslissingen van de overheden van politiezones bestaande uit één of meerdere gemeenten [ 116 ] . Dit is een zeer ingewikkelde toezichtstructuur en kan een enorme belasting zijn voor de politiezones.
19. Personeel
19.1. Statuut
Het opstellen van het statuut van de nieuwe politieambtenaren was een reusachtig werk. De beginsituaties waren immers erg talrijk en uiteenlopend. Men kan steeds kritiek uitoefenen maar het geleverde werk, dat ongetwijfeld voor verbetering vatbaar is, is onze aandacht waard en de verdiensten ervan mogen worden onderstreept.
De statuten werden vaak naar boven met elkaar in overeenstemming gebracht, waarbij, in de meeste gevallen, het beste uit elk statuut werd behouden. Was dit onvermijdelijk aan de vooravond van Euro 2000, de invoering van de euro en de nakende Eurotops op Belgisch grondgebied? Het bestaan van erg verschillende statuten speelde in het voordeel van de politieambtenaren. Dit zou een prima zaak kunnen zijn indien deze veranderingen werden vertaald in een «return» van de politieambtenaren. Er dient eveneens te worden opgemerkt dat vooral de meest strijdvaardige sociale categorie werd bevoordeeld, dit wil zeggen het midden-kader, dat goed was vertegenwoordigd tijdens de syndicale onderhandelingen. Uiteraard hebben er zich bepaalde problemen voorgedaan. Zo wenste de regering in november 2001 enkele punctuele kwesties van dit statuut te herzien, officieel om twee redenen: de arbeidstijd (opnieuw) versoepelen en - vooral - enkele besparingen doorvoeren die gedeeltelijk zouden kunnen zorgen voor de noodzakelijke aanvulling van de financiering van de start van de nieuwe lokale politie. Begin 2002 werden de protocollen 57 en 57bis afgesloten. Ze maakten het mogelijk het statuut financieel en operationeel bij te sturen en een einde te stellen aan een aantal excessen, zoals de fameuze baaldagen [ 117 ] .
Een ander onverwacht gevolg van de politiehervorming is het ontstaan van wat sommigen gemeenzaam een 'Mexicaans leger' noemen, met een spectaculaire toename van het aantal officieren, meer bepaald de zogenaamde hogere officieren. Een ander probleem betreft de carrière van jonge officieren, universitairen die verantwoordelijkheid dragen en terecht ambitie hebben bij de geïntegreerde politie. Wat zijn hun toekomstperspectieven? Hoe kan men ze overtuigen om nog lange tijd te buigen voor een zekere anciënniteit en soms ook specifieke «bekwaamheid» die daarmee gepaard gaat, terwijl men hen gedurende meer dan tien jaar andere vooruitzichten heeft voorgespiegeld? Kadert dit in de logica van het Copernicusplan?
19.2. Rekrutering, opleiding en intreding
Tegenwoordig is de politie één van de grootste werkgevers van het land. Sinds 1 april 2001, worden alle kandidaat-politieambtenaren op uniforme wijze en volgens gelijkvormige procedures geselecteerd: rekrutering, selectie en opleiding vormen voortaan één geïntegreerd geheel. Dit is één van de positieve gevolgen van de hervorming.
De federale politie kreeg nieuwe opdrachten inzake selectie, rekrutering en opleidingen. Toch rijzen er nog vragen: moet er een moraliteitsonderzoek worden gevoerd?; wat met de financiering van de opleidingen? Momenteel verzekert de federale politie de opleiding maar de lokale politie financiert de scholen niet meer, tenzij eventueel in natura. In zekere zin verliezen de voormalige regionale, provinciale scholen, enz. dus geld, terwijl de gemeenten er geld bij krijgen.
Naast de financiering zou men ook een debat moeten houden over de kwaliteit en de relevantie van de opleidingen die de geest van dienstverlening inherent aan elk politiewerk zijn.
Er werd kritiek geuit “de opleiding van de rijkswacht is afgezwakt van een operationele training naar een meer administratief gerichte vorming [ 118 ] ". De nadruk moet ook worden gelegd op een beleid van permanente en voortgezette opleiding, afgestemd op de specifieke noden van de lokale politiediensten; deze noden bestaan trouwens sinds lange tijd maar er werd haast nooit aan tegemoet gekomen.
De Senaat beveelt ook aan de aanwervingsprocedures te blijven verbeteren [ 119 ] . Met het oog op een politie die een betere afspiegeling is van de maatschappij, wordt bovendien aanbevolen aanzienlijke inspanningen te leveren om vrouwen en allochtonen aan te werven en hun meer promotiekansen te bieden [ 120 ] . In elk geval moet het politiepersoneel uiterst waakzaam zijn voor uitingen van discriminerend gedrag of racisme, zowel in de samenleving als in de eigen rangen, en dit op alle niveaus.
Het koninklijk besluit van 16 april 2002 heeft een reeks wijzigingen aangebracht aan de PJPol/Mammoet: (1) de rol van de burgemeester of voorzitter van het politiecollege in de plaatselijke selectiecommissie voor het ambt van korpschef en de andere mandaten wordt versterkt. Hij wordt aangesteld als voorzitter van deze commissie; (2) de gouverneur of de door hem aangewezen arrondissementscommissaris maakt deel uit van de plaatselijke selectiecommissies; (3) er wordt een proef van het type assessment center (oorspronkelijk voorzien in het kader van de primobenoemingen) toegevoegd aan de selectieprocedures voor het bekleden van een mandaat; (4) verscheidene ambten die niet kaderen in de filosofie van het mandaatstelsel worden geschrapt uit de lijst van de bij mandaat te begeven ambten.
19.3. Mobiliteit
Net als de andere punten van het statuut van de leden van de geïntegreerde politie werd de mobiliteit ontworpen als een integratiemechanisme. Dit nieuwe statuut biedt dus een mogelijkheid tot mobiliteit, niet enkel binnen elke component, maar ook tussen de lokale politie en de federale politie. De algemene mobiliteitsregels werden bepaald door het koninklijk besluit van 20 november 2001. Alle mobiliteitsbewegingen tussen lokale korpsen, van en naar de federale politie en tussen de algemene directies van de federale politie vinden plaats onder het gezag van de Directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer. De interne mobiliteit binnen een lokaal politiekorps of binnen een Directie van de federale politie blijft niettemin «interne keuken» en wordt dus in principe geregeld door de principes die werden bepaald door de korpschef of de commissaris-generaal.
Om een overzichtelijk geheel te behouden, werd een verplicht kader ingesteld, de mobiliteitscycli genaamd. Voor het jaar 2002 werden drie mobiliteitscycli geteld.
Om de continuïteit van het korps niet in het gedrang te brengen, zou normaal gezien per cyclus slechts 5 % van het organiek personeelskader open mogen worden gesteld voor mobiliteit. Hierover ondervraagd in de Commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Kamer, verduidelijkte de minister van Binnenlandse Zaken dat deze beperking zal worden afgeschaft zodra het huidige tekort aan aspirant-inspecteurs is weggewerkt. Het is immers meer dan waarschijnlijk dat de tijd inzake «capaciteit» en «mobiliteit» een aantal problemen zal oplossen.
19.4. Personeelskader
Er dient evenwel te worden opgemerkt dat er, in de eerste maanden van 2002, moeilijkheden zijn gerezen bij de invulling van het personeelskader. Aanvankelijk bestonden er twee visies inzake personeelsformatie: die van de federale politie die de territoriale groeperingen in de bestaande toestand wenste te behouden en die van de minister van Binnenlandse Zaken die een «tableau» wenste te creëren voor een nieuwe personeelsformatie voor de toekomst. Bij zo'n aanpak bestond het gevaar dat de federale politie de lokale politie zou bevoogden. Bijgevolg verliepen de gesprekken om de respectieve verwachtingen en noden te bepalen moeilijk, soms is de dialoog nog moeilijk.
De opwaardering van het administratief en logistiek kader is een echte uitdaging voor de toekomst. Het is zeer duidelijk de bedoeling de politieambtenaren te ontlasten van administratieve taken om hen in staat te stellen zich volledig toe te leggen op het echte politiewerk. «Het is niet functioneel en ook financieel niet verantwoord om goed opgeleide en dure politiecapaciteit in administratieve steunfuncties te houden wanneer ze daar geen absolute meerwaarde biedt voor de organisatie, [ 121 ] . Sommigen stelden een 'outsourcing' van bepaalde taken voor. Aanvankelijk moesten over een periode van tien jaar 1000 politiefuncties worden omgezet in burgerfuncties. Begin 2002 kwamen reeds 380 politieambtenaren in aanmerking om te worden herschoold binnen de organisatie.
Uit de audit van PWC bleek ook dat er te veel politiepersoneel administratieve taken diende te vervullen. Eind 2002 moest een evaluatie worden gemaakt om te bepalen of de norm kon worden gehaald. Indien dit niet het geval was, moest ze worden herzien teneinde beter overeen te stemmen met de realiteit [ 122 ] . Wij kennen de resultaten van deze evaluatie nog steeds niet.
Indien we realistisch willen blijven, moeten we toch toegeven dat het voor sommige politieambtenaren moeilijk zal zijn terug te keren naar het terrein. Zo bijvoorbeeld voor bepaalde politieambtenaren die gedurende jaren administratieve of logistieke taken hebben vervuld [ 123 ]. Bovendien zijn deze politieambtenaren vaak «de duursten», gezien hun graad (baremieke schaal) of hun anciënniteit. Het zou interessant zijn te beschikken over een cijferanalyse van dit fenomeen.
19.5. Operationele capaciteit
Eén van de hoofddoelstellingen van de hervorming was een optimale gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te waarborgen. De huidige capaciteit maakt dit echter nog niet altijd mogelijk.
In een zeker aantal gerechtelijke diensten arrondissement zouden de voornaamste moeilijkheden voortvloeien uit het gebrek aan capaciteit, terwijl het integratieproces zelf in de meeste gevallen vlot verlopen is. Het capaciteitsprobleem is ontegensprekelijk het meest verontrustende probleem, te meer daar de huidige situatie resultaten zouden opleveren die niet beantwoorden aan de verwachtingen die werden gecreëerd na de inplaatsstelling van zones met ruimere grondslag. Daarenboven zijn in sommige regio's de arbeidsomstandigheden erg gevaarlijk geworden: zo werd in Charleroi in één jaar tijd 27 keer geschoten op politieambtenaren, om nog maar te zwijgen van de bedreigingen die tegen hen werden geuit. Specifiek wat de gerechtelijke pijler betreft, hebben de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie beslist de Algemene directie van de gerechtelijke politie te verzoeken over te gaan tot een capaciteitsstudie.
Er dient bovendien te worden opgemerkt dat, te vaak, de capaciteit die in plaats wordt gesteld op het lokale niveau niet volstaat om het gerechtelijke deel van zijn werkzaamheden te kunnen beheren. Deze verminderde of onvolledige capaciteit kan ertoe leiden dat het lokale niveau permanent, voor alles en niets, een beroep moet doen op het federale niveau, wat op termijn het hele systeem kan ondermijnen. Ook de kwaliteit van het werk van het lokale niveau kan leiden tot disfuncties voor zover er, op sommige plaatsen, voor bepaalde van deze materies, automatisch zou worden doorverwezen naar het federale niveau. Bepaalde leden van bepaalde korpsen zouden nog steeds de wetten van 11 februari 1986 en van 5 augustus 1992 niet toepassen, meer bepaald inzake het opstellen van processen-verbaal.
Wat de lokale component van de geïntegreerde politie betreft, lijken verschillende getuigenissen, meer bepaald van burgemeesters, erop te wijzen dat de politieambtenaren vandaag minder zouden werken en toch meer zouden verdienen. De burgemeester van Luik zou hebben verklaard dat de Vurige Stad over 15 % minder capaciteit zou beschikken, terwijl de uitgaven met 10% zijn gestegen [ 124 ] . We moeten niettemin opmerken dat we in dit verband niet altijd over betrouwbare, relevante of controleerbare cijfers of gegevens beschikken omdat men soms weigert ons deze cijfers mee te delen.
Gemeenten waar in het verleden geen overuren werden uitbetaald, doen dit vandaag met tegenzin en bepaalde chefs van kleine korpsen hebben zich omringd met een echte generale staf. We moeten ook aanstippen dat in bepaalde kleine minder stedelijke zones, maar ook andere, overtollige officieren die in het verleden hoge leidinggevende taken vervulden, nu met tegenzin terreinopdrachten uitvoeren.
Het federale niveau gaat over het algemeen uit van een operationele capaciteit van 1 500 uren per jaar per politieambtenaar. In Antwerpen of Brussel wordt deze capaciteit daarentegen eerder geraamd op 1 350 uren en waarschijnlijk nog minder als gevolg van de bepalingen opgelegd door het Mammoetbesluit [ 125 ]
Het koninklijk besluit van 17 september 2001 houdende de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie zal worden gewijzigd zodat wie zich engageert in interzonale samenwerkingsverbanden zal kunnen afwijken van de eerder opgelegde minimumnormen [ 126 ] .
De Senaat wenst dat de politiezones voldoende middelen krijgen om toezicht te houden op de verkeersveiligheid, vooral in de weekends. In het verleden werd noch op lokaal vlak noch op federaal vlak de nodige aandacht besteed aan deze delicate en belangrijke kwestie door de politiediensten of de overheden die dit beleid dienden uit te voeren. Er dient 's nachts minstens evenveel personeel op het terrein te zijn als voor de hervorming [ 127 ]. Tijdens de besprekingen in de Senaat werd gesteld dat de criteria voor nachtelijk en weekendwerk overal in het land dezelfde zijn. Met andere woorden, er wordt geen rekening gehouden met de specificiteit van bepaalde zones, meer bepaald zones waartoe grote steden behoren, met alle daarmee gepaard gaande problemen (voetbal, allerhande evenementen, prostitutie, enz.). Misschien zou het wenselijk zijn, zij het enkel tijdelijk, soepelheid toe te staan wat betreft de prestatieregeling [ 128 ] .
Een specifiek punt betreft de capaciteit van de speciale eenheden. Door de politiehervorming werd een einde gemaakt aan het bestaan van de 'Rotor'-eenheden binnen de gerechtelijke politie - zijnde observatieeenheden bestaande uit leden van de gerechtelijke politie die samengeroepen werden op ad hoc basis - en werd de bestaande - en exclusief daartoe dienende observatieenheid van de (23ste) nationale brigade (BNB) en haar undercoverteam de mogelijkheid geboden samen te gaan met de Speciale Eenheden van de voormalige rijkswacht. In concreto betekent dit dus minder observatie- en interventiecapaciteit voor minstens hetzelfde aantal opdrachten. Ook hier ontbreekt het aan enige coherentie in die zin dat enerzijds de regering verschillende initiatieven heeft genomen om de georganiseerde criminaliteit een halt toe te roepen, waarbij de effectiviteit van sommige van die initiatieven rechtsteeks afhangt van de (kwantitatieve en kwalitatieve) beschikbaarheid van de speciale eenheden.
19.6. Sociaal secretariaat
Bij aanvang van de geïntegreerde politie hebben zich grote moeilijkheden voorgedaan op het vlak van het sociaal secretariaat. De leden van de voormalige rijkswacht en van de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten hebben, om objectieve redenen, de voordelen van hun nieuwe statuut vanaf 1 april 2001 kunnen verwerven. Dit was voor sommige van hun collega's van de voormalige gemeentepolitie slechts veel later het geval, als gevolg van een zekere traagheid van verschillende gemeentelijke diensten. In februari 2002 hadden slechts 4 gemeenten (op 589) de technische fiche van hun politieambtenaren teruggestuurd aan het sociaal secretariaat dat hierom nochtans zeven maanden eerder had gevraagd. Leden van de Algemene inspectie werden zelfs naar de gemeenten gestuurd om te helpen bij de samenstelling van de nodige dossiers [ 129 ] .
Dat het voor het sociaal secretariaat in het begin nagenoeg onmogelijk was de lonen correct te berekenen, had een negatieve invloed op de motivatie van de politieambtenaren. Terecht eisten de politieambtenaren dat deze situatie zo snel mogelijk werd in orde gebracht. Volgens de minister van Binnenlandse Zaken zal deze regularisatie evenwel niet plaatsvinden voor eind 2003. De politievakbond Sypol heeft in dit verband bovendien voor de Raad van State een kort geding aangespannen tegen de Belgische staat.
De objectiviteit gebiedt ons ook op te merken dat, zelfs voor de federale politie, de interpretatie van de referentiebarema's alles behalve evident was.
In sommige zones zijn er ook problemen gerezen met betrekking tot de betaling van de politieambtenaren, meer bepaald wat de eerder gepresteerde overuren betrof. De minister van Binnenlandse Zaken heeft moeten dreigen met het sturen van een speciaal commissaris opdat bepaalde gemeenten het federale geld dat hun werd gestort daadwerkelijk zouden besteden aan de betaling van politieambtenaren. Op 18 december 2002 waren er nog problemen met de lonen van ambtenaren van de voormalige gemeentepolitie in 22 politiezones. De minister heeft aangekondigd dat hij er bij de lokale overheden op zou blijven aandringen dat ze hun politieambtenaren behoorlijk moeten betalen en dat hij niet zou aarzelen om, indien nodig, terzake drastische maatregelen te treffen. De inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie heeft terzake terecht een aantal uitdrukkelijke opdrachten toevertrouwd gekregen.
19.7. Tuchtraad
De tuchtraad, die op 11 juni 2002 officieel in plaats werd gesteld, is het permanente adviesorgaan inzake tuchtrechtelijke aangelegenheden. Elke ambtenaar aan wie een zware tuchtstraf wordt opgelegd, kan bij de tuchtraad een verzoek tot heroverweging instellen. De uitvoering van het voorstel van de tuchtrechtelijke overheid wordt dan opgeschort totdat de tuchtraad een advies heeft uitgebracht. De tuchtraad kan bijvoorbeeld beslissen aan de feiten een andere kwalificatie toe te kennen dan de kwalificatie voorgesteld door de bevoegde overheid.
Daarnaast is de tuchtraad, hoofdzakelijk met het oog op de jurisprudentie en de rationele en gelijkwaardige toepassing van het tuchtstatuut, gelast een gegevensbank aan te leggen van alle vonnissen die werden uitgesproken door een tuchtrechtelijke overheid. Het is dus van belang dat elke tuchtrechtelijke overheid haar beslissingen overmaakt aan de tuchtraad.
19.8. Andere actoren
In ieder geval moeten de politieambtenaren worden ontlast van bepaalde taken. Vanuit deze filosofie heeft de regering onlangs beslist om bepaalde taken van toezicht op de kwaliteit van de leefomgeving toe te vertrouwen aan nieuwe categorieën van ambtenaren, zelfs aan contractuelen. Parkeerovertredingen moeten kunnen worden vastgesteld door beëdigde ambtenaren. In het kader van het politieakkoord dat werd afgesloten tussen de regering en de steden en gemeenten werd beslist om het transport van gedetineerden en het toezicht in de justitiepaleizen toe te vertrouwen aan veiligheidsbeambten die zullen deel uitmaken van het veiligheidskorps dat binnenkort operationeel wordt [ 130 ] . Hiermee wordt een dertig jaar oude eis van de voormalige rijkswacht ingewilligd. De inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap heeft de zaken in een stroomversnelling gebracht.
De Senaat pleit er ook voor dat de taken die nu uitgevoerd worden door de politie, doch die niet de specifieke inzet van politiemensen vergen, minstens ten dele zouden worden uitbesteed aan de privé-sector [ 131 ] . Behalve een «administrativering» van bepaalde sancties, biedt deze mogelijkheid interessante denkpistes waaraan het Vast Comité P zich zal wagen, voor zover de gemaakte keuzes terzake aanleiding geven tot een wisselwerking tussen de privé-sector en de politiediensten.
Ook de functionele opwaardering van de hulpagent, met verkeersveiligheid als kerntaak, kadert in de uitbreiding van de operationele slagkracht van de politiediensten. De hulpagent is niet alleen een aantrekkelijk alternatief om op korte termijn tekorten in het kader aan te vullen, het is ook meer dan ooit de opstap naar het basiskader, zeker voor bepaalde categorieën zoals jongeren afkomstig uit achtergestelde buurten. Voor hen is een onmiddellijke instroom in het basiskader over het algemeen een nagenoeg onoverkomelijk probleem [ 132 ] . Niettemin mag men bij de aanwerving van hulpagenten niet uit het oog verliezen dat hun optreden professioneel en kwaliteitsvol dient te zijn.
20. Waarden
Een verband leggen tussen de politiehervorming en de naleving van de waarden is uiteraard onmogelijk, mogelijks is dit verband zelfs onbestaande. Wel dient vastgesteld dat zeker vanuit de federale politie er belangrijke inspanningen werden geleverd inzake het promoten van integriteit. Wij konden dit vaststellen in het kader van ons onderzoek naar de integriteit dat pas in de loop van het tweede semester van 2003 echt van start zal gaan.
Een andere stap, het ter beschikking stellen van een deontologie gemeenschappelijk voor alle politieambtenaren - middels een koninklijk besluit - zoals aangekondigd sinds de helft van de jaren 80 ontbreekt nog steeds, niettegenstaande nogmaals werd aangekondigd dat deze deontologische code er zeer binnenkort zou komen. Wel werden in tussentijd via ministeriële besluiten de regels inzake beroepsonverenigbaarheden verduidelijkt. Gelet op een zekere beoordelingsmarge die aan de overheden gelaten wordt, verdient een opvolging van de toegestane afwijkingen echter aanbeveling.
21. Middelen
21.1. Financiering
De kostprijs van de hervorming is ongetwijfeld een thema dat de aandacht van heel wat betrokkenen en media heeft getrokken gedurende het hele jaar. De inzet is immers niet min: de inplaatsstelling van de hervorming mogelijk maken, inclusief de naleving van het statuut van de politieambtenaren, waarbij de gemeentelijke financiën evenwel niet failliet mogen gaan. Hiervoor wordt het principe van de budgettaire neutraliteit voor de financiën van de gemeenten als basisprincipe gehanteerd, een principe waaraan de Senaat [ 133 ] trouwens herinnert in zijn aanbevelingen. Dit argument werd bovendien geregeld en terecht aangehaald door de burgemeesters en schepenen tijdens de verschillende onderhandelingen die in 2002 werden voortgezet. Men moet echter redelijk blijven en bijvoorbeeld niet systematisch andere paden bewandelen dan dat van het Copernicusplan of, erger nog, alle voordelen van beide systemen cumuleren.
In het begin hoedde men zich er ook voor «de slechte leerlingen uit de klas te belonen». In het verleden werd immers heel erg onregelmatig geïnvesteerd in politiezorg en veiligheidsbeleid [ 134 ] . Zo waren er binnen eenzelfde gerechtelijk arrondissement verhoudingen van één op tien als het gaat om de financiële inspanning voor de politiezorg per inwoner. Eén van de basisprincipes was dan ook de zones die in het verleden onvoldoende hadden geïnvesteerd niet te belonen [ 135 ] . Verscheidene personen waarmee het Comité heeft gesproken, hebben deze basisredenering bekritiseerd omdat het federale niveau deze gemeenten op die manier niet erg steunt, daar waar het juist van belang is dat alle zones tegelijkertijd evolueren, wil men problemen vermijden. Daarenboven is deze redenering des te moeilijker te begrijpen wanneer men rekening houdt met de uitzonderingen: zo kunnen sommige zones die in het verleden niet veel investeringen hadden gedaan op begrip rekenen en andere niet.
Uit een kort chronologisch overzicht zal trouwens blijken dat men zich van dit principe heeft verwijderd. In maart 2001 legt de regering de financieringswijze van de 196 zones vast, die is gebaseerd op een reeks parameters (o.a. de KUL-norm) en op een voorlopige solidariteit tussen 'rijkere' zones en 'armere' zones. In november 2001 gaf de regering toe dat het principe van budgettaire neutraliteit kon in vraag gesteld worden en verbond zich ertoe de situatie zone per zone te evalueren. Dit is het ontstaan van het principe van de aanvaardbare meerkost. In juni 2002 worden de gemeenten en de regering het eens over de nieuwe parameters voor de berekening van de aanvaardbare meerkost. Er wordt een bijkomende dotatie (25 miljoen euro) toegekend en zo wordt de deur opengezet voor, nochtans objectiveerbare, problematische situaties. Tegelijkertijd wordt een overeenkomst bereikt over een specifieke herfinanciering voor Brussel.
De zones hebben vaak volgende problemen aangeklaagd: (1) de zogenaamde nabijheidstoelagen zijn geplafonneerd per aantal inwoners; (2) de «inconveniënten» werden geplafonneerd op niet-relevante basis; (3) er werd onvoldoende of geen rekening gehouden met sommige meerkosten, onder andere, de betaling van de toelage van de korpschef, de toelagen en vergoedingen voor gerechtelijk onderzoek, de toelage van de bijzonder rekenplichtige, de kledijtoelagen, enz. Deze problemen waren nochtans te voorzien omdat ze grotendeels voortvloeien uit het Octopusakkoord en de wet van 7 december 1998, of op zijn minst uit de implementatie ervan, zelfs indien die redelijk gebeurt. Bovendien verschilde de situatie van vóór de hervorming van gemeente tot gemeente en was het dus niet altijd makkelijk om de gulden middenweg te vinden.
Het is dan ook zeer begrijpelijk dat het financiële aspect de hoofdmoot was van de onderhandelingen met de steden en gemeenten. In de akkoorden van maart 2001 en juni 2002 werd overeenstemming bereikt over de financiële en operationele voorwaarden van de politiehervorming. Tussendoor maakte de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie een evaluatie van de meerkost van de politiehervorming, zone per zone, en werd overeenstemming bereikt over de parameters die werden aanvaard voor de berekening van de aanvaardbare meerkost. Elke zone kreeg de gelegenheid om een geïndividualiseerd dossier in te dienen indien ze meende dat er zich structurele, operationele en financiële problemen zouden voordoen. In totaal maakten 136 zones van deze gelegenheid gebruik. De evaluatiecommissie organiseerde de afgelopen maanden een tegensprekelijk debat dat in december 2002 leidde tot een bijkomende tussenkomst van liefst 40 miljoen euro [ 136 ] , volgens sommigen niet steeds op basis van duidelijke en verdedigbare normen.
De globale evaluatie van de politiehervorming op lokaal vlak, voorzien voor september 2003, zal de gelegenheid zijn om, na een grondige studie, na te gaan of de KUL-norm, de basis van het volledige financieringsmechanisme, voldoende correct gewogen parameters bevat. De Senaat beveelt bovendien aan deze norm jaarlijks te evalueren en te actualiseren op grond van objectieve parameters en stelt verder dat er eventueel nieuwe parameters moeten worden ingebracht [ 137 ] . We moeten er evenwel voor zorgen dat de budgettaire of technische debatten niet de aandacht afleiden van waar het eigenlijk om gaat: de goede uitvoering van de opdrachten toevertrouwd aan de geïntegreerde politie; de realisatie van de doelstellingen en de ratio van de wet van 7 december 1998; alsook onrechtstreeks de naleving van de Octopusakkoorden zoals vertaald in het regeerakkoord en in de daaruit volgende wetgeving en reglementering.
In de huidige stand van zaken is het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, tenzij het Parlement hierom uitdrukkelijk verzoekt, niet van plan de financiële aspecten en de kostprijs van de politiehervorming op te volgen. Indien het dit wel zou doen, zou het Comité bovendien handelen na overleg met het Rekenhof en zelfs met de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie.
De discussie over wie welke kosten van de politiehervorming voor zijn rekening zal nemen, houdt alle belanghebbende bestuursniveaus bezig. De burger ergert zich echter vooral over het feit dat hij hoe dan ook opdraait voor de kosten van de politiehervorming. Deze ergernis is des te groter omdat de hoge verwachtingen, die naar aanleiding van het Octopusakkoord werden geschapen, meer in het bijzonder wat de zichtbaarheid en de aanwezigheid van de politie betreft, niet overal of niet overal in dezelfde mate werden ingelost: misschien zou men ook moeten verduidelijken dat gemeenschapsgerichte politiezorg meer is dan louter «zichtbaarheid», «wijkagenten» en «meer blauw op straat». Het is dan ook absoluut noodzakelijk de politiehervorming niet alleen op haar financiële implicaties te beoordelen, maar vooral op haar inhoud en verwezenlijkingen. De commentaren van goed geïnformeerde observatoren lijken aan te tonen dat de politieaanwezigheid in de straat niet is gestegen, zoals het had moeten zijn aangezien «meer blauw op straat» voor de meeste beleidsmakers en verantwoordelijken een evidente prioriteit van de hervorming was [ 138 ] . Maar ook de concepten, zoals gemeenschapsgerichte politiezorg of community policing bijvoorbeeld dienen verduidelijkt en zijn overigens geen louter synoniem van «meer blauw op straat».
In dit opzicht, nog steeds in functie van de specifieke vereisten van het moment of op verzoek van het Parlement, zal het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten meer aandacht besteden aan de implicaties van deze perceptie van de dingen en vooral, in de mate van het mogelijke, van de implicaties van de investeringen in de «veiligheid» van de burger in ruime zin, ongetwijfeld, met de medewerking van een of meer externe experts.
Onlangs kondigde de eerste minister aan dat we in de nabije toekomst zouden moeten komen tot een bepaald inspanningsniveau dat rekening houdt met de financiële draagkracht van de zone en met de urbanisatiegraad. Voor hem, is dat het enig rechtvaardige criterium voor puur financiële aangelegenheden - wij zouden eerder zeggen één van de criteria die in deze context in aanmerking moet worden genomen. Dit criterium is in overeenstemming met het beginsel dat elke burger, waar hij of zij ook woont in het land, recht heeft op een evenwaardige politiezorg (de gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking die uitvoering wordt besproken in de wet van 7 december 1998 en nog uitgebreider in de memorie van toelichting bij deze wet) en dat lijkt ons fundamenteel in de analyse van de hervorming. Vooralsnog hebben een aantal zones dit niveau van eigen inspanning nog niet bereikt, verre van, terwijl andere zones ruim boven de mediaan investeren in hun politiezorg [ 139 ].
We mogen ook niet uit het oog verliezen dat de Senaat, zeer terecht, vraagt dat overeenstemming zou worden bereikt over het begrip «aanvaardbare meerkost» die de federale overheid moet dragen [ 140 ] .
Wij merken ook op dat in december 2002 de Raad van State het koninklijk besluit houdende de financiering van de bijdragen van de gemeenten in meergemeentezones heeft vernietigd. De draagwijdte van dit arrest moet niettemin enigszins worden gerelativeerd want men dient rekening te houden met het aantal en het type zones. Dit arrest heeft logischerwijs geen betrekking op de 50 eengemeentezones. De meeste andere zones hebben de bijdrage voor de financiering onderling geregeld, zoals was voorgeschreven in het vernietigde koninklijk besluit. Bij gebrek aan regeling, geldt de zogenaamde «Duquesnesleutel», die wordt berekend op drie principes: (1) het belastbaar inkomen per inwoner, (2) het gemiddelde kadastraal inkomen en (3) de zogeheten KUL-norm. Deze norm werd evenwel met succes betwist door de gemeente Juprelle. Er moet een nieuw retroactief besluit worden voorgelegd aan de Ministerraad waarin de KUL-norm wordt verduidelijkt en, indien nodig, uitgewerkt. De vernietiging van de «Duquesnesleutel» kan dus problemen opleveren op plaatsen waar er onenigheid heerst over de verdeling van de bijdragen. Te meer daar nu al werd aangekondigd dat beroep zal worden aangetekend tegen dit nieuwe besluit, dat, volgens sommige tegenstanders van de minister van Binnenlandse Zaken, «gelijk is aan het oude, maar in een andere verpakking». Nochtans moet men zich uiteindelijk de vraag stellen of dit besluit niet één van de enige evenwichtige en voldoende rationele oplossingen is.
Algemeen gesteld dient evenwel te worden opgemerkt dat de federale overheid ernstige inspanningen heeft geleverd om tegemoet te komen aan de terechte bedenkingen van de steden en gemeenten. Voorbeelden daarvan zijn de sterke verhoging van de federale middelen, het verlichten van het takenpakket van de lokale politie, enz. Daarenboven werd een akkoord bereikt over een permanente opvolging en evaluatie van de kosten [ 141 ] .
Rekening houdend met de bedragen die worden besteed aan de lonen, kan men zich niettemin afvragen hoeveel geld er over blijft voor uitrusting, gebouwen, informatica, research & development, kortom de toekomst. Ons onderzoek over de Computer Crime Unit illustreert dit aspect van deze bijzonder complexe problematiek. Het zou nuttig zijn meerjaren-investeringsplannen op te stellen [ 142 ] en in deze domeinen een visie voor vijf à tien jaar te verduidelijken.
21.2. Infrastructuur
Er schijnen zich vaak problemen voor te doen met lokalen. Zo zou de politie in één bepaalde plaats haar intrek moeten nemen in gebouwen die momenteel zijn ingenomen door de bestuurlijke directeur-coördinator, wiens diensten zelf zouden moeten verhuizen naar een plaats die hen vooralsnog niet ter beschikking is gesteld. Er moet ook een oplossing worden gevonden voor de gerechtelijke dienst arrondissement.
Dergelijke situaties zijn lang geen uitzondering en het zal ongetwijfeld tijd vragen vooraleer oplossingen of zelfs maar goede denkpistes worden gevonden.
21.3. Astrid
Astrid is een hoogtechnologisch netwerk dat hulp- en veiligheidsdiensten in staat stelt snel en efficiënt met elkaar te communiceren. Behalve een radionetwerk dat op termijn het volledige Belgische grondgebied zal dekken, voorziet Astrid ook in de oprichting van provinciale dispatchings die het digitaal beheer van informatie mogelijk maken. Het Astrid-concept is meer in detail beschreven in onze verschillende tussentijdse of bijzondere verslagen met betrekking tot de werking van de 101-centrales [ 143 ] .
De eerste provinciale dispatching die volledig is gebaseerd op de Astrid-technologie, het Communicatie-en informatiecentrum (CIC), werd op 13 maart 2002 ingehuldigd in de provincie Oost-Vlaanderen. In dit verband merken wij op dat de technische (Astrid) en operationele (CIC) aspecten en de daarmee gepaard gaande kosten niet door elkaar mogen worden gehaald, zoals sommigen nog ongenuanceerd doen.
Het beheerscontract Astrid van 8 februari 1999 voorzag dat het systeem tegen eind 2001 volledig op punt zou staan. Deze deadline werd echter niet gehaald, niet als gevolg van vertragingen bij de ontwikkeling van Astrid maar als gevolg van leveranciersproblemen. Het concept zal volledig operationeel zijn tegen eind 2003.
De samensmelting van de dispatchings van de 100 en 101-centrales maakt geen deel uit van het beheerscontract. In maart 2002 heeft de regering niettemin beslist een nieuwe impuls te geven aan de analyse van de mogelijkheden tot integratie van deze dispatchings door de oprichting van twee werkgroepen. Op basis van het rapport dat ze in oktober hebben overhandigd, werd onmiddellijk een pilootproject opgestart in Antwerpen en Luik van november 2002 tot december 2005. Pas na afloop van dit experiment, dat tot doel heeft het medisch geheim te verzekeren, zal de Ministerraad een beslissing nemen over de realisatie van het geïntegreerde globale project [ 144 ] .
Astrid veroorzaakt aanzienlijke kosten voor de gemeenten, die tegelijk met de hervorming van het politielandschap worden opgedrongen. De Senaat beveelt aan nu reeds op de federale begroting een bijzondere dotatie te voorzien om de kosten van de steden en gemeenten te dekken [ 145 ].
21.4. Computer Crime Unit
De pers heeft bericht over de begrotingsproblematiek van de Computer Crime Unit. Deze unit kreeg uiteindelijk een begroting van 20 000 euro toegekend (ondertussen opgetrokken tot 250000 euro), terwijl volgens de raming een budget van 500 000 euro nodig was om aan de behoeften te kunnen voldoen. «Ik denk dat dit bedrag net volstaat om de licenties te betalen van de programma's die we gebruiken», verklaart een onderzoeker. Het is jammer dat onvoldoende middelen worden toegekend aan een eenheid die het hoofd moet bieden aan een criminaliteitsvorm die permanent evolueert. De Senaat beveelt bovendien aan deze eenheid uit te rusten met de modernste apparaten en de nieuwste technologieën.
Deze vaststellingen waren voor ons ook de gelegenheid om ons toezichtsonderzoek naar deze problematiek te actualiseren; dit onderzoek wordt trouwens in het kader van dit jaarverslag besproken.
21.5. Uniform
De vertraging die werd opgelopen op het vlak van de levering van de nieuwe uniformen is, ongeacht de oorzaak van deze vertraging, voor velen een grote bron van ergernis. Hoewel dit niet het meest essentiële onderdeel van de hervorming is, heeft het uniform een grote symboolwaarde, meer bepaald ten aanzien van de burger voor wie het nieuwe uniform een tastbaar kenmerk van politie is. Meer nog dan het nieuwe logo op de voertuigen, vertegenwoordigt het nieuwe uniform de eenheid binnen de politieorganisatie en zou het correct dragen ervan bijdragen tot een beter beeld van de politie. Ook in de ogen van de politieambtenaren versterkt het beschikken over eenzelfde uniform ongetwijfeld het gevoel dat ze tot eenzelfde organisatie behoren. De definitieve versie van het nieuwe uniform zou in het eerste trimester van 2003 beschikbaar moeten zijn en geleidelijk aan worden verdeeld onder alle politieambtenaren.
22. Enkele beschouwingen over verschillende positieve en minder positieve punten van de hervorming
22.1. Positieve punten
Noodgedwongen hebben veel burgemeesters, politici of anderen zich gebogen over het «politiewezen» en er tijd en energie aan besteed. Hoewel deze vaak als hoofddoel had specifieke problemen op te lossen, had deze extra aandacht meestal positieve gevolgen (betere dossierkennis, belangstelling voor het politiewezen) waardoor deze betrokkenen de toekomstige uitdagingen beter kunnen inschatten.
In verscheidene steden zagen immers grote projecten, waarbij de politie nauw betrokken was, het licht. Op vele plaatsen heeft de politiehervorming ook geleid tot een betere samenwerking met de overheden van bestuurlijke politie en talrijke andere sociale partners.
In een aantal zones die werden geobserveerd of waarover besprekingen werden gevoerd, merken we op dat er «gemeenschaps- of nabijheidscommissariaten» werden ingericht. Zo is in Bergen het gemeenschapscommissariaat het belangrijkste commissariaat en heeft het twee bijzondere kenmerken: enerzijds heeft zijn situering - de grote markt van Bergen - een symboolwaarde en is het makkelijk te vinden; anderzijds bevindt het zich in een ander gebouw dan de centrale diensten om goed aan te duiden dat het om een territoriale dienst gaat. De zonechef houdt eraan dat deze commissariaten zo veel mogelijk worden vrijgesteld van externe verplichtingen zodat ze zich kunnen wijden aan hun gemeenschapsgerichte opdrachten. Zo zullen zij geen mobiele permanenties, interventiereserves, enz. verzekeren. In andere bezochte grote zones werden gelijkaardige vaststellingen gedaan, wat de uiting is van een duidelijke en algemene verbreide wil om een gemeenschapsgerichte politiezorg in te voeren.
Verscheidene personen getuigen van een goede integratie in de lokale politiezones. « Tout n'est pas noir, la réforme des polices a aussi eu du bon, notamment la revalorisation des salaires et surtout f'arrivée d'anciens gendarmes, avec qui on s'entend bien , [ 146 ] . « L'intégration harmonieuse des services n'était pas gagnée d'avance d'autant plus que les gens de la BSR et ceux de la PJ avaient plut6t manifesté les uns contre les autres . Mais, en de nombreux endroits, ce fut pourtant un franc succès. » [ 147 ] Wij hebben deze beweringen op verschillende plaatsen en via verschillende gedachtewisselingen kunnen staven.
" La réforme s'est très bien passée chez nous et la police est plus présente qu'avant », verklaart de burgemeester van Bastenaken [ 148 ] . « On évite les doubles emplois, les bourgmestres ont obtenu l'autonomie réclamée et iI est aujourd'hui possible de mener des politiques policières à l’intérieur d'un espace suffisant et cohérent », verduidelijkt een andere burgemeester [ 149 ] . Tijdens zijn bezoeken aan verscheidene grote steden, kon de eerste minister vaststellen dat veel procureurs des Konings de scharnierrol die de hervorming hen had toebedeeld, ten volle vervulden en de gerechtelijke politie doeltreffend leidden. Waar hij meende dat het sturen van de opsporing door de bevoegde magistraat in het verleden vaak een puur theoretisch gegeven was, moet hij nu erkennen dat de zaken sindsdien zijn geëvolueerd. Het arrondissementeel rechercheoverleg en het recherchemanagement zijn daarbij onmisbare tools [ 150 ] . De overlegorganen die werden ingevoerd door de wet van 7 december 1998 werken over het algemeen goed en vervullen hun rol van integratie- en verbeteringsmechanisme, alsook van projectbegeleiding ten volle.
De overheid van bestuurlijke politie speelt niet enkel een belangrijke rol, ze neemt deze ook meer en duidelijker op. « Oui il fallait faire une réforme. Il y a des points positifs. Maintenant pour une tâche, iI y a un seul corps de police: c'est une bonne chose. Mais dans plusieurs zones, on a des bourgmestres qui n'ont plus rien à dire. Vont-ils encore accepter de payer pour une institution sur laquelle ils n'ont quasiment plus aucun pouvoir ?» [ 151 ] . Daarom zal in meergemeentezones een aanvaardbare juridische oplossing moeten worden gevonden die de overheid van bestuurlijke politie toelaat haar verantwoordelijkheden ten volle, duidelijk en met kennis van zaken op te nemen. Misschien zou er een bijzondere vorderingswijze moeten worden voorzien, naar het voorbeeld van wat voor de minister van Binnenlandse Zaken is voorzien in de wet van 7 december 1998. Deze mogelijke oplossing lijkt ons opnieuw evenwicht te kunnen brengen tussen de federale, lokale en gemeentelijke overheden.
22.2. Minder positieve punten
De hervorming heeft geleid tot grote onzekerheid, met name op het vlak van de gemeenten die, in 2002, nog steeds niet wisten hoeveel hun politiebegroting zou bedragen. Bewijs hiervan zijn de vele onderhandelingen die in de loop van dat jaar hebben plaatsgevonden. Men moet hopen dat er meer duidelijkheid zal komen, waardoor iedereen rustiger zal kunnen werken - mede dankzij het verdwijnen van het financiële zwaard van Damocles - en zijn tijd en energie zal kunnen besteden aan de kerntaken.
« L'absentéisme serait en augmentation dans certains corps: de l'ordre de 20% dans les quartiers, a indiqué le chef de la zone de Liège. C'est là que le personnel plus ancien a peut-être subi le choc psychologique le plus important [. .] [ 152 ] De burgemeester, van zijn kant, heeft toegegeven dat de politieaanwezigheid daalt en dat de kosten stijgen. Deze problematiek wordt trouwens besproken in dit jaarverslag, alsook in de bijzondere, tussentijdse of definitieve verslagen aan onze Parlementaire begeleidingscommissie.
" Les nouveaux standards de fonctionnement (un accueil, une équipe d'intervention 24h/24), surtout dans les petites et moyennes communes, tant flamandes que francophones, représentent une nouveauté et une charge souvent qualifiée d'insupportable par d'aucuns. Avant la réforme des services de police, la gendarmerie suppléait aux carences des communes. (. . .) Ce qui, à l'époque, faisait déjà prédire à certains qu'en touchant à cette organisation, on allait mettre au jour des transferts cachés entre le nord et le sud du pays. Mais, au niveau local, les clivages se manifestent davantage entre les grandes zones " monocommunales » et les petites et moyennes zones de police qui combinent la gestion policière de plusieurs communes , [ 153 ] . Bijna elke dag ontdekt men onvoorziene kosten. « On peut espérer à terme une rationalisation des coûts mais iI faut aussi uniformiser les parcs informatiques et radios entre communes d'une même zone. Cela dit, en privé, les receveurs conviennent aussi que les communes noircissent volontiers le tableau afin d'expliquer leurs difficultés financières, [ 154 ] .
De arrondissementele informatiekruispunten (AlK) zijn de dragers van de informatiestroom, bestuurlijk en gerechtelijk. Het is absoluut noodzakelijk dat alle politiediensten, op federaal en lokaal vlak, hun medewerking verlenen aan het AlK. De volwaardige operationalisering van de AIK's is onmisbaar. Hetzelfde geldt voor de communicatie- en informatiecentra (CIC). De politiehervorming heeft deze centra speciaal opgericht om het hoofd te bieden aan de disfuncties uit het verleden die door meerdere relatief recente Parlementaire onderzoekscommissies aan de kaak werden gesteld. Dit mag niet worden vergeten en er dient over te worden gewaakt dat elke component van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus zijn steentje bijdraagt aan het succes van de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap zoals ze onmiskenbaar gewild en verduidelijkt is door de wet van 7 december 1998.
We konden lezen "De reorganisatie van de ministers Duquesne en Verwilghen is dus wel degelijk een achteruitgang want de dienst strategische analyse, de cartografische cel en de dienst van het nationaal veiligheidsplan gaan samensmelten tot een nieuw 'dienst voor strategische planning' die volledig in handen is van de commissaris-generaal». "Verkeerde interpretatie», antwoordt men bij Binnenlandse Zaken. Er is wel degelijk een reorganisatie geweest, maar op basis van een audit die werd gerealiseerd in 2001. De voornaamste conclusie die daaruit kon worden getrokken, is dat de commissaris-generaal niet voldoende wordt bijgestaan en dat hij niet over de nodige instrumenten beschikt. Om deze tekortkoming te verhelpen, werden wijzigingen aangebracht aan het organigram.
De klachten gaan niet enkel uit van het lokale niveau, de commissaris-generaal beklaagt zich ook over het feit dat er te weinig wordt geïnvesteerd, wat leidt tot een laattijdige vervanging van materieel, wat op zijn beurt hogere werkingskosten veroorzaakt. Het opeenvolgend snoeien in de werkingskredieten wordt systematisch verhaald op de investeringskredieten die reeds ontoereikend zijn om de operationaliteit van de diensten te behouden, en brengen zo een negatieve spiraal op gang. In deze situatie kan niet worden voldaan aan de steeds groter wordende vraag om een betere dienstverlening en een betere kwaliteit die wordt verwacht van de politiediensten, omdat de nodige middelen hiertoe onmogelijk kunnen worden verkregen.
De Senaat vraagt dat de minister een daadwerkelijke controle uitoefent op de hoge politiefunctionarissen aan wie hij delegatie verleent [ 155 ] . De voorzitster van de Commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Senaat verklaart dat er niet echt enthousiasme is om deze hervorming te sturen. Op federaal vlak scheelt het niet veel of de verantwoordelijken van de personeelsdienst organiseren de demotivatie [ 156 ] . Er is te weinig aandacht besteed aan de integratie van de modus operandi van beide subculturen; hierbij moet een balans worden opgemaakt van wat bestendigd dient te worden en van wat dient te worden veranderd. Er dient een consensus te worden gezocht rond de in het nieuwe bestel te hanteren normen en waarden.
Zo'n hervorming heeft bij de politieambtenaren wrevel en een gevoel van onbehagen opgewekt. Hiervoor verwijst men bijvoorbeeld naar het grote verschil in uniform tussen de voormalige rijkswachters en de leden van de voormalige gemeentepolitie; de problemen tussen de verschillende informaticasystemen; het feit dat politieambtenaren wapens dienen te gebruiken die ze niet noodzakelijk kennen of dat ze nooit zelfs processen-verbaal hebben moeten opstellen; de lacunes inzake permanente en voortgezette opleiding. Andere politieambtenaren vragen zich af of ze niet het slachtoffer zijn geworden van een politiek spel. Zouden sommige disfuncties op het terrein niet «geënsceneerd» zijn om de weg naar een eengemaakte politie vrij te maken? De voormalige gemeentepolitieambtenaren hebben gedurende maanden geen loonfiche ontvangen en konden dus hun inkomsten niet nakijken. Nog verontrustender is dat politieambtenaren aangeven dat de leden van de lokale recherche onvoldoende zijn opgeleid en bijgevolg slecht zijn voorbereid op de onderzoeksdaden die verbonden zijn met de plaatselijke criminaliteit. Deze beweringen konden meer dan eens worden vastgesteld.
Niettegenstaande de meeste van deze kritieken kunnen worden weerlegd en bijgevolg zeker gerelativeerd dienen te worden, kan niet ontkend worden dat ze een illustratie zijn van een bepaalde perceptie die - ongeacht haar juistheid - op haar beurt bron kan zijn van disfuncties. Het past dan ook daarmee rekening te houden.
23. Op weg naar een geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus
" Le processus de mise en place du nouveau paysage policier étant en constante évolution, il est particulièrement ardu d'évaluer sa mise au point fine ». Enige stabiliteit en vereenvoudiging zouden, in dit opzicht, welkom zijn. Niemand betwist, zelfs de eerste minister of de minister van Binnenlandse Zaken niet, dat er talrijke problemen zijn geweest en dat er in de toekomst nog andere problemen zullen opduiken. Hoe zou dit anders kunnen gezien de omvang van deze hervorming? De politiezones «vierden» hun eerste verjaardag op 1 januari 2003. Nu is de tijd aangebroken om zich af te vragen of deze geïntegreerde politie op lokaal vlak beantwoordt aan de vereisten (meer agenten op straat, meer gemeenschapsgerichte politiezorg, snellere interventies, enz.). Het is moeilijk een duidelijk en definitief antwoord te geven want de politiehervorming is een proces van lange adem met een - trage - (r)evolutie van de mentaliteit en de werkelijkheid verschilt sterk van zone tot zone.
Zo kregen sommige politieambtenaren gloednieuwe gebouwen toegewezen en andere niet. De integratie van de «nieuwe collega's» verloopt evenmin overal op dezelfde manier, hoewel moet worden benadrukt dat ze in de meeste gevallen goed is verlopen.
De minister van Binnenlandse Zaken toonde zich tevreden over de resultaten één jaar na de inplaatsstelling van de nieuwe geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus. Zonder sommige kritiek te willen ontkennen, onderstreept hij niettemin dat deze evolutie tot heel wat verandering heeft geleid: «uiteraard verloopt alles niet altijd naar wens, maar 'beter dan verwacht', [ 157 ] . Hij herinnerde aan de vooruitgang die werd geboekt inzake informatica- en communicatietechnologie. Wat de criminaliteit betreft, «spreken de statistieken voor zich». Hij heeft de inplaatsstelling van de nationale gegevensbank aangekondigd voor de tweede helft van 2003. In sommige gevallen konden we na onderzoek en analyse zijn optimisme delen, maar niet altijd, zoals blijkt uit dit jaarverslag.
September 2003 is een erg belangrijke datum omdat dan een evaluatie is gepland van de hervorming. De politie is het aan zichzelf verplicht het vertrouwen van de burger te blijven winnen.
Wij wensen ook te benadrukken dat wanneer men de doeltreffendheid van de lokale politie bepaalt op basis van haar aanwezigheid op het terrein, men in zekere zin dezelfde fout maakt die de federale politie in het verleden heeft begaan: «inspanningen» en «resultaten» door elkaar halen. PWC pleitte er op federaal vlak al voor «om echte resultaatsindicatoren te bepalen en geen indicatoren voor geleverde inspanningen», maar verduidelijkte niet welke deze indicatoren zouden kunnen zijn, noch hoe ze op punt moeten worden gesteld want, in een sector als die van de politie, is dat een bijzonder delicate specifieke kwestie; dit lijkt men te vaak te vergeten. Aangezien de politie niet als enige betrokken is op het vlak van criminaliteit en veiligheid, kan men zich bovendien afvragen hoe groot haar invloed is op dit domein. In dit opzicht is een globale aanpak één van de enige verdedigbare benaderingswijzen.
Tot slot zouden we moeten weten of de componenten van onze geïntegreerde politie zich bezighouden met de «goede» zaken, met de middelen en volgens de prioriteiten ad hoc. Misschien moet men eenvoudigweg eerst de menselijke en kwalitatieve aspecten in het achterhoofd houden, dan de opdrachten, de functionaliteiten en de kwaliteitsgraad waarmee ze worden vervuld.
De vooruitgang die moet worden geboekt, zowel qua inhoud als qua vorm, is op algemene wijze beschreven in het nationaal veiligheidsplan en meer gedetailleerd in de zonale veiligheidsplannen. Deze vormen als het ware een leidraad voor de verantwoordelijken op de verschillende niveaus en stellen hen in staat de hervorming tot een goed einde te brengen, een zekere continuïteit te verzekeren en voormelde vooruitgang te boeken.
In september 2003 dient een (eerste) evaluatie (van de werking) van de lokale politie te worden gemaakt, teneinde een nieuwe of andere impuls te geven aan de werking van de politie en/of deze te heroriënteren.
Afdeling 2: Beschikbare informatie en informatie toegezonden aan het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten. Eerste evaluatie van de tendensen inzake klachten en aangiften in 2002
24. Inleiding
Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten heeft, bij middel van een tussentijds verslag [ i 46 ] opgesteld in de tweede helft van 2002 en voorgelegd aan zijn Parlementaire begeleidingscommissie, de verzamelde en ingewonnen cijfergegevens voor de periode van 1 januari 2002 tot 1 augustus 2002 geëvalueerd en nader toegelicht. De cijfergegevens die in dit document zijn weergegeven, hebben betrekking op het volledige kalenderjaar 2002. Huidige analyse bevat tevens de aangiften die aan de Dienst Enquêtes P werden overgemaakt in toepassing van artikel 26 [ i 47 ] van de wet van 18 juli 1991 houdende het toezicht op de politiediensten, evenals de gerechtelijke opdrachten toegewezen aan de Dienst Enquêtes P. Al deze gegevens werden samengebracht en weergegeven in een vergelijkende tabel voor de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002.
De database van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten wordt dagelijks bijgewerkt en de aantijgingen van feiten zijn vervat in een lijst met een 130-tal gecodeerde mogelijkheden (feiten). In huidige bespreking werden niet alle mogelijkheden opgenomen, enkel deze die, in de huidige stand van zaken en gezien de omstandigheden, als bijzonder relevant werden beschouwd: (1) de vastgestelde of gesignaleerde feiten die een rechtstreekse of onrechtstreekse inbreuk uitmaken op de fundamentele rechten en vrijheden van de burger; (2) de disfuncties in hoofde van een politieambtenaar en/of een politieorganisatie.
Wat voorafgaat, verklaart meteen waarom de som van de berekende percentages van de onderscheiden categorieën niet exact honderd procent bedraagt. De percentages werden overigens berekend op het totaal aantal aangegeven feiten sensu stricto. Ter verduidelijking wordt opgemerkt dat in een dossier daarenboven meerdere aantijgingen (feiten) kunnen vervat zijn. Dit verklaart waarom de totaliteit van het aantal dossiers lager is dan de som van de feiten.
Op basis van de vergelijkende tabellen kunnen duidelijke tendensen waargenomen worden. Bij de interpretatie van de feiten is enige omzichtigheid geboden, te meer omdat niet noodzakelijk alle informatie aan het Vast Comité P wordt toegezonden, niettegenstaande dit een duidelijk geformuleerde wettelijke verplichting is. Wij komen hier later trouwens op terug. Daarenboven komt een deel van de toegestuurde informatie soms met een enorme vertraging aan bij het Vast Comité P, wat kan resulteren in een vertekend beeld dat wordt opgehangen van de politiewerking of van de mogelijke invloed van de doorgevoerde politiehervorming hierop. Deze gegevens zijn louter ter informatie, meer bepaald ter aanduiding van algemene of bijzondere tendensen. Het is dus gepast om bij de lezing en interpretatie van deze cijfergegevens enig voorbehoud te maken. Bovendien zal het Vast Comité P zich in de komende maanden buigen over de toepasselijkheid van zijn analyse- en refertesysteem. Het Comité zal dit systeem, indien nodig, overigens aanpassen, zonder het evenwel radicaal te veranderen, tenzij dit absoluut noodzakelijk zou zijn.
25. Dossiers met betrekking tot klachten en aangiften
De klachtendossiers worden voortaan doelbewust opgesplitst in klachten sensu stricto en klachten sensu Iato. Met deze laatste worden alle klachtendossiers bedoeld en dit ongeacht het gegeven dat sommige in de loop van hun behandeling aanleiding geven tot een (aanvullend) gerechtelijk onderzoek. Gelet op het feit dat deze dossiers dan toch uiteindelijk gecatalogeerd worden onder de noemer 'gerechtelijke onderzoeken', draagt het niettemin de voorkeur weg de klachten sensu stricto in rekening te brengen.
Er wordt een duidelijke toename van de klachtendossiers vastgesteld.
Tabel 1 : Aantal klachtendossiers
![]()
Percentsgewijs geeft dit voor de kalenderjaren 2000, 2001 en 2002 een stijging van respectievelijk 71,5 %, 26,3 % en 35,9 %. Ten opzichte van 1999 was er voor 2002 zelfs een toename met 194 %. Met andere woorden, het aantal klachten is nagenoeg verdrievoudigd. Deze opmerkelijk toenemende hoge input van nieuwe dossiers heeft, in cumulatie met de dossiers in behandeling, zijn weerslag op de werklast en de organisatie van het Vast Comité P, de Dienst Enquêtes en de ondersteunende administratie.
Deze cijfers geven tevens aan dat de nodige inspanningen werden geleverd om het Vast Comité P voor de modale burger toegankelijker te maken. Klachten kunnen immers op verschillende manieren aan het Vast Comité P gemeld worden (telefonisch, per brief, per email, enz.), zonder aan enige vorm- of taalvereiste te moeten voldoen. Ook de bescherming van een desgevallend gevraagde anonimiteit zorgt voor een drempelverlaging. Deze anonimiteit wordt in principe gewaarborgd, op voorwaarde dat er geen strafrechtelijke inbreuk is begaan of dat men niet de bedoeling heeft bewust schade te berokkenen.
Desalniettemin rijst de vraag waarom het aantal klachten dermate is toegenomen. Een eerste spontane reden is dat de burger meer ontevreden is en daaraan ook vaker uiting geeft. Een andere verklaring ligt in het feit dat de burger via bewustwordingscampagnes mondiger geworden is en zich kritischer opstelt ten opzichte van wat hij of zij van de overheid verwacht. Een derde verklaring kan liggen in het feit dat de politiediensten hun taken minder goed kunnen uitvoeren en dit optreden niet meer beantwoordt aan de verwachtingen van het publiek. Ook de doorgevoerde en bij het brede publiek misschien nog niet voldoende gekende wijzigingen aangebracht in de vernieuwde politiestructuren, zouden aan dat gegeven niet geheel vreemd zijn. Ten slotte dient aangestipt dat de gemelde feiten, hoe nietig ook, steeds nauwgezetter en verfijnder geregistreerd worden.
Het toenemend aantal dossiers bevestigt ontegensprekelijk de goede werking van het Vast Comité P als extern controleorgaan. Tevens wordt daarmee aangegeven dat we meer vertrouwen van de burger genieten. De maatschappelijke realiteit laat echter vermoeden dat de door het Vast Comité P geregistreerde klachten slechts het topje van de ijsberg zijn. Dat vermoeden wordt versterkt en onder meer bevestigd door de op regelmatige tijdstippen voorkomende perspublicaties waarin de negatieve ervaringen met politiediensten worden aan de kaak gesteld en dit zonder dat zij het voorwerp uitmaken van een klacht in behandeling bij en door het Vast Comité P.
Ook daarom dringt het Vast Comité Perten stelligste op aan dat in de korpsen de functionaliteit 'intern toezicht' wordt verzekerd (een goed gestructureerde en even goed functionerende dienst intern toezicht verbonden aan de verschillende politiekorpsen). Dienaangaande wordt verwezen naar de standpunten die in het tussentijds verslag en in ons toezichtsonderzoek terzake zijn uitgewerkt.
26. Dossiers met betrekking tot gerechtelijke onderzoeken
De input van deze dossiers wordt geleverd enerzijds door de gerechtelijke overheden op rechtstreekse wijze en anderzijds via een klacht die tijdens de behandeling een gerechtelijke richting krijgt. Ook hier wordt een toename vastgesteld.
Tabel 2: Aantal gerechtelijke onderzoeken
![]()
Er is een stijging van 43,8 % waar te nemen voor het jaar 2001 ten opzichte van 2000 en van 48 % voor het jaar 2002 ten opzichte van 1999.
De wet van 18 juli 1991 tot oprichting van het Vast Comité P voorzag aanvankelijk in een verplichte aanwending van minimum 50 % van de capaciteit van de Dienst Enquêtes P voor gerechtelijke onderzoeken. Op initiatief van de leden van de Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten werd deze wet op 3 mei 2003 aangepast zodat er een andere capaciteitsverdeling mogelijk wordt. Voortaan voorziet de wet dat het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten ten minste 50 % van zijn middelen en activiteiten moet besteden aan toezichtsonderzoeken.
De Dienst Enquêtes P beheerst de instroom van de gerechtelijke opdrachten niet. Deze gerechtelijke opdrachten - aanzienlijk in omvang - dragen echter slechts beperkt bij tot de functie van 'globaal observatorium' van het Vast Comité P en passen niet steeds duidelijk genoeg in de beperkingen van de opdrachten die de wet het Comité oplegt, behoren niet altijd tot de prioriteiten van het Comité of liggen niet in het verlengde van het specialiteitsprincipe waarop de interventies van de Dienst Enquêtes ten opzichte van alle andere betrokkenen terzake dienen te zijn gebaseerd.
De Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie voert eveneens gerechtelijke opdrachten uit, maar heeft een totaal andere finaliteit naar de politiehervorming in het bijzonder en de politiediensten in het algemeen toe.
Om de activiteiten van het Vast Comité P naar zijn hoofdopdracht optimaal te kunnen benutten, is het bijgevolg wenselijk dat voor de gerechtelijke opdrachten de taakverdeling ad hoc waarvan hierboven sprake is, zo snel mogelijk wordt bevestigd. De nodige voorstellen met betrekking tot de behandeling van gerechtelijke opdrachten, betreffende misdrijven ten laste van politieambtenaren, werden sinds 2000 herhaaldelijk aan de minister van Justitie overgemaakt of met hem of zijn medewerkers besproken, in toepassing van artikel 16, 4de lid van de wet van 18 juli 1991 en artikel 143ter van het Gerechtelijk wetboek. Zoals reeds elders vastgesteld, wacht het Vast Comité P een beslissing dienaangaande af.
Zoals in het tussentijds verslag aangehaald werd, zouden onderzoeken die betrekking hebben op het privé-leven van een politiefunctionaris niet (meer) a priori aan de Dienst Enquêtes toevertrouwd moeten worden.
De efficiënte werking van de Dienst Enquêtes P blijkt uit onderstaande tabel, waarin het aantal openstaande dossiers, de in uitvoering zijnde en uitgevoerde kantschriften zijn weergegeven.
Tabel 3: Aantal openstaande dossiers
![]()
Voorgaande tabel geeft duidelijk weer dat aan de Dienst Enquêtes P over de periode 1999 tot 2002, 1789 gerechtelijke onderzoeken werden toevertrouwd. Van deze onderzoeken werden er 1720 (96 %) beëindigd en werd het dossier terug overgemaakt aan de bevoegde magistraat. Dit resultaat kan slechts bereikt worden dankzij de permanente inzet van alle commissarissen-auditors en de administratie van de Dienst Enquêtes P onder leiding van hun directeur-generaal en zijn twee adjunctendirecteur-generaal. Vanuit de optiek dat elke persoon, verdachte of slachtoffer, het recht heeft zijn 'zaak' zo snel mogelijk voor een rechter behandeld te zien, probeert de Dienst Enquêtes steeds te beantwoorden aan de hoogdringendheid die aan zijn opdrachten van gerechtelijke politie wordt gesteld. Dit slorpt een groot deel van de arbeidscapaciteit op en verhoogt in sterke mate de permanente werklast.
27. Dossiers in behandeling
Op 1 januari 2003 waren er slechts 360 niet-afgesloten klachtendossiers op een totaal van 1 428 klachten. Deze cijfers illustreren de bijzondere inspanningen die het Vast Comité P heeft geleverd. Van de 3 796 klachtendossiers die tijdens de periode 1995-2002 werden geopend, zijn er nog 558 in behandeling.
Onder de niet-afgesloten klachtendossiers bevinden zich 119 dossiers met een gerechtelijke finaliteit. Aangezien aan die dossiers een gepast gerechtelijk gevolg werd gegeven, moet de beslissing ervan worden afgewacht, te meer omdat het gerechtelijk onderzoek niet steeds door de Dienst Enquêtes P wordt uitgevoerd. De Dienst Enquêtes wordt bovendien niet altijd formeel in kennis gesteld van de beëindiging van een gerechtelijk onderzoek door de bevoegde magistraat. Deze informatie wordt ook niet altijd meegedeeld aan het Vast Comité P. Dit knelpunt dient te worden opgevolgd en wij moeten jammer genoeg te veel energie besteden aan deze opvolging.
Naast de klachten en de gerechtelijke dossiers werden in 2002 tevens 25 nieuwe toezichtsonderzoeken gestart [ 157 ] , zodat er voor de periode 1999-2002 in totaal nog 39 lopende toezichtsonderzoeken zijn. Hier ook zal de recente aanpassing van de wet van 18 juli 1991 op het Vast Comité P een niet te miskennen verbetering kunnen brengen, die zal toelaten meerdere korpsen binnen eenzelfde tijdspanne door te lichten. Die onderzoeken zullen een beter en genuanceerder beeld geven van de wijze waarop de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap op organisatorisch vlak wordt ingevuld.
28. Diverse aangeklaagde feiten
28.1. Inleiding
Eén enkele klacht kan betrekking hebben op verschillende feiten. Hetzelfde geldt voor de aangiften op basis van artikel 26 en de gerechtelijke onderzoeken. Niet alle aangeklaagde feiten kunnen als dusdanig gekwalificeerd worden. Ze resulteren evenmin steeds in een beslissing over een of andere disfunctie.
Teneinde, in het verlengde van onze eerste nulmeting, een vergelijking over n jaar te kunnen maken, werd de invloed betreffende de toename van het aantal klachten en dus van het totaal aantal feiten gewogen door het percentage te berekenen van een categorie van feiten tegenover het totaal aantal feiten voor een welbepaald type dossier en jaar. De cijfers in onderstaande tabel vertegenwoordigen dus de standaardwaarde «100» per type dossier en per jaar.
Tabel 4: Aangeklaagde feiten
![]()
28.2. Analyse van de feiten
Tabel 5: Aantasting van de waardigheid van de burgers
![]()
Niettegenstaande de meeste van deze klachten via gerechtelijke weg bij het Vast Comité P terechtkomen, dient gesteld te worden dat niet alle feiten aan het Vast Comité P kenbaar gemaakt worden. In de weergegeven percentages is er een daling waar te nemen van de aangiften gemeld door leden van de politiediensten, doch in absolute cijfers blijft het aantal feiten die worden gemeld bijna even hoog.
Er dient evenwel onderzoek te worden verricht naar de nood aan de bijsturing van een aantal attitudes en dit gelet op de toename van de klachten met betrekking tot laster, eerroof en racisme.
Zoals reeds aangegeven in het tussentijds verslag, blijft dit een aandachtspunt van het Vast Comité P.
Tabel 6: Inbreuken op de rechten en vrijheden
![]()
Deze categorie maakt meer dan de helft (> 50 %) uit van de feiten in de gerechtelijke onderzoeken en aangiften. Dit percentage blijft in zijn geheel stabiel en neemt als dusdanig nauwelijks toe door de jaren heen. Wat de klachten van deze categorie betreft, is er dan weer wel een stijging waar te nemen van 75 % van 2000 tot 2001, en van 25 % van 2001 tot 2002. Niettegenstaande deze toename in 2002 minder groot is, blijft deze stijgende trend zorgwekkend. Indien deze negatieve evolutie inzake de schendingen van de fundamentele rechten en vrijheden van de burgers zich bestendigt, dan is dit een democratische rechtsstaat onwaardig.
In absolute cijfers betekent zulks dat het Vast Comité P in 2002 kennis heeft gekregen van 786 feiten. Daarvan hadden 78 feiten betrekking op de willekeurige vrijheidsberoving, 258 feiten behelsden daden van willekeur en 432 feiten gaven het onrechtmatig gebruik van gewelddaden tegen personen aan.
Wat de bescherming van de fundamentele rechten betreft, zijn de 78 gemelde feiten van willekeurige vrijheidsberoving - in de mate dat ze bevestigd zouden worden - onaanvaardbaar. Het Vast Comité P heeft er in de voorbije jaren overigens voor geijverd dat de principes van vrijheidsbeneming correct zouden worden toegepast. Naar aanleiding van het toezichtsonderzoek aangaande de amigo's werden er trouwens constructieve voorstellen ter voorkoming van elke willekeurige vrijheidsbeneming geformuleerd. Alhoewel daden van willekeur niet geheel kunnen uitgesloten worden, moet ernaar gestreefd worden hun aantal tot een strikt minimum te beperken. Ze geven immers ontegensprekelijk aan dat de hiërarchische verantwoordelijken hun functioneel en wettelijk toezicht op een niet-doeltreffende wijze uitoefenen. Bovendien draagt dit bij tot een normvervaging. Deze normvervaging is des te zorgwekkender wanneer moet worden vastgesteld dat zelfs een politieofficier, die op het ogenblik van de feiten korpschef was, werd veroordeeld wegens het aanzetten tot racisme en het gebruik van geweld. Wanneer men dan bovendien naliet aan deze korpsoverste het signaal te geven dat dergelijke attitudes ook deontologisch geheel onaanvaardbaar zijn, zet de toezichthoudende bestuurlijke overheid de deur wagenwijd open voor een desastreuze normvervaging in alle geledingen van het korps [ 158 ] .
Het theoretisch kader van handelen bestaat en wordt onder andere geschapen door de grondwet, de verdragen met betrekking tot de rechten van de mens en met een duidelijke opdrachtomschrijving in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt [ i 48 ] en de wet van 7 december 1998 op de geïntegreerde politie [ i 49 ] .
Persoonlijke of organisatorische spanningen die voortkomen uit de verandering tengevolge van de inwerkingtreding van de wet van 7 december 1998 op de geïntegreerde politie mogen geen reden zijn voor het niet constant toepassen en respecteren van de basisrechten van elke burger.
Niet alleen in de opleiding moet sterk geïnvesteerd worden, maar ook in het opsporen en bijsturen van afwijkend gedrag. Zonder afbreuk te doen aan de louter repressieve procedures, moet dit manifest falen bijsturing vinden door toepassing van de tuchtwet (en de statutaire wet). Het kan niet dat politieambtenaren die pertinente inbreuken hebben gepleegd op het respect en de waarden die aan elke rechtsonderhorige worden toegekend, dit - zelfs bij herhaling - straffeloos kunnen doen. Het uitblijven van een sanctiebeleid bestendigt deze negatieve attitudes. De nood aan ingrijpende verandering op dat vlak berust bij de hiërarchische oversten, die hiervan één van hun stokpaardjes dienen te maken.
Tabel 7 : Machtsmisbruik of valsheid
![]()
Het procentueel aandeel in het geheel van de feiten blijft over de drie jaren gelijk. De enige noemenswaardige verschuiving heeft betrekking op de klachten die, ondanks de zeer lage ruwe cijfers, tussen 2000 en 2002 met meer dan 100 % stijgen. De absolute cijfers lijken te zijn gestagneerd, na een aanzienlijke toename in 2001. Niettemin blijft het verontrustend (cf. tussentijds verslag) dat 168 feiten (80 %) betrekking hebben op valsheden en schending van het beroepsgeheim.
Het proces-verbaal is in ons rechtssysteem een zeer belangrijk instrument in de beoordeling van de feiten en blijft de basis tot het nemen van gerechtelijke en rechterlijke beslissingen. Gelet op het enorme aantal processen-verbaal dat wordt opgesteld, moet het absoluut cijfer enigszins gerelativeerd worden. Dit neemt echter niet weg dat elke politieambtenaar zich bewust moet zijn van de draagwijdte van zijn/haar proces-verbaal en het belang ervan in ons rechtssysteem.
De schending van het beroepsgeheim is een weerkerende inbreuk op te beschermen individuele rechten en toont in hoofde van de politieambtenaar een verlaging van het normbesef en de beroepsernst aan.
De eventuele gevallen van valsheid in geschrifte en de eventuele schending van het beroepsgeheim zijn niet altijd terug te brengen tot kwaadwilligheid, maar kunnen het gevolg zijn van het gebrek aan competentie en verwaarlozing van de kwaliteit bij de uitvoering van taken en opdrachten, wat ze er evenwel niet minder erg op maakt.
Nogmaals dient benadrukt dat een politieambtenaar zich, door zijn opleiding, naar een hogere norm moet kunnen tillen. Door een (voortgezette) vorming moet zijn inzicht in de werking van ons rechtssysteem worden verbeterd en bestendigd. Kwaliteitscontrole is andermaal een functionele opdracht van de daartoe aangewezen hiërarchische overste.
Tabel 8: Diverse strafrechtelijke feiten
![]()
Deze categorie van onderzochte feiten vertegenwoordigt gemiddeld 5,7% van de aangeklaagde handelingen. Hiervan is 33 % te situeren in de sfeer van verduisteringen en diefstallen. Aangezien het Vast Comité P in verschillende klachten geconfronteerd werd met diefstallen naar aanleiding van gerechtelijke of bestuurlijke aanhoudingen, heeft het daaromtrent een afzonderlijk toezichtsonderzoek geopend. De bevindingen van dat onderzoek werden niet alleen aangekondigd in het tussentijds verslag, maar zijn inmiddels uitgemond in een gedetailleerde en concrete aanbeveling gericht aan de minister van Binnenlandse Zaken, de minister van Justitie, de leiding van de federale politie en aan de Vaste Commissie van de lokale politie [ 159 ] .
Opvallend is evenwel de toename van de klachten in verband met het gebruik van verdovende middelen. Dit fenomeen wordt door de korpsoversten volledig onderkend en leidt tot zeer lage sanctionering [ 160 ] . De tolerantie lijkt zelfs hoger te zijn dan bij het gebruik van alcohol indien de betrokken politieambtenaar zijn dienst zogenaamd 'naar behoren' vervult. Een aanpassing van de wet op het tuchtstatuut [ 161 ] dringt zich op, of minstens een uitbreiding van de interpretatie van artikel 25, 2de lid, van dezelfde wet. Dit naar het gebruik en het bezit van drugs toe.
De problematiek rond alcohol op de werkvloer heeft ook het voorwerp uitgemaakt van een onderzoek door de Dienst Enquêtes P en zal ten andere het voorwerp uitmaken van een opvolging ad hoc.
Tabel 9: Houding en gedrag van de individuele politieambtenaar
![]()
Deze categorie van feiten die voornamelijk te maken hebben met een rechtstreeks contact tussen de politieambtenaar en het publiek gaat crescendo. Ten opzichte van het jaar 2000 noteren we een verdrievoudiging van het aandeel, dat nu 35,31 % van de aangeklaagde feiten vertegenwoordigt.
Vooral de agressieve en intimiderende houdingen worden aan de kaak gesteld in 177 gemelde feiten.
Gebrek aan respect en beleefdheid, gepaard gaande met ongepast taalgebruik, wordt 119 maal aangeklaagd. Onder lakse of negatieve houding wordt verstaan dat de politieambtenaar wel zijn taak formeel vervult, maar aan die taakinvulling qua attitude en beroepsernst geen correcte invulling geeft. Het niet noteren, niet melden of nalaten door te verwijzen en zelfs geheel passief blijven in een voor de rechtsonderhorige crisissituatie is veelal aan de orde.
Het dient echter aangestipt dat de rechtsonderhorige ook niet steeds kan vrijgepleit worden. Het gebeurt wel meer dat de provocerende houding bij sommige rechtsonderhorigen tot doel heeft de aandacht van hun eigen wetsovertredend of afwijkend gedrag af te leiden [ 162 ] .
Het handelen van de politiediensten in het algemeen wordt ontegensprekelijk gerelateerd aan de perceptie van en het contact met de individuele politieambtenaar. De negatieve perceptie brengt op onrechtstreekse wijze een verstoring teweeg in het vertrouwen dat een rechtsstaat zijn burgers moet bieden; dit niet in het minst door het politieoptreden. De slogan 'De politie mijn vriend' is nog niet vergeten en mede daardoor blijven de verwachtingen, terecht, hoog gespannen, juist zoals deze van de wetgever of de regering met de inplaatsstelling van een gemeenschapsgerichte politie met haar inherente gevolgen.
Een adequate interventie of hulp begint met een luisterbereidheid, waardoor spontaan respect wordt afgedwongen tussen alle betrokken partijen. Een burger heeft geen boodschap aan een politieambtenaar die zijn gebeurlijke frustraties en opgelopen stress wenst te ventileren via ongepast gedrag.
Het totaalbeeld van de ontvangen en verwerkte klachten geeft aan dat er verder dient gewerkt te worden aan het ontwikkelen van de fundamentele waarden van de politiediensten en het geven van inhoud aan de gewenste politiecultuur. De gemeenschapsgerichte politiezorg moet daarenboven 'problem solved geïnspireerd zijn. De houding van de politiediensten en politieambtenaren moet vooral conflictregulerend zijn en daarbij moet elke vorm van provocatie geweerd worden.
Tabel 10: Tekortkomingen aan de beroepsplichten
![]()
In deze categorie is een jaarlijkse stijging waar te nemen, die resulteert in een verdrievoudiging van het aantal feiten ten opzichte van het jaar 2000. Van het totaal aantal feiten valt 17,54 % onder deze noemer. Opvallend voor het jaar 2002 is de toename van het aantal inbreuken op de geheimhouding, het misbruik maken van zijn functie en op het beginsel van de neutraliteit. Die laatste inbreuk moet echter sterk gerelativeerd worden daar het overgrote deel van deze klachten behelsd is in het kader van burenruzies. Het volstaat dat een verbalisant zich enige tijd (langer) ophoudt met één van de partijen opdat de andere klacht zou formuleren tegen hem wegens partijdigheid. De korpsoversten zijn zich heel goed bewust van deze problematiek en in elke zone is het fenomeen 'burenruzie' genoegzaam bekend. Bedoeld fenomeen slorpt in vele gevallen zelfs heel wat capaciteit op. Het buurtschap heeft duidelijk geen conflictregulerende invloed meer op de onderscheiden buurtbewoners en het ontbreken van een toereikende wijkwerking of het gemis aan een probleemoplossende en gemeenschapsgerichte wijkinspecteur staat in de weg dat problemen in de kiem gesmoord worden. Op die manier ontaarden kleine geschillen in een onverzoenlijke strijd die geen enkele oplossing meer kan krijgen. Het geheel werkt heel wat frustraties in de hand. Dit zowel bij de conflicterende partijen als bij de betrokken politieambtenaren, waarvan verwacht wordt dat ze orde, openbare rust en recht doen heersen. Zoals gesteld in het tussentijds verslag, is hier nood aan een gedegen opleiding en coaching voor de wijkinspecteurs of «nabijheidsagenten ».
Algemeen gesproken is het aantal klachten voor het foutief opstellen van processen-verbaal verminderd met een tiental eenheden. Dit is een positief ingezette trend die weliswaar blijvende aandacht vergt zodat dit soort klachten verder kan afnemen.
Zoals bij de categorie machtsmisbruik en valsheid vermeld werd, is het proces-verbaal een sluitstuk van de bewijsvoering. Dat gegeven moet de politieambtenaar steeds in gedachten houden en moet terug te vinden zijn in zijn concrete verwezenlijkingen. Ook die kunnen en moeten gestuurd worden door vorming en (voortgezette) opleiding, waarbij bijzondere aandacht wordt geschonken aan een correct gebruik van de kennis van het recht, de geactualiseerde kennis van (rechts)procedures van zowel strafprocesrecht als burgerlijk recht. Deze parate en geactualiseerde kennis, samen met permanent aanwezige integriteit worden reeds meer dan eens - door het Vast Comité P benadrukt als kritische succesfactoren voor de aanvaarding door de burger van een neutraal politioneel optreden.
Niettegenstaande de belofte om het eerste (federaal) opleidingsprogramma bij te sturen, dient te worden opgemerkt dat deze accenten onvoldoende gelegd worden.
Verontrustender is tevens de toename van klachten met betrekking tot het takelen en de identiteitscontroles. Alhoewel het Vast Comité P in de drie voorgaande jaarverslagen de problematiek van het takelen [ i 50 ] uitvoerig heeft toegelicht, en waar nodig, de problematiek met verantwoordelijken binnen de korpsen heeft aangekaart en niettegenstaande de inspanningen van de verschillende al dan niet hiërarchische overheden, blijven de klachten dienaangaande toenemen. Een initiatief van de overheid is hier dringend nodig. Met enkele eenvormige procedures toe te passen over het ganse grondgebied zouden deze klachten tot een minimum kunnen gereduceerd worden.
Wat de identiteitscontroles betreft, blijkt dat de ontvangen klachten gepaard gaan met het slecht of niet naleven van de procedures. Ondoordacht wordt gebruik gemaakt van de identiteitscontrole als deus ex machina om iemand te 'pakken'. Elke banale woordenwisseling kan aanleiding geven tot het verzoek tot overlegging van de identiteitskaart. In geval van weigering wordt zelfs overgegaan tot een bestuurlijke ophouding in het politiekantoor. Zulks is voor sommigen het middel bij uitstek tot intimidatie en impliceert - voor zover de feiten zich bevestigen - een misbruik van gezag en macht [ 163 ] .
Een nieuw fenomeen dat zich voordoet en waardoor de klachten in deze categorie sterk toenemen, is het neerleggen van klachten door verdachten of veroordeelden, al dan niet middels een advocaat, tegen de onderzoeker(s). Deze klachten hebben veelal te maken met een of ander belangrijk strafrechtelijk dossier. Uit een aantal onderzoeken lijkt het erop dat het enige doel van deze klachten een louter dilatoir manoeuvre is tijdens de procedure, of dat de klacht tot doel heeft om na een veroordeling elementen te verzamelen om een nieuw proces te kunnen afdwingen. Wij zullen dit fenomeen meer in detail opvolgen en analyseren om er de nodige lessen uit te kunnen trekken.
Tabel 11 : Politieorganisatie - doelmatigheid, doeltreffendheid en coördinatie van de diensten
![]()
Deze tabel geeft gedetailleerde cijfers in verband met de interne organisatie en werking van de politiekorpsen naar doelmatigheid, doeltreffendheid en coördinatie van hun diensten. Door een vernieuwde codering, zoals aangekondigd in ons tussentijds verslag en nu operationeel, kan het Vast Comité P een 5O-tal modaliteiten van feiten in de database opvolgen. Daarbij zal bijzondere aandacht besteed worden aan communicatie- en informatiesystemen [ 164 ] , absenteïsme, gebruik van de middelen, het gebruik en de toepassing van de interne procedures, gebrek aan professionalisme, aanwerving - selectie - onderricht - training en opleiding, werk- en gezagsrelaties.
Wanneer we deze feiten relateren aan de voorbije werkingsjaren, komen we tot de conclusie dat de geformuleerde klachten lichtjes stijgen en de aangeklaagde feiten zich voornamelijk situeren in het veld van de algemene organisatie en misbruik van gezag. Bedoelde klachten worden voornamelijk door leden van het korps zelf geformuleerd en komen dikwijls anoniem bij het Vast Comité P toe.
Klachten met betrekking tot de politieorganisatie kunnen aanleiding geven tot het doorlichten van een politiekorps en tot het opstarten van een toezichtsonderzoek.
Veel van de door het Vast Comité P geregistreerde feiten vervullen een signaalfunctie en zijn dan ook de eerste indicatoren om een eventuele disfunctie te onderkennen.
Momenteel wordt een volgende categorie uitgewerkt die betrekking heeft op de tekortkomingen op het gebied van management en beleid van een zone of een korps. Het Vast Comité P verzamelt de daartoe noodzakelijke gegevens door zelfevaluatie enerzijds en door audits van de korpsen gebaseerd op het EFQM-model anderzijds.
De onderliggende theoretische visie is uiteengezet in onze analyse «Van inzicht tot uitzicht» die het voorwerp uitmaakt van een afzonderlijke publicatie, die zal kunnen worden geraadpleegd op onze website www.comitep.be.
29. Door het Vast Comité P genomen beslissingen
Tabel 12: Overzicht van de beslissingen genomen door het Vast Comité P
![]()
Het hoge aantal beslissingen, waarvan alleen de inhoudelijk relevante werden weerhouden, is te verklaren door het stijgend aantal dossiers. De toename van de klachten en aangiften (en al de te verifiëren aantijgingen die hiermee verband houden) houdt dan ook in dat een groot deel van de aangeklaagde feiten niet zozeer een vraag tot onmiddellijke remediëring inhouden, doch slechts een mededeling zijn van feiten als ventilatie van een gevoel van onbehagen. Het feit dat burgers dit aan het Vast Comité P melden, bevestigt hun vertrouwen in onze instelling. Eenzelfde vertrouwen zouden zij ook moeten hebben ten opzichte van de politiekorpsen zelf. Naar de toekomst toe zullen de klachten gemeld aan het Vast Comité P, immers vlotter toevertrouwd kunnen worden aan de diensten of de personen die de functie intern toezicht binnen de korpsen waarnemen. De klagers zullen hiervan op de hoogte gesteld worden, met vermelding van het waarom en hoe de klacht werd overgemaakt. Weliswaar met dien verstande dat, indien zij niet akkoord gaan met de wijze waarop hun klacht wordt behandeld of het gevolg dat de korpsoverste aan hun klacht geeft, het Vast Comité P voor een tweede lectuur kan gevat worden. Op deze wijze zal ten andere het Vast Comité P zijn algemene opdracht tot controle ten volle kunnen uitoefenen en zal de korpsleiding een efficiëntere en snellere feedback krijgen bij de klachten. Daardoor zal een persoonlijke disfunctie vlugger gedetecteerd kunnen worden, met een vluggere remediëring tot gevolg.
Daarnaast blijkt tien procent van de klachten ongegrond te zijn en dit is een repetitief cijfer. Er is een stijging waar te nemen van het aantal klachten die niet onder de bevoegdheid rationae materiae van het Vast Comité P vallen en derhalve naar andere instanties werden doorgestuurd.
Opmerkelijk is wel dat in 599 dossiers of 24,8 % er door het Vast Comité P geen fout of disfunctie werd weerhouden. De keerzijde is dat in 397 dossiers of 16,4 % van de gevallen wel een individuele fout of disfunctie werd vastgesteld. In 55 van de dossiers, zijnde 2,28 % werd een organisatorische disfunctie vastgesteld, waarvoor de korpschef, evenals de klager en in voorkomend geval het betrokken personeelslid steeds een feedback van het Vast Comité P heeft ontvangen.
De tussenkomsten van het Vast Comité P of de Dienst Enquêtes P in een klachtendossier heeft ook tot gevolg dat een bepaalde situatie geregulariseerd werd of het probleem werd opgelost. Dit was het geval voor 118 dossiers of 4,89 %.
Ten slotte werden tijdens de klachtenafhandeling 53 dossiers of 2,19 % gerechtelijk; deze werden in handen gegeven van de gerechtelijke overheden.
Er mag echter niet worden vergeten dat de politieambtenaren, hun hiërarchische verantwoordelijken en zij die op een of andere manier in deze de eindverantwoordelijkheid dragen, op nagenoeg ononderbroken wijze, een positieve en constructieve bijdrage leveren om het aan gang zijnde veranderingsproces, met zijn voor de hand liggende groeipijnen, tot een succes te laten uitgroeien.
Het Vast Comité P werkt trouwens niet vanuit een repressieve ingesteldheid, de eerste finaliteit bestaat erin zowel remediërend als probleemdetecterend op te treden. Er werden trouwens meermaals felicitaties overgemaakt aan een korps ofwel uit hoofde van het optreden van een politieambtenaar of uit hoofde van de wijze waarop de klachten door het korps zelf werden behandeld.
Afdeling 3: Evaluatie van de informatie meegedeeld aan het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten
30. Evaluatie van de informatie over vonnissen en arresten en over lopende opsporings- en gerechtelijke onderzoeken [ i51 ]
De afhandeling van gerechtelijke onderzoeken neemt soms heel wat tijd in beslag, met als gevolg dat het vonnis of arrest zelden wordt uitgesproken in hetzelfde jaar waarin de feiten werden gepleegd. Om relevante conclusies te kunnen trekken, dient de informatie die het Vast Comité P ontvangt bij toepassing van artikel 14, 1 ste lid van de wet van 18 juli 1991 te worden beschouwd over een aantal jaren. Dit werd reeds gedaan in ons vorig jaarverslag [ i 52 ] en zal, desgevallend in ruggespraak met de bevoegde gerechtelijke overheden, ook in 2004 gebeuren.
Huidige analyse, zowel kwantitatief als kwalitatief van aard, heeft alleen betrekking op in kracht van gewijsde getreden uitspraken.
Volgende tabel geeft per ressort van het Hof van Beroep de meegedeelde vonnissen en arresten weer. De informatie over de lopende strafonderzoeken wordt aan het Vast Comité P overgemaakt in uitvoering van het bovenvermelde artikel 14, 2de lid.
Tabel 13 : Overzicht van de vonnissen en arresten met betrekking tot politieambtenaren
![]()
Van de 64 vonnissen en arresten die in 2002 werden uitgesproken, hadden er 49 betrekking op leden van de lokale politie en 15 op leden van federale politie. Bijna de helft van deze uitspraken betreft inbreuken op het verkeersreglement, waarvan er 29 werden gepleegd buiten dienst en één in dienst. Van de overige 34 uitspraken hebben er 21 (zijnde 33 % van het totaal) betrekking op feiten gepleegd in dienst of in rechtstreeks verband met de dienst.
Het betrof vier feiten aangaande schending van beroepsgeheim; één feit met betrekking tot valsheid in geschriften; vijf feiten wegens valsheden in het algemeen; drie feiten impliceerden alcoholgebruik; één feit werd weerhouden als diefstal, laster en eerroof; drie feiten behelsden opzettelijke slagen.
Vier uitspraken betroffen een vrijspraak en één een verval van de strafvordering wegens overlijden van de beklaagde. Er werd één ontzetting uit de rechten uitgesproken. Uiteindelijk werden acht effectieve gevangenisstraffen met uitstel, al dan niet samen met een geldboete, één effectieve gevangenisstraf en 19 opschortingen uitgesproken .. Dit betekent dat op het totaal van de uitgesproken zaken, slechts 1,5 % aanleiding heeft gegeven tot een effectieve gevangenisstraf.
In de huidige stand van zaken is het voor 2002 niet mogelijk bijkomende lessen te trekken uit de beschikbare gegevens. Een vergelijking met vorige jaren, alsook van de rechtsgebieden onderling brengen ons ertoe te concluderen dat meer dan waarschijnlijk, zoals dit ook in het verleden al werd vastgesteld, alle inlichtingen ons niet noodzakelijk werden toegezonden.
In geen enkel ressort is er een stijging van behandelde zaken en uitspraken [ i 53 ] merkbaar. Opmerkelijk is dat het ressort Antwerpen, waaronder één van de grootste Vlaamse politiekorpsen ressorteert, in vergelijking met Gent en Brussel en op basis van aangifte, zeer weinig lopende strafonderzoeken heeft, namelijk 78 over de laatste drie jaar. Deze vaststelling is merkwaardig, te meer omdat de Dienst Enquêtes P over dezelfde jaren alleen voor het gerechtelijk arrondissement Antwerpen 105 onderzoeken verrichtte. Voor het ressort van het Hof van Beroep Antwerpen werden er in totaal zelfs 180 uitgevoerd. Eenzelfde bedenking kan ook gemaakt worden voor de andere rechtsgebieden. De Dienst Enquêtes P heeft in drie jaar, in opdracht en ten behoeve van de verschillende arrondissementen, 1 397 gerechtelijke onderzoeken uitgevoerd. Aangezien de Dienst Enquêtes P geen exclusiviteit heeft op het uitvoeren van opsporings- en gerechtelijke onderzoeken, moet bovenvermeld cijfer in elk geval verhoogd worden met de opsporings- en gerechtelijke onderzoeken uitgevoerd door de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, evenals door andere politiediensten.
Bovenvermeld geringe cijfer zou kunnen worden verklaard door het niet correct naleven van de meldingsplicht, waardoor aan het Vast Comité P de mogelijkheid wordt ontnomen om een gefundeerde analyse te maken. Een andere reden die niet cijfermatig wordt ondersteund maar wel in hoofdzaak intuïtief wordt aangevoeld, is de praktische toepassing van het opportuniteitsbeginsel, waardoor heel wat dossiers uiteindelijk geseponeerd worden. Voor 2001 werden er 184 dossiers geseponeerd. Voor 2002 hebben we kennis van 62 geseponeerde dossiers. Dit wat de gerechtelijke onderzoeken betreft die dat jaar door de Dienst Enquêtes P gestart werden. Uit dit seponeringsbeleid blijkt dat de feiten waarvoor politieambtenaren uiteindelijk wel veroordeeld werden zich meer in de sfeer van verkeersinbreuken bevinden, dan wel in de sfeer van het schenden van de fundamentele rechten en vrijheden van de rechtsonderhorige. In 2002 werden er door de Dienst Enquêtes P 676 feiten genoteerd in verband met schendingen van vrijheden en rechten. In 2001 waren dat er 526, tegenover 452 in het jaar 2000.
Op basis van deze gegevens is een duidelijke discrepantie merkbaar tussen het aantal gepleegde ernstige feiten, de vervolging ervan en de uiteindelijke berechting van de dader. In het tussentijds verslag over de klachten en aangiften van 2002 vermeldde het Vast Comité P al dat er een normvervaging opgemerkt wordt in verband met feiten die inbreuken op de fundamentele rechten en vrijheden uitmaken, daarin werd gesteld: «[…] is dit een zorgwekkende evolutie in een democratie waarin de politie verondersteld wordt de eerste verdediger van deze rechten te zijn».
Er dient opgemerkt dat de 111 gemelde feiten van vrijwillige slagen en verwondingen, de 43 schendingen van het beroepsgeheim en de 102 feiten van willekeur, in het jaar 2000, geen aanleiding hebben gegeven tot een hoger aantal vervolgingen. Voor 2001 ging het over 148 gemelde feiten van willekeur, 181 feiten van gewelddaden en 52 schendingen van het beroepsgeheim.
Zonder het seponeringsbeleid van het openbaar ministerie in twijfel te trekken, dient de bedenking te worden gemaakt of een dergelijke vorm van straffeloosheid die hier het gevolg van lijkt te zijn de normvervaging niet bestendigt (dit blijkt althans uit de cijfers). De korpschefs zouden zich, hoewel niet gegrond, gerugsteund kunnen voelen door een klassering zonder gevolg. Daarenboven wordt deze seponering aangegrepen om geen tuchtprocedure op te starten. Zelfs een terechtwijzing van de betrokken politieambtenaar is niet meer aan de orde. Hierover voert het Vast Comité P een studie uit, waarvan een synthese is opgenomen in dit jaarverslag onder de titel «Tuchtbeleid» . Het Vast Comité P zal aandacht blijven besteden aan deze kwestie teneinde de redenen en motiveringen van deze klasseringen zonder gevolg beter te begrijpen.
Het Vast Comité P acht het, gelet op de invloed van het sepot op het interne tuchtbeleid, dan ook wenselijk met de gerechtelijke overheid een evaluatie te maken van het seponeringsbeleid ten overstaan van feiten waarbij politieambtenaren waren betrokken.
31. Evaluatie van de informatie overgemaakt op basis van artikel 14bis, 2de lid [ i54 ]
Hoewel de wet aan de bevoegde tuchtrechtelijke overheden de verplichting oplegt om maandelijks, op omstandige wijze, het Vast Comité P op de hoogte te brengen van elke tucht- of ordemaatregel die is uitgesproken tegen een lid van een politiedienst, leven niet alle componenten van de geïntegreerde politie of niet alle politiekorpsen deze verplichting na.
Het feit dat de wetgever daarenboven in de tuchtwet ook voorzien heeft dat de korpsen informatie aan de tuchtraad dienen te bezorgen, ontslaat hen niet van de eerder aangehaalde en bij wet vastgelegde verplichting om het Vast Comité P in te lichten.
Teneinde tegemoet te komen aan het argument van de «tijdrovende en bijkomende» administratieve verplichtingen, heeft het Vast Comité P het initiatief genomen om één enkel aangifteformulier te ontwikkelen, zowel voor het Vast Comité P, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, als voor de Tuchtraad.
Er dient opgemerkt te worden, zoals trouwens ook gesteld in andere bijdragen aan dit jaarverslag, dat politiediensten of hun verantwoordelijken om de wettelijk opgelegde kennisgeving(en) over te maken nog steeds wachten op een beslissing van het openbaar ministerie wanneer zij een proces-verbaal aangaande bepaalde feitelijkheden gepleegd door leden van hun korps aan de magistraat hebben overgemaakt. Ondertussen wordt elk onderzoek belemmerd, meer nog indien de magistraat besluit dat er geen strafrechtelijke inbreuken werden gepleegd of dat in het dossier wegens opportuniteitsreden niet zal worden vervolgd, wordt geen enkele verdere actie meer ondernomen, ook niet op tuchtrechtelijk vlak. Geen enkele wettelijke bepaling voorziet in dit graag aangewend voorwendsel om niet te moeten overgaan tot het nemen van maatregelen van inwendige orde.
De korpsen doen inzien dat deze houding niet strookt met de wet, een tussenkomst bij gepleegde feiten haar kracht en nut verliest naarmate de tijd verstrijkt en zij hierdoor een grote kans onbenut laten om een bekritiseerbare attitude bij te sturen, is een nieuwe uitdaging voor 2003 voor het Vast Comité P.
31.1. Federale politie
Zoals verleden jaar heeft het Vast Comité P duidelijk de indruk dat voor 2002 niet alle gegevens over tuchtrechtelijke maatregelen werden overgemaakt. Zo heeft het Vast Comité P slechts informatie ontvangen met betrekking tot 91 beslissingen ontvangen en dit voor een korps dat meer dan 12 000 leden telt. Daardoor zou de indruk kunnen ontstaan dat deze instelling op gebied van tucht geen openheid wenst te tonen. De Tuchtraad echter ontving 179 meldingen van tuchtbeslissingen door de federale politie. Hieruit kan eveneens worden besloten dat het niet naleven van de wettelijke verplichting tot informatie aan het Vast Comité P het resultaat zou kunnen zijn van een bewuste keuze. Andere aanwijzingen gaan trouwens in dezelfde richting, wat we alleen maar kunnen afkeuren.
Bij de gegevens van de federale politie die toch werden overgemaakt, viel het op dat er voor Vlaams-Brabant geen enkele beslissing werd genomen en voor Antwerpen, Oost-Vlaanderen en Luxemburg slechts elk één beslissing. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest neemt 55 beslissingen of 60,5 % voor zijn rekening, maar is wel de locatie waar een groot gedeelte van de effectieven van de federale politie geconcentreerd is. Henegouwen en Luik zijn samen goed voor 20 % van de beslissingen en de overige 4 provincies nemen de resterende 17 % voor hun rekening.
De meegedeelde beslissingen bestaan uit 31 waarschuwingen, 34 maal werd een blaam gegeven, 11 maal werd beslist tot inhouding van wedde, 5 schorsingen bij tuchtmaatregel, 1 terugzetting in weddeschaal, 1 ontslag van ambtswege en 8 voorlopige schorsingen.
Op basis van gerechtelijke inbreuken, zoals diefstal (2), valsheden (2), schending van het beroepsgeheim (2) en verkeersinbreuken (6) werden er 12 beslissingen genomen.
Op basis van andere inbreuken van deontologische aard komt voornamelijk de lakse en negatieve houding, misbruik van het dienstrooster en comptabiliteit van de uren en alcoholgebruik voor.
Uit de aan het Vast Comité P verstrekte informatie kunnen we niet afleiden of de betrokken persoon voor één feit, dan wel bij herhaling werd gesanctioneerd, zodat bij het evalueren van de uitgesproken sanctie in vergelijking met het gepleegde feit de nodige voorzichtigheid in acht moet genomen worden.
Wat opvalt, is dat er voor dezelfde feiten bij de federale politie meer zwaardere sancties worden uitgesproken dan bij de lokale politie. Dit neemt niet weg dat de laagste straffen veelvuldiger voorkomen dan de zware sancties, ook voor ernstige feiten. Zowat 71 % van de sancties betreft lichte sancties zoals de waarschuwing en de blaam.
Dronkenschap wordt regelmatig beteugeld met inhouding van wedde, terwijl voor verwaarlozing van de dienst, onprofessioneel gedrag en diverse inbreuken op de deontologie een verwittiging wordt gegeven.
Aangezien een correcte toepassing van het tuchtrecht een middel is voor bijsturing van ongewenst gedrag, zal het Vast Comité P hierover verder een bijzondere analyse uitvoeren.
31.2.