Jaarverslag 2003 - Hoofdstuk II, III, IV + Lijst van afkortingen
Hoofdstuk II: Globale monitoring van de politiediensten
Afdeling 1: Beschikbare informatie en informatie toegezonden aan het Vast Comité P – Eerste evaluatie van de tendensen inzake klachten en aangiften in 2003
Afdeling 2: Opvolging van de uitvoering van de wetten van 7 december 1998 en van 5 augustus 1992 (tussen januari en december 2003)
Afdeling 3: Perspectieven – Beeldvorming op basis van de jaarverslagen van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus
80. Opstellen van een proces-verbaal wegens verkeersovertredingen door een politieambtenaar die persoonlijk betrokken is bij de feiten die hij heeft vastgesteld
84. Een democratische, verantwoorde en transparante politiezorg met oog voor de eerbiediging van de mensenrechten
Hoofdstuk II:
Globale monitoring van de politiediensten
Op uitdrukkelijk en herhaaldelijk verzoek van zijn Parlementaire begeleidingscommissie
heeft het Vast Comité P in 2000-2001 de uitvoering opgevolgd van wat
de politiehervorming werd genoemd. Na verdere precisering van dit verzoek
door, en nog steeds op vraag van, deze Commissie, heeft het Comité de wijziging
van het politielandschap in 2002 eveneens becommentarieerd in zijn jaarverslag 2002.
In dat kader bespreken we hierna verschillende aspecten van de uitvoering
van de politiefunctie door de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd
op twee niveaus. Deze oefening is bijzonder delicaat en moeilijk, om verschillende
redenen. Gezien de omvang en de complexiteit is het immers nagenoeg onmogelijk
om deze problematiek in haar totaliteit op enkele pagina’s te schetsen. Bijgevolg
zal het Vast Comité P slechts een aantal aspecten van de problematiek
beschrijven en van commentaar voorzien, rekening houdend met de bekommernissen
van zijn Parlementaire begeleidingscommissie – en ook met de zijne – en binnen
de limieten van zijn opdrachten en bevoegdheden.
Gezien de talrijke facetten van dit probleem moest het Vast Comité P
ook afstappen van zijn gebruikelijke werkwijze, van zijn gangbare referentiekaders
en zijn klassieke onderzoeksmethodologieën. Aldus heeft het Comité eerst
de globale problematiek geregeld opgevolgd, op basis van de beschikbare open
bronnen, van het wettelijk en reglementair referentiekader dat geleidelijk
aan werd verduidelijkt door verschillende richtlijnen, waarvoor, telkens wanneer
dat mogelijk was, bijkomende informatie werd gevraagd.
Daarnaast werd meermaals van gedachten gewisseld met verschillende actoren
of intervenanten die bij de hervorming betrokken zijn, onder meer tijdens
de hearings die in 2003 en zelfs begin 2004 werden georganiseerd door
het Vast Comité P. Een laatste hearing was tegelijk met de redactie
van dit jaarverslag gepland met de commissaris-generaal van de federale politie
en zijn directeurs-generaal, maar, om verschillende redenen buiten de wil
van het Comité om, kon deze hoorzitting jammer genoeg niet plaatsvinden.
Deze hearing zou, in principe, op 22 juni 2004 moeten plaatshebben.
Het spreekt vanzelf dat alle aldus ingezamelde gegevens, in de mate van het
mogelijke, met elkaar werden vergeleken of werden geverifieerd door ze te
plaatsen tegenover de gegevens die beschikbaar waren in het kader van andere
toezichthoudende activiteiten van het Vast Comité P of die hem krachtens
de wet moeten worden toegezonden.
De oefening die het Comité dient te maken, is ook delicaat en moeilijk omdat
er een verschuiving in de tijd is tussen de vijf sleutelmomenten die deze
analyse kenmerken: (1) de periode waarop het verslag betrekking heeft
(jaar 2003); (2) het ogenblik waarop dit deel van het verslag wordt
opgesteld (januari-februari 2004); (3) het ogenblik waarop dit verslag
bij het Parlement wordt neergelegd (1 juni 2004) en (4) zijn
bespreking door de Parlementaire begeleidingscommissies van de Vaste Comités
van Toezicht op de politie- en inlichtingendiensten (ten vroegste eind juni-begin
juli 2004); (5) tot slot, de publicatie van het verslag, die pas
kan geschieden na de bespreking door de Commissie. Daarom zal het Vast Comité P
dit verslag, indien nodig, aanvullen door op het ogenblik van de bespreking
een aangepast document te overhandigen aan de leden van zijn begeleidingscommissie.
Wegens dit bijzondere aspect van de taak die het Vast Comité P dient
te vervullen, gezien de mogelijke transpositie van deze beschouwingen in het
verslag over de globale monitoring van de werking van de politiediensten die
het moet waarborgen, tevens rekening houdend met de moeilijkheden die het
soms ondervindt – zoals elders gemeld – om bepaalde informatie te krijgen
of om er toegang toe te hebben of nog de traagheid waarmee deze informatie
wordt overgemaakt, meer in het bijzonder gezien de absolute noodzaak om voorafgaandelijk
kennis te nemen van de jaarverslagen of algemene verslagen van andere intervenanten
of actoren
[i] , vraagt het Vast
Comité P zich af in welke mate het systeem dat aanvankelijk was voorzien
voor het opstellen en neerleggen van de jaarverslagen van de Vaste Comités
van Toezicht op de politie- en inlichtingendiensten tegen 1 oktober,
dit wil zeggen juist voor de opening van het parlementaire jaar, niet meer
voordelen bood dan het huidige systeem: de neerlegging van het jaarverslag
tegen 1 juni, een datum die misschien te dicht bij de afsluiting van
het parlementaire jaar ligt, vooral in de jaren waarin er verkiezingen plaatsvinden.
Dit verslag met betrekking tot de klachten
en aangiften is opgesteld op basis van de gegevens verwerkt in de database
van het Vast Comité P. Deze gegevens betreffen dossiers geopend in het kalenderjaar 2003,
de aangegeven feiten kunnen niettemin dateren van vóór 2003 of gevolgen
hebben na 2003. Algemeen gesproken wordt er klacht ingediend of aangifte
gedaan kort nadat de feiten zich voordeden, maar soms worden ook klachten
geregistreerd over feiten die zich enkele jaren geleden hebben voorgedaan.
De database wordt enerzijds gevoed door de rechtstreekse klachten die het
Vast Comité P bereiken via brieven, fax, e-mail, persoonlijke ontmoeting
met een lid van de Dienst Enquêtes en zelfs via telefonische registratie.
Anderzijds komt er informatie in verband met andere of door andere diensten
behandelde klachten of aangiften bij het Comité terecht via de federale en
lokale politie
[ii] , de Algemene
Inspectie van de federale politie en van de lokale politie, alsook over bepaalde
feiten of door politieambtenaren gepleegde inbreuken via de procureurs-generaal,
auditeur-generaal, procureurs des Konings, arbeidsauditeurs of de federale
procureur of nog politieambtenaren
[iii] . Al deze personen
hebben immers de wettelijke verplichting het Vast Comité P in te lichten
over de door hen ontvangen klachten en aangiften, door hen vastgestelde misdaden
of wanbedrijven gepleegd door een lid van een politiedienst, genomen tuchtsancties,
uitgesproken vonnissen en arresten. Ten slotte dient het Vast Comité P
alle algemene of jaarverslagen te ontvangen over de werking van de lokale
en de federale politie
[iv] , waarin vaak
gelijkaardige informatie is opgenomen.
Het spreekt vanzelf dat de analyse die gemaakt wordt door het Vast Comité P
deels afhankelijk is van de gegevens die het van deze actoren ontvangt.
Zoals al in vorige jaarverslagen en in het bijzonder in het tussentijds verslag
met betrekking tot de klachten en aangiften van 2003 werd aangehaald,
wordt voornoemde wettelijke verplichting over het algemeen steeds beter nageleefd
en stelt het Vast Comité P met genoegen vast dat de lokale politie het
nut van deze informatiedoorstroming inziet en vele korpsen op systematische
wijze de gevraagde informatie in verband met klachten en aangiften spontaan
overzenden. Op het vlak van de jaar- en werkingsverslagen dient er nog vooruitgang
te worden geboekt, want momenteel worden deze verslagen pas heel laat toegezonden
aan het Vast Comité P. Wat de samenwerking met andere diensten betreft,
werden er protocollen ondertekend of verfijnd en werd tevens in uitgewerkte
procedures voorzien. Er rijzen nog enkele kleine problemen o.a. wanneer eenzelfde
klacht zowel aan de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale
politie als aan het Vast Comité P is gericht. In dit opzicht moet vastgesteld
worden dat artikel 10 van de wet van 18 juli 1991 nog niet
altijd adequaat wordt toegepast. De inhoud van de overgemaakte informatie
laat ook geregeld te wensen over en dient dan na vragen of briefwisseling
vervolledigd. Deze toestand verbetert niet, niettegenstaande dit probleem
tijdens overleg- of andere vergaderingen sinds meer dan anderhalf jaar wordt
aangekaart.
Wat de rechtstreekse werklast betreft, blijkt uit een grondige analyse van
de eigen werking dat per klachtendossier gemiddeld 5 brieven werden verzonden,
waardoor de klachtenbehandeling voor het Comité en zijn administratie een
hoge werklast inhoudt. Zo werden er in 2003 in het kader van de klachtenbehandeling
niet minder dan 9 000 brieven verzonden en meer dan 1 200 kantschriften
opgesteld. Dit alles vertegenwoordigt voor de administratie een hoog aantal
arbeidsuren, waarbij nog de input in de database dient gerekend van alle informatie
die het Comité dagelijks ontvangt. Deze eerste input omvat zoveel mogelijk
gegevens over de identiteit van de klager en de betrokken politieambtenaar,
een codering van de feiten, een samenvatting van de klacht alsook de oriëntatie
die aan het dossier zal worden gegeven nadat het is besproken op een plenaire
vergadering van het Comité. Elk dossier wordt voorzien van een uniek nummer.
Via de informatica kan elk dossier in real
time automatisch worden geïnventariseerd.
50. Onderzoeken van het Vast Comité P
50.1. Dossiers met betrekking tot klachten en aangiften sensu stricto
Tabel 1: Klachten (s.s.)
De stijgende trend die ingezet werd vanaf 1999 blijft voortduren.
Op datum van 31 december 2003 had het Vast Comité P 1 786 klachten
ontvangen. Dit is een stijging met ruim 20 % ten opzichte van 2002
en met 72,85 % in vergelijking met het basisjaar 1999.
De nog lopende dossiers in 2003 (17,08 %) geven een stijging van 3 %
aan ten opzichte van 2002.
Verhoudingsgewijs is de toename van het aantal klachten in 2003 echter
kleiner dan deze die de voorgaande jaren werd opgetekend.
Het hoge aantal klachten kan nog steeds verklaard worden door de perceptie
van de burger dat de politiehervorming (nog) steeds haar doel niet zou hebben
bereikt, niettegenstaande recente peilingen of studies
[v] een stijgend
vertrouwen van de burger in de politie aangeven. De grotere mondigheid
van de burger speelt hier tevens een rol, alsook het feit dat het Vast Comité P
hoe langer hoe meer gekend is door de burger. Dit neemt niet weg dat de
verwachtingen van de burger, die zich terecht in een verzorgingsstaat thuis
voelt, hoog gespannen zijn. Een aantal klachten vloeit effectief voort
uit een grote zorg vanwege de burgers, maar een even groot aantal kan worden
beschouwd als een loutere uiting van frustratie omdat men door de wetsdienaren
werd geverbaliseerd wegens overtreding van de wet, waarbij men niet zozeer
de betrokken politieambtenaar viseert, maar wel de wetten die hij doet naleven
of de overheid op verschillende niveaus. Het enige verweer van de politie
is “don’t shoot the pianist”. Klachten worden ook meer en meer ingediend
als tactisch middel in een hangend strafrechtelijk onderzoek met als enig
doel de onderzoeker in diskrediet te brengen of in de hoop het onderzoek
te vertragen.
Dit alles neemt niet weg dat elke klacht informatie levert over de werking
van de politiediensten. Bij de niet-tactische klachten valt een zekere
constante op, namelijk een onderliggende onmacht van de burgers, die menen
dat het vernieuwde politieapparaat niet de verhoopte veiligheid en bescherming
zou bieden. De aangekondigde hervormingen van de politie werden niet steeds
gecommuniceerd met bijhorende timing. De verwachtingen van de klager, die
een eigen timing in gedachte heeft, wordt nogmaals doorkruist door de prioriteiten
die door de overheid aan de politie in het algemeen worden gegeven. Voor
Jan met de pet is zijn situatie op dat ogenblik belangrijk en niet een beleidsnorm
uit het zonaal of nationaal veiligheidsplan. Het leeuwendeel van de klachten
gaat dan ook over individuele voorvallen en situaties in rechtstreeks contact
met de politie.
Bij de verdere bespreking van de gegevens per aangeklaagd feit moet
worden opgemerkt dat de perceptie van de klager niet steeds overeenkomt met
deze van de betrokken politieambtenaar. Dit blijkt duidelijk uit de beslissingen
over de klachten die werden genomen, zowel door het Vast Comité P als
door de commissaris-generaal, de plaatselijke korpschef en de Algemene Inspectie.
Niet te veronachtzamen is ook de berichtgeving in de media waardoor men de
indruk kan hebben dat er een algemeen klimaat van wantrouwen heerst, terwijl
het meestal gaat om punctuele berichtgeving die doorgaans een of andere disfunctie
aan de kaak stelt. Deze berichtgeving is niet steeds een goednieuwsshow en
kan aan de lezer of kijker, die niet altijd een goed zicht heeft op wat er
op dat ogenblik allemaal gebeurde, een vertekend beeld geven, wat niet helpt
om de zaken te relativeren.
Nu de korpsen via de wijziging van de wet van 18 juli 1991 de mogelijkheid
krijgen om klachten die aan het Comité werden gezonden, in wederzijds vertrouwen
autonoom af te handelen en zelf de klager op de hoogte brengen van het onderzoek,
wordt opgemerkt dat bijna geen klagers een tweede lezing vragen door het Vast
Comité P. Deze werkwijze biedt het korps de mogelijkheid om het vertrouwen
van de burger opnieuw te winnen en maakt de afstand tussen diegene die onmiddellijk
een bepaalde situatie kan verhelpen en de klager aanzienlijk kleiner. Ook
dat is één van de doelstellingen waarom het Vast Comité P werd opgericht.
De Dienst Enquêtes van het Vast Comité P kan ook gevat worden door de gerechtelijke overheden, meestal door het openbaar ministerie of de onderzoeksrechter, voor het uitvoeren van gerechtelijke onderzoeken en dit in overeenstemming met het Wetboek van Strafvordering. Het Vast Comité P heeft bijgevolg zeer weinig vat op het aantal gerechtelijke onderzoeken dat aan de Dienst Enquêtes wordt toegewezen, al kan het duiding geven en kunnen de voorzitter en de directeur-generaal hier een zekere positieve rol spelen. Dit aantal is in se wisselend en moeilijk op voorhand in te schatten. Bovendien is het dikwijls afhankelijk van de actualiteit.
Tabel 2: Gerechtelijke onderzoeken
A.
B.
Zoals bij de klachten wijst niets er rebus sic stantibus op dat de stijging van het aantal gerechtelijke dossiers zich niet zal voortzetten. De 556 toevertrouwde gerechtelijke onderzoeken vertegenwoordigen een toename met 4,14 % ten opzichte van 2002 en met 35,25 % in vergelijking met het basisjaar 1999.
Doordat de goede afhandeling van deze opdrachten een zekere prioriteit geniet, is het niet verwonderlijk dat van de gerechtelijke dossiers toevertrouwd in 2003 er al 344 werden beëindigd. In 130 onderzoeken wordt de beslissing van het parket afgewacht, zodat er in feite nog maar 80 onderzoeken lopend zijn.
Het cijfer dat u aantreft in tabel A onder “Lopend” is een optelsom van
de lopende onderzoeken over de jaren heen, terwijl de cijfers onder de rubrieken
“Open in 2003” en “Lopende kantschriften 2003” in tabel B de huidige toestand
(op datum van 1 mei 2004) weergeven. De 423 lopende onderzoeken maken 18,03
% uit van het totale aantal onderzoeken gestart sinds 1999.
Het grootste aantal feiten waarom een gerechtelijk onderzoek werd opgestart,
zijn slagen en verwondingen, gevolgd door daden van willekeur in hoofde van
de politieambtenaar en schending van het beroepsgeheim. U zult in de verdere
bespreking van de feiten onder de kolom “D.E.” het aantal feiten terugvinden
waarover de Dienst Enquêtes gevat werd.
Het Vast Comité had gehoopt dat, met het aantreden van de nieuwe
regering, een selectieve en beredeneerde toewijzing door de minister van Justitie
van onderzoeken aan de Dienst Enquêtes en/of aan de diensten van de
Algemene Inspectie en/of aan de politiediensten zou worden gefinaliseerd.
Het voorstel dat het Vast Comité P krachtens de wet van 18 juli 1991
diende op te stellen, werd reeds in 2001 aan de toenmalige minister van Justitie
overgemaakt. Deze kwestie werd sindsdien in elk jaarverslag behandeld, alsook
in bijzondere verslagen, briefwisseling of nog besproken met de Parlementaire
begeleidingscommissie. Men kan zich niet van de indruk ontdoen dat sindsdien
bepaalde actoren het proces proberen lam te leggen of te bemoeilijken uit
niet te verantwoorden overwegingen. Het Vast Comité P zal hieromtrent
zo nodig nog eens verslag uitbrengen aan het Parlement. Een taakverdeling
conform de wet zou het Vast Comité P de mogelijkheid bieden om zijn
wettelijke opdracht als globaal observatorium beter uit te voeren omdat het
toegang zou hebben tot gegevens over inbreuken die duidelijk rechtstreeks
verband houden met zijn specifieke opdrachten en bevoegdheden, zoals de naleving
en bescherming van de fundamentele rechten van de mens, de coördinatie
en de doeltreffendheid/doelmatigheid van de politiediensten.
Zoals hoger vermeld, krijgt het Vast Comité P rechtstreeks van
de burger en vanuit verschillende organisaties informatie. De klachten vormen
het grootste deel van de allegaties, maar hebben meestal betrekking op een
specifieke tussenkomst van een politieambtenaar. Deze allegaties worden omgezet
in een code, niet alleen om door de database op een efficiëntere wijze te
kunnen worden verwerkt in statistieken, maar ook omdat dit reeds een eerste
weging en analyse van het aangeklaagde gebeuren inhoudt.
In totaal worden de feiten ondergebracht in een 160-tal codes, maar in de
hiernavolgende bespreking van feiten zijn er slechts 86 codes of onderscheiden
feiten verwerkt. Al deze codes in een vergelijkende tabel onderbrengen zou
deze onleesbaar maken, zodat geopteerd werd om deze feiten weer te gegeven
in groepen die een beter beeld kunnen schetsen van de attitudes van politieambtenaren.
Voor de eerste maal werden ook de feiten opgenomen die rechtstreeks aan de
politie werden gesignaleerd. Het aantal van deze feiten (2 512) wijst
erop dat de politie soms meerdere codes vermeld heeft per dossier, wat duidt
op een eigen analyse van de feiten.
Tabel 3: Aangeklaagde feiten
Om deze klachten over n-jaren te kunnen vergelijken, werd
aan de gegevens over de periode 1 januari tot 31 december 2003
de standaardwaarde 100 gegeven.
Opvallend is dat het aantal gemelde gerechtelijke feiten via de Dienst Enquêtes
ongeveer gelijk blijft, terwijl deze via aangiften (gerechtelijke en niet-gerechtelijke)
van de politiekorpsen en klachten (niet-gerechtelijke) toenemen.
Deelt men het aantal feiten door het aantal klachtendossiers, merkt men
dat in 2001, 2002 en 2003 gemiddeld respectievelijk 1,8 feiten,
1,2 feiten en 1,6 feiten per dossier werden genoteerd in de aangiften
bij het Vast Comité P.
Zonder afbreuk te doen aan de gegevens met betrekking tot gerechtelijke onderzoeken (artikel 26 van de wet van 18 juli 1991), hebben de door de Algemene Inspectie overgemaakte gegevens betrekking op een vrij beperkt aantal dossiers, namelijk 319 voor 2003, waarin melding wordt gemaakt van een 600-tal feiten. De informatie afkomstig van de lokale en federale politie betreft 1 297 dossiers gaande over 2 512 feiten. De informatie van de federale politie neemt hierin slechts een zeer klein aandeel in: in totaal werden 77 feiten door de federale politie aan het Vast Comité P medegedeeld, een cijfer dat, gelet op het totale aantal federale politieambtenaren, op het eerste gezicht, verwaarloosbaar lijkt.
Volgende overzichten geven de genoteerde feiten weer ingedeeld in grote categorieën per inbreuk, waarbij bij de interpretatie rekening dient gehouden met de eerder lage instroom van gegevens over de federale politie. Wij verrichten in dit verband de nodige verificaties. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het feit dat slechts een relatief klein gedeelte van de federale politieambtenaren rechtstreeks in contact komt met de burger op straat en ze bijgevolg minder onderhevig zijn aan kritiek.
Tabel 4: Aantasting waardigheid burgers
De categorie van deze feiten slaat op omstandigheden die voldoen
aan een strafrechtelijke omschrijving en in het Strafwetboek opgenomen kwalificaties.
Het aandeel van de klachten met betrekking tot inbreuken op de waardigheid
van de burger blijft stijgen wat de klachten rechtstreeks via het Comité
ingediend betreft, terwijl dit soort klachten via de Dienst Enquêtes sterk
is afgenomen. In absolute cijfers werden toch nog 135 allegaties gemeld,
terwijl de gerechtelijke onderzoeken met betrekking tot dezelfde feiten
gedaald zijn tot 65.
Uit het aantal ingediende klachten bij de lokale politie kan wel afgeleid
worden dat klachten eerder rechtstreeks worden geformuleerd aan het Vast
Comité P dan aan de korpschef. Dit zou kunnen verklaard worden doordat
mensen die met deze feiten geconfronteerd worden geen vertrouwen hebben
in de leiding van het korps wat het optreden tegen racistisch gedrag of
bedreigingen en beledigingen betreft. De leden van de politiediensten hebben
ook oog voor deze negatieve attitudes, zoals blijkt uit de 92 aangiften
op basis van het artikel 26 van de wet van 18 juli 1991.
Het aantal klachten en gerechtelijke onderzoeken stijgt, maar dient gerelativeerd
te worden in het licht van het totale aantal politieambtenaren, zijnde 40 000.
Het is niet verwonderlijk dat het hoogste aantal klachten komt uit politiezones
waar vreemdelingen of Belgen van vreemde origine het talrijkst aanwezig
zijn, zoals de zones waar Brussel en Schaarbeek deel van uitmaken en de
zone Antwerpen. Bij een blijvende toename van het aantal klachten en aangiften
zou het interessant kunnen zijn om in deze zones een thematisch onderzoek
te verrichten.
Meestal worden deze klachten rechtstreeks overgemaakt aan het openbaar
ministerie dat autonoom beslist al dan niet een verder gerechtelijk onderzoek
te voeren. Uit de ons overgemaakte inlichtingen overeenkomstig artikel 14,
1ste lid weten we dat er één uitspraak met betrekking tot
racisme werd uitgesproken, één wegens belediging en drie wegens bedreigingen.
Dit zal verder besproken worden in de rubriek over vonnissen en arresten,
maar nu reeds kan worden gesteld dat er aanzienlijk meer onderzoeken aangaande
deze categorie van feiten werden gevoerd: voor 2003 bedroeg dit 37 onderzoeken
in verband met bedreigingen, zes in verband met racisme en xenofobie en 19
wegens laster en eerroof.
Het Vast Comité P blijft deze klachten opvolgen en, parallel aan een
gerechtelijk onderzoek, neemt het contact op met de directeur-generaal personeel
of met de korpschef om de feiten ook aan zijn appreciatie te onderwerpen.
Bij nazicht van de door het Vast Comité P genomen beslissingen betreffende
deze categorie feiten dienen de allegaties toch sterk genuanceerd te worden
en zijn een aantal klachten ingegeven door een soms overdreven gevoeligheid
of ongepaste reflex van sommige klagers.
Het Vast Comité P heeft over de volledige problematiek een rapport opgesteld onder de titel “Intolerantie, discriminatie, racisme en xenofobie bij politiediensten of -ambtenaren”. Dit verslag zal later in 2004 worden gepubliceerd want het moet eerst nog worden voorgelegd aan zijn Parlementaire begeleidingscommissie.
Tabel 5: Inbreuken op de rechten en vrijheden
Aangezien deze inbreuken meestal een hoofdzakelijk strafrechtelijke connotatie hebben, is het niet verwonderlijk dat het aantal klachten van dit type bij de Dienst Enquêtes een hoge score haalt: meer dan de helft van de door deze dienst gevoerde onderzoeken heeft immers op deze categorie van feiten betrekking. De percentages van de klachten en aangiften blijven in verhouding tot het totale aantal feiten in dezelfde orde van grootte.
Elke klacht met betrekking tot inbreuken op de rechten en vrijheden
wordt ernstig genomen. De 538 allegaties met betrekking tot gewelddaden tegen
personen of goederen en de 132 gemelde willekeurige vrijheidsberovingen werden
onderzocht. De 269 feiten van daden van willekeur houden soms verband
met de twee hoger vermelde categorieën, maar kunnen ook afzonderlijk hun gevolgen
hebben. Vaak zijn deze klachten wegens politiegeweld gericht tegen de interventiediensten
omdat deze diensten het vaakst in contact komen met het publiek. Veel feiten
van geweld situeren zich in het kader van de ordehandhaving bij manifestaties
en sportevenementen. Van de door het Vast Comité P behandelde dossiers
doorstaat zowat 45 % van de klachten niet de toetsing van onverantwoord
gedrag, terwijl 43 % voldoende gestaafd werd om verder onderzoek te verrichten.
Nuttig in deze context is de verwijzing in dit jaarverslag naar het verslag
over de eerbiediging van de mensenrechten naar aanleiding van vrijheidsberovingen [vi]
alsook naar het antwoord van het Vast Comité P
op het rapport van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en van
onmenselijke en vernederende behandeling of bestraffing
[vii] . Hieruit blijkt
duidelijk dat het Vast Comité P blijft streven naar een mentaliteitswijziging
en de dialoog aanmoedigt om de mensen te doen inzien dat het gebruik van geweld
het bewijs is dat de dialoog is mislukt, terwijl dat geweld een uitzondering
moet blijven in een rechtsstaat. In dit verband kan verwezen worden naar
het verslag over het gebruik van dwang en geweld in een politiecontext [viii]
en het feit dat het globale onderzoek naar dwang
en geweld in 2003 werd voorbereid en geleidelijk opgestart.
Tabel 6: Machtsmisbruik of valsheid
In absolute cijfers is er een vermeerdering van het aantal aangegeven
feiten, waarbij in het bijzonder de stijging van aangiften op basis van
het artikel 26 opvalt. Dit komt ook naar voren in het percentage op
het totale aantal allegaties, waarbij de aangifte via de politiediensten
toch 12,64 % van de op die wijze ontvangen aangiften vertegenwoordigt.
Zoals in vorig jaarverslag werd aangeduid, is de toenemende tendens van
feiten die te maken hebben met valse verklaringen, valsheid in geschrifte
en valsheden voornamelijk in processen-verbaal verontrustend te noemen.
Hieraan mag ook gekoppeld worden de veelvuldig aangekaarte schendingen van
het beroepsgeheim. Ook onzorgvuldigheden in verband met de onschendbaarheid
van de woning werden in 2003 vaker aangegeven dan in 2002.
Zowel in het tussentijds verslag als in de vorige jaarverslagen werd onderstreept
dat ons rechtssysteem afhankelijk is van de correcte weergave van informatie
door verbalisanten, zodat de korpschefs nog beter dienen te waken over een
correct opstellen van de processen-verbaal. Tijdens onze contacten met
de korpsen en met de federale politie hebben we kunnen vaststellen dat zij
zich terdege bewust zijn van de impact van een opgesteld proces-verbaal.
Dit neemt niet weg dat 133 allegaties betrekking hadden op valsheden.
Aangezien deze categorie van feiten te maken heeft met een strafrechtelijke benadering of kwalificaties van de gepleegde valsheden, is het niet verwonderlijk dat de Dienst Enquêtes 31 onderzoeken diende uit te voeren naar aanleiding van zulke gepleegde valsheden. Van de 384 meegedeelde strafonderzoeken in 2003 zijn er 29 die betrekking hebben op valsheid in geschrifte of valse verklaringen. Schending van het beroepsgeheim werd 18 maal meegedeeld als het voorwerp van een strafonderzoek, niettegenstaande 53 schendingen aangeduid werden in de dossiers van de Dienst Enquêtes.
In het tussentijds verslag werd de vraag gesteld of deze negatieve gedragingen wel op voldoende wijze bestraft worden op bestuurlijk, statutair of tuchtrechtelijk vlak. Op dit laatste vlak werden aan het Vast Comité P 6 tuchtzaken in verband met schending van beroepsgeheim gemeld en 13 tuchtzaken rond valse verklaringen en valsheid in geschrifte.
Tabel 7: Strafrechtelijke feiten
Het aantal klachten met betrekking tot diefstal allerlei neemt gestaag
toe, maar maakt in het geheel een klein percentage uit van de aangegeven
feiten. Deze feiten situeren zich nog steeds meestal naar aanleiding van
een (bestuurlijke) aanhouding waarbij goederen toebehorende aan diegene
die in de amigo wordt opgesloten, in bewaring worden genomen. Het verlies
gaat over geld, juwelen, gsm’s en andere persoonlijke voorwerpen. Tijdens
één van de bezoeken aan een amigo heeft het Vast Comité P kunnen vaststellen
dat de goederen weliswaar op een correcte wijze geïnventariseerd werden
en ingesloten in een doorzichtige plastic zak, maar dat de kastjes waarin
deze zakken werden ondergebracht niet werden afgesloten. Dit wekt de indruk
dat de korpsen zich nog steeds onvoldoende bewust zijn van het feit dat
zij voor een sluitende inbewaarneming moeten zorgen en zij bij verlies de
bewijslast hebben.
Spijtig genoeg is, zoals aangekondigd in vorige verslagen, het gebruik van
drugs toegenomen. Meer nog, deze tendens neemt steeds verontrustender proporties
aan. Niet alleen zijn er gevallen gekend van druggebruik, maar ook van
het bezit van verdovende middelen dat hoger is dan toegelaten voor persoonlijk
gebruik. De parketten deelden 9 onderzoeken mee met betrekking tot
drugs, terwijl 3 zaken door de Dienst Enquêtes werden onderzocht specifiek
in verband met drugs. In heel wat korpsen is er voor het gebruik van alcohol
een nultolerantie, maar dit neemt niet weg dat het gebruik ervan voor sommige
politieambtenaren problematisch blijft.
In totaal werden er 10 tuchtzaken gesignaleerd met betrekking tot alcohol-
of druggebruik buiten dienst en 42 binnen de dienst. De problematiek
rond druggebruik kan daarenboven groter zijn dan uit de cijfers blijkt,
aangezien, in tegenstelling tot bij alcohol, de symptomen niet zo duidelijk
zijn. Een bijkomende test is eigenlijk noodzakelijk om het bewijs van gebruik
te leveren. Ook de leden van de werkgroep “Hervorming tuchtstatuut” buigen
zich over deze problematiek. Er rijzen vragen zoals: Moeten er andere criteria
worden vastgelegd of gelden deze van artikel 37bis van de verkeerswet
over de bestraffing van rijden onder invloed van (psychotropische) stoffen?
Moet er een onderscheid gemaakt worden al naargelang van de soorten drugs,
quid met sporen van dopingproducten? Quid met een zero
tolerance of met producten die nog zeer lange tijd detecteerbaar zijn,
maar geen invloed hebben gehad op de dienstuitvoering? Alleen al rond deze
issues dient zo snel mogelijk een debat gevoerd te worden, te meer daar
studies uitwijzen dat bij jongeren (de politie rekruteert nu kandidaten
van de generatie 70 en 80) het nieuwe cannabisbeleid een verwarrend debat
is
[1] .
Derde opvallend cijfer is dat van de klachten met betrekking tot wapenbezit. Er werden minstens 14 feiten gemeld waarbij niet alleen dienstwapens op foutieve wijze in de privé-sfeer aangewend werden, maar ook tijdens de dienst. De feiten gaan van het schieten op honden, varkens, verkeersborden tot de intimidatie van de eigen partner met het dienstwapen. Het inhouden van een dienstwapen als tuchtsanctie vinden we terug in 4 tuchtbeslissingen van de korpschef.
Tabel 8: Houding en gedrag van de individuele politieambtenaar
Deze categorie van feiten maakt 25 % van de allegaties uit,
zodat toch stil mag gestaan worden bij de absolute cijfers. In totaal gaat
het over 747 allegaties, waarbij – zeer merkwaardig – het niet akteren,
niet vermelden of niet doorverwijzen de grootste categorie uitmaakt, gevolgd
door agressiviteit, intimiderende houding, een gebrek aan respect, beleefdheid
en ongepast taalgebruik.
Deze cijfers kunnen de indruk wekken dat vele politieambtenaren lui, agressief
en onbeleefd zijn, maar dit is niet zo. Het voordeel van een gestructureerde
registratie van klachten is dat ook de naam van de betrokkenen genoteerd
wordt, zodat een vaste negatieve attitude kan onderscheiden worden van een
occasioneel gebeuren.
Toch kan niet voorbij gegaan worden aan het loutere feit dat in totaal 1 387 allegaties
te maken hebben met de houding en het gedrag van de individuele politieambtenaar.
Een gevolgtrekking, op basis van de gemelde tuchtsancties waarbij slechts
15 zaken te maken hadden met klantonvriendelijkheid, zou kunnen zijn
dat korpschefs ervan uitgaan dat de aangeklaagde feiten niet of onvoldoende
bewezen zijn, dat de agressie in een aantal gevallen door de klager zelf
werd uitgelokt of dat de versies van klager en politieambtenaar tegenstrijdig
zijn, waarbij er wordt van uitgegaan dat de versie van de politieambtenaar
prevaleert op deze van de klager. Zelfs indien er getuigen zijn, is het
nog moeilijk om de politieambtenaar te doen toegeven dat hij onbeleefd was
of op zijn minst aan overacting heeft gedaan en is hij zich niet steeds
bewust van de impact die zijn gedrag heeft op het algemeen imago van de
politie. Wie anders dan deze professionals beschikken over voldoende training
en vaardigheden om het hoofd koel te houden en op een duidelijke en kordate
wijze de klager te wijzen op zijn deviant gedrag? Zelf een gedrag tentoonspreiden
dat niet tolereerbaar is voor een ander, heeft meer negatieve gevolgen dan
de kortstondige “overwinning” in de conflictsituatie.
Het Vast Comité P dient tevens vast te stellen dat de burger niet alleen mondiger geworden is, maar in vele gevallen ook een onbeschofte en uitdagende houding aanneemt. Met de regelmaat van een klok maken onderhoorde politieambtenaren de opmerking dat zij zich – soms terecht – gesmaad en gekrenkt voelen, waardoor zij op hun beurt klacht bij het parket wensen neer te leggen. Dit vermag niet dat zulke reacties de klager zijn recht tot het formuleren van opmerkingen zou beperken. Het is dan soms verleidelijk te spelen met de gedachte zoals die bestaat in het Angelsaksische recht: de invoering van een attempt of court.
Het Vast Comité P heeft in 2004 een studie [2] aangevat over het recht van verdediging door de politieambtenaar, maar zal deze uitbreiden met het zoeken naar het antwoord op de vraag “Waar zijn de grenzen van tolerantie wanneer assertief gedrag overgaat in beledigingen?”
Tabel 9: Tekortkomingen aan de beroepsplichten
Voor 2003 kan gesteld worden dat klachten met betrekking tot
de neutraliteit in het oog springen. Net als de voorbije jaren, nemen de
klachten in verband met het opstellen van processen-verbaal een belangrijke
plaats in. Deze twee categorieën gaan samen en zijn onlosmakelijk verbonden
met het professionalisme van de eventueel betichte of verantwoordelijke
politieambtenaar. Deze allegaties gaan verder dan de perceptie van de klager,
aangezien we hier niet meer te maken hebben met een verbaal gebeuren, maar
wel met een geschrift dat op vorm en inhoud kan worden beoordeeld.
Een proces-verbaal kan pas goed opgesteld worden als de betrokken politieambtenaar
zelf voldoende ter taal is of de kunst van het schrijven en beschrijven
niet heeft verleerd. Vele korpschefs zijn zich ervan bewust dat een extra
kwaliteitscontrole op de redactie van de processen-verbaal dient uitgeoefend
te worden, maar mede onder invloed van het grote aantal processen-verbaal
glippen er nog steeds door de mazen van het net. Het nieuwe ISLP-systeem
voor het opstellen van processen-verbaal is wel een hulp qua vorm, maar
de individuele politieambtenaar blijft verantwoordelijk voor de inhoud ervan.
Zij zouden er zich constant van bewust moeten zijn dat zij de oren en ogen
en soms de neus zijn van de magistraten die in een rechtsstaat het vertrouwen
in een correcte en professionele verslaggeving, tot het bewijs van het tegendeel,
moeten kunnen behouden.
Tabel 10: Politieorganisatie – doelmatigheid, doeltreffendheid en coördinatie van de diensten
Het ligt volledig in de lijn van de bevoegdheden van de Algemene
Inspectie van de federale politie en van de lokale politie dat zij in verhouding
een hoger aantal feiten registreert dan het Vast Comité P via de klachten.
De burger is niet steeds op de hoogte van de politieorganisatie als dusdanig,
maar toch kan één van zijn klachten de hefboom zijn om een verder doorgedreven
toezichtsonderzoek op te starten.
Opmerkelijk is wel dat er in 2003 een daling is waar te nemen van bijna
alle categorieën, behalve wat de werksfeer en mobbing betreft. Of deze
toename te wijten is aan het feit dat meer vrouwen bij de politie werken,
blijft een open vraag, niettegenstaande er in alle gemelde gevallen vrouwen
betrokken waren. De parketten meldden 10 strafonderzoeken in verband
met belaging en stalking. In de onderzoeken van de Dienst Enquêtes werden
28 feiten genoteerd in verband met ongewenst seksueel gedrag op het
werk (OSGW).
Op het vlak van tucht werd één sanctie genomen in verband met mobbing,
Dit laatste valt volgens het Vast Comité P onder het schenden van de
integriteit. De tekortkomingen die het Comité in aanmerking neemt, hebben
telkens te maken met het bewust schenden van de integriteit om zichzelf
of anderen voordelen te bezorgen.
Tabel 11: Door het Vast Comité P genomen beslissingen
De recente wetswijziging laat toe klachten rechtstreeks aan de betrokken korpsen te zenden voor autonome afhandeling. Deze autonome afhandeling brengt met zich mee dat de korpschef of de door hem gemandateerde zich rechtstreeks tot de klager kan wenden alsook hem rechtstreeks op de hoogte brengt van het resultaat van het gevoerde onderzoek. In 2003 werden 296 dossiers voor autonome afhandeling aan de korpschefs overgemaakt en 624 voor onderzoek door hun dienst intern toezicht. Voordeel van deze laatste werkwijze is dat de korpsen zelf en onmiddellijk feedback krijgen over de ingediende klacht, wat een vluggere remediëring en bijsturing mogelijk maakt.
De keuze blijft echter een beslissing van het Vast Comité P, dat
ook kan oordelen de klacht door de Dienst Enquêtes, dan wel door de dienst
intern toezicht (of de algemene inspectie) van een korps te laten onderzoeken
of nog, in bepaalde gevallen, de Algemene Inspectie van de federale politie
en van de lokale politie kan vragen deze klacht te behandelen.
Aan de klager wordt steeds meegedeeld wie het onderzoek zal voeren met de
vermelding dat, indien gewenst, het Vast Comité P zal overgaan tot een
tweede lezing van het dossier.
Wat de beslissingen ad rem betreft, moet worden opgemerkt dat
in 2003 in 32,68 % van de gevallen geen bijkomend onderzoek werd
bevolen, zodat de dossiers beoordeeld werden op basis van de ingezonden stukken.
Dit betekent o.a. dat klagers meer dan vroeger hun klacht voorbereiden en
in zeer veel gevallen hun klachten voldoende gestoffeerd waren om onmiddellijk
na ontvangst een beslissing te kunnen nemen. Dit verklaart ook waarom er
in 2003 slechts 88 dossiers ongegrond of zonder voorwerp werden
bevonden.
In absolute cijfers is er een stijging waar te nemen van klachten waarvoor
het Vast Comité P onbevoegd is omdat ofwel de personen tegen wie de klacht
gericht is niet onder het toezicht van het Comité vallen (ratione personae),
dan wel omdat de klacht een aangelegenheid betreft die tot de bevoegdheid
van een andere instantie behoort (ratione materiae).
De door het Vast Comité P aanvaarde fouten of disfuncties bedragen 13 %,
terwijl er in 24,43 % van de klachtendossiers geen fout of disfunctie
werd vastgesteld.
Als deze cijfers van de tabel geëxtrapoleerd worden naar het geheel van de klachtendossiers, komt men tot de conclusie dat op basis van de genomen beslissingen 24,17 % ongegrond blijkt, er in 24,43 % geen fout of disfunctie werd weerhouden en in 18,77 % er wel aanleiding is tot het gegrond verklaren van de klacht.
53. Evaluatie van de informatie meegedeeld aan het Vast Comité P
53.1. Evaluatie van de “inlichtingen” over lopende opsporings- en gerechtelijke onderzoeken en over vonnissen en arresten overgemaakt op basis van artikel 14
Gezien het te weinig betrouwbare of verifieerbare karakter van de “inlichtingen” waarover het in dit verband [x] zou moeten beschikken, verkiest het Vast Comité P geen verslag uit te brengen over de opsporingsonderzoeken en gerechtelijke onderzoeken waarin een politieambtenaar in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991 is betrokken.
Tabel 12: Vonnissen en arresten
Nu er een overzicht kan gemaakt worden van het volledige jaar 2003,
blijft het opvallend dat ondanks het aanzienlijke aantal onderzoeken er
relatief weinig vonnissen en arresten aangaande politieambtenaren worden
uitgesproken. In de veronderstelling dat het Vast Comité P alle beschikbare
informatie over de vonnissen en gevelde arresten heeft ontvangen [xi] en
een gemiddelde duur van 2 jaar aanvaardbaar is alvorens een rechtbank
of hof uitspraak doet over een zaak, komt het het Vast Comité P voor
dat zeer weinig onderzoeken leiden tot een strafrechtelijke behandeling.
In 2000 en 2001 zijn er samen zowel in de schoot van de Dienst Enquêtes
als bij de parketten 1 622 onderzoeken gekend waarbij politiemensen
betrokken waren. Op basis van de interne gegevens van het Vast Comité P
weten we dat voor 2002 en 2003 192 dossiers zonder gevolg werden
geklasseerd, maar voor de voorafgaande jaren beschikken we doorgaans over
onvoldoende cijfers.
Van de 65 uitgesproken vonnissen en arresten hadden er 47 betrekking op
leden van de lokale politie en 18 op leden van de federale politie.
Het Vast Comité P heeft steeds voorgehouden dat de behandeling van
onderzoeken waarbij politiemensen betrokken zijn best bij voorrang wordt
uitgevoerd. Dit om velerlei redenen waarvan de voornaamste zijn: (1) sommige
klachten worden tegen politiemensen geuit om hen van een onderzoek te houden
en in diskrediet te brengen. Zulke situaties moeten zo snel mogelijk uitgeklaard
worden want een lopend strafrechtelijk onderzoek tegen een politieambtenaar
heeft invloed op de organisatie en de andere politiemensen; (2) de
tuchtwet [4]
voorziet dat de tuchtoverheid het einde van het strafonderzoek kan afwachten
alvorens een inleidend verslag op te stellen, dit betekent in vele gevallen
dat, gelet op de gemiddelde tijdsduur van een strafrechtelijk onderzoek,
het meestal geen nut heeft nog een tuchtprocedure te starten, integendeel
het voeren van de procedure wordt over het algemeen als onrechtvaardig ervaren
en werkt contraproductief; (3) de persoonlijke situatie van de betrokken
politieambtenaar die soms maanden het voorwerp is van een schorsing, inhouding
van wedde en zelf zeer snel klaarheid wenst over zijn foutief handelen of
de bestraffing daarvan om zich nadien opnieuw ten dienste te stellen van
het korps.
Soms is er niet zo veel tijd nodig om het onderzoek te voeren, maar kan
het wel een hele tijd duren alvorens de parketmagistraat belast met het
dossier een beslissing neemt in verband met de verdere oriëntatie van dit
dossier. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen de louter strafrechtelijke
inbreuken waarvoor het parket een volledige bevoegdheid heeft en de feiten
die niet als strafrechtelijke inbreuk kunnen worden gekwalificeerd, maar
wel het voorwerp kunnen uitmaken van een tuchtonderzoek in de meest ruime
zin. Het openbaar ministerie is geen tuchtoverheid s.s. meer. De
korpschef en de hogere tuchtoverheid hebben er belang bij om vrij snel inzage
in of een afschrift te krijgen van de onderzoeken tegen politieambtenaren
of van feiten waarbij deze laatsten betrokken zijn. Zonder het strafonderzoek
af te remmen, zou aan de korpschef vlugger toelating moeten worden gegeven
om kennis te nemen van bepaalde stukken.
Van de in 2003 uitgesproken vonnissen en arresten kan volgende analyse
worden gemaakt: 20 % van de feiten die voorkomen in de vonnissen en
arresten gaan over verkeersinbreuken met dronkenschap of intoxicatie, 20 %
over gewelddaden tegen personen of goederen, 11,58 % over andere verkeersongevallen
en 7,37 % over valsheid in geschrifte. De overige percentages slaan
in hoofdzaak op een schending van het beroepsgeheim (4,21 %) en heling
en verduistering (5,26 %).
Na analyse van de vonnissen kan tevens gesteld worden dat er verschillen
merkbaar zijn tussen de ressorten van de hoven van beroep. Zo zijn voor
het ressort Bergen 5 vrijspraken op 11 uitspraken, 2 opschortingen
van de straf en 4 veroordelingen. In het ressort Gent werden 20 uitspraken
gedaan, waaronder 17 veroordelingen en 3 opschortingen van de
straf, maar geen enkele vrijspraak. Voor Luik werden voor de 5 uitspraken
2 opschortingen, 2 veroordelingen en 1 vrijspraak opgetekend.
Voor het ressort Antwerpen zijn de 8 meegedeelde uitspraken allen veroordelingen,
terwijl voor Brussel 21 uitspraken werden gemeld, met name 1 vrijspraak,
1 opschorting van de straf en 19 veroordelingen.
Een andere analyse die gemaakt werd was deze
van de gekende geseponeerde onderzoeken en waarbij voor heel het land 97 dossiers
een sepot hebben gehad, waarvan 15 dossiers betrekking hadden op feiten
van vóór 2003.
Op basis van hoger vermelde analyses zal het Vast Comité P contact opnemen
met het College van procureurs-generaal om inzicht te krijgen in een aantal
vragen: Is er een werkzaam strafrechtelijk beleid van de parketten voor feiten
waarbij politieambtenaren betrokken zijn? Op welke basis worden dossiers
geseponeerd? Hoe kan de informatie nodig voor de evaluatie van feiten in
het kader van een tuchtprocedure binnen een werkzame termijn worden verleend?
Dit alles kadert in het “vernieuwde” tuchtrecht.
Overeenkomstig artikel 14bis,2de lid [xii] van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten moeten alle tuchtrechtelijke overheden het Vast Comité P inlichten over elke tucht- of ordemaatregel die uitgesproken of genomen werd tegen een lid van de politiedienst.
Ook op dit vlak ontvangt het Vast Comité P maar mondjesmaat of onvolledige gegevens van de tuchtoverheid van de federale politie, meer bepaald wat de precieze omschrijving van de feiten betreft, terwijl de lokale politiezones doorgaans wel geregeld verslag uitbrengen. Dit gebeurt echter soms pas nadat zij overtuigd raakten van het feit dat de finaliteit van deze gegevens anders is bij het Vast Comité P dan bij de Tuchtraad, aan wie zij krachtens de tuchtwet [5] gelijksoortige gegevens moeten verstrekken. Het doel van de Tuchtraad is immers een jurisprudentiedatabank te ontwikkelen, terwijl het Vast Comité P de gegevens met betrekking tot tucht dient te verwerken in analyses die bijdragen tot zijn wettelijke opdrachten. Het Vast Comité P moet echter vaststellen dat niet alle tuchtbeslissingen en ordemaatregelen zouden zijn meegedeeld. Het Comité kreeg in 2003 immers kennis van 497 beslissingen over alle korpsen, terwijl de Tuchtraad tijdens dezelfde periode ingelicht werd over 699 dossiers. Het soms aangevoerde argument van extra administratie houdt geen steek omdat identiek dezelfde informatie eventueel in “copy” perfect kan worden overgemaakt zonder enige bijkomende werklast. Deze handelwijze maakte een volledige analyse door het Vast Comité P moeilijker.
Zo ontving het Vast Comité P volgende tuchtzaken over politiemensen met volgende graden: (1) hoofdcommissaris: 9; (2) commissaris: 28; (3) hoofdinspecteur: 64; (4) inspecteur: 294; (5) hulpagent: 28; (6) leerling-officier: 8; (7) Calog: 7; (8) niet-gedefinieerd: 41.
In totaal werden evenveel sancties uitgesproken,
namelijk 479 over 581 feitelijkheden.
Vanuit de federale politie werden 93 beslissingen
meegedeeld, terwijl 361 meldingen betrekking hadden op de lokale politie [6]
.
Een groot deel van de lokale korpsen (geschat op meer dan 30 %) heeft
ofwel in de loop van 2003 geen enkele tuchtbeslissing genomen, ofwel geen
informatie doorgezonden. Wat de grote korpsen betreft, blijken er voor Antwerpen
51 tuchtbeslissingen te zijn genomen, voor Gent 89, voor Luik 51, voor
Bergen 60 en voor Brussel 102, wat betekent dat er voor de overige 191 zones
slechts 126 tuchtbeslissingen zouden zijn genomen. Mogelijke verklaringen
voor het ontbreken van de aangiften of beslissingen zouden kunnen zijn: de
algemene veranderingen naar aanleiding van de hervorming, het gebrek aan opvolging
van de POL 48 en het ontbreken van een dienst intern toezicht, het informeel
oplossen van tuchtproblemen, het wachten op de Deontologische code en ten
slotte het verschillend aanvoelen van situaties naar een tuchtbeleid toe.
De helft van de sancties zijn lichte sancties, terwijl uit verschillende bronnen
vernomen werd dat de sanctie die gepaard gaat met inhouding van de wedde kan
worden afgekocht door niet-betaalde overuren te presteren, zodat deze sanctie
in werkelijkheid geen impact meer heeft. Nogmaals weze erop gewezen dat straffeloosheid
op lange termijn een negatieve bedrijfscultuur creëert, waarbij zowel de goed
functionerende politieambtenaar als het algemeen imago van de politie een
zware deuk krijgen.
De meest voorkomende categorieën van aangegeven feiten zijn: (1) administratieve formaliteiten in geval van ziekte of rechtvaardiging van absenteïsme: 50; (2) alcohol buiten dienst en in dienst: 10 en 42; (3) slechte uitvoering van de opdracht: 16; (4) weigeren bevel: 12; (5) houding buiten dienst die de waardigheid van het ambt aantast: 21; (6) gewelddaden tegen personen: 12; (7) gebrek aan respect-onbeleefdheid: 15; (8) laattijdige afhandeling van processen-verbaal of kantschriften: 22; (9) lakse houding bij taakuitvoering/niet volgen verplichte procedures: 62; (10) misbruik van dienst of middelen: 10; (11) misbruik van comptabiliteit van de uren: 20; (12) te laat op het werk komen of te vroeg het werk verlaten: 15; (13) valsheid in geschrifte: 13; (14) verkeersinbreuken allerlei: 31.
De hoger vermelde feiten en degene die minder
dan 10 maal voorkwamen, hebben geleid tot volgende beslissingen:
Als tuchtsanctie: (1) waarschuwing: 132; (2) blaam: 111; (3) inhouding
van de wedde: 73; (4) schorsing bij tuchtmaatregel: 43; (5) terugzetting
in de weddeschaal: 5; (6) ontslag van ambtswege:
10.
Als ordemaatregel: (1) voorlopige schorsing: 24;
(2) functioneringsnota: 18; (3) verandering van dienst: 15; (4) verbod
toegang tot lokalen: 2; (5) berisping: 1; (6) inhouding dienstwapen:
2; (7) persoonlijke bijsturing: 2.
De openheid en standvastigheid van een korps en zijn leiding kunnen worden afgemeten aan de hand van het tuchtbeleid. Dit geeft een zeer duidelijk beeld van de waarden en normen waarvoor de organisatie staat. Indien de burger meer vertrouwen in het politiekorps wil hebben, dan moet hij ervan overtuigd zijn dat het principe “de ene dekt de andere” niet van toepassing is. De erkenning dat ook de politie fouten kan maken en dat die fouten worden opgevolgd, zou veel sneller een gunstige invloed hebben op het imago dan de publicatie van talloze statistieken.
54. Conclusies en perspectieven“Meten is weten” geldt ook voor het klachtenbeheer van het Vast Comité P in 2003. Dit meten kan slechts nauwkeurig gebeuren als elk korps ervan overtuigd is dat de informatiedoorstroming, meestal wettelijk geregeld, niet bedoeld is om hen extra te belasten, maar wel om feedback te kunnen geven over het geheel van het politielandschap. Iedereen haalt uit de studies, overzichten en punctuele adviezen van het Vast Comité P wat voor hem of haar nuttig en bruikbaar is. Steeds hebben het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes er in hun persoonlijke contacten voor gezorgd dat hun optreden was ingegeven vanuit een positief oogpunt, zowel naar personen als naar de organisatie toe.
Teneinde van de aangifte van feiten en klachten ook voor de korpsen een nuttig instrument te maken, werd in een eerste fase een vereenvoudigd aangifteformulier en nadien, samen met de Algemene Inspectie, een elektronisch aangifteformulier ontwikkeld waardoor de gegevens op een uniforme wijze kunnen worden verstrekt. Bovendien wordt dit formulier voor hen ook een basisvattingsdocument waarvan de gegevens automatisch kunnen verwerkt worden voor verdere analyses. Dit geeft de korpsen op een eenvoudige wijze de mogelijkheid om meer te halen uit de klachten en aangiften, zodat zij deze informatie ook kunnen gebruiken in hun analyse van de tevredenheid van de klant die elke burger uiteindelijk is.
Niet alleen voor beleidsmensen is de huidige analyse nuttig, ook voor de individuele politieambtenaar die geconfronteerd wordt met een heel aantal klachten, waardoor hij soms de indruk krijgt dat hij “gezocht” wordt, de burger steeds gelijk krijgt en hij altijd de kop van jut is.
Uit de analyses van de laatste 5 jaar blijkt duidelijk dat een meerwaarde van het onderzoek van klachten door het Vast Comité P is dat hierdoor verschillende vooroordelen en veronderstellingen werden weerlegd. Gelet op het aantal gegrond verklaarde klachten en het niet zo overdreven groot aantal aanvaarde fouten en disfuncties kan gesteld worden dat men met klachten zeer omzichtig moet omspringen. Om tal van redenen zijn klachten immers niet altijd gesteund op een correcte weergave van de feiten. Dit brengt met zich mee dat over het algemeen genomen de politie door het onderzoek van een extern controleorgaan zich ten dele of volledig kan vrijpleiten van de haar ten laste gelegde aantijgingen. Dat elke betrokken politieambtenaar of korpschef op de hoogte wordt gehouden van de stand van het onderzoek, is, in combinatie met het consequent optreden van het Vast Comité P, ongetwijfeld een steun om zich niet steeds geviseerd te voelen. Bovendien kan het helpen om klachten niet steeds emotioneel te benaderen en ten slotte biedt het de mogelijkheid tot een geobjectiveerde reflectie over zijn eigen handelen.
De uitgangsbasis van het Vast Comité P blijft dat iedere burger
het democratisch recht heeft om zijn mening en versie te ventileren, binnen
de grenzen van wellevendheid, zonder dat diegene tegen wie de klacht gericht
is zich ogenblikkelijk gesmaad dient te voelen. Klachtenbehandeling vereist
de mogelijkheid om afstand te nemen en een niet-persoonlijke, niet-emotionele
benadering, maar wel een zeer grote empathie voor de burger met al zijn verwachtingen
en zijn persoonlijkheid.
Daarom zal het voor 2004 een uitdaging zijn voor alle korpschefs om de autonome
afhandeling van klachten die het Vast Comité P hen heeft toevertrouwd,
aan te wenden als een bruikbaar werkinstrument, waarbij de klachten van de
burger onder dezelfde voorwaarden als bij het Vast Comité P zullen behandeld
worden.
Afdeling 2: Opvolging van de uitvoering van de wetten van 7 december 1998 en van 5 augustus 1992 (tussen januari en december 2003) [xiii]
De lokale politie, zoals gewild in het “Octopusakkoord”, wordt gekenmerkt
door een “gemeenschapsgerichte politie”, die, per definitie, zo dicht mogelijk
bij de lokale eigenheden moet aanleunen
[7] . Het effectief
dat aan een politiekorps is toegekend, moet voldoende zijn om correct te kunnen
werken. Dat veronderstelt dat een aantal opdrachten voor derden of voor zichzelf
worden verzekerd: het korps leiden, het personeel opleiden, de functie van
openbare orde verzekeren, toezien op de verkeerspolitie, enz. Uit diverse
contacten blijkt ook dat een aantal lokale politiekorpsen de minimale functienormen
niet haalden. Zo stellen met name de kleinste zones met klem dat ze voor
bepaalde functionaliteiten niet kunnen instaan. Er moeten dus correcties
worden aangebracht. In die context kan aan de lokale verantwoordelijken misschien
een grotere speelruimte worden gelaten! De KUL-norm, die een dynamisch gegeven
is, zou op een te bepalen regelmatige basis opnieuw moeten worden berekend.
Met de realiteit in de grote steden zou eveneens rekening moeten worden gehouden.
Zowel de financiering als de functies moesten van A tot Z gecreëerd worden:
het gaat om moeilijke intellectuele oefeningen en beslissingen. Er moeten
nu referenties worden vastgelegd, die betrouwbaar zijn en aangepast zijn aan
de nieuwe lokale realiteit, waaronder de nieuwe politie. Er moet met andere
woorden een nieuwe norm worden bepaald, die aangepast is aan de sociologische,
morfologische, infrastructurele wijzigingen van de zone, en dat per politiezone
en niet meer per gemeente. Dat is trouwens ook de wens van de minister van
Binnenlandse Zaken: een nieuwe, meer genuanceerde norm, die een juistere berekening
toelaat. Bij gebrek aan zo’n norm, zullen vele vragen onbeantwoord blijven.
Sommige lokale verantwoordelijken protesteren tegen de uitbreiding van het
takenpakket van de lokale politie en een zekere mogelijkheid tot vordering
door de federale politie, terwijl wettelijk gezien alleen de minister van
Binnenlandse Zaken personeel kan vorderen. Meer dan één lokale overheid is
bang dat de huidige reorganisatie, gestructureerd op twee niveaus, gedoemd
is om te mislukken. Het gebrek aan bekwaamheden in sommige materies en het
gebrek aan operationeel personeel zijn in veel zones structurele problemen,
zodat niet voldoende aan de lokale behoeften wordt voldaan. Zwakke punten
zijn onder meer de versnippering en het capaciteitsgebrek op kritieke momenten.
In ons vorige jaarverslag hebben we al vermeld dat een sterkere samenwerking
tussen de politiezones een oplossing zou kunnen bieden. Die samenwerking
kan uiteraard alleen facultatief zijn en er moet rekening worden gehouden
met de lokale autonomie en behoeften [8]
.
Een andere zonechef legt uit dat men op wijkniveau zou moeten weten wat er
gebeurt en wat incidenten veroorzaakt. Dat alles is in volle ontwikkeling
in zijn zone en in vele andere, waar, naast specifiek lokale initiatieven,
een centralisatie op het niveau van het zonaal informatiekruispunt (ZIK) al
die gegevens, identificatiefiches en de systematische classificatie zal kunnen
beheren, met een directe link met het arrondissementeel informatiekruispunt
(AIK). Er zijn dus interacties tussen het AIK en het ZIK, dat zowat de tegenhanger
van het AIK is op het niveau van de zone. De toename van dergelijke initiatieven
zou tot een grondige reflectie moeten aanzetten.
Wat het aantal zones betreft, heeft het Vast Comité P bij verschillende
contacten kunnen vaststellen – en bepaalde lokale verantwoordelijken hebben
dat overigens uitdrukkelijk gezegd – dat de zones wat te klein of slecht samengesteld
zijn. De doelstellingen inzake politie zijn bijvoorbeeld niet dezelfde.
Volgens de voorzitter van de Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG)
zou de leefbaarheid van sommige zones ook opnieuw moeten worden onderzocht.
Niet alle zones zijn immers in staat om de minimale dienstverlening aan te
bieden om de burgers een comfortabel of aanvaardbaar gevoel van veiligheid
te geven. Een onthaal gedurende 24 uur per dag valt in een te kleine
zone niet te realiseren. Elke zone zou normaal gezien in staat moeten zijn
om de interventies op haar eigen grondgebied uit te voeren, behalve in uitzonderlijke
omstandigheden. Maar dat is momenteel niet altijd mogelijk. Vergeet men
niet al te makkelijk de laterale steunverlening en de interzonale overeenkomsten?
Op verschillende plaatsen vormt de slachtofferbejegening ook een argument
voor grotere zones. Uit sommige vaststellingen blijkt, rebus sic stantibus,
dat het praktisch onmogelijk is om te werken in een zone met minder dan 120
à 150 personen. “Er zijn nog altijd een vijftigtal zones te veel”,
zou Brice de Ruyver, de veiligheidsadviseur van de eerste minister, hebben
gezegd
[9] . De minister
van Binnenlandse Zaken verklaart daarentegen: “Fusies zouden zorgen voor
maandenlang gepalaver”. Hij gelooft dan ook meer in het bevorderen van
een betere samenwerking tussen de zones [10]
, een weg die, ook volgens ons, nog te weinig is bewandeld.
Wordt het geen tijd dat er eindelijk een einde komt aan de kinderziekten die
de uitvoering van de wet van 7 december 1998 heeft veroorzaakt?
Vergeet ook niet dat elke nieuwe verandering een invloed op het geheel uitoefent.
Zowel de burgers als de politiemensen en overheden hebben behoefte aan een
beetje stabiliteit! Iedereen streeft naar een relatieve stabiliteit. Hierop
wensen wij de nadruk te leggen, in de huidige stand van zaken en gezien de
omstandigheden.
Wat de integratie betreft, stellen we net als vorig jaar vast dat de
zones verschillend worden behandeld, meer bepaald op het vlak van de dotaties,
de ratio’s die worden gebruikt voor de dotaties of diverse bijdragen. Wellicht
heeft dat te maken met de specifieke lokale eigenheden. Maar gaat men niet
te ver in deze “global village”? Enige transparantie zou hier zeker
niet misstaan.
Herhaaldelijk is gealludeerd op een vorm van misbruik van de dominante positie
van een of andere gemeente in sommige meergemeentezones, waar het systeem
voor het wegen van de stemmen problemen kan opleveren.
De functie van bijzondere rekenplichtige, die belangrijk is ook al
behoort ze niet tot de voornaamste aandachtspunten van het Vast Comité P,
krijgt soms kritiek: “De invulling en de administratieve ondersteuning
is momenteel heel disparaat en verschilt van zone tot zone. Er is nood aan
een job description. Het is daarbij wenselijk dat het takenpakket van de
bijzondere rekenplichtige wordt opgenomen in de WGP”
[11] .
Artikel 30 van de wet op de geïntegreerde politie bepaalt
dat de bijzondere rekenplichtige wordt aangewezen door middel van een getrapt
systeem. Zo wordt er pas een beroep gedaan op een gewestelijke ontvanger,
wanneer er geen enkele gemeente- of OCMW-ontvanger beschikbaar is. In het
Vlaamse Gewest rijst een probleem, omdat de Vlaamse regering die mogelijkheid
voor de gewestelijke ambtenaren wil afschaffen. De Commissie ter begeleiding
van de politiehervorming op lokaal niveau voegt er ten slotte aan toe: “Het
spreekt voor zich dat ook voor dit punt, net als voor andere problemen waarmee
de politiezones geconfronteerd worden, het toekennen van rechtspersoonlijkheid
aan de eengemeentenzones, heel wat problemen zou oplossen”
[12] .
We kunnen ons daar alleen maar bij aansluiten, ook in het
licht van de operationaliteit en professionalisering.
Regelmatig is er ook sprake van boekhoudkundige problemen. Zo meent de VVSG
dat het lokale niveau onderworpen is aan de lokale boekhouding. Er bestaan
niettemin omzendbrieven die ertoe aanzetten die wettelijke reglementering
niet te volgen.
Verschillende verantwoordelijken hebben ons meegedeeld dat sommige gemeenten,
sommige lokale verantwoordelijken, zelfs politieambtenaren, niet alles wat
van hen verwacht wordt, begrijpen. Zo willen ze, net als vroeger, verschillende
stukken naar het vroegere commissariaat van de gemeente blijven sturen. Er
is ook een probleem wanneer een onderzoeksrechter een kantschrift aan een
welbepaalde officier van gerechtelijke politie overmaakt. Sommige andere
magistraten handelen ook zo en verstoren daarmee eigenlijk een gemeenschapsgerichte
politie. Vaak wordt daardoor zelfs een hypotheek op de gemeenschapsgerichte
politie gelegd!
Vervolgens is er de kwestie van de functie interne controle. Voor
de lokale politie zijn evaluatie en tuchtprocedures vooral beheersinstrumenten.
De eerste evaluaties kunnen wellicht pas in 2006 plaatsvinden, want eerst
moeten de personen die de evaluaties zullen uitvoeren, nog worden opgeleid.
Dat zou trouwens op korte termijn problemen kunnen veroorzaken. De politiewereld
wenst immers een evaluatiesysteem dat eerst de dienst en dan, in die dienst,
het individu bevordert. De tuchtprocedures lijken nog veel te log, waardoor
veel procedures niet zijn opgestart. Een suggestie zou zijn ze te vereenvoudigen.
De Vaste Commissie van de lokale politie benadrukt dat de Tuchtraad een zekere
angst voor de procedures heeft vastgesteld. Verschillende korpschefs
en andere verantwoordelijken beheersen de tuchtprocedures niet of onvoldoende.
Men mag zich dan ook verheugen over de beslissing van de minister van Binnenlandse
Zaken om de Algemene Inspectie te gelasten voorstellen te formuleren ter aanpassing
van het tuchtstatuut.
Zoals eerder vermeld, kan de term “interne controle” slaan op twee aanvullende
begrippen: enerzijds de interne controle sensu lato, die het dagelijkse
beheer en het management dekt, anderzijds, de interne controle sensu stricto,
het toezicht als zodanig. Het Vast Comité P heeft over dit onderwerp
een thematisch onderzoek uitgevoerd. De algemene conclusie luidt dat er binnen
de politiekorpsen wel degelijk een systeem van interne controle bestaat dat
op zekere wijze bijdraagt tot het toezicht op het beheer, maar dat de systematische
en globale analyse van de klachten moet worden gestimuleerd. Daarnaast moeten
structurele oplossingen worden voorgesteld om de interne werking van het korps
te verbeteren en de overheden bewust te maken van sommige problemen.
De omzendbrief POL 48 verzoekt de korpschefs, ongeacht of het korps nu
200 agenten of minder telt, te voorzien in een dienst intern toezicht
wanneer er een opsporingsdienst of zedenbrigade in het korps is ingericht.
Nu deze laatste functionaliteit thans in elk korps aanwezig is, zou er in
elk korps in een specifieke dienst van intern toezicht moeten zijn voorzien.
Ook de Vaste Commissie heeft de minister van Binnenlandse Zaken laten weten
dat een nieuwe omzendbrief over het intern toezicht echt nodig is.
Het Vast Comité P merkt ook op dat het beheer van de politiekorpsen te
vaak uitsluitend op vertrouwen is gebaseerd. Vertrouwen is onontbeerlijk,
maar zou moeten gepaard gaan met een meer formeel toezicht en een risicobeheersing.
De persoonlijke relatie van de burgemeester met “zijn” politie is in de meergemeentezones uiteraard veranderd. Er moet worden beklemtoond dat het politiecollege vaak één van de initiatieven vormt die echt en correct werken in het kader van de hervorming. Het is één van de punten van de hervorming waarop grote vooruitgang is geboekt: de globale, managementbenadering en de aanvullende lokale en supragemeentelijke projecten passen in een planmatige benadering. Deze benadering maakt het ook mogelijk te bepalen waaraan “de politietijd” kan worden besteed. Wij hebben dit meermaals kunnen vaststellen. Soms hoor je nog dat de betrokkenheid van de burgemeesters op sommige plaatsen zou zijn verminderd. De planning en het beheer van de politie- en veiligheidskwesties “per project” zouden daarentegen vaak de echte betrokkenheid van de politieke macht in het algemeen hebben verhoogd, met alle positieve gevolgen van dien. Tegenwoordig neemt de korpschef onbetwistbaar een centrale positie in binnen de politiezone, zodat de relatie tussen de individuele burgemeesters en de korpschef veel meer tot onderhandelingen dan tot bevelen kan leiden. De korpschef komt meer als een professionele partner naar voren dan als een ondergeschikte. De hele structuur is volgens ons trouwens goed op weg naar professionalisering, modernisering en vooruitgang.
Voor sommigen zouden de politieraden gewoonweg
een zinloze en nutteloze “verplichting” zijn. Zelfs een veiligheidsplan hoeft
niet echt aan de politieraad te worden voorgelegd. Die vaststelling lijkt
ons niet zonder belang. Zou men inderdaad niet meer ruimte moeten laten voor
lokale autonomie?
Het koninklijk besluit tot oprichting van de Vaste Commissie van de lokale
politie laat nog altijd wat op zich wachten [xiv]
. In afwachting zijn in de voormalige Vaste Commissie
van de gemeentepolitie vier ex-commandanten van de rijkswachtbrigade en een
lokale politiechef opgenomen, opdat de commissie meer representatief zou zijn.
Volgens de Commissie ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau
is een correcte naleving van de wettelijk voorziene procedures aangewezen
om de Adviesraad voor Burgemeesters zijn taak naar behoren te laten vervullen.
Het is ook aangewezen dat er een officiële vertegenwoordiging van de minister
van Binnenlandse Zaken aanwezig is. Hierdoor krijgen de burgemeesters de
mogelijkheid om bijkomende toelichting te vragen. De Commissie beveelt eveneens
een grotere synergie tussen de Adviesraad voor Burgemeesters, de Vereniging
van Steden en Gemeenten en de Vaste Commissie van de lokale politie aan.
Ten slotte herinneren we eraan dat er bij de oprichting van de politiezones
nooit beweerd is dat het om de perfectie zelf ging. Het was zelfs duidelijk
– een beetje zoals de audit voor het federale niveau van de geïntegreerde
politie – dat het nodig zou zijn op termijn te evalueren hoe de zaken waren
verlopen en na te gaan of er verbeteringen konden worden aangebracht. Zou
zo’n evaluatie niet in een aantal representatieve zones moeten plaatsvinden,
zoals dat voor het federale niveau is gebeurd? Een dergelijke taak zou de
Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie op zich
kunnen nemen: het instrument bij uitstek om de uitvoering van het regeringsbeleid
te evalueren opdat de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie in
dit kader alle nodige initiatieven zouden kunnen nemen.
Onlangs noemde een Brusselse zonechef, en hij was niet de enige, de
eerste fasen van de implementatie van de wet van 7 december 1998
bij de lokale politie geslaagd. Hij stelde zelfs dat de hervorming drie of
vier maanden later volledig verwezenlijkt zou zijn. Maar ondertussen zijn
er nieuwe parameters bijgekomen en hebben opdrachten andere ontwikkelingen
gekend, die niet altijd voorspelbaar zijn, zonder dat deze noodzakelijkerwijs
te wijten zijn aan de hervorming. Europese topbijeenkomsten, bezoeken van
staatshoofden of de overbrenging van gevangenen: sommige zones stellen met
klem, maar ook met een zekere overdrijving, dat ze niet meer weten wat eerst
te doen. In dat verband vormt het chronische gebrek aan manschappen, dat
– zoals we al hebben benadrukt – al vóór de hervorming bestond, een ander
probleem. Zo zijn er op 14 juni 2002 een reeks maatregelen genomen
om meer personeel naar Brussel te lokken en ervoor te zorgen dat ze daar ook
blijven. Merk evenwel op – sneeuwbaleffect – dat de omringende zones van
het Brussels Gewest momenteel leeglopen. Dat is begrijpelijk. Vandaar het
risico op uitwassen, zoals in Sint-Genesius-Rode, waar er op de privé-sector
een beroep werd gedaan om bepaalde tekorten op te vullen. Om geloofwaardig
te blijven, moet aan die omringende zones worden verzekerd dat ze altijd over
voldoende personeel kunnen beschikken. Trouwens, “sinds oktober werden
er 472 nieuwe personeelsleden gedetacheerd in de zones. Er is nog steeds
een tekort, maar de situatie verbetert”, aldus de minister van Binnenlandse
Zaken
[13] .
In een dergelijke context lijkt het ons belangrijk dat het parket het aantal
kantschriften en rappels voor verkeersovertredingen aanzienlijk vermindert
en nieuwe oplossingen zoekt. Een andere maatregel bestaat erin de nieuwe
politieambtenaren ambtshalve aan het arrondissement Brussel toe te wijzen,
hoewel sommigen hierover klagen niettegenstaande het positieve aspect (zij
het tijdelijk en gedeeltelijk) van dergelijke maatregelen. De korpschefs
van de hoofdstad zien immers jonge rekruten komen, die pas de politiescholen
van Brugge, Namen, enz. hebben verlaten. Sommige van die rekruten zeggen
trouwens dat Brussel hen bevalt door de diversiteit van het werk, door de
mensen die ze ontmoeten. De kwaliteit van het onthaal en de omkadering, het
afwisselende en boeiende werk, enz. zullen ervoor zorgen dat sommigen zullen
willen blijven. Daarbij komt dat de mogelijkheden van mobiliteit naar niet-stedelijke
zones hoe langer hoe kleiner worden.
Tal van vaststellingen, met name in het Brussels Gewest, wijzen erop dat het
onthaal in sommige commissariaten ongetwijfeld nog beter kan, dat de communicatie
niet goed verloopt en dat de zichtbaarheid soms enorm te wensen overlaat.
De staat en kwaliteit van het materieel evenals de administratieve achterstand
dragen altijd bij tot een wat slechte sfeer. Hetzelfde geldt voor de krappe
of onaangepaste ruimtes en de achterstand in de uitbetaling van lonen en premies,
die niet aan het federale niveau te wijten is, in tegenstelling tot wat sommigen
nog beweren, soms te kwader trouw. In een aantal zones of diensten ligt het
absenteïsme hoog en moeten de arbeidsomstandigheden worden verbeterd.
Ook in grote steden zoals Charleroi worden inspanningen geleverd in de strijd
tegen criminaliteit en onveiligheid. Al onder de vorige regering werd daaraan
bijzondere aandacht besteed en dat blijft zo. Nochtans mogen we niet te vroeg
victorie kraaien: de inspanningen van professionalisering en rationalisatie
moeten worden volgehouden.
Is de hervorming te snel doorgevoerd? De regering heeft onderhandeld op een
ogenblik dat er budgettaire ruimte was. Er zijn niet minder politieambtenaren
dan vóór de hervorming. Maar sommige zonechefs zeggen al te snel dat ze 15 %
minder personeel op het terrein hebben! Dat blijkt evenwel niet altijd en
niet overal te kloppen. Vaak, om niet te zeggen bijna altijd, ontbreken er
precieze gegevens om de scherpste kritiek met argumenten te onderbouwen.
De grootste voorzichtigheid is hier dan ook geboden.
Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, van zijn kant, pakt uit met een financieringsplan
om de 19 gemeenten te helpen zich met bewakingscamera’s uit te rusten.
Bepaalde Brusselse mandatarissen hadden nochtans enig voorbehoud gemaakt,
in het bijzonder met betrekking tot de naleving van de persoonlijke levenssfeer.
Een criminoloog formuleert het als volgt: “men wil de burger geruststellen,
hem een zogenaamd veiligheidsgevoel geven. Het is bedrog.” Voor hem zal
niets de menselijke aanwezigheid kunnen vervangen, of het nu politiemensen
zijn of anderen. Ook op dat vlak zijn er inspanningen geleverd, maar de politie
kan niet al haar taken aan anderen overlaten! Toch de politie is ook weer
niet de enige betrokkene! Andere actoren, betrokkenen, verantwoordelijken
en overheden moeten eveneens hun steentje bijdragen.
Volgens de algemene beleidsnota van de federale politie en de geïntegreerde werking [14] , is “de hoofddoelstelling een daadwerkelijke daling van zowel de objectieve als de subjectieve onveiligheid te bewerkstelligen. De federale politie zal, samen met de andere betrokken actoren, essentieel bijdragen om dit maatschappelijk resultaat te behalen”. In diezelfde beleidsnota wordt uitgelegd dat de nodige initiatieven zullen worden genomen om, op basis van aangepaste managementconcepten, -methoden en -instrumenten, op een bedrijfsmatige wijze te functioneren. Er zal in het bijzonder aandacht worden besteed aan een planmatige aanpak en het werken met meetbare doelstellingen op alle niveaus.
Sinds het federale niveau van de geïntegreerde politie de resultaten
van de audit door PWC kent, legt het zich er duidelijk op toe de meeste ervan
concreet om te zetten, zelfs al vraagt dat ook tijd. We benadrukken dat de
eerste tastbare resultaten – die in de goede richting gaan – werden opgetekend,
zoals: (1) de reorganisatie van de directies die rechtstreeks afhangen
van de commissaris-generaal, met als doel hem de instrumenten aan te reiken
waardoor hij de rol van “grote coördinator” kan vervullen, wat ook zijn rol
moet zijn. Hij moet ook (heel) vaak verslag uitbrengen aan de minister van
Binnenlandse Zaken; (2) operationele capaciteit vrijmaken door operationeel
personeel dat nog administratieve en logistieke taken uitvoert, te vervangen
door niet-politiepersoneel. Sommigen vinden dat het niet snel genoeg gaat.
Maar kan dat proces wel sneller? Het is immers niet evident om van de ene
op de andere dag mensen die administratieve of logistieke functies vervullen,
opnieuw op het terrein te plaatsen en er dient ook rekening te worden gehouden
met de knowhow.
Op 8 april 2003 hebben de minister van Binnenlandse Zaken en de
commissaris-generaal van de federale politie, met zekere brio, de verwezenlijkingen
van het federale niveau van de geïntegreerde politie voorgesteld, één jaar
na de audit door PWC. Tot deze verwezenlijkingen rekenen we: (1) het
duidelijk positieve effect van het actieplan “verkeersveiligheid”. Nieuwe
controles zijn aangekondigd voor 2004 met adequate technische middelen,
die ook hun prijs hebben! Het Vast Comité P zal die kwestie in de toekomst
beter opvolgen; (2) de daling in 2002 van autodiefstallen in het algemeen,
van car- en homejackings en garagediefstallen in het bijzonder. Die dalende
trend is niet alleen het resultaat van de ontmanteling van een aantal misdaadbendes,
maar ook van een nauwe samenwerking met de betrokken openbare en privé-partners.
De doeltreffende steunverlening van het federale niveau werd herhaaldelijk
in de verf gezet. Hoe dan ook, pakt de geïntegreerde politie, onder impuls
van de federale politie, de kwestie verstandig aan; (3) de steunverlening
aan het lokale niveau van de geïntegreerde politiedienst en de geïntegreerde
werking van het lokale en federale niveau. Uit een eerste analyse – waarvan
verschillende punten nog moeten worden verfijnd en geverifieerd – blijkt dat
het federale niveau zoveel mogelijk steun verleent aan het lokale niveau,
maar vaak wordt overvraagd, gezien zijn beperkte middelen. In dat geval moeten
er prioriteiten worden gesteld. Dit probleem komt ook elders aan bod.
Wat het nationaal veiligheidsplan betreft, is de eerste fase van de managementcyclus, meer bepaald de voorbereiding, opstelling en goedkeuring van het nationaal veiligheidsplan 2003-2004, achter de rug [xv] . Er werd met verschillende elementen rekening gehouden, zoals de internationale context. Een ander belangrijk instrument dat bij de besluitvorming is gebruikt, is het nationaal politioneel veiligheidsbeeld. De voornaamste fenomenen zijn gerangschikt en gehergroepeerd, volgens een strenge en verdedigbare methodologie, op basis van 31 relevante criteria betreffende het belang, de ernst en de perceptie. Het grote aantal doelstellingen kan sommige waarnemers verbazen. De tijd zal uitwijzen of er niet te veel zijn … Het is nu tijd voor de volgende fase: de daadwerkelijke en meer verantwoorde uitvoering van de wet van 5 augustus 1992 en de wet van 7 december 1998. Het grootste werk begint pas. Het Vast Comité P zal de concrete uitvoering van die projecten evalueren.
Het tussenniveau van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd
op twee niveaus – zowel de bestuurlijke directeur-coördinator als de gerechtelijke
directeur – is het laatste probleem geweest dat in het kader van de uitwerking
van de wet van 7 december 1998 (aan een koortsachtig tempo) is opgelost.
De deur is opengezet voor tal van interpretaties, gaande van een minimalistisch
standpunt tot een maximalistisch standpunt, waarbij aan de gedeconcentreerde
diensten en hun directeurs een meer permanente en meer structurele rol wordt
toegekend. Op het terrein heeft men soms de indruk dat men te maken heeft
met een wat vreemde spitsvondigheid. De DirCo’s zeggen dat ze “zin hebben
om van alles te doen”. Wettelijk gezien hebben ze de theoretische mogelijkheid
om verschillende opdrachten te vervullen en aan diverse behoeften te voldoen.
In beginsel kunnen de DirCo’s dus tal van diensten leveren, maar ze krijgen
geen richtlijnen van het centrale echelon waardoor ze proactief zouden kunnen
handelen. De conclusie, aldus de DirCo’s, is op federaal niveau soms de volgende:
aangezien ze niets doen, is er geen behoefte aan. Er bestaat nochtans een
enorm potentieel op niveau van de DirCo, dat beter zou moeten worden benut.
Zowel voor de Octopus-onderhandelaars als voor de wetgever is de DirCo immers
één van de voornaamste integratiemechanismen tussen het lokale en het federale
niveau. Het valt te hopen dat de werkgroep die zich over een eventuele schaalvergroting
van de territoriale bevoegdheden van de DirCo buigt, ook deze dimensie in
zijn werk zal opnemen: wat verwacht men van de DirCo’s? Op basis van het
antwoord op die vraag kan het aantal en het territoriale ressort van de DirCo’s
worden bepaald en kunnen hun opdrachten, taken en verplichtingen worden verduidelijkt.
De optie van een verankering op niveau van het arrondissement van een belangrijk
deel van de politieorganisatie is geen recent gegeven. Enkele jaren geleden
is die kwestie al op tafel gelegd. Een “patchwork” van 27 eilanden kon
immers niet bijdragen tot een doeltreffende zoektocht naar de waarheid. Niemand
heeft er evenwel aan gedacht om te verwijzen naar of duidelijk te spreken
van de nieuwe “baronieën”, die zo – naast andere – werden gecreëerd.
De gerechtelijke pijler heeft niet altijd de gewenste aandacht gekregen.
Bepaalde verwezenlijkingen zouden ook meer mogen worden benadrukt, zoals het
model van interne werking van de Algemene directie van de gerechtelijke politie
(DGJ), de capaciteitsstudie, de interactie met de DirJu’s betreffende het
nationaal veiligheidsplan, het concept intelligence led policing, wat
misschien verrassend overkomt als men denkt aan de redenen voor de hervorming.
Bij de invoering van de federale politie, is de capaciteit van elke gerechtelijke
dienst arrondissement berekend door gewoon het personeel van de voormalige
bewakings- en opsporingsbrigades (BOB) en van de ex-brigades van gerechtelijke
politie op te tellen. Men ging uit van de, zelfs niet-expliciet geformuleerde,
veronderstelling dat de manschappen van vóór de hervorming in principe voldoende
moesten zijn en perfect nodig waren voor de taken die ze zouden uitvoeren.
De Algemene directie gerechtelijke politie heeft – met de steun van de Universiteit
Gent – daarover een grondige studie uitgevoerd, die zou kunnen leiden tot
een herstel van het evenwicht van de capaciteiten van de gerechtelijke diensten
arrondissement, zelfs van de gerechtelijke capaciteiten kortweg. Merk ook
op dat de planmatige benadering van de uitvoering van de gerechtelijke opdrachten
de gang van zaken echt overhoop heeft gehaald.
De interzonale samenwerking krijgt alsmaar meer concrete vorm, via
verschillende mechanismen, bijvoorbeeld het sluiten van protocollen. De zones
waar een win-winsituatie kan ontstaan, moeten worden aangemoedigd om
zoveel mogelijk overeenkomsten en protocollen af te sluiten, zowel in operationele
als niet-operationele domeinen. De DirCo moet daarbij een fundamentele rol
spelen.
Spreekt men ook niet te vaak over alleen de lokale politie of alleen de federale
politie? Zou het niet beter zijn om vaker over het begrip “geïntegreerde
werking” na te denken? Het gebrek aan hiërarchisch verband tussen het federale
niveau en het lokale niveau, twee onderscheiden niveaus van een geïntegreerd
geheel, vormt in veel opzichten een sterk punt van het systeem. Dat veronderstelt
uiteraard dat elkeen een volwassen inhoud aan die autonomie geeft. Dat betekent
vrijheid in een relatie van onderlinge afhankelijkheid alsook de wil om te
integreren. In dat opzicht is een belangrijke rol weggelegd voor de DirCo,
maar ook voor de DirJu, als coördinator en facilitator inzake de verantwoordelijkheid
van “de federale politie” en van “de lokale politie” voor de goede werking
van de arrondissementele informatiekruispunten (AIK) en de communicatie- en
informatiecentra (CIC).
Inzake logistieke en administratieve steunverlening blijken de twee niveaus
elkaar nog te zoeken, ook al gaan de zaken sinds kort beter, wij komen hier
later op terug. Enerzijds weten de lokale politiezones niet altijd wat ze
aan het federale niveau kunnen vragen. Anderzijds weet het federale niveau
niet wat het mag aanbieden of kent het de modaliteiten van zijn dienstenaanbod
niet zo goed. Er is bij de federale politie op aangedrongen om opener te
zijn over het dienstenaanbod aan de lokale politiekorpsen. Een eerste concrete
vertaling daarvan vormt de terbeschikkingstelling op de site van de federale
politie van een reeks openbare aanbestedingen, die niet alleen voor het federale
niveau zijn uitgeschreven, maar ook voor het lokale niveau. Ook moet worden
benadrukt dat die dienstverlening op tal van plaatsen uitstekend verloopt.
De “federale politie” heeft op het vlak van logistiek aanzienlijke inspanningen
geleverd, zelfs op administratief vlak, meer bepaald wat human resources betreft.
Vrij vaak, zeker in het begin, heeft het federale niveau zijn opdracht van
dienstverlening nogal strikt geïnterpreteerd, wat soms tot wrijvingen en spanningen
heeft geleid. Maar er is een verzachtende omstandigheid: “het mooiste
meisje kan niet meer bieden dan wat ze heeft”.
Verschillende projecten en denkpistes zijn aangevoerd om de Algemene reserve
uit te breiden. Eén van de doelstellingen van zo’n heroriëntering is om de
middelen die op federaal niveau en niet op lokaal niveau bestaan te valoriseren
en zo goed mogelijk te gebruiken. Uit die nieuwe aanpak zouden de twee niveaus
voordeel moeten halen. Die kwestie zou vrij snel moeten worden geregeld.
Op de recente regeringstop “Binnenlandse Zaken – Justitie” zijn terzake een
aantal beslissingen genomen.
Volgens een enquête van de Vaste Commissie van de lokale politie, staan de
korpschefs van de lokale politie heel kritisch tegenover de hervorming en
het federale niveau van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus.
Maar volgens de minister van Binnenlandse Zaken is die enquête niet representatief
voor de hele lokale politie. Het bijzonder negatieve beeld over de werking
van de federale politie in het verslag zou vooral te wijten zijn aan de manier
van vragen stellen. De minister geeft niettemin toe dat het verslag reële
problemen aan het licht brengt. Eén van de meest aangehaalde klachten betreft
“het fanatisme van de federale politiediensten om allerlei soorten richtlijnen
en regels op te stellen, die vaak ambigu zijn, teneinde alles in detail proberen
te regelen”. De federale politie, van haar kant, stelt vast dat de meeste
korpsen geen verbeteringsvoorstellen hebben geformuleerd, terwijl dat juist
één van de doelstellingen van de enquête was. Ze besluit dat dit allicht
betekent dat er stilzwijgend erkend wordt dat de diverse problemen complex
zijn en dat er tijd nodig is om oplossingen uit te werken die voor beide niveaus
van de geïntegreerde politie aanvaardbaar zijn. Bij verschillende contacten
heeft de federale politie ook benadrukt dat het verslag van de Vaste Commissie
van de lokale politie uitsluitend werkingsproblemen betrof die in de eerste
plaats alleen maar op lokaal niveau kunnen worden opgelost. Ze betreurt dat
er ook geen problemen van zuiver lokale orde zijn aangesneden. Dat standpunt
is niet ongegrond en is in verschillende opzichten bevestigd. Waarom zou
er geen informeel overlegplatform kunnen komen tussen de federale en lokale
componenten van de geïntegreerde politie? Zo’n overlegplatform, samengesteld
uit technici die kunnen bogen op terreinervaring, kan tot een beter wederzijds
begrip leiden op het vlak van prioriteiten en taken.
De Commissie ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau ondersteunt
de vraag van de zones om de steunverlening door de Directie van de relaties
met de lokale politie verder uit te bouwen. De Commissie wenst dat de relatie
federaal-lokaal niveau vertrekt van de filosofie van een dienstverleningscontract,
wat inhoudt dat het federale niveau een eerste analyse heeft gemaakt van de
verwachtingen en behoeften van zijn klanten – namelijk de zones –, in samenwerking
met de Vaste Commissie van de lokale politie. Dit punt komt ook elders aan
bod in het kader van één van onze toezichtsonderzoeken.
De zonale veiligheidsplannen zullen, net als het nationaal veiligheidsplan,
voortaan voor twee jaar geldig zijn [xvi]
. Dat is een opmerkelijke vooruitgang en de planning
zou zelfs nog soepeler kunnen zijn al naar gelang van de lokale eigenheden
(drie, vier jaar, mits periodieke aanpassingen). Het is ook een goede zaak
dat de goedkeuringsprocedure van de zonale veiligheidsplannen binnenkort wordt
aangepast, op basis van de evaluatie van de aanvankelijke procedure
[15] .
Voor dit punt kunnen we niet anders dan onze bedenkingen van
ons activiteitenverslag 2002 herhalen
[16] : “Deze richtlijnen
zouden niettemin kunnen worden gesystematiseerd en gecoördineerd in het verlengde
van de globale evaluatie van de politiehervorming – en dus ook van de graad
van integratie ervan – die is voorzien voor september 2003. Zou men
zich evenwel niet moeten afvragen of een reglementering, een richtlijn geen
betrekking dient te hebben op fundamentele zaken: op wat echt dient te gebeuren?
Zou het overige niet moeten worden behandeld tijdens opleidingen?” of
via het gericht verstrekken van informatie? Hoewel overregulering
vermeden moet worden, vormt ze niettemin een noodzakelijk kwaad bij de invoering
van om het even welk statuut, zeker wanneer het gaat om een zo complex gegeven
als de “Mammoetwet”. Bovendien vragen de zones en politieambtenaren soms
om richtlijnen en verduidelijkingen [17]
. En dit is niet één van de minste tegenstrijdigheden
van het systeem.
Het beheer van gemeenschappelijke informatie is één van de essentiële
mechanismen voor de uitvoering van de “geïntegreerde politie” [18]
en een informatiegestuurde aanpak. Dat laatste is
één van de basisprincipes van de werking van de geïntegreerde politiedienst,
gestructureerd op twee niveaus
[19] . Maar diverse
bronnen wijzen op verschillende (niet te verwaarlozen) tekortkomingen in het
informatiebeheer, wat trouwens geïllustreerd werd door een aantal onderzoeken
van het Vast Comité P, onder meer over de criminaliteitsstatistieken
[20] .
Het Comité heeft dus beslist om het informatiebeheer, zoals dat
momenteel georganiseerd wordt, te analyseren. Hieruit blijkt dat de zonechefs
zich absoluut bewust moeten worden van het belang van de informatiestroom
zoals bepaald in MFO-3, de geest van die richtlijn moeten onderschrijven en
in de nodige middelen en structuren moeten voorzien zodat de beheerders de
verplichtingen ervan kunnen nakomen. In het huidige werkkader moeten de individuele
zones beseffen dat hun belang zich niet enkel op het lokale niveau situeert
en dat ze bereid moeten zijn inspanningen te leveren om de werking te helpen
verbeteren van de andere zones en het federale niveau, kortom, van de “geïntegreerde
politiedienst, gestructureerd op twee niveaus”.
In gemeenschappelijke omzendbrieven verduidelijkten de ministers van Binnenlandse
Zaken en van Justitie wat er op het niveau van de CIC’s en de AIK’s moet gebeuren.
Hoewel er al veel lessen zijn getrokken, meer bepaald in het verlengde van
de gevoerde onderzoeken en neergelegde verslagen, kan onmogelijk worden gesteld
dat de AIK’s optimaal werken. De polemiek over de publicatie van de criminaliteitsstatistieken
heeft dat nog aangetoond. Sommige verantwoordelijken van de Vaste Commissie
van de lokale politie hebben er trouwens ook op gewezen dat voor
de problemen inzake informatiebeheer en -exploitatie, alle niveaus (lokale
politie, federale politie, geïntegreerde politiedienst en regering) initiatieven
moeten nemen. De kans bestaat dat één van de voornaamste doelstellingen van
de hervorming van de politiediensten niet wordt gehaald. We bevinden ons
enigszins in een vicieuze cirkel. De lokale politiekorpsen verwachtten veel
van de AIK’s, maar omdat de AIK’s, op korte termijn, hun vragen niet altijd
konden inwilligen, hebben de lokale politiekorpsen hun eigen lokaal informatiekruispunt
gecreëerd en, bijgevolg, hebben ze te vaak de neiging om minder inlichtingen
naar de AIK’s door te sturen. Daarenboven genereert het informaticasysteem
nog geregeld fouten, naast vergissingen of onvolkomenheden in de gegevensinvoer.
De criminaliteitsstatistieken zorgen voor discussie. Er werd op verschillende
problemen gewezen betreffende het verleden: coderen van te lage kwaliteit,
de koppeling van statistieken aan het krijgen van subsidies, het grote aantal
systemen, veranderingen in de methode om gegevens te produceren. Bepaalde
factoren zijn niet zonder invloed: “veranderingen in de nomenclatuur als
gevolg van nieuwe criminaliteitsfenomenen en veranderingen in het federaal
en lokaal politiebeleid, de meldingsbereidheid van de bevolking en de registratiebereidheid
van de politie” [21]
. De minister van Binnenlandse Zaken is dan ook blij
met de evolutie naar een gecentraliseerde gegevensbank en besluit eruit: “we
kunnen ons nu pas een juist beeld vormen, aangezien de verzameling van gegevens
eindelijk uniform gebeurt. Pas vanaf 2006 zullen de lokale en de federale
politie samenwerken in hetzelfde geïntegreerde systeem” [22]
. Is dat geen verhaal dat sinds begin de jaren 80
regelmatig wordt herhaald
[23] ? Ten slotte
moet in de basisopleiding van politieambtenaren aandacht worden besteed aan
de manier waarop vaststellingen moeten worden gedaan en feiten moeten worden
beoordeeld
[24] . Ook op dat
vlak zouden de opleiding en de steunverlening aan de zones niet altijd de
doelstellingen van de wet van 7 december 1998 halen. Wij bespreken
deze problematiek van opleidingen en vormingen elders meer in detail.
Het Vast Comité P heeft zich eveneens over de kwestie gebogen en zal
de problematiek blijven opvolgen. De betrouwbaarheid van de cijfers over
de geregistreerde criminaliteit en het operationele gebruik van de algemene
nationale gegevensbank (ANG) blijken direct afhankelijk van de correcte gegevensinvoer
van die laatste. De huidige situatie laat nog heel wat te wensen over, zowel
kwalitatief als kwantitatief. Men moet dus opnieuw op de kern focussen, namelijk
de correcte gegevensinvoer in het informatiesysteem.
Een analyse van de criminaliteit mag niet bestaan uit een eenvoudige vergelijking
van de cijfers van twee jaren, maar wel uit een analyse van de tendens, die
steunt op een chronologische reeks betrouwbare cijfers over verschillende
jaren. Voor die benadering is wat tijd nodig. Universitaire deskundigen
merken op dat het nieuwe systeem om gegevens te verzamelen meerdere jaren
zal moeten “proefdraaien” om een voldoende lange reeks cijfers op niveau van
de gemeentes te kunnen opbouwen en dat het onmogelijk zal zijn terug te gaan
tot de oorzaak van de breuk in de gegevensinvoer of om de gegevens van 2001
te herstellen op een manier die voor alle partijen aanvaardbaar is. De problematiek
van de interpolitionele criminaliteitsstatistieken maakt deel uit van de globale
problematiek van het informatiebeheer binnen de geïntegreerde politie, die
in 2004-2005 zal worden opgevolgd.
Wat het administratieve beheer betreft, waren de meeste lokale (gemeentelijke) politiekorpsen maar uitzonderlijk echt rechtstreeks betrokken bij het financiële, personeels- of logistieke beheer, wat ook één van de grote veranderingen van de hervorming uitmaakt. Sommige burgemeesters klagen soms nog over het gebrek aan informatie van het federale niveau inzake begroting. Het federale niveau beweert dan weer het omgekeerde: de informatie is slecht van kwaliteit of wordt te laat doorgegeven. Nog een tegenstrijdigheid waartoe de verandering van het politielandschap aanleiding geeft.
Talrijke actoren en intervenanten, op alle
niveaus, schijnen nogal ongelukkig te vergeten dat ordehandhaving, “de
vrede in de staat”, in de meeste gevallen, een (hoofdzakelijk) lokale
verantwoordelijkheid en bevoegdheid is uitgeoefend onder het gezag van de
lokale overheid, de burgemeester van de betrokken gemeente!
De ministeriële richtlijn MFO-2 [25]
van 3 april 2002 had een systeem van supralokale
solidariteit tussen de zones ingevoerd voor omvangrijke lokale politieopdrachten,
het Hycap-systeem (gehypothekeerde capaciteit). De richtlijn is gewijzigd
en aangevuld door de ministeriële richtlijn MFO-2bis
[26] van 17 januari 2003
betreffende het personeel capaciteitsbeheer en het verlenen van
versterking door de lokale politie bij opdrachten van bestuurlijke politie [27]
. De inhoud ervan is grotendeels bepaald door de
beslissingen die op de ministerraden van 7 en 14 juni 2002 zijn
genomen in het kader van de meerkosten van de politiehervorming, en gedeeltelijk
door de (operationele) evaluatie van het Hycap-systeem, die intussen verwezenlijkt
was. Volgens de minister van Binnenlandse Zaken leert die evaluatie dat de
organisatie van de supralokale solidariteit tussen de politiezones onlosmakelijk
verbonden is met de ontwikkeling van de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap
in zijn geheel.
Volgens sommigen zijn het altijd dezelfde die personeel vragen en altijd dezelfde
die personeel leveren. Het Vast Comité P heeft een aantal vaststellingen
en verificaties kunnen doen, die problemen aan het licht brachten, maar ook
een gebrek aan correctheid of fair play van bepaalde personen, bijvoorbeeld
in geval van een vraag naar personeel, zijn eigen capaciteit zoveel mogelijk
gebruiken of, in geval van weigering, goede redenen hebben om te weigeren
versterking te leveren. Voor de minister van Binnenlandse Zaken moeten de
gemeenten die evenementen toelaten of organiseren met de limieten van de politiecapaciteit
rekening houden en moeten de organisatoren de mogelijkheden die de wet op
de bewakingsondernemingen biedt, maximaal benutten. Een andere tegenstrijdigheid
is misschien het grote verschil tussen de opties inzake openbare veiligheid
en inzake privé-veiligheid. Waarom zouden we er ten slotte niet eens op wijzen
dat 43,5 % van de Hycap in 2003 aangewend is voor voetbalwedstrijden!
(12,4 % voor manifestaties; 8,4 % voor stakingen).
De nieuwe richtlijn terzake lost niet alle problemen op. Zolang de Hycap
een gratis alternatief biedt, zal de laterale ondersteuning voor de openbare
orde veeleer uitzondering dan regel zijn. De MFO-2bis blijkt dus maar
een overgangsrichtlijn te worden, net zoals het Hycap-systeem zelf, dat een
overgangsregeling is tussen het oude systeem van de marseenheden en het toekomstige
systeem van de supralokale versterkingen
[28] . De Commissie
ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau
[29] stelt daarom
voor om meer bevoegdheid te verlenen aan de DirCo in het kader van het inzetten
van versterking voor de handhaving van de openbare orde. Op grond van onze
vaststellingen zijn we het daarmee roerend eens.
Op het human resourcesbeheer kunnen verschillende opmerkingen worden geformuleerd. Gezien onze specificiteit, onze opdrachten en bevoegdheden, is het echter niet de bedoeling dat wij deze opmerkingen hier bespreken. Eén van de positieve punten is het managementmodel, dat in tal van politiekorpsen werkelijk ingang heeft gevonden en, los van de vorm die het aanneemt, bijdraagt tot meer professionalisme op korte en lange termijn, in dit domein misschien zelfs meer dan in alle andere. Een ander positief resultaat is dat de organisatie als zodanig dezelfde tendens volgt, zodat een korps niet langer uitsluitend van de capaciteiten van één persoon afhangt. Maar we moeten toegeven dat er korpsen blijven die “die beweging niet hebben gevolgd”.
Wat de lonen betreft, blijkt dat de technische instrumenten waarmee
aan eenieder een correct loon kan worden gewaarborgd, soms moeilijk in te
voeren zijn. Zowel het sociaal secretariaat van de geïntegreerde politie
als de centrale dienst voor vaste uitgaven – die berekent wat er aan de politieambtenaren
moet worden betaald – hebben op zeer korte tijd veel om handen gehad: loopbaanoverzichten,
(opnieuw) samenstellen van dossiers voor zowat veertigduizend politiemensen
en voor meer dan vier- of vijfduizend niet-politiemensen. Die dossiers waren
niet altijd heel goed samengesteld en zeker niet overal op dezelfde manier.
De samenwerking met voornamelijk lokale actoren schoot soms ook tekort. De
federale politie heeft wel aanzienlijk in personeel geïnvesteerd om die dienst
uit te breiden, zodat de regularisaties voor 2002 tot een goed einde zijn
gebracht en de correcte betalingen “in regime” voor het geheel van de geïntegreerde
politie vanaf 2003 zijn verzekerd. Er moeten echter nog twee belangrijke
operaties worden uitgevoerd: de controle van de inschalingen op 1 april 2001
en de uiteindelijke regeling voor 2001.
De minister van Binnenlandse Zaken – die daarmee verschillende korpschefs
en burgemeesters bijtreedt – staat positief tegenover een grotere flexibiliteit
in de statuten van de politieambtenaren, wat zich zou moeten vertalen in hogere
maximumnormen voor weekend- en nachtdiensten. Het is immers niet altijd eenvoudig
om aan alle behoeften te voldoen met naleving van de “Mammoetwet”. Terzake
moeten nog onderhandelingen worden gevoerd, maar die blijken moeilijk op gang
te komen en het is al even moeilijk om ze uit te voeren.
Op 22 juli 2003 heeft het Arbitragehof
[30]
sommige bepalingen vernietigd van het “Mammoetbesluit” van 30 maart 2001,
dat door de programmawet van 30 december 2001 was bevestigd. Deze
beslissing heeft en zal nog enorme gevolgen hebben. Het probleem dat zich
stelt, is een oplossing te vinden die het arrest naleeft en tegelijk nieuwe
eisen van andere categorieën politieambtenaren vermijdt. Dat zal waarschijnlijk
niet eenvoudig zijn, want als je één element verandert, wordt het geheel aan
het wankelen gebracht. We kunnen zonder een nieuwe opwaartse spiraal bij
de verkenning van de weg die nog moet worden afgelegd naar het einddoel voor
de politiefunctie en de minimale gelijkwaardige dienstverlening op het hele
grondgebied. Het is belangrijk dat de echte problemen, de veiligheid van
de burgers, instellingen en goederen worden aangepakt en opgelost.
Soms rijzen er nog problemen bij de correcte toepassing van het personeelsstatuut,
meer bepaald in verband met de vergoedingen en dienstregeling. Sommigen vrezen
een oorlog tussen de lokale politiekorpsen vanwege de jacht op personeel.
Op een vraag over een bijzondere vergoeding voor de wijkagenten, heeft de
minister van Binnenlandse Zaken, die niet meer overtuigd hoeft te worden van
het nut van de wijkagenten
[31]
, geantwoord: “Indien het zo mocht zijn dat het opportuun is bovendien
iets specifieks te doen voor de wijkagenten, dan zal dat blijken uit de evaluatie
van de toepassing van het politiestatuut die ik in de komende maanden met
de representatieve vakverenigingen zal doorvoeren”
[32]
. Laten we niet vergeten dat ze een essentiële
rol moeten spelen in de hervorming, maar evenmin dat de complexiteit van het
statuut en de veelheid van vergoedingen ook hier aanleiding hebben gegeven
tot een opwaartse spiraal en tot een administratie die, wanneer men de inzet
ziet, te begrijpen is.
Overigens zijn de gecoördineerde wetten op het taalgebruik van 18 juli 1966,
zoals gewijzigd door de wet van 12 juni 2002, ook op de politiediensten
van toepassing. Als gevolg van de hervorming werden de leden van de vroegere
korpsen gemuteerd naar de federale politie of naar een bepaalde lokale politie,
wat voor sommige mensen belangrijke implicaties heeft gehad. Er werd dan
ook in een overgangsperiode van maximum 5 jaar voorzien. De diensten
moeten zodanig georganiseerd zijn dat het publiek conform de gecoördineerde
wetten op het taalgebruik wordt onthaald. De situatie wordt regelmatig bekritiseerd
door sommigen, die zonder twijfel ook echte problemen aanhalen.
Voor de Koninklijke Federatie van Belgische politieofficieren
[33]
heeft het personeel van het administratief en logistiek kader ook
recht op een volledig statuut waarin voor alle niveaus een loopbaanplanning
is opgenomen. De Federatie stelt vast dat de behandeling van deze categorie
nog moeizaam verloopt, wat afgunst tussen medewerkers kan veroorzaken.
De aanwerving kan men niet als slecht bestempelen
[34] .
Er is een aanzienlijke inspanning – die in de verf gezet mag worden – geleverd
om het basiskader uit te breiden. Uit het verschil tussen het organieke (basis)kader
en het echte (basis)kader van de lokale politie leidt het Vast Comité P
af dat de gemeentelijke bestuurlijke overheden niet altijd de nodige financiële
inspanningen willen leveren om het personeelsbestand van het basiskader uit
te breiden. Het Vast Comité P vraagt zich af of het niet wenselijk zou
zijn om een nauwkeurige opvolging van het effectief – aan de hand van dezelfde
parameters – te veralgemenen, zodat cijfers beschikbaar zijn die nog dichter
bij de werkelijkheid aanleunen.
De vele aanwervingscampagnes en wellicht ook de laatste maatregelen om jonge
politieambtenaren naar Brussel te lokken, beginnen vruchten af te werpen.
De statutariseringsprocedure van de Calog’s is in uitvoering en verloopt zonder
noemenswaardige problemen: 71,54 % van de betrokken personeelsleden van
de federale politie is zo op 1 oktober 2003 gestatutariseerd.
Een evaluatieproject “EVA
De minister van Binnenlandse Zaken heeft bevestigd dat er voldoende geld was
voor de opleiding van nieuwe agenten. Hij heeft ook uitgelegd dat men de
opleiding niet wil centraliseren: “
“Hoe vinden we nog tijd voor opleidingen?” krijgt het Comité vaak te
horen (meer bepaald in het licht van de wijzigingen in de wetgeving). Is
het een kwestie van goede wil of middelen? We benadrukken dat er veel inspanningen
zijn gedaan op het vlak van opleidingen, met name inzake ordehandhaving.
Het oorspronkelijke project van de G5-groep was van goede kwaliteit.
Maar de opleidingsomstandigheden hebben vaak de algemene kwaliteit van de
opleiding schade toegebracht.
Aangezien de hervorming niet gesynchroniseerd verloopt, is er een verschuiving
van perceptie, opvatting en kritiek of minstens actieve deelname. Het goede
werk van de G5-groep in wetteksten gieten, heeft enige tijd in beslag genomen
en is bovendien onvolledig gebeurd. In die context vormt de opleiding maar
een onderdeel van het human resources-beheerssysteem. Het geheel van de actoren,
vooral de eenheden die “klant” zijn en hun verantwoordelijken, moeten een
fundamentele rol spelen. Maar niet iedereen heeft al echt de betekenis van
zijn rol begrepen. Er bestaan nog enorm veel misverstanden en moeilijkheden
om zijn plaats te vinden in dat systeem.
De structuur waarin wordt gewerkt, is dus uitermate heterogeen. Men moet
dan ook met elkaar in dialoog treden en sommige praktijken trachten te standaardiseren,
wat altijd meer tijd, energie en middelen vergt dan een bevelvoering in een
hiërarchische structuur. In dat verband laten de koninklijke besluiten over
respectievelijk de functionele opleiding, de voortgezette opleiding en de
omkaderings- en kwaliteitsnormen nog altijd op zich wachten.
Hoewel er partnerschapsovereenkomsten bestaan om bepaalde projecten te proberen
te ontwikkelen, is er nog vooral een gebrek aan enerzijds personeelscapaciteit
en anderzijds de mogelijkheid om het project op te leggen, dat met andere
woorden afhangt van de goede wil van de verschillende partners.
Vanwege rentabiliteitsproblemen is in sommige centra het gemiddeld
aantal leerlingen in een klas gestegen van 20-25 naar 30-35. De subsidie
hangt af van het leerlingenaantal, wat mogelijk gevolgen heeft voor de kwaliteit.
Natuurlijk verschilt de opleiding. Ze is gebaseerd op een termijn van 12 maanden
en op een hoger kwaliteitsniveau dan aanvankelijk was voorzien. De scholen
hebben het dus als volgt geformuleerd: “Enerzijds is het langer en anderzijds
worden ook meer eisen gesteld in vergelijking met wat men vroeger van ons
verlangde”. Vroeger volstond het de cursussen te volgen, er waren geen
kwaliteitsnormen, geen eisen. De nieuwe opleiding is vollediger en meer geïntegreerd.
Ze vraagt van de scholen dus een extra inspanning, ten minste qua omkadering.
De politiescholen die vroeger instonden voor de opleiding aan de gemeentepolitie,
hebben een enorme vooruitgang geboekt. De scholen van de federale politie
daarentegen blijken sinds jaren, in vergelijking met het verleden, te desinvesteren
in opleiding.
Op het vlak van de attitudevorming rijzen er problemen. De ambitie om kwaliteit
aan te bieden en de kwaliteit van sommige lesgevers liggen immers ver uit
elkaar
[36] .
Het vaste kader waarover de scholen beschikken, is meestal heel beperkt.
Er rijzen praktische problemen. Zo beschikken maar twee scholen over software
die van voldoende niveau is om het personeel het Astridsysteem aan te leren.
Er is een groot tekort aan infrastructuur voor de praktische oefeningen en
moderne middelen voor onderwijs op afstand zijn zo goed als onbestaand. Er
bestaat trouwens nog altijd geen echte geïntegreerde software die alle opleidingsgegevens
omvat om ze globaal met de personeelsgegevens te beheren. Bij sommige scholen
zijn de opleidingsgebouwen niet gecentraliseerd, omdat ze niet de nodige capaciteit
bezitten voor één enkel opleidingscentrum. Soms moet men verschillende kilometers
afleggen naar een ander cursuslokaal.
De zones met het grootste personeelstekort vinden dat ze het minst in staat
zijn om hulp te verlenen op het vlak van de opleiding. Ze leveren dus niet
de inspanning die hen een zekere return zou opleveren.
Merk op dat de groep 5 van de ORA een intensieve voortgezette opleiding had
uitgedacht van 80 uur per jaar en per persoon. De werkelijkheid is evenwel
helemaal anders: de opleiding bestrijkt maar 10 uur per jaar, per persoon.
Een ander probleem is dat 80 uur zich in de praktijk vertaalde in tweeënhalve
week waarin het personeel niet beschikbaar zou zijn geweest op een ogenblik
dat de zones in opbouw waren. In 2004 zal de anderhalve dag zelfs beperkt
worden tot één dag (van 10 naar 8 uur), wat problemen zal veroorzaken.
Tal van betrokkenen en actoren wijzen er eveneens op dat de ISLP-opleiding
in grote mate achterwege blijft. Het ISLP-materiaal ontbreekt in alle scholen
volledig of bijna volledig. Er zijn bovendien klachten over de kwaliteit
van de processen-verbaal inzake verkeer, een prioriteit van de regering.
De Astrid nv zou vrij spaarzaam omgaan met opleidingsmiddelen.
Er is eveneens waakzaamheid geboden in verband met het dragen en het gebruik
van bepaalde niet-reglementaire wapens door sommige politieambtenaren
[37] .
De proeftijd van zes maanden, die oorspronkelijk
was voorzien, is afgeschaft. Tijdens die stage zou een mentor de student
in de zone begeleiden. Maar niet alles is negatief. De evaluaties bevestigen
dat in grote mate.
De nog heel lange en logge mobiliteitsprocedure moet worden verlicht. Er
zijn ook te weinig restrictieve bepalingen. Zo bijvoorbeeld:
(1) kan een personeelslid zich voor een oneindig aantal functies kandidaat
stellen [38]
. Iedere zone legt haar eigen tijdschema vast, zodat
sommige procedures 10 tot 11 maanden duren; (2) het retentiesysteem
van 6 maanden door de werkgever, was een uitzonderingssysteem, maar dreigt
de regel te worden. De politiezones, de grote zones in het bijzonder, klagen
daarover. Ze hebben evenveel tijd nodig als vroeger om een nieuw personeelslid
te kunnen verwelkomen
[xvii] .
Een correcte regeling van de detacheringen is voor de twee politieniveaus,
en in het bijzonder voor de scharnierniveaus AIK en CIC, van belang. Er bestaat
een rits andere diensten waar personeel wordt gedetacheerd, maar nog geen
koninklijk besluit dat de wet terzake uitvoert en de modaliteiten van die
detachering bepaalt
[xviii] .
Volgens sommigen zorgt de systematische
uitbreiding van bepaalde kaders ervoor dat ze het organisatorische aspect
van de leidinggevenden totaal overstijgen. In de praktijk is er sprake van
een relatieve toename van leidinggevenden tegenover een basis- of middenkader
dat soms ontdaan is van zijn substantie, vooral bij de gerechtelijke pijler.
Er rijzen dan ook vragen over de loopbaanperspectieven van de jonge universitaire
officieren bij de geïntegreerde politie.
Er zal ook één informatienetwerk per provincie moeten komen waarmee alle diensten
zullen verbonden zijn en dat zowel naar boven als naar beneden informatie
zal verstrekken. We kunnen nooit genoeg benadrukken dat het kader van het
CIC en het AIK absoluut opgevuld moet worden. Dat probleem betreft
beide niveaus van de geïntegreerde politie: het CIC en AIK zijn altijd tussen
de regels van de wet op de geïntegreerde politie ingeschreven en behoren tot
de voornaamste integratiemechanismen, duidelijk gewild door “Octopus” en de
wet van 7 december 1998. Daarin zijn trouwens twee artikelen ingevoerd
om duidelijk te specificeren dat er CIC’s en AIK’s bestaan en hun rol te verduidelijken.
De twee niveaus van de geïntegreerde politie moesten het personeel ervan leveren.
Dat ging niet per se voor iedereen vanzelf, vooral niet voor de lokale
politie, die meende dat het aan het federale niveau was om personeel te leveren
omdat de CIC’s en AIK’s rond federale structuren zijn georganiseerd. De Commissie
ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau vindt het belangrijk
dat het contact van de gedetacheerde leden van de lokale politie met het lokale
niveau zoveel mogelijk behouden blijft en beveelt daarvoor een rotatiesysteem
van het personeel aan. De Commissie stelt eveneens voor dat er op middellange
en lange termijn geleidelijk aan meer een beroep wordt gedaan op Calog-personeel,
dat terzake een oplossing kan bieden, ten minste als men waakt over het professionalisme
van deze personeelsleden.
Bepaalde zones, en wellicht ook het federale niveau, kampen nog altijd met
het probleem van mensen op non-actief, mensen die teleurgesteld of vergeten
zijn. Verschillende zonechefs halen ook het “pensioensprobleem” aan, het
welbekende vervroegd met pensioen gaan, een soort van recht om de laatste
jaren ziek te zijn. Maar is dat probleem – waaraan men meer aandacht zou
moeten schenken – echt aan de hervorming te wijten? Is het niet veeleer een
terugkerend probleem bij tal van lokale politiezones en sommige federale politiediensten?
Gaat het zelfs niet om een meer algemeen probleem binnen de overheidsdiensten?
Een ander probleem vloeit voort uit het gewijzigde statuut waardoor sommigen
hun pensioen aanzienlijk kunnen verbeteren, zonder dat er, voorafgaand, een
compenserende prestatie moest worden verricht. Dat ook maakt deel uit van
de hervorming en niemand zal deze personen dit kwalijk nemen.
Op sommige plaatsen leveren de kwaliteit van het werk en het professionalisme
problemen op. Er zijn enorm veel problemen bij de invoering van gegevens
bij het AIK, niet alleen door sommige kinderziekten van het systeem, maar
ook door slecht opgestelde processen-verbaal. Opleidingen zouden deze problemen
kunnen verhelpen, maar dat betekent affectatie van personeel. Nochtans is
het dankzij een systeem als ISLP mogelijk om exact de betrokken werklast te
kennen. Jammer genoeg, is niet iedereen bereid om het te gebruiken, er zou
zelfs hevige tegenstand bestaan. Sommigen zullen dan spreken van administratieve
overlast, omdat ze de financiële inzet willen verbergen of niet willen zien.
“Meer blauw op straat”. Volgens het regeerakkoord moeten de administratieve en logistieke jobs worden ingevuld met Calog-personeel. Op basis van de verdeling die de minister van Binnenlandse Zaken heeft goedgekeurd, zullen 1 080 operationele personeelsleden van de federale politie die een job doen die voor een “Calog” is voorzien, die job moeten verlaten, ofwel om op middellange termijn een operationele functie te vervullen, ofwel om met pensioen te gaan. Die operatie zal verscheidene jaren in beslag nemen, tot en met 2009, aan een tempo van 150 Calog-jobs per jaar. De operatie wordt mogelijk gemaakt via een combinatie van vertrek-, reaffectatie-, opleidings- en algemene begeleidingsmaatregelen.
Het regeerakkoord bevat verschillende maatregelen om de operationele
capaciteit te verhogen, zonder extra kosten voor de gemeenten. Deze maatregelen
zijn: (1) de louter administratieve taken aan burgerpersoneel toevertrouwen;
(2) de werking van de gemeenschappelijke diensten van de algemene directies
van het federale niveau verbeteren, die voor de twee politieniveaus belast
zijn met de niet-operationele steunverlening; (3) de lokale politie uitbreiden
met het equivalent van 2 500 eenheden, zonder extra kosten voor
de politiezones; (4) de arbeidstijdregeling versoepelen; (5) het
mobiliteitssysteem vereenvoudigen; (6) een veiligheidskorps invoeren;
(7) meer samenwerking tussen zones en tussen het lokale niveau en het
federale niveau; (8) de rol van de DirCo aanpassen.
De implementatie van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee
niveaus vereist meer dan ooit een proactieve planning van de politiecapaciteit.
Vervolgens moet, retroactief, de capaciteit die aan de verschillende opdrachten
is besteed, worden vergeleken met de aanbevolen capaciteit. Een analyse van
de tijdsbesteding van de activiteiten en de aard ervan moet het mogelijk maken
de capaciteit aan mensen en uren volgens het type opdracht na te gaan. Om
op tijd te kunnen beschikken over een betrouwbaar instrument voor het personeelsbeheer,
heeft een bepaald aantal lokale politiekorpsen het PPP-programma gebruikt,
dat aanvankelijk voor de federale politie was gecreëerd. De eerste stappen
die zijn gezet, vertalen zich in een opmerkelijke verbetering van de situatie,
wij komen hier later op terug.
Een zonechef verklaart zo een betere werking van zijn zone: “Voordien wisten
we niet waar de politieambtenaren waren, met als resultaat dat zij de dispatching
leidden en niet omgekeerd. […] Nu volgen en managen we ze. […] Voor dat alles
moet je dichtbij de mensen staan”. Dit voorbeeld illustreert wat het
Vast Comité P op verschillende plaatsen heeft kunnen vaststellen.
Het wijkwerk komt te vaak neer op de uitvoering van kantschriften, over het
algemeen inzake verkeer. Momenteel wordt dit bijgestuurd. Een werkgroep,
nog maar één, buigt zich over de actualisatie van de omzendbrief van 16 februari 1999,
die artikel 25 van de wet op het politieambt toepast en bepaalt dat de
politie geen andere administratieve taken mag uitvoeren dan deze die door
of krachtens de wet zijn vastgelegd
[39] . De
minister van Binnenlandse Zaken bevestigde dat “De toekomstige tekst zal
rekening houden met het nieuwe politielandschap zodat de bepalingen ervan
overal op dezelfde wijze zullen worden toegepast. De korpschef zal zich meer
bewust moeten zijn van zijn verantwoordelijkheden en zal over een tekst beschikken
die hem in staat stelt om de uitoefening van bepaalde taken te weigeren”.
Die kwestie komt elders ter sprake.
De opwaardering van de wijkagenten, belangrijke schakels voor het slagen van de hervorming, levert problemen op. De agenten die zijn “bevorderd” tot wijkagent klagen vrij vaak dat ze er financieel aan verliezen, want ze hebben geen nacht- of weekenddiensten meer. Men stelt ook vast dat het niet makkelijk is om bekwame agenten van de lokale politie naar de federale politie te dispatchen. De capaciteit voor recherche (volgens sommigen willekeurig op 10 % vastgelegd) zou voor verschillende zones een zware last vormen. Een zonechef legt, net zoals collega’s van hem, uit dat je heel stressbestendig moet zijn en de gaven van een koorddanser moet bezitten om die functie uit te oefenen. Zo zou stress inherent aan de functie zijn geworden, net zoals bij “topmanagers” in de privé-sector. Ten slotte moet je ook met de stress van de betrokkenen op het terrein kunnen omgaan.
De keuze van de wetgever om met een centraal
sociaal secretariaat te werken wordt door de Commissie ter begeleiding van
de politiehervorming op lokaal niveau [40] niet op losse schroeven gezet. We kunnen dat alleen maar onderschrijven,
rekening houdend met de omstandigheden. De minister van Binnenlandse Zaken
beseft dat er “nog veel problemen zijn bij de werking van deze diensten”
[41] . In de Kamer heeft hij trouwens toegegeven dat “het niet uitgesloten
is dat er flaters werden begaan bij het informeren van het personeel. De
inspanningen om dat te verhelpen worden voortgezet” [42]
. Over het verhelpen van die toestand zegt hij: “Ik dring daar dagelijks
op aan” [43]
.
De “terugkerende” betalingen (vb. maandelijkse lonen) veroorzaken
geen problemen meer want de nodige gegevens zijn geïnformatiseerd bij het
sociaal secretariaat. Maar de terugbetaling van occasionele onkosten (vb.
extra uren, medische kosten, enz.) waarvoor de gegevens nog “manueel” aan
het sociaal secretariaat worden doorgegeven, neemt meer tijd in beslag. Dit
systeem is trouwens onderhevig aan enige kritiek. Het grote aantal premies
en vergoedingen zorgt voor een begrijpelijke toename van de administratie
evenals het opstellen van documenten die door het sociaal secretariaat gevalideerd
moeten worden. De lokale politiezones moeten zelf die supplementen valideren,
wat voor een belasting op het gebied van administratief werk en intern toezicht
zorgt (zoals bijvoorbeeld voor de maaltijdvergoedingen). Gezien de belangrijke
financiële gevolgen, moet er niettemin een zekere controle op het geheel worden
gehandhaafd en dus een zekere administratie om die openbare uitgaven te verantwoorden.
Of zou men moeten betalen zonder enige controle of protest, zoals sommigen
laten verstaan? En zo geen rekening houden met bepaalde vaststellingen van
de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie en
het Vast Comité P over bepaalde misbruiken?
Er zijn nog moeilijkheden voor het jaar 2001. Toen moesten de gemeentebesturen
het personeel van het operationele kader van de vroegere gemeentepolitie volgens
het nieuwe statuut inschalen. Het is een delicate zaak om het sociaal secretariaat
te laten toezien op dat werk dat de gemeenten hebben verricht. De gemeenten
aanvaarden dat moeilijk en zijn niet erg bereid om mee te werken. Maar hun
medewerking is onontbeerlijk om de situatie voor het jaar 2001 te kunnen
regulariseren. Een alternatief zou kunnen bestaan in een vorm van amnestie
uitgaande van het principe dat de gemeenten, de toenmalige werkgevers van
die politieambtenaren, hun verantwoordelijkheid hebben opgenomen en de inschaling
correct hebben uitgevoerd. Dat is jammer genoeg niet altijd en niet overal
het geval geweest, zoals we op sommige plaatsen hebben kunnen vaststellen.
Als men enkel optreedt na klachten, zou men een zekere foutenmarge moeten
toestaan, maar daarmee zou de algehele controleoperatie van de inschalingen
worden vermeden. In dat geval zou de regularisatieoperatie voor 2001
in één of anderhalf jaar kunnen worden geregeld. Wanneer het sociaal secretariaat
daarentegen zelf moet instaan voor zowel de controle van de inschalingen als
de regularisatie als zodanig, moet je rekenen op een termijn van twee tot
drie jaar. We herinneren er nog aan dat, wanneer de aanvaardbare echte meerkost
in de politiezones moest worden gemeten, de Algemene Inspectie, samen met
deskundigen van het sociaal secretariaat, erop uit zijn gestuurd. Dezelfde
technici moesten tegelijk enkele weken gedetacheerd worden bij de Algemene
Inspectie en een hele reeks berekeningen maken bij het sociaal secretariaat.
Het Vast Comité P onderhoudt positieve en regelmatige contacten met de Tuchtraad. Door de informele gegevensuitwisselingen tussen beide kunnen de inlichtingen die elk van hen heeft ontvangen, worden aangevuld en kan een globale visie van de tuchtproblemen worden ontwikkeld. Maar sommige politiekorpsen bezorgen noch aan de Tuchtraad, noch aan het Comité de inlichtingen over tuchtzaken, hoewel de wet dat uitdrukkelijk bepaalt. Belangrijk is ook dat de tuchtprocedure niet makkelijk uit te voeren is, wat ons ertoe heeft aangezet de kwestie nader te volgen, gedeeltelijk samen met de Tuchtraad.
De overbrenging van gevangenen van hun gevangenis naar de justitiepaleizen
en de bewaking in de justitiepaleizen zijn toevertrouwd aan een nieuw veiligheidskorps
[44] . De 318 veiligheidsbeambten
(in het begin 158) zullen niet gewapend zijn. Ze zullen worden belast met
het vervoer van gevangenen naar rechtbanken. Die bewaking is op huidig ogenblik
vooral een verantwoordelijkheid van de lokale politie. Die laatste zal zich
dan ook meer kunnen concentreren op haar opdrachten van community policing.
Sommigen hebben nochtans hun kritiek niet gespaard over wat ze “veel improvisatie” [45]
noemen. Het veiligheidskorps
moest aanvankelijk worden samengesteld uit militairen, die werden
omgeschoold. Maar omdat er onvoldoende kandidaten waren – amper een vijftigtal
– moesten de toepassingsbesluiten worden gewijzigd [46]
, zodat externe kandidaten kunnen worden aangeworven.
Zo werd een nieuwe oproep tot kandidaatstelling gedaan [47]
. De eerste vijftig leden van het veiligheidskorps
zijn begin september 2003 in dienst getreden. Ze hebben allemaal een
affectatie buiten Brussel gekozen, wat Brussel er niets op vooruithelpt.
Van de 318 korpsleden zijn er 160 voorzien voor Brussel en 158 voor de
rest van het land.
Over de grond van deze plannen was kritiek te horen. Volgens
specialisten [48]
, “blijft de bescherming van het transport van
de gevangenen een opdracht voor de politiediensten, die trouwens ook zullen
moeten klaar staan om de (ter zitting) aangehouden personen over te nemen”.
Met andere woorden, de politie zal toch nog een aantal opdrachten
op zich moeten nemen
[49] . Dan rijst
de vraag hoe dit het probleem van capaciteitsgebrek kan oplossen. De auteurs
stellen nog dat het veiligheidskorps zal leiden tot minder controle op de
overbrenging van gevangenen. Voor die auteurs, “is de oprichting van het
veiligheidskorps slechts één schakel in een zich ontwikkelende keten van initiatieven
die de politiefunctie ten gronde uithollen. […] Binnenkort
zijn er enkel nog politiemanagers, maar geen politiecapaciteit meer om over
te onderhandelen …”
[50] .
Waarop de minister van Justitie heeft geantwoord: “Zoals de penitentiair
beambten zijn de veiligheidsbeambten van het veiligheidskorps ambtenaren van
de Federale Overheidsdienst Justitie”
[51] .
De hulpagenten worden meer en meer ontlast van taken inzake het wegverkeer,
o.a. van de parkeermeters, die door andere personen worden overgenomen. Dat
wordt nu immers vaak als een zuiver administratieve taak beschouwd. We hebben
dit supra al vermeld. Volgens verschillende bronnen zijn de hulpagenten
de vergeten groep van de hervorming en heerst er ontevredenheid in hun midden.
Ze voelen zich “down” en hebben de indruk in een tweederangsstatuut te zijn
verzeild geraakt. Van het verkeer regelen aan kruispunten naar het beheersen
van de agressiviteit van hun medeburgers: ze zien vaak geen perspectieven.
Er loopt hierover momenteel een onderzoek bij onze Dienst Enquêtes. Uit verschillende
contacten en vaststellingen blijkt trouwens dat er in sommige zones te veel
hulpagenten zijn om aldus het gebrek aan politieambtenaren te compenseren.
De minister van Landsverdediging heeft de diensten van het leger aangeboden.
Dat is helemaal niet nieuw – in tegenstelling tot wat sommigen ons zouden
willen laten geloven –, want dat was al het geval voor de vroegere rijkswacht.
Sinds het begin van de jaren 90 bestaan er verschillende protocollen.
Zo kan het leger gerichte, tijdelijke steun verlenen aan de politie, met zijn
manschappen, materiaal of infrastructuur. Landsverdediging zal de politie
helpen “zonder in haar plaats te treden”, verklaart het departement
Binnenlandse Zaken. Zo kan het leger niet rechtstreeks optreden in conflictsituaties
van maatschappelijke of politieke aard. In geen geval mogen militairen fysiek
worden geconfronteerd met manifestanten. Van zodra een politiebevoegdheid
nodig is (papieren vragen, fouilleren, enz.), moet de politie optreden. Indien
de internationale situatie zou verslechteren, zou het wellicht van belang
zijn om de situatie te herzien en een duidelijk standpunt in te nemen, indien
nodig via wetgevende initiatieven, aangezien de reglementaire bepalingen het
niet altijd mogelijk maken een antwoord te bieden op het “terrorisme”, waarmee
ons land te kampen zou kunnen krijgen.
Er zijn ook vragen over de relatie en interactie tussen de “commerciële” veiligheid
en de openbare veiligheid. Zo hebben we al het geval aangehaald van Sint-Genesius-Rode,
dat beslist heeft om een privé-firma in te schakelen voor de bewaking van
de openbare ruimtes, terwijl men zich in het kader van de opdrachten (ten
tijde van de feiten) voorbehouden aan de ordediensten bevond. De overdracht
van sommige politiebevoegdheden aan de “commerciële” firma’s, met name de
bewakingsfirma’s, is een dossier dat onder de vorige regering heel wat stof
heeft doen opwaaien. Indien men deze politieke keuze maakt, moeten die bedrijven
ook de middelen krijgen om het deel van de politiefunctie dat eraan wordt
toevertrouwd in fine op zich te nemen en moeten ze aan een degelijke
controle, die naam waardig, worden onderworpen.
De bewakingsdienst van de metro zou een juridisch statuut wensen. Het Comité
heeft beslist om zijn onderzoek over de politie(functie) van de metro en vervoerssector
in Brussel te updaten en heeft in dat verband met het departement Binnenlandse
Zaken verschillende contacten gehad.
De Deontologische code, waarvoor al enige
tijd een aanvaardbaar project bestaat, laat jammer genoeg nog altijd op zich
wachten sinds de jaren 1990-1992. Dat wordt al te vaak vergeten.
De laatste overlegfase met verschillende actoren heeft veel tijd in beslag
genomen, maar is nuttig gebleken.
In december 2002 had de Raad van State het koninklijk besluit
vernietigd dat de financiering van de gemeentelijke bijdragen aan de politiezones
vastlegde. Aangezien de rechtszekerheid snel hersteld moest worden, is op
15 januari 2003 een nieuw koninklijk besluit uitgevaardigd
[52] , houdende de
nadere regels inzake de berekening en de verdeling van de gemeentelijke dotaties
in de schoot van een meergemeentepolitiezone. Maar ook dat nieuwe koninklijk
besluit werd door de Raad van State vernietigd. Zoals we al in ons jaarverslag 2002
schreven, moet de draagwijdte van dat arrest worden gerelativeerd, gezien
het aantal en het type betrokken zones.
Men zal opnieuw aan tafel moeten gaan zitten met bepaalde zones, die soms
nog in een kritieke toestand verkeren. Alle correcties van de laatste maanden
zijn uitgemond in een nieuwe berekening van de financiële tussenkomst van
de overheid voor 2002 en 2003. Het extra bedrag waarop elke zone recht heeft,
is opgenomen in een koninklijk besluit van 15 januari 2003. Ondanks
die extra toelage, is de situatie van bepaalde zones nog altijd problematisch.
Voor hen zou men moeten voorzien in overeenkomsten tussen de federale overheid
en de betrokken zone. Moeten we echt pessimistisch zijn? “Off the record”
geven de vertegenwoordigers van bepaalde zones evenwel toe dat ze “makkelijk”
rondkomen met wat hen is toebedeeld, in het uiterste geval maken ze zelfs
winst. Nochtans is het niet uitgesloten dat sommige zones nog moeilijkheden
ondervinden. Het gaat wellicht om 15 à 20 zones voor het hele grondgebied,
niet meer. Daarbij gaat het veeleer om een erfenis uit het verleden dan om
een rechtstreeks gevolg van de hervorming, zoals die in het verlengde van
de Octopusakkoorden is tot stand gekomen.
De eisen van de VVSG en haar zuster- of aanverwante verenigingen kunnen als
volgt worden samengevat: (1) indien de beslissingen van de federale overheid
meerkosten voor de gemeenten meebrengen, zonder dat ze er zelf voor verantwoordelijk
zijn, moet de federale overheid die meerkosten betalen; (2) de overdracht
van nieuwe politietaken naar het lokale niveau moet ofwel worden vergoed,
ofwel worden stopgezet; (3) bij de uitwerking van een financieringsmechanisme
moet aan de gemeenten die in het verleden een behoorlijke inspanning voor
hun politie hebben geleverd, worden verzekerd dat ze niet bestraft worden.
De gemeenten die te weinig inspanningen hebben geleverd, moeten een inhaalbeweging
maken (gespreid in de tijd) maar tot een niveau dat (als kleine gemeente)
realiseerbaar is. In dat raam moet ook in een solidariteitsmechanisme worden
voorzien; (4) het financieringsmechanisme moet bovendien rekening houden
met gemeenten met heel beperkte financiële middelen. In dat geval is een
structurele aanpassing nodig; (5) het financieringsmechanisme moet op
objectieve criteria zijn gebaseerd [53]
.
Wie was dan ook niet verrast te vernemen
dat “de politiehervorming de gemeenten niets kost”? Volgens Dexia,
de bank van de gemeenten, heeft de politiehervorming globaal genomen geen
effect op de begrotingen van de gemeenten. In de gemeentebegrotingen zijn
de politie-uitgaven van 1990 tot 2003 jaarlijks gemiddeld met 5,8 % toegenomen.
Datzelfde percentage vinden we ook terug als we ons beperken tot de begrotingen
van 2002 en 2003. Een onderzoek van de Union des Villes et Communes de
Wallonie (UVCW) wijst dan weer op een gemiddelde stijging met 7 %
tussen 2002 en 2003. Dat onderzoek van de UVCW bevestigt dat het wel degelijk
de kleine gemeenten zijn met minder dan 10 000 inwoners (7,1 %)
en in het bijzonder die met minder dan 5 000 inwoners (11,5 %) waar
tussen 2002 en 2003 de gemeentelijke dotatie per inwoner aan de politie het
sterkst is gestegen. Voor een gemiddelde gemeente met 20 000 à 30 000 inwoners
zou die stijging 10,7 % bedragen. We kunnen niet genoeg beklemtonen
dat we ook de gevolgen moeten dragen van een gebrek aan interesse en investeringen
in het verleden in sommige gemeenten, niet per se de armste. We moeten
er ook rekening mee houden dat we volop in een periode van rekruteringen en
reaffectaties zitten. Pas in 2004-2005 zal een eerste echte balans kunnen
worden opgemaakt.
We mogen ook niet vergeten dat de gemeenten, vóór de hervorming, constant
over gratis federale hulp beschikten: de rijkswacht. Vaak stond
de rijkswacht in voor de patrouilles ‘s nachts en bood ze een 24u/24u-dienstverlening
aan. Nu moet de lokale politie de hoofdzakelijk lokale opdrachten overnemen.
Maar de personeelskosten (90 % van de gewone uitgaven van een politiezone)
voor de nachtdiensten liggen duidelijk hoger dan die voor overdag, en dit
nog afgezien het feit dat elke agent al meer kost dan vroeger. In verschillende
zones heerst er ongenoegen. Het is duidelijk dat er een oplossing moet worden
gevonden om hun financiering opnieuw in evenwicht te krijgen. Dat is trouwens
wat de minister van Binnenlandse Zaken van plan is, door de KUL-norm
aan te passen. Maar die nieuwe norm zal weldoordacht moeten zijn, rekening
houdend met de eigenheden van de zones, maar de berekening moet toch eenvoudig
blijven.
Onder andere de Commissie ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal
niveau beveelt aan dat de nieuwe financieringsnorm resulteert in een financieringswet,
die alle criteria van toetsing moet kunnen doorstaan, zoals objectiviteit,
gelijkheidsbeginsel, enz. We kunnen ons alleen maar achter die aanbeveling
scharen. Het is belangrijk dat er een zekere stabiliteit komt en dat beslissingen
ad hoc worden genomen en gedragen.
De informatica-infrastructuur (materieel en beheer van informatie)
vormt in bepaalde lokale politiezones een ernstig probleem. Niet zelden bestaan
er nog verschillende systemen of servers voor eenzelfde zone (één server per
gemeente plus één per vroegere territoriale rijkswachtbrigade) die niet met
elkaar verbonden zijn. De gewenste investeringen komen er niet altijd en
de nodige interesse ontbreekt soms. Sommigen klagen ook over het feit dat
de informaticatoepassingen onderling niet aan elkaar zouden zijn aangepast.
Het RBS-systeem van de federale politie zou niet compatibel zijn met het ISLP-systeem
van de lokale politie, wat een zware hypotheek legt op de informatie-uitwisseling.
Dit moet worden geverifieerd.
De UVCW klaagt het gebrek aan investeringsuitgaven aan in de Waalse politiezones,
die in 2003 niet meer dan 9 euro per inwoner bedroegen, terwijl
de investeringen van de gemeenten 1 000 euro bedroegen
[54] . De gemeenten spelen een determinerende rol bij de goedkeuring van
de gemeentebegrotingen in het algemeen en inzake de toekenning van middelen
aan de lokale politie in het bijzonder. Aan de vroegere rijkswacht en de
federale politie werden sinds vele jaren budgettaire beperkingen opgelegd,
in het bijzonder op het vlak van investeringen, met name voor de gebouwen
van de voormalige rijkswacht en hun weinig functionele karakter. Hetzelfde
geldt voor het materiaal en de voertuigen. Wat de kostprijs van het communicatiesysteem
Astrid betreft, is het belangrijk dat zowel de federale als de lokale politie
tegen dezelfde voorwaarden en volgens dezelfde criteria betalen.
Het koninklijk besluit [55]
tot regeling van de voorwaarden en modaliteiten van
de eigendomsoverdracht van administratieve en logistieke gebouwen van de Staat
naar de gemeenten of meergemeentepolitiezones is vijf jaar na de wet van 7 december 1998
verschenen. De gemeenten of zones kunnen evenwel in beroep gaan tegen de
ramingen van de overgedragen gebouwen en terreinen. Hier, meer dan elders,
moet worden vermeden dat er een nieuwe krachtmeting komt tussen het federale
en het lokale niveau, die, uiteindelijk, alleen maar schade zal toebrengen
aan de uitoefening van de politiefunctie. Ook bestaan er, soms niet te verwaarlozen,
infrastructuurproblemen bij de federale politie. De gerechtelijke diensten
arrondissement werken nog vaak op verschillende plaatsen en bevinden zich
niet in hetzelfde gebouw als de coördinatie- en steundienst arrondissement,
wat soms nadelig is voor hun operationaliteit.
Astrid is de naam van het nieuwe telecommunicatiesysteem voor de hulp-
en veiligheidsdiensten. De dispatching of de oriëntatie van de teams is een
sleutelmoment voor het vervolg van de behandeling van de oproep. Het netwerk
dekt momenteel, geheel of gedeeltelijk, Oost-Vlaanderen, West-Vlaanderen,
Antwerpen, Brussel, Henegouwen en Namen. De doelstelling bestaat erin in 2004
het hele grondgebied te dekken. Bepaalde regionale dispatchings worden momenteel
geïnstalleerd. Er moeten niettemin nog twee hindernissen worden overwonnen.
Enerzijds, moeten de verschillende hulpdiensten ervan worden overtuigd zich
erop aan te sluiten want, ondanks de technologische vooruitgang, blijkt nog
niet iedereen overtuigd. Anderzijds, vormt de kostprijs van Astrid een belangrijke
hinderpaal. Hoewel de minister van Binnenlandse Zaken in het Parlement verklaard
heeft dat Astrid alleszins moet worden gerealiseerd zonder meerkosten voor
steden en gemeenten [56]
, blijft de financiële inzet voor de gemeenten groot.
Het kan een nieuwe, heel gevoelige twistappel worden in de toekomst. Het
gaat eigenlijk om een geldkwestie, maar ook om criteria die worden vastgelegd
om te evalueren “op hoeveel iedereen recht heeft”, aangezien voorzien is om
met de in het verleden geleverde inspanningen rekening te houden. Bovendien
is een systeem nodig dat overal goed werkt, op basis van equivalente criteria
en moet voorrang worden gegeven aan het functionele en aan de gemeenschapsgerichte
politie.
Er blijkt nu ook dat de zonechefs uiteenlopende standpunten innemen over de
dispatching: sommigen wensen lokaal te blijven dispatchen (gedecentraliseerd),
anderen willen meer gecentraliseerd werken. Bij de inrichting van de gecentraliseerde
dispatchings rijst vooral de vraag welke principes of criteria zullen gelden
voor de interventieteams, die aan een bepaalde zone zijn toegekend, om buiten
hun eigen geografische entiteit op te treden. Gaat het in een dergelijke
context nog om een geïntegreerde politie, zoals de wetgever die in het verlengde
van Octopus heeft gewild?
Een andere denkpiste leidt tot nog meer discussies:
de affectatie van Calog-personeel aan de call-taking en dispatching. Volgens
sommigen is het onmogelijk Calog-personeel aan te werven, omdat ze vinden
dat een opleiding en politie-ervaring onmisbaar zijn om een activiteit in
het geïntegreerde centrum te kunnen uitoefenen. Ongetwijfeld zijn beslissingen
terzake dringend nodig [xix]
.
In 2003 heeft het Vast Comité P het toezichtsonderzoek over de politiecapaciteit inzake informaticacriminaliteit opgevolgd, dat in 2001 werd aangevat ter gelegenheid van de inwerkingtreding van de wet van 28 november 2000 inzake informaticacriminaliteit. Over het algemeen stelt men vast dat de technologie op het vlak van informatica- en telecommunicatietoepassingen constant blijft evolueren (draadloze netwerken, MMS-technologie in combinatie met de GSM met GPRS en ingebouwde camera’s, dienstverlening via GSM via SMS-boodschappen, enz.). Dat alles gaat gepaard met meer en complexere informaticacriminaliteit. De behoeften van de politiediensten aan bijstand op het vlak van recherche in de ICT-omgeving (Information and Communication Technology) nemen alsmaar toe, wat onmiddellijk een weerslag heeft op de werklast van de Federal Computer Crime Unit (FCCU) en de Computer Crime Units (CCU). De menselijke en financiële middelen moeten terzake nog worden opgevoerd, ook al zijn er al niet te verwaarlozen inspanningen geleverd. Het Comité heeft deze kwestie supra al vermeld.
De bijna 40 000 politieambtenaren zouden allemaal het nieuwe uniform moeten bezitten tegen de zomer van 2004. “Dat is zeker niet te vroeg”, zullen sommigen zeggen en dat is ook zo, want op het terrein is de situatie – laten we het maar zeggen – soms erbarmelijk of rampzalig. Ook is er een, verre van te verwaarlozen, tucht- en toezichtsprobleem wat het dragen van het uniform betreft. Die problematiek geldt ook voor de studenten, die over het algemeen hun kledij niet op tijd krijgen, afgezien van het feit dat de maat dan nog niet altijd goed is, bijvoorbeeld. Dat kan gevolgen hebben voor de mentaliteit en stelt een voorbeeld van een gebrek aan stiptheid, een gebrek aan vooruitziendheid.
De omzendbrief GPI 33 van 4 maart 2003
schrijft voor dat alle politiegebouwen die permanent of tijdelijk voor het
publiek toegankelijk zijn, van een verlicht uithangbord voorzien moeten zijn.
Daarop moet een politielogo en het woord “politie” te zien zijn. De doelstelling
bestaat erin om tegen 2005 alle gebouwen uit te rusten met dezelfde verlichte
uithangborden. Net zoals de zichtbaarheid van de gebouwen, laat ook de zichtbaarheid
van groepen politievoertuigen soms te wensen over, zelfs al is er op veel
plaatsen sinds kort aanzienlijke vooruitgang geboekt.
Hoe kunnen in dergelijke omstandigheden de politieambtenaren zelf worden overtuigd
dat de geïntegreerde politie een feit is?
In de eerste plaats mogen de talrijke positieve punten die sinds de
verandering van het politielandschap al gerealiseerd zijn, niet uit het oog
worden verloren. Vaak zijn die gerealiseerd op het vlak van de concretisering
van de politiefunctie en de beschikbaarheid zowel ten voordele van de burgermaatschappij
als van het geheel van de burgers. Na een jaar voor de lokale politie en
na twee jaar voor de federale politie, zijn er niet echt duidelijke en controleerbare
signalen dat de zaken echt slechter gaan dan voordien, ook al zijn er toch
veel punten voor verbetering vatbaar. Er bestaan daarentegen signalen – de
cijfers zijn soms misschien betwistbaar – die erop wijzen dat het beter gaat.
Zo zijn er schaalvoordelen verwezenlijkt en zijn de commissariaten tegenwoordig
24 uur per dag open. Wat het wegverkeer betreft, zijn er op verschillende
plaatsen minder ongevallen, minder ernstige letsels, zeker op de autosnelwegen
en de gewestwegen. De politiestructuur die door de wet van 7 december 1998
is ingevoerd, heeft in twee jaar, zelfs tijdens haar overgangsperiode, niet
echt banale ordehandhavingsopdrachten moeten uitvoeren (Euro 2000, Beleur,
Eurotops, enz.) en heeft dat vrij goed gedaan. Zelfs al is er vaak empirisch
te werk gegaan, zijn de zaken niet altijd zo slecht verlopen, wel integendeel.
Natuurlijk kunnen er verwijten worden gemaakt,
maar volgens verschillende geverifieerde inlichtingen waarover we beschikken,
gaat het er in sommige zones, zoals in de zone 5344, vrij goed aan toe.
Het personeelstekort is gedeeltelijk opgelost door een beter human resourcesbeheer.
Ondanks de financiële problemen, te wijten aan de budgettaire situatie van
een gemeente, lijkt de criminaliteit er te dalen, wat bewijst dat de politie
actiever is dan vroeger of dat ze meer gerichte acties voert. In dergelijke
situaties blijkt de reorganisatie van de politie een goede zaak, aangezien
die haar doeltreffendheid verhoogt. De telepolitie en meer bepaald de toename
van de patrouilles per sector werpen op verschillende plaatsen ook vruchten
af.
In meerdere zones leveren de lokale recherchediensten meer werk. In het Brussels
Hoofdstedelijk Gewest bijvoorbeeld beschikten maar twee van de vijf gemeenten
van een zone, echt over gerechtelijke brigades. Uit verschillende recente
getuigenissen blijkt dat het dankzij de invoering van de zones mogelijk is
geweest om meerdere recherchediensten op te richten, die performanter zijn
dan in het verleden, zodat het parket hen zelfs alsmaar meer werk geeft.
Hier en daar zou het zonder de hervorming onmogelijk zijn geweest een nieuwe
cel op te richten, bijvoorbeeld een buurtcel, die betrekkelijk performant
is. “We konden ook doeltreffend tegen huisjesmelkers beginnen optreden,
die mensen die ontzettend veel geld verdienen door kleine, vuile, afgesloten
kamers te verhuren … dat was zonder de hervorming onmogelijk geweest”.
De invoering van de wet van 7 december 1998 opent zeker en vast
perspectieven. Eén van de voornaamste elementen is een betere informatie-uitwisseling
op sommige plaatsen. Ook al hebben we nog te kampen met kinderziekten, toch
zorgt het nieuwe systeem ervoor dat er structureel beter wordt gewerkt. Er
is nood aan een betrouwbaar communicatiesysteem op professioneel gebied.
“Laten we nooit vergeten dat een performante structurering van het informatiebeheer
één van de voornaamste redenen van deze hervorming vormde”, verklaarde
de eerste minister op 17 december 2002 op een congres over de politiehervorming.
Het was één van de fundamentele doelstellingen, waarmee de overheden en verantwoordelijken
van de politie zich actief inlaten, zelfs al moet er op verschillende plaatsen
nog een weg worden afgelegd.
Bepaalde zones kregen veel nieuwigheden te verwerken: van het eenvoudige register
van processen-verbaal zijn ze overgestapt naar PIP of naar de laatste versie
van ISLP. Voor die zones gaat het om aanzienlijke veranderingen op zeer korte
tijd. Bovendien is de communicatie over die evoluties naar het personeel
toe, niet altijd eenvoudig. In dat verband moet men voor ogen houden dat
de criminaliteit zich niet in één bepaalde zone concentreert, zelfs niet in
één enkele provincie of land, maar zich verplaatst. Een politieambtenaar
kan bijgevolg evenveel voordeel halen uit de informatie die anderen hebben
ingevoerd dan uit de informatie die hijzelf heeft geregistreerd. Dat wordt
wel eens vergeten.
Een ander positief element is dat de kwaliteit van de uitvoering van de politiefunctie
op sommige plaatsen, maar niet overal, is verbeterd. Denk aan de gemeenten
waar men nog een systeem kende van een “veldwachter-postbode”
[57] . Deze (potentiële) verbetering van de kwaliteit is op veel plaatsen
een onmiskenbare vooruitgang. Ten slotte zijn tal van gemeenten er expliciet
toe aangezet om samen te werken en putten ze daar zeker de kracht uit om andere
samenwerkingsverbanden aan te gaan.
De gemeenschapsgerichte politie, die supra al werd aangehaald, is één
van de voornaamste doelstellingen van de wet van 7 december 1998.
In die geest hebben sommige zones fietspatrouilles gecreëerd terwijl andere
graag een beroep doen op de cavalerie van de federale politie. Die patrouilles
zijn sneller en zichtbaarder en bieden bovendien het voordeel goed te worden
gepercipieerd door de bevolking.
Nog andere zones hebben hun intrede op het internet gedaan, met een informatieve
en interactieve site. Hiervan bestaan goede, maar ook soms minder gelukkige
voorbeelden die niet noodzakelijk noch a priori in de richting van
de integratie van de twee politieniveaus gaan.
Andere positieve punten zijn onder meer: (1) een toenadering tussen politiekorpsen
met andere gewoonten, statuten en een andere mentaliteit. Het recente arrest
van het Arbitragehof heeft bepaalde geschillen en gevoelens van afgunst evenwel
weer aangewakkerd; (2) de herwaardering van het loon van de politieambtenaren
(zelfs al is dat een heel dure zaak voor de openbare financiën); (3) de
almaar toenemende vastberadenheid om, ondanks zware kritiek, de uitoefening
van de politiefunctie in het nieuwe politielandschap te doen vooruitgaan;
(4) een zekere toename van de politiecontroles, die min of meer doeltreffend,
misschien zelfs doelmatig zijn; (5) waar het nodig was, de goede beheersing
van bepaalde spanningen, met name tussen gemeenschappen na het heroplaaien
van het conflict in het Midden-Oosten, de oorlog in Irak, enz.
De woninginbraken, de overlast door drugsverslaafden, de buurt en de verkeersonveiligheid
vormen in vele zonale veiligheidsplannen de prioriteiten: de verkeersveiligheid
en de leefomgeving vormen ook de inzet van de nieuwe politie. Heel regelmatig
brengen FIPA-operaties (full integrated police action) leden van de
lokale en federale politie samen, wat vruchten zou afwerpen, al was het maar
op het vlak van het (on)veiligheidsgevoel. Maar we zijn dit aan het nagaan,
want we zijn er nog niet volledig van overtuigd. Anderzijds mogen we ook
niet vergeten dat de politie “meten” geen makkelijke opdracht is.
Sommige zones zijn meer tevreden dan andere. Zo heeft
de minister van Binnenlandse Zaken 89 mensen aan de eengemeentezone Hoei
toegekend in plaats van 72, wat volgens de KUL-norm is aanbevolen. Voor de
burgemeester biedt de politiehervorming al wie het wil tools en middelen die
beter aan onze tijd zijn aangepast
[58] , volgens de lokale eigenheden, wat die ook zijn.
De eerste minister evenals de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie
hebben de Commissie ter begeleiding van de politiehervorming gevraagd haar
activiteiten voort te zetten. Er moeten verschillende materies worden behandeld:
het toezicht op het ziekteverzuim, de tuchtregeling, een stand van zaken inzake
vakbondsonderhandelingen, de mobiliteit, het informatiebeheer, de sociale
dienst, de Calog’s, het Boetefonds en de administratieve vereenvoudiging.
Ook wordt de Commissie gevraagd aandacht te schenken aan de arrondissementele
informatiekruispunten, aan de communicatie- en informatiecentra, aan het statuut
van de bijzondere rekenplichtige en aan het nieuwe financieringsmechanisme.
Dit kunnen we enkel toejuichen! De minister van Binnenlandse Zaken benadrukt
dat de troef van deze Commissie erin bestaat dat alle betrokken instanties
rond één tafel gaan zitten met het oog op een tegensprekelijk debat. Er worden
allerlei kwesties aangekaart, maar onverminderd hun belang of hun veeleer
indirecte impact op de uitoefening van de politiefunctie s.l., evenals
de kritische succesfactoren die de goede werking van de AIK’s en CIC’s vormen,
gaan ze niet echt over “wat de politie doet”. Wat ook de hoedanigheid is
van de hoofdfiguren en andere betrokkenen of actoren, die in dat kader worden
gehoord, het gaat vaak om een onderhandelaarsgroep, een belangrijk en interessant
platform dat tot vruchtbare uitwisselingen kan leiden. De kwesties die er
worden aangekaart zijn evenwel niet altijd echt objectief noch objectiveerbaar.
De argumenten die worden ingeroepen, zijn niet altijd gecontroleerd of controleerbaar.
Niettemin kunnen discussies en tegensprekelijke debatten tot bijzonder interessante
opties en pistes leiden, die veel verder gaan dan de chaos van kritiek, of
van de rechtvaardigingsgronden ervoor …
Een soortgelijke commentaar geldt voor sommige, vrij kritische, studies of
analyses van vertegenwoordigingsorganisaties of drukkingsgroepen. De argumenten
en uitspraken zijn niet altijd objectief of geverifieerd en vaak te weinig
objectiveerbaar of verifieerbaar. De toon roept soms
ook vragen op!
Nog niet alles is gedaan of voltooid, maar resultaten zijn er zeker: “Sommige
min of meer gerichte operaties zouden de bevolking hebben kunnen geruststellen
en een gevoel van onveiligheid hebben veroorzaakt bij sommige boeven. Indien
het aantal carjackings met 45 % afneemt, dan is dat toch niet voor niets”.
De minister van Binnenlandse Zaken beseft evenwel dat sommige, min
of meer gedetailleerde zaken nog moeten worden geregeld en daarbij is het
project community policing aan de orde. “Wat is het nut van patrouilles
in wijken waar nooit iets gebeurt? Politieagenten op straat is één zaak,
maar dan moeten ze nog voor iets dienen! Dat ze naar de mensen luisteren,
naar hun verwachtingen!” Je moet aan de wensen van de burger voldoen,
zoals een handelaar dat doet voor zijn klant, zodat die laatste naar zijn
zaak wil terugkomen. “Politieagenten moeten niet gewoon de wil hebben
om het goed te doen, maar om het alsmaar beter te doen”. “De hervorming
zal pas een succes zijn, als onze medeburgers over enkele jaren zullen zeggen:
de zaken zijn veranderd, de politieagenten zijn op straat, in moeilijke wijken
en ze praten met ons”.
We benadrukken nogmaals dat de politiehervorming
niet overal spanningen veroorzaakt, verre van. Gemeenten zijn blij met hun
samenwerking die ze harmonieus en doeltreffend vinden. De osmose die tussen
de voormalige agenten van de gemeentepolitie en rijkswachters heeft plaatsgevonden,
wordt eveneens in de verf gezet, hoewel er vaak vragen rijzen, meer bepaald
over de overdracht van de gebouwen, betalingen, het bijwerken van gegevens
of dossiers. Er heersen nog bepaalde spanningen, die soms op de spits worden
gedreven, tussen sommige personen. Het gaat dan vooral om individuele problemen.
Althans dat denken en hopen wij.
Sommigen merken op dat het debat over de hervorming een debat over statuten,
kosten en budgetten is geweest. De politiefunctie of het feit dat de politieambtenaren
in de eerste plaats hun opdrachten correct moeten uitvoeren, zijn nooit ter
sprake gekomen: “wat moet de politie doen”.
Ook al vormt het geen prioritaire bekommernis van het Vast Comité P,
toch moet er worden beklemtoond dat de ernstige loonsherwaardering van het
beroep een belangrijke externe stimulans betekent. Maar uit de managementbeginselen
vloeit voort dat het effect daarvan slechts beperkt is in de tijd. Het is
dus wenselijk zo snel mogelijk duidelijkheid te scheppen, met name dankzij
bevredigende arbeidsvoorwaarden en een duidelijk wettelijk kader.
De fusie van het territoriaal menselijk potentieel biedt meer mogelijkheden,
dubbel werk wordt vermeden. Onthaal, preventie, interventie, wijkwerk worden
voortaan aan één enkel politiekorps toevertrouwd, het lokale niveau van de
geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
In het kader van de aanbevolen benaderingen speelt de becijfering van de resultaten
van de politie, de kwantitatieve evaluatie vaak een determinerende rol. Volgens
ons mag je niet te veel verwachten van een dergelijke aanpak en moet je ook
rekening houden met mogelijke disfuncties of ongewenste effecten. Hoe kun
je de prestaties van de politie immers meten? In Nederland moeten de korpschefs
met hun overheid prestatieafspraken maken. Ze engageren zich om een
reeks doelstellingen binnen een bepaalde termijn te halen. Het Nederlands
planbureau heeft sceptisch op dat idee gereageerd. Het vooraf vastleggen
van prestatieafspraken in een overeenkomst valt moeilijk te rijmen met de
aard van het politiewerk en de beleidsvrijheid van de korpsen! Niettemin
is het planbureau het erover eens dat de responsabilisering van de korpschefs
moet worden verhoogd. Maar de kwaliteit van het politiewerk kan moeilijk
in een reeks prestatie-indicatoren worden samengevat. Zo is het makkelijk
om het aantal boetes te verhogen door enkel de makkelijkste overtredingen
te sanctioneren. Prestatieafspraken kunnen ook de mogelijkheid beperken om
op toekomstige veranderingen in de veiligheidssituatie te reageren.
Punten die meer aandacht vereisen of voor verbetering vatbaar zijn, zijn onder
meer: (1) een vrij slechte inschatting en/of beheersing van de kosten
van de politiehervorming; (2) herhaaldelijke onderhandelingen tussen
de federale regering en de gemeenten over de kosten van die hervorming en
de toe te passen criteria; (3) kritiek bij de coalitiepartners zelf over
de kostprijs van het lokale niveau van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd
op twee niveaus; (4) de integratie van de allochtone bevolking of van
personen van vreemde origine, die een hangende en mogelijk explosieve kwestie
blijft; (5) een zonechef wees erop dat in sommige zones de gemiddelde
leeftijd bijzonder hoog ligt (45 jaar), wat de door ons geraadpleegde
cijfers ook bewijzen. Dit heeft onder meer een zware loonlast tot gevolg.
Maar de oudsten mogen dan ook weer niet veroordeeld worden tot de Directie
van de algemene reserve. De minister van Binnenlandse Zaken erkent trouwens
dat “het statuut kan worden verbeterd, (…) dat het mobiliteitssysteem niet
werkt, dat de arbeidstijdregeling te log is en dat er meer mogelijkheden moeten
komen om personeel te verschuiven van administratieve taken naar politietaken”
[59] , zowel bij de
federale politie – we hebben dat al voldoende onderstreept – als bij de lokale
politie, wat in deze context niet uit het oog mag worden verloren; (6) soms
en ook weer op sommige plaatsen, zijn er tegenkantingen, die verder gaan dan
kritiek, die vaak ongegrond is, zelfs totaal uit de lucht gegrepen is en,
in sommige gevallen, ook sterk overdreven is uitgedrukt.
De hervorming moest er komen, maar het budgettaire luik is niet grondig genoeg
onderzocht. Het klopt dat er een zeker gebrek aan zichtbaarheid en nabijheid
is, wellicht meer in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en bepaalde grote
steden dan elders. Maar bepaalde slogans of uitspraken die sommigen stellig
verkondigen, moeten worden gerelativeerd.
Aan de integratie van de verschillende subculturen zou volgens sommigen te
weinig aandacht zijn besteed. Een sterke samenwerking blijkt moeilijk als
de werkmethodes al zo lang zo verschillend zijn. Dat houdt in dat men niet
vertrouwd is met het jargon en de inherente afkortingen, dat men een zeer
korte deadline niet gewoon is als men personeel moet leveren, dat men niet
de gewoonte heeft met andere normen te werken na overleg met de lokale vakbonden.
Sinds iets meer dan een jaar proberen alle politiezones zich aan te sluiten
bij het concept gemeenschapsgerichte politie en, wanneer ze dat echt doen,
doen ze dat elk een beetje op hun eigen manier. Er bestaat een referentierichtlijn
voor 11 proefzones. Voor sommige verantwoordelijken moet dat probleem
dringend – ook vanuit symbolisch oogpunt – worden opgelost, want het is echt
de filosofie van het geheel van de politiehervorming op lokaal niveau dat
de Belgische interpretatie van het concept community policing moet
vertalen. We kunnen met die vaststellingen of voorstellen alleen maar instemmen,
die we trouwens reeds in het verleden of elders hebben aangehaald.
Ook al is de kwestie van relatief secundaire orde ten aanzien van de harde
kern van zijn aandachtspunten, wil het Comité P toch benadrukken dat
in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hoofdstad van Europa, talenkennis belangrijk
is, maar vaak ontbreekt. Zelfs de gewone tweetaligheid stelt soms problemen.
Nog maar een derde zou tweetalig zijn. De minister van Binnenlandse Zaken
heeft evenwel gepreciseerd dat: “De zes Brusselse zones betalen 3 873
van hun 5 263 personeelsleden een tweetaligheidstoelage. […] Bovendien
hebben sommige agenten hun talenkennis nog niet kunnen bewijzen bij Selor”
[60] . Veel nieuwe rekruten zouden Brussel evenmin
goed kennen. We mogen ook de gevangenissen niet vergeten, waar de agenten
soms onverwacht moeten bijspringen om de rust te bewaren. Maar
de politie is er niet om alles op te lossen, noch om aan alle onvoorziene
omstandigheden het hoofd te bieden: “de politieambtenaar, als enig sociaal
werker?”. De politieke overheden, de overheden van de bestuurlijke of gerechtelijke
politie evenals verschillende andere actoren en betrokkenen spelen hierin
een niet te verwaarlozen rol. Dat probleem is echter niet nieuw. Verschillende
verantwoordelijken leggen ook uit dat ze graag opleidingen zouden willen organiseren,
maar dat dit niet altijd mogelijk is, bij gebrek aan mensen. Maar de laatste
maanden is de mobiliteit naar de andere zones verminderd, sinds de Brusselse
politieambtenaren bepaalde financiële stimulansen zijn beloofd. Onverminderd
de complexiteit van de situatie en de 400 à 500 politieambtenaren die
dagelijks gedetacheerd zijn in de korpsen van het arrondissement Brussel-Hoofdstad,
is het aantal al dan niet open te stellen plaatsen relatief hoog, vooral in
het Brussels gewest, maar ook in andere korpsen waar men misschien aanvankelijk
boven zijn stand heeft willen leven. In een dergelijke context, is de voortzetting
van een beleid dat te fel is toegespitst op detacheringen niet noodzakelijk
de beste aanpak.
Nieuwe of andere oplossingen kunnen de situatie verbeteren, zoals het plaatsen
van camera’s. Die laatste zijn natuurlijk geen wondermiddel, maar toch een
deel van de puzzel. Ze worden in meerdere zones dan ook geïnstalleerd of
voorzien, in Brussel en elders.
Het is heel belangrijk dat er een elektronische verbinding tot stand komt
tussen het openbaar ministerie en de politie. Er loopt momenteel een proefproject
voor verkeer. Dankzij die verbinding kan het parket zonder veel moeite over
een politiedossier beschikken, wat uiteraard heel wat doeltreffender werkt:
“een globale en geïntegreerde modernisering is meer dan wenselijk”. Naast
een globaal beleidsoverleg en een elektronische link, is er een communicatie
– die meer moet zijn dan het eenvoudigweg afgeven en uitvoeren van kantschriften
– tussen de politieambtenaren die het onderzoek op het terrein verrichten
en de leden van het openbaar ministerie nodig. Hoewel dit al zo is voor de
“grote” dossiers, is een dergelijke communicatie ook nuttig voor de zogezegde
“kleinere” dossiers, meer bepaald die waarvoor de politie het onderzoek autonoom
voert of zou moeten voeren.
Er bestaan problemen in verband met de administratieve taken die de agenten
worden opgelegd. Sommige korpsen verkondigen dat meer dan 10-15 mensen
voltijds deurwaardersexploten betekenen. Sommigen spreken zelfs van de “dictatuur
van de criminologen van Brussel”: de administratieve lasten die aan de
diensten worden opgelegd en soms ook aan de agenten zouden zijn toegenomen
[61] . Ook dit wordt
nagetrokken! Eens te meer is het niet mogelijk om met cijfers of andere gegevens
te bewijzen dat dit fundamenteel anders is dan in het verleden of dat deze
situatie te wijten is aan de uitvoering van de wet van 7 december 1998.
Wat de gerechtelijke pijler betreft, bleek de fusie van de voormalige BOB
en de ex-GPP vruchten af te werpen en werd er aan iedereen op het hele grondgebied
eenzelfde dienstverlening geboden, in elk geval tot augustus-september 2003,
dit is vóór het arrest van het Arbitragehof. Dat geldt niet voor alle modaliteiten
en componenten die door de wet van 7 december 1998 zijn ingevoerd.
Maar is dat niet te wijten aan het hele veranderings- en moderniseringsproces,
of toch minstens in grote mate? Dat is helemaal anders voor
de lokale politiezones: veralgemenen is hier onmogelijk. Alles
hangt af van de zone. Er zijn zones die heel goed werken, maar vaak hoor
je klachten over budgetten, materiaal, maar ook over het werk en de bevoegdheden
die het federale niveau afstaat aan het lokale, soms met een grote miskenning
van het wettelijke of theoretische referentiekader. Dat is soms
ook op het vlak van de competenties waarneembaar, van de kaders
meer bepaald. Maar wat volgens verschillende gesprekspartners, die soms enige
overdrijving niet schuwen, het meest is veranderd, is een zekere toename van
de bureaucratie en technocratie. Moet je dan bepaalde terugkerende fraude
in aanmerking nemen, met name inzake de boeking van de uren, evenals de noodzaak
te weten wat men echt doet met alle middelen waarover men beschikt?
De optiek van de eenheidspolitie blijft in de geest van velen zeer pregnant,
met min of meer terughoudendheid of nuance. Anderen bekritiseren het feit
dat de minister van Binnenlandse Zaken op dat punt niet echt gezag heeft over
die federale politie, die allemachtig blijft. “Zo komen sommige voorstellen
neer op het intrappen van open deuren, zoals bijvoorbeeld inzake de bestrijding
van de bureaucratie van bepaalde diensten: aanbevelingen van een door mij
bevolen audit worden nu al uitgevoerd”
[62] , meestal zonder veel onderbouwing.
In mei zette de UVCW in een memorandum in zes pijlers, die in overleg met
de zusterverenigingen van het Vlaamse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk
Gewest zijn bepaald, de disfuncties uiteen die, volgens haar en vanuit haar
opdrachten en standpunt, nog altijd voorkomen in de werking van de politiediensten:
(1) onvoldoende middelen voor de zones om hun opdrachten te vervullen
en de vraag dat het financieringsmechanisme rekening houdt met de situatie
van de zones maar ook met die van elke gemeente van de zone; (2) wat
personeelsbeheer betreft, invoering van een snelle procedure om de dienststaten
recht te zetten en de lonen te regulariseren want “het personeelsbeheer
door het federale niveau blijft zorgwekkend”; (3) de raming inzake
de overdracht van gebouwen moet tegensprekelijk zijn; (4) vereenvoudiging
en versoepeling van de administratieve procedures; (5) verduidelijking
van de verdeling van de opdrachten tussen het federale niveau en het lokale
niveau; (6) subsidiëring van de meerkosten van het communicatiesysteem
Astrid in vergelijking met de huidige systemen.
Voor de voorzitter van de VVSG, steeds in dezelfde optiek als hierboven aangehaald,
heeft de politiehervorming de kwaliteit misschien naar beneden gehaald in
de steden en gemeenten die voorheen over een goed functionerende politiedienst
beschikten, wat voor zover dit mogelijk is, dient te worden nagegaan. De
UVCW, van haar kant, stelt dat volgens een recente enquête bij de korpschefs,
het wijkwerk, de kern van de gemeenschapsgerichte politie, duidelijk het slachtoffer
zou zijn van de nieuwe politieorganisatie, in haar huidige werking. Voor
65 % van de politieverantwoordelijken zou de politieopdracht die het
dringendst een tussenkomst van de regering vereist, precies de gemeenschapsgerichte
politie (wijkagenten) zijn.
Het staat buiten kijf dat sommige zones moeilijk hun operationele opdrachten
kunnen uitvoeren door hun beperkt aantal manschappen. Niettemin rijst de
vraag hoe ze dat vroeger dan met soms nog minder manschappen deden. De analyse
voor de overhead die in veel zones bestaat, zou hierover uitleg moeten
verschaffen, namelijk deze van initiatieven die weliswaar interessant zijn,
maar niet noodzakelijk in een systeem dat in evolutie is en bovendien geïntegreerd
is!
Zonder de ongetwijfeld noodzakelijke nuances – er zouden minder politieambtenaren
op straat zijn, de administratie zou niet vereenvoudigd zijn, integendeel,
enz. – gaat de situatie er globaal genomen toch op vooruit. We zijn die mening
toegedaan, nadat we bepaalde elementen op het terrein hebben geverifieerd.
Maar we kunnen niet uitsluiten dat op sommige plaatsen de lokale politie zich
nog altijd inzet voor prioriteiten die door te veel overheden werden vastgelegd,
die de betekenis van de politieorganisatie uithollen, vaak ten nadele van
het wijkwerk. Dat betekent de facto een lagere kwaliteit van de basispolitiefunctie.
Hoewel de financiële en organisatorische aanpak jegens de lokale overheid
correct is, moeten de plaatselijke politici er ook op toezien dat de politie
doeltreffend (efficiënt en in de mate van het mogelijke ook doelmatig) werkt,
want dat is wat de plaatselijke bevolking van hen verwacht. Op dat vlak is
er op bepaalde plaatsen nog werk aan de winkel.
Het heeft geen zin de verschillende politiekorpsen samen te voegen, “als
justitie een knelpunt vormt en de zaken die wij hebben behandeld niet kan
verwerken”, klaagt een Brussels politieverantwoordelijke. Sommige vakbondsinstanties
stellen ook vast dat het parket overbelast is. Daders van misdaden en wanbedrijven
kunnen niet correct worden vervolgd. Wat sommigen als laksheid bestempelen,
zorgt voor een onveiligheidsgevoel bij de burger en een sterke demotivatie
bij de politiemensen, magistraten en maatschappelijke werkers.
In de Belgische procedure voert de politie traditioneel een deel van de opsporingen
uit en hoort de leiding van het onderzoek toe aan het openbaar ministerie
en wordt ze geleid door onderzoeksrechters in het kader van gerechtelijke
onderzoeken. Zo is er tussen die drie instellingen een kloof ontstaan, met
bijvoorbeeld verschillende werkmethodes of informaticasystemen. Dat heeft
zeker een invloed op de doeltreffendheid van het opsporingsonderzoek of het
gerechtelijk onderzoek. Het recherchebeleid van de politie is niet altijd
afgestemd op dat van het openbaar ministerie. Of zou het omgekeerd zijn?
De laatste jaren zijn niettemin veel inspanningen geleverd via verschillende
systemen en structuren.
Ook de parketjuristen zouden hun steentje moeten bijdragen om de resultaten
van het parket kwantitatief en kwalitatief te verbeteren. Belangrijke initiatieven
zijn al genomen om de kloof tussen de politie, het openbaar ministerie en
de onderzoeksrechters te dichten. Maar er is nog veel werk te doen. Ons
buurland Nederland kan ons daarbij misschien inspireren.
Zijn er niet genoeg politieambtenaren in België? Volgens het European
Sourcebook of Crime and Criminal Justice Statistics van de Raad van Europa [63]
behoort ons land tot het goede Europese gemiddelde,
met 1 politieambtenaar per 265 inwoners
[64] . De cijfers
omvatten wel het administratief personeel. Men mag dus veronderstellen dat,
mits enkele aanpassingen, België over voldoende politieambtenaren zou moeten
beschikken, wat evenwel niet wil zeggen dat dat zo is voor elk onderdeel van
de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, op om het even welke
plaats. De structuur en de organisatie van de diensten, vooral in de lokale
politiekorpsen, moeten het normaal gezien mogelijk maken om de opdrachten
te vervullen die de bevolking vraagt en om op het hele grondgebied een gelijkwaardige
minimale dienstverlening te verzekeren.
De politiefunctie – “wat de politie doet” – moet vooral voor de burger beter
worden uitgevoerd: de politieambtenaar moet zichtbaarder zijn op straat en
toegankelijker. Het zou jammer zijn dat de hele discussie zich tot een financiële
en strikt organisatorische kwestie beperkt. De politieopdracht bestaat erin
de veiligheid en leefbaarheid van de burgers te verhogen. De financiële en
organisatorische aspecten, ook al zijn ze belangrijk, in sommige opzichten
fundamenteel, zijn uiteindelijk maar secundaire voorwaarden. Laten we de
financiering van het politieambt aan de overheid en directie overlaten, zodat
de politieambtenaren er zijn voor de burgers. Politieambtenaren moeten zich
bezighouden met de veiligheid en leefbaarheid van de plaatselijke gemeenschap.
De laatste regeringsverklaring voorziet in “meer veiligheid en minder overlast.
Het beleid moet ertoe bijdragen dat het gevoel van onveiligheid in de steden
daalt. Een grotere zekerheid inzake bestaan, inzake werk en inzake fysieke
veiligheid moet worden nagestreefd voor alle burgers. In die zin zal de dialoog
en de samenwerking met de verschillende actoren die instaan voor de stedelijke
veiligheid worden versterkt”. Een plan ter bestrijding van overlast zal
in de zonale veiligheidsplannen worden opgenomen.
Volgens verschillende bevoorrechte waarnemers ligt de burger minder wakker
van de grote criminaliteit dan van de kleine delinquentie en “overlast”.
Het is dus op dat terrein dat in de eerste plaats een inspanning moet worden
geleverd door meer gemeenschapsgerichte politiezorg, een zichtbaarder politie
en meer wijkagenten. Toch blijkt op veel plaatsen de wijkagent te zijn verwaarloosd
bij al wat de laatste jaren is ondernomen om de politiefunctie op lokaal niveau
te herwaarderen.
Sommigen hebben zich toegelegd op de zichtbaarheid van de acties door het
aantal grote operaties op te voeren en ze in de kijker te plaatsen. Dergelijke
acties kan men geen gemeenschapsgerichte politie noemen (volgens sommigen
zouden ze niettemin vruchten afwerpen en vraagt de bevolking erom). Maar
die operaties slorpen zoveel manschappen op dat soms eerstelijnsagenten, zelfs
wijkagenten, hun dagelijkse taken ervoor moeten laten staan. Men kan zich
evenwel vragen stellen over hun echte doeltreffendheid.
Prioriteit geven aan de gemeenschapsgerichte politie, houdt ook in dat de
politieambtenaar over meer autonomie beschikt en dat wordt wel eens vergeten.
Afgezien van het autonome politiële onderzoek [65]
, dat eigenlijk nog niet overal bestaat en her en der op tegenkanting
stuit, vormt het wettelijke kader soms een rem op die grotere autonomie.
Zo zien het Wetboek van Strafvordering en sommige personen die belast zijn
met de uitvoering ervan de politie te vaak als een louter instrument van de
rechterlijke macht, soms zelfs als een klerk of postbode. In die hoedanigheid
kan de politieambtenaar dus niet het minste initiatief nemen. Vandaar dat
een politieambtenaar zich tussen twee heel uiteenlopende tendensen bevindt.
Community policing, dit wil zeggen een kwaliteitsvolle politie in een
burgergemeenschap, zou op een veel bredere benadering van de veiligheid en
leefbaarheid gebaseerd moeten zijn.. Deze keuze zou voortvloeien uit een zekere ondoeltreffendheid
en een zeker gebrek aan legitimiteit van de (vroegere) politie in de geest
van velen. Deze benadering zou als doel moeten hebben: een politie die in
de maatschappij geïntegreerd is, ter beschikking van de burger staat en samen
met de “gemeenschappen” oplossingen zoekt, waarbij men zich concentreert op
de lokale oorzaken van onveiligheid. Een gemeenschapsgerichte aanpak houdt
meer bepaald in dat de politieambtenaren samen, met hun partners en de bevolking,
hun eigen taken en de manier waarop ze worden uitgevoerd, kritisch herdenken.
Laten we nooit vergeten dat dit een ambitieuze en moeilijke onderneming is,
van lange adem, die niet van de ene dag op de andere zal worden verwezenlijkt.
De kritische succesfactoren zijn talrijk en variëren in de tijd.
Een echte mentaliteits- en cultuurverandering is dringend nodig, zowel bij
de lokale als de federale politie. Jonge rekruten hebben die nieuwe waarden
meestal al geleerd, de oudere politieambtenaren zullen ze één voor één leren
en moeten aanvaarden: een grote uitdaging! Maar wat dat betreft, zorgen permanente
en voorgezette vorming evenals de kwaliteit van bepaalde opleidingen nog voor
veel open vragen. Sommigen benadrukken dat men urbi et orbi afkondigt
dat alle zones zich toeleggen op de community policing, prioriteit
van de regering. Het zou nochtans niet zo zijn
[66] . In tegenstelling
tot wat men beweert, voeren sommige zones het concept community policing
slechts mondjesmaat uit en andere helemaal niet. Er bestaan wel degelijk
enkele zones die goed werk leveren, maar de kritische massa is nog niet bereikt.
Anderen leggen uit dat elke zone zich bij dat concept community policing
probeert aan te sluiten, maar elk op haar manier. Ook is er een verschil
tussen het noorden en het zuiden van het land. De community policing,
die vooral tot de Angelsaksische traditie behoort, heeft in Vlaanderen vaste
voet aan grond gekregen, waar er zowel meer deskundigen als meer documentatie
beschikbaar zijn. In het Franstalige landsgedeelte is zo goed als geen degelijke
documentatie verspreid. Er is natuurlijk de omzendbrief geweest, die tot
eindeloze discussies aanleiding heeft gegeven zonder evenwel iets nieuws aan
te brengen. Soms hebben wij vastgesteld dat de zones die de aanvankelijke
opleidingen van een Corps Team hebben gekregen, de andere zones niet
altijd wilden ondersteunen: “we hebben al te veel werk om aan al ons personeel
opleidingen te verschaffen en onze community policingprojecten uit te voeren.”
Bijgevolg lost het initiatief om de community policing als een olievlek
te verspreiden, niet de verhoopte verwachtingen in.
Volgens sommigen zou in de meergemeentezones het doorknippen van de
navelstreng tussen de gemeente en “haar gemeenschapsgerichte politie” één
van de gebreken kunnen zijn van het systeem dat door de wet van 7 december 1998
is ingevoerd. Merk niettemin op dat de burgemeester de overheid van bestuurlijke
politie op zijn grondgebied blijft en dat elke gemeente een politiepost telt.
Een perfecte terreinkennis en een goede verstandhouding met andere gemeentelijke
diensten zorgen inderdaad voor een informatie- en communicatienetwerk waarmee
de problemen beter kunnen worden geïdentificeerd, opgespoord en opgevolgd.
Misschien moeten we ook deze kwestie eens onder de loep nemen. Een Brusselse
burgemeester merkt op dat de politiehervorming het belangrijkste deel van
de politieactiviteit naar omhoog heeft geduwd (grote criminaliteit, enz.).
“Er moet een nieuw statuut worden uitgevonden voor de gemeenschapsgerichte
politie”, benadrukt hij. Talrijke initiatieven zoals de invoering van
veiligheidsbeambten of de parkwachters, wijzen erop dat andere burgemeesters,
niet alleen Brusselse overigens, die visie delen. Het Vast Comité P
volgt deze kwestie op.
Voor sommige onderzoeksrechters leidt de politiehervorming tot een minderwaarde
voor de burger. Ze zou de federale politieambtenaren die met de onderzoeken
zijn belast, vleugellam hebben gemaakt. Sommigen wijzen op “het managementidee”
dat het politiewerk op het terrein zou belemmeren: “de onderzoekers zijn
verplicht om hun tijd door te brengen met het opstellen van verslagen om hun
tijdsbesteding te verantwoorden”. Ze klagen erover dat het werk van de
onderzoekers tot ambtenarenwerk wordt herleid. Volgens deze onderzoeksrechters
moeten de onderzoeksdiensten onder het gezag van de magistraten komen.
De minister van Binnenlandse Zaken [67]
zegt ervan overtuigd te zijn dat de nieuwe politie
wél degelijk kan functioneren, “ook al is men tijdens de vorige regeerperiode
misschien te snel gegaan en heeft men in de onderhandelingen met de vakbonden
misschien enkele steken laten vallen. De publieke opinie zou het echter niet
hebben geaccepteerd indien men trager was gegaan”. Volgens de minister
heeft de politiehervorming alleszins dit voordeel dat op het lokale niveau
nooit zo vaak werd gedebatteerd als nu over onderwerpen als de werking van
de politie, de prioriteiten, het aantal manschappen per inwoner, enz. Hij
wijst er eveneens op dat “de hervorming ook aan het licht heeft
gebracht dat niet alle steden en gemeenten in het verleden evenveel in veiligheid
hebben geïnvesteerd. Wie voorheen weinig veil had voor zijn veiligheid, zal
dit in de toekomst moeten compenseren” [68]
. Wij kunnen deze analyse alleen
maar onderschrijven, die wij zelf reeds voordien in andere omstandigheden
hebben gemaakt. Wat de financiering betreft, geeft de minister toe dat de
KUL-norm “voor kritiek vatbaar is”. Hij voegt daar heel duidelijk
aan toe dat er geen budgettaire ruimte zal worden gemaakt voor bijkomende
uitgaven in het kader van de politiehervorming.
Het federale niveau van de geïntegreerde politie werd in plaats gesteld op
1 januari 2001 en de lokale politiezones werden op 1 januari 2002
opgericht. Het zou niet ernstig zijn om twee jaar later van een mislukking
te spreken. De politiehervorming is per slot van rekening snel verwezenlijkt.
Een reeks secundaire, maar toch essentiële voorwaarden zijn niet altijd en
niet overal juist ingeschat, om nog maar te zwijgen van de begeleiding en
het onthaal van de politieambtenaren. Volgens een open brief van de zonechefs
van het arrondissement Antwerpen bezit de nieuwe politieorganisatie nog te
veel zwakke punten: versnippering van de zones, bureaucratie, politieraden
zonder democratisch gezag, Vaste Commissie van de lokale politie bestaat niet,
niet altijd duidelijke afbakening van de bevoegdheden, star statuut. Maar
ze wijzen erop dat ondanks alles het systeem werkt. Ze benadrukken ook dat
er op veel plaatsen op een aanvaardbare manier wordt gewerkt. Dat kunnen
we, op grond van onze vaststellingen, onderzoeken of analyses, alleen maar
bevestigen. Niettemin zijn er nog altijd problemen.
Het Vast Comité P heeft een analyse gemaakt van de jaarverslagen van de korpsen van de lokale politie. Deze analyse is één van de onderzoeksopdrachten van het dossier “beeldvorming” [69] , dat als doel heeft het Parlement op een gestructureerde en systematische wijze te informeren over de mate waarin de geïntegreerde politiedienst zijn wettelijke opdrachten uitvoert en over de wijze waarop de principes die zijn werking beheersen, worden ingevuld en nageleefd. Bedoeling van deze (eerste) analyse die, rekening houdend met de ontvangen informatie, slechts betrekking heeft op de jaarverslagen van de korpsen van de lokale politie, is het Vast Comité P in staat te stellen om algemene uitspraken te doen over: (1) het conceptuele aspect en (2) de inhoudelijke elementen van de respectieve jaarverslagen. De doelstellingen, de gehanteerde methodologie en de timing werden door het Vast Comité P bepaald. Onderzoek van de jaarverslagen van eenheden van de federale politie zal in een volgende fase van het onderzoek geschieden.
Voor de uitvoering van deze opdracht werd:
(1) een beperkte literatuurverkenning [70]
verricht inzake het opstellen van jaarverslagen en (2) een checklist
ontwikkeld. Deze checklist laat een eenvormige analyse toe en bevat relevante
aandachtspunten voor de beoordeling van zowel de conceptuele aard als de inhoud
van de jaarverslagen.
Voor de beoordeling van beide onderscheiden elementen werd – bij ontstentenis
van enige richtlijnen voor jaarverslagen van politiediensten – in de literatuur
gezocht naar een referentiekader met criteria voor de beoordeling van jaarverslagen.
Op basis van een aantal beschrijvende criteria werd een analyse verricht zonder
een waardeoordeel te vellen over het concept en de inhoud van de respectieve
verslagen.
Voor de evaluatie van de jaarverslagen werden volgende conceptuele en inhoudelijke
elementen nader onderzocht, namelijk: (1) de gebruikte structuur of raamkader;
(2) het aantal opgestelde jaarverslagen; (3) de doelgroep; (4) het
voorwoord; (5) de lay-out; (6) de wettelijke organen; (7) een
overzicht van inhoudelijke onderdelen; (8) het zonaal veiligheidsplan;
(9) andere relevante informatie; (10) de externe partners; (11) het
Vast Comité P.
Bij de bespreking van de resultaten van de analyse vermelden wij slechts een
– beperkte – theoretische verwijzing naar deze aandachtspunten. Voor een
volledige uiteenzetting met richtlijnen inzake het opstellen van jaarverslagen
verwijzen wij o.a. naar de geciteerde bronnen.
64. Vaststellingen en conclusies
Tijdens dit onderzoek werden in totaal 22
Nederlandstalige en 11 Franstalige jaarverslagen afkomstig van korpsen van
de lokale politie onderzocht. Het aantal jaarverslagen dat voor analyse in
aanmerking werd genomen, bedraagt dus 33 en vertegenwoordigt 16,8 % van
het aantal politiezones
[71] .
Naast de jaarverslagen werden er ook 19 andere verslagen toegezonden
aan het Vast Comité P, waaronder twee verslagen die de werking en de
resultaten van een dienst intern toezicht beschrijven. De analyse van deze
verslagen valt echter buiten de eerste fase van dit onderzoek.
Volgens Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse
taal is een jaarverslag een verslag betreffende de werkzaamheden, gebeurtenissen,
enz. in een afgelopen jaar, een jaarlijks verslag vooral in verband met naamloze
vennootschappen dat een jaarlijks overzicht van de financieel-economische
positie en van de vooruitzichten voor het komende jaar van een bedrijf bevat.
De oorsprong van jaarverslagen is initieel van economische aard en vormt voor
ondernemingen een al dan niet wettelijk verplicht financieel verantwoordingsdocument
waarmee de bedrijfsleiding aan haar kapitaalverstrekkers rapporteert over
activiteiten van het voorbije boekjaar. In deze jaarverslagen wordt aan de
aandeelhouders verslag uitgebracht over de wijze waarop de organisatie wordt
beheerd, over de verrichte activiteiten van de onderneming en de financiële
gevolgen hiervan voor de toekomst.
Niet alleen ondernemingen publiceren jaarverslagen, ook diverse andere organisaties
zoals de politiediensten, trachten aan hun belanghebbenden een objectief beeld
te geven van hun organisatie(vorm), hun activiteiten en (zonale en project-)
plannen en de vooropgestelde toekomstperspectieven.
“De commissaris-generaal van de federale politie, de korpschefs
van de lokale politie, de inspecteur-generaal van de federale politie en de
lokale politie en de leiding van de politiediensten bedoeld in artikel 3
van de wet van 18 juli 1991 die een jaarverslag of een ander algemeen
verslag over hun werking opstellen, zijn gehouden om binnen de twee weken
een exemplaar hiervan aan de voorzitter van het Vast Comité P te sturen”
[72] . Dit nieuw
artikel 14ter van de wet van het Vast Comité P werd ingevoegd
bij wetswijziging van 3 mei 2003 en bevat geen wettelijke verplichting
voor de politiediensten om een jaarverslag op te stellen. Het verplicht enkel
de aangeduide verantwoordelijken om een exemplaar aan het Vast Comité P
over te maken wanneer, in voorkomend geval, een jaarverslag wordt opgesteld.
Alle korpschefs en andere politieverantwoordelijken werden aangeschreven omtrent
de aanpassingen van de wet van 18 juli 1991 ingevoegd bij wet van
3 mei 2003 en nadien meermaals omtrent de inhoud van de artikelen 9,
10, 14, 14bis, 14ter en 26 van de aangepaste wet. De meeste
verslagen zouden in het verlengde van deze briefwisseling zijn toegezonden,
maar op datum van 1 mei 2004 had het Vast Comité P nog geen
enkel verslag ontvangen van de commissaris-generaal of van een directeur-generaal
van de federale politie, noch van de inspecteur-generaal van de federale politie
en van de lokale politie [73]
.
Er werden geen andere bronnen gevonden die voor de politiediensten een wettelijke
verplichting inhouden om een jaarverslag op te stellen. Door de Directie
van de relaties met de lokale politie (CGL) werden er voorbereidende initiatieven
genomen met betrekking tot dit thema, zowel naar filosofie als naar methodologie,
maar er is actueel nog geen ontwerp van regelgeving ontwikkeld. De bijdrage
van deze dienst tot de ontwikkeling van een jaarverslag voor de (lokale) politiediensten
lijkt ons van belang en zal verder in dit onderzoek worden verduidelijkt.
Het belang van jaarverslagen neemt niet alleen in de economische sector
toe, talrijke non-profitorganisaties erkennen het belang van een periodieke
verslaggeving over hun organisatie en ontwikkelden op eigen initiatief dergelijke
publicaties. Deze jaarverslagen vormen, als onderdeel van het scala van communicatiemiddelen
van een organisatie, een belangrijk instrument van verantwoording, maar kunnen
tevens het bedrijfsimago versterken. Het opnemen van niet-verplichte informatie
en het publiceren van tussentijdse rapporten illustreren dat de jaarverslaggeving
steeds aan belang wint. De toenemende kritische houding van de diverse belanghebbenden
dwingt organisaties aldus tot het opstellen van meer performante jaarverslagen.
Het jaarverslag kan beschouwd worden als één van de belangrijkste middelen
van een organisatie om te communiceren met haar belanghebbenden. Om deze
reden moet het jaarverslag toelaten de geplande boodschap over te brengen
aan haar doelgroepen. De specifieke verwachtingen en informatiebehoeften
van de onderscheiden doelgroepen beïnvloeden het concept en de inhoud van
het jaarverslag.
Door de analyse van een aantal elementen van het jaarverslag zal getoetst
worden of deze doelstellingen kunnen worden bereikt op de wijze waarop de
jaarverslagen van de politiediensten actueel zijn samengesteld.
Een jaarverslag mag geen uniek en eenmalig initiatief zijn, maar dient te
kaderen in een globaal extern communicatieprogramma
[74] , waarbij het jaarverslag één van de elementen is om de vereiste informatie
te communiceren aan de belanghebbenden. Het gehanteerde concept van het jaarverslag
verdient ook continuïteit zodat herkenbaarheid van vorm en inhoud gewaarborgd
zijn en bijdragen tot het imago van de betrokken organisatie.
Een ruim aantal van de onderzochte jaarverslagen maakte melding van een eerdere
editie. Een vergelijking naar inhoud en concept tussen deze eerdere jaarverslagen
en de geanalyseerde jaarverslagen kon in dit onderzoek niet worden uitgevoerd,
maar zal in de toekomst als trendinformatie kunnen worden opgevolgd.
Het voorwoord van een jaarverslag is een
belangrijk onderdeel en dient aan te geven wat de lezer mag verwachten van
het betrokken document. Het dient zich eveneens te richten naar de doelgroep(en).
Het is opmerkelijk dat niet alle jaarverslagen een voorwoord bevatten. In
de verslagen die een voorwoord voorzien (63 %), is dit meestal
door de korpschef geschreven. In de overige gevallen is het voorwoord geschreven
door de burgemeester of de voorzitter van het politiecollege.
Zoals reeds eerder vermeld, dient het jaarverslag rekening te houden met de
informatiebehoeften van de onderscheiden doelgroepen. Ook voor de jaarverslagen
van de politie geldt deze bemerking en mag niet uit het oog worden verloren
dat het jaarverslag niet alleen de overheden dient te informeren, maar dat
ook aan de informatiebehoefte van de andere belanghebbenden wordt voldaan
[75] .
In de onderzochte jaarverslagen is de doelgroep zelden gespecificeerd. Indien
dit toch gebeurt, stellen we vast dat de doelgroep vaag omschreven is en het
verslag veelal geconcipieerd is als een instrument van verantwoording naar
de overheden en/of als informatief document voor de burgers, inwoners van
de politiezone.
Het ontbreekt de jaarverslagen aan een duidelijke verwijzing naar wie de bedoelde
overheden zijn en welke inhoud er specifiek voor hen bestemd is. Ze vertonen
weinig verwijzingen naar andere informatiebronnen (folders, website, persberichten,
tussentijdse rapporten), waar de geïnteresseerde belanghebbenden bijkomende
informatie kunnen bekomen.
Slechts in één enkel geval wordt expliciet in het voorwoord verwezen naar
de verantwoordingsverplichting van de politie zoals voorzien in de omzendbrief
CP 1 [76]
.
De lay-out van het jaarverslag is niet alleen
een belangrijk vormelijk element, maar dient bij te dragen tot het communiceren
van de boodschap aan de diverse doelgroepen. Niet alleen de tekst van het
jaarverslag is van belang, foto’s, grafieken, tabellen en illustraties dienen
op creatieve wijze de boodschap die de organisatie wil brengen functioneel
te ondersteunen.
Uit de lay-out van het jaarverslag blijkt de stijl van de organisatie en de
keuze voor het concept, die afhankelijk is van het gebruik van het jaarverslag
en de respectieve doelgroepen. Eerder vermeldden we dat deze doelgroepen
nauwelijks werden bepaald en dat uit de lezing van de jaarverslagen hierover
evenmin duidelijke aanwijzingen waren aan te treffen.
Het concept van het jaarverslag wordt sterk beïnvloed door de lay-out. De
keuze van de hoofdstukken voor de indeling van het jaarverslag kan per dienst,
per functionaliteit of per thema zijn of een andere indelingswijze hebben.
Belangrijk is dat het concept aansluit bij de boodschap die het jaarverslag
wil brengen naar zijn lezers en dat aldus de communicatiedoelstellingen worden
bereikt. De lay-out moet ertoe bijdragen dat aan de informatiebehoefte van
de lezers wordt voldaan en dient door een efficiënte vormgeving van kaft,
inhoud en bijlagen op een duidelijke en overzichtelijke wijze alle belanghebbenden
doelmatig te informeren. Door een inhoudsopgave, een trefwoordenlijst, een
colofon, heldere teksten en duidelijke titels kan aan de verwachting van vlotheid
en leesbaarheid worden voldaan.
Inzake lay-out zijn de meeste jaarverslagen vrij sober opgesteld. Terwijl
tabellen (94 %) en grafieken (76 %) systematisch voorkomen
om tekstgedeelten te verduidelijken, worden tekeningen (48 %)
en foto’s (36 %) minder gebruikt, niettegenstaande ze ideaal zijn
om de boodschappen vervat in de tekst te visualiseren.
Bij de analyse van de lay-out stellen we een significant verschil vast tussen
het Vlaamse Gewest en het Waalse Gewest, waarbij de Nederlandstalige zones
beduidend meer gebruik maken van deze technieken. Slechts twee politiezones
bieden het jaarverslag aan via internet, één politiezone verspreidt zelfs
geen papieren versie meer en gebruikt naast het internet alleen nog cd-roms
met het jaarverslag in pdf-formaat.
Het gemiddeld aantal bladzijden – inclusief bijlagen – bedraagt 55, waarbij
uitersten werden opgemerkt van 4 en 153 bladzijden.
Er wordt weinig gerapporteerd volgens het EFQM/INK-managementmodel, niettegenstaande
een groot aantal Nederlandstalige zones deze opleiding heeft gevolgd
[77] .
De meeste jaarverslagen hebben een klassieke opbouw, slechts enkele politiezones
ontwikkelden een originele presentatievorm, namelijk: (1) het aanbieden
van het jaarverslag in de vorm van een gemeentelijk infokrantje; (2) het
toevoegen van krantenknipsels ter illustratie van significante gebeurtenissen;
(3) het niet langer aanbieden van een papieren versie doch een verspreiding
via cd-rom en website.
De beheers- en bestuursorganen van de politiezone
– de politieraad (58 %), het politiecollege (45 %)
en de zonale veiligheidsraad (39 %) – komen in het jaarverslag
veelal aan bod met een verwijzing naar de samenstelling en een overzicht van
de activiteiten en realisaties. We stellen vast dat de Nederlandstalige politiezones
in hun jaarrapport meer aandacht besteden aan een bespreking van deze organen
dan de Franstalige zones.
De bijzonder rekenplichtige en de secretaris van politieraad
en -college (elk 18 %) komen in de onderzochte jaarverslagen slechts
beperkt aan bod.
Een jaarverslag heeft als doel de lezer te informeren over de werking
van de organisatie door middel van een bespreking van een aantal thema’s.
Tevens dient het jaarverslag één of meer kernboodschappen te bevatten die
als een rode draad door het verslag heen gecommuniceerd worden en die richtinggevend
zijn voor de verschillende behandelde thema’s. In elk van de domeinen die
als onderdeel van het jaarverslag worden besproken, is het aanbevolen te verwijzen
naar deze kernboodschap. Voorbeelden van kernboodschappen zijn de visie van
de organisatie, behaalde resultaten, een uniek (jaar)thema, een bijzonder
aandachtspunt, de prioriteiten die men als organisatie het volgend jaar wenst
aan te pakken, de resultaten die men hoopt te bereiken, het partnerschap dat
men wenst te ontwikkelen, enz.
Bij gebrek aan enige richtlijn over jaarverslagen zijn de thema’s die aan
bod komen in de overgemaakte jaarverslagen divers. We bespreken kort de belangrijkste
ontwikkelde onderdelen die in de respectieve jaarverslagen werden weergegeven.
Opmerkelijk is vast te stellen dat het mission statement in het jaarverslag slechts beperkt (36 %) wordt vermeld. Zonder dat dit opnieuw even uitgebreid moet aan bod komen als in het zonaal veiligheidsplan, is dit toch een gemiste kans om hierop de aandacht te vestigen en om het eigen personeel en de partners ermee vertrouwd te maken. In geen enkel Franstalig jaarverslag werden de missie, visie en waarden aangetroffen.
Bijna elk jaarverslag bevat een overzicht van het actueel personeelsbestand (88 %) en herneemt de problematiek inzake de gehypothekeerde capaciteit (Hycap) (70 %). Tevens wordt expliciet melding gemaakt van het ziekteverzuim en van de opleidingen die werden verstrekt en/of gepland, 67 % voor beide gevallen.
In elk jaarverslag worden (objectieve) veiligheidsgegevens weergegeven.
Deze criminaliteitscijfers hebben zowel betrekking op verkeer als op strafrechtelijke
feiten. Voor deze geregistreerde (criminaliteits)cijfers ontbreekt het meestal
aan contextinformatie. In een aantal gevallen worden cijfers in aanmerking
genomen die, gelet op hun omvang, niet in het corpus van het jaarverslag maar
in bijlage horen.
De veiligheidsgegevens (94 %), de interventiewerklast (91 %)
en een overzicht van het aantal opgestelde processen-verbaal (eveneens
91 %) komen in de meeste verslagen aan bod. Gegevens inzake ophelderingen
daarentegen worden zeer zelden weergegeven (18 %).
De basisfunctionaliteiten als primaire processen van een lokaal politiekorps
ontbreken niet in de jaarverslagen (79 %). De wijze waarop over deze
functionaliteiten wordt gerapporteerd, is echter zeer divers.
Het aantal vrijheidsberovingen komt meestal aan bod (70 %), doch
detailinformatie over dit onderdeel ontbreekt veelal.
De capaciteitsbesteding (70 %) wordt vaak door middel van uitgebreide
grafieken en tabellen geïllustreerd, in het corpus of in bijlage van het jaarverslag.
In een beperkt aantal gevallen wordt detailinformatie verstrekt die eerder
als bijlage of op een meer bondige en gecontextualiseerde wijze in het corpus
van het verslag een plaats verdient.
Inzake het klachtenbeheer (52 %) somt men meestal het aantal en
het type klachten op, de interne of externe dienst die instond voor de behandeling
en het gevolg dat aan de klacht werd voorbehouden. In enkele verslagen werden
ook de korpsorganisatorische verbeteringen vermeld die als resultaat van dit
klachtenmanagement werden gegenereerd. Opmerkelijk is dat slechts één Franstalige
zone over dit onderwerp melding heeft gemaakt in het jaarverslag.
De middelen (70 %) en in het bijzonder de financiële middelen
(64 %) worden eveneens besproken. In één enkel geval nemen de financiële
middelen zelfs een zeer prominente plaats in vooraan het jaarverslag, waardoor
men de indruk zou kunnen krijgen dat de andere onderdelen van ondergeschikt
belang zijn. Het toenemend belang van de financiële implicaties van het politiewerk
en de verantwoording van deze beschikbare middelen wordt geïllustreerd door
een rapportage over dit thema.
De relaties met de vakbonden (24 %) en met de preventiediensten
en stadswachten (15 %) komen beperkt aan bod en zijn enkel opgenomen
in enkele Nederlandstalige jaarverslagen. De samenwerking met externe
partners wordt in heel wat jaarverslagen aangesneden (58 %).
De loutere vermelding van de contactmogelijkheden van de politiezone
met weergave van de nominatieve aanduiding van de verantwoordelijken van de
onderscheiden diensten is een aanzet tot contactname. Het formuleren van
een uitnodiging tot feedback is een onderdeel in het communicatieproces
tussen de politiezone en de belanghebbenden. Aanvullende reacties, suggesties
en aanbevelingen van de lezers laten toe dat de belanghebbenden hun verwachtingen
aan de politiediensten meedelen.
De mogelijkheid tot het geven van feedback op het jaarverslag wordt zelden
expliciet geboden (12 %) en is een gemiste kans om dit verslag als aanzet
tot dialoog en discussie te gebruiken.
In de jaarverslagen bemerken we slechts sporadische vermeldingen met betrekking tot het Vast Comité P. De verwijzingen die worden gemaakt hebben betrekking op het klachtenmanagement en de kennisgeving van onderzoeken die door de Dienst Enquêtes werden gevoerd en de medewerking van de politiezone aan thematische onderzoeken van het Vast Comité P.
64.3. Zonale veiligheidsplannenHet jaarverslag is actueel niet geconcipieerd als een verplicht rapportageinstrument
van de werking van de politiezone in het algemeen noch als verantwoording
van de evolutie en opvolging van de zonale veiligheidsplannen in het bijzonder.
Een ruim aantal jaarverslagen (70 %) maakt melding van de ontwikkelde
activiteiten in verband met de algemene werking (regulier en bijzonder)
en de organisatieontwikkeling. De doelstellingen
die in het zonaal veiligheidsplan werden bepaald (67 %) en de behaalde
resultaten (67 %) komen eveneens aan bod. De toekomstperspectieven
vinden we slechts in weinig verslagen terug (21 %).
Na raadpleging van enkele jaarverslagen van de Nederlandse politie blijkt
dat deze rapporten volgende rubrieken bevatten: (1) een voorwoord
door de korpschef; (2) de visie van het korps; (3) de bedrijfsvoering;
(4) de opdrachten (speerpunten) met aanduiding doelstellingen,
resultaten en toekomstperspectieven.
Deze jaarverslagen bevatten een duidelijke kernboodschap, nl. “gebiedsgebonden
politiezorg” en kaderen duidelijk in de beheers- en beleidscylcus van het
korps. In deze Nederlandse verslagen wordt niet alleen verwezen naar wettelijke
organen en partners, maar komen deze ook aan het woord en verstrekken
ze info over de samenwerking met het betrokken korps. De jaarverslagen worden
ook gepubliceerd op een website, in verkorte en uitgebreide versie en zijn
beschikbaar op cd-rom.
Zoals hierboven vermeld, was de doelstelling van het onderzoek een
analyse van de jaarverslagen van de korpsen van de lokale politie te verrichten
teneinde het Vast Comité P in staat te stellen algemene uitspraken te
doen over: (1) het conceptuele aspect en (2) de inhoudelijke elementen
van de respectieve jaarverslagen.
Niettegenstaande er voorlopig geen wettelijke verplichting voor de politiediensten
bestaat om een jaarverslag op te stellen, ontwikkelden een aantal korpsen
een jaar- of activiteitenverslag en zijn er diverse argumenten die het opstellen
ervan ondersteunen.
Het belang van het opstellen van een jaarverslag door de korpsen van de lokale
politie dient dan ook te worden benadrukt. Door de gerechtvaardigde verwachtingen
en eisen inzake transparantie en verantwoording van het politieoptreden en
functioneren, is het Vast Comité P ervan overtuigd dat het opstellen
van een jaarverslag ontegensprekelijk bijdraagt tot het bereiken van deze
doelstellingen.
De geformuleerde aanbevelingen hebben betrekking op: (1) het partnerschap
voor de ontwikkeling van een jaarverslag; (2) het concept; (3) de
inhoud; (4) het wettelijk kader; (5) de timing.
In samenwerking met de Directie van de relaties met de lokale politie
dient een model van jaarverslaggeving ontwikkeld te worden waarbij naast een
aantal (verplichte) inhoudelijke elementen en een eenvormig concept tevens
een regelgevend kader wordt bepaald. De betrokkenheid van het Vast Comité P
bij de ontwikkeling van de jaarverslagen van de lokale maar ook van de federale
politiediensten dient benadrukt te worden, gelet op de kernopdrachten die
het dient uit te voeren. Tevens dient vastgelegd te worden wie als belanghebbende
van een jaarverslag moet en/of kan beschouwd worden, zodat op een eenduidige
wijze de verplichte bestemmelingen, de wijze van publicatie en de vereiste
inhoudelijke elementen kunnen worden bepaald.
Een analyse van de verwachtingen van de onderscheiden doelgroepen, waarvan
het Vast Comité P er één is, dient vooraf te geschieden. Om te voldoen
aan de behoeften van het Vast Comité P in het algemeen en het project
beeldvorming in het bijzonder, dringt een identificatie van de vereiste domeinen
en indicatoren zich op.
De ontwikkeling van een uniform model van jaarverslag waarbij alle
belanghebbenden over de gewenste informatie kunnen beschikken, dient nagestreefd
te worden. De toepassing en het gebruik van het EFQM/INK-managementmodel
als rapporteringsinstrument lijkt hiervoor één van de mogelijkheden. Teneinde
een grote doelmatigheid na te streven, dient er idealiter een symbiose gezocht
tussen het jaarverslag en het maandelijkse verslag dat de korpschef moet uitbrengen
aan de burgemeester of aan het politiecollege met betrekking tot de werking
van zijn korps en de ontvangen klachten.
Voor een efficiënte verwerking van kwantitatieve gegevens in het kader van
het project beeldvorming, lijkt het overmaken van een geïnformatiseerde
versie van het jaarverslag aan het Vast Comité P wenselijk.
Een verdere verduidelijking van het artikel 14ter van de organieke
wet waarbij de termijn van overmaking van het jaarverslag aan het Vast Comité P
wordt voorzien, moet bijdragen tot een correcte timing voor een optimale
exploitatie van de jaarverslagen. Door het bepalen van een eenvormig tijdstip
van publicatie en overmaking van de jaarverslagen aan de diverse belanghebbende
overheden, kan hieraan worden tegemoet gekomen.
Hoofdstuk III:
Enkele bijzondere beschouwingen over de gevoerde onderzoeken of behandelde
dossiers
In het kader van de toezichtsonderzoeken s.s. die het dient
uit te voeren en van de behandeling van de klachten en aangiften die hem ter
kennis worden gebracht, bespreekt het Vast Comité P hierna een aantal
situaties, een aantal gedragingen die herhaaldelijk voorkomen of kenmerkend
zijn voor een probleem in het optreden of de werking van de politiediensten
of -ambtenaren waar het hier in het bijzonder de aandacht wenst op te vestigen.
Totnogtoe kwamen elk jaar een aantal analyses van dit type aan
bod in de activiteitenverslagen die aan het Parlement werden toegezonden,
vooraleer ze gedeeltelijk of volledig publiek werden gemaakt. Ook dit jaar
zal dit voor een aantal gedane vaststellingen gelden.
Bovendien zal het Vast Comité P voortaan dergelijke analyses of beschouwingen
driemaandelijks overmaken aan zijn Parlementaire begeleidingscommissie, aan
de verantswoordelijke overheden en aan de politiediensten. Deze rubriek van
het jaarverslag zal dan ook verdwijnen, niettegenstaande het belang van dergelijke
analyses, die soms zelfs te anekdotisch zijn in vergelijking met de andere
thema’s en problemen behandeld in een verslag met betrekking tot de globale
monitoring van de werking van de politiediensten.
Niettegenstaande in heel wat korpsen reeds geïnvesteerd werd in een
adequaat en klantvriendelijk onthaal, is het spijtig nog steeds te moeten
vaststellen dat sommige politieambtenaren er niet in slagen beleefd en correct
op te treden of voldoende begrip op te brengen voor de persoon aan de andere
kant van de balie, die zich doorgaans in een stresssituatie bevindt.
Daarnaast wordt de mensen nog altijd voorgehouden dat hun klacht toch niet
veel zal uithalen, dat het verloren tijd is, enz. Er is uiteraard niets op
tegen dat aan de klager het verder verloop van de procedure wordt uitgelegd,
maar het ontradend optreden om toch maar geen klacht te laten opnemen is niet
van aard om het vertrouwen van de burger in de instellingen te doen toenemen.
Het geeft bovendien blijk van ongeïnteresseerdheid.
Inzake algemene organisatie van het onthaal werd vastgesteld dat soms nog
met een vaste bezetting wordt gewerkt en dat er onvoldoende flexibiliteit
is ingebouwd om piekmomenten op te vangen. Het gevolg is dan meestal een
zwaar gestreste politieambtenaar die op een weinig efficiënte manier de klachten
noteert, wachtenden die zich ergeren (vooral wanneer in de omgeving van het
onthaal politieambtenaren schijnbaar niets aan het doen zijn), enz.
De informatiegestuurde politiezorg wordt
in het nationaal veiligheidsplan 2003 als één van de concepten voor de
werking van de politiediensten aangemerkt.
In verschillende dossiers stelde het Vast Comité P vast dat al te lichtzinnig
wordt omgegaan met verkregen informatie. In een bepaald geval ging het om
het feit dat een persoon drager zou zijn van het HIV-virus en de intentie
zou hebben om bij een eventuele politionele tussenkomst de politieambtenaren
te besmetten. Uit het onderzoek gevoerd door het Vast Comité P en het
Controleorgaan bleek dat de geregistreerde informatie louter berustte op mondelinge
geruchten, dat elke gerechtelijke en bestuurlijke verantwoording ontbrak,
dat de ontvangen informatie niet grondig werd geëvalueerd en dat het concreet
belang ontbrak.
Nu de structuren die een optimale informatiestroom moeten verzekeren stilaan
in plaats worden gesteld, mag dit aspect niet uit het oog verloren worden.
Op basis van dit en andere dossiers heeft het Vast Comité P de indruk
dat politieambtenaren niet altijd beseffen dat, zeker als het gevoelige informatie
betreft, informatie verzamelen een stuk indringen is in het privé-leven van
personen en dat, onder meer om die indringing te rechtvaardigen, de informatie
professioneel en correct dient geëvalueerd en beoordeeld te worden onder andere
qua waarachtigheid en pertinentie.
Ondanks de huidige communicatiemogelijkheden
blijkt uit verscheidene onderzoeken dat vrij vaak nog ploegen ter plaatse
worden gestuurd zonder precieze opdracht. Ook wordt niet altijd aan de oproeper
meegedeeld hoe lang hij eventueel dient te wachten op een tussenkomst, zelfs
indien dit mogelijk is.
Heel wat tussenkomsten gebeuren zonder rapporteringen of opstellen van een
verslag.
In 2003 werd bij sommige ordediensten vastgesteld
dat er bestuurlijke aanhoudingen gebeurden waarbij de aangehouden personen
drank en voedsel werd onthouden.
Tevens blijkt dat niet altijd voldoende onderscheid wordt gemaakt bij “massale”
aanhoudingen en dat ook mensen die niets met de zaak te maken hebben, worden
aangehouden. Dat het niet steeds eenvoudig is dit onderscheid te maken, is
bekend, maar juist het gegeven dat “onschuldigen” mee aangehouden kunnen worden,
moet een reden zijn om zo snel mogelijk na de aanhouding het onderscheid toch
te maken.
Naar aanleiding van een aangifte door een
schoolverantwoordelijke betreffende het ophalen met het oog op de repatriëring
van een uitgeprocedeerd asielzoeker, werd door de Dienst Enquêtes een onderzoek
ingesteld. Er werd vastgesteld dat er terzake geen dwingende richtlijnen
bestonden. Bij schrijven van 25 november 2002 werd het probleem
ter kennis gebracht van de minister van Binnenlandse Zaken en werd hem gevraagd
het Vast Comité P te willen inlichten over de bestaande of genomen initiatieven.
Dit schrijven werd herhaald op 8 mei en op 4 juni 2003, nadat
in de pers van 3 juni 2003 werd gemeld dat de minister van Binnenlandse
Zaken terzake een omzendbrief ging uitvaardigen. Deze omzendbrief werd effectief
gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 13 juni 2003.
Bij brief van 25 juni 2003 werd aan het Vast Comité P als antwoord
op de voormelde brieven een fotokopie toegezonden van de voornoemde publicatie
in het Belgisch Staatsblad.
In een aantal dossiers stelt het Vast Comité P vast dat een identiteitscontrole oneigenlijk wordt aangewend als een soort “straf”. Zo wordt een bewoner waarvan de identiteit voldoende gekend is en die geïnterpelleerd wordt in verband met zijn voertuig dat wordt getakeld toch aan een identiteitscontrole onderworpen omdat hij een discussie aangaat over het takelen. In een andere zaak wordt een persoon die – om taalredenen – iemand bijstaat die aan het onthaal uitleg vraagt, zelf het voorwerp van een identiteitscontrole en, bij gebrek aan het dragen van zijn identiteitskaart, bestuurlijk opgesloten. Uiteraard kan geargumenteerd worden dat er geen onwettelijkheid is gebeurd, nochtans wordt het politieoptreden niet langer enkel beheerst door de wettelijkheidsprincipes, maar ook door de legitimiteit, de proportionaliteit en de effectiviteit. Dit laatste is blijkbaar nog niet voor iedereen even duidelijk.
Tevens stelt het Comité P in een aantal dossiers vast dat politieambtenaren niet altijd de nodige zelfbeheersing aan de dag leggen bij verkeersovertredingen: slaan op de motorkap van het in overtreding zijnde voertuig, ongepast taalgebruik, enz. Die zaken zijn wel te verklaren vanuit de emotie van het moment, zeker wanneer de overtreding zo flagrant is dat iedere normale bestuurder ze in principe nooit zou maken, maar van een politieambtenaar mag verwacht worden dat hij zich “daarboven” kan zetten.
Eveneens een terugkerende vaststelling is verbaliseren voor een verkeersinbreuk en, naar gelang van de reactie van de overtreder, een bijkomende controle uitoefenen inzake verbandkistje, brandblusser, gevarendriehoek, enz. Qua legaliteit is er uiteraard niets aan de hand, maar het politieoptreden wordt niet langer beoordeeld op die basis alleen, maar ook aan de hand van criteria van legitimiteit en proportionaliteit. Daarenboven is dergelijke tussenkomst vaak onproductief aangezien de tijd die aan zulke zaken wordt besteed, nuttiger anders zou kunnen worden aangewend.
Ook het menselijk aspect bij tussenkomsten wordt nog te vaak vergeten. Zo werd een persoon waarbij een huiszoeking met toestemming diende te gebeuren, overgebracht naar zijn woning in een voertuig met zwaailicht en met groot politievertoon binnengeleid. Dit op een ogenblik dat men kon verwachten dat er veel buren dit zouden zien en wetende dat zijn kinderen waarschijnlijk op straat aan het spelen waren. Ook hier geldt dat er formeel gezien geen sprake is van onwettelijk optreden, maar zijn de legitimiteit en de proportionaliteit zeer slecht ingeschat.
72. Tussenkomst van bijzondere eenheden [83]De tussenkomst van bijzondere eenheden, onder meer bij een aanhouding op de openbare weg of in een woning, = of bij een “versterkte” huiszoeking roept een aantal vragen op. In de eerste plaats is het zo dat een dergelijke tussenkomst gesteund is op een aanvraag van een eenheid die meent zelf niet over voldoende middelen en technieken te beschikken om die tussenkomst uit te voeren gelet op de gevaarlijkheid van de betrokken personen. Zodra die beoordeling is gemaakt, komen de bijzondere eenheden tussen op een wijze die volledig overeenstemt met de gevaarsgraad, maar die toch voor betrokken verdachten en hun gezin een bijzonder ingrijpende gebeurtenis kan zijn, zeker wanneer om 5 uur ‘s ochtends wordt binnengedrongen en er kleine kinderen aanwezig blijken te zijn. Op de tussenkomst van de bijzondere eenheden als dusdanig is er niets aan te merken; immers indien geoordeeld wordt dat zij dienen ingezet te worden, dient het op die geëigende wijze te gebeuren. Wel wordt vastgesteld dat deze beoordeling niet altijd even objectief gebeurt of nog dat vanuit de vragende eenheid onvoldoende inspanningen werden geleverd om na te gaan welke personen, naast de verdachten, konden worden aangetroffen. Blijkbaar wordt de impact van een dergelijk optreden ten opzichte van derden (echtgenote, kinderen, enz.) niet altijd in de beoordeling betrokken.
73. Opsluitingen [84]Een aantal klachten heeft betrekking op
opgesloten personen.
Zoals ook in het vorig jaarverslag gemeld, zijn er klachten over het al dan
niet vermeend verdwijnen van afgegeven of afgenomen voorwerpen. De mogelijkheden
om deze klachten in de toekomst niet of minstens minder te hebben, werden
in het vorig jaarverslag voldoende beschreven.
Een ander punt is het optreden tegen personen die tijdens hun verblijf in
de doorgangsgevangenis gewelddadig of vernielgedrag tentoonspreiden. Goedbedoeld,
trachten de politieambtenaren betrokkene “te kalmeren”, maar in dit soort
situaties leidt dit doorgaans niet tot een kalmering en leidt het ene geweld
tot het andere. Indien een opgesloten persoon een gedrag vertoont waarvan
de politieambtenaar oordeelt dat betrokkene dient gekalmeerd te worden, dan
is het te verkiezen een dokter op te roepen.
Geregeld ontvangt het Vast Comité P
klachten omtrent de opgestelde processen-verbaal. In een aantal gevallen
betreft het de verhoorde zelf die aanvoert dat zijn verhoor onvoldoende overeenstemt
met hetgeen hij werkelijk gezegd of bedoeld heeft, dat hem niet of onvoldoende
gewezen werd op zijn rechten, dat wijzigingen niet werden aangebracht.
Het komt het Vast Comité P voor dat de wettelijke verplichtingen terzake
worden nageleefd, doch dat onvoldoende rekening wordt gehouden met de verhoorde
persoon zelf, voor wie een en ander niet noodzakelijk even duidelijk of verstaanbaar
is. Het volstaat niet “formeel” te voldoen aan de voorschriften, men dient
er ook over te waken dat de mensen hun rechten begrijpen.
Daarnaast dient ook vastgesteld dat, onder meer inzake weerspannigheid of
zaken waarin geweld gebruikt wordt door of tegen politieambtenaren, de processen-verbaal
zelden toelaten de zaken te reconstrueren: er is vaak geen beschrijving ten
gronde van het gepleegde geweld, de inbreng van de verschillende vaststellers
is onvoldoende duidelijk, getuigen die worden gehoord, worden niet altijd
over het gebruikte geweld ondervraagd, enz. Deze noodzakelijke grotere nauwkeurigheid
vergt uiteraard meer tijd, maar weegt niet op tegen de voordelen, elementen
ten laste en ten ontlaste van beide partijen.
Ongeacht of er geweldgebruik is of niet, wordt er geregeld vastgesteld dat
bij tussenkomsten waarbij meerdere politieambtenaren en -ploegen betrokken
zijn, zelden nominatim – of minstens op een wijze die latere identificatie
toelaat – melding wordt gemaakt van de ploegen die bijstand leveren. Nochtans
zijn zij minstens getuigen en mogelijks getuigen ten ontlaste.
Ook van de gerechtelijke overheden krijgen we geregeld de klacht te
horen dat verhoren onvolledig zijn, dat er onduidelijkheden zijn, dat niet
wordt aangeduid of een verklaring al dan niet spontaan wordt afgelegd, dat
processen-verbaal laattijdig worden opgesteld en toegezonden, dat de details
van de contactname met de dienstdoende magistraat onvolledig of onjuist zijn
weergegeven, of nog dat de taalwetgeving niet nageleefd werd.
Inzake verkeersongevallen zijn vaak terugkerende klachten: het niet vermelden
van alle mogelijke getuigen, het niet verhoren van de getuigen, schetsen die
worden opgemaakt “volgens verklaring van de partijen” waarbij slechts één
partij bevraagd werd, op eenzelfde blad worden tekeningen gemaakt op schaal
en andere niet, schade aan voertuigen die onmogelijk kan overeenkomen met
de schets, stand van de getuigen die ontbreekt, enz.
Het verbaliseren voor verkeersinbreuken waarin de verbalisant zelf “betrokken” partij is, is een nog geregeld terugkerend fenomeen. In een aantal gevallen is de politieman als dusdanig herkenbaar, maar in een aantal andere gevallen beperkt de politieman, in burger, er zich toe zich mondeling kenbaar te maken zonder zich evenwel naar behoren te legitimeren en vervolgens betrokkene te wijzen op de overtreding zonder te melden dat een proces-verbaal zal worden opgesteld.
75. AttitudeHet taalgebruik blijft blijkbaar een probleem. In verscheidene dossiers komt een onaangepast taalgebruik naar voor dat mogelijks kan verklaard worden door de emoties van het moment, maar waarschijnlijk meestal een uiting is van een arrogant gedrag vanuit een machtspositie. Uitspraken zoals “moest je nu een pistool hebben, je zou schieten zeker” en “ge moet mij niet naaien” gaan echter het redelijke te boven. Daarenboven gebeuren zulke zaken vaak tijdens een verhoor, wat duidelijk tegen alle principes van de verhoortechniek ingaat. Zelfs indien emoties soms kunnen oplopen, blijft het een zaak voor de politieman om ook doeltreffend te werken en dit soort verbaal gedrag draagt daar vast en zeker niet toe bij. Bijzonder ergerlijk is ook het bestaan van een rookverbod in een politiekantoor waarbij, tijdens het verhoor, de politieambtenaar toch rookt.
76. Integriteit [85]Verschillende onderzochte dossiers tonen aan dat de algemene nationale gegevensbank (ANG) door politieambtenaren wordt geconsulteerd voor privé-doeleinden. Zo worden bijvoorbeeld gegevens omtrent de partner gebruikt in een echtscheidingsgeding waarin de politieambtenaar, dan wel een vriend van hem betrokken is.
77. Optreden in eigen woonbuurt [86]In een aantal dossiers werd vastgesteld dat politieambtenaren die niet wonen waar ze werken, in hun eigen buurt trachten “orde op zaken” te stellen. Het is evident dat wanneer een politieambtenaar betrokken is in een conflict of hinder ondervindt, hij niet in zijn naam, noch eventueel in naam van zijn omgeving, dient op te treden, maar dit dient over te laten aan de lokale politie.
78. Beroepsonverenigbaarheden [87]Uit verschillende dossiers blijkt dat de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake beroepsonverenigbaarheden niet altijd worden opgevolgd. Meer nog, niet altijd achten de chefs het nodig het publiek gekend feit verder te onderzoeken of op zijn minst de betrokken politieambtenaar daarover aan te spreken.
79. Identificatie van eigenaars van voertuigen die de parkeerretributie niet betalenNaar aanleiding van een aantal klachten of vragen omtrent de wettelijkheid
van de door bepaalde gemeentelijke administraties aangewende praktijk om –
op basis van de nummerplaten van de voertuigen via het systeem POLIS – bij
de Dienst Inschrijving Voertuigen (DIV) de identiteit op te vragen van de
personen die een verschuldigde parkeerretributie niet hadden betaald, en dit
zowel ten behoeve van stedelijke parkeerbedrijven als ten behoeve van privé-bedrijven
aan wie het beheer van het betalend parkeren op de openbare weg werd gegund,
kwam het Vast Comité P tot de volgende vaststellingen.
De huidige stand van de wetgeving laat toe dat de dienst DIV mededeling doet
van de identificatiegegevens van de eigenaars van voertuigen die de parkeerretributie
niet hebben betaald [88]
.
Artikel 6, §2, 2° van het koninklijk besluit van 20 juli 2001
[89] is algemeen
en niet beperkend. Hieruit kan worden afgeleid dat zowel de bevoegde gemeentediensten
alsook de private ondernemingen die ingevolge een door de bevoegde overheid
verleende concessie een overheidsopdracht vervullen, toegang hebben tot het
repertorium van de motorvoertuigen. Bovendien hebben de gemeenten krachtens
de wet van 22 februari 1965 de bevoegdheid om parkeerheffingen in
te stellen op motorvoertuigen. Nochtans blijkt uit antwoorden op parlementaire
vragen betreffende deze problematiek dat de minister van Mobiliteit bevoegd
voor de dienst DIV niet wenst dat door deze dienst aan de parkeerbedrijven
rechtstreeks inlichtingen worden verstrekt, maar dat hij het aangewezen acht
dat dit zou gebeuren via de burgemeester. Hierbij wordt gesteund op overwegingen
betreffende de bescherming van de privacy, maar vooral op het feit dat de
bepalingen betreffende betalend parkeren nog steeds zijn opgenomen in het
verkeersreglement en de verstrekte gegevens van het repertorium inzake motorvoertuigen
worden verwerkt met doeleinde van de politie over het wegverkeer, de verkeersveiligheid
en de bestuurlijke politie zodat deze gegevens door de burgemeester, als hoofd
van de bestuurlijke politie
[90] , via de diensten
van de lokale politie kunnen worden opgevraagd.
Het Vast Comité P stelt dan ook vast dat de hoger vermelde werkwijze,
om eigenaars van nummerplaten via POLIS te identificeren, niet als onwettelijk
kan worden beschouwd. Nochtans moet worden vastgesteld dat in deze werkwijze
de rol van de politiediensten er louter in bestaat op te treden als instrument
om ten behoeve van parkeerbedrijven toegang te krijgen tot het repertorium
van de motorvoertuigen.
Het Vast Comité P is bijgevolg van oordeel, los van het door de minister
van Mobiliteit ingenomen standpunt, dat de tussenkomst van de politiediensten
als de uitvoering van een louter administratieve taak moet worden beschouwd,
waarbij de vraag moet worden gesteld in welke mate dit verenigbaar is met
de bepalingen van artikel 25 van de wet van 5 augustus 1992
op het politieambt waarin wordt bepaald dat politieambtenaren niet met andere
administratieve taken kunnen worden belast dan die welke hun uitdrukkelijk
worden opgedragen door of krachtens de wet, behoudens deze die zijn opgenomen
in de lijst opgesteld in onderling akkoord tussen de ministers van Binnenlandse
Zaken en van Justitie.
Het Vast Comité P vroeg de minister van Binnenlandse Zaken hem zijn standpunt
terzake te laten geworden.
Een aantal bij het Vast Comité P ingediende
klachten heeft betrekking op het feit dat burgers er zich over beklagen dat
politieambtenaren in verkeerszaken waarin zij zelf betrokken partij zijn,
proces-verbaal opstellen [91]
. Het betreft o.m. feiten van verkeersongevallen of -incidenten waarin
politieambtenaren, meestal als burger buiten dienst, persoonlijk betrokken
zijn.
Naast een algemeen deontologische vereiste, namelijk dat het optreden van
een politieambtenaar geen aanleiding mag geven tot een vermoeden van partijdigheid,
stelt zich in verkeerszaken de problematiek van het bewijs. Immers artikel 62,
1ste lid van de verkeerswet [92]
hecht een bijzondere bewijskracht aan de processen-verbaal
opgesteld door bevoegde overheidspersonen. Terzake kan verwezen worden naar
een arrest van 14 juli 1997 van het Arbitragehof waarin, naar aanleiding
van een prejudiciële vraag betreffende voormeld artikel 62 werd gezegd
voor recht dat: “Artikel 62 van de wegverkeerswet schendt de artikelen 10
en 11 van de Grondwet, in zoverre aan de in die wetsbepaling bedoelde processen-verbaal
een bijzondere bewijsvoorwaarde wordt toegekend tot bewijs van het tegendeel,
zonder een onderscheid te maken naargelang de verbalisant al dan niet persoonlijk
betrokken is bij de feiten die hij heeft vastgesteld” [93] .
Alhoewel het arrest van het Arbitragehof, nu het werd gewezen naar aanleiding
van een prejudiciële vraag, geen absoluut gezag van gewijsde heeft, is het
Vast Comité P nochtans van oordeel dat bij het optreden van politieambtenaren
in verkeerszaken hiermee rekening moet worden gehouden. Er dient echter te
worden vastgesteld dat in het beschikkend gedeelte niet nader wordt gepreciseerd
wat onder de term “persoonlijk betrokken bij de feiten” dient te worden
verstaan. Uit de overwegingen van het arrest kan worden afgeleid dat deze
term betrekking heeft op de situatie dat de verbalisant geen onafhankelijke
derde is, maar op een of andere wijze persoonlijk betrokken is bij het vastgestelde
misdrijf, doordat hij schade opliep of riskeerde op te lopen of, in de interpretatie
van het Vast Comité P, een persoonlijk belang heeft.
Hieruit volgt dat mag worden aangenomen dat dit arrest geen toepassing vindt
voor vaststellingen van verkeersmisdrijven waarbij politieambtenaren betrokken
zijn, wanneer deze vaststellingen gebeuren in of tijdens de uitoefening van
de dienst en zijzelf of hun voertuig voor elke burger als politieambtenaar
of politievoertuig kunnen worden herkend. Immers bij deze vaststellingen
hebben zij geen persoonlijk belang, maar treden zij op in de uitoefening van
hun politiefunctie. Het kan toch niet de bedoeling geweest zijn van het Arbitragehof
dat processen-verbaal betreffende manifeste verkeersinbreuken opgesteld door
politieambtenaren in de uitoefening van hun dienst, niet de door artikel 62
voorziene bewijswaarde zouden hebben onder het argument dat zij persoonlijk
bij de feiten betrokken zouden zijn.
Politieambtenaren die zowel in dienst als buiten dienst betrokken zijn bij
een verkeersongeval dienen er zich van te onthouden zelf proces-verbaal op
te stellen van hun vaststellingen.
Afgezien van het standpunt van het Vast Comité P dat politieambtenaren
buiten de uitoefening van hun functie slechts in uitzonderlijke omstandigheden,
in hun verhouding van burger ten opzichte van een andere burger, gebruik kunnen
maken van hun hoedanigheid van politieambtenaar, dienen zij er zich van te
onthouden zelf proces-verbaal op te stellen betreffende verkeersincidenten
waarin zij buiten dienst als burger persoonlijk betrokken zijn.
Er dienen in deze materie dwingende richtlijnen te worden uitgevaardigd.
81. Bestuurlijk in bewaring nemen van (vuur)wapens door de politiediensten
De huidige bespreking slaat niet op de omstandigheden zoals bepaald
in het Strafwetboek waar de politiediensten bij de vaststellingen van een
als een misdrijf omschreven feit een wapen in beslag nemen en neerleggen ter
griffie. De besproken casus heeft betrekking op een optreden van de politie
in een niet-strafrechtelijke crisissituatie zoals echtelijke moeilijkheden,
een crisissituatie eigen aan de psychische toestand van de betrokken persoon
zoals het vermoeden van een mogelijke wanhoopsdaad waarbij één van de betrokkenen
houder is van een wapen dat een gevaar zou kunnen betekenen voor zijn eigen
fysieke integriteit of die van anderen in zijn naaste omgeving.
In deze context kan de politie vanuit preventief oogpunt een wapen ontnemen
aan de bezitter ervan, waarbij dit wapen al dan niet vrijwillig wordt overhandigd
door de eigenaar zelf of door een familielid.
In de jaren 2002 en 2003 werd door het Vast Comité P aan zijn Dienst Enquêtes de opdracht gegeven een toezichtsonderzoek te verrichten naar de beveiliging van de korpsbewapening bij de lokale politiediensten. Bij de bezoeken aan diverse lokale commissariaten werd vastgesteld dat in verscheidene korpsen soms een aanzienlijke stock van wapentuig aanwezig was, gegroeid door het gedurende jaren in bewaring nemen van wapens tijdens crisisinterventies buiten de strafrechtelijke sfeer. In de meeste gevallen betrof het vuurwapens die vallen onder de classificatie van sport- of jachtwapens, verboden wapens of wapens voor wapenrekken. In een uitzonderlijk geval werden wapens aangetroffen die de wet classificeert onder de verweervuurwapens en dus vergunningsplichtig zijn. Behoudens voor de vergunde wapens, bleek het doorgaans niet meer mogelijk te achterhalen wie de eigenaars van deze wapens waren en/of wanneer of in welke omstandigheden ze aan het bezit van de eigenaar onttrokken waren. Slechts uitzonderlijk beschikte men over een punctueel register of een andere vorm van inventarisatie van deze wapens.
De aandacht van het Vast Comité P werd nogmaals op deze materie gevestigd door een klacht van een politieman wiens dienstvuurwapen en een persoonlijk verweervuurwapen binnen de sfeer van familiale moeilijkheden in de maand maart van het jaar 2000 door zijn echtgenote overhandigd werden aan een lokale politiedienst. Het dienstvuurwapen werd zoals mag verwacht worden direct na overhandiging overgemaakt aan de hiërarchische politieoverheid van het korps waartoe hij behoorde. Het persoonlijk en vergund verweervuurwapen van de politieman was begin 2004 nog steeds niet aan betrokkene teruggegeven, hoewel de familiale situatie een verdere inhouding niet meer rechtvaardigde. De eigenaar van dit vuurwapen had gedurende deze drie jaar geen enkel zicht op wat er mijn zijn wapen was gebeurd, hij werd ook nooit door de optredende politieambtenaren in kennis gesteld van de stappen die hij diende te ondernemen om zijn rechtmatig bezit terug te krijgen. In dit specifiek geval was het wapen wel ingeschreven in een register en werd het op behoorlijke wijze, met voldoende zorg en veiligheidsmaatregelen, bewaard.
Alhoewel nergens in een regelgeving als dusdanig beschreven, gaat het
in deze omstandigheden onmiskenbaar om een bestuurlijke inbeslagname, maar
is noch de geest noch de letter van artikel 30 van de wet op het politieambt
van toepassing op deze inbeslagname. De enige grond van deze politionele
bevoegdheid vinden we terug in de gecoördineerde omzendbrief 3630/1/8
betreffende de toepassing van de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake
wapens, uitgevaardigd door de minister van Justitie
[94] . In deze omzendbrief
omschrijft men deze omstandigheden als volgt: “Tijdelijke bewaargeving
van een wapen zonder dat daarmee enig misdrijf is gemoeid.
De rechterbovenkant van het model nr. 10 [95]
is bestemd voor de tijdelijke inbewaargeving
van wapens, zonder dat terzake enig misdrijf is vastgesteld. Zo is het bijvoorbeeld
mogelijk dat een vuurwapen waarvoor geen vergunning is vereist, preventief
wordt neergelegd door een lid van een familie die zich in een crisissituatie
bevindt, of, wanneer het gaat om een wapen waarvoor wel een vergunning is
vereist, dat wordt besloten om de procedure tot schorsing van de vergunning
niet in te zetten.
Per definitie betreft het hier een tijdelijke bewaargeving. Na verloop van
een bepaalde periode, waarvan de duur naargelang van het geval en van de materiële
mogelijkheid van neerlegging moet worden vastgelegd, moet ofwel een procedure
tot schorsing of intrekking van de vergunning worden aangevat, ofwel aan de
eigenaar van het wapen worden gevraagd zich ervan te ontdoen.
Overeenkomstig de deontologische beginselen moet de verkrijging van een tijdelijk
in bewaring gegeven wapen door een lid van een politiekorps met de grootste
omzichtigheid worden onderzocht.
Wanneer een politiedienst in degelijke omstandigheden een model 10 opmaakt,
moet dit onmiddellijk on-line worden ingevoerd in het CWR indien de bewaargever
zijn woonplaats heeft in de betrokken zone. Zoniet moet de bevoegde lokale
politie binnen de 48 uur een kopie van het model 10 ontvangen voor
on-line registratie. Tevens moeten latere wijzigingen (teruggave van het
wapen, … ) worden geregistreerd”.
Wij hadden in de meeste gevallen geen zicht op het feit of deze (vuur)wapens
bestuurlijk in beslag waren genomen of vanuit een wettelijke finaliteit onttrokken
waren aan het bezit van de eigenaars daar er geen of een zeer beperkte registratie
was van deze inhoudingen van (vuur)wapens. Anderzijds kan deze uit gewoonte
gegroeide werkwijze ook een schending inhouden van de rechten van de eigenaars.
Dit omdat blijkt dat, in tegenstelling tot de geest van het wettelijk kader,
de meeste inbewaringnemingen door de politie een definitief karakter verkregen
en men in andere gevallen, wat vergunde wapens betreft, de procedure van intrekking
of schorsing van de vergunning, via de bevoegde bestuurlijke overheid, niet
toepaste.
Niettegenstaande het Vast Comité P zich bewust is van de lacunes in het
huidig wettelijk kader, mag van de politiediensten verwacht worden dat zij
in de geest van legaliteit, opportuniteit en proportionaliteit ook, of vooral,
de regels van behoorlijk bestuur naleven. Zo lijkt het ons niet aanvaardbaar
dat men geen register bijhoudt van de preventief in bewaring genomen vuurwapens
of men de in de omzendbrief algemeen vermelde “bepaalde periode, waarvan
de duur naargelang van het geval en van de materiële mogelijkheid van neerlegging”
gaat invullen op een manier eigen aan de omstandigheden die de inbewaringneming
rechtvaardigden. In deze laatste context blijkt dat de politiediensten zeer
zelden of nooit enig initiatief namen om zich er ambtshalve van te vergewissen
dat de toestand die de inbewaringneming rechtvaardigde nog aanwezig was.
Het lijkt ons evenmin aanvaardbaar dat de eigenaar van een wettelijk vergund
vuurwapen zich tot een hogere instantie moet wenden om zijn wettelijke eigendom
terug te krijgen. Als men dit wapen langere tijd of definitief aan zijn bezit
wil onttrekken, moet men de daartoe wettelijk voorziene procedure toepassen;
in het andere geval, rust op de politiediensten de verplichting om zelf de
toestand die de inhouding van het wapen rechtvaardigde op te volgen.
Tevens stelt het Vast Comité P zich de vraag wat bij de eenmaking van de politiediensten met diverse dergelijke wapenstocks is gebeurd, toen nieuwe verantwoordelijken bij de algemene inventarisatie geconfronteerd werden met deze “grijze” voorraad van wapens.
81.3. PerspectievenZoals voorheen reeds werd aangehaald, is in de huidige regelgeving
niet duidelijk hoe de politie kan optreden en welke vormvoorschriften zij
hierbij moet naleven. De omzendbrief in zijn huidige vorm heeft niet altijd
rekening gehouden met de politiepraktijk of de omstandigheden op het terrein.
Zo gebruikt men in de omzendbrief de omschrijving “dat een vuurwapen waarvoor
geen vergunning is vereist, preventief wordt neergelegd door een lid van een
familie die zich in een crisissituatie bevindt”. Hier gaat men ervan
uit dat de overhandiging van het al dan niet vergunde wapen gebeurt op initiatief
van een betrokken familielid. In de praktijk, bijvoorbeeld bij huishoudelijke
moeilijkheden of een echtscheidingssituatie, neemt de politie zelf het initiatief
om na te gaan of er in het gezin (vuur)wapens aanwezig zijn. In bevestigend
geval en wanneer de spanningen binnen het gezin dit verantwoorden, zal de
politie in veel gevallen zelf overgaan tot preventieve inbeslagname. Trouwens
het is ook zeer goed mogelijk dat een betrokken partij, zelfs in een gezinssituatie,
niet in de materiële mogelijkheid is om het wapen te overhandigen of in een
andere context hij of zij het wapen niet durft te overhandigen aan de politiediensten.
Een tweede item dat in het huidig wettelijk kader een grijze zone vormt,
is de bewaartijd van het in bewaring genomen wapen. Waar de geest van de
omzendbrief nog enige duidelijkheid verschaft over de vergunningsplichtige
vuurwapens door te stellen dat een procedure tot schorsing of intrekking van
de vergunning moet ingezet worden bij een langere periode van inbewaringneming,
heeft men geen enkele aanwijzing omtrent de niet-vergunningsplichtige wapens.
Daar waar de wet op het politieambt inzake bestuurlijke inbeslagname – weliswaar
in een andere context – een termijn van zes maanden aanhaalt, maar misschien
nog belangrijker een mogelijkheid schept tot het vernietigen van de in beslag
genomen goederen, blijkt de wapenreglementering op dit vlak geen antwoord
te bieden.
Zo kan er wat de vergunningsplichtige vuurwapens betreft, een ongelijkheid
in behandeling bestaan tussen de politiediensten met betrekking tot het tijdstip
waarop (tijdspanne) of in welke omstandigheden men een procedure tot schorsing
zal opstarten.
Voor de niet-vergunningsplichtige (vuur)wapens zoals jacht- en sportwapens, verboden wapens, wapens voor wapenrekken, heeft de politie geen mogelijkheid om bij een bestuurlijke overheid formeel, tijdelijk of definitief, een beslissing af te dwingen en is het de politie zelf die beslist hoe lang men een wapen aan het bezit van de eigenaar zal onttrekken. Het is echter mogelijk, denken we maar aan problemen inzake blijvend drankmisbruik of een blijvende psychische toestand van een betrokkene, dat een (vuur)wapen beter vernietigd wordt en niet meer teruggeven wordt aan de eigenaar. De huidige wetgeving laat dit echter niet rechtstreeks toe.
Ondanks de hiervoor gesitueerde onduidelijkheden in de huidige reglementering dienen we vast te stellen dat meerdere lokale politiediensten – en misschien ook federale – met betrekking tot het tijdelijk in bewaring nemen van (vuur)wapens de regels van behoorlijk bestuur niet naleven. Men zou van een efficiënte politiedienst mogen verwachten dat hij in deze context: (1) een omstandig register bijhoudt van de wapens die op deze manier in bewaring werden genomen; (2) zelf een gepaste invulling geeft aan het begrip “tijdelijk”; (3) ambtshalve en actief nagaat of de omstandigheden die aanleiding gaven tot de inbewaringneming nog steeds aanwezig zijn en zo niet, het wapen ambtshalve restitueert aan de eigenaar; (4) wat de vergunde vuurwapens betreft, aan de bevoegde bestuurlijke overheid, in casu de gouverneur, de mogelijkheid biedt om zijn verantwoordelijkheid op te nemen door de procedure tot schorsing of intrekking van de vergunning op te starten.
Vooral dit laatste punt wordt door diverse politiekorpsen niet steeds nageleefd en kan aldus, gelet op het bestaan van een wettelijke procedure, beschouwd worden als een inbreuk op de rechten van de betrokken wapeneigenaar en zo het voorwerp uitmaken van een klacht wegens machtsafwending of machtsmisbruik.
81.4. AanbevelingenEnerzijds mag men van een politiedienst verwachten dat hij in domeinen waar de bestaande regelgeving onduidelijk of onvolledig is, de algemene regels van behoorlijk bestuur toepast, maar anderzijds ook waakt over de rechten van diegenen ten aanzien van wie hij een correcte en gepaste politiemaatregel nam door uit eigen beweging een einde te maken aan een maatregel wanneer de omstandigheden deze niet meer rechtvaardigen.
Het zou echter wenselijk zijn dat de bestaande regelgeving aangepast wordt aan praktische situaties op het terrein, waar de politiediensten mee geconfronteerd worden en die door de wetgever niet konden worden voorzien. In de huidige context zou het aangewezen zijn de bestuurlijke inbeslagname of tijdelijke inhouding van een wapen beter te gaan definiëren, waarbij men rekening zou kunnen houden met de volgende aspecten: (1) de verplichting tot het bijhouden van een register van de aldus in bewaring genomen wapens met onder meer een omstandige omschrijving van de situationele omstandigheden die deze maatregel rechtvaardigden; (2) bepalen van een wettelijke termijn ter vervanging van het niet-omschreven begrip “tijdelijk” voor vergunningsplichtige wapens zodat de politieoverheid geacht wordt om na het verstrijken van deze termijn de procedure “intrekking of schorsing” van de vergunning in te stellen via de bevoegde provinciegouverneur; (3) indien de wetgever het niet anders wenst te omschrijven, het opleggen van een verplichting aan de politiediensten om actief de omstandigheden die aanleiding gaven tot het inhouden van het wapen op te volgen, in het bijzonder binnen de termijn dat er nog geen procedure tot intrekking of schorsing werd opgestart door de hogere bestuurlijke overheid; (4) voorzien in een procedure voor (vuur)wapens welke niet onderworpen zijn aan het vergunningsstelsel, die aan een bestuurlijke overheid de mogelijkheid geeft om het wapen tijdelijk of definitief aan het bezit van de eigenaar te onttrekken.
Daar de wet op het politieambt het werkinstrument bij uitstek is voor de politiediensten, zou het een pluspunt zijn mochten de huidige wettelijke bepalingen, zoals de hiervoor omschreven punten uit de voornoemde omzendbrief, en de nog te voorziene bepalingen in dit zeer degelijk “politievademecum” opgenomen worden, als onderdeel of naast het algemene artikel inzake de bestuurlijke inbeslagnames.
82. Deelname van politiediensten aan televisieprogramma’s [96]In een brief aan het Vast Comité van Toezicht
op de politiediensten wijst een klager op het feit dat hij bij het bekijken
van een televisieprogramma heeft vastgesteld dat de politie zelf verkeersovertredingen
beging. Hij stelt dat de verkeersovertredingen door politieambtenaren in
sommige gevallen een groot gevaar kunnen inhouden voor andere weggebruikers.
In het programma wordt een politiepatrouille, met verkeerstoezicht, gevolgd
door een cameraman die in de politiewagen zit en die de ambtsverrichtingen
van de politie vastlegt. Een tweede camera in het anonieme politievoertuig
registreert het rijgedrag en de snelheid van de verkeersovertreders. Wanneer
de overtreders hiermee instemmen, worden zij na hun overtreding geconfronteerd
met de beeldopnamen van hun rijgedrag.
De bij de uitzending betrokken patrouilles verplaatsen zich met een anoniem
voertuig. Wanneer het politievoertuig de auto van een overtreder achtervolgt,
worden een aantal gegevens op een monitor in de politiewagen weergegeven.
Dezelfde gegevens verschijnen op het televisiescherm, onder meer het tijdstip,
de snelheid van het politievoertuig, de afgelegde afstand vanaf een bepaald
punt en de gemiddelde snelheid over die afstand. Wanneer de afstand tussen
de achtervolgde auto en de politiewagen gelijk blijft, kan zo de snelheid
van het achtervolgde voertuig worden vastgesteld.
Naar aanleiding van deze klacht werd door de Dienst Enquêtes in opdracht
van het Vast Comité P een toezichtsonderzoek uitgevoerd in drie van de
negen aan het programma deelnemende politiekorpsen. Dit onderzoek had betrekking
op een programma uit de eerste reeks afleveringen, uitgezonden in mei en juni 2003.
Het onderzoek peilde naar twee onderwerpen: (1) de verkeersproblematiek
die rijst bij de deelname aan dit televisieprogramma en het verkeersgedrag
van politieambtenaren in dat verband, in het bijzonder voor de uitzending
waarover de klacht handelt; (2) de wijze waarop de deelname aan dergelijke
televisieprogramma’s door de zonechef wordt voorbereid en opgevolgd.
Beschouwingen in verband met de gehele problematiek van zulk televisieprogramma
onder meer inzake privacy van de gefilmde personen, de wet op de geïntegreerde
politie, artikel 35 van de wet op het politieambt en de opportuniteit
om als politiedienst deel te nemen aan dergelijke programma’s worden in het
onderzoek niet in overweging genomen. De invloed van de aanwezigheid van
een televisiecamera op het gedrag van een overtreder of politieambtenaren,
die over het algemeen niet met het medium vertrouwd zijn, komt hier evenmin
ter sprake. Wat dit laatste punt betreft, acht het Vast Comité P het
bijzonder nuttig en interessant kennis te nemen van de inhoud van de uiteenzetting
die Carrol Tange op 13 november 2003 tijdens het colloquium naar
aanleiding van het tienjarig bestaan van het Vast Comité P heeft gehouden
[97] .
Het Vast Comité P dient evenwel de nadruk te leggen op de gevaren
die dit soort van uitzendingen inhoudt en op het feit dat ze onder meer de
dwingende daden ten aanzien van burgers banaliseren.
Na het bekijken van de televisiebeelden blijkt inderdaad – zoals de klager
stelt – dat bij een aantal achtervolgingen door de bestuurders van de politiewagens
de maximum toegelaten snelheid overschreden werd.
Naar analogie van de voorwaarden tot aanwending van geweld werd nagegaan of
de hoge snelheid te verantwoorden valt door deze te toetsen aan drie belangrijke
principes: het legaliteits-, het subsidiariteits- en het proportionaliteitsprincipe.
Legaliteitsprincipe
De opdracht tot verkeerstoezicht verwijst naar artikel 16
van de wet op het politieambt dat de politiediensten belast met de politie
over het wegverkeer. De politiële activiteit van de betrokken politiemensen
heeft tot doel de verkeersreglementering te doen naleven en – als educatieve
component – de overtreder te confronteren met zijn overtreding(en) met als
uiteindelijke doelstelling diens toekomstig verkeersgedrag te verbeteren.
In eerste instantie dient de vraag beantwoord te worden of het hier – met
betrekking tot de overdreven snelheid – al dan niet om een verkeersovertreding
gaat. Het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende het algemeen
reglement op de politie op het wegverkeer bevat in dit verband de algemene
bepalingen van artikel 10.1 en de artikelen 37 en 59.13. Dit laatste
artikel bepaalt dat de snelheidsbeperkingen niet gelden voor de voertuigen
gebruikt door bevoegde personen noch voor prioritaire voertuigen wanneer een
dringende opdracht het niet naleven van deze beperkingen rechtvaardigt.
Subsidiariteitsprincipe
Van een duidelijk herkenbaar politievoertuig gaat
een ontradend effect uit, waardoor een anoniem voertuig een effectiever middel
is om zogenaamde “wegpiraten” op te sporen. De keuze voor een anoniem voertuig
valt vanuit dat oogpunt dan ook te verdedigen.
In de tv-uitzending worden verkeersovertreders achternagereden en filmt men
hun rijgedrag. Om de vastgestelde overtredingen te doen ophouden, is het
achternarijden van overtreders en het stoppen van het voertuig vanuit verkeersopvoedend
oogpunt aangewezen omdat een onmiddellijke interpellatie van de overtreder
meer nut heeft dan het opstellen van een proces-verbaal in de vlucht.
De politie dient echter steeds in overweging te nemen of het doel de middelen
heiligt. Een achtervolging met grote snelheid creëert steeds, in meer of
mindere mate, een gevaarssituatie voor toevallige passanten, maar ook voor
alle betrokkenen, met inbegrip van de politiemensen.
Wanneer een politieambtenaar een overtreding vaststelt, dient hij die – indien
mogelijk – te doen ophouden en de overtreder te interpelleren. Indien dit
niet kan en hij over de nodige gegevens beschikt die hem in staat stellen
de identiteit van de overtreder te achterhalen, kan alsnog een proces-verbaal
“in de vlucht” worden opgesteld.
Proportionaliteitsprincipe
De achtervolgingen waarbij ook politiemensen snelheidsovertredingen begaan,
gebeuren in het programma met een anoniem voertuig. Pas op het ogenblik van
een interceptie worden blauw zwaailicht en bijzonder geluidstoestel ingeschakeld.
Op deze manier overtreders achtervolgen, zeker in de bebouwde kom maar ook
daarbuiten, levert bijkomende risico’s op voor de overtreder, de politie en
andere weggebruikers. In twee bestudeerde gevallen werd in de bebouwde kom
met overdreven hoge snelheid gereden met het oog op het vaststellen van nog
meer overtredingen.
De gevolgde werkwijze levert spectaculaire televisiebeelden op, maar brengt
de verkeersveiligheid in het gedrang. Het vanuit politioneel standpunt beoogde
educatieve doel om het toekomstig gedrag van de overtreder te wijzigen door
hem met zijn overtredingen te confronteren, zou moeten afgewogen worden tegenover
de extra onveiligheid die gecreëerd wordt.
Of de politieambtenaren al dan niet een verkeersovertreding begaan, blijft
een feitenkwestie en is in belangrijke mate gerelateerd aan de opdracht waarmee
de agenten belast zijn. In principe kan de maximumsnelheid overschreden worden
ingevolge de opdracht om een verkeersovertreding te doen ophouden. De betrokken
politiemensen hebben in deze een bepaalde vrijheid in hun appreciatievermogen
met betrekking tot de ernst van de vastgestelde overtredingen. Zij zullen
echter steeds en vooral rekening moeten houden met de opportuniteit van hun
optreden, met de prioriteitenstelling bepaald in het zonaal veiligheidsplan
en met het vervolgingsbeleid van de procureur des Konings. De politie-interventie
mag met andere woorden de verkeersonveiligheid niet vergroten.
In twee van de beschouwde gevallen was in eerste instantie aan het legaliteitsprincipe
voldaan, waardoor de maximumsnelheid kortstondig kon overschreden worden.
Uit opportuniteitsoverwegingen kan de hoge snelheid echter niet langer aangehouden
worden dan strikt noodzakelijk om de overtreding te doen ophouden. In de
twee vernoemde gevallen duurden de achtervolgingen vrij lang en werd door
de politie met een anoniem voertuig met hoge snelheid in de bebouwde kom gereden,
zonder gebruik van het zwaailicht en het bijzonder geluidstoestel. Door het
uitstellen van de onderschepping van de overtreder ontstaat zo een bijkomende
gevaarssituatie – met als doel nog meer overtredingen te kunnen filmen – die
niet kan verantwoord worden door het beoogde, veronderstelde, preventieve
effect van een dergelijk televisie-uitzending. Het politionele doel lijkt
in deze gevallen niet compatibel met het commerciële doel van de tv-producent.
Tijdens het onderzoek bleek er een groot
verschil in benadering van de problematiek bij de betrokken korpschefs. In
twee zones was er duidelijk sprake van een grondige reflectie en overleg alvorens
tot deelname aan het televisieprogramma beslist werd. Dit was echter niet
in alle zones het geval.
Het antwoord op de vraag of er overleg gepleegd werd met het parket illustreert
dit goed. Sommige zones vroegen expliciet de toestemming van het parket en
in één zone werd gedurende de periode van medewerking aan het programma regelmatig
overleg gepleegd met het parket. Een andere zonechef daarentegen veronderstelde
dat een eerdere toestemming van de procureur des Konings in verband met een
ander televisieprogramma een toelating tot deelname aan dit programma impliceerde.
Deze redenering kon in verscheidene andere dossiers worden vastgesteld.
De beslissing tot deelname aan een dergelijk televisieprogramma behoorde –
op het moment dat de eerste reeks gefilmd werd en waarop ons onderzoek van
toepassing is – tot de autonome bevoegdheid van de korpschef. Momenteel is
in de betrokken gerechtelijke arrondissementen – na een vonnis van de politierechtbank
te Antwerpen van 18 december 2002 – evenwel de toelating van de
procureur des Konings vereist. Hierover verscheen, in de bezochte politiezones,
in de loop van het jaar 2003 een omzendbrief van de procureur des Konings.
In slechts één van de bevraagde zones werd expliciet de vraag gesteld naar
een eventueel bezwaar tot filmen van de overtreder. De toelating werd er
vastgelegd op beeld- en geluidsband. In de twee andere zones bracht men de
overtreders enkel op de hoogte van de aanwezigheid van een camera. Men ging
er dan van uit dat iemand die niet gefilmd wenste te worden, dit wel zou meedelen.
Er blijkt dat de installatie van het voertuig van de productiemaatschappij
in Nederland werd geijkt, maar niet in België. Twee zones zorgden voor ijking
via een politieradar.
Met betrekking tot de verkeersproblematiek, wordt aanbevolen alle personeelsleden op een duidelijke wijze te informeren onder meer in verband met het legaliteits-, opportuniteits- en subsidiariteitsprincipe.
In verband met de voorbereiding van de deelname aan dergelijke programma’s, kunnen de volgende aanbevelingen worden gedaan: (1) de toestemming van de procureur des Konings moet steeds worden gevraagd en de beelden moeten op voorhand worden bekeken door een verantwoordelijke van de politie waarbij de procureur des Konings uitgenodigd wordt; (2) de toestemming van de gefilmde persoon moet worden gevraagd; (3) de bestuurlijke overheden dienen op de hoogte te worden gesteld; (4) de keuze van de deelnemende politiemensen is gezien hun voorbeeldfunctie van groot belang. Politieambtenaren vervullen steeds een voorbeeldfunctie. In het kader van dergelijke programma’s wordt de rol van de politie echter uitvergroot, waardoor ook het belang van de voorbeeldfunctie toeneemt; (5) de gebruikte apparatuur dient in België gehomologeerd te zijn.
Hoofdstuk IV:
Voornaamste conclusies en aanbevelingen van het Vast Comité P
In de laatste decennia heeft de wetgever
in zijn wetgevend werk duidelijk uiting gegeven aan zijn wil om met betrekking
tot de rol van de politie in het maatschappelijk bestel te streven naar een
democratisch-gemeenschapsgerichte en efficiënte werking van het Belgisch politiebestel.
Hierbij werd tevens de nadruk gelegd op het belang van de politie bij de bescherming
van de individuele rechten en vrijheden en haar bijdragen in de democratische
ontwikkeling van de maatschappij.
Dit opzet komt duidelijk tot uiting in de wet van 5 augustus 1992
op het politieambt, in de wet van 18 juli 1991 tot regeling van
het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en in de wet van 7 december 1998
tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee
niveaus.
In dit opzicht meent het Vast Comité P te moeten vaststellen dat de hiërarchische
of andere verantwoordelijken die binnen hun zone of in andere forums ertoe
neigen al hun problemen of moeilijkheden toe te schrijven aan de wijzigingen
van het politiebestel, blijkbaar voorbijgaan aan de hierboven vermelde wil
van de wetgever. Alhoewel de wet van 7 december 1998 tot organisatie
van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus in de
autonomie voorziet van beide niveaus, verliezen zij blijkbaar nogal vaak uit
het oog dat deze wet, die met een zeer grote meerderheid werd goedgekeurd,
er onmiskenbaar de nadruk op legt dat beide niveaus samen de geïntegreerde
politiezorg verzekeren.
Deze geïntegreerde politie moet er dan ook in de eerste plaats naar streven
dat op een verantwoorde en transparante wijze wordt voorzien in een gelijkwaardige
tenuitvoerlegging van de politiefunctie over het gehele grondgebied en dit
zowel ten behoeve van de burgers als van de overheden.
De kortzichtige visie om de uitoefening van de eigen politiefunctie niet in
te schrijven in de uitoefening van de geïntegreerde politiezorg als geheel
is niet alleen in strijd met de wil van de wetgever, maar zal uiteindelijk
ook leiden tot een deficiënte werking van de eigen zone of van het gedeelte
van het betrokken federale niveau. Tevens wenst het Vast Comité P er
op te wijzen dat het zich beroepen op de politiehervormingen om problemen
of moeilijkheden die hun oorzaak vinden in het verleden te verrechtvaardigen
als een niet te verantwoorden gemakkelijkheidsoplossing voorkomt.
De bepalingen van de wet van 18 juli 1991 waarin wordt voorzien
dat het toezicht van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten in
het bijzonder betrekking heeft op de bescherming van de rechten die de Grondwet
en de wet aan de personen waarborgen, alsook op de coördinatie en de doelmatigheid
– efficacité in de Franse tekst –, schrijven zich ook in de hierboven vermelde
wil van de wetgever in.
In het verlengde van deze verschillende wetteksten, kunnen we de uitvoering
van de politiefunctie door de politiediensten evalueren vanuit verschillende
oogpunten: (1) de democratische ontwikkeling en de eerbiediging van de
rechten van de mens en de fundamentele rechten en vrijheden. Deze analyse
beoogt niet enkel de evaluatie van de implementatie van de wet op het politieambt
zoals gepreciseerd in de regelgeving betreffende de gelijkwaardige minimale
dienstverlening aan de bevolking over het volledige grondgebied en de zes
basisfunctionaliteiten van de politiewerking, maar ook de evaluatie van de
kwaliteit van de interactie tussen de politieoverheid en de politiedienst,
of nog van de wijze waarop in de praktijk gestalte wordt gegeven aan het concept
gemeenschapsgerichte politiezorg; (2) de graad van integratie van de
geïntegreerde politiedienst, onder meer bekeken aan de hand van de mechanismen
die deze integratie of coördinatie bevorderen. Hierbij moet specifiek aandacht
worden besteed aan de communicatie binnen de politiediensten, meer in het
bijzonder inzake opsporing, evaluatie, exploitatie, verspreiding, enz., kortom,
de professionele verwerking van de informatie; (3) de doeltreffendheid/doelmatigheid
van de uitvoering van de politiefunctie in het licht van de behaalde resultaten,
maar ook van een evaluatie van o.a. de ingevoerde structuren, systemen, middelen,
waarden en strategieën.
Doorheen verschillende van zijn onderzoeken, met name de toezichtsonderzoeken
s.s., bleef het Vast Comité P bijzondere
aandacht besteden aan de functionaliteit van interne controle, de werking
van de arrondissementele informatiekruispunten (AIK) en de communicatie- en
informatiecentra (CIC), de steunmechanismen tussen de verschillende componenten
van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, het genegotieerd
beheer van de openbare ruimte (ordehandhaving), het gebruik van geweld, bepaalde
primaire interventieprocessen, de stress en de zelfmoorden bij de politie,
het tuchtbeleid
[98] ,
enz. en zal dit blijven doen in 2004-2005.
Op 11 december 2003 hebben de Vaste Comités van Toezicht
op de politie- en inlichtingendiensten, tijdens een gezamenlijke vergadering,
beslist een gezamenlijk toezichtsonderzoek in te stellen met betrekking tot
de informatie-uitwisseling en de interacties tussen de verschillende politie-
en inlichtingendiensten in de strijd tegen het terrorisme.
Een synthese van de analyses en van bepaalde conclusies en aanbevelingen in
dit verband wordt in het corpus besproken.
In het navolgende gedeelte beperkt het Comité zich tot het bevestigen en onderstrepen van de essentie van zijn algemene of bijzondere conclusies en verwijst hierbij niet enkel naar het geheel van de voorgaande analyses en beschouwingen, maar ook naar de conclusies en aanbevelingen die werden geformuleerd in zijn verschillende bijzondere, tussentijdse of eindverslagen die werden toegezonden aan zijn Parlementaire begeleidingscommissie en die, ten minste gedeeltelijk, in herinnering werden gebracht in zijn publieke verslagen.
84. Een democratische, verantwoorde en transparante politiezorg met oog voor de eerbiediging van de mensenrechtenHet Vast Comité P heeft de wettelijke
opdracht toe te zien op de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden
van burgers door de politiediensten en bij de uitoefening van de politiefunctie.
Elk excessief of bovenmatig geweldsgebruik houdt echter
altijd een rechtstreekse schending van deze rechten in, net als sommige andere
intrusieve interventies, onder meer op het vlak van de opsporing van inbreuken.
Daarnaast heeft het Vast Comité P de opdracht te waken over de doeltreffendheid
en de coördinatie van alle politiediensten, niet enkel van de geïntegreerde
politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
Het gebruik van dwang en geweld – respectievelijk als politiemaatregel of
als ultiem middel naar aanleiding van de uitvoering van opdrachten, bevelen
en instructies – dient gestructureerd en doordacht te worden uitgevoerd en
moet op een continue basis worden opgevolgd. Hetzelfde geldt voor het gebruik
van de gegevensbanken en de primaire of bijzondere onderzoeksprocessen. In
ieder geval, moeten er steeds lessen worden getrokken uit de disfuncties,
vergissingen of fouten uit het verleden.
In dit verband kan worden besloten dat in het merendeel van de onderzochte
gevallen de politieambtenaren de principes van geweldsbeheersing doorgaans
goed hebben begrepen en dat ze tijdens hun interventies meer en meer de voorkeur
geven aan communicatie, dialoog, en “escalatie” trachten te vermijden.
Meermaals hebben onze observaties en onderzoeken bevestigd wat we reeds in onze twee laatste jaarverslagen had becommentarieerd of naar voren geschoven met betrekking tot de kennis, de assimilatie en toepassing van de wet, meer in het bijzonder het Wetboek van Strafvordering en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt. Ter illustratie hiervan, kunnen we meegeven dat heel wat politieambtenaren het onderscheid niet kunnen maken tussen de diverse types van fouilleringen of de inhoud van de omzendbrief betreffende de bevoorrading van personen in arrest niet goed of helemaal niet kennen.
Het concept gemeenschapsgerichte politiezorg heeft nog niet overal
ingang gevonden. Een kwaliteitsvolle politie in de burgermaatschappij moet
gebaseerd zijn op een veel bredere benadering van de veiligheid en leefbaarheid.
Dit houdt in dat de politieambtenaren – samen, met de overheid,
hun partners en de bevolking – hun eigen taken en de manier waarop ze worden
uitgevoerd, kritisch moeten herdenken. We hebben het hier over een cultuurverandering,
die niet van de ene dag op de andere kan worden verwezenlijkt. Deze “factor
tijd” was trouwens één van de aspecten die enigszins uit het oog werden verloren
op het ogenblik dat men concreet gestalte ging geven aan de wet van 7 december 1998.
Maar konden de zaken anders worden aangepakt? Negatieve en a posteriori
kritiek geven is in dit geval wel erg makkelijk.
Deze filosofie van community policing vindt langzaam maar
zeker ingang in de geesten van de betrokkenen. De mentaliteitswijziging moet
worden voortgezet en gestimuleerd. Dit is een werk van lange adem, langer
dan aanvankelijk voorzien, en er wordt hier en daar nog weerstand geboden
tegen het aangevatte veranderingpsroces.
Algemeen gesproken, zijn zowel de overheden van bestuurlijke politie
als van gerechtelijke politie nauwer betrokken bij de werking van de politiediensten.
Hun gezag is verre van fictie, net zo min als de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheid.
Het mechanisme van de veiligheidsplannen en de nieuwe beleidsbenaderingen
hebben talrijke overheden betrokken bij en bewust gemaakt van het politie-
en veiligheidsvraagstuk. Op dit vlak kan onomwonden worden gesteld dat de
politie goed optreedt en werkt onder het gezag van de overheden, zowel op
federaal niveau als op lokaal of arrondissementeel niveau; wat trouwens de
uitdrukkelijke wens van de wetgever was. Deze bewering geldt zowel inzake
gerechtelijke politie als inzake bestuurlijke politie, onverminderd de klachten
– die moeten worden genuanceerd – van sommige onderzoeksrechters.
De “veiligheid van de burger” en de “vrede in de staat” zijn niet enkel en
alleen de verantwoordelijkheid van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd
op twee niveaus, of van de andere politiediensten. De interacties tussen
de politie en de overheden enerzijds en tussen de politie en de andere intervenanten
en actoren anderzijds worden dag aan dag beter.
Wanneer er analyses worden gemaakt, onder meer door het Vast Comité P,
mag in elk geval geenszins uit het oog worden verloren dat om hun opdrachten
doeltreffend en behoorlijk te kunnen vervullen, de politiediensten absoluut
over de nodige middelen en bevoegdheden moeten beschikken. Zo is het hen
terecht toegestaan, indien nodig, te interfereren in materies die raken aan
de fundamentele rechten en democratische vrijheden van de burgers. De rechtvaardigingsgrond
die de politiediensten in principe hebben, wanneer ze deze bevoegdheden gewettigd
en wettelijk uitoefenen, is onontbeerlijk voor de uitvoering van hun opdrachten,
maar houdt latent het gevaar in dat ze deze bevoegdheden op onjuiste, onrechtmatige,
zelfs onwettige wijze aanwenden, met andere woorden, dat ze hun bevoegdheden
in bepaalde situaties misbruiken.
De aantijgingen die via de meeste diverse kanalen tegen de politiediensten
worden geuit, zijn zonder twijfel niet allemaal gegrond. Het is echter fundamenteel
dat wordt toegezien op het optreden van de politiediensten, dat het wordt
gecontroleerd door een absoluut neutrale instantie en dat ondubbelzinnig kan
worden aangetoond dat er geen redenen zijn om zich zorgen te maken over hun
interventies of hun optreden, noch om a priori wantrouwig of terughoudend
te zijn ten aanzien van deze diensten.
De mogelijkheid die politiediensten hebben om bijzondere rechtvaardigingsgronden
in te roepen voor hun interventies en acties, doorgaans algemene of bijzondere
“bevoegdheden” of nog “politiebevoegdheden” genaamd, is enerzijds een noodzakelijk
voorrecht, maar impliceert en vereist anderzijds een voortdurende aandacht
en waakzaamheid om te vermijden dat de fundamentele rechten en vrijheden van
de burgers te erg zouden worden belemmerd, geschaad of nog geschonden. Dit
geldt des te meer voor de opdrachten van gerechtelijke politie aangezien de
politiediensten in principe geen ruchtbaarheid zouden moeten geven aan hun
methodes noch aan de resultaten van hun onderzoek.
De discretieplicht die voortvloeit uit de uitvoering van de politiefunctie
en de uitoefening van zijn opdrachten van gerechtelijke of bestuurlijke politie
of zijn taken van informatie-inzameling, in sommige gevallen zelfs de geheimhouding
vereisen een nauwgezette en voortdurende controle, zowel hiërarchisch als
intern en extern, teneinde de aandacht van de gerechtelijke overheden en,
in voorkomend geval, van de politieke overheden te kunnen vestigen op de handelingen
die de rechten van de burger schaden of dreigen te schaden en teneinde voorstellen
of adviezen te kunnen formuleren met betrekking tot het beleid en de middelen
of acties die moeten worden ingezet of ontplooid.
Op basis van het onderzoek van de vrijheidsberovingen, aanhoudingen
en de verschillende processen of andere modaliteiten die ermee verbonden zijn,
konden de risico’s worden geëvalueerd en bepaalde gedragingen reeds worden
gecorrigeerd. Hetzelfde geldt voor de analyse die werd gemaakt van het gebruik
van geweld door politieambtenaren of -diensten. Op positieve wijze lessen
trekken om de herhaling van bepaalde incidenten te vermijden en zo de politiewerking
te bevorderen, moet één van de fundamentele keuzes zijn van elke toezichthoudende
of inspecterende activiteit. Maar, wanneer vastberadenheid geboden is, mag
er evenmin worden getwijfeld. Inzake democratische versterking en de eerbiediging
van de fundamentele rechten en vrijheden, moet de politie het toonbeeld zijn
van de lerende organisatie.
Ze moet zich eveneens hoeden voor bepaalde ontsporingen, met name inzake het
gebruik van geweld of te intrusieve initiatieven of onderzoeken waarbij de
principes van legaliteit (legitimiteit), subsidiariteit en proportionaliteit
niet strikt worden nageleefd overeenkomstig het wettelijke en reglementaire
kader. De politie moet ook haar plichten voor ogen houden: de eerbiediging
van de persoonlijke levenssfeer, het beroepsgeheim of het onderzoeksgeheim
(gerechtelijk en opsporingsonderzoek) en de discretieplicht. De alternatieve
opleidingen voor het gebruik van bepaalde wapens of van bepaalde opsporingstechnieken
is symptomatisch voor een risico op ontsporingen, een gedrag dat niet overeenstemt
met de waarden, de principes en de ethiek die de wetgever wenste te preciseren
voor de democratische uitvoering van de politiefunctie in ons land. Er is
dus wel degelijk een reëel gevaar dat, bij de politieambtenaren op het terrein
en zonder medeweten van de verantwoordelijken en overheden, een politiecultuur
zou ontstaan die niet wordt erkend en die afbreuk zou kunnen doen aan de individuele
rechten en vrijheden. Men mag evenmin uit het oog verliezen dat dergelijk
gedrag ook het gevolg kan zijn van de ontevredenheid van de politieambtenaren
over het materiaal en de opleidingen die hen ter beschikking worden gesteld,
wat niet minder symptomatisch is voor een te verbeteren situatie.
In de gegevensbanken die de politieambtenaren gebruiken, is, net als in hun lokalen en hun informaticamateriaal, bijzondere gevoelige informatie opgeslagen. Deze informatie is slechts toegankelijk voor personeelsleden die daartoe behoorlijk gemachtigd zijn en voor zover er gegronde redenen zijn waarom deze personen kennis moeten nemen van de informatie. Deze situatie is vergelijkbaar met die betreffende de opslag van wapens en munitie.
Uit andere onderzoeken is tevens gebleken dat de leden van de politiediensten, over het algemeen, zich niet altijd voldoende bewust zijn van het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer, met name wanneer ze informaticatools s.l. en gegevensbanken gebruiken of wanneer deze gegevensbanken worden geraadpleegd door niet-gemachtigde derden, waartoe ook politieambtenaren behoren die niet voldoen aan de need to know-voorwaarde.
Het Comité P zette zijn proactieve observatie en zijn reactieve onderzoeken voort op het gebied van openbare ordehandhaving in het algemeen en sportmanifestaties en voetbalmatchen in het bijzonder. In de meeste gevallen werd, ondanks somtijds felle kritiek, vastgesteld dat het optreden van de meeste politiediensten en -ambtenaren erg professioneel was.
Het Comité P volgt de problematiek van de 101-centrales sinds
enige jaren op. Zijn onderzoek zal worden voortgezet en zal voortaan worden
toegespitst op de implementatie van het nieuwe Astridsysteem. Deze aangelegenheid
werd opnieuw en meermaals besproken met onze Parlementaire begeleidingscommissie
en met de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie of met hun naaste
medewerkers. In afwachting van de start van dit nieuwe systeem, moest het
Comité P immers vaststellen dat op sommige plaatsen de uitrusting van
de 101-centrales niet meer wordt vernieuwd of slechts mondjesmaat wordt hersteld
of onderhouden. Dit is niet geheel zonder risico, het kan zelfs tot problemen
leiden. Daarenboven kon het Comité op basis van de onderzoeksresultaten ook
onderstrepen en eraan herinneren dat er dringend werk moet worden gemaakt
van een verantwoorde en geïntegreerde inplaatsstellling van het CIC, een essentieel
element voor een doeltreffende en efficiënte, om niet te zeggen doelmatige,
implementatie van de wet van 7 december 1998 tot organisatie
van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. Tot
slot, zal, indien niet snel een algemene oplossing wordt gevonden voor het
probleem van de talenkennis van de call-takers, de impact ervan een bijzondere
dimensie krijgen in Brussel en zullen deze problemen bovenop de complexe Brusselse
situatie en het grote aantal oproepen komen.
Gezien de problemen met het informatiebeheer bij de geïntegreerde
politiedienst, heeft het Comité P hiernaar een toezichtsonderzoek ingesteld.
Dit onderzoek, dat meermaals werd besproken met de Parlementaire begeleidingscommissie,
heeft het Comité in staat gesteld om de inplaatsstelling van de nieuwe structuren
op te volgen, o.a. de arrondissementele informatiekruispunten (AIK) waar alle
intervenanten van de res politia zo de mond van vol hebben. Het opvolgingsonderzoek
betreffende de interpolitionele criminaliteitsstatistieken, dat al werd becommentarieerd
in het verslag 2002, is intussen afgerond en werd besproken met de Parlementaire
begeleidingscommissie. Hieruit blijkt dat er nog altijd problemen zijn en
dat het nog enige tijd zal duren eer deze zullen zijn opgelost, maar dat men
zich op alle niveaus van het probleem bewust geworden is en dat er verscheidene
maatregelen werden genomen om het systeem te verbeteren of te verfijnen.
Dit neemt niet weg dat sommigen soms nog flaters begaan omdat ze nogal snel
teruggrijpen naar gegevens waarover controverse bestaat of die uiteindelijk
geen echte vergelijking kunnen doorstaan.
Tevens mag worden onderstreept dat op verschillende plaatsen wijselijk werd beslist om de prestaties van de call-takers te beperken tot 8 uur want na deze arbeidstijd verslapt hun aandacht. Ze hebben minder controle over het gesprek en lopen het risico niet meer adequaat te reageren. Wat de CIC’s, AIK’s en dispatchings betreft, zijn nogal wat politieambtenaren gekant tegen de aanwerving van Calog-personeel. Ze zijn van mening dat een politieopleiding en -ervaring onontbeerlijk zijn om een activiteit te kunnen uitoefenen in deze domeinen. De gelijkluidende vragen of eisen voor het behoud van het beheer van de dispatching en om te blijven instaan voor de opvolging van de problematiek van de 101-centrales, zijn te vaak niet meer dan de uiting van een zekere weerstand tegen verandering, die, ten dele, de conservatieve houding die wij hebben vastgesteld, verklaart.
Niettegenstaande het informatiebeheer belangrijk is zowel inzake bestuurlijke
politie als inzake gerechtelijke politie, vertoont dit beheer toch verscheidene
tekortkomingen. De zonechefs en de politieambtenaren aan de basis moeten zich
absoluut realiseren dat de overmaking, de exploitatie en de doorstroming van
informatie van cruciaal belang zijn. Ze moeten de geest van de wettelijke
en reglementaire bepalingen of de richtlijnen terzake erkennen en toepassen.
Er dient ook op gewezen dat de goede werking van de algemene nationale gegevensbank
direct afhankelijk is van de correcte voeding ervan. Op huidig ogenblik is
de situatie onbevredigend, zowel op kwalitatief als op kwantitatief vlak.
Met betrekking tot de werking van de AIK’s en de CIC’s, ligt de kern van
het probleem hoofdzakelijk bij de inzet van personeel, maar geregeld ook bij
de kwaliteit van de prestaties. De deelname van de lokale politie blijkt
vrij vaak problematisch. Er is ook nog steeds heel wat achterstand en vaak
worden de ingevoerde gegevens door het systeem verworpen. Er dient nogmaals
te worden herhaald dat, in de optiek en de context van een geïntegreerde werking,
de zonale of lokale informatiekruispunten zich niet mogen uitbreiden ten koste
van de opdrachten en functionaliteiten van de AIK’s.
Er mag ook niet worden vergeten dat de uitbouw van de algemene nationale gegevensbank
werd bemoeilijkt door het bestaan van verschillende systemen en door het gebrek
aan overtuiging van sommige personen. De informatica-infrastructuur, het
materieel en het informatiebeheer leveren in sommige zones immers soms nog
ernstige problemen op. Het is niet uitzonderlijk om nog steeds verschillende
systemen of servers aan te treffen. Het nieuw ingevoerde systeem vertoont
nog kinderziektes. De implementatie van de algemene nationale gegevensbank
zal dan ook nog enige tijd in beslag nemen en zal, in principe, gebeuren binnen
vijf jaar op basis van het Project operationele informatie (PIO). En dit
indien de prioriteiten van de overheden en van de geïntegreerde politiedienst,
gestructureerd op twee niveaus niet veranderen, wat verre van zeker is.
Onze onderzoeken hebben ook de aandacht getrokken op een aantal gebreken of tekortkomingen in diverse materies: opleiding in verband met het gebruik van communicatiemiddelen, ISLP, implementatie van de wet op het politieambt, het gebruik van wapens, meer in het bijzonder vuurwapens of nog van geweld. De verschillende vaststellingen die werden gedaan met betrekking tot de opleidings- en trainingsproblematiek versterken onze wil om deze problematiek van naderbij te bekijken, niet enkel de basismateries maar ook de meer gespecialiseerde domeinen. Hier lijken zich immers herhaaldelijk problemen van coördinatie, controle en opvolging voor te doen.
Het verslag over de functie interne controle stond in januari 2004 opnieuw op de agenda. In dit verband heeft het Comité P benadrukt dat het noodzakelijk is dat de diensten intern toezicht of de politieofficieren die deze delicate taak uitvoeren over voldoende werkingsmiddelen beschikken. In elk geval is het Comité P van oordeel dat een doelmatige interne controle (i.e. het beheer van klachten en aangiften, maar ook andere controlefunctionaliteiten) de hoeksteen vormt van elk systeem van controle en toezicht op de politiediensten. Het Comité meent tevens dat de omzendbrief van de minister van Binnenlandse Zaken POL 48 van 7 juli 1994 verouderd is, zelfs niet meer van toepassing is ingevolge de inwerkingtreding van de wet van 7 december 1998. Deze omzendbrief zou moeten worden herzien en zijn toepassingsgebied zou moeten worden uitgebreid.
De politiefunctie komt per definitie toe aan de overheid. Ze wordt
uitgevoerd door de traditionele openbare politiediensten of door andere organen
die zijn toegestaan en/of worden gecontroleerd door de overheid wier hoofddoelstelling
erin bestaat de orde in de burgermaatschappij, “de vrede in de staat” te handhaven.
In een democratische maatschappij die wordt geregeld door het principe van
het primaat van het recht, zijn de voornaamste doelstellingen van deze politie:
(1) de fundamentele rechten en vrijheden van het individu beschermen
en eerbiedigen; (2) bijstand en diensten verlenen aan de bevolking; (3) de
handhaving van de openbare rust, de naleving van de wet en de orde in de maatschappij
garanderen; (4) criminaliteit voorkomen en opsporen en bijdragen tot
de bestraffing van inbreuken.
In dit verband denken wij ook dat de tendens om taken te onttrekken aan de
politiediensten moet worden afgeremd en dat hiermee zeer voorzichtig moet
worden omgesprongen. Zelfs indien het, in vele gevallen, gaat
om voornamelijk administratieve taken, moet men zich ervoor hoeden dat aan
deze diensten geen deel van hun essentie zelf wordt ontnomen. De uitoefening
van de politiefunctie vertoont immers vele facetten. Wanneer we hierin te
ver gaan, lopen we echt het gevaar dat de geïntegreerde politiedienst zal
worden beschouwd als een instelling die minder opbrengt dan dat ze kost aan
de gemeenschap en aan de burgers.
Zo droegen hulpagenten in het verleden in sommige gemeenten wapens en handboeien.
Verschillende vaststellingen gedaan door onze diensten en onze eigen ervaring
bevestigen de tendens tot diversificatie van de taken die zijn toevertrouwd
aan de hulpagenten. Het niveau van de hulpagenten op het ogenblik van hun
rekrutering en de opleidingen die ze daarna volgen, maken dat een te grote
uitbreiding van hun bevoegdheden moeilijk te overwegen is. Er zouden andere
pistes moeten worden verkend. In het kader van verschillende onderzoeken,
hebben wij ook kunnen vaststellen dat een deel van de hulpagenten niet in
staat is om te preciseren welke taken hen zijn toebedeeld, noch welke hun
bevoegdheden zijn. Hieruit mogen geen algemene conclusies terzake worden
getrokken. Toch zijn er steeds meer tekenen die laten vermoeden dat, op sommige
plaatsen, de hulpagenten het enige blauw zijn – lichtblauw in dit geval –
dat nog zichtbaar is op straat.
Sommige verantwoordelijken en sommige zones vragen nog te vaak en te makkelijk versterking zonder de behoefte daaraan grondig te evalueren noch zonder eerst al hun middelen en personeel in te zetten. De toekenning van versterking of detacheringen is soms nog eenvoudigweg gekoppeld aan bijzondere gebeurtenissen of aan de hoeveelheid lawaai die de aanvragers maken en niet altijd het resultaat van een grondige analyse of een analyse op middellange of lange termijn. Onverminderd het specifieke geval Brussel, kan men zich ook afvragen waarom sommige zones de nagenoeg geïnstitutionaliseerde gewoonte hebben om een beroep te doen op gedetacheerden. Is dit een bewuste financiële keuze? Of een positionerings- en ontwikkelingsstrategie? Een indicatie van fouten die van bij het begin werden gemaakt in de bepaling van de behoeften en opdrachten?
Het Comité stelt vast dat wat door sommigen als het “opbod” op het vlak van regelgeving werd bestempeld, ook en misschien vooral het gevolg is van de aanhoudende vraag naar verfijning alsook van de eisen van de inplaatsstelling van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, die bovendien wordt geregeld door de uiterst ingewikkelde en moeilijk in praktijk te brengen personeels- of tuchtstatuten. Sommige taken die worden bestempeld als “administratieve overlast” zijn ook uitdrukkelijk voorzien door de wet of zijn noodzakelijk voor een goed beheer van de staatsgelden.
Een beroep doen op de Algemene reserve als mobiele eenheid lijkt niet altijd noch a priori de meest aangewezen oplossing. De kennis die de leden van deze eenheid hebben verworven tijdens hun basisopleiding gaat op die manier immers bijzonder snel verloren en de eenheid is niet langer gespecialiseerd. Kunnen we het bestaan rechtvaardigen van politieambtenaren die enkel “CRS-soldaten” of “mobiele rijkswachters” zijn in de professionele, moderne geïntegreerde politiedienst die de wetgever in plaats wilde stellen door de wet van 7 december 1998? Is dergelijke optie betaalbaar? Rendabel? Doeltreffend? Doelmatig? Of effectief? Zal ze bijdragen tot meer blauw op straat?
Tijdens een werkvergadering heeft de directeur-generaal logistiek ons ervan kunnen overtuigen dat er de afgelopen maanden vooruitgang was geboekt inzake steun aan het lokale niveau en op het vlak van de geïntegreerde werking. Vele lokale korpsen hebben ook protocolakkoorden afgesloten met zijn diensten en zouden daar nogal tevreden over zijn. Dat er voor de steun door de federale politie steeds vaker een beroep wordt gedaan op vooraf bepaalde dienstprestatie-overeenkomsten, die kunnen voldoen aan de belangrijkste behoeften en verwachtingen, is een recente evolutie. Tijdens een andere werkvergadering hebben de directeur-generaal personeel en zijn medewerkers ons nuttige preciseringen gegeven over de bijdrage van hun Algemene directie aan de geïntegreerde werking. De problemen zijn gekend en er worden aanvaardbare oplossingen voor gevonden.
De tussenniveaus (DirCo en DirJu) zijn onontbeerlijk voor de goede werking van het geheel, met name door hun integrerende rol op het vlak van de verantwoorde uitvoering van de politiefunctie zelf. Door zijn faciliterende, coachende en ondersteunende rol, is de DirCo – en moet hij dit blijven – een essentieel element voor de dynamiek van de geïntegreerde werking. De taken die zijn toevertrouwd aan de verbindingsofficieren bij de provinciegouverneurs mogen zich niet uitbreiden ten koste van de verantwoordelijkheden en opdrachten van de DirCo. De inbreng van de verbindingsofficieren van de gerechtelijke pijler bij de zones zal ook moeten worden geëvalueerd.
Enkele uitzonderingen niet te na gesproken, lijkt het ons niet wenselijk om op het tussenniveau communicatie- of dispatchingcentra te behouden. Er zouden eveneens duidelijke richtlijnen moeten worden bepaald voor de lokale informatiekruispunten om dubbel gebruik of overlapping met de AIK’s te vermijden, wat doorgaans duur is in middelen en personeel.
86. Doeltreffendheid en doelmatigheidHet managementmodel dat echt zichtbaar is geworden in talrijke componenten van de geïntegreerde politiedienst, los van de vorm die het aanneemt, draagt ongetwijfeld bij tot meer professionalisme op korte en lange termijn. Dit is ontegensprekelijk één van de positieve punten van de hervorming, naast een grotere betrokkenheid van de politieoverheden, die daarmee gepaard gaat.
Naar gelang van de verschillende ingezamelde inlichtingen, kunnen we voor waar aannemen dat, middels enkele aanpassingen op het vlak van de aanwerving van personeel en van hun statuut, de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, over voldoende politieambtenaren zou moeten kunnen beschikken. Ze worden misschien nog niet allemaal op de juiste plaats ingezet, zowel op het lokale als het federale niveau, zowel in de bestuurlijke als in de gerechtelijke pijler. Ooit zullen ook hier duidelijke keuzes moeten worden gemaakt.
De ontwikkeling van sommige lokale onderzoeksinitiatieven kan worden
beschouwd als één van de positieve punten van de hervorming. Er moeten echter
nog inspanningen worden geleverd op het vlak van de kwaliteit van het gerechtelijk
werk, zowel het basis- als het gespecialiseerde. In dit verband moet ook
worden gewezen op de ontwikkeling en de toepassing van het concept intelligence
led policing. Zonder afbreuk te doen aan de deugdelijkheid en de betrouwbaarheid
van de beschikbare cijfergegevens, lijkt het concept intelligence led policing
vruchten te hebben afgeworpen, meer bepaald op het vlak van car- en
“Overregulering” moet zonder twijfel worden vermeden, net als een overdreven
bureaucratisering. Men mag echter niet uit het oog verliezen dat sommige
verplichtingen door de wet zijn opgelegd of er rechtstreeks uit voortvloeien.
Daarenboven is (over)regulering in zekere zin een noodzakelijk kwaad bij
de invoering van eender welk nieuw statuut, in eender welk nieuw systeem,
zeker wanneer het gaat om een zo complex gegeven als de “Mammoetwet”.
Bovendien vragen de zones en politieambtenaren zelf vrij vaak om verduidelijkingen,
zelfs richtlijnen, toch niet één van de minste tegenstrijdigheden van het
systeem. Daarnaast hebben verschillende recente wijzigingen of reglementeringen,
met name op het vlak van de gerechtelijke politie en de strafrechtelijke procedure,
een herziening, verduidelijking of uitvaardiging van richtlijnen terzake genoodzaakt,
wat soms ook een administratieve meerkost heeft veroorzaakt.
Er moet worden vastgesteld dat sommige richtlijnen lang en ingewikkeld zijn. Vaak zijn de richtlijnen ook vervat in cursussen
en naslagwerken die niet gaan tot de kern van wat een richtlijn zou moeten
bevatten: geven van een aanzet, van een krachtlijn, het middel om duidelijke
beslissingen te nemen. Bovendien zijn ze niet altijd even duidelijk. Zo
bijvoorbeeld hebben de opeenvolgende omzendbrieven ter verduidelijking van
de modaliteiten voor de aflevering van getuigschriften van goed zedelijk gedrag
en de vermeldingen die daarop al dan niet moeten voorkomen, niet het beoogde
resultaat gehaald. Er is nog altijd geen reglementering waarin de inbreng
van de politie in deze delicate materie duidelijk is bepaald.
De bijzondere eenheden van de federale politie kampen nog steeds met
ernstige personeelstekorten. Deze eenheden hebben nochtans hun sporen meer
dan verdiend en krijgen daarvoor tot in het buitenland erkenning. Hun rol
in bijzondere operaties van gerechtelijke politie is zeer belangrijk.
Het Comité P wijst eveneens op de onrustbarende evolutie om bepaalde
lokale politiekorpsen met bijzondere eenheden of wapens uit te rusten. Deze
ontwikkeling, die in strijd is met de letter en de geest van de wet van 7 december 1998,
is des te verontrustender omdat deze eenheden niet noodzakelijk volgens eenzelfde
standaard worden opgeleid. Tevens dreigt een concurrentiestrijd tussen de
bijzondere eenheden van de federale politie en deze van de lokale politie.
Dit dient, om evidente redenen, te allen prijze vermeden te worden. Daarom
zullen de werkzaamheden van de werkgroepen die in de schoot van de geïntegreerde
politie werden opgericht om deze initiatieven beter te coördineren, nauwlettend
worden gevolgd door het Comité P.
Meer algemeen gesproken, kon het Vast Comité P ook meermaals vaststellen
dat, in de ene of de andere zone, men functionaliteiten, diensten, opdrachten
of taken ontwikkelde die vooreerst aan de federale politie toekwamen. En
dit meestal in concurrentie met elkaar en zonder het minste overleg, zonder
dat deze initiatieven echter tegemoet kwamen aan een gebrek aan steun door
de federale politie. Wanneer ze geconfronteerd worden met een gebrek aan
steun, willen sommige zones evenwel nog steeds alleen of nagenoeg alleen het
hoofd bieden aan alle problemen, zonder rekening te houden met het feit dat
de wet van 7 december 1998 er vooreerst en vooral naar streeft om
een “geïntegreerde” politie te creëren met componenten die instaan voor de
eerstelijnspolitiezorg enerzijds en ondersteunende of gespecialiseerde componenten
anderzijds en met gespecialiseerde, basis-, steun- en integratiemechanismen.
Volgens ons vergeten sommigen dit nog te vaak!
Het Comité P onderstreept eveneens het ernstige tekort aan effectieven en middelen waarmee verscheidene gerechtelijke laboratoria te kampen hebben. Voor beide dossiers worden echter maatregelen ter verbetering uitgewerkt.
In verschillende onderzoeken hebben wij, eens te meer, moeten vaststellen dat de cijfers of andere relevante en verifieerbare gegevens nogal moeilijk te verkrijgen zijn en dat ze aanzienlijk kunnen schommelen, zowel in tijd als van het ene korps tot het andere. Dit is te wijten aan de zwakke registratiegraad en aan een verschillende conceptie van de dingen.
Voor het ogenblik kan geen “nulmeting” worden opgemaakt voor de politiezones
uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De betrokken korpschefs hebben enkele
maanden geleden immers nog bevestigd niet in staat te zijn (of niet van plan
te zijn) de nodige cijfergegevens aan te leveren omdat de integratie van de
verschillende informaticasystemen, personeelsvoorschriften en uitrustingen
die bij deze politiezones in gebruik zijn, nog niet afgerond is. Geen enkel
ander element van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus,
heeft ons tot op heden inlichtingen kunnen verschaffen of vooruit kunnen helpen.
Hoewel de kaders en het aantal effectieven gekend zijn, is het dus niet altijd
mogelijk om te berekenen hoeveel capaciteit de onderscheiden taken vergen.
De laatste onderzoeken inzake rekrutering hebben dit eveneens aangetoond!
Dit probleem is zeker niet beperkt tot de zes Brusselse politiezones. Toch
wordt in een aantal, al dan niet Brusselse, politiezones een positieve evolutie
waargenomen in de mate dat, mede ingevolge de vragen van het Comité P,
begonnen werd met het opmaken van de nodige statistieken. Bovendien ondersteunt
het federaal niveau op verschillende plaatsen en in verschillende opzichten
het lokaal niveau. Bijgevolg wordt in deze materie meer en meer vooruitgang
geboekt.
Maar over het algemeen ontbreken nauwkeurige, verifieerbare en relevante cijfergegevens
nog te vaak. Onder het mom van
“administratieve overlast” weigeren sommige zones deze gegevens mee te delen
of zich te onderwerpen aan enige vorm van controle of toezicht.
De rekrutering kan niet als slecht worden bestempeld. Er werd een aanzienlijke inspanning geleverd om het basiskader te versterken. De 600 à 700 gedetacheerden van het federale niveau tonen goed aan dat de effectieven er wel degelijk zijn om bepaalde tekorten op te vullen. Soms is het vooral een kwestie van willen. Of zou de voorkeur worden gegeven aan de goedkoopste oplossing, waarbij in sommige hypothesen alle lasten en risico’s veeleer zouden worden ingeschreven in de begroting van de federale staat dan in de begroting van het lokale niveau?
Het Comité P vestigt ook de aandacht op het feit dat in vier politiezones nog steeds geen korpschef is aangesteld, wat soms zou kunnen worden geïnterpreteerd als een listige poging om te blijven werken zoals vóór de politiehervorming.
87. Opvolging van de uitvoering van de wetten van 7 december 1998 en van 5 augustus 1992 door het Vast Comité POp verzoek van de Parlementaire begeleidingscommissie, in het verlengde van het jaarverslag 2001, schetste het activiteitenverslag 2002 reeds een goed beeld van de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap. Uit inlichtingen ingewonnen bij een aantal sleutelfiguren en uit de analyse van verschillende toezichtsonderzoeken of onderzoeken ingesteld als gevolg van klachten of aangiften blijkt dat het systeem nog steeds op het goede spoor is, zelfs indien we vandaag worden geconfronteerd met een doorgaans begrijpelijke vertraging van het integratieproces. Verschillende leden van de Parlementaire begeleidingscommissie stelden daarenboven dat het document van het Comité P als een mogelijke basis kon dienen voor de methodologie van de door de regering verzekerde evaluatie van de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap, waarbij het Comité ook meermaals werd betrokken, zeer recent met betrekking tot de toezending en de verwerking van allerhande gegevens, de werking van de 101-centrales, de evaluatie van bepaalde opleidingen, enz. Het merendeel van onze meest recente verslagen werd eveneens toegezonden aan de bevoegde ministers en vrij vaak ook aan de Commissie ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau.
Met betrekking tot de implementatie van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt en de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus wenste het Comité te verduidelijken dat, indien in zijn diverse verslagen commentaar wordt gegeven op de sterke en zwakke punten van de hervorming, de punten die voor verbetering vatbaar zijn of nog de negatieve punten, dit enkel gebeurt omdat de betrokken diensten, in alle vrijheid, transparantie en op een verantwoorde wijze, lessen moeten kunnen trekken uit de vastgestelde problemen. De opvolging van de implementatie van de politiehervorming heeft, in de huidige stand van zaken, geenszins als doel deze in vraag te stellen en geen van de vaststellingen die de afgelopen maanden werden gedaan is van aard tot dergelijke benadering te leiden. Het Comité P is van oordeel dat de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus nu een periode van stabiliteit nodig heeft om zijn werking te verdiepen en te optimaliseren. Het Comité P pleit er nogmaals voor om voortaan niet meer te spreken over “politiehervorming” of inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap en zich te gaan toeleggen op de implementatie van de politiefunctie zoals bepaald door de wetten van 5 augustus 1992 en van 7 december 1998 [99] , op “wat doet de politie” en dat men bijgevolg voortaan onderzoekt wat de politiediensten doen, eerder dan na te gaan wat ze kosten en welke personen of diensten er voorkeur genieten ten aanzien van andere.
88. Noodzakelijk evenwicht tussen management en ethiekIn het algemeen blijkt uit de behandeling van klachten en aangiften
en uit de onderzoeken van het Vast Comité P dat de eerbiediging van de
“wettelijke” norm door de meeste politieambtenaren uiteindelijk weinig aanleiding
geeft tot kritiek. Wegens het aan gang zijnde proces van modernisering en
professionalisering, bevinden de politiediensten zich echter nog altijd in
een zeer kwetsbare periode. De bittere nasleep van een aantal zaken en het
feit dat ze recentelijk werden besproken in verschillende forums laten onvermijdelijk
veronderstellen dat er in onze samenleving onaanvaardbare vormen van onbedachtzaamheid,
onverantwoordelijkheid en zelfs corruptie zijn opgedoken, dus ook binnen de
politiediensten.
In haar ambivalente, repressieve en preventieve, relatie met de burger ondervindt
de politie moeilijkheden, indien niet om de publieke opinie voor haar zaak
te winnen, dan toch minstens om opnieuw een zekere vertrouwensrelatie op te
bouwen. Ook het Vast Comité P heeft de opdracht hiertoe bij te dragen.
Indien heel veel personen sympathie betuigen voor de politie – zoals blijkt
uit velerlei min of meer wetenschappelijke onderzoeken [100]
–, is het eveneens zo dat andere personen een onwrikbare
vijandigheid tegenover haar vertonen. Bijgevolg is haar taak bijzonder moeilijk.
Onze samenleving evolueert voortdurend. De handhaving van de sociale orde
is niet langer een statische activiteit en evenmin de exclusieve taak van
politieambtenaren en -diensten. Nieuwe fenomenen, nieuwe vormen van uitdrukking
en appreciatie, met name de poging om politieke en sociale veranderingen uit
te lokken, zijn fenomenen die de politie moet herkennen en eerbiedigen in
een democratie, ze moet zelfs “bijdragen” tot de ontwikkeling ervan. Dit
soort opdracht kan slechts tot een goed einde worden gebracht wanneer ze is
gebaseerd op “wettelijke” en ethische normen. Men loopt immers het risico
dat de politie zich laat leiden door wat niet verboden is en dat, voor het
overige, het doel de middelen heiligt ... Inzake ordehandhaving werden
er de afgelopen maanden aanzienlijke inspanningen geleverd binnen de geïntegreerde
politie, met name wat het concept van genegotieerd beheer van de openbare
ruimte betreft.
Het zal dus meer dan nodig zijn om, behalve de constante naleving van de juridische
norm en de voortdurende aandacht voor de “veranderende politie”, het beroep
van politieambtenaar te bekijken vanuit een ethisch standpunt. Dit is geen
theoretisch sociaal project over de zin en onzin van het systeem, maar de
persoonlijke opvatting van elke politieman en -vrouw over de positieve en
negatieve aspecten van de uitoefening van dit beroep en over de invloed van
de ethiek op de opdracht die hij of zijn vervult of de taak die hij of zij
uitoefent.
Ook hierin zal het management een rol moeten spelen. Enerzijds moet
het management bijdragen tot de doeltreffendheid/doelmatigheid van de politie.
Anderzijds werken politieambtenaren nooit alleen. De meeste van hen maken
immers deel uit van een organisatie waarin veeleer sprake is van een gedifferentieerd
waardensysteem en waar de organisatiecultuur bestaat uit een ingewikkeld netwerk
van relaties tussen personen met louter persoonlijke belangen, een wisselende
loyaliteit, emoties en gewoonten. En vooral hun “indianenverhalen” en hun
grote interne solidariteit (loyauteit), of nog een soms te uitgesproken neiging
naar geheimhouding.
Het ethische standpunt van elk individu wordt weerspiegeld in deze organisatiecultuur.
Deze aspecten, die door de organisatie als essentieel worden beschouwd, komen
vaak tot uiting in het werkelijke gedrag van de politieambtenaar. Bij de
uitoefening van de opdrachten en taken die haar zijn toevertrouwd, doet de
politie een beroep op soms drastische bevoegdheden. De strikte naleving van
de “wettelijke” norm leidt dan tot routine. Alsof de aanhoudingen, fouilleringen,
huiszoekingen en andere gereglementeerde dwangmiddelen geen indruk zouden
maken op de mensen en uiteindelijk geen invloed op hen zouden hebben!
Een aanpak van crime fighting en ongenuanceerd teruggrijpen naar het
“monopolie van het gewettigd geweld” maken de politie kwetsbaarder
dan ze soms zelf denkt. Op basis van de wettelijk voorgeschreven norm, zou
men kunnen verwachten dat geweld pas wordt gebruikt nadat een grondige afweging
is gemaakt van een aantal welbepaalde criteria. Maar dat lijkt heel wat moeilijker
in wat men de grensgevallen kan noemen voor de aanwending van psychisch en/of
verbaal geweld: de situaties waarin men intimideert, pest en waarin de burger,
dit moet worden onderstreept, niet altijd de beste bedoelingen heeft!
De belangrijkste eis die kan worden opgelegd aan de politie en aan de politieambtenaren
is hun integriteit s.l., maar ook daar, wordt hun taak niet vergemakkelijkt.
Ze worden immers enerzijds geconfronteerd met het probleem van een gedeelde
gezagsuitoefening en anderzijds met het probleem van de individuele vrijheid.
In de praktische uitvoering van hun taken, kunnen ze al dan niet bepaalde
zaken opmerken. Ze kunnen bepaalde problemen streng aanpakken en voor andere
meer flexibel optreden. Ze kunnen ook kiezen voor de gulden middenweg, maar
zijn sinds lang niet meer zeker dat ze de juiste keuze hebben gemaakt wanneer
ze deze vergelijken met de keuze van het gedeeld gezag. De discretionaire
macht is reëel: hoewel vaak in een zwart daglicht gesteld, is hij soms onontbeerlijk.
Ooit zal men dit moeten toegeven, zelfs in ons systeem waarin de democratie,
de bekommernis om de eerbiediging van de principes van een rechtsstaat en
het primaat van het recht centraal staan.
Een ethische benadering van het politieambt moet een kritische reflectie over
de organisaties, taken en bevoegdheden aanmoedigen. Ze moet vooral een middel
zijn om de tekortkomingen te onderstrepen en om te trachten deze te verhelpen.
Management en ethiek moeten samen worden ontwikkeld. Indien men van de politie
mag eisen dat haar hoofddoelstelling bestaat in de bescherming van de fundamentele
rechten van elke burger, moet men er immers tegelijkertijd voor zorgen dat
de professionele, psychologische en materiële omstandigheden waarin de politieambtenaar
zijn werk moet doen, niet alleen goed zijn, maar ook zijn integriteit vrijwaren.
Daarom is het nodig dat de politieambtenaar deze waarden en normen kent, dat
hij zijn formeel en moreel kader krijgt en dat hij in dit geheel in algehele
verantwoordelijkheid en vrijheid gelijktijdig kan bestaan met een voldoende
duidelijk refertekader, dat, op een bijzonder kritiek moment, nog steeds op
zich laat wachten.
Elk goed ingelicht observator kan niet anders dan toegeven dat de verschillende
aspecten van de geïntegreerde werking complex zijn, net als de diverse problemen
waarmee de verantwoordelijken worden geconfronteerd en de noodzakelijke spreiding
in de tijd om oplossingen uit te werken die aanvaardbaar en onmisbaar zijn
voor beide niveaus van de geïntegreerde politie.
Behalve de politiediensten en -ambtenaren, zouden sommige externe actoren,
intervenanten of verantwoordelijken, zelf ook meer rekening moeten houden
met de doelstellingen van de wetgever die de basis vormden van de inplaatsstelling
van het nieuwe politielandschap. Alle intervenanten zitten immers niet op
dezelfde golflengte, gaan niet met dezelfde snelheid vooruit; sommigen gaan
zelfs een andere richting uit.
Men moet er ook voor zorgen dat de politiefunctie niet wordt uitgehold. Niettegenstaande
er ruimte is voor een verantwoord en transparant “partnerschap tussen publieke
en private sector”, is het essentieel dat de overheid (en de publieke partner)
de “eerste viool speelt”, zelfs voor taken die soms als bijkomstig of minder
interessant worden beschouwd voor de politieambtenaren zelf. De politiefunctie
beperkt zich niet tot de onderzoeksfunctie. Of zoals de minister van Binnenlandse
Zaken op het einde van de vorige eeuw stelde, de politiefunctie vervullen
is meer dan “formule 1 rijden”.
De veiligheid van de burgers en “de staat” omvat ook andere aspecten, zoals
duidelijk blijkt uit de veiligheidsmonitor of andere, al dan niet wetenschappelijke,
studies.
Vooreerst zou beter en zo volledig mogelijk rekening moeten worden gehouden met de doelstellingen die de wetgever in 1991 voor ogen had, die in 1992 werden bevestigd en in 1998 nogmaals werden verduidelijkt. Het is hoog tijd dat men stopt met denken en spreken in termen van politiehervorming of van lokale politie en federale politie. De wetgever heeft een geïntegreerde werking en een geïntegreerde, gecoördineerde en professionele uitvoering van de politiefunctie in plaats willen stellen met de organisatie van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
De overheden, verantwoordelijken en alle actoren dienen bij te dragen
tot de verwezenlijking van een aanvaardbaar evenwicht tussen management en
ethiek, doeltreffendheid/doelmatigheid en de eerbiediging van de fundamentele
rechten en vrijheden. De conditio sine qua non voor de naleving van
de reglementering met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer:
de leden van de politiediensten herinneren aan en overtuigen van het gevoelige
en intrusieve karakter van de gegevens die hen ter beschikking worden gesteld
en van het absolute verbod om de middelen die hen zijn toebedeeld te gebruiken
voor andere dan beroepsdoeleinden.
In dergelijke context, net als inzake het abusief of excessief gebruik van
geweld, moeten verschillende hiërarchische verantwoordelijken duidelijk worden
verzocht hun verantwoordelijkheden op te nemen bij de intelligente, verantwoorde
en transparante uitvoering van de adequate bepalingen van het tuchtstelsel.
Aan de politieambtenaren die schuldig werden bevonden aan mishandeling moeten
de hiërarchische verantwoordelijken de meest gepaste maatregelen opleggen.
In geval van herhaaldelijke vergissing of fout, is deze overste doorgaans
immers het best geplaatst om, rekening houdend met alle omstandigheden en
elementen van de zaak, die maatregel op te leggen die zich opdringt.
De toekenning van rechtspersoonlijkheid aan eengemeentezones zou in vele gevallen en omstandigheden een pluspunt kunnen zijn en een meer professionele en meer geïntegreerde benadering van de veiligheidsproblemen mogelijk maken.
Het kan aanlokkelijk lijken om de normen bij
te sturen, met name wat Brussel en Antwerpen betreft. Ze zouden kunnen worden
aangepast in functie van de sociologische, morfologische, infrastructurele,
enz. wijzigingen van de zone. Men zou ook het aantal zones kunnen wijzigen.
Men moet echter voor ogen houden dat een beetje stabiliteit belangrijk is
om zich meer te kunnen toeleggen op “wat de politie doet”, om te evalueren
en om dan de eventueel nodige verbeteringen aan te brengen.
In dit opzicht, moet de laterale samenwerking tussen de zones worden aangemoedigd
en versterkt.
Tevens dient het belang te worden verduidelijkt van de onderlinge samenhang tussen de verantwoordelijkheden, rechten en plichten van de verschillende mandatarissen op federaal vlak. Ze zijn immers allemaal kapitein op hetzelfde schip. Dit veronderstelt uiteraard dat elkeen een volwassen inhoud geeft aan zijn betrekkelijke autonomie, die vooreerst synoniem is met een vrijheid in de onderlinge samenhang en in de wil tot integratie. Dit veronderstelt ook dat de kapitein, via een management dat aan zijn specifieke situatie is aangepast, de roerganger is die het schip leidt en de lading veilig aan wal brengt en uiteindelijk zorgt voor de tevredenheid van de burger en de overheid die bekommerd is om het algemeen belang.
De DirCo heeft niet altijd al zijn potentieel kunnen benutten en dus niet al zijn energie en knowhow kunnen besteden aan de integratie van de twee niveaus van de politie met het oog op een meer doeltreffende werking en meer veiligheid. Heeft men hem hier werkelijk de middelen toe geven? Elk positief of constructief initiatief terzake moet worden aangemoedigd. De commissaris-generaal en de betrokken directeurs-generaal zouden ook impulsen kunnen geven en de nodige of ad hoc krijtlijnen kunnen uitzetten of, in voorkomend geval, voorstellen kunnen formuleren voor een verschuiving van materiële en menselijke middelen.
Waarom niet overwegen om een min of meer formeel platform op te richten voor overleg tussen de federale en de lokale componenten, samengesteld uit erkende technici, die tevens kunnen bogen op terreinervaring, om te komen tot een beter wederzijds begrip voor de prioriteiten en taken en de beste manier om deze te concretiseren? Een geïntegreerde kwaliteitskring of een geïntegreerd expertennetwerk, als het ware. Zonder uit het oog te verliezen dat dit, net als de werkingsmodaliteiten ingevoerd door de wetten van 7 december 1998 en 5 augustus 1992, ook tijd en middelen vraagt, meer bepaald personeel, wat zich dus in zekere zin vertaald in minder “blauw op straat”. Indien de nodige keuzes worden gemaakt, moet dit gebeuren met kennis van zaken en van de mogelijke gevolgen.
Waar de zaken eerder goed lopen, soms ook dankzij een samenspel van gunstige factoren, moeten men blijven inspanningen leveren met het oog op rationalisering, vereenvoudiging, modernisering en professionalisering, zonder de eisen van beroepsethiek en vertrouwen van de burger uit het oog te verliezen. Nu deze professionalisering opofferen door nieuwe publieke of privé-partners aan te trekken of hulpagenten ten nadele van de politieambtenaren, kan op middellange en lange termijn een slechte investering blijken voor de uitvoering van de politiefunctie en de veiligheid van de burgers en van het leven in de staat. Meer nog dan de bezwaren ooit verwoord door de Vaste Commissie van de lokale politie, zien wij in de huidige stand van zaken niet echt de nood van een uitbreiding van de bevoegdheden van de hulpagenten.
Astrid en de CIC’s zijn onontbeerlijk om een
doeltreffende en verantwoorde uitvoering van de politiefunctie te waarborgen,
om een doeltreffende en doelmatige politiedienstverlening te verzekeren aan
de burgers en, in het algemeen belang, aan de politieoverheden. De inplaatsstelling
van de CIC’s gaat gepaard met nieuwe veranderingen in het politielandschap.
Hoewel talrijke zones bereid zijn tot samenwerking, is de wil tot samenwerking
met de CIC’s, net als met de AIK’s, vaak eerder beperkt.
In ieder geval, is het van belang vaart te zetten achter de daadwerkelijke
inplaatsstelling van de CIC’s en de AIK’s, op een juiste en doeltreffende
manier ook, wil men de weerstand ertegen kunnen overwinnen en tegemoet komen
aan de tekortkomingen die zich voordoen op verschillende niveaus van de geïntegreerde
politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
Men moet ook de nodige aandacht besteden aan de kwaliteit en het professionalisme
van het personeel dat is toegekend aan de AIK’s en de CIC’s en, in voorkomend
geval, moeten hen ad hoc bijkomende opleidingen worden aangeboden.
Ook de informatie die aan de AIK’s wordt toegezonden, moet worden onderworpen
aan een kwaliteitscontrole.
De begeleiding van waardetransporten door politieambtenaren
zou opnieuw grondig moeten worden geëvalueerd en er zullen keuzes moeten worden
gemaakt, met kennis van zaken, waarbij men ook de eisen van zichtbaarheid
en de wens om meer politieambtenaren politietaken te zien uitvoeren, met andere
woorden “meer blauw op straat”, voor ogen moet houden.
In dezelfde gedachtegang, moet men zich ook vragen stellen over de “verkeersparken”,
“de politieambtenaren gespecialiseerd in technopreventie” en de “voorlichtingsambtenaren”
allerhande die, vaak, meer initiatieven nemen of meer bekommerd zijn om public
relations en imago dan om de werkelijke politiebehoeften.
Het wettelijk referentiekader voor de detachering van politieambtenaren moet nog steeds worden verduidelijkt. Deze situatie kan een invloed hebben op de tijdelijke mobiliteit van het lokale naar het federale niveau of naar de AIK’s en CIC’s. Hetzelfde geldt voor de Vaste Commissie van de lokale politie en voor de werkelijke rol van de Adviesraad voor burgemeesters.
Er zou ook voor meer eenvormigheid moeten worden gezorgd op het vlak
van de verschillende verstrekte opleidingen. Sommige lesgevers of opleiders
zouden moeten worden geëvalueerd aangezien het politielandschap sinds hun
aanstelling is gewijzigd.
Een voldoende duidelijke en nauwkeurige bepaling van de normen en standaarden
die worden toegepast inzake opleiding, zou ook zo snel mogelijk moeten worden
genomen. We zijn van mening dat voortaan nog slechts één enkel eindexamen
zou mogen worden georganiseerd voor alle kandidaten en per categorie. Daarenboven
zouden de opleidingen, cursussen en trainingen ook moeten worden “gevolgd”
door een onderdeel van de geïntegreerde politie en vrij regelmatig moeten
worden gecontroleerd door een autonoom orgaan.
Er zouden specifieke opleidingen moeten worden voorzien of een nieuwe dynamiek op gang worden gebracht in de volgende domeinen: gebruik van bepaalde informatica- of communicatiemiddelen, de beheersing van crisissituaties, deontologie, multiculturalisme en kansarmoede, intrafamiliaal geweld, gebruik van bepaalde geweldbeheersingstechnieken, gebruik van vuurwapens, enz. Met betrekking tot de alternatieve opleidingen die worden georganiseerd door een zone of een erkende politieschool, blijven we staande houden dat men enkel zou mogen voorzien in de opleidingen die werden geïntegreerd in de programma’s van de politieopleidingen of die specifiek werden goedgekeurd door de overheid belast met het beheer van deze problematiek en dat men alleen maar deze opleidingen zou mogen toelaten.
Zonder te vervallen in een overregulering, zouden er duidelijke(re)
richtlijnen moeten worden uitgevaardigd inzake de uitvoering van de slachtofferhulp
en de doorverwijsfunctie, administratieve taken, interacties of partnerschap
privé-publiek, informaticabeveiliging en de daarmee gepaard gaande verantwoordelijkheden,
wapendracht en -gebruik, beveiliging van wapens en munitie, statistieken,
enz.
Afgezien van alle polemiek en elke bijkomende evaluatie van de Deontologische
code, lijkt het ons ook belangrijk dat deze code wordt geïmplementeerd en,
indien nodig, dat alle gevolgen ervan worden geëvalueerd binnen de drie jaar.
In dit verband zijn er al goede ideeën gelanceerd, met name een evolutief
en interactief commentaar op de Deontologische code (beroepsethiek). De kwaliteit
van de communicatie, informatie en de opleiding(en) zal een kritische succesfactor
zijn voor de volledige onderneming.
Voor een betere uitvoering van de politiefunctie,
is er ongetwijfeld meer flexibiliteit vereist bij de toepassing van het statuut
van de politieambtenaren. Het systeem is ook te ingewikkeld. Men kan zich
terecht de vraag stellen of iedereen die een in het oog springende functie,
een meer gespecialiseerde of meer spectaculaire job heeft gekregen echt beter
moet worden betaald. Zou deze “Sagrada familia” niet kunnen worden vereenvoudigd
door het vaststellen van een forfaitair bedrag?
De tuchtprocedures lijken veel te zwaar te zijn en zouden moeten worden vereenvoudigd
en vooral toegepast telkens als dat nodig is voor de goede werking van een
politiedienst of één van zijn componenten, binnen de beperkingen van de verantwoorde
en transparante beoordeling door elke korpschef of tuchtoverheid. Ook op
dit vlak zouden een aantal initiatieven op stapel staan.
De functie van interne controle en inspectie
moet beter worden georganiseerd en erkend binnen alle geledingen van de geïntegreerde
politiedienst, gestructureerd op twee niveaus. In vergelijking met de vorige
richtlijnen, moet ze opnieuw worden geëvalueerd, moeten de modaliteiten en
doelstellingen worden uitgebreid en moet de interne controle ook worden ingevoerd
op het federale niveau. Dat is de hoeksteen van het globaal systeem van inspectie
en toezicht op de verantwoorde en transparante uitvoering van de politiefunctie
in een democratische samenleving. Hierbij moet een bijzondere plaats worden
voorbehouden voor een kwaliteitsvolle, verantwoorde en transparante behandeling
van de klachten.
Rekening houdend met de verschillende opdrachten die het wenst te vervullen
en binnen de limieten van zijn bevoegdheden, moet het Vast Comité P in
deze context ook duidelijk officieel worden aangeduid als bestemmeling van
alle informatie met betrekking tot het gebruik van een vuurwapen of een spray
en van elk noemenswaardig incident dat zich heeft voorgedaan naar aanleiding
van een vrijheidsberoving of een opsluiting en van alle incidenten betreffende
een zelfmoord of een poging tot zelfmoord van een lid van een politiedienst.
Gezien de verplichting die het Comité is opgelegd
om rekening te houden met de bijzondere, algemene of jaarverslagen opgesteld
door de verschillende actoren of intervenanten van de uitvoering van de politiefunctie
of van de res politia, zouden de verplichtingen – onder meer inzake
timing – van elkeen nauwkeurig moeten worden bepaald. Dan rijst de vraag
of men niet zou moeten teruggaan naar de aanvankelijke synchronisatie tussen
de parlementaire werkzaamheden en de jaarverslagen van de Vaste Comités van
Toezicht op de politie- en inlichtingendiensten.
Naar het voorbeeld van wat werd gedaan voor het federale niveau, zou het nuttig
kunnen zijn om de werking van een aantal representatieve politiezones te evalueren
teneinde er alle lessen uit te trekken met betrekking tot de integratiemechanismen,
de informatiestromen, de mechanismen voor laterale en verticale ondersteuning,
maar ook over de manier waarop de beschikbare middelen op elkaar worden afgestemd
en ingezet: hun doeltreffendheid of doeltreffendheid, of hun kostprijs waaraan
het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes, in de huidige stand van zaken,
enkel aandacht wensen te besteden indien het Parlement hier uitdrukkelijk
om verzoekt en met de medewerking van de meest toonaangevende experts.
Als conclusie van zijn vorige jaarverslag schreef
het Vast Comité P onder de rubriek “Kritische succesfactor: de effectieve
informatiedoorstroming”: “Het Vast Comité P kan niet anders dan vaststellen,
en meteen betreuren, dat aan beide aspecten van deze informatieplicht slechts
ten dele en dan nog vaak pas na aandringen door de genoemde diensten of overheden
wordt voldaan. Het Vast Comité P doet deze vaststelling niet voor de
eerste maal, maar herhaalt ze enerzijds omdat de omvang van de informatie
waarvan het Comité P verstoken blijft, is toegenomen en anderzijds omdat
de naleving van deze informatieplicht essentieel is voor zijn werking. Dat
wat de politiediensten betreft de hervorming hiervoor mogelijks een verklaring
vormt, kan slechts als tijdelijke uitleg aangenomen worden en het is de vraag
of dit wel dé uitleg is. […] Het handhaven van deze zienswijze of het niet
voldoen aan deze algemene informatieplicht om welke reden dan ook zet een
rem op het globaal en proactief karakter dat het Comité P aan de uitoefening
van zijn taak tracht te geven, maar, belangrijker, betekent vaak onnodige
vertraging in het uitvoeren van onderzoeken, vertraging die ten nadele is
van alle betrokken partijen”
[101] .
Gezien de ontwikkelingen in verschillende onderzoeken
heeft het Vast Comité P – tot zijn spijt – eens te meer moeten vaststellen
hoe moeilijk het is om toegang te krijgen tot bepaalde informatie of tot volledige
of relevante informatie en hoe weinig transparantie er aanwezig is bij sommige
componenten van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus,
zelfs bij sommige politieambtenaren.
Algemeen gesproken, kan het Comité P niet anders
dan vragen, in bepaalde omstandigheden zelfs eisen, dat de verschillende verplichtingen
inzake de toezending van informatie aan zijn adres beter worden nageleefd
door de politiediensten, de overheden van bestuurlijke politie of van gerechtelijke
politie, zodat het zijn opdrachten ten dienste van het Parlement en dus van
de burger zou kunnen vervullen. Hierbij dient ook te worden gewezen enerzijds
op een zeker gebrek aan initiatief van het Comité P ten aanzien van bepaalde
overheden, waaraan sinds kort gedeeltelijk wordt tegemoet gekomen, en anderzijds
op het feit dat er de afgelopen maanden aanzienlijke vooruitgang is geboekt
en dat het Comité daarenboven op dit vlak grote inspanningen heeft geleverd
ten overstaan van zo veel mogelijk intervenanten. Toch wordt deze informatieplicht,
soms zelfs herhaaldelijk, vergeten of bestaat er nog steeds weerstand of terughoudendheid
om informatie over te maken, wat het Comité alleen maar kan betreuren.
Het afgelopen jaar, naar aanleiding van de besprekingen met de begeleidingscommissie – en in het verlengde van de briefwisseling met de toenmalige minister van Justitie –, werd het probleem dat sinds 2000 onnodig aansleepte, met name dat van de taakverdeling tussen de Dienst Enquêtes van het Comité P, de Algemene Inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de verschillende componenten van de geïntegreerde politiedienst met betrekking tot de gerechtelijke opdrachten meermaals aangesneden. De minister van Justitie moet dringend beslissen met betrekking tot de richtlijn waarvan sprake is in artikel 16, 4de lid van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten. Zij moet, indien nodig, de knoop doorhakken. Op 25 maart 2003, dus meer dan een jaar geleden, verklaarde de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken voor het Parlement dat zijn collega van Justitie op het punt stond om de dwingende richtlijn terzake uit te vaardigen. Dit probleem werd sindsdien meermaals onder de aandacht gebracht, maar het Comité P wacht nog steeds.
Het Comité P wil luisteren naar de burgers, het Parlement, de overheden, maar ook naar de politieambtenaren zelf. Daarom besteedt het bijzondere aandacht aan alle initiatieven die de goede werking van het politiesysteem in onze democratische samenleving kunnen bevorderen. Een betere en professionele, verantwoorde, transparante, kortom democratische uitvoering van de politiefunctie en de versterking van de positieve aspecten van de werking van de politiediensten zijn de voornaamste hoofdbekommernissen van het Comité. In dit opzicht, waakt het er ook over dat het zijn opdrachten vervult in alle objectiviteit, neutraliteit en transparantie, zowel ten aanzien van het Parlement als ten aanzien van de politieambtenaren zelf, de ministers en bevoegde overheden en tot slot de burgers.
De burger die in zekere zin “klant” is geworden,
koestert voortaan verwachtingen, ongetwijfeld meer dan tien of vijftien jaar
geleden en in elk geval meer dan ooit. Hij weet zonder twijfel dat politie
en veiligheid in al hun complexiteit moeten worden beschouwd, dat de politie
niet de enige overheidsdienst is die een antwoord kan bieden op de problemen,
dat haar capaciteit om dit te doen trouwens beperkt is. Niettemin verwacht
hij dat de politie haar deel van de antwoorden geeft. Indien ze dit niet
doet, zal de burger van mening zijn dat bij de hervormingen onvoldoende rekening
werd gehouden met zijn verwachtingen. Hervormingen die intellectueel gezien
wel als geslaagd worden beschouwd, maar de laatste tijd echter als zeer geldverslindend
worden ervaren.
Afgezien van de principes en opvattingen die de basis vormen van de gemeenschapsgerichte
politiezorg of community policing, heeft het idee om de politie dichter
bij de burger te brengen een vrij duidelijk omschreven inhoud. Bedoeling
is namelijk enerzijds om de opdrachten van de politie beter in evenwicht te
brengen, de middelen rationeel in te zetten, de dialoog met de gebruikers
te bevorderen, maar anderzijds ook om te komen tot meer transparantie in hoofde
van de politiediensten en -ambtenaren. De burger moet opnieuw vertrouwen
kunnen stellen in zijn politie. Ook dat is één van de doelstellingen van
het Vast Comité P.
“In een zorg om continuïteit en met eerbiediging van de principes van transparantie en goed bestuur, streeft het Vast Comité P er, in alle omstandigheden, naar om zijn opdrachten vanuit een positieve benadering te vervullen: de politiediensten en -ambtenaren mogen van de leden van de toezichtsorganen terecht verwachten dat zij hun rol en opdracht volkomen begrijpen en dat zij vanuit een positieve ingesteldheid adviezen en aanbevelingen uitbrengen” [102] .
Het Vast Comité P heeft er in verschillende van zijn verslagen [103] aan kunnen herinneren “dat zijn hoofdopdracht er niet in bestaat individuele feiten binnen de politiediensten vast te stellen of systematisch zelf alle klachten daarover na te gaan. Het Vast Comité P wil immers blijven werken binnen de grenzen van zijn takenpakket en met inachtneming van de geest van de wet, zodat het zich ten volle kan toeleggen op zijn wezenlijke opdrachten en taken en kan voorkomen dat alleen al maar de behandeling van individuele klachten tot werkoverlast leidt; daarom heeft het Vast Comité P in de mate van het mogelijke in vertrouwen en in partnerschap gewerkt met een aantal andere betrokken partijen, met name door het onderzoek naar een aantal rechtstreeks tot het Comité gerichte klachten in handen te geven van de bevoegde inspectiediensten of de diensten intern toezicht. Die vorm van samenwerking moet in de eerste plaats bijdragen tot een doorgedreven bewustwording, en in de tweede plaats tot meer betrokkenheid en verantwoordelijkheidszin binnen de politiediensten; op die manier kan een vertrouwensrelatie groeien tussen het Vast Comité P en die politiediensten. Ook het beleid van openheid en transparantie ten aanzien van de politiediensten moet aldus worden gezien. […]”. Op deze manier wenst het Comité bij te dragen tot het herwinnen van het vertrouwen van de burger in zijn politie.
Wij hebben er in het verleden meermaals
en ook in dit verslag op gewezen dat de opdrachten van politieambtenaren moeilijk
zijn en dat deze politieambtenaren vrij vaak het voorwerp zijn van onterechte
of buitensporige kritiek.
Een treffende illustratie van het feit dat het steeds moeilijker wordt om
het politiewerk uit te voeren, wordt gegeven in de conclusies van advocaat-generaal
De Swaef bij het Cassatiearrest van 14 oktober 2003
[104] . Essentie
van dit baanbrekend arrest is de niet-sanctionering van een zoeking in een
voertuig omdat het hof, hoewel in tegenstrijd met bepalingen van de wet op
het politieambt, oordeelde dat onrechtmatig verkregen bewijs slechts dient
uitgesloten te worden indien, op straffe van nietigheid, voorgeschreven vormvoorschriften
werden geschonden, indien het recht op een eerlijk proces in het gedrang wordt
gebracht, dan wel – en dit is het nieuwe – indien de begane onrechtmatigheid
de betrouwbaarheid van het bewijs heeft aangetast. Het arrest zelf is baanbrekend
gezien de nieuwe visie van het hof, maar eveneens opmerkelijk – en stof tot
nadenken – is de conclusie van het openbaar ministerie: “6.2. Het staat
buiten kijf dat in het strafrechtelijk bestel groot vertrouwen wordt gesteld
in de integriteit van de opsporingsambtenaren
[105] . Maar
zelfs de best opgeleide politiefunctionaris kan bij het uitvoeren van een
opsporingshandeling in de fout gaan. Dit kan het gevolg zijn van een vergissing
of van een onjuiste beoordeling in feite of in recht. De mogelijkheid tot
het stellen van een verkeerde handeling zal daarbij des te groter worden naarmate
de op te volgen rechtsregels vaag, ingewikkeld of onderhevig aan vele opeenvolgende
wetswijzigingen zijn”.
Hieruit blijkt duidelijk dat de steeds complexer wordende wetgeving en de
moeilijkheden voor politie en justitie om nog gelijke tred te kunnen houden
een verschonende factor worden [106]
.
Het Vast Comité P sluit zich aan bij deze conclusies, die niet enkel
de complexiteit en de moeilijkheid van het politiewerk op het terrein illustreren,
en die niet zullen worden weggenomen door een performante rekrutering, selectie
en opleiding, maar ook een signaal zijn naar de wetgever toe om geen te vage
en te ingewikkelde regels op te stellen. Hij moet inzien dat deze regels
mogelijks duidelijk en eenvoudig zijn in een academische omgeving, maar nauwelijks
te concretiseren zijn op het terrein. Uiteindelijk leidt dit, zoals deze
rechtspraak aantoont, tot een meer realistische visie. Het gevaar bestaat
echter dat deze visie als een vrijgeleide wordt gebruikt om regelgeving die
niet gesanctioneerd wordt (zoals de bepalingen van de wet op het politieambt
op één artikel na) niet of minder nauwgezet toe te passen, waardoor men een
omgekeerd effect bereikt. Een duidelijke, eenvoudige en stabiele regelgeving
houdt dit gevaar niet in.
Meer dan ooit wenst het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten
te onderstrepen dat geen enkele politiedienst of -ambtenaar ooit dadelijk
als verdacht werd beschouwd. Elke aangifte, elke aantijging wordt steeds
objectief onderzocht, waarbij rekening wordt gehouden met alle elementen,
zowel à charge als à decharge. Dat de politiediensten meestal
moeten optreden in crisis- of conflictsituaties en de complexiteit van het
politiewerk worden ook in overweging genomen. Niettegenstaande het Vast Comité P
of zijn Dienst Enquêtes enkele klachten hebben ontvangen die duidelijk uit
de lucht waren gegrepen, moet toch worden toegegeven dat het doorgaans ook
enige moed vergt om het foutieve gedrag van een politieambtenaar aan te geven.
Hoewel het niet aan het Comité toekomt om vooruit te lopen op de beslissingen
van het openbaar ministerie met betrekking tot de klachten die zijn Dienst
Enquêtes sinds zijn oprichting heeft behandeld, brengt de analyse van deze
dossiers toch aan het licht dat sommige van deze klachten in hoofde van de
klagers een vertragingsmanoeuvre kunnen zijn en/of een poging om een of meer
verbalisanten in diskrediet te brengen, zelfs om hen schade toe te brengen.
Uit verschillende onderzoeken is immers gebleken dat de klachten gericht tegen
politieambtenaren hun oorsprong vonden in legitieme politie-interventies naar
aanleiding van de vaststellingen van inbreuken waarvoor er op regelmatige
wijze proces-verbaal werd opgesteld dat overeenstemde met het verloop van
de aangeklaagde feiten of met de aanleiding tot de interventie. De houding
van de optredende politieambtenaren wordt dan vaak aan de kaak gesteld. Sommige
klagers hebben het gevoel dat ze werden geverbaliseerd omdat de politieambtenaren,
volgens hen, racistisch zijn. Andere klagers menen dat de politieambtenaren
zich onbeleefd hebben gedragen, hen hebben beledigd of ten onrechte geweld
hebben gebruikt. Nog anderen lijken zulke insinuaties te hebben bedacht als
een vorm van tactiek of strategie … De politieambtenaren die hun taak
correct hebben vervuld en zich in dergelijke omstandigheden moeten rechtvaardigen,
drukken hierover hun ongenoegen uit. Sommigen raken hierdoor zelfs helemaal
gedemotiveerd.
De klachten en aangiften die bij het Vast Comité P worden ingediend,
kunnen dus soms misleidend of leugenachtig lijken of, in sommige eerder uitzonderlijke
gevallen, lasterlijk of eerrovend zijn. Het komt het openbaar ministerie
toe om bijzondere aandacht te besteden aan het gevolg dat aan dit soort klachten
zal worden voorbehouden, met name met betrekking tot de wettige belangen en
aan de eer van sommige politieambtenaren wier reputatie aldus wordt bezoedeld
of die zo worden geviseerd.
Behalve deze klaarblijkelijk ongegronde klachten, verdienen andere klachten
niettemin bijzondere aandacht van het gerecht, meer bepaald de klachten over
bewezen politiegeweld, corruptie, schending van het beroepsgeheim, daden van
willekeur, enz.
Meermaals hebben de gevoerde onderzoeken immers aangetoond dat een strafrechtelijke
bepaling of een deontologische regel duidelijk was overschreden door politieambtenaren.
| AEL |
Arabisch-Europese liga |
| AGG |
Antiterroristische gemengde groep |
| AIK |
Arrondissementeel informatiekruispunt |
| ANG |
Algemene nationale gegevensbank |
| APA |
Autonome politieafhandeling |
| APO |
Ambtshalve politioneel onderzoek |
| BBT |
Bijzonder bijstandsteam |
| BOB |
Bewakings- en opsporingsbrigade |
| BOM |
Bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden |
| BRAX |
Beweging tegen rassenhaat, antisemitisme en xenofobie |
| CCU |
Computer Crime Unit |
| CDC |
Documentatiecentrum |
| CDVU |
Centrale Dienst voor Vaste Uitgaven |
| CGC |
Directie van de werking en van de coördinatie van de federale politie |
| CGF |
Directie van de geïntegreerde werking van de politie |
| CGI |
Directie van het beleid inzake internationale politiesamenwerking |
| CGL |
Directie van de relaties met de lokale politie |
| CGPP |
Dienst pers en public relations |
| CIC |
Communicatie- en informatiecentrum |
| CPT |
Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing |
| CSD |
Coördinatie- en steundienst arrondissement |
| CWR |
Centraal wapenregister |
| DAC |
Directie van de politie van de verbindingswegen |
| DAG |
Directie van het beleid, het beheer en de ontwikkeling inzake bestuurlijke politie |
| DAO |
Directie van de operaties en de informatie inzake bestuurlijke politie |
| DAR |
Directie van de algemene reserve |
| DGA |
Algemene directie van de bestuurlijke politie |
| DGJ |
Algemene directie van de gerechtelijke politie |
| DGP |
Algemene directie personeel |
| DGS |
Algemene directie operationele ondersteuning |
| DirCo |
Bestuurlijk directeur-coördinator |
| DirJu |
Gerechtelijk directeur |
| DIV |
Dienst Inschrijvingen Voertuigen |
| DJB |
Directie van de bestrijding van de criminaliteit tegen goederen |
| DPEF |
Federale school |
| DPEO |
Officierenschool |
| DPG |
Directie van het beleid, het beheer en de ontwikkeling inzake personeel |
| DPM |
Directie van de mobiliteit en het loopbaanbeheer |
| DSB |
Directie van de nationale gegevensbank |
| DSCH |
Dienst hondensteun |
| DST |
Directie van de telematica |
| DSU |
Directie van de bijzondere eenheden |
| DVZ |
Dienst Vreemdelingenzaken |
| EFQM/INK |
European Foundation for Quality Management/Instituut Nederlandse Kwaliteit |
| FCCU |
Federal Computer Crime Unit |
| FIPA |
Full integrated police action |
| FOD |
Federale overheidsdienst |
| GDA |
Gerechtelijke dienst arrondissement |
| GICS |
Geïntegreerde politionele criminaliteitsstatistiek |
| GPP |
Gerechtelijke politie bij de parketten |
| Hycap |
Gehypothekeerde capaciteit |
| IACOLE |
International Association for Civilian Oversight of Law Enforcement |
| ICAC |
International Commission against Corruption |
| ICT |
Information and Communication Technology |
| IMMI |
Dienst Immigratie binnen de Directie van de politie van de verbindingswegen |
| ISLP |
Integrated system for local police |
| KUL |
Katholieke Universiteit Leuven |
| LTWP |
Laboratoria voor technische en wetenschappelijke politie |
| NIS |
Nationaal instituut voor de statistiek |
| NPVB |
Nationaal politieel veiligheidsbeeld |
| OBP |
Officier van bestuurlijke politie |
| OGP |
Officier van gerechtelijke politie |
| OSGW |
Ongewenst seksueel gedrag op het werk |
| OT |
Organieke tabel |
| PIO |
Project operationele informatie |
| PIP |
Politie informaticaproject |
| POSA |
Peloton protectie, observatie, steun en aanhouding |
| PRC |
Directie Pers, public relations en communicatiedienst van het algemeen commando |
| PVE |
Provinciale verkeerseenheid |
| RAAK |
Regionaal administratief afhandelingskantoor |
| RBS |
Geautomatiseerde recherchebeheersysteem |
| SIDIS |
Detentie Informatica Systeem |
| SIE |
Speciale interventie-eenheid |
| SPC |
Spoorwegpolitie |
| SPN |
Scheepvaartpolitie |
| ULg |
Université de Liège |
| UVCW |
Union des Villes et Communes de Wallonie |
| VVSG |
Vereniging van Vlaamse Steden en Gemeenten |
| ZIK |
Zonaal informatiekruispunt |
[i] Artikel 14ter
van de wet van 18 juli 1991: “De commissaris-generaal van de
federale politie, de korpschefs van de lokale politie, de inspecteur-generaal
van de federale en de lokale politie en de leiding van de politiediensten
bedoeld in artikel 3, die een jaarverslag of een ander algemeen verslag
over hun werking opstellen, sturen binnen twee weken een exemplaar hiervan
aan de voorzitter van het Vast Comité P”. Zie ook de verschillende
parlementaire stukken met betrekking tot het artikel 6 van de wet van
3 mei 2003 tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot
regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en van de wet
van 5 augustus 1992 op het politieambt (B.S. van 1 juli 2003).
Net voor de neerlegging van dit verslag, ontvingen wij het verslag van de
Tuchtraad. Wij hebben slechts twee verslagen ontvangen voor alle diensten
van de federale politie, geen van de commissaris-generaal, die er trouwens
wettelijk niet toe gehouden is een verslag op te stellen en wij hebben evenmin
het jaarverslag 2003 ontvangen van de Algemene Inspectie van de federale
politie en van de lokale politie, dat ons moet worden gestuurd binnen twee
weken na opstelling, waarvoor geen einddatum is voorgeschreven.
[ii] Artikel 14bis: “De commissaris-generaal van de federale politie, de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de korpschefs van de lokale politie sturen aan het Vast Comité P ambtshalve een kopie van de klachten en aangiften die zij betreffende de politiediensten hebben ontvangen en bij het afsluiten van het onderzoek een korte samenvatting van het resultaat ervan”.
[iii] Artikel 26: “Elk lid van een politiedienst dat een misdaad of een wanbedrijf gepleegd door een lid van een politiedienst vaststelt, stelt daarover een informatief verslag op en bezorgt dat binnen vijftien dagen aan de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes P”.
[iv] Artikel 14ter: “De commissaris-generaal van de federale politie, de korpschefs van de lokale politie, de inspecteur-generaal van de federale en de lokale politie en de leiding van de politiediensten bedoeld in artikel 3, die een jaarverslag of een ander algemeen verslag over hun werking opstellen, sturen binnen twee weken een exemplaar hiervan aan de voorzitter van het Vast Comité P”.
[v] Zie o.a. ACKAERT, J. en VAN CRAEN, M., “Veiligheidsscan. Ontwikkeling instrument en proefproject in de Politiezone Beringen-Ham-Tessenderlo”, Diepenbeek, Limburgs Universitair Centrum, 2004, 142 p.
[vi] Zie hierboven, p. 20-21.
[vii] Zie hierboven, p. 23 e.v.
[viii] Zie hierboven, p. 42 e.v.
[ix] Zonder de beslissingen van loutere verwijzing naar een andere dienst of vaststelling van onderzoek door een andere dienst.
[x] Artikel 14: “De procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal bij het hof van beroep, al naar gelang het geval, brengt de voorzitter van het Comité P op de hoogte telkens als tegen een lid van een politiedienst een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek wegens misdaad of wanbedrijf wordt ingesteld”.
[xi] Artikel 14: “De procureur-generaal en de auditeur-generaal sturen aan de voorzitter van het Vast Comité P ambtshalve een kopie van de vonnissen en arresten betreffende misdaden of wanbedrijven begaan door de leden van de politiediensten”.
[xii] Artikel 14bis, 2de lid: “De bevoegde tuchtrechtelijke overheden brengen het Comité maandelijks op de hoogte van enige tuchtmaatregel die is uitgesproken tegen een lid van een politiedienst”.
[xiii] Dit verslag is een synthese van een uitgebreider document, dat grotendeels geschreven is tot 31 januari 2004 en dus de informatie behandelt die op die datum beschikbaar was over de uitvoering van de wet van 7 december 1998. Aangezien ons verslag slechts kan worden openbaar gemaakt na bespreking met onze Parlementaire begeleidingscommissie, zullen een aantal vaststellingen en bepaalde commentaar dus aan betekenis of relevantie hebben ingeboet op het ogenblik dat dit verslag wordt gepubliceerd.
[xiv] Het ontwerp van koninklijk besluit werd zopas voorgelegd aan de Adviesraad voor Burgemeesters op 5 mei 2004.
[xv] Het gaat om een verslag opgesteld in 2003. Intussen werd een nieuw nationaal veiligheidsplan 2004-2007 opgesteld.
[xvi] Zeer recent werd beslist deze termijn op 4 jaar te brengen.
[xvii] Niettemin wordt op het ogenblik van de redactie van deze tekst de laatste hand gelegd aan ontwerpen van reglementering.
[xviii] Idem.
[xix] Deze beslissingen werden genomen tijdens de Ministerraad van 30 en 31 maart 2004.
[1] Zie de studie van Dave Gelders en Jan Van Mierlo: “Het nieuwe cannabisbeleid in België. Een verwarrend debat, een verward publiek.”, Panopticon, 2004, nr. 3.
[2] Bijdrage met werktitel “Comment concilier le droit du citoyen de dénoncer un dysfonctionnement policier avec le droit du policier de se défendre, au niveau judiciaire, d’une dénonciation ou imputation qu’il estime calomnieuse, de la part dudit citoyen?”
[3] - 296 voor volledig autonome afhandeling door de lokale politie
- 624 voor afhandeling door de dienst intern toezicht, ter voorbereiding van de beslissing van het Vast Comité P
- 324 voor autonome afhandeling door de Dienst Enquêtes, ter voorbereiding van de beslissing van het Vast Comité P
- 8 voor afhandeling door de Algemene Inspectie, ter voorbereiding van de beslissing van het Vast Comité P
- + 99 overmaking openbaar ministerie
1351
- 32 marginale toetsing
- 26 toezichtsonderzoek
- 608 varia
[4] Artikel 56 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten: “In het geval dat een opsporingsonderzoek loopt of [...], begint die termijn te lopen de dag dat de tuchtoverheid door de gerechtelijke overheid ervan in kennis gesteld wordt dat er een gerechtelijke eindbeslissing werd genomen of dat het dossier geseponeerd is dan wel de strafvordering vervallen is”.
[5] Overeenkomstig artikel 65bis van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten worden de sancties aan de Tuchtraad toegestuurd enkel met het oog op de registratie in de jurisprudentiegegevensbank.
[6] Vijfentwintig aangiften waren niet identificeerbaar.
[7] Koninklijk besluit van 17 september 2001 tot vaststelling van de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie teneinde een gelijkwaardige minimale dienstverlening aan de bevolking te verzekeren (B.S. van 12 oktober 2001).
[8] Zie hiervoor de aanbevelingen van de Commissie ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau.
[9] La Libre Belgique van 8 september 2003.
[10] Minister van Binnenlandse Zaken, Kamer, CRABV 51 COM 010.
[11] Commissie ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau, Een tussentijds evaluatieverslag, p. 41, oktober 2003.
[12] Idem, p. 42.
[13] CRABV 51, COM 048, p. 28.
[14] CRABV, DOC 51 0325/028.
[15] Omzendbrief GPI 38 betreffende het tweejaarlijkse karakter van de zonale veiligheidsplannen.
[16] DOC 51, Kamer, 0453/001 en Senaat, 3-320/1, p. 152.
[17] Er is een bloeiende markt voor een bepaald aantal professionele publicaties!
[18] Toelichting bij het wetsvoorstel tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, Parl. St., Kamer, 1997-1998, nr. 1676/1, p. 9. Zie ook het voorwoord van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie in het Nationaal Veiligheidsplan 2003-2004: “In deze gedachtegang moet de noodzaak worden onderstreept van de prioritaire realisatie van de integratiebevorderende elementen van de politiehervorming, zoals de laterale samenwerking, de performante werking van de arrondissementele informatiekruispunten (AIK) en de communicatie- en informatiecentra (CIC), en het implementeren van een nationaal operationeel informatie- en documentatiesysteem”.
[19] Minister van Binnenlandse Zaken en Minister van Justitie, Nationaal Veiligheidsplan 2003-2004, Deel I, p. 4.
[20] Dossier nr. 35091/2002.
[21] Kamer, CRABV 51, COM 054.
[22] Minister van Binnenlandse Zaken, Kamer, CRABV 51, COM 054.
[23]
Zie o.a. BRUGGEMAN, W. met medewerking van BOURDOUX, Gil. L., “La
Criminographie policière belge” in BRUGGEMAN, W., VAN KERCKVOORDE, J. met
medewerking van BOURDOUX, Gil. L. en ELIAERTS, C., “Criminographie” in Manuel
des services de police, Brussel, Ced. Samson, 1985, IX. A., 160 p.
In verband met deze delicate zaak, merkten de auteurs reeds op: “De politiestatistieken
bevatten en moeten zeker meer bevatten dan de fenomenologische gegevens betreffende
criminaliteit en de overwogen componenten kunnen vanuit verschillende oogpunten
worden behandeld, onder andere in functie van de doelstellingen die dit waardevolle
werkinstrument nastreeft. In deze benadering kunnen de doelstellingen als
volgt worden samengevat: (1) zo getrouw mogelijk verslag uitbrengen over
het criminele fenomeen zoals dit door de politie wordt waargenomen, wat bijgevolg
leidt tot een betere kennis van dit fenomeen […]; (2) verslag uitbrengen
over de structuur en de werking van de politiediensten en een beter beheer
ervan bevorderen. […]; (3) het personeelsbeleid opvolgen door verschillende
indicatoren te gebruiken die betrekking hebben op de rekrutering, de opleiding,
de affectatie en de bevordering, de mutaties en de opgelopen tuchtmaatregelen
en straffen; (4) de implementatie bevorderen en vergemakkelijken van
een misdaadbeleid op het niveau van de verantwoordelijke overheden en strategieën
of tactieken op het niveau van de politiediensten dankzij een oordeelkundige
interpretatie van bepaalde in de criminaliteitsstatistieken beschikbare gegevens.
[…]; (5) vormt eveneens één van de bijkomende doelstellingen van het
systeem, de optimale organisatie van de activiteiten van politie in functie
van de spreiding van de criminaliteit in de tijd en in de ruimte alsook de
vastgelegde of te bepalen prioriteiten. De opleiding van het personeel en
het materieel dat hen ter beschikking wordt gesteld, moeten immers worden
aangepast aan de werkelijke uitvoering van de taken.
Het is ook van belang om de pakkans van laakbaar gedrag te evalueren, zijnde
de concentratie van de interventies en om de ophelderingsgraad te bepalen”.
[…]
“Wij moeten jammer genoeg vaststellen dat er in België nagenoeg geen geschikte
politiestatistiek voor handen is. Tot in 1984, beschikte men over geen enkele
politiestatistiek voor het gehele land en voor de activiteit van alle gewone
politiediensten. Er waren helemaal geen interpolitionele richtlijnen voor
coördinatie op het vlak van statistieken die de integratie konden bevorderen
en vergelijking mogelijk maakten. […] Sinds 1984 publiceert de rijkswacht
nieuwe statistieken die, voor een welbepaald, jammer genoeg nog beperkt, aantal
wanbedrijven alle vaststellingen bevatten gedaan door de reguliere politiediensten.
Er moeten absoluut initiatieven worden genomen, dat is onvermijdelijk, met
het oog op een nieuwe meer rationele en gecoördineerde aanpak van de politionele
criminografie in België. Indien we deze doelstelling niet snel verwezenlijken,
zijn we veroordeeld tot immobilisme en stagnatie, wat enkel kan leiden tot
een totaal isolement inzake statistisch onderzoek (144)”. […]
“1. Publicaties van de gemeentepolitie
[…] Dit onderscheid wordt duidelijk zichtbaar in publicaties met statistisch
doeleinde. Aangezien ze hoofdzakelijk gedecentraliseerd zijn opgevat enerzijds
en gezien het gebrek aan nationale richtlijnen anderzijds, houden sommige
politiediensten statistieken bij en publiceren ze deze, en andere niet. Verschillende
politiediensten beperken zich tot de inzameling van cijfermateriaal in hun
midden.
Er dient eveneens vooraf op te worden gewezen dat de statistieken die eventueel
bestaan op gemeentelijk niveau niet fatsoenlijk kunnen worden geëvalueerd
omdat te veel factoren onderworpen zijn aan (en afhangen van) chronologische
wijzigingen. Eén van de belangrijkste obstakels [dat door ons wordt onderstreept]
voor een ernstige studie terzake ligt in de opeenvolgende fusies van gemeenten.
In een beknopt werk als het deze, is het onmogelijk om een exhaustieve lijst
op te stellen van de gemeenten die wel of niet statistieken opmaken of om
een overzicht te geven van de gekende publicaties. […]
Sommige politiediensten houden nochtans zeer behoorlijke statistieken bij
inzake criminaliteit”. […]
“De mogelijke aanpassingen, veranderingen en vernieuwingen inzake politionele
statistieken zijn legio.
Er zou vooreerst aandacht moeten worden besteed aan de statistieken die alle
vastgestelde inbreuken beogen en waarvoor voor de verwerking en opstelling
ervan identieke telprocedures en -eenheden worden gebruikt door de verschillende
politiediensten.
Het kan ook ten zeerste aangewezen zijn om de statistieken van de politie
en van het parket te integreren door het gebruik van dezelfde teleenheden
en -procedures aan te moedigen en systematische vergelijkingen te maken.
De politionele criminografie moet, zo veel mogelijk, geïnspireerd zijn op
en aangepast zijn aan de bestaande tellingen van het NIS of van andere officiële
diensten. Enkel op deze manier kunnen de noodzakelijke wegingen en relativeringen
in functie van de relevante risicobevolkingsgroepen worden bepaald.
Er moeten nog globale politionele statistieken worden opgesteld met betrekking
tot de gekende daders. De gegevens betreffende de slachtoffers zouden meer
aandacht moeten krijgen, wil men een misdaadbeleid die naam waardig ontwikkelen.
Daarna werd in 1994 de Algemene politiesteundienst opgericht, enkele
jaren later gevolgd door de wet van 7 december 1998. In dit opzicht,
verwijzen wij o.a. naar de jaarverslagen 2000 en 2001 van het Vast Comité P.
[24] Kamer, CRABV 51, COM 054.
[25] Ministeriële richtlijn MFO-2 van 3 april 2002 betreffende het personeel capaciteitsbeheer en het verlenen van versterking door de lokale politie bij opdrachten van bestuurlijke politie (B.S. van 25 mei 2002).
[26] Richtlijn die op 18 december 2003 nog niet gepubliceerd is.
[27] De interpretatieve omzendbrief van 8 september 2003 heeft in deze materie nog enkele verduidelijkingen aangebracht. Ministeriële richtlijn MFO-2bis betreffende het personeel capaciteitsbeheer en het verlenen van versterking door de lokale politie bij opdrachten van bestuurlijke politie – Interpretatie (B.S. van 10 oktober 2003).
[28] Politiejournaal & Politieofficier, april 2003, p. 16.
[29] Commissie ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau, Een tussentijds evaluatieverslag, oktober 2003, p. 61.
[30] Arbitragehof, 22 juli 2003, nr. 102/03.
[31] Minister van Binnenlandse Zaken, Vragen en Antwoorden, Senaat, 2 december 2003 (nr. 3-5).
[32] Ibidem.
[33] Politiejournaal & Politieofficier, februari 2004, nr. 1.
[34] Zo hebben zich niet minder dan 1 500 universitair gediplomeerden ingeschreven voor het volgende officiersexamen, terwijl er 25 functies moeten worden ingevuld. De politie behoort trouwens tot de drie grootste werkgevers van België. Een andere heersende opvatting die niet echt klopt, is dat de procedure voor het basiskader toch niet zo makkelijk is. Van de 100 kandidaat-politie-inspecteurs, zijn er 81 die in de loop van de procedure afvallen. Hetzelfde geldt voor de hulpagenten: in 2003 zijn er 100 vacatures en al 4 000 inschrijvingen.
[35] Antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken op de mondelinge vraag nr. 3-124 van Ludwig Vandenhove, Senaat, Handelingen, 3-31.
[36] Hierbij moet worden gewezen op het belang om aandachtig te zijn bij de keuze van externe partners inzake opleiding om te vermijden dat in de toekomst ex-gedetineerden of personen met een niet onbesproken verleden als wapeninstructeur zouden worden aangetrokken. Er dient net zoveel aandacht te worden besteed aan de “externe” opleidingen in dit domein. Het Vast Comité P heeft dit reeds aangehaald en heeft hierover onlangs één van zijn verslagen gepubliceerd.
[37] Het Vast Comité P bevestigt dat het de externe instantie wil zijn die de problematiek van het gebruik van geweld opvolgt.
[38] Bij de eerste mobiliteitscyclus heeft iemand zelfs 18 aanvragen ingediend!
[39] Die kwestie hebben we ook supra besproken.
[40] Commissie ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau, Een tussentijds evaluatieverslag, oktober 2003,.p. 41.
[41] Minister van Binnenlandse Zaken, Kamer, CRABV 51, COM 035.
[42] Minister van Binnenlandse Zaken, Kamer, CRABV 51, COM 059.
[43] Ibidem.
[44] Wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen (B.S. van 6 mei 2003); koninklijk besluit van 6 mei 2003 tot vaststelling van de datum van inwerkingtreding (= 9 mei 2003) van de bepalingen van de wet van 25 februari 2003 (B.S. van 8 mei 2003).
[45] Kamer, CRABV 51, COM 060.
[46] Koninklijk besluit van 9 oktober 2003 tot wijziging van de uitvoeringsbesluiten van de wet van 25 februari 2003 houdende de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte met het oog op de uitvoering van taken die betrekking hebben op de politie van hoven en rechtbanken en de overbrenging van gevangenen (B.S. van 30 oktober 2003).
[47] Minister van Justitie, Kamer, CRABV 51, COM 024.
[48] PONSAERS, P. en BERKMOES, H., “Moet er nog politie zijn? Commentaar op en bedenkingen naar aanleiding van de inrichting van de functie van veiligheidsbeambte” in Vigiles, Tijdschrift voor politierecht, 2003/3.
[49] Kamer, CRABV 51, COM 001.
[50] PONSAERS, P. en BERKMOES, H., o.c.
[51] Minister van Justitie, Kamer, CRABV 51, COM 005.
[52] B.S. van 13 februari 2003.
[53] Politiejournaal & Politieofficier, nr. 2, maart 2003.
[54] Cijfers van Dexia, 2000.
[55] Koninklijk besluit van 9 november 2003 tot regeling van de voorwaarden en modaliteiten van de eigendomsoverdracht van administratieve en logistieke gebouwen van de Staat naar de gemeenten of meergemeentepolitiezones en de bepaling van de correctiemechanismen en tot regeling van de principes inzake de tenlasteneming door de gemeenten of meergemeentepolitiezones van de huurkosten (B.S. van 29 december 2003).
[56] Minister van Binnenlandse Zaken, Kamer, CRABV 51, COM 010.
[57] Politiejournaal & Politieofficier, nr. 2, maart 2003.
[58] Le Soir van 26 februari 2003.
[59] Minister van Binnenlandse Zaken, Kamer, CRABV 51, COM 010.
[60] Minister van Binnenlandse Zaken, Kamer, CRABV 51, COM 109.
[61] Le Soir, 8 september 2003.
[62] Minister van Binnenlandse Zaken, CRABV 50 COM 966.
[63] Nog niet officieel gepubliceerd.
[64] Duitsland: 1 agent/325 inwoners; Oostenrijk: 1/270; België: 1/265; Denemarken: 1/400; Spanje: 1/215; Finland: 1/480; Frankrijk: 1/240; Groot-Brittannië: 1/290; Griekenland: 1/325; Ierland: 1/290; Italië: 1/175; Luxemburg: 1/350; Nederland: 1/330; Portugal: 1/225; Zweden: 1/315.
[65] Traitement policier autonome (TPA) – Ambtshalve politioneel onderzoek (APO), voordien Autonome politiële afhandeling (APA).
[66] Gezien de specificiteiten, zou de regering en meer bepaald de minister van Binnenlandse Zaken kunnen vragen dat de verificaties en evaluaties ad hoc worden verricht.
[67] CRABV 51, COM 048, p. 26.
[68] Ibidem.
[69] Dossier nr. 40710/2003.
[70] FRATEUR, G., Jaarverslagen, ICTL/Steunpunt Taal en Communicatie, UAMS en VAN AERSCHOT, D., Het jaarverslag in Praktijkboek voor organisatieontwikkeling van de politie.
[71] Op te merken valt dat de jaarverslagen die werden toegezonden – met uitzondering van één politiezone – afkomstig zijn van politiezones met een gering aantal effectieven (politiezones van de categorie tot 75 personeelsleden en categorie 75 tot 150 personeelsleden).
[72] Artikel 14ter van de wet van 18 juli 1991, o.c.
[73] Wij hebben het verslag 2002 ontvangen in de loop van de maand juli, zonder enige verwijzing naar het nationaal veiligheidsplan en met, uiteindelijk, een significant deel informatie met betrekking tot de relaties met het Vast Comité P.
[74] Na raadpleging van de website CGL (www.infozone.be) op 29 april 2004 blijkt dat van de 506 overgemaakte actieplannen er 49 betrekking hebben op het interne beheer en de werking van de politiezone. Van deze 49 actieplannen zijn er 17 die opgebouwd zijn rond de thematiek “communicatie”. Uit de analyse van deze actieplannen blijkt dat de meeste betrekking hebben op de interne communicatie en dat geen enkel actieplan het “jaarverslag” voorstelt als middel om verantwoording af te leggen, de werking van het korps toe te lichten of de externe communicatie te optimaliseren.
[75] Uit een informeel contact met CGL blijkt dat, rekening houdend met de artikelen 35 t.e.m. 37 van de wet op de geïntegreerde politie, het jaarverslag vooral een instrument moet zijn dat door de korpschef wordt aangewend om verantwoording af te leggen aan de zonale veiligheidsraad. Het betreft evenwel een voorlopige visie, die nog verder zal moeten verfijnd worden met de diverse betrokken partners.
[76] Omzendbrief CP 1 van 27 mei 2003 (B.S. van 9 juli 2003): “Het opzetten van mechanismen waardoor de politie verantwoording kan afleggen over de antwoorden die ze formuleerde op de vragen en de noden van de gemeenschappen die ze dient”.
[77] De EFQM/INK-opleiding voor de Franstalige politiezones werd slechts recent (2004) aangeboden. Het EFQM/INK-managementmodel zet aan om jaarverslagen op te stellen volgens dit model, bij de Nederlandse politie worden jaarverslagen volgens dit model ontwikkeld.
[78] Dossier nr. 3425/2003.
[79] Dossier nr. 23696/2002.
[80] Dossier nr. 61693/2003.
[81] Dossier nr. 27232/2002.
[82] Dossier nr. 14945/2000.
[83] Dossier nr. 2036/2003.
[84] Dossier nr. 61090/2003.
[85] Dossier nr. 40429/2003.
[86] Dossier nr. 40404/2003.
[87] Dossier nr. 31409/2002.
[88] Het koninklijk besluit van 20 juli 2001 betreffende de inschrijving van voertuigen voorziet uitdrukkelijk dat: “Het doeleinde waarvoor de persoonsgegevens van het repertorium mogen verwerkt zijn: […] 2° de identificatie van de natuurlijke of rechtspersoon die belastingen of retributies verschuldigd is inzake de verwerving, de inschrijving, de inverkeersstelling, het gebruik of de buitengebruikstelling van een voertuig”.
[89] Zie noot hierboven.
[90] Wat vanuit verschillende oogpunten kan worden verdedigd.
[91] Dossiernummers 4912/2003, 8403/2003, 17395/2003, 20788/2003, 23600/2003, 33843/2003 en 38388/2003.
[92] Koninklijk besluit van 16 maart 1968.
[93] Arrest nr. 48/97 van 14 juli 1997 – Rolnummer 965.
[94] Omzendbrief van 30 oktober 1995.
[95] Een bijzonder formulier dat door de politiediensten dient ingevuld te worden telkens zij een vuurwapen gerechtelijk of bestuurlijk in beslag nemen.
[96] Dossier nr. 31311/2003.
[97] TANGE, C., « La police spectacle : les droits individuels pris entre marketing policier et audimat » in BOURDOUX, Gil. L., BERKMOES, H. & VANDOREN, A. (Eds), o.c., p. 193.
[98] De publieke verslagen van het Vast Comité P kunnen worden geraadpleegd op onze website www.comitep.be.
[99] Het Comité P organiseerde op 13 november 2003 een colloquium “10 jaar politiefunctie. Het politieoptreden onder de loep van het Vast Comité P”, Egmontpaleis, Brussel.
[100] Zie o.a. ACKAERT, J. en VAN CRAEN, M., “Veiligheidsscan. Ontwikkeling instrument en proefproject in de Politiezone Beringen-Ham-Tessenderlo”, Diepenbeek, Limburgs Universitair Centrum, 2004, 142 p.
[101] Activiteitenverslag 2002 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Parl. St., Kamer, 2003-2004, nr. 0453/001 en Senaat, 2003-2004, nr. 3-320/1, p. 229.
[102] Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1305/1, p. 6.
[103] BOURDOUX, Gil. L., « Neutralité, indépendance, vigilance, loyauté et transparence – Le Comité P au service du Parlement et du citoyen en partenariat avec les autres contrôles » in Interne en externe controle – Contrôle interne et externe, Cahiers Custodes, Brussel, Politeia, 2/2001, p. 44-45.
[104] Cass. 14 oktober 2003, nr. P030762N, met conclusie van advocaat-generaal De Swaef, www.cass.be en Nieuw juridisch Weekblad van 17 december 2003, p. 1367-1368; voor een commentaar zie SCHUERMANS, F., “Ook de onrechtmatige voertuigzoeking kan dienen als geldig bewijs”, (noot onder Cass. 14 oktober 2003) in Vigiles, 2004, p. 16-27.
[105] Artikel 1 van de wet op het politieambt.
[106] SCHUERMANS, F., l.c., (16) 20.