Hoofdstuk I: Het Vast Comité P, het observatorium voor een globale visie op de politiezorg
Afdeling 1: Werking van het Vast Comité P
Afdeling 2: Evaluatie van de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de adjunct-directeurs-generaal
Afdeling 3: Enkele bedenkingen omtrent de werking van het Vast Comité P
5. Relaties met de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de rechten van de mens5.2. Kennis en knowhow ontwikkeld inzake het toezicht op de eerbiediging van de rechten en vrijheden van de burgers bij de uitoefening van het politieambt7. Verdeling van de onderzoeken naar de misdaden en wanbedrijven die ten laste worden gelegd van de leden van de politiediensten tussen de Dienst Enquêtes P enerzijds en de politiediensten of de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie anderzijds
Algemene
inleiding: Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten,
een actor in de transparante en verantwoorde implementatie van de politiefunctie
door de politiediensten
Met de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht
op politie- en inlichtingendiensten
[1] heeft de wetgever
een specifiek extern, globaal en geïntegreerd toezicht en controle op de politiediensten [2]
in België ingevoerd, dat wordt verzekerd door een
onafhankelijke en neutrale instelling, die onder het toezicht van het Parlement
valt: het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten.
Het Vast Comité P waakt erover dat zijn opdrachten worden uitgevoerd
in alle objectiviteit, neutraliteit en transparantie enerzijds tegenover het
Parlement en anderzijds tegenover de ministers en andere bevoegde overheden,
de politieambtenaren, alsook tegenover de burgers. In dit opzicht maakt het
Vast Comité P er een erezaak van om op te treden, te onderzoeken en te
controleren vanuit een democratische benadering, met respect voor het primaat
van het recht en de fundamentele rechten en vrijheden van elkeen.
Het Vast Comité P is, krachtens de wet, belast met het extern
toezicht op alle politiediensten en hun agenten en officieren, alsook op de
ambtenaren, officieren of agenten, en, in voorkomend geval, op andere personen
die individueel bekleed zijn met een politiebevoegdheid. Het Comité P
oefent bovendien toezicht en controle uit op de Algemene inspectie van de
federale politie en van de lokale politie alsook op de controle- en inspectiediensten
[3] die specifiek
intern zijn aan de politiekorpsen of -diensten in de zin van artikel 3
van de wet van 18 juli 1991.
Het Vast Comité P bestudeert: (1) de activiteiten en methodes van
de politiediensten; (2) hun interne reglementen en richtlijnen; (3) alle
documenten aangaande het gedrag van de leden van de politiediensten, met uitzondering
van de richtlijnen over het opsporings- en vervolgingsbeleid van misdrijven
en het beleid betreffende de bestuurlijke politie; (4) de activiteiten
en methodes van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale
politie alsook de controlediensten die specifiek intern zijn aan de politiekorpsen
of -diensten.
Het Vast Comité P valt rechtstreeks onder de bevoegdheid
van het Parlement, ten dienste waarvan het onrechtstreeks en voortdurend toezicht
uitoefent op de politieorganen die onder de bevoegdheid van de uitvoerende
macht vallen (en voor de uitoefening van sommige van hun opdrachten onder
het gezag van de rechterlijke macht worden geplaatst).
Krachtens de wet van 18 juli 1991 is de werking van het Vast Comité P
zeer duidelijk gericht op drie hoofddoelstellingen: (1) de bescherming
van de rechten die de Grondwet en de wetten aan de burger toekennen; (2) de
coördinatie van de politiediensten in de zin van artikel 3 van de wet
van 18 juli 1991; (3) de doeltreffendheid [4]
s.l. van die politiediensten.
Aldus waakt het Vast Comité P erover, met oog voor doeltreffendheid/doelmatigheid
en met respect voor de fundamentele rechten en vrijheden, dat het optreden
van de politiediensten en -ambtenaren wordt ingepast in een visie waarin ze
elkaar en de andere maatschappelijke actoren en alle belanghebbende partijen
aanvullen.
Om dit driedubbele doel te verwezenlijken, bestaat de hoofdopdracht
van het Vast Comité P erin de algemene werking van de politiediensten
te onderzoeken en, in voorkomend geval, tekortkomingen en/of disfuncties van
het systeem, de structuren, de methodes of de politietussenkomsten naar voren
te brengen en voorstellen of aanbevelingen te formuleren om deze te verhelpen.
Zo tracht het Comité een globaal overzicht te krijgen en te geven van de werking
van het politiewezen alsook van de activiteiten van de administraties, diensten,
ambtenaren of andere personen met politiebevoegdheid. In die zin bekleedt
het Vast Comité P de bevoorrechte positie van globaal observatorium van
de algemene werking van het politiesysteem en van de implementatie van de
wetten op het politieambt [5]
en op de geïntegreerde politiedienst [6]
, afgezien van een veelheid van bijzondere wetten en, uiteraard, voor
zover elkeen ook zijn deel van de rol van observatorium voor zijn rekening
neemt. Indien dit niet geval is, treedt het Vast Comité P, overeenkomstig
zijn opdrachten, op volgens de principes van specialiteit en subsidiariteit,
zelfs van substitutie, wanneer het belang van het deel ad hoc van de
opdracht van globale en geïntegreerde monitoring dit vereist.
Het Vast Comité P heeft als hoofdopdracht na te gaan in welke
mate de politieke verantwoordelijken de werking van de politiediensten die
onder hun bevoegdheid vallen, zouden kunnen of moeten optimaliseren. Tevens
onderzoekt het Vast Comité P of er wijzigingen dienen te worden aangebracht
in de terzake geldende wetgeving of reglementering.
Het toezicht van het Vast Comité P heeft geenszins als eerste doel individuele
sanctioneerbare feiten vast te stellen die bestraft moeten worden in de politiediensten
in het algemeen of in één ervan in het bijzonder. Deze rol blijft volledig
de bevoegdheid van de gerechtelijke overheden, politieoverheden en tuchtrechtelijke
overheden, alsook, in verschillende hoedanigheden, van de Algemene inspectie
van de federale politie en van de lokale politie.
De specifieke en gespecialiseerde supervisie en toezicht van het Vast Comité P
gaan verder dan het louter vaststellen of formuleren van adviezen en aanbevelingen.
Het Comité onderzoekt tevens de genomen maatregelen en gaat na of de geformuleerde
adviezen of aanbevelingen worden opgevolgd.
Om zijn opdracht van globale en geïntegreerde algemene monitoring, ten bate
van het Parlement bovendien, van de wijze waarop de politiediensten gestalte
geven aan de politiezorg te kunnen uitvoeren, heeft de wetgever aan het Vast
Comité P verschillende actiemiddelen toegekend opdat het een volledig
zicht zou kunnen hebben op de mogelijke problemen die zich kunnen voordoen
binnen de politiediensten. Naast de onderzoeken die het voert, meer bepaald
door toedoen van zijn Dienst Enquêtes, om de vervulling van zijn opdrachten
en de uitoefening van zijn bevoegdheden te vergemakkelijken, beschikt het
Vast Comité P ook over verschillende eigen of externe instrumenten.
Via verscheidene inlichtingenbronnen moet het Vast Comité P toegang kunnen
krijgen tot informatie met betrekking tot de indicatoren van eventuele disfuncties
binnen de politiediensten. In dit verband berust een grote verantwoordelijkheid
bij de politiekorpsen, de tuchtrechtelijke overheden, de Algemene inspectie
van de federale politie en van de lokale politie, de gerechtelijke overheden
of nog, in bepaalde gevallen, de politieambtenaren zelf.
Met het oog op informatie-uitwisseling, samenwerking en overleg werden
mechanismen voor de toezending van informatie ingevoerd en geleidelijk verfijnd,
via protocollen die werden afgesloten met de federale politie, de lokale politie
en de Algemene inspectie. Andere protocollen met de diverse intervenanten
of actoren van de ‘res politia’ [7] werden
zopas gefinaliseerd of worden geconcretiseerd.
Op basis van alle aldus ingezamelde informatie kan het Vast Comité P
een beslissing nemen en overgaan tot toezichtsonderzoeken of andere onderzoeken,
waaruit het conclusies trekt en aanbevelingen formuleert.
Het Vast Comité P is samengesteld uit een college van vijf werkende leden, die het Vast Comité P vormen, en wordt in zijn taken bijgestaan door de Dienst Enquêtes P en ondersteund door een administratie onder leiding van de griffier van het Vast Comité P.
Onder de vijf werkende leden is er een voorzitter – die een
magistraat moet zijn – en een ondervoorzitter. Voor elk van hen wordt een
plaatsvervanger benoemd. Het Vast Comité P wordt in zijn kernactiviteiten
bijgestaan door de griffier. Alle leden, alsook de griffier, worden benoemd
door de Kamer van Volksvertegenwoordigers, die hen ook kan afzetten. De leden
worden benoemd voor een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwbaar is.
Zij dienen te beschikken over de nodige kwaliteiten van loyaliteit, discretie
en integriteit voor de verwerking van gevoelige gegevens.
De wet van 18 juli 1991 voorziet onverenigbaarheden en verbodsbepalingen
om de onafhankelijkheid en de neutraliteit van de leden te waarborgen.
De Dienst Enquêtes van het Vast Comité P, waarop we hierna
zullen terugkomen, wordt geleid door een directeur-generaal bijgestaan door
twee adjunct-directeurs-generaal. Ze worden door het Comité benoemd voor
een termijn van vijf jaar, die tweemaal hernieuwbaar is. Alvorens hun ambt
te aanvaarden, leggen zij in handen van de voorzitter van het Comité de eed
af.
De leden van de Dienst Enquêtes worden, op voordracht van de directeur-generaal,
eveneens benoemd en afgezet door het Comité, voor een hernieuwbare termijn
van vijf jaar.
De Dienst Enquêtes treedt op onder het finale gezag van het Comité, dat hem
onderzoeken toevertrouwt (o.a. toezichtsonderzoeken) en van hem verslagen
ontvangt over alle onderzoeken die worden uitgevoerd. Wij komen hier infra
op terug.
Naast de klassieke ondersteunende taken die worden verzekerd door een traditionele administratie (begroting, boekhouding, logistiek, personeelsbeheer, juridische dienst, (ver)taaldienst), vervult de administratie van het Vast Comité P een uiterst belangrijke rol zowel op het vlak van het klachtenbehandelingsproces als op het vlak van de exploitatie van de verschillende inlichtingen en informatie die aan het Comité moeten worden gemeld door verscheidene actoren, intervenanten en andere belanghebbende partijen.
Het afgelopen jaar heeft het voltallige Vast Comité van Toezicht
op de politiediensten zich bij al zijn activiteiten laten leiden door onderstaande
principes.
Als extern toezichtsorgaan dat valt onder de bevoegdheid van het federaal
Parlement, waakt het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten voortdurend,
zowel over de algemene werking van de politiediensten, hun coördinatie als
over de uitoefening van de politiefunctie en ziet het er speciaal op toe dat
de fundamentele rechten en vrijheden worden nageleefd.
Via zijn verslagen, onderzoeken, analyses en adviezen of aanbevelingen, verschaft het Comité aan het Parlement, maar ook aan de overheden, de nodige kennis om de doeltreffendheid en doelmatigheid van de politiediensten te verbeteren, aan te passen of te handhaven en aldus het vertrouwen van de burger in de politie te behouden. In dit opzicht ontwikkelt het Vast Comité P een globale visie op het politiewezen door toezicht te houden op de algemene werking ervan en identificeert en objectiveert het de structurele of individuele problemen en stelt hierover verslagen op, formuleert adviezen of aanbevelingen.
Hiertoe oefent het Vast Comité P, in alle onafhankelijkheid en transparantie, en in samenwerking met de andere organen en organisaties die soortgelijke doelstellingen nastreven, met behoud van zijn autonomie, zijn activiteiten derwijze uit dat het: (1) toezicht kan houden op het volledige Belgische politiestelsel; (2) de gegevens die voorheen werden ingezameld kan ordenen en analyseren; (3) op professionele wijze vaststellingen kan doen en problemen kan identificeren; (4) de nadruk kan leggen op een proactieve en constructieve aanpak van de problemen. Dit neemt niet weg dat het Vast Comité P ook onderzoeken en controles verricht vanuit een reactieve benadering, dit wil zeggen op vraag van de overheden, ingevolge een incident bijvoorbeeld of wanneer zich een specifiek probleem voordoet. Het Vast Comité P tracht evenwel steeds meer te werken vanuit een proactieve benadering; (5) in het algemeen binnen de limieten van zijn bevoegdheden kan optreden, tussenkomen en handelen teneinde de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het politiebestel te verbeteren; (6) de betrouwbare en afdoende wijze van klachtenbehandeling kan nagaan.
Dit intrinsiek en specifiek extern toezicht wordt uitgeoefend door een Vast Comité, dat in zijn opdrachten wordt bijgestaan door een Dienst Enquêtes en door een performante administratie. Op verzoek van het Parlement, uit eigen beweging of ingevolge een klacht of aangifte, opent het Comité toezichtsonderzoeken naar politiediensten of naar diensten of administraties of ambtenaren bekleed met politiebevoegdheden. Deze onderzoeken kunnen ook thematisch van aard zijn. Het Vast Comité P maakt aan het Parlement en, indien nodig, aan de betrokken ministers of overheden een bijzonder of algemeen verslag over betreffende elk gevoerd toezichtsonderzoek of specifiek onderzoek.
Wat de waarden betreft, verbindt het Vast Comité P zich ertoe zijn opdrachten te vervullen in alle objectiviteit, neutraliteit en transparantie ten overstaan van de burgers, het Parlement, de ministers en andere bevoegde overheden, maar ook de politieambtenaren zelf. Het Vast Comité P schrijft zijn interventies, onderzoeken en controles op elk ogenblik in in een democratische benadering, met eerbiediging van de rechten en vrijheden van elkeen.
Het Vast Comité P kan zijn opdracht maar op doeltreffende en doelmatige wijze tot een goed einde brengen, indien alle betrokken partijen ten volle hun verantwoordelijkheid opnemen en de bepalingen van de wet van 18 juli 1991 en de daarmee gepaard gaande verplichtingen naleven, meer bepaald het ambtshalve meedelen van bepaalde informatie, naast de melding van informatie op verzoek [8] , en het in acht nemen van de specificiteit en specialiteit van het Vast Comité P en van één van zijn voornaamste componenten, de Dienst Enquêtes P.
Met gebundelde krachten zal het Vast Comité P, met alle betrokkenen en onder toezicht van de democratisch verkozen vertegenwoordigers van het land, bijdragen tot de inplaatsstelling van een geïntegreerde en globale politiezorg en politiediensten die optreden tot voldoening van alle burgers en ten volle instaan voor een verantwoorde, transparante en democratische implementatie van de politiezorg zoals bepaald door de wet op het politieambt, de wet op de geïntegreerde politiedienst en verschillende bijzondere wetten.
Hoofdstuk I: Het Vast Comité P, het observatorium
voor een globale visie op de politiezorg
Als inleiding op de verslaggeving over het resultaat van zijn activiteiten, de synthese van de voornaamste vaststellingen die het Vast Comité P in 2004 heeft gedaan aan de hand van de exploitatie en analyse van de beschikbare gegevens enerzijds en van de meest diverse verrichte onderzoeken anderzijds, wenst het Vast Comité P kort enkele opmerkelijke elementen te bespreken die, tijdens het afgelopen jaar, hebben bijgedragen tot zijn streven naar kwaliteit (excellentie en legitimiteit) en hem hebben gesterkt in zijn wil om de opdrachten die hem zijn toevertrouwd door de wet van 18 juli 1991, in alle transparantie en met een hoge mate van deskundigheid en beroepsethiek, ten volle te vervullen.
Afdeling 1: Werking van het Vast Comité P
De Kamer van Volksvertegenwoordigers heeft op 29 november 2004
beslist het mandaat van vier werkende leden van het Vast Comité van Toezicht
op de politiediensten voor vijf jaar te verlengen en één nieuw lid aan te
stellen met ingang van 2 februari 2005.
In het raam van dit activiteitenverslag wenst het voltallige college van het
Vast Comité P het uittredende lid, de heer eerste advocaat-generaal Rik
Vandeputte, nogmaals hartelijk te danken voor zijn actieve en niet-aflatende
bijdrage tot de goede werking van het Vast Comité P de afgelopen vijf
jaar en tevens zijn inzet en bekwaamheid te benadrukken. De kwaliteit van
het activiteitenverslag 2004 is immers eens te meer in grote mate te
danken aan de kunde van de heer Vandeputte om toezichtsonderzoeken te voeren,
meer in het bijzonder aan de nauwkeurigheid en zin voor detail die hij aan
de dag legde bij de analyse van deze onderzoeken.
De leden van het Vast Comité P hebben in 2004 voor
hun dagelijkse werking een beroep kunnen doen op zesentwintig administratieve
personeelsleden, waaronder zeven van niveau A, acht van niveau B,
vijf van niveau C en zes van niveau D. Thans zijn alle functies,
met uitzondering van de betrekking van attaché, ingevuld.
Het Vast Comité P, bijgestaan door de leden van de Dienst Enquêtes en
ondersteund door de leden van het administratief personeel, heeft vorig jaar
3 356 nieuwe dossiers geopend waarvan 186 administratieve, 552 gerechtelijke,
26 toezichtdossiers en 1 864 klachtendossiers. Op basis van de gegevens
toegezonden door de politiediensten in navolging van hun wettelijke meldingsplicht
(artikel 14bis en 26 van de wet van 18 juli 1991 [9]
) werden nog eens 2 368 dossiers ingeput in de database.
Alles bij elkaar genomen, werden er dus 5 724 dossiers beheerd.
Naast de klachten en meldingen ontvangt het Vast Comité P, evenals zijn
Dienst Enquêtes, via post, mail, fax of telefoon bijkomende informatie, vragen
om inlichtingen, zowel van politiediensten als van burgers. In vele gevallen
kan en wordt daar onmiddellijk op geantwoord.
Op basis van wat voorafgaat, blijkt eens te meer dat elk
personeelslid een onmisbare schakel is om het stijgende werkvolume te kunnen
beheersen.
De burger heeft de weg naar het Vast Comité P gevonden, zoals duidelijk
tot uiting komt in het toenemende aantal klachten en aangiften. De verschillende
gerechtelijke autoriteiten en andere overheden doen ook meer en meer een beroep
op het Comité en de stijgende informatiestroom brengt met zich mee dat de
verwerking van de overgemaakte gegevens stilaan een punt van verzadiging bereikt.
Deze saturatie is zeer goed te voelen wanneer een personeelslid wegens zwangerschapsverlof,
bijkomende opleiding, verlof of ziekte niet aanwezig kan zijn. Op geregelde
tijdstippen vergen sommige activiteiten dat er bijkomende uren worden gepresteerd.
Dankzij de grote bereidwilligheid van het personeel kunnen deze pieken vooralsnog
worden opgevangen. Naar de toekomst toe kan dit echter moeilijk als dusdanig
volgehouden worden.
Om de continuïteit van de uitoefening van zijn opdrachten te waarborgen, heeft
het Vast Comité P voor alle functies, behalve die van attaché, examens
georganiseerd en een wervingsreserve aangelegd. Het is op dit ogenblik niet
meer mogelijk om met het bestaande personeelsbestand het wegvallen van enkele
personeelsleden op korte tijd op te vangen, niettegenstaande hun bereidwilligheid
en het feit dat bijna alle medewerkers polyvalent zijn en nagenoeg onmiddellijk
een andere taak kunnen aanvatten.
De prognose voor de werklast voorziet een maandelijkse toename van dossiers
en opdrachten, zodat de aanwerving van extra personeel noodzakelijk wordt.
Eenzelfde bedenking kan worden gemaakt voor de Dienst Enquêtes, die is samengesteld uit 46 commissarissen-auditors en wordt geleid door een directeur-generaal, bijgestaan door twee adjunct-directeurs-generaal. Het kader kan nog worden aangevuld met één commissaris-auditor, maar zal, gelet op het feit dat ook hier een stijging van het aantal onderzoeken wordt vastgesteld en vooral op de toenemende complexiteit ervan, ook moeten worden uitgebreid.
Voor de uitvoering van zijn toezichtsonderzoeken en bepaalde
klachtenonderzoeken is het Vast Comité P grotendeels aangewezen op zijn
Dienst Enquêtes. Op het terrein is deze dienst dan ook het meest zichtbare
element van het Vast Comité P.
Daarnaast voert de Dienst Enquêtes in opdracht van de gerechtelijke overheden
ook onderzoeken uit naar politieambtenaren die verdacht worden van een misdaad
of wanbedrijf.
Naar aanleiding van het grote aantal onderzoeken die de voorbije jaren werden gevoerd en waarbij nagenoeg ieder korps en heel wat politieambtenaren in een of andere hoedanigheid te maken hebben gehad met een lid van de Dienst Enquêtes, kon worden vastgesteld dat de opdrachten, werking, samenstelling en bevoegdheden van de (leden van) de Dienst Enquêtes voor hen niet altijd even duidelijk zijn.
Vanuit deze vaststelling en gezien zijn bezorgdheden van transparantie, het afleggen van rekenschap en het gepast gebruik van zijn bevoegdheden, achtte het Vast Comité P het noodzakelijk om hierna uitdrukkelijker in te gaan op de werking, bevoegdheden en activiteiten van zijn Dienst Enquêtes.
De wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten bepaalt dat het aantal onderzoekers speciaal belast met het uitvoeren van gerechtelijke onderzoeken niet meer mag bedragen dan de helft van het personeelsbestand van de Dienst Enquêtes. De reden daartoe is voor de hand liggend: het controleorgaan staat in de eerste plaats ter beschikking van het Parlement zodat het ondenkbaar is dat het zijn hoofdopdrachten niet of nauwelijks zou kunnen uitvoeren wegens een te hoge werklast die besteed wordt aan gerechtelijke dossiers. Wij komen daar later op terug.
Alle leden van de Dienst Enquêtes hebben dezelfde bevoegdheden, zowel inzake toezichtsonderzoeken als inzake gerechtelijke onderzoeken. In de praktijk is het niettemin zo dat de leden die uitdrukkelijk aangewezen zijn voor de gerechtelijke onderzoeken ook klachten behandelen en meewerken aan toezichtsonderzoeken. De leden die eerder toezichtsonderzoeken uitvoeren, behandelen doorgaans slechts een gerechtelijk dossier wanneer zij tijdens hun opdrachten occasioneel – meestal tijdens de permanentiedienst – geconfronteerd worden met de vaststelling van een misdrijf.
De Dienst Enquêtes verzekert dagelijks een 24-urenpermanentiedienst die is samengesteld uit één Nederlandstalige en uit één Franstalige commissaris-auditor met een aanwezigheid ten burele tussen 08.00 uur en 17.00 uur.
De ligging ervan (Brussel) maakt dat de meeste klagers die
zich aanbieden ook uit het Brusselse komen en dat de klachten dan ook overwegend
betrekking hebben op de Brusselse politiezones. Zo hadden er van de 308 naar
aanleiding van de permanentie opgestelde aanvankelijke processen-verbaal 220
betrekking op het gerechtelijk arrondissement Brussel (71,42 %)
[10] , 12 op Nijvel, 11 op Charleroi en 10 op Antwerpen. Mogelijks
zegt dit ook iets over de wijze waarop de klager (niet) onthaald wordt door
de lokale Brusselse korpsen die vervolgens, gemakshalve of wat te vlug, doorverwijzen
naar ‘de Wetstraat’ die maar enkele metrohaltes verder is. Dit grote aantal
klachten, gekoppeld aan het feit dat het Brusselse parket blijkbaar nogal
systematisch deze dossiers voor verder onderzoek overmaakt aan de Dienst Enquêtes,
maakt dat een belangrijk deel van de capaciteit moet worden ingezet voor een
dergelijke eerstelijnsbehandeling.
Meer nog dan in het verleden, moet het Vast Comité P er zich aldus voor
hoeden dat zijn Dienst Enquêtes niet verwatert tot een eerstelijnsdienst voor
klachten tegen politieambtenaren en een eerstelijnsonderzoeksdienst voor het
parket in het gerechtelijk arrondissement Brussel. Dit is in het bijzonder
noodzakelijk omdat anders te veel wordt beknibbeld op de capaciteit die aan
andere onderzoeken kan worden besteed die meer aansluiten op de kerntaken
en vooral ook opdat de termijnen waarbinnen die onderzoeken moeten worden
afgerond, zouden kunnen worden gerespecteerd.
Mensen die telefonisch contact zoeken, worden uitgenodigd hun klacht schriftelijk over te maken of er wordt een afspraak gemaakt om ter plaatse te gaan. Dit laatste aspect en het feit dat onderzoeken, ongeacht hun aard, over gans België plaatsvinden en de Dienst Enquêtes, tenzij er redenen zijn om anders te handelen, normaliter de betrokken politieambtenaren ter plaatse hoort, maken overigens dat aanzienlijk veel tijd opgaat aan verplaatsingen.
Wat de onderzoeken zelf betreft, wordt doorgaans gewerkt via de diensten intern toezicht teneinde de nodige afspraken te kunnen maken qua beschikbaarheid van de te horen politieambtenaren. Dit is echter geenszins een verplichting noch in toezichts- of klachtenonderzoeken, noch in opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken. Evenmin staat dit aldus vermeld in de met een groot aantal korpsen afgesloten protocollen, niettegenstaande een aantal korpschefs zich daarop beroept. Er is evenmin enige verplichting voor de Dienst Enquêtes om de korpschef of zijn dienst intern toezicht in kennis te stellen van de inhoud of de achtergrond van het onderzoek. Door sommigen wordt dit ervaren als een gebrek aan vertrouwen, onterecht nochtans aangezien het geheim van het opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek ten volle blijft gelden. Het is niettemin evident dat deze mededeling, zeker wat toezichts- en klachtenonderzoeken betreft, meestal wel gebeurt.
Een andere misvatting is dat het de onderzoekers zijn die bepalen of
er al dan niet sprake is van een ‘foutief’ optreden, of dat het zij zijn die
bepalen welke onderzoeksdaden er moeten worden gesteld. Dit is niet het geval
voor opsporings- of gerechtelijke onderzoeken die verlopen onder het gezag
van de gerechtelijke overheden en waarvoor de regels van het Wetboek van Strafvordering
gelden die geen onderscheid maken tussen een verdachte politieambtenaar en
een verdachte niet-politieambtenaar.
Maar dit geldt evenmin voor toezichtsonderzoeken of klachtenonderzoeken.
In die gevallen is het de behandelende raadsheer die, in naam van het Vast
Comité P, de opdrachten uitschrijft en is het uiteindelijk het Vast Comité P
zelf, zetelend als college in plenaire vergadering, dat een oordeel velt over
het al dan niet bestaan van een disfunctie.
In het verlengde van het voorgaande lijkt het ook gepast in herinnering te brengen dat het Vast Comité P als extern controleorgaan geen tuchtbevoegdheid heeft. Met andere woorden wordt door het Vast Comité P niet beslist welk gevolg er aan een bepaalde vaststelling dient te worden gegeven.
Belangrijk ook is te benadrukken dat de leden van het Vast Comité P geen bevoegdheid hebben inzake de opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken. De wet van 18 juli 1991 voorziet wel in een meldingsplicht vanuit de parketten en parketten-generaal met betrekking tot opgestarte gerechtelijke of opsporingsonderzoeken en gewezen vonnissen of arresten, doch de concrete inhoud van een door het parket of de onderzoeksrechter toevertrouwd dossier, net als de uit te voeren plichten of de resultaten ervan zijn hen niet bekend. In sommige gevallen is het wel mogelijk dat wanneer er ook organisatorische disfuncties aan het licht zijn gekomen, er door de Dienst Enquêtes wordt voorgesteld om rond die aspecten een afzonderlijk toezichtsonderzoek op te starten, meestal na het afsluiten van het gerechtelijk onderzoek en los van de strafrechtelijke aspecten. De aanzet hiertoe wordt overigens gegeven vanuit de Dienst Enquêtes.
Wat de bevoegdheden betreft, dient gesteld dat de (leden
van de) Dienst Enquêtes inzake gerechtelijke opdrachten geen andere bevoegdheden
hebben dan deze toegekend aan officieren van gerechtelijke politie, hulpofficieren
van de procureur des Konings.
Voor niet-gerechtelijke onderzoeken, weze het klachten- of toezichtsonderzoeken,
worden de bevoegdheden opgesomd in de wet van 18 juli 1991 en voorzien
deze onder meer in een toegangsrecht, een zoekingsrecht, de mogelijkheid om
documenten in beslag te nemen, enz. Wij komen hier later op terug.
In dit soort onderzoeken gelden de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering
dus niet, ook niet deze met betrekking tot het verhoor, inzonderheid de al
dan niet afgifte van een kopie van het proces-verbaal van verhoor. Deze kopie
wordt in principe afgeleverd ingevolge een beslissing van het Vast Comité P.
Uit het overzicht van klachten en aangiften blijkt dat de Dienst Enquêtes in 2004 552 gerechtelijke dossiers opstartte en/of uitvoerde. Dit getal dient gelezen in termen van ‘vatting’ van de Dienst Enquêtes: 58 dossiers zijn afkomstig van de onderzoeksrechter, 166 van de procureur des Konings en betreffen navolgende onderzoeken, 308 aanvankelijke processen-verbaal opgesteld naar aanleiding van klachten ontvangen tijdens de permanentiedienst (waarvan er 120 terugkwamen voor verder onderzoek) en 20 door de leden van de Dienst Enquêtes ambtshalve opgestelde processen-verbaal (waarvan er 9 terugkeerden voor verder onderzoek. Dit betekent dat er uiteindelijk 353 opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken werden uitgevoerd. Voor de jaren 2003 en 2002 waren dit er respectievelijk 363 en 325 onderzoeken.
Volgens artikel 16 van de wet van 18 juli 1991 mogen de gerechtelijke opdrachten de uitvoering van de andere opdrachten van het Vast Comité P niet in de weg staan. Daartoe wordt onder meer structureel bepaald dat het aantal onderzoekers dat dergelijke opdrachten uitvoert, niet meer dan de helft van het personeelsbestand van de Dienst Enquêtes mag bedragen [11] . Een tweede beperking ligt of zou moeten liggen in de aard van de toegewezen dossiers. De parlementaire voorbereidingen van de wet van 18 juli 1991 zijn hieromtrent zeer duidelijk en stellen dat de Dienst Enquêtes als een gespecialiseerde onderzoeksdienst dient te worden beschouwd [12] .
Tegen de achtergrond van deze principes is het interessant de hoger vermelde cijfergegevens te analyseren in functie van het betrokken gerechtelijk arrondissement.
Een eerste vaststelling is dat 52,89 % van de (552) dossiers betrekking heeft op het gerechtelijk arrondissement Brussel. Ongetwijfeld heeft dit te maken met, enerzijds, het feit dat de Dienst Enquêtes zijn permanentie fysiek gesproken te Brussel uitoefent zodat het voor de klagers maar een kleine stap is om onmiddellijk klacht neer te leggen, daar waar klagers die verder wonen, doorgaans eerst telefoneren of schrijven zodat hen eerst een bijkomende uitleg kan worden gegeven die er toe kan leiden dat ze een andere ‘ingang’ voor hun zaak kiezen. Ook andere cijfergegevens ondersteunen dit: van de 308 aanvankelijke processen-verbaal opgesteld naar aanleiding van de permanentie hadden er immers 220 betrekking op het gerechtelijk arrondissement Brussel. De overige aanvankelijke processen-verbaal (88) zijn gespreid over 23 andere gerechtelijke arrondissementen. Anderzijds is dit percentage ook te verklaren door de quasi-routinematige overmaking voor ‘verder onderzoek’ aan de vaststellende dienst, in casu de Dienst Enquêtes, zonder enige verdere analyse of selectie. Er is immers geen enkele reden om aan te nemen dat de tussenkomst van een gespecialiseerde dienst meer noodzakelijk is voor klachten die betrekking hebben op het gerechtelijk arrondissement Brussel dan voor klachten met betrekking tot andere arrondissementen.
Een andere vaststelling is dat, wanneer we aannemen dat de som van het aantal meldingen op basis van artikel 26 van de wet van 18 juli 1991 en het aantal dossiers behandeld door de Dienst Enquêtes, getoetst aan de meldingen op basis van artikel 14 van deze wet, de totaliteit is van de misdaden of wanbedrijven lastens een politieambtenaar, er tussen de parketten heel duidelijke verschillen zijn. Zo zien we dat bijna 68 % van die dossiers in het gerechtelijk arrondissement Brussel door de Dienst Enquêtes wordt behandeld, daar waar dit in Antwerpen 10 % is en in Luik en Bergen ongeveer 14 %. Deze laatste arrondissementen, en nog andere, slagen er dus blijkbaar in om de Dienst Enquêtes aan te wenden voor datgene waarvoor de wetgever hem bedoeld heeft of er, met andere woorden, in slagen om dergelijke onderzoeken op een andere wijze af te handelen. Het door sommigen ingeroepen argument dat (gerechtelijke) klachten tegen politieambtenaren niet door het eigen korps kunnen worden behandeld, lijkt dus niet overal voor een ‘pseudo-impasse’ te zorgen. Trouwens, wat Brussel betreft, doet dit fenomeen zich niet voor op het niveau van de onderzoeksrechters die 30 % van de gerechtelijke onderzoeken toevertrouwen aan de Dienst Enquêtes en blijkbaar gerichter, selectiever en zuiniger met de capaciteit van de Dienst Enquêtes weten om te gaan.
Op de keper beschouwd, betekent dit alles dat circa 7,95 FTE (voltijds equivalent) werken ten voordele van de Brusselse gerechtelijke overheden [13] .
Maar ook qua vorm voldoen niet alle gerechtelijke dossiers aan de eisen. De wet van 18 juli 1991 bepaalt duidelijk dat de leden van de Dienst Enquêtes bevoegd zijn voor misdaden en wanbedrijven lastens politieambtenaren. Dit betekent dat klachten uitgaande van politieambtenaren zelf – voor zover deze niet gericht zijn tegen een andere politieambtenaar – buiten de bevoegdheid van de Dienst Enquêtes valt. Dit levert trouwens soms problemen op wanneer een burger een (straf)klacht indient tegen een politieambtenaar, deze klacht wordt behandeld door de Dienst Enquêtes en de politieambtenaar, tijdens dit onderzoek, klacht (vaak met burgerlijke partijstelling) indient wegens laster, lasterlijke aantijging, enz.
Gelet op de duidelijke wil van de wetgever en de beperkte capaciteit van de Dienst Enquêtes dienen dossiers dan ook geregeld onuitgevoerd te worden teruggestuurd.
Het gegeven dat de Dienst Enquêtes een gespecialiseerde onderzoeksdienst is, belet overigens niet dat er in een onderzoek wordt samengewerkt met de (lokale) onderzoeksdienst, wanneer in dit dossier zowel politieambtenaren als niet-politieambtenaren worden genoemd. Tevens is het ook denkbaar dat in een onderzoek lastens een politieambtenaar de eerste verrichtingen door een andere dienst werden gedaan en de Dienst Enquêtes bijvoorbeeld het uitvoeren van een huiszoeking en het afnemen van verhoren voor zijn rekening neemt, dit alles teneinde iedere zweem van partijdigheid vooraf reeds weg te nemen. Wat echter niet aangewezen is, alhoewel juridisch perfect mogelijk, is het samenstellen van ‘gemengde’ ploegen. In dat geval lijkt het specialistische karakter immers niet te bestaan of is het argument van de toegevoegde waarde, vanuit het oogpunt van (on)partijdigheid, op dat ogenblik niet langer van toepassing.
Wat de toezichts- en klachtenonderzoeken betreft, is de evolutie als volgt.
Tabel 1: Evolutie van het aantal toezichts en klachtenonderzoeken in de afgelopen drie jaar
Teruggekoppeld naar het totale aantal klachten sensu stricto ontvangen door het Vast Comité P, betekent dit dat voor de jaren 2002, 2003 en 2004 er respectievelijk 25,19 %, 24,1 % en 20,71 % klachten door het Vast Comité P aan de Dienst Enquêtes werden toevertrouwd voor verder onderzoek. De daling, zowel in absolute als in relatieve cijfers van het aantal klachten dat door de Dienst Enquêtes wordt onderzocht, is logisch en bewust nagestreefd. Logisch door de mogelijkheid om de bevoegdheid tot het behandelen van klachten, onder voorwaarden, te delegeren aan de korpschef of de commissaris-generaal; nagestreefd omdat de Dienst Enquêtes selectief wordt ingezet teneinde capaciteit vrij te maken voor het uitvoeren van de hoofdopdrachten van het Vast Comité P, zoals elders in dit verslag beschreven.
Wat de telefonische oproepen betreft – de beantwoording daarvan wordt gedaan door de permanentiedienst – wordt pas vanaf 2003 een specifieke telling bijgehouden. Van 908 oproepen in 2003 werden er 190 omgezet in een klacht. Voor 2004 werden 179 van de 811 oproepen achteraf bevestigd door het indienen van een klacht. Dit verschil tussen het totale aantal oproepen en het aantal oproepen dat werkelijk uitmondt in een klacht bij het Vast Comité P, is te begrijpen doordat enerzijds niet alle klachten betrekking hebben op de werking van de politiediensten en anderzijds vaak mensen gewoon hun ‘verhaal’ willen brengen, maar ook omdat de behandelende commissaris-auditor in de eerste plaats een oplossing tracht te zoeken en contact neemt met de betrokken zone. Vaak immers is het onduidelijke communicatie die de kiem inhoudt van een conflict, zonder dat daar werkelijk sprake van is. In ditzelfde kader wordt trouwens de klager ook meestal aangemoedigd om met het betrokken korps zelf te gaan praten, wat hij meestal nog niet heeft gedaan.
In globo gaat 37 % van de capaciteit naar toezichtsopdrachten, 32 % naar gerechtelijke opdrachten en 21 % naar ondersteunende activiteiten zoals vorming, administratieve taken en onbeschikbaarheden. Binnen de toezichtsopdrachten wordt 47 % van de tijd geschonken aan klachtenbehandeling en 32 % aan thematische onderzoeken.
Wanneer we de tijd besteed aan gerechtelijke onderzoeken en
aan het onderzoek van klachten samentellen, komen we tot de vaststelling dat
circa driekwart van de operationele tijd blijft gaan naar reactieve opdrachten,
die door de betrokkenen vaak als ‘repressief’ worden ervaren.
Het beeld van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P als de ‘police
des polices’, dat noch het Parlement noch het Vast Comité P nastreeft,
houdt zichzelf dan ook, spijtig genoeg, in stand.
De Dienst Enquêtes telt, op 1 juni 2005, 46 leden die
de titel van commissaris-auditor dragen. Deze titel verwijst naar de functie
en niet naar de graad, er zijn immers zowel niet-politieambtenaren, hoofdcommissarissen,
commissarissen en hoofdinspecteurs bij de Dienst Enquêtes werkzaam. De dienst
wordt geleid door een directeur-generaal, bijgestaan door twee adjunct-directeurs-generaal.
Alle 49 leden zijn tevens officier van gerechtelijke politie, hulpofficier
van de procureur des Konings. De aanwerving van één commissaris-auditor is
nog voorzien, alsmede deze van een operationele misdrijfanalist.
De commissarissen-auditors zijn zowel van buiten de politie afkomstig als vanuit
de lokale politie of de federale politie. Wij komen hier elders op terug.
Dertig onder hen hebben een universitair diploma en zeven volgden een hogere
niet-universitaire opleiding.
Gelet op de zeer verscheiden opdrachten, gaande van toezichtsonderzoeken (audits, thematische onderzoeken) over individuele klachtendossiers tot gerechtelijke of opsporingsonderzoeken, is een brede en diepe kennis van alle aspecten van het politiewerk en de ‘politiekunde’ op de verschillende niveaus noodzakelijk: zowel inzake de individuele ambtsverrichtingen als inzake het beheer van grootschalige operaties en de organisatie van een korps of dienst en de daarbij behorende werkprocessen. Daarnaast is uiteraard ook een gedegen kennis en ervaring in het uitvoeren van strafonderzoeken vereist, gelet op het feit dat in dit domein de Dienst Enquêtes als een ‘gespecialiseerde’ politiedienst dient op te treden.
Dergelijke eisen rechtvaardigen trouwens ook het stellen van specifieke kennisvereisten of eisen inzake (minimum)leeftijd en dito ervaring bij vacatures, alsook eisen inzake beroepsethiek.
Teneinde de aanwezige kennis te onderhouden, te verbreden of te verdiepen, wordt dan ook veel belang gehecht aan specifieke vormingen die hetzij in eigen huis worden georganiseerd, hetzij worden gevolgd in de Nationale Rechercheschool of in de politiescholen en wordt er deelgenomen aan relevante studiedagen. Zo hebben meer dan de helft van de commissarissen-auditors de Hoger Aanvullende Gerechtelijke en Bestuurlijke Opleiding gevolgd, hebben meerderen een EFQM-opleiding achter de rug die leidde tot de erkenning als ‘EFQM assessor’ en hebben enkelen een master in overheidsmanagement, enz.
In de loop van het jaar 2004 is het personeelsbestand
van de administratie niet sterk toegenomen. Er werd een juriste (niveau A)
aangeworven, die in de loop van datzelfde jaar in dienst is getreden. Wat het
kader betreft, dient de post van attaché (M/V) nog te worden ingevuld, alsook
twee posten van bediende (M/V).
De lage absenteïsmegraad, die ongetwijfeld te verklaren is door de groepsgeest
en de motivatie van het administratief personeel, verdient te worden onderstreept.
Deze personeelsleden, die geregeld intensief en onafgebroken dienen te werken,
verlenen nauwgezet bijstand aan het Vast Comité P en aan zijn Dienst Enquêtes.
Om de ongemakken en de moeilijkheden die kunnen voortvloeien uit het vrijwillig
of onvrijwillig vertrek van sommige administratieve personeelsleden zo veel
als mogelijk te vermijden, heeft het Vast Comité P ervoor gekozen om voor
alle functies een wervingsreserve aan te leggen die twee jaar geldig en vernieuwbaar
is volgens de statuten van de leden van het administratief personeel van de
Vaste Comités P en I.
Aldus werden in 2004 diverse vergelijkende examens georganiseerd voor de wervingsreserves
voor de functies van secretaris-boekhouder (M/V), vertaler (M/V), bode (M/V),
bediende (M/V) en receptionist (M/V).
Als gevolg van de relatief grote personeelsuitbreiding van het kader van de Dienst Enquêtes, zag het Vast Comité P zich genoodzaakt om een bijkomende verdieping te huren in een kantoorgebouw in de buurt van zijn zetel, waarin een groot aantal leden van de Dienst Enquêtes al gevestigd was.
Tot in 2001 werkte het Vast Comité P met het systeem
van enkelvoudige boekhouding. Om tegemoet te komen aan de aanbevelingen van
de Commissie voor de Comptabiliteit van de Kamer van Volksvertegenwoordigers,
werd in 2002 een systeem van dubbele boekhouding ingevoerd. Tijdens het opstellen
van de begrotingsvoorstellen voor het boekjaar 2004, die worden voorgelegd aan
de Kamer van Volksvertegenwoordigers, heeft het Vast Comité P beslist een
prestatiebegroting te implementeren met het oog op meer transparantie en meer
nauwkeurigheid in het beheer van zijn dotatie.
Hiertoe werden, in het licht van een perfecte implementatie van dit project,
een aantal informaticaprogramma’s geselecteerd waaruit het beste werd gekozen,
rekening houdend niet alleen met de kwaliteit en de kostprijs van dergelijke
software, maar ook met de opleiding die dient te worden gevolgd voor een goed
gebruik ervan. Na een uitgebreide studie en testen van drie programma’s (P.I.A.5,
Winbooks en BOB) werd, samen met het Vast Comité I, gekozen voor het programma
BOB, dat op dit ogenblik als standaardprogramma wordt gebruikt door vijf van
de acht dotatiegerechtigde instellingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers.
Het Vast Comité P ziet er ook op toe dat een ernstig,
snel en doeltreffendheid toezicht gewaarborgd is, overeenkomstig de opdrachten
die hem zijn toevertrouwd.
De commissarissen-auditors doorkruisen het ganse land om hun onderzoeken en
taken te verrichten en moeten hiervoor op een degelijk en betrouwbaar wagenpark
en informaticamaterieel kunnen rekenen. Aangezien informaticamaterieel snel
veroudert en dit bovendien vaak, zo niet altijd intensief wordt gebruikt, is
dit materieel na verloop van drie, vier jaar aan vervanging toe. Deze termijn
valt trouwens samen met het einde van de garantie geboden door de medecontractant
van het Vast Comité P. In 2004 hebben de commissarissen-auditors en de
andere personeelsleden dan ook steeds wanneer nodig een nieuw performant werkinstrument
ter beschikking gekregen.
Eén van de verdiepingen van het bijgebouw die gedeeltelijk wordt ingenomen door
de Dienst Enquêtes, werd verder ingericht. Er werd meubilair aangekocht voor
de kantoren van de commissarissen-auditors, de telefooncentrale werd aangepast
en er werd een beveiligingssysteem geplaatst.
Een speciaal nummer van het Politiejournaal
[14] , met een vervolg in twee andere uitgaven, werd gewijd aan de verslagen
en de activiteiten van het Vast Comité P.
De voorstellingsbrochure en de folder van het Comité werden aangepast en herdrukt.
De folder, bestemd voor het grote publiek, werd ter beschikking gesteld van
alle politiezones, gemeentehuizen alsook van een groot aantal overheden en verantwoordelijken
inzake politie of veiligheid.
De nieuwe voorstellingsbrochure werd gezonden aan de parketten, burgemeesters,
ambassades, justitiehuizen en een aantal andere belangrijke belanghebbende partijen
met het oog op verdere publieke verspreiding.
Onder impuls van het Vast Comité P werden twee boeken uitgegeven door Politeia:
een tweetalig boek “Voor een verantwoorde, transparante, democratische politiezorg
– Pour une police responsable, transparente, démocratique”
[15] en een viertalig boek over de inspectiediensten in Europa met als
Engelstalige titel “Citizens and the workings of police forces within the
European Union”
[16] .
Het documentatiecentrum werd uitgebreid om haar aanwinsten per thema permanent ter beschikking te kunnen stellen van de leden van het Vast Comité P, zijn Dienst Enquêtes en het administratief personeel. Het Vast Comité P kocht een honderdtal werken aan en ontving een tweehonderdtal titels, meestal in de vorm van verslagen of studies. Het documentatiecentrum beheert daarnaast 34 tijdschriften en 11 kranten in drie talen, waaruit elke dag een persoverzicht wordt samengesteld.
In 2001 werd door het Vast Comité P voor het eerst een colloquium georganiseerd met alle toezichthoudende organen en inspectiediensten op de politie van de Europese Unie. In 2002 en 2003 vonden respectievelijk vergaderingen plaats bij Europol in Den Haag en in het Groothertogdom Luxemburg. Het Vast Comité P nam ook in 2004 actief deel aan de voorbereiding van de conferentie van de Europese controle- en inspectiediensten. Deze conferentie vond plaats in Wenen van 24 tot 26 november 2004. In dit verband vonden verschillende voorbereidende vergaderingen plaats in Wenen met vertegenwoordigers van het gastland, met Finland, Portugal, Hongarije, Slowakije en het Groothertogdom Luxemburg. De volgende Europese ontmoetingen zullen plaatsvinden in Portugal (2005), Hongarije (2006) en Finland (2007). Het Vast Comité P heeft zich opnieuw geëngageerd om actief deel te nemen aan de voorbereidende vergaderingen, o.a. gezien zijn rol van feitelijk secretariaat van de vereniging, alsook te meer daar het in Europa één van de weinige controleorganen is wiens toezicht volledig extern is.
Van 14 tot 18 juni 2004 vond te Tampere (Finland) aan de Poliisikoulu een seminarie plaats met als thema “Moving forward with community policing in Europe, sharing and developing good practice”. Een lid van het Vast Comité P heeft tijdens dat seminarie een uiteenzetting gegeven over “Lessons from police monitoring in Belgium” en deelgenomen aan verschillende workshops. Op dit seminarie waren 23 Europese landen aanwezig. Daar is eens te meer gebleken dat België voor de nieuwe Europese lidstaten een zeer grote inbreng kan hebben in de organisatie van een betrouwbare democratie, waartoe een doeltreffende en doelmatige externe controle op de politiediensten steeds kan bijdragen.
Een delegatie van het Vast Comité P heeft deelgenomen aan de European Police Conference in Praag, waar de problematiek van de rol van de politie in het domein van handhaving van de openbare orde, mensenhandel alsook intrafamiliaal geweld werd aangesneden.
In het Huis der Parlementsleden nam het Vast Comité P ook actief deel aan een conferentie over publiek-private samenwerking. Aan twee door het Centrum voor politiestudies vzw en drie door le Centre d’études sur la police asbl georganiseerde studiedagen werd eveneens actief deelgenomen. Eén studiedag in elke landstaal handelde over “Deontologie en integriteit bij de politie” te Brussel en te Namen, waar o.a. een lid van de Dienst Enquêtes het standpunt van een lid van het Vast Comité P toelichtte en een ander lid van de Dienst Enquêtes het woord voerde. Een tweede studiedag van het Centrum voor politiestudies betrof het onderwerp ‘tucht’ en vond plaats te Beveren-Waas. Het Vast Comité P nam ook deel aan de constructieve werkzaamheden van de zeer interessante werkgroep “Kwalipol”. Deze werkgroep, opgericht door de Directie van de relaties met de lokale politie, heeft als operationele doelstelling het officialiseren en implementeren van een Belgisch concept voor het streven naar een optimale kwaliteit van de organisatie en werking van de lokale politiediensten.
Een lid van het Vast Comité P heeft, op vraag van de
vzw Beprobel, de overkoepelende organisatie van officieren van de beroepsbrandweer,
deelgenomen aan een internationaal paneldebat over deontologie.
Aan de Vaste Commissie van de lokale politie werd een demonstratie en uitleg
gegeven over het gezamenlijke project van het Vast Comité P en de Algemene
inspectie in verband met het via elektronische weg overmaken van de wettelijk
mee te delen informatie. Betrachting is op deze wijze de mogelijke administratieve
overlast door de gegevensvergaring te verminderen en de korpsen een instrument
te geven voor hun klachtenbeheer.
Ten slotte waren leden van het Vast Comité P aanwezig op een demonstratie
van speciale technieken voor ruiters van de bereden politie en werd er een bezoek
gebracht aan drie vakbeurzen voor politieuitrusting.
Het Vast Comité P heeft zo veel als mogelijk deelgenomen aan de
werkgroep “Tucht”, die is opgericht op vraag van de minister van Binnenlandse
Zaken en onder leiding staat van de Algemene inspectie van de federale politie
en van de lokale politie. De kwaliteit van de werkzaamheden was zeer goed en
de deelnemers, afkomstig uit alle betrokken sectoren, waren zeer gemotiveerd.
De werkzaamheden mondden na een hoog vergaderritme uit in een volledige studie
van de knelpunten met voorstellen tot remediëren.
Het Vast Comité P vraagt dat dit werk niet zou verloren gaan en dat het
aan de basis zou liggen van een herziening van het tuchtrecht.
In het kader van zijn glazenhuispolitiek heeft het Vast Comité P
verschillende buitenlandse delegaties uit Oostenrijk, Oekraïne, Iran, Turkije
alsook een delegatie van de Raad van Europa ontvangen. Tijdens deze bezoeken
werd toelichting gegeven bij de werking en de doelstellingen van het Vast Comité P.
Om de samenwerking inzake justitie tussen België en Algerije enerzijds en België
en Burkina Faso anderzijds te bevorderen, brachten een aantal magistraten van
deze landen een werkbezoek aan het Vast Comité P. Leden van het Vast Comité P
werden ook aangezocht om als deskundige voor de Raad van Europa of de Europese
Unie deel te nemen aan werkvergaderingen in Oekraïne, de Russische federatie,
Azerbeidzjan, Zuid-Korea, Roemenië, Moldavië en Burkina Faso.
Het afgelopen jaar kwam het Vast Comité P 64 keer samen in plenaire vergadering. Op deze vergaderingen werden meer dan 900 items besproken. Op de agenda van deze vergaderingen staan wekelijks aan bod komende rubrieken zoals dossiers in verband met klachten, aangiften en toezichtsonderzoeken, administratie en logistiek en de beslissingen toegankelijk voor het Rekenhof. Ook werd er ruimte gelaten aan de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes of aan zijn adjuncten en, wanneer nodig, aan de ene of de andere commissaris-auditor, om verslag uit te brengen over de stand van zaken van de werkzaamheden van de Dienst Enquêtes P.
Daarnaast werden er twee meerdaagse strategische vergaderingen gehouden, in de vorm van een seminarie, te Blankenberge en te Spa. Er werd niet alleen een balans opgemaakt van de werking, er werden ook strategische beslissingen genomen om de werking te optimaliseren en de prioriteiten vast te leggen, onder meer op basis van een CAF-evaluatie [17] en een capaciteitsstudie uitgevoerd binnen de Dienst Enquêtes. Over deze laatste studie werd trouwens in detail verslag uitgebracht aan de parlementaire begeleidingscommissie.
Het Vast Comité P vergaderde zesmaal met de Commissie
belast met zijn parlementaire begeleiding en bracht tijdens deze bijeenkomsten
verslag uit over een vijftigtal onderwerpen, waarover tevens een verslag of
onderzoeksrapport werd opgesteld. Twee bijzondere vergaderingen werden gehouden
over de bespreking van het jaarverslag 2003.
Deze verslagen werden gebundeld en dienden als basis wanneer het Vast Comité P
werd uitgenodigd op een hoorzitting van de Kamer of de Senaat
[18] .
Daarnaast hebben de leden van het Vast Comité P, samen
met de top van de federale politie, vertegenwoordigers van de Vaste Commissie
van de lokale politie en een vertegenwoordiger van de minister van Justitie,
deelgenomen aan diverse besprekingen op het kabinet van de minister van Binnenlandse
Zaken.
Met de top van de federale politie werd tevens vergaderd en niet alleen in het
kader van de evaluaties, waar infra dieper op wordt ingegaan.
Last but not least heeft het Vast Comité P verscheidene constructieve
gemeenschappelijke vergaderingen gehad met het Vast Comité I en werden
verschillende gemeenschappelijke werkvergaderingen gehouden over een gezamenlijk
toezichtsonderzoek, alsmede over de toegepaste methodologie en het statuut van
de leden van de respectieve Dienst Enquêtes of het respectieve administratief
personeel.
Het ontwerpstatuut van de leden van de Dienst Enquêtes werd trouwens overgemaakt
aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers in de hoop dit zo vlug mogelijk te
kunnen toepassen om nog meer en beter de onafhankelijkheid van deze belangrijke
schakel van het extern toezicht op de politiediensten in de zin van artikel 3
van de wet van 18 juli 1991 te kunnen waarborgen.
Parallel aan de vergaderingen over de inhoudelijke werking van het Vast Comité P werd er ook aandacht geschonken aan de begroting en de financiële verplichtingen. Op twee tijdstippen werden de vergaderingen met een auditeur van het Rekenhof voorbereid en werden hem alle gevraagde inlichtingen verstrekt. De begroting voor 2005 werd op transparante en gedetailleerde wijze verdedigd en nadien zowel door het Rekenhof als door de Commissie voor de Comptabiliteit van de Kamer van Volksvertegenwoordigers goedgekeurd. Ook de uitgaven van 2004 werden goedgekeurd en de boekhouding werd conform bevonden [19] .
Het Vast Comité P organiseerde in 2004, net als de voorgaande jaren,
verschillende hearings. Zo hoorde het Comité onder meer: (1) een hoofdcommissaris
over de werking van de afdeling internationale politiesamenwerking van de federale
politie; (2) een directeur-generaal over de werking en de resultaten van
de Algemene directie gerechtelijke politie; (3) twee hoofdcommissarissen
over de laatste ontwikkelingen betreffende de werking van de Algemene directie
bestuurlijke politie; (4) een directeur-generaal en twee hoofdcommissarissen
over de evolutie van de Algemene directie personeel; (5) twee directeurs-generaal
over de operationele ondersteuning en materiële middelen; (6) de commissaris-generaal
en een directeur-generaal over knelpunten in de organisatie; (7) de voorzitter
van de Raad van procureurs des Konings over o.a. de samenwerking tussen het
openbaar ministerie en het Vast Comité P.
Tijdens deze verschillende zeer interessante hearings werd openlijk gesproken,
omdat aan de sprekers werd gewaarborgd dat het Vast Comité P de informatie
niet openbaar zou maken noch deze zou gebruiken in een persoonlijke aangelegenheid
ten aanzien van de gehoorde.
Het Vast Comité P heeft in de loop van het jaar 2004 verdere contacten onderhouden met verschillende overheden en organisaties teneinde de samenwerking met deze instellingen en de naleving van de bestaande protocollen te bevorderen.
Over precieze aangelegenheden vonden er vergaderingen plaats met onder meer de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, de top van de federale politie, de Vaste Commissie van de lokale politie, de Raad van procureurs des Konings, het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en het Controleorgaan van het politioneel informatiebeheer. Met het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding werd bovendien een samenwerkingsakkoord voorbereid en begin 2005 ondertekend. Een tweede akkoord werd in 2004 voorbereid en begin 2005 afgesloten met de directeur-generaal van de Algemene directie gerechtelijke politie en met de directeur van de Directie van de bestrijding van de economische en financiële criminaliteit van de federale politie met betrekking tot het gemeenschappelijk beheer van een technisch interceptiecentrum en andere vormen van samenwerking.
Op 17 maart 2004 bracht Zijne Koninklijke Hoogheid Albert II, in aanwezigheid van de heer Herman De Croo, voorzitter van de Kamer van Volksvertegenwoordigers en de heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken, een werkbezoek aan het Vast Comité P. Na afloop van deze werkvergadering had de Koning verschillende gesprekken met de leden van het Vast Comité P, alsook met de leden van de Dienst Enquêtes en het administratief personeel. Dit was een constructieve ontmoeting en werd algemeen beschouwd als een teken van appreciatie voor de dagdagelijkse inzet van alle medewerkers van Vast Comité P.
Afdeling 2: Evaluatie van de commissaris-generaal, de directeurs-generaal en de adjunct-directeurs-generaal
De ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken hebben de leden van het Vast Comité P aangesteld om ten persoonlijke titel over te gaan tot de evaluatie van de commissaris-generaal. De leden van het Vast Comité P hebben ook deelgenomen, als deskundige, aan de evaluaties van de directeurs-generaal en hun adjuncten die werden uitgevoerd door de commissaris-generaal met de hulp van de inspecteur-generaal.
Niet alleen de geldende wetgeving en regelgeving betreffende de evaluatie
van mandaathouders of andere hoge verantwoordelijken, maar ook de algemeen erkende
methodiek op dit vlak hecht in het bijzonder belang aan de mate waarin de te
evalueren persoon met de hem ter beschikking gestelde middelen de vooropgestelde
doelstellingen heeft bereikt.
Aan de hand van de opdrachten zoals die blijken uit de wet van 7 december 1998
tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee
niveaus en van het koninklijk besluit van 3 september 2000 met betrekking
tot de commissaris-generaal en de algemene directies van de federale politie,
werd door de evaluatiecommissie ad hoc een lijst opgemaakt van de doelstellingen
die naar haar oordeel de essentie van het mandaat van de commissaris-generaal
van de federale politie uitmaken. De commissie achtte het tevens noodzakelijk
het aspect van de competenties van de commissaris-generaal op het vlak van management
en leidinggeven in haar evaluatie te betrekken.
Er werd dan ook een passend referentiedocument opgemaakt van een aantal competenties
waarvan de commissie meende dat zij belangrijk zijn voor de uitoefening van
het ambt van commissaris-generaal. Hierbij werd rekening gehouden met het functieprofiel
zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 4 november 2000
en met de algemeen erkende principes op dit vlak. Teneinde, in het verlengde
van de reeds beschikbare gegevens of ontvangen documenten, over een zo objectief
en breed mogelijk beoordelingsvlak te beschikken, werden een aantal titularissen
(personen die uit hoofde van hun ambt of functie) die in de positie verkeerden
om inlichtingen te verstrekken over de mate waarin de commissaris-generaal de
gestelde doelstellingen heeft verwezenlijkt, geraadpleegd aan de hand van een
specifieke vragenlijst die was opgesteld na noodzakelijk overleg met experts
terzake. Dit alles om een bijkomende geïntegreerde en globale analyse mogelijk
te maken en, desgevallend, de reeds voorhanden zijnde inlichtingen te verfijnen
[20] . Ook de commissaris-generaal
werd verzocht deze vragenlijst te beantwoorden.
Deze methodiek werd o.a. tijdens een vergadering ad hoc van de commissie
met de commissaris-generaal besproken en toegelicht, waarbij de commissaris-generaal
zijn instemming betuigde met deze werkwijze [21] .
Het Comité, als evaluatiecommissie, was van oordeel dat de gegevens van de globale
analyse waarvan sprake en zoals deze werd toegelicht, echter geen absolute waarde
hebben, maar elementen zijn die in hun context moeten worden geïnterpreteerd
en moeten worden getoetst aan het synoptisch verslag neergelegd door de commissaris-generaal,
de voorhanden zijnde informatie, zijn antwoorden op de vragenlijsten, de gegevens
van het evaluatiegesprek met de commissaris-generaal en aan de eigen deskundigheid
en beroepservaring van de leden zetelend in de evaluatiecommissie [22]
.
Dit zijn kort samengevat de belangrijkste facetten die de commissie hebben toegelaten
de wijze te evalueren waarop de commissaris-generaal tot hiertoe zijn mandaat
heeft uitgeoefend.
Niet enkel in het raam van het evaluatieproces heeft de commissaris-generaal meermaals de nadruk gelegd op het feit dat hij geen opdrachtbrief heeft gekregen en er geen duidelijke werkingsregels werden vastgelegd voor zijn mandaat. Het Comité kan dit enkel bevestigen en het is dan ook om deze redenen dat, zoals trouwens is voorzien in de regelgeving ad hoc, werd uitgegaan van de opdrachten waarmee het werd belast bij het bepalen van de doelstellingen van de evaluatie.
De wetgeving bepaalt dat de commissaris-generaal prioritair
aandacht moet hebben voor de werking van de federale politie. Er dient tevens
opgemerkt dat de omstandigheden waarin de commissaris-generaal zijn mandaat
moest uitoefenen ver van optimaal waren. Er was bovendien geregeld en soms
zelfs op een niet te verantwoorden manier ongeverifieerde en onverifieerbare
kritiek op de werking van de federale politie of op de commissaris-generaal
zelf.
Er dient ook te worden onderstreept dat de inplaatsstelling van het nieuwe politielandschap
en het werken met de nationale (en zonale) veiligheidsplannen een positief groeiproces
is waarvan van meet af aan geweten was dat het als dusdanig voor verbetering
en dus voor positieve en constructieve kritiek vatbaar was.
De evaluatiecommissie heeft op 31 december 2004
aan beide ministers het evaluatieverslag met betrekking tot de commissaris-generaal
overhandigd.
Naar aanleiding van die evaluaties heeft het Vast Comité P niet enkel heel
wat informatie over de werking van de geïntegreerde politiedienst kunnen vergaren
die zeer nuttig is voor zijn eigen werking, er werd ook een canvas gemaakt ter
verbetering van de evaluatieprocedure voor de commissaris-generaal en voor de
hoogste verantwoordelijken van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee
niveaus en er werden uitgebreide conclusies en voorstellen geformuleerd ten
behoeve van beide ministers.
Afdeling 3: Enkele bedenkingen omtrent de werking van het Vast Comité P
Het statuut van onafhankelijk en neutraal extern controleorgaan dat, op grond van artikel 1 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, belast is met het toezicht op de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de burgers waarborgen in het kader van de uitoefening van het politieambt, maakt van het Vast Comité P een bevoorrechte partner op Belgisch niveau van de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de rechten van de mens. Inzake de bescherming van de fundamentele rechten van de burgers deelt het Vast Comité P bovendien de bekommernissen van onder meer het Europees Comité inzake de voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) [23] , het Comité tegen foltering van de Verenigde Naties (CAT) [24] , het Comité voor de rechten van de mens [25] , d e Europese Commissie tegen racisme en intolerantie (ECRI) [26] en het Comité tegen rassendiscriminatie van de Verenigde Naties (CERD) [27] .
Het Vast Comité P onderzoekt elk feit waarover het wordt ingelicht volgens een gestandaardiseerde methode, zodat alle feiten geregistreerd worden in een gegevensbank. Het betreft daarbij niet alleen feiten, maar ook alle aantijgingen van inbreuken die rechtstreeks de rechten en vrijheden van burgers aantasten door willekeurige, onwettige of gewelddaden of door het niet-optreden van politieambtenaren in de uitoefening van hun ambt.
Dankzij verschillende informatiebronnen heeft het Vast Comité P toegang tot de informatie over dergelijke aantijgingen en kan het die verder onderzoeken. Het gaat meer bepaald om: (1) reactief: (i) klachten en aangiften die worden neergelegd door particulieren of bepaalde politieambtenaren zelf of die worden doorgestuurd door nationale instellingen die opkomen voor mensenrechten, zoals de Liga voor mensenrechten, de Beweging tegen racisme, antisemitisme en xenofobie, Amnesty International of het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, enz.; (ii) informatie die wordt gemeld door de politiekorpsen, tuchtoverheden, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de gerechtelijke overheden, zoals bepaald in de wet van 18 juli 1991 [28] ; en (2) proactief: (i) geregelde en onverwachte bezoeken aan de politiecommissariaten waarbij de doorgangscellen (amigo’s) worden onderzocht en de vastgehouden personen worden ondervraagd over de omstandigheden waarin ze worden opgesloten; (ii) (marginale of thematische) toezichtsonderzoeken om na te gaan of de fundamentele rechten en vrijheden door de politieambtenaren worden nageleefd; (iii) de aandachtige lezing van de dagelijkse pers en de politiezaken die ermee verband houden en waarvoor niet noodzakelijkerwijs een klacht of aangifte is ingediend bij het Vast Comité P.
De voornaamste toezichts- en opvolgingsonderzoeken die het Vast Comité P
tussen 2001 en 2004 heeft aangevat en/of voortgezet op het gebied van het toezicht
op de eerbiediging van de rechten en vrijheden van de burgers bij de uitoefening
van het politieambt , hebben betrekking op de volgende thema’s:
(1) fouilleringen en vrijheidsberovingen; (2) aantijgingen van mishandeling
bij vrijheidsberovingen; (3) doorgangscellen (amigo’s) en opsluitingen
in politiekantoren; (4) ‘incidents in custody’; (5) repatriëringen;
(6) gebruik van dwang en geweld bij de uitoefening van het politieambt;
(7) ordehandhaving; (8) racisme, discriminatie en diversiteit; (9) wijze
waarop de politiediensten communiceren met bepaalde personen die in bestaansonzekerheid
leven en (10) woonwagenbewoners.
De uitvoeringsmodaliteiten van de toezichtsonderzoeken van het
Vast Comité P zijn de voorbije tien jaar sterk geëvolueerd, waardoor het
toezichtsonderzoek een alsmaar performanter instrument is geworden om de politiewerking
in haar geheel te meten en te evalueren. Een aantal onderzoeken heeft al geleid
tot een globaal, tussentijds of opvolgingsverslag aan de parlementaire begeleidingscommissie
van het Vast Comité P. Die verslagen werden telkens ook bezorgd aan de
overheden, o.a. de hiërarchische overheden, aan de verantwoordelijken en meestal
ook aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie. Soms werden ze
ook gestuurd aan andere belanghebbende partijen, waaronder verschillende NGO’s.
Sommige verslagen werden bovendien op meer uitgebreide wijze in de openbaarheid
gebracht. Andere hebben al diverse reacties uitgelokt, maar die gaan vrij vaak
in de richting van de aanbevelingen of denkpistes van het Vast Comité P.
Dankzij de diversiteit van de kennis en informatie waarover het Vast Comité P thans beschikt, evenals de knowhow over het meten van politionele disfuncties die het de voorbije tien jaar als globaal observatorium van de politiefunctie heeft ontwikkeld, kan het Vast Comité P zijn opdracht van extern en onafhankelijk controleorgaan alsmaar nauwkeuriger vervullen. Die stevig onderbouwde kennisbron is van grote waarde voor de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de mensenrechten.
Op vraag van de regering en met de goedkeuring van het Parlement, werkt
het Vast Comité P mee aan verslagen die periodiek worden opgesteld voor
de diverse internationale controle-instanties. Deze verslagen maken deel uit
van de verplichtingen die België als partij van internationale overeenkomsten
inzake de bescherming van de mensenrechten moet nakomen. De periodieke verslagen
bevatten de afgesproken maatregelen die rechtskracht geven aan de rechten die
in de verschillende internationale akten zijn erkend, de vooruitgang die op
het vlak van die rechten is geboekt, evenals, indien van toepassing, de factoren
en moeilijkheden die een invloed hebben op de uitoefening van deze rechten.
Op basis van die verslagen formuleren de internationale controle-instanties
hun waarnemingen, specifieke aandachtspunten en aanbevelingen. Dit alles wordt
daarna geëvalueerd door de betrokken Belgische instanties, om er een daadwerkelijke
opvolging door middel van concrete maatregelen op korte en langere termijn van
te verzekeren.
Verschillende werkgroepen die in dat kader zijn opgericht, doen geregeld een
beroep op de ervaring van het Vast Comité P.
In 2004 werd het Vast Comité P zowel door de departementen Justitie, Binnenlandse Zaken als Buitenlandse Zaken aangezocht om een bijdrage te leveren tot de redactie van: (1) het periodiek verslag van België aan het Comité voor de rechten van de mens, overeenkomstig artikel 40 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten; (2) het periodiek verslag van België aan het Comité van de Verenigde Naties tegen foltering, overeenkomstig artikel 19 van het Internationaal Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling en bestraffing en (3) het periodiek verslag van België aan het Comité van de Verenigde Naties tegen rassendiscriminatie , overeenkomstig artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie .
De internationale controle-instanties hebben het Vast Comité P ook meermaals gevraagd hun vertegenwoordigers te ontvangen tijdens periodieke of ad hoc bezoeken in België om hun vragen te beantwoorden, hen nauwkeurige informatie te verstrekken en met hen van gedachten te wisselen.
Ten gevolge van de mondelinge presentatie in juli 2004 van het vierde periodieke verslag van België overeenkomstig artikel 40 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, had het Comité voor de rechten van de mens van de Verenigde Naties zijn bezorgdheid geuit over de onafhankelijkheid van het Vast Comité P, omdat de meeste leden van zijn Dienst Enquêtes gedetacheerd zijn uit een politiekorps. In de punten 6 en 7 van dit jaarverslag worden argumenten aangevoerd die de minste twijfel in dit verband zullen wegnemen.
Het Vast Comité P zal op verschillende fronten zijn actie voortzetten zodat de naleving van de rechten en vrijheden van de burgers bij de uitoefening van het politieambt almaar beter wordt verzekerd, en dit, afgezien van de samenwerkingsverbanden met de politieoverheden en -diensten, aan de hand van een optimale en transparante samenwerking met de internationale controle-instanties, door informatie en adviezen van hoogstaande kwaliteit te verstrekken en met hen van gedachten te wisselen.
In verband met de behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd door de politie, heeft het Vast Comité P in april 2005 het bezoek gekregen van de delegatie van het CPT. Dit was het vierde bezoek van het CPT aan België, na bezoeken in 1993, 1997 en 2001. Voor de uitwerking van het programma van dit bezoek, heeft het Vast Comité P actief samengewerkt met het CPT en het alle inlichtingen bezorgd die nuttig werden geacht (met de nodige garanties op het vlak van confidentialiteit) met betrekking tot de toestand van personen die door de Belgische politie worden vastgehouden.
Met de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht
op politie- en inlichtingendiensten heeft de wetgever een specifiek externe,
globale en geïntegreerde opvolging van en controle op de politiediensten in
België willen instellen en dat via een neutrale, onafhankelijke en pluralistisch
samengestelde instelling die rechtstreeks afhangt van het Parlement: het Vast
Comité van Toezicht op de politiediensten.
Het Vast Comité P wordt bijgestaan door een administratie en door een Dienst
Enquêtes P, waarvan de leden, behalve voor hun gerechtelijke opdrachten,
rechtstreeks en uitsluitend onder het gezag en de verantwoordelijkheid van
het Comité werken.
Tijdens de voorbereiding van de wet van 18 juli 1991 tot regeling
van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten heeft de wetgever
6 criteria bepaald die het extern toezichtsorgaan in staat moeten stellen
zijn opdrachten in de beste omstandigheden te vervullen [30]
. Deze criteria zijn: (1) onafhankelijkheid:
het toezicht moet onafhankelijk worden uitgeoefend, zowel ten aanzien van de
politiediensten, de uitvoerende en rechterlijke macht als ten aanzien van elke
hiërarchie; (2) bestendigheid: het toezicht moet bestendig en op geïntegreerde
wijze worden uitgeoefend en opgevolgd in de praktijk van de diensten; (3) doelmatigheid:
de leden moeten over voldoende gezag en over voldoende middelen en onderzoeksbevoegdheden
beschikken om diepgaande onderzoeken te verrichten; (4) openbaarheid: de
uitoefening van het toezicht moet in de grootst mogelijke openheid gebeuren,
onder voorbehoud van de nodige waarborgen inzake vertrouwelijkheid; (5) specificiteit:
het extern toezicht is de enige taak van het toezichtsorgaan, het is complementair
aan de bestaande controles en inspecties ingericht door de hiërarchische en
gerechtelijke overheden en (6) legaliteit: het toezicht wordt uitgeoefend
volgens de werkwijze die bij wet is geregeld [31]
.
Naar aanleiding van bepaalde gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan in 2003-2004,
gaat het Vast Comité P hierna meer in detail in op de criteria onafhankelijkheid,
doelmatigheid en openbaarheid van het toezicht.
Het Vast Comité P valt rechtstreeks onder de bevoegdheid van het
Parlement, waarvoor het onrechtstreeks en voortdurend toezicht uitoefent op
de politieorganen die onder de bevoegdheid vallen van de uitvoerende macht (en
die, voor de uitvoering van sommige van hun opdrachten, onder het gezag van
de rechterlijke macht staan).
De rol van het Vast Comité P is onlosmakelijk verbonden met het principe
van de scheiding der machten: het Vast Comité P treedt op ten dienste van
de wetgevende macht om die laatste bij te staan in zijn toezichthoudende functie
op de uitvoerende macht die hem door de Grondwet is toegekend. Aangezien het
Vast Comité P geen enkele verantwoordelijkheid draagt voor de organisatie
of de werking van de gecontroleerde diensten, handelt het Vast Comité P
als externe instelling, en dat zowel ten aanzien van de geïntegreerde politiedienst
en de uitvoerende macht waarvan die afhangt, de andere politiediensten in de
zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991 en de overheden
waaronder deze diensten ressorteren, als ten aanzien van de rechterlijke macht [32]
.
Die volledig externe positie ten aanzien van de politiediensten, die voornamelijk
onder de uitvoerende macht en zijn uitvoeringsmodaliteiten ressorteren, vormt
één van de fundamentele elementen die het Vast Comité P onderscheiden van
de andere instanties en diensten voor inspectie en toezicht, zoals de Algemene
inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de andere inspecties
of controlediensten die specifiek intern zijn aan de politiekorpsen of -zones.
Hierdoor is het Vast Comité P volledig onafhankelijk van het politieapparaat
(van de basis tot de overheid waaronder het ressorteert). Alle andere inspecties
of controlediensten hangen immers af van de uitvoerende macht, zijn in de structuur
van de politiediensten zelf geïntegreerd [33]
en bijgevolg belast met het interne aspect van het
toezicht op deze diensten. Deze specificiteit maakt van het Vast Comité P
trouwens het enige globale en geïntegreerde extern toezichtsorgaan op de werking
van de politiediensten, dat bovendien autonoom, neutraal en onafhankelijk is.
Binnen de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd een Vaste Commissie opgericht
om de opvolging van het Vast Comité P te waarborgen: de Bijzondere commissie
belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op
de politiediensten. Die Commissie vergadert minstens één keer per kwartaal
met het Vast Comité P. Ze kan aan het Comité aanbevelingen doen over zijn
werking, overeenkomstig de wet van 18 juli 1991 en het huishoudelijk
reglement van het Vast Comité P.
De wet van 18 juli 1991 bevat een aantal onverenigbaarheden en verbodsbepalingen om de volledige neutraliteit en onafhankelijkheid van de leden van het Vast Comité P te waarborgen. De leden en hun plaatsvervangers mogen geen bij verkiezing verleend openbaar mandaat uitoefenen. Zij mogen geen openbare of particuliere betrekking of activiteit uitoefenen die de onafhankelijkheid of de waardigheid van het ambt in gevaar zou kunnen brengen. Zij mogen geen lid zijn van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, van een politiedienst of van een inlichtingendienst [34] . Bovendien gelden de volgende waarborgen: (1) het is de leden van het Vaste Comité verboden tegenwoordig te zijn bij een beraadslaging of besluit over zaken waarbij zij een persoonlijk en rechtstreeks belang hebben of waarbij hun bloed- of aanverwanten tot en met de vierde graad een persoonlijk of rechtstreeks belang hebben [35] ; (2) de leden van het Vast Comité zijn, op straffe van strafrechtelijke sancties, verplicht de geheimen te bewaren waarvan zij kennis krijgen tijdens het vervullen van hun opdracht. Het geheim blijft bestaan, zelfs wanneer zij hun functie hebben beëindigd [36] en (3) de wet van 18 september 1986 tot instelling van het politiek verlof voor de personeelsleden van de overheidsdiensten is van toepassing op de leden van het Vast Comité [37] .
De wijze van benoeming van de leden en de griffier van het Vast
Comité P bekrachtigt duidelijk zijn onafhankelijkheid, neutraliteit en
externe karakter ten opzichte van de andere vormen van toezicht en inspectie.
Hetzelfde geldt voor de manier waarop het rekenschap aflegt.
Het Vast Comité P overhandigt aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers
over elk onderzoek een verslag. Bovendien moet het aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers
en aan de Senaat verslag uitbrengen in de volgende gevallen: (1)
jaarlijks, door een algemeen activiteitenverslag dat, indien nodig, algemene
conclusies en voorstellen kan bevatten en dat de periode betreft gaande van
1 januari tot 31 december van het voorgaande jaar ; (2)
telkens wanneer het dit nuttig acht of op verzoek van de Kamer van Volksvertegenwoordigers
of van de Senaat, door een tussentijds activiteitenverslag dat, indien nodig,
algemene conclusies en voorstellen kan bevatten betreffende een welbepaald onderzoeksdossier
; (3) wanneer door de Kamer van Volksvertegenwoordigers aan
het Vast Comité P een onderzoek werd toevertrouwd ; (4)
wanneer het vaststelt dat, bij het verstrijken van een termijn die het redelijk
acht (maar die niet minder dan 60 dagen mag bedragen), geen gevolg werd
gegeven aan zijn besluiten of dat de genomen maatregelen niet passend of ontoereikend
zijn.
Soortgelijke commentaar als deze geuit na de mondelinge presentatie
in juli 2004 van het vierde periodieke verslag van België overeenkomstig
artikel 40 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke
rechten, supra vermeld, werd geleverd door het Europees
Comité inzake de voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling
of bestraffing (CPT), na zijn periodiek bezoek aan België in 1997 [38]
. De uitleg hierna is bedoeld om de minste twijfel in dit verband weg te nemen.
Net zoals het Rekenhof waarop zijn organisatie en werking zijn geïnspireerd,
en zoals zijn zusterinstellingen, het College van de federale ombudsmannen,
de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, de Hoge Raad
voor de Justitie, het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten, is
het Vast Comité P een sui generis instelling die onafhankelijk en
extern is ten aanzien van de uitvoerende en de rechterlijke macht, onder het
toezicht van het Parlement staat en van dat laatste voor zijn gehele werking
een dotatie krijgt.
Een gedeelte van het personeel van het Vast Comité P is gedetacheerd uit
andere diensten, maar, ongeacht hun dienst van oorsprong, bezitten de personeelsleden
een specifiek statuut, zijn ze benoemd door het Vast Comité P en, afgezien
van de gerechtelijke onderzoeken die de leden van de Dienst Enquêtes P
voeren, vallen ze onder het hiërarchische gezag van het Vast Comité P.
Twijfelen aan de onafhankelijkheid of de neutraliteit van één van de componenten
van het Vast Comité P is zoveel als twijfelen aan de onafhankelijkheid
of de neutraliteit van de hele instelling.
Hieraan moet worden toegevoegd dat: (1) wat de uitoefening
van hun toezichtsopdrachten betreft, de leden van de Dienst E nquêtes P
rechtstreeks en ontegensprekelijk onder het gezag en de verantwoordelijkheid
werken van het Vast Comité P, dat over elk onderzoek een verslag ontvangt .
Het is het Vast Comité P dat de verantwoordelijkheid
draagt voor zowel het starten van een onderzoek als de conclusies ervan, die
voortvloeien uit een collegiale beslissing . De verslagen
die worden opgemaakt en voorgesteld, zijn wel degelijk, in ieder geval, die
van het Vast Comité P en niet die van zijn Dienst Enquêtes of van één bepaalde
onderzoeker; (2) wat de uitoefening van hun gerechtelijke opdrachten betreft,
bevinden de leden van de Dienst Enquêtes P zich niet onder het rechtstreeks
gezag van het Vast Comité P in het kader van de concrete zaak waarvoor
een opsporingsonderzoek of gerechtelijk onderzoek loopt, maar uitsluitend onder
het gezag van de gerechtelijke instanties (onderzoeksrechter of procureur des
Konings). Twijfelen aan de onafhankelijkheid van de leden van de Dienst Enquêtes P
in het kader van de uitoefening van hun gerechtelijke opdrachten zou er dan
ook op neerkomen dat het gezag van de gerechtelijke overheden zelf aan de kaak
wordt gesteld, net zoals twijfelen aan de onafhankelijkheid van het Vast Comité P
zelf wat de uitvoering van de toezichtsopdrachten betreft.
Daarenboven is het zo dat zowel wat de klachten als wat de gerechtelijke onderzoeken
betreft, het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes slechts een fractie
van het aantal onderzoeken voeren. De meeste onderzoeken worden door de korpsen
zelf verricht, evenals, voor een ander gedeelte, door de Algemene inspectie
van de federale politie en van de lokale politie. Voor zover er sprake zou
moeten zijn van een ‘doelwit’, quod non, vergist men zich met deze kritiek
dan ook van ‘doelwit’.
Naast de samenhang en onafhankelijkheid van het Vast Comité P als instelling,
bestaan er verschillende juridische mechanismen om de onafhankelijkheid en neutraliteit
van alle individuele leden, leden van het Comité, van de administratie of van
de Dienst Enquêtes te waarborgen of te versterken. Al die personen hanteren
overigens hoge normen van beroepsethiek, wat de onafhankelijkheid en neutraliteit
van het Vast Comité P nog eens onderstreept.
Wat meer specifiek de Dienst Enquêtes P en zijn samenstelling betreft,
onderscheidt men 2 categorieën van leden: (1) de statutaire
leden in strikte zin: dit zijn hetzij leden die aangeworven zijn door het Vast
Comité P in het organiek statutair kader van de Dienst Enquêtes P,
hetzij gedetacheerde leden die overgegaan zijn naar het organiek statutair kader
van het Vast Comité P via het overgangsmechanisme bepaald in artikel 22quater
van de wet van 18 juli 1991 [39] ; (2) de leden die afkomstig zijn
uit een politiedienst, maar die het Vast Comité P geselecteerd, aangewezen
en benoemd heeft voor hun nieuwe functie: op grond van de wet van 18 juli 1991 [40] is ten minste de helft van de leden
van de Dienst Enquêtes P gedetacheerd uit een politiedienst of bestuur
waarin ze minstens vijf jaar ervaring hebben opgedaan in ambten die verband
houden met de activiteiten van de politiediensten.
We herinneren eraan dat de wetgever bij de oprichting van het Vast Comité P
– zoals bekrachtigd in artikel 67 van de wet van 18 juli 1991,
als overgangsbepaling – bepaalde dat de eerste leden van de Dienst Enquêtes
via een detachering uit een politiedienst of bestuur werden benoemd (voor zover
de voorwaarden inzake ervaring van artikel 20 van de wet van 18 juli 1991
waren vervuld), wat het ab initio betrekkelijk hoge aantal gedetacheerde
onderzoekers verklaart.
De uit een politiedienst gedetacheerde leden zijn, in het verlengde
van die detachering, benoemd door het Vast Comité P als leden van de Dienst
Enquêtes P voor een vernieuwbare termijn van 5 jaar.
Die benoeming verleent hen een specifiek statuut, dat verschilt van dat van
andere leden van een politiedienst of leden die uit zo’n dienst gedetacheerd
zijn naar een andere dienst of instelling. Dat specifieke statuut werd onlangs
nog verduidelijkt in de twee wetten tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 [41]
.
De samenstelling van de Dienst Enquêtes P is intrinsiek verbonden met de
opdrachten die aan de dienst worden toevertrouwd. Men onderscheidt drie soorten
opdrachten: (1) opdrachten van gerechtelijke politie; (2) in zekere
zin de opvolging van klachten afkomstig van particulieren en (3) auditopdrachten
of toezichtsonderzoeken (thematische, opvolgingsonderzoeken, enz.). Voor de
eerste twee soorten opdrachten is het noodzakelijk te kunnen rekenen op onderzoekers
die over ervaring en deskundigheid beschikken inzake gerechtelijke onderzoeken,
verhoor van personen, speciale politietechnieken, enz. Aangezien de gerechtelijke
onderzoeken die aan de Dienst Enquêtes P worden toevertrouwd, van nature
bijzonder gevoelig of belangrijk zijn, vereisen ze een doorgedreven politieopleiding.
Vooral in het kader van de auditopdrachten of de toezichtsonderzoeken is de
inbreng van experts met een andere opleiding dan een politieopleiding absoluut
noodzakelijk.
Het Vast Comité P schenkt bijzonder veel aandacht aan de bekwaamheid van
de leden van de Dienst Enquêtes P: er gelden strenge rekruteringseisen
[42] , er wordt een
beleid van doorgedreven permanente opleiding gevoerd [43]
en in het dagelijkse werk worden moderne, heel professionele
methodes gebruikt [44]
.
De wet van 18 juli 1991 voorziet in verschillende maatregelen om de onafhankelijkheid en de neutraliteit te waarborgen van de leden van de Dienst Enquêtes P die gedetacheerd zijn uit een politiedienst: (1) de mogelijkheid om definitief over te gaan naar het organiek statutair kader van de Dienst Enquêtes P [45] ; (2) het behoud van de rechten in het oorspronkelijke bestuur of de oorspronkelijke dienst [46] ; (3) de leden vallen onder de tuchtrechtelijke autoriteit van het Vast Comité P en niet onder die van het oorspronkelijke korps [47] ; (4) de aanstelling in een hogere graad [48] ; (5) bijzondere voorwaarden voor bevorderingen [49] en (6