Jaarverslag 2004 - Algemene inleiding + Hoofdstuk I

Inhoudsopgave

Algemene inleiding: Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, een actor in de transparante en verantwoorde implementatie van de politiefunctie door de politiediensten

Hoofdstuk I: Het Vast Comité P, het observatorium voor een globale visie op de politiezorg

Afdeling 1: Werking van het Vast Comité P

1.         Algemene werking

2.         Het Comité P en zijn Dienst Enquêtes

3.         Het Comité P en zijn administratie

4.         Het Comité P als college

Afdeling 2: Evaluatie van de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de adjunct-directeurs-generaal

Afdeling 3: Enkele bedenkingen omtrent de werking van het Vast Comité P

5.         Relaties met de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de rechten van de mens
6.         Extern, onafhankelijk, neutraal en effectieftoezicht
7.         Verdeling van de onderzoeken naar de misdaden en wanbedrijven die ten laste worden gelegd van de leden van de politiediensten tussen de Dienst Enquêtes P enerzijds en de politiediensten of de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie anderzijds

Noten


Algemene inleiding: Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, een actor in de transparante en verantwoorde implementatie van de politiefunctie door de politiediensten

Met de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten [1] heeft de wetgever een specifiek extern, globaal en geïntegreerd toezicht en controle op de politiediensten [2] in België ingevoerd, dat wordt verzekerd door een onafhankelijke en neutrale instelling, die onder het toezicht van het Parlement valt: het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten.   
Het Vast Comité P waakt erover dat zijn opdrachten worden uitgevoerd in alle objectiviteit, neutraliteit en transparantie enerzijds tegenover het Parlement en anderzijds tegenover de ministers en andere bevoegde overheden, de politieambtenaren, alsook tegenover de burgers.  In dit opzicht maakt het Vast Comité P er een erezaak van om op te treden, te onderzoeken en te controleren vanuit een democratische benadering, met respect voor het primaat van het recht en de fundamentele rechten en vrijheden van elkeen.

Het Vast Comité P is, krachtens de wet, belast met het extern toezicht op alle politiediensten en hun agenten en officieren, alsook op de ambtenaren, officieren of agenten, en, in voorkomend geval, op andere personen die individueel bekleed zijn met een politiebevoegdheid. Het Comité P oefent bovendien toezicht en controle uit op de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie alsook op de controle- en inspectiediensten [3] die specifiek intern zijn aan de politiekorpsen of -diensten in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991. 
Het Vast Comité P bestudeert: (1) de activiteiten en methodes van de politiediensten; (2) hun interne reglementen en richtlijnen; (3) alle documenten aangaande het gedrag van de leden van de politiediensten, met uitzondering van de richtlijnen over het opsporings- en vervolgingsbeleid van misdrijven en het beleid betreffende de bestuurlijke politie; (4) de activiteiten en methodes van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie alsook de controlediensten die specifiek intern zijn aan de politiekorpsen of -diensten.

Het Vast Comité P valt rechtstreeks onder de bevoegdheid van het Parlement, ten dienste waarvan het onrechtstreeks en voortdurend toezicht uitoefent op de politieorganen die onder de bevoegdheid van de uitvoerende macht vallen (en voor de uitoefening van sommige van hun opdrachten onder het gezag van de rechterlijke macht worden geplaatst).     
Krachtens de wet van 18 juli 1991 is de werking van het Vast Comité P zeer duidelijk gericht op drie hoofddoelstellingen: (1) de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wetten aan de burger toekennen; (2) de coördinatie van de politiediensten in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991; (3) de doeltreffendheid
[4] s.l. van die politiediensten.     
Aldus waakt het Vast Comité P erover, met oog voor doeltreffendheid/doelmatigheid en met respect voor de fundamentele rechten en vrijheden, dat het optreden van de politiediensten en -ambtenaren wordt ingepast in een visie waarin ze elkaar en de andere maatschappelijke actoren en alle belanghebbende partijen aanvullen.

Om dit driedubbele doel te verwezenlijken, bestaat de hoofdopdracht van het Vast Comité P erin de algemene werking van de politiediensten te onderzoeken en, in voorkomend geval, tekortkomingen en/of disfuncties van het systeem, de structuren, de methodes of de politietussenkomsten naar voren te brengen en voorstellen of aanbevelingen te formuleren om deze te verhelpen.
Zo tracht het Comité een globaal overzicht te krijgen en te geven van de werking van het politiewezen alsook van de activiteiten van de administraties, diensten, ambtenaren of andere personen met politiebevoegdheid.  In die zin bekleedt het Vast Comité P de bevoorrechte positie van globaal observatorium van de algemene werking van het politiesysteem en van de implementatie van de wetten op het politieambt
[5] en op de geïntegreerde politiedienst [6] , afgezien van een veelheid van bijzondere wetten en, uiteraard, voor zover elkeen ook zijn deel van de rol van observatorium voor zijn rekening neemt.  Indien dit niet geval is, treedt het Vast Comité P, overeenkomstig zijn opdrachten, op volgens de principes van specialiteit en subsidiariteit, zelfs van substitutie, wanneer het belang van het deel ad hoc van de opdracht van globale en geïntegreerde monitoring dit vereist.

Het Vast Comité P heeft als hoofdopdracht na te gaan in welke mate de politieke verantwoordelijken de werking van de politiediensten die onder hun bevoegdheid vallen, zouden kunnen of moeten optimaliseren.  Tevens onderzoekt het Vast Comité P of er wijzigingen dienen te worden aangebracht in de terzake geldende wetgeving of reglementering.          
Het toezicht van het Vast Comité P heeft geenszins als eerste doel individuele sanctioneerbare feiten vast te stellen die bestraft moeten worden in de politiediensten in het algemeen of in één ervan in het bijzonder.  Deze rol blijft volledig de bevoegdheid van de gerechtelijke overheden, politieoverheden en tuchtrechtelijke overheden, alsook, in verschillende hoedanigheden, van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie.
De specifieke en gespecialiseerde supervisie en toezicht van het Vast Comité P gaan verder dan het louter vaststellen of formuleren van adviezen en aanbevelingen.  Het Comité onderzoekt tevens de genomen maatregelen en gaat na of de geformuleerde adviezen of aanbevelingen worden opgevolgd.     
Om zijn opdracht van globale en geïntegreerde algemene monitoring, ten bate van het Parlement bovendien, van de wijze waarop de politiediensten gestalte geven aan de politiezorg te kunnen uitvoeren, heeft de wetgever aan het Vast Comité P verschillende actiemiddelen toegekend opdat het een volledig zicht zou kunnen hebben op de mogelijke problemen die zich kunnen voordoen binnen de politiediensten.  Naast de onderzoeken die het voert, meer bepaald door toedoen van zijn Dienst Enquêtes, om de vervulling van zijn opdrachten en de uitoefening van zijn bevoegdheden te vergemakkelijken, beschikt het Vast Comité P ook over verschillende eigen of externe instrumenten. 
Via verscheidene inlichtingenbronnen moet het Vast Comité P toegang kunnen krijgen tot informatie met betrekking tot de indicatoren van eventuele disfuncties binnen de politiediensten.  In dit verband berust een grote verantwoordelijkheid bij de politiekorpsen, de tuchtrechtelijke overheden, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, de gerechtelijke overheden of nog, in bepaalde gevallen, de politieambtenaren zelf.

Met het oog op informatie-uitwisseling, samenwerking en overleg werden mechanismen voor de toezending van informatie ingevoerd en geleidelijk verfijnd, via protocollen die werden afgesloten met de federale politie, de lokale politie en de Algemene inspectie.  Andere protocollen met de diverse intervenanten of actoren van de ‘res politia’ [7] werden zopas gefinaliseerd of worden geconcretiseerd.     
Op basis van alle aldus ingezamelde informatie kan het Vast Comité P een beslissing nemen en overgaan tot toezichtsonderzoeken of andere onderzoeken, waaruit het conclusies trekt en aanbevelingen formuleert.

Het Vast Comité P is samengesteld uit een college van vijf werkende leden, die het Vast Comité P vormen, en wordt in zijn taken bijgestaan door de Dienst Enquêtes P en ondersteund door een administratie onder leiding van de griffier van het Vast Comité P.

Onder de vijf werkende leden is er een voorzitter – die een magistraat moet zijn – en een ondervoorzitter.  Voor elk van hen wordt een plaatsvervanger benoemd.  Het Vast Comité P wordt in zijn kernactiviteiten bijgestaan door de griffier.  Alle leden, alsook de griffier, worden benoemd door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die hen ook kan afzetten.  De leden worden benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwbaar is.  Zij dienen te beschikken over de nodige kwaliteiten van loyaliteit, discretie en integriteit voor de verwerking van gevoelige gegevens.      
De wet van 18 juli 1991 voorziet onverenigbaarheden en verbodsbepalingen om de onafhankelijkheid en de neutraliteit van de leden te waarborgen.

De Dienst Enquêtes van het Vast Comité P, waarop we hierna zullen terugkomen, wordt geleid door een directeur-generaal bijgestaan door twee adjunct-directeurs-generaal.  Ze worden door het Comité benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwbaar is.  Alvorens hun ambt te aanvaarden, leggen zij in handen van de voorzitter van het Comité de eed af.  
De leden van de Dienst Enquêtes worden, op voordracht van de directeur-generaal, eveneens benoemd en afgezet door het Comité, voor een hernieuwbare termijn van vijf jaar.          
De Dienst Enquêtes treedt op onder het finale gezag van het Comité, dat hem onderzoeken toevertrouwt (o.a. toezichtsonderzoeken) en van hem verslagen ontvangt over alle onderzoeken die worden uitgevoerd.  Wij komen hier infra op terug.

Naast de klassieke ondersteunende taken die worden verzekerd door een traditionele administratie (begroting, boekhouding, logistiek, personeelsbeheer, juridische dienst, (ver)taaldienst), vervult de administratie van het Vast Comité P een uiterst belangrijke rol zowel op het vlak van het klachtenbehandelingsproces als op het vlak van de exploitatie van de verschillende inlichtingen en informatie die aan het Comité moeten worden gemeld door verscheidene actoren, intervenanten en andere belanghebbende partijen.

Het afgelopen jaar heeft het voltallige Vast Comité van Toezicht op de politiediensten zich bij al zijn activiteiten laten leiden door onderstaande principes.                                                                                               
Als extern toezichtsorgaan dat valt onder de bevoegdheid van het federaal Parlement, waakt het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten voortdurend, zowel over de algemene werking van de politiediensten, hun coördinatie als over de uitoefening van de politiefunctie en ziet het er speciaal op toe dat de fundamentele rechten en vrijheden worden nageleefd.

Via zijn verslagen, onderzoeken, analyses en adviezen of aanbevelingen, verschaft het Comité aan het Parlement, maar ook aan de overheden, de nodige kennis om de doeltreffendheid en doelmatigheid van de politiediensten te verbeteren, aan te passen of te handhaven en aldus het vertrouwen van de burger in de politie te behouden.  In dit opzicht ontwikkelt het Vast Comité P een globale visie op het politiewezen door toezicht te houden op de algemene werking ervan en identificeert en objectiveert het de structurele of individuele problemen en stelt hierover verslagen op, formuleert adviezen of aanbevelingen.

Hiertoe oefent het Vast Comité P, in alle onafhankelijkheid en transparantie, en in samenwerking met de andere organen en organisaties die soortgelijke doelstellingen nastreven, met behoud van zijn autonomie, zijn activiteiten derwijze uit dat het: (1) toezicht kan houden op het volledige Belgische politiestelsel; (2) de gegevens die voorheen werden ingezameld kan ordenen en analyseren; (3) op professionele wijze vaststellingen kan doen en problemen kan identificeren; (4) de nadruk kan leggen op een proactieve en constructieve aanpak van de problemen.  Dit neemt niet weg dat het Vast Comité P ook onderzoeken en controles verricht vanuit een reactieve benadering, dit wil zeggen op vraag van de overheden, ingevolge een incident bijvoorbeeld of wanneer zich een specifiek probleem voordoet.  Het Vast Comité P tracht evenwel steeds meer te werken vanuit een proactieve benadering; (5) in het algemeen binnen de limieten van zijn bevoegdheden kan optreden, tussenkomen en handelen teneinde de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het politiebestel te verbeteren; (6) de betrouwbare en afdoende wijze van klachtenbehandeling kan nagaan.

Dit intrinsiek en specifiek extern toezicht wordt uitgeoefend door een Vast Comité, dat in zijn opdrachten wordt bijgestaan door een Dienst Enquêtes en door een performante administratie.  Op verzoek van het Parlement, uit eigen beweging of ingevolge een klacht of aangifte, opent het Comité toezichtsonderzoeken naar politiediensten of naar diensten of administraties of ambtenaren bekleed met politiebevoegdheden.  Deze onderzoeken kunnen ook thematisch van aard zijn.  Het Vast Comité P maakt aan het Parlement en, indien nodig, aan de betrokken ministers of overheden een bijzonder of algemeen verslag over betreffende elk gevoerd toezichtsonderzoek of specifiek onderzoek.

Wat de waarden betreft, verbindt het Vast Comité P zich ertoe zijn opdrachten te vervullen in alle objectiviteit, neutraliteit en transparantie ten overstaan van de burgers, het Parlement, de ministers en andere bevoegde overheden, maar ook de politieambtenaren zelf.  Het Vast Comité P schrijft zijn interventies, onderzoeken en controles op elk ogenblik in in een democratische benadering, met eerbiediging van de rechten en vrijheden van elkeen.

Het Vast Comité P kan zijn opdracht maar op doeltreffende en doelmatige wijze tot een goed einde brengen, indien alle betrokken partijen ten volle hun verantwoordelijkheid opnemen en de bepalingen van de wet van 18 juli 1991 en de daarmee gepaard gaande verplichtingen naleven, meer bepaald het ambtshalve meedelen van bepaalde informatie, naast de melding van informatie op verzoek [8] , en het in acht nemen van de specificiteit en specialiteit van het Vast Comité P en van één van zijn voornaamste componenten, de Dienst Enquêtes P.

Met gebundelde krachten zal het Vast Comité P, met alle betrokkenen en onder toezicht van de democratisch verkozen vertegenwoordigers van het land, bijdragen tot de inplaatsstelling van een geïntegreerde en globale politiezorg en politiediensten die optreden tot voldoening van alle burgers en ten volle instaan voor een verantwoorde, transparante en democratische implementatie van de politiezorg zoals bepaald door de wet op het politieambt, de wet op de geïntegreerde politiedienst en verschillende bijzondere wetten.

Hoofdstuk I: Het Vast Comité P, het observatorium voor een globale visie op de politiezorg

Als inleiding op de verslaggeving over het resultaat van zijn activiteiten, de synthese van de voornaamste vaststellingen die het Vast Comité P in 2004 heeft gedaan aan de hand van de exploitatie en analyse van de beschikbare gegevens enerzijds en van de meest diverse verrichte onderzoeken anderzijds, wenst het Vast Comité P kort enkele opmerkelijke elementen te bespreken die, tijdens het afgelopen jaar, hebben bijgedragen tot zijn streven naar kwaliteit (excellentie en legitimiteit) en hem hebben gesterkt in zijn wil om de opdrachten die hem zijn toevertrouwd door de wet van 18 juli 1991, in alle transparantie en met een hoge mate van deskundigheid en beroepsethiek, ten volle te vervullen.

Afdeling 1: Werking van het Vast Comité P

1.                    Algemene werking

De Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft op 29 november 2004 beslist het mandaat van vier werkende leden van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten voor vijf jaar te verlengen en één nieuw lid aan te stellen met ingang van 2 februari 2005.   
In het raam van dit activiteitenverslag wenst het voltallige college van het Vast Comité P het uittredende lid, de heer eerste advocaat-generaal Rik Vandeputte, nogmaals hartelijk te danken voor zijn actieve en niet-aflatende bijdrage tot de goede werking van het Vast Comité P de afgelopen vijf jaar en tevens zijn inzet en bekwaamheid te benadrukken.  De kwaliteit van het activiteitenverslag 2004 is immers eens te meer in grote mate te danken aan de kunde van de heer Vandeputte om toezichtsonderzoeken te voeren, meer in het bijzonder aan de nauwkeurigheid en zin voor detail die hij aan de dag legde bij de analyse van deze onderzoeken.

De leden van het Vast Comité P hebben in 2004 voor hun dagelijkse werking een beroep kunnen doen op zesentwintig administratieve personeelsleden, waaronder zeven van niveau A, acht van niveau B, vijf van niveau C en zes van niveau D.  Thans zijn alle functies, met uitzondering van de betrekking van attaché, ingevuld.
Het Vast Comité P, bijgestaan door de leden van de Dienst Enquêtes en ondersteund door de leden van het administratief personeel, heeft vorig jaar 3 356 nieuwe dossiers geopend waarvan 186 administratieve, 552 gerechtelijke, 26 toezichtdossiers en 1 864 klachten­dossiers.  Op basis van de gegevens toegezonden door de politiediensten in navolging van hun wettelijke meldingsplicht (artikel 14bis en 26 van de wet van 18 juli 1991
[9] ) werden nog eens 2 368 dossiers ingeput in de database.  Alles bij elkaar genomen, werden er dus 5 724 dossiers beheerd.  Naast de klachten en meldingen ontvangt het Vast Comité P, evenals zijn Dienst Enquêtes, via post, mail, fax of telefoon bijkomende informatie, vragen om inlichtingen, zowel van politiediensten als van burgers.  In vele gevallen kan en wordt daar onmiddellijk op geantwoord.

Op basis van wat voorafgaat, blijkt eens te meer dat elk personeelslid een onmisbare schakel is om het stijgende werkvolume te kunnen beheersen.    
De burger heeft de weg naar het Vast Comité P gevonden, zoals duidelijk tot uiting komt in het toenemende aantal klachten en aangiften.  De verschillende gerechtelijke autoriteiten en andere overheden doen ook meer en meer een beroep op het Comité en de stijgende informatiestroom brengt met zich mee dat de verwerking van de overgemaakte gegevens stilaan een punt van verzadiging bereikt.  Deze saturatie is zeer goed te voelen wanneer een personeelslid wegens zwangerschapsverlof, bijkomende opleiding, verlof of ziekte niet aanwezig kan zijn.  Op geregelde tijdstippen vergen sommige activiteiten dat er bijkomende uren worden gepresteerd.  Dankzij de grote bereidwilligheid van het personeel kunnen deze pieken vooralsnog worden opgevangen.  Naar de toekomst toe kan dit echter moeilijk als dusdanig volgehouden worden.          
Om de continuïteit van de uitoefening van zijn opdrachten te waarborgen, heeft het Vast Comité P voor alle functies, behalve die van attaché, examens georganiseerd en een wervingsreserve aangelegd.  Het is op dit ogenblik niet meer mogelijk om met het bestaande personeelsbestand het wegvallen van enkele personeelsleden op korte tijd op te vangen, niettegenstaande hun bereidwilligheid en het feit dat bijna alle medewerkers polyvalent zijn en nagenoeg onmiddellijk een andere taak kunnen aanvatten.       
De prognose voor de werklast voorziet een maandelijkse toename van dossiers en opdrachten, zodat de aanwerving van extra personeel noodzakelijk wordt.

Eenzelfde bedenking kan worden gemaakt voor de Dienst Enquêtes, die is samengesteld uit 46 commissarissen-auditors en wordt geleid door een directeur-generaal, bijgestaan door twee adjunct-directeurs-generaal.  Het kader kan nog worden aangevuld met één commissaris-auditor, maar zal, gelet op het feit dat ook hier een stijging van het aantal onder­zoeken wordt vastgesteld en vooral op de toenemende complexiteit ervan, ook moeten worden uitgebreid.

2.                    Het Comité P en zijn Dienst Enquêtes

2.1.               Algemeen

Voor de uitvoering van zijn toezichtsonderzoeken en bepaalde klachtenonderzoeken is het Vast Comité P grotendeels aangewezen op zijn Dienst Enquêtes.  Op het terrein is deze dienst dan ook het meest zichtbare element van het Vast Comité P.        
Daarnaast voert de Dienst Enquêtes in opdracht van de gerechtelijke overheden ook onderzoeken uit naar politieambtenaren die verdacht worden van een misdaad of wanbedrijf.

Naar aanleiding van het grote aantal onderzoeken die de voorbije jaren werden gevoerd en waarbij nagenoeg ieder korps en heel wat politieambtenaren in een of andere hoedanigheid te maken hebben gehad met een lid van de Dienst Enquêtes, kon worden vastgesteld dat de opdrachten, werking, samenstelling en bevoegdheden van de (leden van) de Dienst Enquêtes voor hen niet altijd even duidelijk zijn.

Vanuit deze vaststelling en gezien zijn bezorgdheden van transparantie, het afleggen van rekenschap en het gepast gebruik van zijn bevoegdheden, achtte het Vast Comité P het noodzakelijk om hierna uitdrukkelijker in te gaan op de werking, bevoegdheden en activiteiten van zijn Dienst Enquêtes.

2.2.               Werking en bevoegdheden

De wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten bepaalt dat het aantal onderzoekers speciaal belast met het uitvoeren van gerechtelijke onderzoeken niet meer mag bedragen dan de helft van het personeelsbestand van de Dienst Enquêtes.  De reden daartoe is voor de hand liggend: het controleorgaan staat in de eerste plaats ter beschikking van het Parlement zodat het ondenkbaar is dat het zijn hoofdopdrachten niet of nauwelijks zou kunnen uitvoeren wegens een te hoge werklast die besteed wordt aan gerechtelijke dossiers.  Wij komen daar later op terug.

Alle leden van de Dienst Enquêtes hebben dezelfde bevoegdheden, zowel inzake toezichtsonderzoeken als inzake gerechtelijke onderzoeken.  In de praktijk is het niettemin zo dat de leden die uitdrukkelijk aangewezen zijn voor de gerechtelijke onderzoeken ook klachten behandelen en meewerken aan toezichtsonderzoeken.  De leden die eerder toezichtsonder­zoeken uitvoeren, behandelen doorgaans slechts een gerechtelijk dossier wanneer zij tijdens hun opdrachten occasioneel – meestal tijdens de permanentiedienst – geconfronteerd worden met de vaststelling van een misdrijf.

De Dienst Enquêtes verzekert dagelijks een 24-urenpermanentiedienst die is samengesteld uit één Nederlandstalige en uit één Franstalige commissaris-auditor met een aanwezigheid ten burele tussen 08.00 uur en 17.00 uur.

De ligging ervan (Brussel) maakt dat de meeste klagers die zich aanbieden ook uit het Brusselse komen en dat de klachten dan ook overwegend betrekking hebben op de Brusselse politiezones.  Zo hadden er van de 308 naar aanleiding van de permanentie opgestelde aanvankelijke processen-verbaal 220 betrekking op het gerechtelijk arrondissement Brussel (71,42 %) [10] , 12 op Nijvel, 11 op Charleroi en 10 op Antwerpen.  Mogelijks zegt dit ook iets over de wijze waarop de klager (niet) onthaald wordt door de lokale Brusselse korpsen die vervolgens, gemakshalve of wat te vlug, doorverwijzen naar ‘de Wetstraat’ die maar enkele metrohaltes verder is.  Dit grote aantal klachten, gekoppeld aan het feit dat het Brusselse parket blijkbaar nogal systematisch deze dossiers voor verder onderzoek overmaakt aan de Dienst Enquêtes, maakt dat een belangrijk deel van de capaciteit moet worden ingezet voor een dergelijke eerstelijnsbehandeling.      
Meer nog dan in het verleden, moet het Vast Comité P er zich aldus voor hoeden dat zijn Dienst Enquêtes niet verwatert tot een eerstelijnsdienst voor klachten tegen politieambtenaren en een eerstelijnsonderzoeksdienst voor het parket in het gerechtelijk arrondissement Brussel.  Dit is in het bijzonder noodzakelijk omdat anders te veel wordt beknibbeld op de capaciteit die aan andere onderzoeken kan worden besteed die meer aansluiten op de kerntaken en vooral ook opdat de termijnen waarbinnen die onderzoeken moeten worden afgerond, zouden kunnen worden gerespecteerd.

Mensen die telefonisch contact zoeken, worden uitgenodigd hun klacht schriftelijk over te maken of er wordt een afspraak gemaakt om ter plaatse te gaan.  Dit laatste aspect en het feit dat onderzoeken, ongeacht hun aard, over gans België plaatsvinden en de Dienst Enquêtes, tenzij er redenen zijn om anders te handelen, normaliter de betrokken politieambtenaren ter plaatse hoort, maken overigens dat aanzienlijk veel tijd opgaat aan verplaatsingen.

Wat de onderzoeken zelf betreft, wordt doorgaans gewerkt via de diensten intern toezicht teneinde de nodige afspraken te kunnen maken qua beschikbaarheid van de te horen politieambtenaren.  Dit is echter geenszins een verplichting noch in toezichts- of klachtenonderzoeken, noch in opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken.  Evenmin staat dit aldus vermeld in de met een groot aantal korpsen afgesloten protocollen, niettegenstaande een aantal korpschefs zich daarop beroept.  Er is evenmin enige verplichting voor de Dienst Enquêtes om de korpschef of zijn dienst intern toezicht in kennis te stellen van de inhoud of de achtergrond van het onderzoek.  Door sommigen wordt dit ervaren als een gebrek aan vertrouwen, onterecht nochtans aangezien het geheim van het opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek ten volle blijft gelden.  Het is niettemin evident dat deze mededeling, zeker wat toezichts- en klachtenonderzoeken betreft, meestal wel gebeurt.

Een andere misvatting is dat het de onderzoekers zijn die bepalen of er al dan niet sprake is van een ‘foutief’ optreden, of dat het zij zijn die bepalen welke onderzoeksdaden er moeten worden gesteld.  Dit is niet het geval voor opsporings- of gerechtelijke onderzoeken die verlopen onder het gezag van de gerechtelijke overheden en waarvoor de regels van het Wetboek van Strafvordering gelden die geen onderscheid maken tussen een verdachte politieambtenaar en een verdachte niet-politieambtenaar.    
Maar dit geldt evenmin voor toezichtsonderzoeken of klachtenonderzoeken.  In die gevallen is het de behandelende raadsheer die, in naam van het Vast Comité P, de opdrachten uitschrijft en is het uiteindelijk het Vast Comité P zelf, zetelend als college in plenaire vergadering, dat een oordeel velt over het al dan niet bestaan van een disfunctie.

In het verlengde van het voorgaande lijkt het ook gepast in herinnering te brengen dat het Vast Comité P als extern controleorgaan geen tuchtbevoegdheid heeft.  Met andere woorden wordt door het Vast Comité P niet beslist welk gevolg er aan een bepaalde vaststelling dient te worden gegeven.

Belangrijk ook is te benadrukken dat de leden van het Vast Comité P geen bevoegdheid hebben inzake de opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken.  De wet van 18 juli 1991 voorziet wel in een meldingsplicht vanuit de parketten en parketten-generaal met betrekking tot opgestarte gerechtelijke of opsporingsonderzoeken en gewezen vonnissen of arresten, doch de concrete inhoud van een door het parket of de onderzoeksrechter toevertrouwd dossier, net als de uit te voeren plichten of de resultaten ervan zijn hen niet bekend.  In sommige gevallen is het wel mogelijk dat wanneer er ook organisatorische disfuncties aan het licht zijn gekomen, er door de Dienst Enquêtes wordt voorgesteld om rond die aspecten een afzonderlijk toezichtsonderzoek op te starten, meestal na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek en los van de strafrechtelijke aspecten.  De aanzet hiertoe wordt overigens gegeven vanuit de Dienst Enquêtes.

Wat de bevoegdheden betreft, dient gesteld dat de (leden van de) Dienst Enquêtes inzake gerechtelijke opdrachten geen andere bevoegdheden hebben dan deze toegekend aan officieren van gerechtelijke politie, hulpofficieren van de procureur des Konings.    
Voor niet-gerechtelijke onderzoeken, weze het klachten- of toezichtsonderzoeken, worden de bevoegdheden opgesomd in de wet van 18 juli 1991 en voorzien deze onder meer in een toegangsrecht, een zoekingsrecht, de mogelijkheid om documenten in beslag te nemen, enz.  Wij komen hier later op terug.     
In dit soort onderzoeken gelden de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering dus niet, ook niet deze met betrekking tot het verhoor, inzonder­heid de al dan niet afgifte van een kopie van het proces-verbaal van verhoor.  Deze kopie wordt in principe afgeleverd ingevolge een beslissing van het Vast Comité P.

2.3.               Activiteiten

2.3.1.         Gerechtelijke opdrachten

Uit het overzicht van klachten en aangiften blijkt dat de Dienst Enquêtes in 2004 552 gerechtelijke dossiers opstartte en/of uitvoerde.  Dit getal dient gelezen in termen van ‘vatting’ van de Dienst Enquêtes: 58 dossiers zijn afkomstig van de onderzoeksrechter, 166 van de procureur des Konings en betreffen navolgende onderzoeken, 308 aanvankelijke processen-verbaal opgesteld naar aanleiding van klachten ontvangen tijdens de permanentiedienst (waarvan er 120 terugkwamen voor verder onderzoek) en 20 door de leden van de Dienst Enquêtes ambtshalve opgestelde processen-verbaal (waarvan er 9 terugkeerden voor verder onderzoek.  Dit betekent dat er uiteindelijk 353 opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken werden uitgevoerd.  Voor de jaren 2003 en 2002 waren dit er respectievelijk 363 en 325 onderzoeken.

Volgens artikel 16 van de wet van 18 juli 1991 mogen de gerechtelijke opdrachten de uitvoering van de andere opdrachten van het Vast Comité P niet in de weg staan.  Daartoe wordt onder meer structureel bepaald dat het aantal onderzoekers dat dergelijke opdrachten uitvoert, niet meer dan de helft van het personeelsbestand van de Dienst Enquêtes mag bedragen [11] .  Een tweede beperking ligt of zou moeten liggen in de aard van de toegewezen dossiers.  De parlementaire voorbereidingen van de wet van 18 juli 1991 zijn hieromtrent zeer duidelijk en stellen dat de Dienst Enquêtes als een gespecialiseerde onderzoeksdienst dient te worden beschouwd [12] .

Tegen de achtergrond van deze principes is het interessant de hoger vermelde cijfergegevens te analyseren in functie van het betrokken gerechtelijk arrondissement.

Een eerste vaststelling is dat 52,89 % van de (552) dossiers betrekking heeft op het gerechtelijk arrondissement Brussel.  Ongetwijfeld heeft dit te maken met, enerzijds, het feit dat de Dienst Enquêtes zijn permanentie fysiek gesproken te Brussel uitoefent zodat het voor de klagers maar een kleine stap is om onmiddellijk klacht neer te leggen, daar waar klagers die verder wonen, doorgaans eerst telefoneren of schrijven zodat hen eerst een bijkomende uitleg kan worden gegeven die er toe kan leiden dat ze een andere ‘ingang’ voor hun zaak kiezen.  Ook andere cijfergegevens ondersteunen dit: van de 308 aanvankelijke processen-verbaal opgesteld naar aanleiding van de permanentie hadden er immers 220 betrekking op het gerechtelijk arrondissement Brussel.  De overige aanvankelijke processen-verbaal (88) zijn gespreid over 23 andere gerechtelijke arrondissementen.  Anderzijds is dit percentage ook te verklaren door de quasi-routinematige overmaking voor ‘verder onderzoek’ aan de vaststellende dienst, in casu de Dienst Enquêtes, zonder enige verdere analyse of selectie.  Er is immers geen enkele reden om aan te nemen dat de tussenkomst van een gespecialiseerde dienst meer noodzakelijk is voor klachten die betrekking hebben op het gerechtelijk arrondissement Brussel dan voor klachten met betrekking tot andere arrondissementen.

Een andere vaststelling is dat, wanneer we aannemen dat de som van het aantal meldingen op basis van artikel 26 van de wet van 18 juli 1991 en het aantal dossiers behandeld door de Dienst Enquêtes, getoetst aan de meldingen op basis van artikel 14 van deze wet, de totaliteit is van de misdaden of wanbedrijven lastens een politieambtenaar, er tussen de parketten heel duidelijke verschillen zijn.  Zo zien we dat bijna 68 % van die dossiers in het gerechtelijk arrondissement Brussel door de Dienst Enquêtes wordt behandeld, daar waar dit in Antwerpen 10 % is en in Luik en Bergen ongeveer 14 %.  Deze laatste arrondissementen, en nog andere, slagen er dus blijkbaar in om de Dienst Enquêtes aan te wenden voor datgene waarvoor de wetgever hem bedoeld heeft of er, met andere woorden, in slagen om dergelijke onderzoeken op een andere wijze af te handelen.  Het door sommigen ingeroepen argument dat (gerechtelijke) klachten tegen politieambtenaren niet door het eigen korps kunnen worden behandeld, lijkt dus niet overal voor een ‘pseudo-impasse’ te zorgen.  Trouwens, wat Brussel betreft, doet dit fenomeen zich niet voor op het niveau van de onderzoeksrechters die 30 % van de gerechtelijke onderzoeken toevertrouwen aan de Dienst Enquêtes en blijkbaar gerichter, selectiever en zuiniger met de capaciteit van de Dienst Enquêtes weten om te gaan.

Op de keper beschouwd, betekent dit alles dat circa 7,95 FTE (voltijds equivalent) werken ten voordele van de Brusselse gerechtelijke overheden [13] .

Maar ook qua vorm voldoen niet alle gerechtelijke dossiers aan de eisen.  De wet van 18 juli 1991 bepaalt duidelijk dat de leden van de Dienst Enquêtes bevoegd zijn voor misdaden en wanbedrijven lastens politieambtenaren.  Dit betekent dat klachten uitgaande van politieambtenaren zelf – voor zover deze niet gericht zijn tegen een andere politieambtenaar – buiten de bevoegdheid van de Dienst Enquêtes valt.  Dit levert trouwens soms problemen op wanneer een burger een (straf)klacht indient tegen een politieambtenaar, deze klacht wordt behandeld door de Dienst Enquêtes en de politieambtenaar, tijdens dit onderzoek, klacht (vaak met burgerlijke partijstelling) indient wegens laster, lasterlijke aantijging, enz.

Gelet op de duidelijke wil van de wetgever en de beperkte capaciteit van de Dienst Enquêtes dienen dossiers dan ook geregeld onuitgevoerd te worden teruggestuurd.

Het gegeven dat de Dienst Enquêtes een gespecialiseerde onderzoeksdienst is, belet overigens niet dat er in een onderzoek wordt samengewerkt met de (lokale) onderzoeksdienst, wanneer in dit dossier zowel politieambtenaren als niet-politieambtenaren worden genoemd.  Tevens is het ook denkbaar dat in een onderzoek lastens een politieambtenaar de eerste verrichtingen door een andere dienst werden gedaan en de Dienst Enquêtes bijvoorbeeld het uitvoeren van een huiszoeking en het afnemen van verhoren voor zijn rekening neemt, dit alles teneinde iedere zweem van partijdigheid vooraf reeds weg te nemen.  Wat echter niet aangewezen is, alhoewel juridisch perfect mogelijk, is het samenstellen van ‘gemengde’ ploegen.  In dat geval lijkt het specialistische karakter immers niet te bestaan of is het argument van de toegevoegde waarde, vanuit het oogpunt van (on)partijdigheid, op dat ogenblik niet langer van toepassing.

2.3.2.         Toezichtsonderzoeken en onderzoeken ingevolge een klacht of aangifte

Wat de toezichts- en klachtenonderzoeken betreft, is de evolutie als volgt.

Tabel 1: Evolutie van het aantal toezichts en klachtenonderzoeken in de afgelopen drie jaar

Teruggekoppeld naar het totale aantal klachten sensu stricto ontvangen door het Vast Comité P, betekent dit dat voor de jaren 2002, 2003 en 2004 er respectievelijk 25,19 %, 24,1 % en 20,71 % klachten door het Vast Comité P aan de Dienst Enquêtes werden toevertrouwd voor verder onderzoek.  De daling, zowel in absolute als in relatieve cijfers van het aantal klachten dat door de Dienst Enquêtes wordt onderzocht, is logisch en bewust nagestreefd.  Logisch door de mogelijkheid om de bevoegdheid tot het behandelen van klachten, onder voorwaarden, te delegeren aan de korpschef of de commissaris-generaal; nagestreefd omdat de Dienst Enquêtes selectief wordt ingezet teneinde capaciteit vrij te maken voor het uitvoeren van de hoofdopdrachten van het Vast Comité P, zoals elders in dit verslag beschreven.

Wat de telefonische oproepen betreft – de beantwoording daarvan wordt gedaan door de permanentiedienst – wordt pas vanaf 2003 een specifieke telling bijgehouden.  Van 908 oproepen in 2003 werden er 190 omgezet in een klacht.  Voor 2004 werden 179 van de 811 oproepen achteraf bevestigd door het indienen van een klacht.  Dit verschil tussen het totale aantal oproepen en het aantal oproepen dat werkelijk uitmondt in een klacht bij het Vast Comité P, is te begrijpen doordat enerzijds niet alle klachten betrekking hebben op de werking van de politiediensten en anderzijds vaak mensen gewoon hun ‘verhaal’ willen brengen, maar ook omdat de behandelende commissaris-auditor in de eerste plaats een oplossing tracht te zoeken en contact neemt met de betrokken zone.  Vaak immers is het onduidelijke communicatie die de kiem inhoudt van een conflict, zonder dat daar werkelijk sprake van is.  In ditzelfde kader wordt trouwens de klager ook meestal aangemoedigd om met het betrokken korps zelf te gaan praten, wat hij meestal nog niet heeft gedaan.

In globo gaat 37 % van de capaciteit naar toezichtsopdrachten, 32 % naar gerechtelijke opdrachten en 21 % naar ondersteunende activiteiten zoals vorming, administratieve taken en onbeschikbaarheden.  Binnen de toezichtsopdrachten wordt 47 % van de tijd geschonken aan klachtenbehandeling en 32 % aan thematische onderzoeken.

Wanneer we de tijd besteed aan gerechtelijke onderzoeken en aan het onderzoek van klachten samentellen, komen we tot de vaststelling dat circa driekwart van de operationele tijd blijft gaan naar reactieve opdrachten, die door de betrokkenen vaak als ‘repressief’ worden ervaren.   
Het beeld van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P als de ‘police des polices’, dat noch het Parlement noch het Vast Comité P nastreeft, houdt zichzelf dan ook, spijtig genoeg, in stand.

2.4.               Personeel

De Dienst Enquêtes telt, op 1 juni 2005, 46 leden die de titel van commissaris-auditor dragen.  Deze titel verwijst naar de functie en niet naar de graad, er zijn immers zowel niet-politieambtenaren, hoofdcommissarissen, commissarissen en hoofdinspecteurs bij de Dienst Enquêtes werkzaam.  De dienst wordt geleid door een directeur-generaal, bijgestaan door twee adjunct-directeurs-generaal.  Alle 49 leden zijn tevens officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.  De aanwerving van één commissaris-auditor is nog voorzien, alsmede deze van een operationele misdrijfanalist.          
De commissarissen-auditors zijn zowel van buiten de politie afkomstig als vanuit de lokale politie of de federale politie.  Wij komen hier elders op terug.  Dertig onder hen hebben een universitair diploma en zeven volgden een hogere niet-universitaire opleiding.

Gelet op de zeer verscheiden opdrachten, gaande van toezichtsonderzoeken (audits, thematische onderzoeken) over individuele klachtendossiers tot gerechtelijke of opsporingsonderzoeken, is een brede en diepe kennis van alle aspecten van het politiewerk en de ‘politiekunde’ op de verschillende niveaus noodzakelijk: zowel inzake de individuele ambtsverrichtingen als inzake het beheer van grootschalige operaties en de organisatie van een korps of dienst en de daarbij behorende werkprocessen.  Daarnaast is uiteraard ook een gedegen kennis en ervaring in het uitvoeren van strafonderzoeken vereist, gelet op het feit dat in dit domein de Dienst Enquêtes als een ‘gespecialiseerde’ politiedienst dient op te treden.

Dergelijke eisen rechtvaardigen trouwens ook het stellen van specifieke kennisvereisten of eisen inzake (minimum)leeftijd en dito ervaring bij vacatures, alsook eisen inzake beroeps­ethiek.

Teneinde de aanwezige kennis te onderhouden, te verbreden of te verdiepen, wordt dan ook veel belang gehecht aan specifieke vormingen die hetzij in eigen huis worden georganiseerd, hetzij worden gevolgd in de Nationale Rechercheschool of in de politiescholen en wordt er deelgenomen aan relevante studiedagen.  Zo hebben meer dan de helft van de commissarissen-auditors de Hoger Aanvullende Gerechtelijke en Bestuurlijke Opleiding gevolgd, hebben meerderen een EFQM-opleiding achter de rug die leidde tot de erkenning als ‘EFQM assessor’ en hebben enkelen een master in overheidsmanagement, enz.

3.                    Het Comité P en zijn administratie

3.1.               Personeel

In de loop van het jaar 2004 is het personeelsbestand van de administratie niet sterk toegenomen.  Er werd een juriste (niveau A) aangeworven, die in de loop van datzelfde jaar in dienst is getreden.  Wat het kader betreft, dient de post van attaché (M/V) nog te worden ingevuld, alsook twee posten van bediende (M/V).         
De lage absenteïsmegraad, die ongetwijfeld te verklaren is door de groepsgeest en de motivatie van het administratief personeel, verdient te worden onderstreept.  Deze personeelsleden, die geregeld intensief en onafgebroken dienen te werken, verlenen nauwgezet bijstand aan het Vast Comité P en aan zijn Dienst Enquêtes.           
Om de ongemakken en de moeilijkheden die kunnen voortvloeien uit het vrijwillig of onvrijwillig vertrek van sommige administratieve personeelsleden zo veel als mogelijk te vermijden, heeft het Vast Comité P ervoor gekozen om voor alle functies een wervingsreserve aan te leggen die twee jaar geldig en vernieuwbaar is volgens de statuten van de leden van het administratief personeel van de Vaste Comités P en I.          
Aldus werden in 2004 diverse vergelijkende examens georganiseerd voor de wervings­reserves voor de functies van secretaris-boekhouder (M/V), vertaler (M/V), bode (M/V), bediende (M/V) en receptionist (M/V).

3.2.               Infrastructuur en ondersteuning

Als gevolg van de relatief grote personeelsuitbreiding van het kader van de Dienst Enquêtes, zag het Vast Comité P zich genoodzaakt om een bijkomende verdieping te huren in een kantoorgebouw in de buurt van zijn zetel, waarin een groot aantal leden van de Dienst Enquêtes al gevestigd was.

Tot in 2001 werkte het Vast Comité P met het systeem van enkelvoudige boekhouding.  Om tegemoet te komen aan de aanbevelingen van de Commissie voor de Comptabiliteit van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, werd in 2002 een systeem van dubbele boekhouding ingevoerd.  Tijdens het opstellen van de begrotingsvoorstellen voor het boekjaar 2004, die worden voorgelegd aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers, heeft het Vast Comité P beslist een prestatiebegroting te implementeren met het oog op meer transparantie en meer nauwkeurigheid in het beheer van zijn dotatie.          
Hiertoe werden, in het licht van een perfecte implementatie van dit project, een aantal informaticaprogramma’s geselecteerd waaruit het beste werd gekozen, rekening houdend niet alleen met de kwaliteit en de kostprijs van dergelijke software, maar ook met de opleiding die dient te worden gevolgd voor een goed gebruik ervan.  Na een uitgebreide studie en testen van drie programma’s (P.I.A.5, Winbooks en BOB) werd, samen met het Vast Comité I, gekozen voor het programma BOB, dat op dit ogenblik als standaardprogramma wordt gebruikt door vijf van de acht dotatiegerechtigde instellingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.

Het Vast Comité P ziet er ook op toe dat een ernstig, snel en doeltreffendheid toezicht gewaarborgd is, overeenkomstig de opdrachten die hem zijn toevertrouwd.  
De commissarissen-auditors doorkruisen het ganse land om hun onderzoeken en taken te verrichten en moeten hiervoor op een degelijk en betrouwbaar wagenpark en informaticamaterieel kunnen rekenen.  Aangezien informaticamaterieel snel veroudert en dit bovendien vaak, zo niet altijd intensief wordt gebruikt, is dit materieel na verloop van drie, vier jaar aan vervanging toe.  Deze termijn valt trouwens samen met het einde van de garantie geboden door de medecontractant van het Vast Comité P.  In 2004 hebben de commissarissen-auditors en de andere personeelsleden dan ook steeds wanneer nodig een nieuw performant werkinstrument ter beschikking gekregen.       
Eén van de verdiepingen van het bijgebouw die gedeeltelijk wordt ingenomen door de Dienst Enquêtes, werd verder ingericht.  Er werd meubilair aangekocht voor de kantoren van de commissarissen-auditors, de telefooncentrale werd aangepast en er werd een beveiligingssysteem geplaatst.

Een speciaal nummer van het Politiejournaal [14] , met een vervolg in twee andere uitgaven, werd gewijd aan de verslagen en de activiteiten van het Vast Comité P. 
De voorstellingsbrochure en de folder van het Comité werden aangepast en herdrukt.  De folder, bestemd voor het grote publiek, werd ter beschikking gesteld van alle politiezones, gemeentehuizen alsook van een groot aantal overheden en verantwoordelijken inzake politie of veiligheid.
De nieuwe voorstellingsbrochure werd gezonden aan de parketten, burgemeesters, ambassades, justitiehuizen en een aantal andere belangrijke belanghebbende partijen met het oog op verdere publieke verspreiding.     
Onder impuls van het Vast Comité P werden twee boeken uitgegeven door Politeia: een tweetalig boek “Voor een verantwoorde, transparante, democratische politiezorg – Pour une police responsable, transparente, démocratique”
[15] en een viertalig boek over de inspectie­diensten in Europa met als Engelstalige titel “Citizens and the workings of police forces within the European Union” [16] .

Het documentatiecentrum werd uitgebreid om haar aanwinsten per thema permanent ter beschikking te kunnen stellen van de leden van het Vast Comité P, zijn Dienst Enquêtes en het administratief personeel.  Het Vast Comité P kocht een honderdtal werken aan en ontving een tweehonderdtal titels, meestal in de vorm van verslagen of studies.  Het documentatiecentrum beheert daarnaast 34 tijdschriften en 11 kranten in drie talen, waaruit elke dag een persoverzicht wordt samengesteld.

3.3.               Studiedagen, opleidingen en congressen

In 2001 werd door het Vast Comité P voor het eerst een colloquium georganiseerd met alle toezichthoudende organen en inspectiediensten op de politie van de Europese Unie.  In 2002 en 2003 vonden respectievelijk vergaderingen plaats bij Europol in Den Haag en in het Groothertogdom Luxemburg.  Het Vast Comité P nam ook in 2004 actief deel aan de voorbereiding van de conferentie van de Europese controle- en inspectiediensten.  Deze conferentie vond plaats in Wenen van 24 tot 26 november 2004.  In dit verband vonden verschillende voorbereidende vergaderingen plaats in Wenen met vertegenwoordigers van het gastland, met Finland, Portugal, Hongarije, Slowakije en het Groothertogdom Luxemburg.  De volgende Europese ontmoetingen zullen plaatsvinden in Portugal (2005), Hongarije (2006) en Finland (2007).  Het Vast Comité P heeft zich opnieuw geëngageerd om actief deel te nemen aan de voorbereidende vergaderingen, o.a. gezien zijn rol van feitelijk secretariaat van de vereniging, alsook te meer daar het in Europa één van de weinige controleorganen is wiens toezicht volledig extern is.

Van 14 tot 18 juni 2004 vond te Tampere (Finland) aan de Poliisikoulu een seminarie plaats met als thema “Moving forward with community policing in Europe, sharing and developing good practice”.  Een lid van het Vast Comité P heeft tijdens dat seminarie een uiteenzetting gegeven over “Lessons from police monitoring in Belgium” en deelgenomen aan verschillende workshops.  Op dit seminarie waren 23 Europese landen aanwezig.  Daar is eens te meer gebleken dat België voor de nieuwe Europese lidstaten een zeer grote inbreng kan hebben in de organisatie van een betrouwbare democratie, waartoe een doeltreffende en doelmatige externe controle op de politiediensten steeds kan bijdragen.

Een delegatie van het Vast Comité P heeft deelgenomen aan de European Police Conference in Praag, waar de problematiek van de rol van de politie in het domein van handhaving van de openbare orde, mensenhandel alsook intrafamiliaal geweld werd aangesneden.

In het Huis der Parlementsleden nam het Vast Comité P ook actief deel aan een conferentie over publiek-private samenwerking.  Aan twee door het Centrum voor politiestudies vzw en drie door le Centre d’études sur la police asbl georganiseerde studiedagen werd eveneens actief deelgenomen.  Eén studiedag in elke landstaal handelde over “Deontologie en integriteit bij de politie” te Brussel en te Namen, waar o.a. een lid van de Dienst Enquêtes het standpunt van een lid van het Vast Comité P toelichtte en een ander lid van de Dienst Enquêtes het woord voerde.  Een tweede studiedag van het Centrum voor politiestudies betrof het onderwerp ‘tucht’ en vond plaats te Beveren-Waas.  Het Vast Comité P nam ook deel aan de constructieve werkzaamheden van de zeer interessante werkgroep “Kwalipol”.  Deze werkgroep, opgericht door de Directie van de relaties met de lokale politie, heeft als operationele doelstelling het officialiseren en implementeren van een Belgisch concept voor het streven naar een optimale kwaliteit van de organisatie en werking van de lokale politiediensten.

Een lid van het Vast Comité P heeft, op vraag van de vzw Beprobel, de overkoepelende organisatie van officieren van de beroepsbrandweer, deelgenomen aan een internationaal paneldebat over deontologie.     
Aan de Vaste Commissie van de lokale politie werd een demonstratie en uitleg gegeven over het gezamenlijke project van het Vast Comité P en de Algemene inspectie in verband met het via elektronische weg overmaken van de wettelijk mee te delen informatie.  Betrachting is op deze wijze de mogelijke administratieve overlast door de gegevensvergaring te verminderen en de korpsen een instrument te geven voor hun klachtenbeheer.     
Ten slotte waren leden van het Vast Comité P aanwezig op een demonstratie van speciale technieken voor ruiters van de bereden politie en werd er een bezoek gebracht aan drie vakbeurzen voor politieuitrusting.

Het Vast Comité P heeft zo veel als mogelijk deelgenomen aan de werkgroep “Tucht”, die is opgericht op vraag van de minister van Binnenlandse Zaken en onder leiding staat van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie.  De kwaliteit van de werkzaamheden was zeer goed en de deelnemers, afkomstig uit alle betrokken sectoren, waren zeer gemotiveerd.  De werkzaamheden mondden na een hoog vergaderritme uit in een volledige studie van de knelpunten met voorstellen tot remediëren.    
Het Vast Comité P vraagt dat dit werk niet zou verloren gaan en dat het aan de basis zou liggen van een herziening van het tuchtrecht.

3.4.               Buitenlandse delegaties

In het kader van zijn glazenhuispolitiek heeft het Vast Comité P verschillende buitenlandse delegaties uit Oostenrijk, Oekraïne, Iran, Turkije alsook een delegatie van de Raad van Europa ontvangen.  Tijdens deze bezoeken werd toelichting gegeven bij de werking en de doelstellingen van het Vast Comité P.      
Om de samenwerking inzake justitie tussen België en Algerije enerzijds en België en Burkina Faso anderzijds te bevorderen, brachten een aantal magistraten van deze landen een werkbezoek aan het Vast Comité P.  Leden van het Vast Comité P werden ook aangezocht om als deskundige voor de Raad van Europa of de Europese Unie deel te nemen aan werk­vergaderingen in Oekraïne, de Russische federatie, Azerbeidzjan, Zuid-Korea, Roemenië, Moldavië en Burkina Faso.

4.                    Het Comité P als college

4.1.               Vergaderingen en seminaries

Het afgelopen jaar kwam het Vast Comité P 64 keer samen in plenaire vergadering.  Op deze vergaderingen werden meer dan 900 items besproken.  Op de agenda van deze vergaderingen staan wekelijks aan bod komende rubrieken zoals dossiers in verband met klachten, aangiften en toezichtsonderzoeken, administratie en logistiek en de beslissingen toegankelijk voor het Rekenhof.  Ook werd er ruimte gelaten aan de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes of aan zijn adjuncten en, wanneer nodig, aan de ene of de andere commissaris-auditor, om verslag uit te brengen over de stand van zaken van de werkzaamheden van de Dienst Enquêtes P.

Daarnaast werden er twee meerdaagse strategische vergaderingen gehouden, in de vorm van een seminarie, te Blankenberge en te Spa.  Er werd niet alleen een balans opgemaakt van de werking, er werden ook strategische beslissingen genomen om de werking te optimaliseren en de prioriteiten vast te leggen, onder meer op basis van een CAF-evaluatie [17] en een capaciteits­studie uitgevoerd binnen de Dienst Enquêtes.  Over deze laatste studie werd trouwens in detail verslag uitgebracht aan de parlementaire begeleidingscommissie.

Het Vast Comité P vergaderde zesmaal met de Commissie belast met zijn parlementaire begeleiding en bracht tijdens deze bijeenkomsten verslag uit over een vijftigtal onderwerpen, waarover tevens een verslag of onderzoeksrapport werd opgesteld.  Twee bijzondere vergaderingen werden gehouden over de bespreking van het jaarverslag 2003.       
Deze verslagen werden gebundeld en dienden als basis wanneer het Vast Comité P werd uitgenodigd op een hoorzitting van de Kamer of de Senaat
[18] .

Daarnaast hebben de leden van het Vast Comité P, samen met de top van de federale politie, vertegenwoordigers van de Vaste Commissie van de lokale politie en een vertegenwoordiger van de minister van Justitie, deelgenomen aan diverse besprekingen op het kabinet van de minister van Binnenlandse Zaken.           
Met de top van de federale politie werd tevens vergaderd en niet alleen in het kader van de evaluaties, waar infra dieper op wordt ingegaan.     
Last but not least heeft het Vast Comité P verscheidene constructieve gemeenschappelijke vergaderingen gehad met het Vast Comité I en werden verschillende gemeenschappelijke werkvergaderingen gehouden over een gezamenlijk toezichtsonderzoek, alsmede over de toegepaste methodologie en het statuut van de leden van de respectieve Dienst Enquêtes of het respectieve administratief personeel.  
Het ontwerpstatuut van de leden van de Dienst Enquêtes werd trouwens overgemaakt aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers in de hoop dit zo vlug mogelijk te kunnen toepassen om nog meer en beter de onafhankelijkheid van deze belangrijke schakel van het extern toezicht op de politiediensten in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991 te kunnen waarborgen.

Parallel aan de vergaderingen over de inhoudelijke werking van het Vast Comité P werd er ook aandacht geschonken aan de begroting en de financiële verplichtingen.  Op twee tijdstippen werden de vergaderingen met een auditeur van het Rekenhof voorbereid en werden hem alle gevraagde inlichtingen verstrekt.  De begroting voor 2005 werd op transparante en gedetailleerde wijze verdedigd en nadien zowel door het Rekenhof als door de Commissie voor de Comptabiliteit van de Kamer van Volksvertegenwoordigers goedgekeurd.  Ook de uitgaven van 2004 werden goedgekeurd en de boekhouding werd conform bevonden [19] .

4.2.               Hearings

Het Vast Comité P organiseerde in 2004, net als de voorgaande jaren, verschillende hearings.  Zo hoorde het Comité onder meer: (1) een hoofdcommissaris over de werking van de afdeling internationale politiesamenwerking van de federale politie; (2) een directeur-generaal over de werking en de resultaten van de Algemene directie gerechtelijke politie; (3) twee hoofdcommissarissen over de laatste ontwikkelingen betreffende de werking van de Algemene directie bestuurlijke politie; (4) een directeur-generaal en twee hoofdcommissarissen over de evolutie van de Algemene directie personeel; (5) twee directeurs-generaal over de operationele ondersteuning en materiële middelen; (6) de commissaris-generaal en een directeur-generaal over knelpunten in de organisatie; (7) de voorzitter van de Raad van procureurs des Konings over o.a. de samenwerking tussen het openbaar ministerie en het Vast Comité P.     
Tijdens deze verschillende zeer interessante hearings werd openlijk gesproken, omdat aan de sprekers werd gewaarborgd dat het Vast Comité P de informatie niet openbaar zou maken noch deze zou gebruiken in een persoonlijke aangelegenheid ten aanzien van de gehoorde.

4.3.               Relaties en contacten met diverse andere instellingen

Het Vast Comité P heeft in de loop van het jaar 2004 verdere contacten onderhouden met verschillende overheden en organisaties teneinde de samenwerking met deze instellingen en de naleving van de bestaande protocollen te bevorderen.

Over precieze aangelegenheden vonden er vergaderingen plaats met onder meer de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, de top van de federale politie, de Vaste Commissie van de lokale politie, de Raad van procureurs des Konings, het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en het Controleorgaan van het politioneel informatiebeheer.  Met het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding werd bovendien een samenwerkingsakkoord voorbereid en begin 2005 ondertekend.  Een tweede akkoord werd in 2004 voorbereid en begin 2005 afgesloten met de directeur-generaal van de Algemene directie gerechtelijke politie en met de directeur van de Directie van de bestrijding van de economische en financiële criminaliteit van de federale politie met betrekking tot het gemeenschappelijk beheer van een technisch interceptiecentrum en andere vormen van samen­werking.

4.4.               Bezoek van Zijne Majesteit de Koning

Op 17 maart 2004 bracht Zijne Koninklijke Hoogheid Albert II, in aanwezigheid van de heer Herman De Croo, voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken, een werkbezoek aan het Vast Comité P.  Na afloop van deze werkvergadering had de Koning verschillende gesprekken met de leden van het Vast Comité P, alsook met de leden van de Dienst Enquêtes en het administratief personeel.  Dit was een constructieve ontmoeting en werd algemeen beschouwd als een teken van appreciatie voor de dagdagelijkse inzet van alle medewerkers van Vast Comité P.


Afdeling 2: Evaluatie van de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de adjunct-directeurs-generaal

De ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken hebben de leden van het Vast Comité P aangesteld om ten persoonlijke titel over te gaan tot de evaluatie van de commissaris-generaal.  De leden van het Vast Comité P hebben ook deelgenomen, als deskundige, aan de evaluaties van de directeurs-generaal en hun adjuncten die werden uitgevoerd door de commissaris-generaal met de hulp van de inspecteur-generaal.

Niet alleen de geldende wetgeving en regelgeving betreffende de evaluatie van mandaathouders of andere hoge verantwoordelijken, maar ook de algemeen erkende methodiek op dit vlak hecht in het bijzonder belang aan de mate waarin de te evalueren persoon met de hem ter beschikking gestelde middelen de vooropgestelde doelstellingen heeft bereikt.  
Aan de hand van de opdrachten zoals die blijken uit de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en van het koninklijk besluit van 3 september 2000 met betrekking tot de commissaris-generaal en de algemene directies van de federale politie, werd door de evaluatiecommissie ad hoc een lijst opgemaakt van de doelstellingen die naar haar oordeel de essentie van het mandaat van de commissaris-generaal van de federale politie uitmaken.  De commissie achtte het tevens noodzakelijk het aspect van de competenties van de commissaris-generaal op het vlak van management en leidinggeven in haar evaluatie te betrekken.  
Er werd dan ook een passend referentiedocument opgemaakt van een aantal competenties waarvan de commissie meende dat zij belangrijk zijn voor de uitoefening van het ambt van commissaris-generaal.  Hierbij werd rekening gehouden met het functieprofiel zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 november 2000 en met de algemeen erkende principes op dit vlak.  Teneinde, in het verlengde van de reeds beschikbare gegevens of ontvangen documenten, over een zo objectief en breed mogelijk beoordelingsvlak te beschikken, werden een aantal titularissen (personen die uit hoofde van hun ambt of functie) die in de positie verkeerden om inlichtingen te verstrekken over de mate waarin de commissaris-generaal de gestelde doelstellingen heeft verwezenlijkt, geraadpleegd aan de hand van een specifieke vragenlijst die was opgesteld na noodzakelijk overleg met experts terzake.  Dit alles om een bijkomende geïntegreerde en globale analyse mogelijk te maken en, desgevallend, de reeds voorhanden zijnde inlichtingen te verfijnen
[20] .  Ook de commissaris-generaal werd verzocht deze vragenlijst te beantwoorden.           
Deze methodiek werd o.a. tijdens een vergadering ad hoc van de commissie met de commissaris-generaal besproken en toegelicht, waarbij de commissaris-generaal zijn instemming betuigde met deze werkwijze
[21] .       
Het Comité, als evaluatiecommissie, was van oordeel dat de gegevens van de globale analyse waarvan sprake en zoals deze werd toegelicht, echter geen absolute waarde hebben, maar elementen zijn die in hun context moeten worden geïnterpreteerd en moeten worden getoetst aan het synoptisch verslag neergelegd door de commissaris-generaal, de voorhanden zijnde informatie, zijn antwoorden op de vragenlijsten, de gegevens van het evaluatiegesprek met de commissaris-generaal en aan de eigen deskundigheid en beroepservaring van de leden zetelend in de evaluatiecommissie
[22] .
Dit zijn kort samengevat de belangrijkste facetten die de commissie hebben toegelaten de wijze te evalueren waarop de commissaris-generaal tot hiertoe zijn mandaat heeft uitgeoefend.

Niet enkel in het raam van het evaluatieproces heeft de commissaris-generaal meermaals de nadruk gelegd op het feit dat hij geen opdrachtbrief heeft gekregen en er geen duidelijke werkingsregels werden vastgelegd voor zijn mandaat.  Het Comité kan dit enkel bevestigen en het is dan ook om deze redenen dat, zoals trouwens is voorzien in de regelgeving ad hoc, werd uitgegaan van de opdrachten waarmee het werd belast bij het bepalen van de doel­stellingen van de evaluatie.

De wetgeving bepaalt dat de commissaris-generaal prioritair aandacht moet hebben voor de werking van de federale politie.  Er dient tevens opgemerkt dat de omstandigheden waarin de commissaris-generaal zijn mandaat moest uitoefenen ver van optimaal waren.  Er was bovendien geregeld en soms zelfs op een niet te verantwoorden manier ongeverifieerde en onverifieerbare kritiek op de werking van de federale politie of op de commissaris-generaal zelf. 
Er dient ook te worden onderstreept dat de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap en het werken met de nationale (en zonale) veiligheidsplannen een positief groeiproces is waarvan van meet af aan geweten was dat het als dusdanig voor verbetering en dus voor positieve en constructieve kritiek vatbaar was.

De evaluatiecommissie heeft op 31 december 2004 aan beide ministers het evaluatieverslag met betrekking tot de commissaris-generaal overhandigd. 
Naar aanleiding van die evaluaties heeft het Vast Comité P niet enkel heel wat informatie over de werking van de geïntegreerde politiedienst kunnen vergaren die zeer nuttig is voor zijn eigen werking, er werd ook een canvas gemaakt ter verbetering van de evaluatieprocedure voor de commissaris-generaal en voor de hoogste verantwoordelijken van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus en er werden uitgebreide conclusies en voorstellen geformuleerd ten behoeve van beide ministers.


Afdeling 3: Enkele bedenkingen omtrent de werking van het Vast Comité P

5.                    Relaties met de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de rechten van de mens

5.1.               Situering

Het statuut van onafhankelijk en neutraal extern controleorgaan dat, op grond van artikel 1 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, belast is met het toezicht op de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de burgers waarborgen in het kader van de uitoefening van het politieambt, maakt van het Vast Comité P een bevoorrechte partner op Belgisch niveau van de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de rechten van de mens.  Inzake de bescherming van de fundamentele rechten van de burgers deelt het Vast Comité P bovendien de bekommernissen van onder meer het Europees Comité inzake de voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) [23] , het Comité tegen foltering van de Verenigde Naties (CAT) [24] , het Comité voor de rechten van de mens [25] , d e Europese Commissie tegen racisme en intolerantie (ECRI) [26] en het Comité tegen rassendiscriminatie van de Verenigde Naties (CERD) [27] .

5.2.               Kennis en knowhow ontwikkeld inzake het toezicht op de eerbiediging van de rechten en vrijheden van de burgers bij de uitoefening van het politieambt

Het Vast Comité P onderzoekt elk feit waarover het wordt ingelicht volgens een gestandaardiseerde methode, zodat alle feiten geregistreerd worden in een gegevensbank.  Het betreft daarbij niet alleen feiten, maar ook alle aantijgingen van inbreuken die rechtstreeks de rechten en vrijheden van burgers aantasten door willekeurige, onwettige of gewelddaden of door het niet-optreden van politieambtenaren in de uitoefening van hun ambt.

Dankzij verschillende informatiebronnen heeft het Vast Comité P toegang tot de informatie over dergelijke aantijgingen en kan het die verder onderzoeken.  Het gaat meer bepaald om: (1) reactief: (i) klachten en aangiften die worden neergelegd door particulieren of bepaalde politieambtenaren zelf of die worden doorgestuurd door nationale instellingen die opkomen voor mensenrechten, zoals de Liga voor mensenrechten, de Beweging tegen racisme, antisemitisme en xenofobie, Amnesty International of het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, enz.; (ii) informatie die wordt gemeld door de politiekorpsen, tuchtoverheden, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de gerechtelijke overheden, zoals bepaald in de wet van 18 juli 1991 [28] ; en (2) proactief: (i) geregelde en onverwachte bezoeken aan de politiecommissariaten waarbij de doorgangscellen (amigo’s) worden onderzocht en de vastgehouden personen worden ondervraagd over de omstandigheden waarin ze worden opgesloten; (ii) (marginale of thematische) toezichtsonderzoeken om na te gaan of de fundamentele rechten en vrijheden door de politieambtenaren worden nageleefd; (iii) de aandachtige lezing van de dagelijkse pers en de politiezaken die ermee verband houden en waarvoor niet noodzakelijkerwijs een klacht of aangifte is ingediend bij het Vast Comité P.

De voornaamste toezichts- en opvolgingsonderzoeken die het Vast Comité P tussen 2001 en 2004 heeft aangevat en/of voortgezet op het gebied van het toezicht op de eerbiediging van de rechten en vrijheden van de burgers bij de uitoefening van het politieambt , hebben betrekking op de volgende thema’s: (1) fouilleringen en vrijheidsberovingen; (2) aantijgingen van mishandeling bij vrijheidsberovingen; (3) doorgangscellen (amigo’s) en opsluitingen in politiekantoren; (4) ‘incidents in custody’; (5) repatriëringen; (6) gebruik van dwang en geweld bij de uitoefening van het politieambt; (7) ordehandhaving; (8) racisme, discriminatie en diversiteit; (9) wijze waarop de politiediensten communiceren met bepaalde personen die in bestaansonzekerheid leven en (10) woonwagenbewoners.           
De uitvoeringsmodaliteiten van de toezichtsonderzoeken van het
Vast Comité P zijn de voorbije tien jaar sterk geëvolueerd, waardoor het toezichtsonderzoek een alsmaar performanter instrument is geworden om de politiewerking in haar geheel te meten en te evalueren.  Een aantal onderzoeken heeft al geleid tot een globaal, tussentijds of opvolgingsverslag aan de parlementaire begeleidingscommissie van het Vast Comité P.  Die verslagen werden telkens ook bezorgd aan de overheden, o.a. de hiërarchische overheden, aan de verantwoordelijken en meestal ook aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie.  Soms werden ze ook gestuurd aan andere belanghebbende partijen, waaronder verschillende NGO’s.  Sommige verslagen werden bovendien op meer uitgebreide wijze in de openbaarheid gebracht.  Andere hebben al diverse reacties uitgelokt, maar die gaan vrij vaak in de richting van de aanbevelingen of denkpistes van het Vast Comité P.

Dankzij de diversiteit van de kennis en informatie waarover het Vast Comité P thans beschikt, evenals de knowhow over het meten van politionele disfuncties die het de voorbije tien jaar als globaal observatorium van de politiefunctie heeft ontwikkeld, kan het Vast Comité P zijn opdracht van extern en onafhankelijk controleorgaan alsmaar nauwkeuriger vervullen.  Die stevig onderbouwde kennisbron is van grote waarde voor de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de mensenrechten.

5.3.               Samenwerking

5.3.1.         Bijdrage tot het opstellen van periodieke verslagen

Op vraag van de regering en met de goedkeuring van het Parlement, werkt het Vast Comité P mee aan verslagen die periodiek worden opgesteld voor de diverse internationale controle-instanties.  Deze verslagen maken deel uit van de verplichtingen die België als partij van internationale overeenkomsten inzake de bescherming van de mensenrechten moet nakomen.  De periodieke verslagen bevatten de afgesproken maatregelen die rechtskracht geven aan de rechten die in de verschillende internationale akten zijn erkend, de vooruitgang die op het vlak van die rechten is geboekt, evenals, indien van toepassing, de factoren en moeilijkheden die een invloed hebben op de uitoefening van deze rechten.  Op basis van die verslagen formuleren de internationale controle-instanties hun waarnemingen, specifieke aandachtspunten en aanbevelingen.  Dit alles wordt daarna geëvalueerd door de betrokken Belgische instanties, om er een daadwerkelijke opvolging door middel van concrete maatregelen op korte en langere termijn van te verzekeren.           
Verschillende werkgroepen die in dat kader zijn opgericht, doen geregeld een beroep op de ervaring van het Vast Comité P.

In 2004 werd het Vast Comité P zowel door de departementen Justitie, Binnenlandse Zaken als Buitenlandse Zaken aangezocht om een bijdrage te leveren tot de redactie van: (1) het periodiek verslag van België aan het Comité voor de rechten van de mens, overeenkomstig artikel 40 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; (2) het periodiek verslag van België aan het Comité van de Verenigde Naties tegen foltering, overeenkomstig artikel 19 van het Internationaal Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling en bestraffing en (3) het periodiek verslag van België aan het Comité van de Verenigde Naties tegen rassendiscriminatie , overeenkomstig artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie .

5.3.2.         Periodieke of ad hoc bezoeken

De internationale controle-instanties hebben het Vast Comité P ook meermaals gevraagd hun vertegenwoordigers te ontvangen tijdens periodieke of ad hoc bezoeken in België om hun vragen te beantwoorden, hen nauwkeurige informatie te verstrekken en met hen van gedachten te wisselen.

5.3.3.         Onafhankelijkheid in twijfel getrokken

Ten gevolge van de mondelinge presentatie in juli 2004 van het vierde periodieke verslag van België overeenkomstig artikel 40 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, had het Comité voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties zijn bezorgdheid geuit over de onafhankelijkheid van het Vast Comité P, omdat de meeste leden van zijn Dienst Enquêtes gedetacheerd zijn uit een politiekorps.  In de punten 6 en 7 van dit jaarverslag worden argumenten aangevoerd die de minste twijfel in dit verband zullen wegnemen.

5.4.               Perspectieven

Het Vast Comité P zal op verschillende fronten zijn actie voortzetten zodat de naleving van de rechten en vrijheden van de burgers bij de uitoefening van het politieambt almaar beter wordt verzekerd, en dit, afgezien van de samenwerkingsverbanden met de politieoverheden en -diensten, aan de hand van een optimale en transparante samenwerking met de internationale controle-instanties, door informatie en adviezen van hoogstaande kwaliteit te verstrekken en met hen van gedachten te wisselen.

In verband met de behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd door de politie, heeft het Vast Comité P in april 2005 het bezoek gekregen van de delegatie van het CPT.  Dit was het vierde bezoek van het CPT aan België, na bezoeken in 1993, 1997 en 2001.  Voor de uitwerking van het programma van dit bezoek, heeft het Vast Comité P actief samengewerkt met het CPT en het alle inlichtingen bezorgd die nuttig werden geacht (met de nodige garanties op het vlak van confidentialiteit) met betrekking tot de toestand van personen die door de Belgische politie worden vastgehouden.

6.                    Extern, onafhankelijk, neutraal en effectief toezicht [29]

Met de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten heeft de wetgever een specifiek externe, globale en geïntegreerde opvolging van en controle op de politiediensten in België willen instellen en dat via een neutrale, onafhankelijke en pluralistisch samengestelde instelling die rechtstreeks afhangt van het Parlement: het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten.      
Het Vast Comité P wordt bijgestaan door een administratie en door een Dienst Enquêtes P, waarvan de leden, behalve voor hun gerechtelijke opdrachten, rechtstreeks en uitsluitend onder het gezag en de verant­woordelijkheid van het Comité werken.

Tijdens de voorbereiding van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten heeft de wetgever 6 criteria bepaald die het extern toezichtsorgaan in staat moeten stellen zijn opdrachten in de beste omstandigheden te vervullen [30] .  Deze criteria zijn: (1) onafhankelijkheid: het toezicht moet onafhankelijk worden uitgeoefend, zowel ten aanzien van de politiediensten, de uitvoerende en rechterlijke macht als ten aanzien van elke hiërarchie; (2) bestendigheid: het toezicht moet bestendig en op geïntegreerde wijze worden uitgeoefend en opgevolgd in de praktijk van de diensten; (3) doelmatigheid: de leden moeten over voldoende gezag en over voldoende middelen en onderzoeksbevoegdheden beschikken om diepgaande onderzoeken te verrichten; (4) openbaarheid: de uitoefening van het toezicht moet in de grootst mogelijke openheid gebeuren, onder voorbehoud van de nodige waarborgen inzake vertrouwelijkheid; (5) specificiteit: het extern toezicht is de enige taak van het toezichtsorgaan, het is complementair aan de bestaande controles en inspecties ingericht door de hiërarchische en gerechtelijke overheden en (6) legaliteit: het toezicht wordt uitgeoefend volgens de werkwijze die bij wet is geregeld [31] .       
Naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan in 2003-2004, gaat het Vast Comité P hierna meer in detail in op de criteria onafhankelijkheid, doelmatigheid en openbaarheid van het toezicht.

6.1.               Onafhankelijkheid van het toezicht

Het Vast Comité P valt rechtstreeks onder de bevoegdheid van het Parlement, waarvoor het onrechtstreeks en voortdurend toezicht uitoefent op de politieorganen die onder de bevoegdheid vallen van de uitvoerende macht (en die, voor de uitvoering van sommige van hun opdrachten, onder het gezag van de rechterlijke macht staan).      
De rol van het Vast Comité P is onlosmakelijk verbonden met het principe van de scheiding der machten: het Vast Comité P treedt op ten dienste van de wetgevende macht om die laatste bij te staan in zijn toezichthoudende functie op de uitvoerende macht die hem door de Grondwet is toegekend.  Aangezien het Vast Comité P geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie of de werking van de gecontroleerde diensten, handelt het Vast Comité P als externe instelling, en dat zowel ten aanzien van de geïntegreerde politiedienst en de uitvoerende macht waarvan die afhangt, de andere politiediensten in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991 en de overheden waaronder deze diensten ressorteren, als ten aanzien van de rechterlijke macht
[32] .   
Die volledig externe positie ten aanzien van de politiediensten, die voornamelijk onder de uitvoerende macht en zijn uitvoeringsmodaliteiten ressorteren, vormt één van de fundamentele elementen die het Vast Comité P onderscheiden van de andere instanties en diensten voor inspectie en toezicht, zoals de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de andere inspecties of controlediensten die specifiek intern zijn aan de politiekorpsen of -zones.  Hierdoor is het Vast Comité P volledig onafhankelijk van het politieapparaat (van de basis tot de overheid waaronder het ressorteert).  Alle andere inspecties of controlediensten hangen immers af van de uitvoerende macht, zijn in de structuur van de politiediensten zelf geïntegreerd
[33] en bijgevolg belast met het interne aspect van het toezicht op deze diensten.  Deze specificiteit maakt van het Vast Comité P trouwens het enige globale en geïntegreerde extern toezichtsorgaan op de werking van de politiediensten, dat bovendien autonoom, neutraal en onafhankelijk is.                                                                                                             
Binnen de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd een Vaste Commissie opgericht om de opvolging van het Vast Comité P te waarborgen: de Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten.  Die Commissie vergadert minstens één keer per kwartaal met het Vast Comité P.  Ze kan aan het Comité aanbevelingen doen over zijn werking, overeenkomstig de wet van 18 juli 1991 en het huishoudelijk reglement van het Vast Comité P.

De wet van 18 juli 1991 bevat een aantal onverenigbaarheden en verbodsbepalingen om de volledige neutraliteit en onafhankelijkheid van de leden van het Vast Comité P te waarborgen.  De leden en hun plaatsvervangers mogen geen bij verkiezing verleend openbaar mandaat uitoefenen.  Zij mogen geen openbare of particuliere betrekking of activiteit uitoefenen die de onafhankelijkheid of de waardigheid van het ambt in gevaar zou kunnen brengen.  Zij mogen geen lid zijn van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, van een politiedienst of van een inlichtingendienst [34] .  Bovendien gelden de volgende waarborgen: (1) het is de leden van het Vaste Comité verboden tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij zij een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk of rechtstreeks belang hebben [35] ; (2) de leden van het Vast Comité zijn, op straffe van strafrechtelijke sancties, verplicht de geheimen te bewaren waarvan zij kennis krijgen tijdens het vervullen van hun opdracht.  Het geheim blijft bestaan, zelfs wanneer zij hun functie hebben beëindigd [36] en (3) de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten is van toepassing op de leden van het Vast Comité [37] .

De wijze van benoeming van de leden en de griffier van het Vast Comité P bekrachtigt duidelijk zijn onafhankelijkheid, neutraliteit en externe karakter ten opzichte van de andere vormen van toezicht en inspectie.  Hetzelfde geldt voor de manier waarop het rekenschap aflegt.                                                      
Het Vast Comité P overhandigt aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers over elk onderzoek een verslag.  Bovendien moet het aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers en aan de Senaat verslag uitbrengen in de volgende gevallen: (1) 
jaarlijks, door een algemeen activiteitenverslag dat, indien nodig, algemene conclusies en voorstellen kan bevatten en dat de periode betreft gaande van 1 januari tot 31 december van het voorgaande jaar ; (2)  telkens wanneer het dit nuttig acht of op verzoek van de Kamer van Volksvertegenwoordigers of van de Senaat, door een tussentijds activiteitenverslag dat, indien nodig, algemene conclusies en voorstellen kan bevatten betreffende een welbepaald onderzoeksdossier ; (3)  wanneer door de Kamer van Volksvertegenwoordigers aan het Vast Comité P een onderzoek werd toevertrouwd ; (4)  wanneer het vaststelt dat, bij het verstrijken van een termijn die het redelijk acht (maar die niet minder dan 60 dagen mag bedragen), geen gevolg werd gegeven aan zijn besluiten of dat de genomen maatregelen niet passend of ontoereikend zijn.

Soortgelijke commentaar als deze geuit na de mondelinge presentatie in juli 2004 van het vierde periodieke verslag van België overeenkomstig artikel 40 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, supra vermeld, werd geleverd door het Europees Comité inzake de voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT), na zijn periodiek bezoek aan België in 1997 [38] .  De uitleg hierna is bedoeld om de minste twijfel in dit verband weg te nemen.  
Net zoals het Rekenhof waarop zijn organisatie en werking zijn geïnspireerd, en zoals zijn zusterinstellingen, het College van de federale ombudsmannen, de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de Hoge Raad voor de Justitie, het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, is het Vast Comité P een sui generis instelling die onafhankelijk en extern is ten aanzien van de uitvoerende en de rechterlijke macht, onder het toezicht van het Parlement staat en van dat laatste voor zijn gehele werking een dotatie krijgt.
Een gedeelte van het personeel van het Vast Comité P is gedetacheerd uit andere diensten, maar, ongeacht hun dienst van oorsprong, bezitten de personeelsleden een specifiek statuut, zijn ze benoemd door het Vast Comité P en, afgezien van de gerechtelijke onderzoeken die de leden van de Dienst Enquêtes P voeren, vallen ze onder het hiërarchische gezag van het Vast Comité P.  Twijfelen aan de onafhankelijkheid of de neutraliteit van één van de componenten van het Vast Comité P is zoveel als twijfelen aan de onafhankelijkheid of de neutraliteit van de hele instelling.        
Hieraan
moet worden toegevoegd dat: (1) wat de uitoefening van hun toezichtsopdrachten betreft, de leden van de Dienst E nquêtes P rechtstreeks en ontegensprekelijk onder het gezag en de verantwoordelijkheid werken van het Vast Comité P, dat over elk onderzoek een verslag ontvangt Het is het Vast Comité P dat de verantwoordelijkheid draagt voor zowel het starten van een onderzoek als de conclusies ervan, die voortvloeien uit een collegiale beslissing .  De verslagen die worden opgemaakt en voorgesteld, zijn wel degelijk, in ieder geval, die van het Vast Comité P en niet die van zijn Dienst Enquêtes of van één bepaalde onderzoeker; (2) wat de uitoefening van hun gerechtelijke opdrachten betreft, bevinden de leden van de Dienst Enquêtes P zich niet onder het rechtstreeks gezag van het Vast Comité P in het kader van de concrete zaak waarvoor een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek loopt, maar uitsluitend onder het gezag van de gerechtelijke instanties (onderzoeksrechter of procureur des Konings).  Twijfelen aan de onafhankelijkheid van de leden van de Dienst Enquêtes P in het kader van de uitoefening van hun gerechtelijke opdrachten zou er dan ook op neerkomen dat het gezag van de gerechtelijke overheden zelf aan de kaak wordt gesteld, net zoals twijfelen aan de onafhankelijkheid van het Vast Comité P zelf wat de uitvoering van de toezichtsopdrachten betreft.          
Daarenboven is het zo dat zowel wat de klachten als wat de gerechtelijke onderzoeken betreft, het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes slechts een fractie van het aantal onderzoeken voeren.  De meeste onderzoeken worden door de korpsen zelf verricht, evenals, voor een ander gedeelte, door de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie.  Voor zover er sprake zou moeten zijn van een ‘doelwit’, quod non, vergist men zich met deze kritiek dan ook van ‘doelwit’.      
Naast de samenhang en onafhankelijkheid van het Vast Comité P als instelling, bestaan er verschillende juridische mechanismen om de onafhankelijkheid en neutraliteit van alle individuele leden, leden van het Comité, van de administratie of van de Dienst Enquêtes te waarborgen of te versterken.  Al die personen hanteren overigens hoge normen van beroepsethiek, wat de onafhankelijkheid en neutraliteit van het Vast Comité P nog eens onderstreept.
Wat meer specifiek de Dienst Enquêtes P en zijn samenstelling betreft, onderscheidt men
2 categorieën van leden: (1) de statutaire leden in strikte zin: dit zijn hetzij leden die aangeworven zijn door het Vast Comité P in het organiek statutair kader van de Dienst Enquêtes P, hetzij gedetacheerde leden die overgegaan zijn naar het organiek statutair kader van het Vast Comité P via het overgangsmechanisme bepaald in artikel 22quater van de wet van 18 juli 1991 [39] ; (2) de leden die afkomstig zijn uit een politiedienst, maar die het Vast Comité P geselecteerd, aangewezen en benoemd heeft voor hun nieuwe functie: op grond van de wet van 18 juli 1991 [40] is ten minste de helft van de leden van de Dienst Enquêtes P gedetacheerd uit een politiedienst of bestuur waarin ze minstens vijf jaar ervaring hebben opgedaan in ambten die verband houden met de activiteiten van de politiediensten.
We herinneren eraan dat de wetgever bij de oprichting van het Vast Comité P – zoals bekrachtigd in artikel 67 van de wet van 18 juli 1991, als overgangsbepaling – bepaalde dat de eerste leden van de Dienst Enquêtes via een detachering uit een politiedienst of bestuur werden benoemd (voor zover de voorwaarden inzake ervaring van artikel 20 van de wet van 18 juli 1991 waren vervuld), wat het ab initio betrekkelijk hoge aantal gedetacheerde onderzoekers verklaart.

De uit een politiedienst gedetacheerde leden zijn, in het verlengde van die detachering, benoemd door het Vast Comité P als leden van de Dienst Enquêtes P voor een vernieuwbare termijn van 5 jaar.  
Die benoeming verleent hen een specifiek statuut, dat verschilt van dat van andere leden van een politiedienst of leden die uit zo’n dienst gedetacheerd zijn naar een andere dienst of instelling.  Dat specifieke statuut werd onlangs nog verduidelijkt in de twee wetten tot wijziging van de wet van 18 juli 1991
[41] .        
De samenstelling van de Dienst Enquêtes P is intrinsiek verbonden met de opdrachten die aan de dienst worden toevertrouwd.  Men onderscheidt drie soorten opdrachten: (1) opdrachten van gerechtelijke politie; (2) in zekere zin de opvolging van klachten afkomstig van particulieren en (3) auditopdrachten of toezichtsonderzoeken (thematische, opvolgings­onderzoeken, enz.).  Voor de eerste twee soorten opdrachten is het noodzakelijk te kunnen rekenen op onderzoekers die over ervaring en deskundigheid beschikken inzake gerechtelijke onderzoeken, verhoor van personen, speciale politietechnieken, enz.  Aangezien de gerechtelijke onderzoeken die aan de Dienst Enquêtes P worden toevertrouwd, van nature bijzonder gevoelig of belangrijk zijn, vereisen ze een doorgedreven politieopleiding.  Vooral in het kader van de auditopdrachten of de toezichtsonderzoeken is de inbreng van experts met een andere opleiding dan een politieopleiding absoluut noodzakelijk.   
Het Vast Comité P schenkt bijzonder veel aandacht aan de bekwaamheid van de leden van de Dienst Enquêtes P: er gelden strenge rekruteringseisen
[42] , er wordt een beleid van doorgedreven permanente opleiding gevoerd [43] en in het dagelijkse werk worden moderne, heel professionele methodes gebruikt [44] .

De wet van 18 juli 1991 voorziet in verschillende maatregelen om de onafhankelijkheid en de neutraliteit te waarborgen van de leden van de Dienst Enquêtes P die gedetacheerd zijn uit een politiedienst: (1) de mogelijkheid om definitief over te gaan naar het organiek statutair kader van de Dienst Enquêtes P [45] ; (2) het behoud van de rechten in het oorspronkelijke bestuur of de oorspronkelijke dienst [46] ; (3) de leden vallen onder de tuchtrechtelijke autoriteit van het Vast Comité P en niet onder die van het oorspronkelijke korps [47] ; (4) de aanstelling in een hogere graad [48] ; (5) bijzondere voorwaarden voor bevorderingen [49] en (6) een lid van de Dienst Enquêtes geniet voorrang op de andere kandidaten voor een functie binnen de politie­diensten op het einde van de detachering [50] .         
Zonder afbreuk te doen aan de moeilijkheid om een statuut ad hoc op te stellen en te laten aanvaarden voor de Dienst Enquêtes, kan worden gesteld dat die verschillende maatregelen bedoeld zijn om het
Vast Comité P in staat te stellen om geleidelijk (over een periode van 5 tot 10 jaar) het belangrijke aandeel – zoals de wetgever oorspronkelijk wilde – van onderzoekers gedetacheerd uit een politiedienst tot de helft van het personeelsbestand van de Dienst Enquêtes P terug te brengen, zoals bepaald in artikel 20 van de wet van 18 juli 1991, door ofwel een terugkeer naar de politiediensten, ofwel een definitieve overgang naar het organiek statutair kader van de Dienst Enquêtes P te bevorderen.  Het Vast Comité P bestaat nu tien jaar en het overgangsmechanisme dat in artikel 22quater van de wet van 18 juli 1991 is vastgelegd, zal weldra alsmaar meer worden toegepast.  Het aantal statutaire leden van de Dienst Enquêtes P zal dan aanzienlijk toenemen.

6.2.               Doelmatigheid van het toezicht

Om zijn opdracht van globale en geïntegreerde monitoring van de wijze waarop de politiediensten gestalte geven aan de politiezorg te kunnen uitvoeren, heeft de wetgever het Vast Comité P met verschillende onderzoeksmiddelen uitgerust waarmee het toegang moet hebben tot de nodige informatie om een betrouwbaar, relevant en zo volledig mogelijk zicht te hebben op het politielandschap en de problemen die er zich voordoen.   
Onverminderd de wettelijke bepalingen betreffende de onschendbaarheid en het voorrecht van rechtsmacht, kunnen het Vast Comité P en de Dienst Enquêtes P elke persoon van wie zij het verhoor noodzakelijk achten, uitnodigen om hem te horen.  De leden van de politie­diensten moeten gevolg geven aan elke schriftelijke oproep en mogen verklaringen afleggen over feiten die worden gedekt door het beroepsgeheim
[51] .     
De voorzitter van het Vast Comité P kan leden van politiediensten dagvaarden door tussenkomst van een gerechtsdeurwaarder.  Op straffe van strafrechtelijke vervolging, moeten deze leden getuigen na de eed te hebben afgelegd.  Ze zijn verplicht geheimen waarvan zij kennis dragen, aan het Vast Comité P bekend te maken, behalve indien ze betrekking hebben op een lopend opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek.  Als het lid van de politiedienst van oordeel is dat hij het geheim waarvan hij kennis draagt, moet bewaren omdat een persoon door de bekendmaking ervan fysiek gevaar zou kunnen lopen, wordt de kwestie voorgelegd aan de voorzitter van het Vast Comité P, die uitspraak doet
[52] .          
Het Vast Comité P en de Dienst Enquêtes P kunnen de medewerking van deskundigen en tolken vorderen
[53] .  De leden van de politiediensten die weigeren te getuigen voor het Vast Comité P en de deskundigen en de tolken die weigeren hun medewerking te verlenen, worden gestraft met gevangenisstraf van één maand tot één jaar [54] .  De leden van de Dienst Enquêtes P kunnen, voor het uitoefenen van hun opdrachten, de bijstand vorderen van de openbare macht [55] .     
Ook in het kader van niet-gerechtelijke onderzoeken, die meestal als toezichtsonderzoeken gekwalificeerd worden, zijn de leden van de Dienst Enquêtes P bevoegd om opsporingen te verrichten op de plaatsen waar de leden van een politiedienst in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991 hun functie uitoefenen en er alle voorwerpen en documenten die nuttig zijn voor hun onderzoek in beslag te nemen
[56] .  Bovendien kunnen het Vast Comité P en de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes dwingende antwoordtermijnen opleggen aan de diensten of aan de leden van de federale of van de lokale politie, waaraan ze vragen richten in de uitvoering van hun opdrachten [57] .           
Daarbij komt dat verschillende actoren, intervenanten of betrokken partijen bij de ‘res politia’ verplicht zijn bepaalde inlichtingen, documenten of dossiers aan het Vast Comité P mee te delen.  Het betreft meer bepaald de verplichtingen vermeld in de artikelen 9, 10, 14, 14bis, 14ter, 19 en 26, die elders in dit activiteitenverslag worden besproken.  Door het optreden van zijn operationele arm, nl. zijn Dienst Enquêtes, en de exploitatie van die verschillende inlichtingen, verzekert het Vast Comité P niet alleen een doeltreffend/doelmatig toezicht, maar ook in grote mate een effectief toezicht.  Dit wordt trouwens nog versterkt door de publiciteit die het Vast Comité P aan de resultaten van zijn verschillende onderzoeken geeft.

6.3.               Openbaarheid van het toezicht

Over elk toezichtsonderzoek wordt een algemeen of bijzonder verslag opgemaakt, dat wordt toegezonden aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers of aan de Senaat en aan verschillende politieoverheden.     
Het verslag beschrijft in het algemeen de gestelde onderzoeksdaden of de verrichte controles en bevat de besluiten over de teksten, activiteiten of methodes die de bescherming van de grondwettelijke rechten en fundamentele vrijheden van de burgers of de coördinatie en de doelmatigheid van de politiediensten in het gedrang zouden kunnen brengen.         
Wanneer het onderzoek werd ingesteld op vraag van de bevoegde minister of overheid, wordt aan die laatste een kopie van het verslag overgezonden.  Dat verslag is vertrouwelijk tot het aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers wordt meegedeeld en totdat het Vast Comité P een beslissing heeft genomen over de openbaarheid die eraan zal worden gegeven.           
De bevoegde minister of overheid kan trouwens ook worden ingelicht via een algemeen of bijzonder verslag, na een klacht of aangifte of na een reeks van klachten of aangiften.  De bevoegde minister of de bevoegde overheid kan over de onderzoeksverslagen een gedachtewisseling beleggen met het Vast Comité P.  Het Vast Comité P kan ook zelf het initiatief nemen om een dergelijke gedachtewisseling te organiseren.  Binnen een redelijke termijn licht de bevoegde minister of de bevoegde overheid het Vast Comité P in over het gevolg dat hij/zij aan zijn besluiten geeft.           
Na advies van de bevoegde minister of de bevoegde overheid, kan het Vast Comité P beslissen om zijn verslagen en besluiten geheel of gedeeltelijk openbaar te maken, volgens de modaliteiten die het vastlegt en overeenkomstig zijn huishoudelijk reglement, wat het geenszins nalaat te doen, zoals blijkt uit zijn diverse publicaties, zijn website www.comitep.be en de publiciteit die aan de inhoud ervan wordt gegeven.

7.                    Verdeling van de onderzoeken naar de misdaden en wanbedrijven die ten laste worden gelegd van de leden van de politiediensten tussen de Dienst Enquêtes P enerzijds en de politiediensten of de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie anderzijds [58]

7.1.               Situatie

7.1.1.         Gerechtelijke opdrachten van de Dienst Enquêtes P

Op grond van artikel 16 derde lid van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten stelt de Dienst Enquêtes P, uit eigen beweging of op vordering van de bevoegde procureur des Konings of onderzoeksrechter, de onderzoeken in naar de misdaden en wanbedrijven die ten laste worden gelegd van de leden van de politiediensten (nl. de geïntegreerde politiedienst zoals die is ingevoerd door de wet van 7 december 1998, evenals de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de andere politiediensten in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991, in voorkomend geval verduidelijkt door artikel 14bis van dezelfde wet); en dat samen met de andere officieren en agenten van gerechtelijke politie en zelfs met een recht van voorrang op deze.  Dat is trouwens de reden waarom alle leden van de Dienst Enquêtes P de hoedanigheid hebben van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings [59] .

7.1.2.         Overbelasting inzake gerechtelijke onderzoeken ten nadele van de toezichtsopdrachten ten dienste van het Parlement en de burgers, onder het gezag van het Vast Comité P

I n de loop van de jaren 90 heeft de parlementaire begeleidingscommissie van het Vast Comité P reeds herhaaldelijk verklaard te vaak te hebben moeten vaststellen dat de gerechtelijke overheden de onderzoeken naar om het even welke misdaden en wanbedrijven die ten laste werden gelegd van leden van de politiediensten systematisch toevertrouwden aan de Dienst Enquêtes P.  Zo maakten de gerechtelijke overheden van de Dienst Enquêtes P een gespecialiseerde politiedienst van de parketten terzake, terwijl ze het onderzoek net zo goed aan andere instanties konden toevertrouwen (meer bepaald de voormalige gerechtelijke politie bij de parketten of de voormalige bewakings- en opsporingsbrigades (BOB) van de rijkswacht en in bepaalde gevallen zelfs aan de gemeentepolitie).           
Tijdens de besprekingen met de parlementaire begeleidingscommissie werd verduidelijkt dat doordat bepaalde gerechtelijke instanties te vaak een beroep deden op de Dienst Enquêtes P, deze dienst, in sommige omstandigheden, hoofdzakelijk werkte voor de gerechtelijke overheden en te weinig beschikbaar was voor de uitvoering van de toezichtsonderzoeken waartoe het Vast Comité P opdracht gaf, zelfs indien dat op vraag was van het Parlement of van een andere overheid in de zin van de wet van 18 juli 1991
[60]
Hoewel de zaken ondertussen weliswaar enigszins veranderd zijn, valt de houding van sommige parketten of onderzoeksrechters nog te vaak te betreuren.  Ze houden nog altijd geen rekening met de ernst van de feiten, noch met de complexiteit van de zaak, noch met de specificiteit van de Dienst Enquêtes P.  Dat zijn nochtans stuk voor stuk elementen die de wetgever heel duidelijk kenbaar heeft gemaakt en die het Parlement sinds 1990 onafgebroken heeft herbevestigd, met name in de aanbevelingen van 1996 en 1998 van de Bijzondere commissies belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten.    
In 1995 reeds hebben de Bijzondere commissies van het Comité P en het Comité I een verslag opgesteld na de evaluatie van hun respectieve werking
[61] .  Op basis daarvan werden er in de lente van 1996 aanbevelingen aangenomen. 
In aanbeveling
nr. 11 [62] heeft de Kamer aangeraden om criteria vast te leggen voor de opdrachten die de gerechtelijke overheden aan de Dienst Enquêtes P kunnen toevertrouwen.  De voorzitter van het Vast Comité P – een magistraat overeenkomstig de bepalingen van de wet van 18 juli 1991 – zou mogen beslissen over de uitvoering en de werkverdeling van deze opdrachten.  De Kamer beval bovendien aan om een formule uit te werken opdat de resultaten van de onderzoeken het Vast Comité P in staat zouden stellen zijn taak in het kader van het beleidsvoorbereidend werk en de informatieverstrekking aan de wetgever uit te oefenen, via de parlementaire commissie ad hoc.

Aanbeveling nr. 11 was bedoeld om de oorspronkelijke wettelijke termen te verduidelijken, hoewel die al vrij duidelijk waren vanaf het begin, zelfs zonder de lezing van de al even duidelijke parlementaire voorbereiding.  Aan deze aanbeveling werd gedeeltelijk tegemoet gekomen door de wijzigingen aan de wet van 18 juli 1991 door de wet van 1 april 1999, meer bepaald door de invoeging van een vierde lid in artikel 16, van een artikel 20bis en een artikel 61bis, evenals door de wet van 3 mei 2003.

7.1.3.         Wijzigingen aan de wet van 18 juli 1991 door de wet van 1 april 1999 [63]

7.1.3.1.     Vierde lid van artikel 16 van de wet van 18 juli 1991

7.1.3.1.1.                     Principe

Om de overbelasting of de inadequate inzet van de Dienst Enquêtes P inzake gerechtelijke onderzoeken te verhelpen en in het verlengde van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus – die met name de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie instelt en ook de andere specifiek interne inspectie- en controlediensten zoals deze die zijn opgericht in het verlengde van de onderzoekscommissie “Mensenhandel” vermeldt – heeft de wet van 1 april 1999 een vierde lid ingevoegd in artikel 16 van de wet van 18 juli 1991: De uitvoering van de gerechtelijke onderzoeken mag de uitvoering van de andere opdrachten van de Dienst Enquêtes niet in het gedrang brengen.  Daartoe bepaalt de minister van Justitie, conform artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek en op voorstel van het Vast Comité P, of, enerzijds, de Dienst Enquêtes P, dan wel, anderzijds, de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie of de politiediensten prioritair worden belast met het onderzoek naar de wanbedrijven en misdaden welke leden van de politiediensten ten laste worden gelegd” .
In 1999 (na de ‘Franchimonthervorming’, de ‘Octopusakkoorden’ en de goedkeuring van de wet van 7 december 1998 die het politielandschap fundamenteel hervormd hebben) wilde men duidelijk een taakverdeling die met de nieuwe realiteit rekening houdt.  Het bestaan van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, van een intern toezicht en van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie moet de gevolgen opvangen van het verdwijnen van de vele verschillende politiediensten, die vóór de hervorming tussenbeide konden komen in een onderzoek waarin een lid van een andere politiedienst betrokken was.

7.1.3.1.2.                     Doelstelling

Zoals te lezen is in de parlementaire voorbereiding [64] , beoogt deze bepaling het gerechtelijk onderzoek waarmee de Dienst Enquêtes wordt belast, te beperken tot de feiten die de inschakeling van gespecialiseerde enquêteurs wettigen.  De tekst geeft aan dat het wenselijk is dat het gerechtelijk onderzoek inzake ernstige feiten, zoals geweldpleging of daden van corruptie of ernstige inbreuken bij de aanwending van de in het Wetboek van Strafvordering voorziene dwangmiddelen (huiszoeking, bijzondere opsporingsmethoden [65] , enz.) door de Dienst Enquêtes P wordt uitgevoerd, maar zulks is niet het geval voor minder ernstige inbreuken of voor inbreuken die een minder complex onderzoek vergen.  Het voorgestelde mechanisme is ontleend aan dat welk in artikel 5, derde lid van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt werd ingevoerd door artikel 153 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus : Overeenkomstig artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek en uitgaande van de principes van specialiteit en subsidiariteit, bepaalt de minister van Justitie bij richtlijn de opdrachten van gerechtelijke politie die prioritair worden vervuld, enerzijds, door de lokale politie, anderzijds, door de gerechtelijke diensten en andere diensten van de federale politie [66] .        
Een dergelijke verdeling is vrij snel gerealiseerd na de invoering van het nieuwe politielandschap op basis van de ‘Octopusakkoorden’ door de richtlijn van de minister van Justitie van 20 februari 2002
tot regeling van de taakverdeling, de samenwerking, de coördinatie en de integratie tussen de lokale en de federale politie inzake de opdrachten van gerechtelijke politie , zoals verspreid door de omzendbrief nr. COL 2/2002 van het College van procureurs-generaal bij de Hoven van beroep.         
Deze ministeriële richtlijn beoogt de volgende doelstellingen: (1) de regels voor de verdeling van de opdrachten van gerechtelijke politie tussen de lokale en de federale politie zo duidelijk mogelijk bepalen, door een algemeen principe (het passend op elkaar aansluiten van
het specialisatie- en subsidiariteitsbeginsel ) te formuleren, evenals een aantal criteria om de complexiteit van de zaak te bepalen en (2) de coördinatie en de geïntegreerde werkingsmechanismen tussen de twee structurele niveaus van de nieuwe politie vastleggen.        
De wil van de wetgever van 1998 en 1999 stemt dan ook zonder twijfel volledig overeen met de wens van het Vast Comité P en zijn parlementaire begeleidingscommissie ...

Volgens diezelfde filosofie moet de verdeling van de gerechtelijke onderzoeken tussen de Dienst Enquêtes P enerzijds en de politiediensten of de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie anderzijds worden gerealiseerd, zoals bepaald in het vierde lid van artikel 16 van de wet van 18 juli 1991.  De gerechtelijke instanties moeten natuurlijk nog over een zekere beoordelingsvrijheid beschikken.  Maar de verdeling van deze gerechtelijke onderzoeken volledig aan hen overlaten, zoals sommigen zouden willen, is niet in overeenstemming met de bepalingen van de wet van 18 juli 1991, zoals gewijzigd door de wet van 1 april 1999, of de wet van 7 december 1998, noch met de parlementaire voorbereidingen van die wetten, noch met de ratio legis die vraagt dat zo’n verdeling op coherente en zinvolle wijze gebeurt.  Integendeel, in de parlementaire voorbereidingen wordt het subsidiariteits- en specialiteitsbeginsel gehuldigd waarbij de ernst en de complexiteit van de zaak een rol moeten spelen, evenals de specificiteit van de Dienst Enquêtes P in vergelijking met alle andere betrokken instanties of wanneer het noodzakelijk is op grond van de omstandigheden of de specificiteit van de betrokkenen.

7.1.3.1.3.                     Een duidelijke tekst behoeft geen interpretatie

Jammer genoeg zijn sommige juridische teksten niet altijd even duidelijk, maar artikel 16, vierde lid van de wet van 18 juli 1991 – net als de artikelen 61bis en 20bis trouwens – is heel begrijpelijk en toegankelijk.  Het principe van dat artikel is dat de uitvoering van de gerechtelijke onderzoeken de uitvoering van de andere opdrachten van de Dienst Enquêtes P niet in het gedrang mag brengen.  Daartoe voorziet artikel 16, vierde lid van de wet van 18 juli 1991 in een tussenkomst van de minister van Justitie, op voorstel van het Vast Comité P en conform artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek [67] – nl. na het advies van het College van procureurs-generaal te hebben ingewonnen – door middel van een richtlijn voor crimineel beleid, die voor alle leden van het openbaar ministerie dwingend is en waarvan de goede uitvoering bewaakt wordt door de procureurs-generaal bij de Hoven van beroep.        
In die richtlijn moet de minister van Justitie bepalen of
enerzijds de Dienst Enquêtes P, dan wel anderzijds de Algemene inspectie van de federale en van de lokale politie of de andere componenten van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus prioritair worden belast met het onderzoek naar de wanbedrijven en misdaden die leden van de politiediensten ten laste worden gelegd .

7.1.3.2.     Artikel 20bis van de wet van 18 juli 1991

De wet van 1 april 1999 heeft ook een artikel 20bis ingevoegd in de wet van 18 juli 1991 om het aantal onderzoekers te beperken die speciaal belast zijn met de uitvoering van de gerechtelijke opdrachten bedoeld in artikel 16 van die wet.  Op grond van de toenmalige bepaling mag het aantal onderzoekers die speciaal belast zijn met de uitvoering van de gerechtelijke onderzoeken zoals bedoeld in artikel 16 niet minder bedragen dan de helft van het personeelsbestand van de Dienst Enquêtes P en niet meer dan twee derde ervan.  Bovendien mag de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes P de uitvoering van de vorderingen die hij van de gerechtelijke overheden in ontvangst neemt niet aan de andere leden van de Dienst Enquêtes opdragen, behoudens toestemming van de voorzitter van het Vast Comité P.

7.1.3.3.     Artikel 61bis van de wet van 18 juli 1991

De bepalingen van het vierde lid van artikel 16 en van artikel 20bis van de wet van 18 juli 1991 worden aangevuld door artikel 61bis, dat is ingevoegd door de wet van 1 april 1999.  Artikel 61bis bepaalt dat de voorzitter ervoor zorgt dat de uitvoering van de opdrachten van gerechtelijke politie de uitvoering van de toezichtsonderzoeken niet hindert.  Daartoe voert hij met de bevoegde gerechtelijke overheden het nodige overleg.      
Zo heeft de wetgever aan de voorzitter van het Vast Comité P zeer duidelijk een rol toevertrouwd om de beschikbare capaciteit autonoom te beoordelen en terzake een beslissing te nemen, duidelijk naar het voorbeeld van de arbitragebevoegdheid van het federaal parket in sommige omstandigheden.

Niettegenstaande het uiteraard wenselijk is dat capaciteitsproblemen worden voorkomen door voorafgaand overleg, heeft de wetgever er geen twijfel over laten bestaan dat de uiteindelijke beslissing aan de voorzitter van het Vast Comité P toekomt.     
In de dagelijkse praktijk is het trouwens zo dat wanneer de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes meent dat een dossier niet beantwoordt aan de criteria, hij, vooraleer het dossier onuitgevoerd terug te sturen, de voorzitter daarvan in kennis stelt, die dan een beslissing neemt en het Vast Comité P inlicht.

7.1.4.         Wijzigingen aan de wet van 18 juli 1991 door de wet van 3 mei 2003 [68]

7.1.4.1.     Artikel 20ter van de wet van 18 juli 1991

De wet van 3 mei 2003 wil de toevlucht tot de Dienst Enquêtes P door de gerechtelijke overheden beperken, door het aantal onderzoekers die speciaal belast zijn met de uitvoering van de gerechtelijke onderzoeken bedoeld in artikel 16 van de wet van 18 juli 1991 opnieuw te beperken.  De wet bepaalt immers dat het aantal enquêteurs dat speciaal belast wordt met de uitvoering van de gerechtelijke onderzoeken bedoeld in artikel 16 niet meer mag bedragen dan de helft van het personeelsbestand van de Dienst Enquêtes P.  Het vroegere artikel 20bis, dat werd ingevoegd door de wet van 1 april 1999, is zo artikel 20ter van de wet van 18 juli 1991 geworden .
Deze recente wijziging bevestigt de opvatting dat de Dienst Enquêtes prioritair ten dienste staat van het Vast Comité P (en dus ten dienste van het Parlement en van de burger) en dat zijn gerechtelijke opdrachten beperkt zijn tot de feiten waarvoor het verantwoord is een beroep te doen op gespecialiseerde enquêteurs
[69]
In de memorie van toelichting van de wet van 3 mei 2003 staat immers te lezen dat zowel de parlementaire stukken als de bevoegde ministers bevestigen dat de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P geen ‘politie van de politie’ is, zodat de gerechtelijke onderzoeken die aan deze dienst worden toevertrouwd derhalve beperkt zouden moeten worden tot de feiten waarvoor het verantwoord is een beroep te doen op gespecialiseerde enquêteurs.  Daaruit vloeit voort dat een onderzoek naar ernstige feiten, zoals geweldpleging of corruptie
of ernstige inbreuken bij de aanwending van de in het Wetboek van Strafvordering voorziene dwangmiddelen (huiszoeking, bijzondere opsporingsmethoden, enz.), tot de bevoegdheid van de Dienst Enquêtes P behoort.  Het is de wil van de wetgever geweest om een deel van de enquêteurs voor te behouden voor het voeren van toezichtsonderzoeken.  De Dienst Enquêtes P moet vooreerst de opdrachten van het Vast Comité P uitvoeren.  De gerechtelijke opdrachten moeten dus binnen de limieten van het toepassingsgebied ratione materiae van de wet van 18 juli 1991 blijven.  Ze moeten, in elk geval, in zekere zin een uitzondering zijn op de massa inbreuken die politieambtenaren kunnen worden ten laste gelegd en moeten bijgevolg tot een minimum beperkt worden.  De Dienst Enquêtes P mag geen orgaan worden dat hoofdzakelijk afhangt van de uitvoerende of van de rechterlijke macht [70] .

Zo moet, zelfs voor gerechtelijke opdrachten , de activiteit van de Dienst Enquêtes P geconcentreerd blijven op het toepassingsgebied van de wet van 18 juli 1991 en dus op de wettelijke opdrachten van het Vast Comité P die gericht zijn op drie doelstellingen: (1) de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wetten aan de burgers toekennen; (2) de coördinatie van de politiediensten; (3) de doelmatigheid s.l. van de politiediensten.

7.1.5.         Gebrek aan ministeriële richtlijn

Het Vast Comité P heeft zijn deel van het werk zo snel mogelijk volbracht en meermaals een voorstel tot verdeling geformuleerd aan de minister van Justitie.  De minister zou dat aan het College van procureurs-generaal hebben voorgelegd.  Het Vast Comité P heeft hiervoor talrijke gedachtewisselingen gehad met de verschillende betrokken partijen, met name met de minister van Justitie en zijn naaste medewerkers, het College van procureurs-generaal, de procureur-generaal van Bergen die houder is van de portefeuille ‘Politie’ en het deskundigen­netwerk van het College van procureurs-generaal, de vertegenwoordigers van de Raad van procureurs des Konings, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie evenals de Vaste Commissie van de gemeentepolitie (lokale politie).  De kwestie is ook terloops aangekaart met de commissaris-generaal.     
Op 1 december 2000 werd een eerste voorstel gedaan aan de minister van Justitie.  Zonder dat er een passende of duidelijke reactie van de overheid is geweest, werd dat voorstel na verschillende nieuwe gedachtewisselingen aangepast en opnieuw overgemaakt in september 2002, na een nieuw overleg met de belangrijkste betrokken partijen, zoals de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie.         
Tot op heden hebben we nog geen enkel constructief antwoord ontvangen.  Het Vast Comité P heeft aan zijn parlementaire begeleidingscommissie ook geregeld meegedeeld dat het dit dossier graag zou afronden.  Bij aanvang van elke nieuwe legislatuur en bij elke gelegenheid ad hoc blijft het Vast Comité P nieuwe contacten aanknopen, zowel formele als informele, opdat er schot zou komen in deze zaak.  De kwestie is vrij recent nog twee keer aangekaart in vergaderingen met de parlementaire begeleidingscommissie in aanwezigheid van vertegenwoordigers, naaste medewerkers, van de minister van Justitie.

7.1.6.         Nood aan regeling

Meer dan zes jaar na de invoeging van het vierde lid in artikel 16 van de wet van 18 juli 1991 en meer dan vierenhalf jaar na de indiening van het eerste voorstel van het Vast Comité P terzake, is het hoog tijd dat er eindelijk schot komt in de zaak en dat de duidelijke en herhaalde keuze van de wetgever werkelijkheid wordt.     
Waarom wordt aan de concepten ‘verdeling’ en ‘overeenkomstig artikel 143ter’ in twee aanvullende wetten niet dezelfde draagwijdte gegeven?  Waarom zou men een echte arbitragebevoegdheid eisen voor de aanwending van capaciteit die duidelijk bestemd is voor de implementatie van dezelfde politiebevoegdheid onder het gezag en op kosten van dezelfde macht en stelt men zich te terughoudend op om arbitrages te aanvaarden ten aanzien van een actor die bestemd is voor andere taken onder de verantwoordelijkheid van een andere macht?

7.2.               Voorstellen

Overeenkomstig het vierde lid van artikel 16 van de wet van 18 juli 1991 is het Vast Comité P belast met het formuleren van een voorstel aan de minister van Justitie over de verdeling van de onderzoeken naar misdaden en wanbedrijven die ten laste worden gelegd van de leden van de politiediensten tussen de Dienst Enquêtes P enerzijds en de verschillende componenten van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus ingevoerd door de wet van 7 december 1998 of de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie die door dezelfde wet is ingevoerd anderzijds.

Het Vast Comité P baseert zijn voorstel op de duidelijke wil van de wetgever, namelijk het dubbele beginsel van specialiteit/specificiteit van de Dienst Enquêtes P gekoppeld aan de subsidiariteit van zijn inzet [71] .

(1)  De gerechtelijke onderzoeken die aan de Dienst Enquêtes P worden toevertrouwd, moeten binnen de limieten blijven niet alleen van het toepassingsgebied ratione personae maar ook van het toepassingsgebied ratione materiae van de wet van 18 juli 1991 en dus in het kader van de wettelijke opdrachten en bevoegdheden die aan het Vast Comité P zijn toevertrouwd en gericht zijn op drie doelstellingen: (1.1) de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wetten aan de burgers toekennen; (1.2) de coördinatie van de politiediensten; (1.3) de doelmatigheid s.l. van de politiediensten.

(2)  De gerechtelijke onderzoeken die aan de Dienst Enquêtes P worden toevertrouwd, moeten beperkt blijven tot de feiten die een zekere graad van ernst en complexiteit vertonen waarvoor het verantwoord is een beroep te doen op gespecialiseerde enquêteurs, leden van een ‘bijzondere politie’ in de klassieke betekenis van het woord, wier specialiteit meer inhoudt dan de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, hulpofficier van de procureur des Konings.         
Het gaat meer bepaald om de onderzoeken naar de volgende feiten: (2.1)
 wanbedrijven waarbij de fysieke integriteit wordt aangetast met zware gevolgen , met uitzondering van verkeersongevallen, of die het gevolg zijn van het gebruik van vuurwapens en de terbeschikkingstelling van individuele, collectieve en specifieke wapens, met uitzondering van de slagwapens en spuitbussen; (2.2)  overlijden van een persoon die onder het toezicht van een politiedienst stond ; (2.3)   corruptie of ernstige inbreuken bij de aanwending van de in het Wetboek van Strafvordering voorziene dwangmiddelen (huiszoeking, bijzondere opsporingsmethoden, enz.) , artikel 246 en volgende van het Strafwetboek (omkoping van personen die een openbaar ambt uitoefenen) en artikel 324bis van het Strafwetboek (georganiseerde misdaad) wat de politieambtenaren betreft (in voorkomend geval, in samenwerking met de Centrale Dienst voor de Bestrijding van Corruptie (CDBC) van de federale politie waarmee overigens een protocol ad hoc is afgesloten); (2.4)  misdrijven in het kader van operaties met toepassing van bijzondere opsporingsmethoden en andere onderzoeksmethoden, zoals o.a. afluisteren, inbreuken op artikel 259bis van het Strafwetboek; (2.5)  onrechtmatige gevangenhouding ; (2.6)  onwettige huiszoeking ; (2.7)  verduistering beperkt tot de voorwerpen waarvoor de eigenaar zelf geen klacht indient (bv. verdovende middelen, valsmunterij, in beslag genomen voorwerpen); (2.8)  klachten over wanbedrijven ten laste van politieambtenaren die in belangrijke strafzaken optreden en verband houden met hun onderzoek ; (2.9)   inbreuken op de wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden die, gezien hun bijzondere ernst of hun repetitief karakter, wijzen op een duidelijke ‘vervaging’ van de norm terzake; (2.10)  klachten over bepaalde wanbedrijven gepleegd door personen die binnen de politieorganisatie een functie van hoog niveau bekleden.

(3)  De specificiteit van de Dienst Enquêtes P is ook nauw verbonden met zijn onafhankelijkheid, autonomie en externaliteit zowel ten opzichte van de uitvoerende macht en de politiediensten die ervan afhangen, als ten opzichte van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, een orgaan dat, hoewel het autonoom is ten opzichte van de geïntegreerde politiedienst, onder het rechtstreeks gezag van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie staat en aan het toezicht van het Vast Comité P onderworpen is.    
We denken hier in het bijzonder aan de zaken die, vanwege hun delicate karakter of bepaalde gevoeligheden, de tussenkomst van een volledig extern orgaan vereisen, dat autonoom en onafhankelijk is van alle politiediensten of componenten ervan in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991.

Noten



[1]           Wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten (B.S. van 26 juli 1991) zoals gewijzigd door de wet van 15 december 1993 (B.S. van 9 maart 1994), de wet van 21 december 1994 (B.S. van 23 december 1994), de wet van 30 november 1998 (B.S. van 18 december 1998), de wet van 1 april 1998 (B.S. van 3 april 1999), de wet van 20 juli 2000 (B.S. van 1 augustus 2000) en de wetten van 3 mei 2003 (B.S. van 1 juli 2003), zijnde de wet tot invoeging van bijzondere maatregelen inzake aanstelling, bevordering en evaluatie van de leden gedetacheerd uit een politiedienst in de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en de wet tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en van de wet van 5 augustus 1992 op het politie­ambt.

[2]           In de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingen­diensten: “In deze wet wordt verstaan onder: 1° "politiediensten", naast de lokale politie en de federale politie, de diensten die ressorteren onder de overheden en instellingen van openbaar nut, waarvan de leden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie of van agent van gerechtelijke politie zijn bekleed […] Voor de toepassing van deze wet worden met politiediensten gelijkgesteld, de personen die individueel bevoegd zijn om strafbare feiten op te sporen en vast te stellen”.

[3]           Artikel 3 elders aangehaald en gepreciseerd door het artikel 14bis: “Het Vast Comité P stelt ook onderzoeken in naar de activiteiten en de werkwijzen van de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie”.

[4]           In de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten spreekt men in artikel 1 in de Nederlandse versie over de doelmatigheid, terwijl men het in datzelfde artikel in de Franse versie heeft over efficacité.  Artikel 1: “[…] Het toezicht heeft in het bijzonder betrekking op de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen, alsook op de coördinatie en de doelmatigheid, enerzijds, van de politiediensten en, anderzijds, van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten”.

[5]           Wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (B.S. van 22 december 1992).

[6]           Wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (B.S. van 5 januari 1999).

[7]           ‘Politia’, omzetting van het Griekse ‘politeia’, duidt bij Cicero de ‘Republiek’ aan (van Plato) en betekent ‘bestuur van de Staat’ in laat Latijn, meer bepaald bij Cassiodorius.  Zie BOURDOUX, Gil. L., BERKMOES, H. & VANDOREN, A. (Eds.), Pour une police responsable, transparente, démocratique – Voor een verantwoorde, transparante, democratische politiezorg, Brussel, Politeia, 2004, p. 12.

[8]           Zie o.a. de artikelen 9, 10, 14, 14bis, 14ter en 26 van de wet van 18 juli 1991.

[9]           Artikel 14bis van de wet van 18 juli 1991: “[…] De commissaris-generaal van de federale politie, de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de korpschefs van de lokale politie sturen aan het Vast Comité P ambtshalve een kopie van de klachten en aangiften die zij betreffende de politiediensten hebben ontvangen en bij het afsluiten van het onderzoek een korte samenvatting van het resultaat ervan […]”.        
Artikel 26 van de wet van 18 juli 1991: “Elk lid van een politiedienst dat een misdaad of een wanbedrijf gepleegd door een lid van een politiedienst vaststelt, stelt daarover een informatief verslag op en bezorgt dat binnen vijftien dagen aan de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes P”.

[10]         Voor 2003 was dit 69,66 %.

[11]         Artikel 20ter van de wet van 18 juli 1991.

[12]         Wetsontwerp tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, Memorie van Toelichting, Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1305/1, p. 7.

[13]         1520 manuur x 47 onderzoekers = 71440 manuur x 32% besteed aan gerechtelijk onderzoek = 22860.  In de veronderstelling dat gemiddeld genomen een onderzoek in een arrondissement dezelfde capaciteit vergt, dan gaan er 7,95 FTE op in onderzoeken ten behoeve van Brussel (22860 manuur x 52,81 % = 12090/1520 = 7,95).

[14]         Politiejournaal & Politieofficier, Brussel, Politeia, oktober 2004, nr. 7.

[15]         BOURDOUX, Gil. L., BERKMOES, H. en VANDOREN, A. (Eds), Pour une police responsable, transparente et démocratique - Voor een verantwoorde, transparante, democratische politiezorg, Brussel, Politeia, 2004, 747 p.

[16]         BOURDOUX, Gil. L., VANDOREN, A. en REITER, M. (Eds), Le citoyen et le fonctionnement de la police au sein de l’Union Européenne – Citizens and the workings of police forces within the European Union, Brussel, Politeia, 2004, 351 p.

[17]         Het CAF-model is een instrument voor zelfevaluatie naar het voorbeeld van het EFQM-model.

[18]         Evaluatie van de hervorming van de politiediensten, verslag namens de Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve aangelegenheden uitgebracht door mevrouw Leduc, Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-566/1.

[19]         Verslag namens de Commissie voor de Comptabiliteit uitgebracht door de heer Pierre Lano, Parl.  St., Kamer, 2004-2005, nr. 1476/001, p. 22-24 en Parl. St., Kamer, 2004-2005, nr. 1476/002, p. 247-289.

[20]         De aandacht werd duidelijk gevestigd op het feit dat al deze personen slechts dienden te antwoorden op die vragen waaromtrent zij over relevante informatie beschikten.

[21]         Hij maakte enkel opmerkingen over de rangschikking of weging van de doelstellingen en het feit dat hij geen echte inspraak zou hebben gehad bij het opstellen van de vragenlijst.  Er werd ook overeengekomen dat de toegepaste methodologie het voorwerp zou uitmaken van een afzonderlijke kritische bespreking, in de rand van het evaluatieproces.

[22]         De commissie wenste dus te benadrukken dat niet alleen de afgesproken analyse geen absolute waarde heeft, maar dat zij uiteraard de verstrekte antwoorden kritisch heeft geëvalueerd en getoetst aan haar eigen kennis en ervaring.

[23]         Opgericht door de Raad van Europa op grond van artikel 1 van het Europees Verdrag ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (zoals aangenomen in Straatsburg op 26 november 1987 en goedgekeurd door de wet van 7 juni 1991 – B.S. van 29 januari 1992).  Het Comité bezoekt van hun vrijheid beroofde personen om hen beter te beschermen tegen foltering en onmenselijke of vernederende behandeling.

[24]         Opgericht door het Hoog Commissariaat voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties, op grond van artikel 17 van het Internationaal Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling en bestraffing (CAT) (zoals aangenomen in New York op 10 december 1984 en goedgekeurd door de wet van 9 juni 1999 – B.S. van 28 oktober 1999).

[25]         Opgericht door het Hoog Commissariaat voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties, op grond van artikel 28 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (zoals aangenomen in New York op 19 december 1966 en goedgekeurd door de wet van 15 mei 1981 – B.S. van 6 juli 1983).

[26]         De ECRI is een instantie van de Raad van Europa die belast is met het bestrijden van racisme, rassen­discriminatie, xenofobie, antisemitisme en intolerantie in groot Europa vanuit de invalshoek van de bescherming van de rechten van de mens, in het licht van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en de bijbehorende aanvullende protocollen en de rechtspraak hierover.

[27]         Opgericht door het Hoog Commissariaat voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties, op grond van artikel 8 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie (CERD) (zoals aangenomen in New York op 21 december 1965 en goedgekeurd bij wet van 9 juli 1975 – B.S. van 11 december 1975).

[28]         De wet van 18 juli 1991 bepaalt duidelijk dat aan het Vast Comité P moeten worden meegedeeld: (1) Ambtshalve: de interne reglementen en richtlijnen, alsmede alle documenten die de handelwijze van de leden van de politiediensten regelen; een kopie van de vonnissen en arresten betreffende misdaden of wanbedrijven begaan door de leden van de politiediensten; een kopie van de klachten en aangiften betreffende de politiediensten die de commissaris-generaal van de federale politie, de algemene inspectie van de federale en van de lokale politie en de korpschefs van de lokale politie hebben ontvangen, evenals een korte samenvatting van de resultaten van het onderzoek bij de afsluiting ervan; de tuchtmaatregelen of ordemaatregelen die zijn uitgeproken tegen een lid van een politiedienst; een kopie van het jaarverslag van de politiediensten of van elk ander algemeen verslag over hun werking; (2) Op verzoek: een kopie van stukken of documenten of van de inlichtingen betreffende de strafrechtelijke procedures ten laste van de leden van de politiediensten voor misdaden of wanbedrijven begaan tijdens de uitoefening van hun ambt; alle teksten die het Vast Comité P noodzakelijk acht voor het vervullen van zijn opdracht; (3) Het Vast Comité P wordt ook op de hoogte gebracht telkens als tegen een lid van een politiedienst een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek wordt ingesteld.  Ten slotte stelt elk lid van een politiedienst dat een misdaad of een wanbedrijf gepleegd door een lid van een politiedienst vaststelt, daarover een informatief verslag op en bezorgt dat aan de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes P.
Met het oog op wederzijdse informatieverstrekking, samenwerking en overleg, zijn er onlangs mechanismen voor informatieoverdracht ingevoerd, via protocollen die met de federale politie, de lokale politie, de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, alsook met het Centrum voor gelijkheid van kansen zijn afgesloten.  Andere protocollen met de verschillende betrokkenen of spelers van de res politia krijgen stilaan concrete vorm: bijvoorbeeld met de magistraat die aan het hoofd staat van het controleorgaan inzake het informatiebeheer.

[29]         De wet van 18 juli 1991 bepaalt in art. 1 van de Nederlandse versie het toezicht op de “doelmatigheid” van de politiediensten.  De wet vertaalt “doelmatigheid” in zijn Franse versie echter door “efficacité”.  Op zich hebben beide noties geen eenduidige betekenis.  Gaat het over prestatiemeting (wat doet de politie in functie van haar middelen?) en/of beoogde de wetgever eerder een effectmeting van de politieactiviteiten en de aanwending van middelen (wat is het resultaat van de politiewerking?)?  In het verlengde van de parlementaire voorbereiding, verkoos het Vast Comité P zijn bevoegdheden zo ruim mogelijk te interpreteren vanuit de filosofie die de wetgever volgde bij zijn oprichting (cf. BOURDOUX, Gil. L., “Neutralité, indépendance, vigilance, loyauté et transparence, Le Comité au service du Parlement et du citoyen en partenariat avec les autres contrôles” in Custodes, interne en externe controle, Brussel, Politeia, 2/2001, p. 61).

[30]         Wetsontwerp tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, Memorie van toelichting, Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1305/1, p. 5 en 6.

[31]         Zie ook Jaarverslag 1998 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, p. 111-112.

[32]         BOURDOUX, Gil. L., BERKMOES, H. en VANDOREN, A. (Eds.), o.c, p. 537-593.

[33]         Geregeld door de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus (B.S. van 5 januari 1999).

[34]         Artikel 4 van de wet van 18 juli 1991.

[35]         Artikel 63 van de wet van 18 juli 1991.

[36]         Artikel 64 van de wet van 18 juli 1991.

[37]         Artikel 65 van de wet van 18 juli 1991.

[38]         Cf. Verslag aan de Belgische Regering over het bezoek van het Europees Comité inzake de voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) aan België van 31 augustus tot 12 september 1997, p. 26.

[39]         Op grond waarvan het gedetacheerd lid dat, op het einde van de eerste hernieuwbare termijn van vijf jaar, een laatste evaluatie met eindvermelding “goed” heeft, aan het Vast Comité P zijn definitieve overgang naar het organiek statutair kader van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P mag vragen.   
Het lid van de Dienst Enquêtes dat, op het einde van de tweede hernieuwbare termijn van vijf jaar, een laatste evaluatie met de eindvermelding “goed” heeft, kan van rechtswege worden opgenomen in het organiek statutair kader van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P.

[40]         Artikel 20 van de wet van 18 juli 1991.

[41]         Meer bepaald de wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (B.S. van 1 juli 2003) en de wet van 3 mei 2003 tot invoeging van bijzondere maatregelen inzake aanstelling, bevordering en evaluatie van de leden gedetacheerd uit een politiedienst in de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten (B.S. van 1 juli 2003).

[42]         De kandidaat moet niet alleen voldoen aan hoge rekruteringsvoorwaarden (universitair diploma, beroepservaring, voortgezette opleiding, talenkennis, enz.) en een strenge rekruteringsprocedure volgen, maar moet ook een proef- of stageperiode doorlopen.  Het zijn stuk voor stuk elementen die een waarborg vormen voor de degelijkheid en het professionalisme van de leden van de Dienst Enquêtes P.

[43]         De voortgezette opleidingen die aan de leden van de Dienst Enquêtes P worden verstrekt, zowel op gerechtelijk gebied als op het gebied van management, zorgen ervoor dat ze beter het hoofd kunnen bieden aan de situaties waarmee ze geconfronteerd worden.  De leden van de Dienst Enquêtes P moeten immers op de hoogte zijn van de wetgeving en regelgeving over de politiediensten, maar ook van de internationale politiemodellen (community policing, nultolerantie, enz.) en de moderne management-, audit- en kwaliteitscontroletechnieken.  Op vraag van het Parlement zijn die nieuwe onderzoeks- en controletechnieken binnen het Vast Comité P geïmplementeerd.  De leden van de Dienst Enquêtes genieten, als leden van een ‘learning organisation’, een voortgezette opleiding.  Zo hebben de leden naast de gespecialiseerde opleidingen over verschillende thema’s die verband houden met materies die de Dienst onderzoekt, ook opleidingen gevolgd in ‘total quality management’, audittechnieken, ‘balanced scorecard’, EFQM (European Foundation for Quality Management), CAF (Common assessment Framework), enz. (cf. Wetsvoorstel tot invoeging van bijzondere maatregelen inzake aanstelling, bevordering en evaluatie van de leden gedetacheerd uit een politiedienst in de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, Parl. St., Kamer, 2002-2003, nr. 2142/001, p. 4).

[44]         De controleprocedures die de leden van de Dienst Enquêtes P volgen, zijn geïnspireerd op de laatste publicaties met betrekking tot management en de cursussen van externe consultants over die materie.  De onderzoeken die hen worden toevertrouwd, worden uitgevoerd volgens een vooraf opgestelde procedure en vaak op basis van gedetailleerde schema’s die het mogelijk maken een volledige radioscopie van een politiekorps of -dienst te maken, er de zwakke en sterke punten van op te sporen, aanbevelingen te formuleren en gericht een gangbare praktijk of de werksfeer binnen een bepaalde afdeling te onderzoeken.

[45]         Artikel 22quater van de wet van 18 juli 1991.

[46]         Artikel 20 van de wet van 18 juli 1991.

[47]         Artikel 20bis van de wet van 18 juli 1991.

[48]         Artikel 20 van de wet van 18 juli 1991.

[49]         Artikel 22bis van de wet van 18 juli 1991.

[50]         Artikel 22ter van de wet van 18 juli 1991.

[51]         Artikel 24 § 1 van de wet van 18 juli 1991.

[52]         Artikel 24 § 2 van de wet van 18 juli 1991.

[53]         Artikel 24 § 3 van de wet van 18 juli 1991.

[54]         Artikel 24 § 4 van de wet van 18 juli 1991, in fine.

[55]         Artikel 25 van de wet van 18 juli 1991.

[56]         Artikel 27 van de wet van 18 juli 1991.

[57]         Artikel 27bis van de wet van 18 juli 1991.

[58]         Ingevolge artikel 16, vierde lid van de wet van 18 juli 1991.

[59]         Zie artikel 21 van de wet van 18 juli 1991.

[60]         Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 673/2 en Senaat, 1997-1998, nr. 390/3, p. 9.

[61]         Cf. Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 437/1 en Senaat, nr. 1-258/1.

[62]         Parl. St., Kamer, 1995-1996, nr. 437/4, p. 4.

[63]         Wet van 1 april 1999 houdende wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten (B.S. van 3 april 1999).

[64]         Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1268/1, p. 8.

[65]         In die zin gaat trouwens de Omzendbrief nr. COL 6/2003 van het College van procureurs-generaal bij de Hoven van beroep inzake de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden.

[66]         Parl. St., Senaat, 1998-1999, nr. 1268/1, p. 8.

[67]         Artikel 143ter van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt: “De minister van Justitie legt de richtlijnen van het strafrechtelijk beleid vast, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, nadat hij het advies van het college van procureurs-generaal heeft ingewonnen. Deze richtlijnen zijn bindend voor alle leden van het openbaar ministerie. De procureurs-generaal bij de hoven van beroep staan in voor de tenuitvoerlegging van deze richtlijnen binnen hun rechtsgebied”.

[68]         Wet van 3 mei 2003 tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (B.S. van 1 juli 2003).

[69]         Parl. St., Kamer, 2001-2002, nr. 1790/01, p. 11.

[70]         Idem.

[71]         Zie ook de parlementaire besprekingen over artikel 26 van de wet van 18 juli 1991 (cf. Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1305/8, p. 100-102.