Jaarverslag 2004 - Hoofdstuk II

Inhoudsopgave

Hoofdstuk II: Toezichts- en opvolgingsonderzoeken

Afdeling 1: Algemeen kader

Afdeling 2: Rechten van de mens en doelmatigheid in het kader van de tenuitvoerlegging van het politiebeleid

Afdeling 3: Doelmatigheid en coördinatie

Afdeling 4: Doeltreffendheid van de algemene werking van één of meer politiediensten, -korpsen of één van hun componenten

Afdeling 5: Doeltreffendheid en beheer van de diensten of personen met beperkte of andere politiebevoegdheid

Afdeling 6: Andere onderzoeken

Hoofdstuk II: Toezichts- en opvolgingsonderzoeken

Afdeling 1: Algemeen kader

In 2004 heeft het Vast Comité P 68 toezichtsonderzoeken s.s. beheerd of uitgevoerd, 29 ervan werden in hetzelfde jaar aangevat.  Dit gaat enerzijds om thematische onderzoeken en onderzoeken met betrekking tot de doeltreffendheid/doelmatigheid [1] van een component van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, van een politiekorps, -eenheid of -dienst en anderzijds om bijzondere onderzoeken of opvolgingsonderzoeken.        
Omtrent een aantal van deze onderzoeken werd reeds een tussentijds verslag, een eind- of opvolgingsverslag toegezonden aan de Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten.  Deze verslagen werden doorgaans besproken tijdens één van de zes werkvergaderingen met deze commissie, waarvan er één begin 2005 plaatsvond.
Sommige van deze verslagen, die in dit activiteitenverslag samenvattend worden besproken, werden reeds gedeeltelijk gepubliceerd of in de openbaarheid gebracht.  Andere verslagen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P
[2] , nadat ze zijn besproken met de Bijzondere commissie belast met zijn parlementaire begeleiding.  Daarenboven werden al deze verslagen ook overgemaakt aan de hiërarchische verantwoordelijken of overheden, in de meeste gevallen ook aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie of aan sommige gerechtelijke overheden die allen, steeds, de mogelijkheid hadden om in dit verband opmerkingen of suggesties te formuleren, adviezen of beschouwingen naar voren te brengen of specifieke vragen te stellen.  Wanneer nodig of nuttig voor een goed begrip van de verslagen, werd met deze reacties rekening gehouden in de publieke versie van de verslagen of dienden ze als toelichting of commentaar tijdens de bespreking met de parlementaire begeleidingscommissie.        
Het globale en geïntegreerde toezicht van het Vast Comité P spitst zich voornamelijk toe op de drie voornaamste aandachtspunten die hem door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten zijn opgelegd, en die tevens worden bekeken in het licht van de bedachtzame uitoefening van de politiefunctie, met name de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen, alsook de coördinatie en de doeltreffendheid/doelmatigheid van de politiediensten in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991.   
Op basis van de aard van het toezicht kunnen de toezichtsonderzoeken worden onderverdeeld in drie hoofdcategorieën, met name de toezichtsonderzoeken met betrekking tot: (1) de bescherming van de rechten van de mens en de doelmatigheid van de politie s.l.; (2) de coördinatie en de doelmatigheid van de politie s.l.; (3) de doelmatigheid van bepaalde politiediensten.  Onder politie verstaan we meer in het bijzonder en achtereenvolgens de geïntegreerde politiedienst en zijn verschillende componenten enerzijds, maar anderzijds ook andere diensten van bijzondere politie in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991.     
Een aantal onderzoeken, tot slot, is in dit verslag bijeengebracht onder de rubriek ‘Andere onderzoeken’.  Al deze toezichtsonderzoeken kunnen bovendien, in grote lijnen en volgens hun algemene of bijzondere aanpak, worden ingedeeld naar enerzijds het thematisch gericht onderzoek en anderzijds het verantwoord en transparant toezicht toegespitst op een organisatie en haar werking, meer bepaald de implementatie van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, of nog, afgezien daarvan, de Nieuwe gemeentewet, het Wetboek van Strafvordering of enige andere specifieke wetgeving of reglementering.       
Dit laatste soort toezicht wordt hoofdzakelijk uitgeoefend via audits of preaudits, ‘quick scans’, opvolgingsonderzoeken of nog marginale controles of opvolgingsonderzoeken van de functie intern toezicht wanneer het specifiek om globale en geïntegreerde monitoring gaat.          
Dit jaar heeft het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten ervoor geopteerd om slechts, op synthetische wijze, verslag uit te brengen over de onderzoeken waarin duidelijk vooruitgang werd geboekt sinds de laatste keer dat ze werden besproken in één van zijn vorige jaarverslagen of die in een ontwikkelingsstadium zijn gekomen waarin overleg met de
commissie belast met zijn parlementaire begeleiding noodzakelijk is of die rechtvaardigen dat er verslag over wordt uitgebracht omdat deze rapportage past in het beleid van het Comité om ten aanzien van alle belanghebbende partijen transparant te zijn omtrent het toezicht dat het uitoefent. 
Hoewel de analyses die hierna aan bod komen, niet noodzakelijk vormelijk als dusdanig zijn voorgesteld, belichten ze in principe de volgende vier aandachtspunten: (1) probleemstelling en, in voorkomend geval, methodologie; (2) vaststellingen en conclusies; (3) perspectieven; (4) aanbevelingen.      
De voornaamste aanbevelingen die het Vast Comité P in het bijzonder wenst te benadrukken, worden tevens in fine van het corpus van dit activiteitenverslag besproken.


Afdeling 2: Rechten van de mens en doelmatigheid in het kader van de tenuitvoerlegging van het politiebeleid

Onderafdeling 1: Algemeen veiligheidsbeleid zoals voorzien door de wet op het politieambt en georganiseerd volgens de politiefunctionaliteiten beschreven in het koninklijk besluit houdende de organisatie- en werkingsnormen van de lokale politie

8.                    Gebruik van dwang en geweld [3]

8.1.       Probleemstelling

Wanneer het Vast Comité P de balans opmaakt van tien jaar toezicht [4] op de politiewerking, is één van de aandachtspunten die nadrukkelijk op de voorgrond treden ongetwijfeld het gebruik van dwang en geweld in de politiepraktijk.  Elk jaar onderzoekt het Vast Comité P relatief veel klachten en aangiften die handelen over een mogelijk willekeurig optreden en ongeoorloofd of ongerechtvaardigd geweldsgebruik door de politie.  Ofschoon een groot gedeelte van deze klachten en aangiften na onderzoek, al dan niet op gerechtelijk vlak, ongegrond blijkt te zijn, werpen ze in hun totaliteit een licht op probleemsituaties, tekortkomingen en bepaalde disfuncties die zich voordoen in de politiepraktijk en die een aantasting van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens kunnen inhouden.           
Vanuit deze wetenschap volgt het Vast Comité P een aantal thema’s in dit domein nauwgezet op, zoals het wapenbeheer, fouilleringen en aanhoudingen, de inzet van honden in de politiepraktijk, enz.  Daarnaast wordt een overkoepelend onderzoek gevoerd dat zich in het bijzonder richt op de mogelijke mechanismen – zowel formele als informele – die maken dat er onvoorzien, onredelijk of excessief geweldsgebruik kan optreden en dat dit getolereerd wordt binnen de politieorganisatie.    
De globale en geïntegreerde studie heeft als doel zich een reëel beeld te vormen van: (1) de omstandigheden en eventuele probleemgebieden waarin het excessief gebruik van dwang en geweld voorkomt; (2) de redenen – bewust of onbewust – die eraan ten grondslag kunnen liggen; (3) de mogelijke problemen op het vlak van communicatie, leiding en coördinatie.

De aanwending van dwang en geweld is inherent aan de uitoefening van de politiefunctie, zeker wanneer de politie te allen tijde de veiligheid van de staat en de samenleving dient te garanderen!  De politie bezit dus in zekere zin een geweldsmonopolie op het nationale grondgebied.  Internationale, Europese en nationale regelgevingen en adviezen zorgen voor de globale sturing en toetsing van dit gebruik van dwang en geweld, waarbij het referentiekader altijd vertrekt vanuit de naleving en de bescherming van de mensenrechten en de democratische ontwikkeling van de maatschappij.  Bij het politiehandelen staan de legitimiteit, de wettelijkheid, de opportuniteit en de evenredigheid van dit gebruik steeds centraal.  Politieambtenaren moeten tijdens hun tussenkomsten professioneel en integer handelen vanuit een bijzondere oordeelkundigheid.  De politie-interventies moeten progressief en subsidiair zijn naar handelingen en inzet van middelen toe, waarbij tevens een maximale objectiviteit en neutraliteit van de interveniërende politieambtenaren wordt verwacht.  
D
e toepassing van dwang en geweld alsook de uitgangspunten ervoor werden samengebracht in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt [5] .  Elk gebruik van geweld is van aard om automatisch iemands rechten en vrijheden te schenden.  De politie in haar geheel en elke politieambtenaar afzonderlijk heeft, naar de geest van de wet en volgens de principes van een gemeenschapsgerichte politiewerking, de morele verplichting het gebruik van dwang en geweld permanent te toetsen aan de eerbiediging van de mensenrechten.  Dit is een noodzakelijke interne toetsing die, indien ze wordt aangevuld met een extern georganiseerd transparant en democratisch toezicht, de essentiële voorwaarde is voor een Human Rights Proof Policing [6] .

Vanuit sociologisch standpunt kunnen we dwang omschrijven als elke politiemaatregel die een verplichting, een verbod of een gebod inhoudt voor een burger binnen de samenleving.  De burger dient zich vreedzaam aan die politiemaatregel te onderwerpen.  Wanneer de burger dit niet doet, dan kunnen de politieambtenaren het bij wet voorziene ‘noodzakelijk’ geweld – zijnde elke gedraging, handeling of gebruik, voorzien bij richtlijn of procedure, in de vorm van technieken en gebruiken – aanwenden om die maatregel op een psychische of fysieke manier effectief af te dwingen [7] .  Alle geweld dat buiten dit kader valt, kan mogelijk als excessief geweldsgebruik worden omschreven.

“De maatschappij heeft recht op een professionele toepassing van het geweldsmonopolie en politieambtenaren hebben recht op zo veilig mogelijke arbeidsomstandigheden” [8] .  Uit de analyse van dossiers naar aanleiding van het onderzoek naar excessief geweldsgebruik en vuurwapengebruik door de politie blijkt dat juist deze twee betrachtingen vaak niet of moeilijk te verzoenen zijn op het ogenblik van een politietussenkomst.  Onderzoek toont aan dat in de praktijk veel agenten zich in een situatie wringen waarin er voor hen niets anders overblijft dan geweld te gebruiken, of zelfs te schieten.  Fyfe wijst erop dat “schieten vaak het resultaat is van een situatie waarin de agent beter anders had kunnen handelen” [9] .  Adang en Timmer verwijzen naar gelijkaardige conclusies uit de studie van Belgische gegevens door Pauwels e.a. [10] .          
In het kader van deze studie komt tot uiting dat de situaties waarin, in dit geval, vuurwapens worden gebruikt de meeste problemen veroorzaken.  De verwaarlozing van bepaalde veiligheidsaspecten zoals dekkingsmogelijkheden, de opstelling van en taakverdeling tussen de aanwezige collega’s, alsook het miskennen van bepaalde risicofactoren zijn belangrijke aandachtspunten binnen het geheel.  Wellicht ligt een aantal van deze factoren ook aan de basis van problematische situaties bij ander gebruik van geweldsmiddelen.  Beide streefdoelen, zoals verwoord door Timmer en Adang, houden inherent de premisse in dat er aan minimumvereisten wordt voldaan, zowel door de individuele politieambtenaar en de politieorganisatie als door de overheid en de maatschappij zelf
[11] .

In een democratische samenleving bepaalt de overheid het wettelijk kader en de principes die aan het geweldsmonopolie vorm en inhoud geven.  De wet voorziet in eenieders bevoegdheden en vooral ook in de limieten ervan.  Het behoort tot de taak van de overheid om voldoende middelen te voorzien opdat de politie binnen een veilig en professioneel kader zou kunnen werken. 
Van de politieoverheden wordt verwacht dat zij de hen ter beschikking gestelde middelen efficiënt aanwenden om politieambtenaren op professionele wijze te rekruteren, op te leiden en te trainen en dat zij hen vervolgens uitrusten met de middelen die noodzakelijk zijn om in veilige omstandigheden en professioneel te kunnen optreden.  Het is dan ook onontbeerlijk dat de opleiding en training van politieambtenaren, hun inzet, kwaliteit en uitrusting voldoende afgestemd worden op de politiepraktijk.  Dit vereist een beleid dat steunt op een permanente leiding, ondersteuning en opvolging van de politiepraktijk, dat op zijn beurt garant staat voor een professionele toepassing van het geweldsmonopolie en de veilige omstandigheden waarin gewerkt wordt.  De toetsing van de politiepraktijk aan deze beide elementen maakt een wezenlijk deel uit van dit beleid.  Ondanks de recente evoluties in management, zowel technieken als modellen, blijft het een verrassende vaststelling dat het beleid vooral met betrekking tot dit laatste aspect in gebreke blijft.

De politie mag enkel en alleen geweld gebruiken vanuit het oogpunt een wettig doel na te streven.  Dit veronderstelt een politieoptreden, waarbij dwang- of geweldsmiddelen worden aangewend, dat zelf een wettelijke basis en doel heeft.  De wet spreekt de professioneel opgeleide politieambtenaar aan op het niveau van zijn denken, kunnen en handelen in de politiepraktijk. 
Van elke politieman of -vrouw wordt verwacht dat hij of zij zich, vooraleer tussen te komen, een juist oordeel kan vormen omtrent de basis voor die tussenkomst en de situatie waarin men zich bevindt.  Daarnaast moet hij of zij het eventuele gevaar en de mogelijke risico’s kunnen inschatten en vooral de juiste beslissing nemen om niet enkel de meest doeltreffende, maar zeker de minst dwingende manier van handelen aan te wenden!   
Niettegenstaande de politie bij haar uitvoering handelt onder het gezag van de bevoegde overheden, alsook binnen een hiërarchisch leidinggevend kader functioneert, is het de individuele politieambtenaar die uiteindelijk altijd zelf verantwoordelijk is voor zijn handelen, tenzij hij expliciet handelt ingevolge een wettelijk gegeven order of bevel.  Aan elk gebruik van dwang of geweld gaat een waarschuwing vooraf.   
Alleen wanneer dit in de praktijk niet werkbaar zou zijn, wordt de politie van deze plicht ontlast.  Deze expliciete vermelding in de wet laat vermoeden dat de gevallen waarin de politie niet in staat is om die waarschuwing te geven, en ze dus in het tegenovergestelde geval niet in staat zou zijn om doeltreffend op te treden, eerder uitzonderlijk moeten zijn!  We kunnen ervan uitgaan dat het om bepaalde situaties gaat die levensbedreigend zijn of dat kunnen worden of om bepaalde (relatief zware) criminele feiten waarbij de bewijzen dreigen teniet te gaan door de vernietiging van gegevens of door het wegvluchten van de daders.  Men kan hierbij ook denken aan bijzonder gevaarlijke daders.  Wellicht gaat het dus steeds om situaties die altijd een bepaalde risicograad inhouden en waarbij bovendien zowel de notie tijd als het verrassingseffect een cruciale rol spelen in de goede afloop van de situatie.           
Uit de analyse van geweld- en vuurwapenincidenten blijkt dat factoren zoals de dringendheid van de actie, de actiegerichtheid van de politieambtenaren met de bijbehorende stress, onzekerheid en ‘tunnelvisie’, alsook het gebrek aan juiste en gevalideerde informatie en aan leiding, telkens opnieuw in het oog springen en mogelijkerwijs een doorslaggevende rol spelen in de negatieve beïnvloeding van zowel de veiligheid als het professionalisme van het optreden.

Het is echter vooral de politieambtenaar zelf die, al dan niet samen met zijn collega’s, dient bij te dragen tot een professionele en veilige politiewerking.  Politieambtenaren moeten dagdagelijks functioneren binnen het kader van de hen toegekende bevoegdheden, moeten professioneel omgaan met hun macht en moeten er vooral voor zorgen dat ze verantwoord en transparant optreden.  Zij mogen geweld slechts aanwenden als ultiem middel, hetzij wanneer zij op geen enkele andere manier de openbare orde kunnen waarborgen of herstellen, hetzij om een einde te maken aan ernstige strafbare feiten.         
Niet enkel uit de analyse van klachten en aangiften en op basis van de gevoerde onderzoeken, maar eveneens uit de observaties, die door de Dienst Enquêtes op het terrein naar aanleiding van verschillende politie-interventies werden verricht, blijkt dat dit in de praktijk niet altijd zo is.     
Geweld wordt soms ook aangewend bij de uitvoering van dwangmaatregelen zonder dat er sprake is van tegenwerking of gewelddadigheid vanwege de burger(s) en komt zelfs voor in situaties waarin een persoon al overmeesterd is en geboeid op de grond ligt.           
Geweld is dan wellicht eerder het resultaat van een onvoldoende beheersing van gevoelens zoals onveiligheid, schrik, frustratie, woede of van machtsmisbruik.  Werken vanuit een gemeenschapsgerichte politiezorg vergt van elke politieambtenaar een grotere verantwoordelijkheid en veronderstelt het afleggen van verantwoording.  Net als het gebrek aan debriefing en evaluatie roept dit fundamentele vragen op omtrent de opvolging en bijsturing met het oog op een professionele uitoefening van het geweldsmonopolie en het zorgen voor veilige arbeidsomstandigheden.

In België zijn er verschillende controleniveaus en toezichthoudende instanties.  Onverminderd het optreden van het Vast Comité P, wordt er desondanks tot op heden niet automatisch verantwoording afgelegd noch regelmatig toezicht gehouden op het gebruik van dwang en geweld, tenzij de politionele tussenkomst een levensbedreigende situatie inhield of het gebruik van een geweldsmiddel daartoe leidde.  Er is in ons land geen formele meldingsplicht voor geweldsgebruik, behalve voor vuurwapengebruik en de melding van bepaalde incidenten, met name deze voorzien in de Gemeenschappelijke richtlijn MFO-3 van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken betreffende het informatiebeheer inzake gerechtelijke en bestuurlijke politie van 14 juni 2002.       
Het Vast Comité P, als extern controleorgaan, oefent volgens de wet toezicht uit op de naleving en bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan personen waarborgen.  Het gebrek aan verantwoording en evaluatie bemoeilijkt dit extern toezicht, dat juist daardoor globaler en veel intensiever dient te gebeuren.  Het Vast Comité P deed onder andere een aantal bevragingen naar het bezit, de opleiding en het gebruik van pepperspray in alle 196 politiezones.  Hieruit blijkt dat er doorgaans geen informatie wordt bijgehouden omtrent ander geweldsgebruik dan vuurwapengebruik, waardoor men in de meeste gevallen uitsluitend aangewezen is op wat hierover werd genoteerd in de processen-verbaal.  
Een klein aantal politiezones schreef niettemin het toezicht in als aandachtspunt binnen hun beleid.  Zij brengen het Vast Comité P geregeld op de hoogte van het resultaat daarvan.  Een dergelijke uitwisseling van kennis en informatie draagt bij tot het globaal en extern toezicht dat de wetgever voorschreef en blijkt ook essentieel voor de opvolging en bijsturing op het terrein zelf
[12] .  Het Vast Comité P onderschrijft en steunt deze punctuele initiatieven als good practices, maar stelt vast dat deze nog onvoldoende verspreid zijn.  
In een dergelijke context blijft ook een reële beeldvorming omtrent de toepassing van het geweldsmonopolie actueel in gebreke.  Deze kan immers nagenoeg uitsluitend extern worden georganiseerd!  Men heeft momenteel dan ook onvoldoende inzicht in: (
1) de problematische situaties – de gevaren en risicofactoren – binnen de politiepraktijk die aanleiding geven tot onduidelijke = keuzes in handelwijze en de inzet van mensen en middelen (wapens) bij tussenkomsten; (2) bepaalde gedragingen eigen aan de situationeelgerichte benadering van potentieel gevaarlijke situaties en de afstemming van de opleidingen en trainingen in dat kader; (3) de mate waarin verantwoordelijkheid inzake het gebruik van dwang en geweld wordt opgenomen, alsook de rol van de leidinggevende en van het politiebeleid inzake de evaluatie ervan; (4) de opvolging van het al dan niet concreet toepassen van het geweldsmonopolie volgens het principe van ‘maximum effectiviteit en minimum geweld’; (5) de huidige controle vanwege de politie zelf op de toepassing van het geweldsmonopolie en de noodzakelijke garanties vanuit een Human Rights Proof Policing met betrekking tot de artikelen 3, 5 en 9 van de Universele verklaring voor de rechten van de mens van 10 december 1948, de artikelen 2, 3, 5 en 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten en de fundamentele vrijheden van de mens van 4 november 1950 en de artikelen 12 en 14 van de Belgische Grondwet [13] .

Het onderzoek dat het Vast Comité P voert inzake het gebruik van dwang en geweld gebeurt momenteel aan de hand van verschillende complementaire, doch kwalitatiefgerichte onderzoeksmethoden die vooral op een beschrijvende manier bijdragen tot een realistische beeldvorming van de huidige politiewerking.  Er wordt vooral aandacht besteed aan de continuïteit van het onderzoek en de opvolging doorheen de jaren.        
Het doel bestaat erin dit algemene gebrek aan kennis op te vullen door de politiewerking te toetsen aan de bescherming van de mensenrechten, aan de doeltreffendheid van de toepassing van het wettige geweldsmonopolie en aan de veiligheid van politie en burgers.
Het Vast Comité P tracht bovendien aan de hand van onderzoek en opvolging een bijdrage te leveren tot de bevordering van het algemene bewustzijn inzake de noodzaak van toezicht en evaluatie teneinde er de nodige lessen uit te trekken.

Het onderzoek gebeurt door middel van: (1) een directe en gestructureerde observatie van de politiewerking op het terrein; (2) analyses van gegevens omtrent geweldsgebruik dat mogelijk als excessief kan worden omschreven; (3) analyses van gegevens omtrent wapen-, spray- en vuurwapengebruik; (4) de bevraging en opvolging van rekrutering, opleidingen, trainingen, interne regelingen, instructies en evaluaties.

8.2.       Vaststellingen

8.2.1.      Observatie van de politiewerking op het terrein

Als onderdeel van het onderzoek naar het gebruik van dwang en geweld worden vanaf 2004 observaties op het terrein uitgevoerd door leden van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P.  Deze observaties dragen bij tot een realistische beeldvorming van de huidige politiepraktijk en de eventuele problemen waarmee de politie bij haar optreden geconfronteerd wordt.  Door de proactieve aard van de activiteit vult het resultaat ervan de kennis uit de klachtenbehandeling en de verschillende toezichtsonderzoeken aan.  Een analyse van dit alles maakt een grondigere evaluatie van de politiewerking op dit vlak mogelijk.

De observatie zelf geschiedt op een directe en gestructureerde manier [14] door de verschillende – hiertoe opgeleide – leden van de Dienst Enquêtes P.  Elke betrokken politiezone of -dienst wordt meestal vooraf op de hoogte gebracht van de observatieopdracht alsook van het doel.
De observatoren nemen niet deel aan de politiewerking noch trachten zij deze bij te sturen.  De observatie eindigt op het ogenblik dat de commissarissen-auditors van de Dienst Enquêtes genoodzaakt zijn om gerechtelijke vaststellingen te doen of dringende bijstand of hulp te verlenen.  Deze situatie deed zich totnogtoe slechts éénmaal voor, toen de observanten getuige waren van feiten die mogelijk als excessief geweldsgebruik konden worden omschreven.  
Na afloop van elke observatie gebeurt een rapportering op basis van de gehanteerde observatiestructuur of protocol, waarbij de nadruk ligt op de beschrijving van de politiewerking, zonder daarover een oordeel te vellen.  Van elke observatie worden verscheidene rapporten opgemaakt door de verschillende aanwezige observanten.  Het geheel van deze rapporten wordt achteraf geanalyseerd teneinde globale conclusies te formuleren.

Het opzet van de observaties zou vanuit de doelstellingen van het onderzoek alle mogelijke vormen van politiewerking waarin dwang en geweld kan worden aangewend, omvatten.  Wegens een aantal vertekeningen, eigen aan de uitvoering en de specifieke context waarin de observaties gebeuren, was het totnogtoe nagenoeg onmogelijk om veel kleinschalige politieoptredens te observeren.    
Dit soort onderzoek wordt bemoeilijkt door het wantrouwen op het terrein tegenover deze proactieve vorm van extern toezicht, een aspect dat veel minder een rol speelt bij de grootschalige acties of opdrachten.

In de loop van 2004 werden ongeveer 80 observaties uitgevoerd van diverse middelgrote en grootschalige politieoptredens (zowel de reguliere politiediensten als diensten zoals de Administratie der douane en accijnzen of inspectiediensten of veiligheidsagenten van het openbaar vervoer) op verscheidene plaatsen in het land.  De observaties hadden zowel betrekking op massagebeurtenissen als op kleinschaligere gebeurtenissen en betreffen zowel de bestuurlijke als de gerechtelijke sfeer.  Aan een aantal acties namen studenten uit de basisopleiding deel.  Het totale aantal uren besteed aan observatie bedraagt ongeveer 1 600 of gemiddeld 40 uur per observator.  Er wordt geobserveerd vóór, tijdens en na de gebeurtenis of politieactie.  Zowel de briefing als de eventuele debriefing worden gevolgd en alle voor­bereidende documenten en eventuele evaluatierapporten worden opgevraagd en geanalyseerd.

De verschillende politiewerkingen die totnogtoe geregeld werden geobserveerd, zijn: (1) de politiewerking naar aanleiding van grootschalige culturele manifestaties of sportmanifestaties: voetbalwedstrijden, formule1-wedstrijden, grote wielerwedstrijden en massafestiviteiten zoals carnaval, openluchtconcerten of studentendopen; (2) de politiewerking naar aanleiding van het beheren van grootschalige maatschappelijke uitingen van mening of protest: grootschalige of specifieke manifestaties, marsen of betogingen die vooraf aangevraagd en toegelaten werden.  De observaties werden geselecteerd op basis van hun aard, grootschaligheid en de mate waarin er gekende frustraties of conflicthaarden aanwezig konden zijn; (3) grootschalige politiewerking van gerechtelijke aard: specifieke gerechtelijke acties of politiemaatregelen die gebeuren naar aanleiding van een bepaalde rechtszaak of een reconstructie; (4) politieacties, georganiseerd in het kader van het federale of de zonale actieplannen, die bovenlokaal gepland waren en waarvoor meestal federale steun werd gevraagd.

De observaties konden worden verricht met de bereidwillige medewerking van alle betrokken korpsen en diensten.  De geobserveerde politiewerking verliep in het algemeen vlot, zonder noemenswaardige incidenten op gebied van het gebruik van dwang en geweld of op het gebied van de veiligheid.          
Hierna wordt dieper ingegaan op een aantal mogelijke probleemgebieden die de politiewerking op een bepaald ogenblik negatief zouden kunnen beïnvloeden of doen resulteren in een incident.

De politiewerking, georganiseerd naar aanleiding van een grootschalige gebeurtenis of ten gevolge van een specifieke actie, verschilt vooral op het gebied van aanpak en inzet van mensen en middelen.  Toch is dit verschil in aanpak niet noodzakelijk te wijten aan de vooraf geanalyseerde dreiging of eventueel bepaalde risico’s, maar is het vooral ook de weerspiegeling van een specifieke aanpak en van gewoontes eigen aan een zone of dienst.  Zo wordt bijvoorbeeld, ongeacht de voetbalwedstrijd en het ermee gepaard gaande risico, telkens dezelfde steun gevraagd en globale inzet voorzien en schommelt bij dezelfde controleactie de inzet van twee politieambtenaren en één politievoertuig tot elf politieambtenaren, met verschillende functie, en meerder politiewagens.  Die variatie is dan ook niet altijd helemaal het gevolg van het al dan niet verkrijgen van de gevraagde steun.        
De aanpak en de inzet van mensen en middelen bepalen niet enkel het verloop van de politiewerking, maar ook de veiligheidsaspecten die ermee gepaard gaan.  Er is eveneens een relatief groot onderscheid merkbaar met betrekking tot de inzet van middelen en bijzondere middelen.  Bij diverse controleacties ging het om de aan- of afwezigheid van signalisatiemateriaal, alsook om het dragen van individuele en/of collectieve wapens.  De inzet van collectieve middelen, sproeiwagens bijvoorbeeld, leek soms meer te getuigen van een gewoonte dan van een noodzaak op dat ogenblik en vooral de inzet van honden en het al dan niet dragen van een muilband zorgden voor wezenlijke verschillen.

Globaal gesproken, werden relatief veel situaties geobserveerd waarin allerlei dwangmaatregelen aan de burger werden opgelegd.  Niet zozeer de genomen dwangmaatregelen vallen hierbij op.  Vooral de manier waarop ze ten uitvoer worden gelegd, levert, zoals blijkt uit de observaties, soms een gevaar op voor de veiligheid van zowel de politieambtenaren als van de burgers.  Dit is vooral zichtbaar in de kleinschalige politiewerking.

Algemene controleacties op de weg worden bijvoorbeeld onmiddellijk na een bocht en vaak met heel weinig signalisatie georganiseerd.  Niettegenstaande het voordeel van het verrassingseffect vanuit een crimefighting-perspectief, houdt deze werkwijze enorme gevaren in.  Zo roept de manier van opstelling en de werking zonder kegels, signalisatie en voldoende verlichting serieuze vragen op inzake veiligheid.  Naast het gebrek aan signalisatie werd bij verschillende geobserveerde acties waargenomen dat nogal wat bestuurders wegreden om de controle te ontwijken.  Dit resulteerde in een ontwricht dispositief omdat men die voertuigen per se wilde terughalen met alle risico’s die aan deze achtervolging verbonden zijn.  
Een belangrijke vaststelling is de routinematige manier van controleren.  De politieambtenaar draagt weliswaar een veiligheidsvest en verschillende individuele wapens, maar buigt zich soms voorover om in het voertuig of de kofferruimte te kijken, terwijl op dat ogenblik niemand anders toezicht houdt op de aanwezige personen.

Het systematisch controleren van laadruimtes van vrachtwagens op parkings gebeurt vaak zonder inachtneming van onderlinge veiligheidsmaatregelen en -houdingen (dekking).  De uitvoering gebeurt door individuele politieambtenaren, die weinig onderling communiceren, zich op een lijn achter de laadruimte bevinden en bovendien geen oogcontact houden.      
Ook hier is een routinematige aanpak van controles waarneembaar en zijn de aangeleerde manieren van controleren in de praktijk ver zoek.

Het nemen van collectieve dwangmaatregelen in het kader van grootschalige gebeurtenissen kan veel minder in vraag worden gesteld, omdat deze meestal gebeuren in sectie- of pelotonsverband, waarbij in elk geval een leidinggevende aanwezig is.  Maatregelen zoals versperringen, verplichte kanalisaties of escortes worden meestal gelaten opgevolgd door de burger.  Heel af en toe worden deze maatregelen in vraag gesteld, wanneer de burger zich in tijdsnood bevindt.  Dit resulteert dan meestal in een discussie zonder meer.          
Zelfs het langdurig ophouden van supporters, waarbij de ganse groep onder bewaking blijft van verschillende hondengeleiders met honden zonder muilband, lokte in de groep eigenlijk veeleer onbegrip uit dan agressie.  Collectieve dwangmaatregelen bij grootschalige politiewerkingen ogen vaak in grote mate veilig voor de politieambtenaren.  Ze staan immers achter de gesloten versperringen of bevinden zich met veel op één en dezelfde plaats en hebben vaak voldoende collectieve geweldsmiddelen zoals sproeiwagens ter beschikking.    
De dwangmaatregelen zijn echter niet altijd geïnspireerd door een genegotieerd beheer of gebeuren niet steeds vanuit een situationele aanpak van de gebeurtenissen.  Ze zijn ook niet altijd afgestemd op het reële verloop van deze gebeurtenissen.  Nochtans zijn er altijd verschillende terreinverantwoordelijken aanwezig.  Deze maatregelen worden dan ook stipt uitgevoerd omdat ze zo voorzien zijn of omdat het de gewoonte is!  Een voorbeeld hiervan is de automatische opschaling van kledij en uitrusting na afloop van een voetbalwedstrijd of naar aanleiding van het bereiken van het eindpunt van een manifestatie.      
De politiemaatregelen, genomen door verschillende aanwezige politiediensten, zijn ook niet altijd op elkaar afgestemd.  Zo staat er al eens een versperring opgesteld aan weerszijden van een kruispunt, gaat men een aangehouden persoon overdragen aan een ander team door hun voertuigen in het zicht te plaatsen van gelijkgezinden van de persoon en staan politieambtenaren van de ene dienst bij eenzelfde controlepost volledig in openbare ordetenue met helm en schild en in lijn geplaatst, terwijl leden van een andere dienst, amper 20 meter verder, zich in rusthouding bevinden, in openbare ordebroek en T-shirt zonder helm en schild.    
Ogenschijnlijk en volgens diverse waarnemingen volgt de inzet en opstelling niet altijd de logica van een realiteitsgebonden risicoanalyse.      
Bovendien is het een opmerkelijke vaststelling dat meer en meer politieambtenaren naar aanleiding van grootschalige gebeurtenissen een bivakmuts onder hun helm dragen, die vaak alleen de oogzone vrijlaat.  Uit de waarnemingen van de verschillende politiewerkingen kon niet worden geconcludeerd dat dit een algemeen gebruik is, noch dat deze gezichtsbedekking eventueel dient om zich te beschermen tegen de kou of tegen molotovcocktails, maar wellicht eerder gebruikt wordt ten behoeve van een geanonimiseerde politiewerking die, zowel in het kader van het beheer van gebeurtenissen als vanuit de uitgangspunten van een gemeenschapsgericht politieoptreden, helemaal niet aan de orde kan zijn.

Er werden weinig situaties waargenomen waarin effectief geweld werd gebruikt.  Nochtans werd het grootste deel van de grootschalige politiewerkingen specifiek uitgekozen gezien het mogelijke risico op conflict of problemen.  Aan de observatoren werd gevraagd op verschillende tijdstippen de eventueel subjectief ervaren dreigingen of risico’s, in het kader van de politiewerking, te omschrijven.  De risico’s en dreigingen bleven in de realiteit uiterst beperkt, meestal was de sfeer gemoedelijk, los, vriendelijk en open.  Risico’s bleken dan ook meer voort te vloeien uit een gebrek aan veiligheidsmaatregelen naar aanleiding van kleinschaligere politiewerkingen of acties.  Grotendeels kon het geobserveerde geweldsgebruik als sluitstuk van een individueel genomen dwangmaatregel worden gezien.  Het ging telkens om individuen die uit een groep gepikt werden wegens herhaaldelijk provocerend gedrag en die zich verzetten tegen de genomen politiemaatregel.         
Slechts in een paar gevallen werd mogelijk buitensporig geweldsgebruik waargenomen.  In één geval stopte de politieambtenaar onmiddellijk zodra hij de observatoren van het Vast Comité P in het oog kreeg en sloten de aanwezige politieambtenaren meteen de rangen door zich voor het gebeuren in lijn op te stellen.  In een ander geval konden wel vaststellingen worden gedaan toen een persoon, die reeds geboeid op de grond van het politievoertuig lag, een slag kreeg van een ‘gemaskerde’ politieambtenaar.  De politieambtenaren in het voertuig droegen toen allen een bivakmuts.  Van dit buitensporig geweldsgebruik zijn echter niet alleen de observatoren getuige, maar ook de andere politieambtenaren en aanwezige leidinggevenden.   
In beide gevallen werd echter meteen een scherm door de collega’s opgetrokken zodat er door onze commissarissen-auditors geen relevante vaststellingen konden worden gedaan.
Ten slotte kon ook een paar keren het gebruik van pepperspray de visu worden vastgesteld.  Het werd ‘preventief’ gebruikt om manifestanten op afstand te houden of om supporters te beletten naar een andere zone te gaan.  Er was in deze gevallen geen communicatie tussen de politie en de burger, noch werd de burger van dit geweldsgebruik verwittigd en bovendien werd (of kon) helemaal niet (worden) gezorgd voor decontaminatie.      
Deze verschillende gevallen worden momenteel nog steeds onderzocht en zullen door het Vast Comité P worden opgevolgd.

Niettegenstaande de radioberichtgeving maar weinig kon worden beluisterd, kwam in de rapporten toch geregeld tot uiting dat er tijdens het verloop van acties en controles nagenoeg geen onderlinge communicatie was en dat er evenmin radio’s of gsm’s werden gebruikt.

8.2.2.      Geweld dat mogelijk als excessief kan worden omschreven

In opvolging van het onderzoek naar de situaties waarin mogelijk excessief geweld werd gebruikt, werden alle klachten en onderzoeken, gekend bij het Vast Comité P, met betrekking tot geweld van het jaar 2004 – 340 in totaal – geanalyseerd op basis van de indicatoren die naar voor kwamen in de analyses van het initieel onderzoek.  Gezien zijn wettelijke opdrachten en zijn bevoegdheden zoals bepaald in de wet van 18 juli 1991, werd het grootste gedeelte van deze klachtendossiers ofwel onmiddellijk door het Vast Comité P, ofwel via zijn Dienst Enquêtes medegedeeld aan de gerechtelijke overheden voor verder onderzoek.  Aangezien het om analyses van klachten gaat en niet, in tegenstelling tot het basisonderzoek, om de analyse van de volledige dossiergegevens, kunnen in de huidige stand van zaken onmogelijk vergelijkbare conclusies worden getrokken.  De systematische analyse van 340 klachten kan niettemin bepaalde tendensen bevestigen of nieuwe aangeven.

De reden voor de tussenkomst van de politie kan meestal worden afgeleid uit het brede relaas van de klacht.  Het gaat veelal om tussenkomsten ingevolge een oproep inzake overlast, zoals huiselijke twisten of caféruzies, om tussenkomsten naar aanleiding van conflictuele verkeers­situaties of -ongevallen, om identiteitscontroles of om tussenkomsten inzake openbare dronkenschap.  In een minderheid van de gevallen gaat het om tussenkomsten van gerechtelijke aard, namelijk op basis van kantschrift of ten gevolge van het plegen van criminele feiten.        
Wat soms tot uiting komt in deze klachten, is de mondigheid van de klagers tegenover de interveniërende politieambtenaren op het ogenblik van het gebeuren en het feit dat zij dit optreden op dat moment in vraag stellen of trachten de controle te ontvluchten, om tal van al dan niet persoonlijke redenen.  In de grootsteden gaat een aantal klachten uit van burgers van vreemde origine en vloeit één op tien klachten voort uit de interactie tussen de politie en één of meer minderjarigen.    
Vooral in dit soort van klachten komt naar voor dat jongeren in eerste instantie de politiecontroles trachten te ontvluchten.  Het feit dat men het politieoptreden in vraag stelt of tracht te ontlopen, is volgens het geschetste verloop meestal de aanleiding tot diepgaandere controle en verregaandere politiemaatregelen, die vrij geregeld resulteren in een bestuurlijke vrijheidsberoving, hetzij in een kamer, hetzij in de politiecel.

Volgens de allegaties in de klachten gebeurt het overmatig geweldsgebruik tijdens de interventie – het overmeesteren en het te strak boeien van de persoon – en vooral ook binnen de muren van het commissariaat.  Ook volgens deze allegaties, werden de meeste klagers geboeid, overgebracht met het politievoertuig en, in nogal wat gevallen, gedurende verschillende uren opgesloten in een politiecel.  Een aantal onder hen beweert in het kader van het verhoor geslagen of geïntimideerd te zijn.  De klachten inzake slagen en verwondingen worden veelal gestaafd met een medisch attest, afkomstig van de urgentiedienst van het ziekenhuis waar betrokkene zich onmiddellijk na afloop van de vrijheidsberoving of vrij vaak ook later aanmeldde.  Sommige medische attesten staven de vaststelling van hematomen en sporen van geweld ten gevolge van het boeien.  Een groot aantal attesten beschrijft eveneens sporen van geweldsgebruik ter hoogte van het aangezicht, de ribben en de ledematen.  Hierbij worden frequent breuken vastgesteld ter hoogte van de neus, het aangezicht, de armen, de pols of één of meer ribben.
De klachten vanwege burgers van vreemde origine handelen vrij vaak over allegaties van vernederingen en racistische uitspraken of handelingen.  Een aantal opvallende voorbeelden zijn terugkomende klachten over het uitkleden in het bijzijn van verschillende politieambtenaren en de kniebuigingen die men vervolgens voor hen moet maken of over burgers met een donkerder huidskleur die zouden onderworpen worden aan een test om te zien of zij ook in staat zijn een kom water op het hoofd te dragen of op een andere manier het voorwerp van spot zijn.       
In een aantal gevallen beklaagde men zich zelfs ook over herhaaldelijke folteringen.  De klager geeft in dit geval niet enkel een uitvoerige beschrijving, doch staaft de vele verwondingen en sporen aan de hand van een medisch attest.           
Dergelijke onderzoeken worden onmiddellijk, conform de wet, meer bepaald de wet van 18 juli 1991, aan de gerechtelijke instanties medegedeeld.  Daarnaast worden deze klachten verder specifiek onderzocht door het Vast Comité P en geven ze bovendien achteraf, nadat alle noodzakelijke onderzoeksinspanningen zijn verricht, aanleiding tot verdere analyses en besluiten met het oog op een diepgaander en punctueel toezicht binnen de limieten van de opdrachten en bevoegdheden van het Vast Comité P.

In de allegaties van de klagers komt eveneens de aard van het gebruik van geweld, eventueel door melding te maken van aangewende geweldsmiddelen, tot uitdrukking.  De breuken in het aangezicht worden meestal toegeschreven aan het geven van een vuistslag midden in het gezicht, terwijl wurgsporen ter hoogte van de hals vaak wijzen op een terugkerende ‘manier’ om de persoon te doen rechtstaan of te doen voortgaan.  De breuken en kneuzingen ter hoogte van de ribben en de ledematen zijn, volgens de klagers, vaak het gevolg van het slaan of het constant drukken met een, al dan niet, uitschuifbare matrak of een toortslamp.     
Het is bovendien opvallend dat in een aantal klachten dezelfde gebruiken terug te vinden zijn binnen eenzelfde zone.  Een voorbeeld hiervan is het opvallend aantrekken van zwarte handschoenen om te slaan.  In één van de klachten wordt een wegvluchtende jongere gewond door een politiehond en wordt pepperspray gebruikt om de omstanders, die de tussenkomst in vraag stellen, op afstand te houden of om overgebrachte personen in een politievoertuig te kalmeren.

De analyse van de allegaties van de klagers bevestigt vaak een aantal terugkerende contextuele factoren.  De klager is veelal alleen bij de overbrenging en opsluiting, terwijl de tussenkomst en de verdere politiemaatregelen meestal gebeuren door meerdere geüniformeerde politieambtenaren, behorende tot verschillende interventieploegen.     
Verwarring met tegenwerking of pogingen tot ontvluchting treedt vooral op wanneer politieambtenaren in burger optreden en ze volgens de klagers geen enkel uiterlijk teken van politiebevoegdheid droegen, noch aangaven wie ze waren.
Veel van de klagers bleven minimum 4 uur en maximum 12 uur in de cel en beweren bij hun verhoor gemanipuleerd en gedwongen te zijn geweest om de verklaringen en/of registers te ondertekenen.
Ten slotte valt het op dat niettegenstaande veel klagers een beschrijving kunnen geven van één of meer politieambtenaren, ze in weinig gevallen in staat blijken deze bij naam te noemen of te herkennen.

Een aantal aangeklaagde elementen uit de 340 klachten is qua aard vergelijkbaar met de vaststellingen uit het initieel onderzoek naar buitensporig geweldsgebruik.  Er dringen zich twee essentiële maatregelen op met het oog op meer transparantie in de politiewerking en het toezicht daarop.  Er dient, door de ter plaatse aanwezige leidinggevende en door het intern toezicht, een adequaat toezicht te worden uitgeoefend op elk gebruik van dwang en geweld ten aanzien van overgebrachte, verhoorde en opgesloten personen.  Daarnaast dient elke tussenkomende politieambtenaar zichtbare politiekentekens te dragen en zich minstens kenbaar te maken bij een tussenkomst, indien dit nodig en mogelijk is.

8.2.3.      Wapen-, spray- en vuurwapengebruik

Het Vast Comité P startte in 2004 het deelonderzoek naar het wapengebruik door de politie.  Gezien de meldingsplicht met betrekking tot het vuurwapengebruik is er in dit verband zowel permanente informatie voorhanden als gegevens afkomstig uit het klachtenbeheer en de opgevraagde gerechtelijke onderzoeken.  Dit is niet zo voor het ander wapengebruik, omdat er geen meldingsplicht bestaat en deze gegevens momenteel uitsluitend afkomstig zijn uit de klachtendossiers en de onderzoeken.  Vooral in dit tweede geval ligt de focus dus automatisch op de problematische situaties die uit dit gebruik voortvloeien, die dan ook helemaal niet het reële gebruik van wapens, andere dan vuurwapens, en vooral de goede praktijken binnen de politiewerking weerspiegelen.           
De bestaande doelstellingen van het globaal onderzoek worden ook hier behouden.  Ter voorbereiding van de analyses werden een ruim aantal gegevens uit de jaren 90, in hun algemeenheid, onderzocht.  Aanvullend werden er gesprekken gevoerd met opleiders inzake geweldsbeheersing, werd de cel gevarensituaties in de schoot van de federale politie bezocht en werden een aantal studies uit het buitenland geanalyseerd.  Op die basis werden criteria bepaald die dienen als achtergrond voor de diepgaandere analyses van de meest recente gegevens.
Dit onderzoek is op dit ogenblik nog niet volledig afgerond.  Bijgevolg kunnen er nog geen specifieke conclusies worden meegedeeld, maar kan wel al worden gesteld dat een aantal steeds terugkerende contextfactoren, die telkens een rol spelen bij het geweldsgebruik in het algemeen, ook hier naar voor komen.  Politieambtenaren schenken bij tussenkomsten onvoldoende aandacht aan veiligheidsfactoren, vooral in functie van hun eigen veiligheid, en aan de inzameling, bevestiging en uitwisseling van kennis en informatie én handelen bovendien vaak onmiddellijk zodra ze ter plaatse komen, zonder met elkaar of met officieren of leidinggevenden overleg te plegen of afspraken te maken over de manier waarop zal worden tussengekomen.  
In alle onderzoeken die totnogtoe werden geanalyseerd, vallen volgende zaken telkens op: (1) tussenkomen op basis van onduidelijke informatie; (2) niet wachten op versterking alvorens over te gaan tot een interventie; (3) overgaan tot een interventie zonder rekening te houden met elkaars positie en veiligheid, enz.  Hoewel er op dit ogenblik nog geen specifieke conclusies kunnen worden getrokken, kunnen dus wel een aantal terugkerende probleemsituaties in vraag worden gesteld.  
De voor analyse beschikbare gegevens omtrent schietincidenten gaan relatief vaak over het gebruik van vuurwapens ten aanzien van bestuurders van voertuigen die een politiecontrole trachten te ontwijken of wegvluchten wanneer ze aangemaand worden te stoppen.  Het ‘wegvluchten’ van een persoon, al dan niet met een voertuig, is voor een politieambtenaar vrij vaak het sein om over te gaan tot actie en tot verregaande politiemaatregelen, waarbij vooral de veiligheid, van zowel de politie als van de burger, in vraag kan worden gesteld.  Nochtans blijkt achteraf dat het maar in een minderheid van de gevallen om (zware) criminelen gaat.
Bovendien blijkt ook uit de observaties dat de mogelijkheid tot ontwijken of wegrijden ter hoogte van een politiecontrole bestaat wanneer er een gebrek is aan signalisatie en/of wanneer de plaatsing van de controle voor verwarring zorgt.        
Politieambtenaren die in die omstandigheden schieten, verklaren dat ze op de banden richtten om het voertuig te doen stoppen.  Dit gewenste resultaat wordt echter maar in weinig gevallen bereikt.  In een paar gevallen raakten de betrokkenen gewond, één persoon liet daarbij zelfs het leven.  In een aantal onderzoeken gebeurden schietincidenten wanneer een voertuig in zijn vlucht trachtte in te rijden op één of meer politieambtenaren.         
Vaak kunnen er dan ook vragen worden gesteld omtrent de positie van waaruit verschillende politieambtenaren tussenkomen en kan worden gesteld dat het geweld maar op weinig momenten het gewenste effect bereikt, namelijk het voertuig op een veilige manier tot stilstand brengen.

Spraygebruik gebeurt, zoals uit verschillende gegevens blijkt, binnen de begrensde ruimte van politievoertuigen of -lokalen.  Het doel van dit gebruik is de aangehouden of over te brengen burger te kalmeren.  Pepperspray wordt ook aangewend met het oog op een verhoopt ‘probleemloos verloop’ van bepaalde dwangmaatregelen, zonder dat er noodzakelijkerwijs geweld of een grote mate van dreiging aanwezig is.      
In een recente Nederlandse studie
[15] wordt gesteld dat er tijdens tussenkomsten waarbij een spray wordt gebruikt, veel minder op voorhand wordt gecommuniceerd!   
Het gebruik van toortslampen wordt net als het gebruik van al dan niet uitschuifbare matrakken opgemerkt binnen de analyse van het klachtenbeheer.       
Men kan zich bij het analyseren van al deze gegevens omtrent het ander geweldsgebruik dan dit met een vuurwapen, de vraag stellen of politieambtenaren in bepaalde gevallen niet gewoon het wapen grijpen dat voor hen op dat moment het best bereikbaar of misschien het best hanteerbaar lijkt, dan wel dat het gebruik van wapens situationeel bepaald wordt, zoals momenteel wordt aangeleerd en benadrukt in de opleidingen en tijdens de trainingen.      
Door het gebrek aan meldingsplicht of aan evaluatie ervan kunnen op dit moment geen specifieke en voldoende verifieerbare of betrouwbare conclusies worden getrokken met betrekking tot wapengebruik.

Uit de klachtenanalyse en de observaties blijkt dat men af en toe honden, zonder muilband, inzet in het kader van de openbare ordehandhaving.  Op die manier is het gebruik van honden in de politiepraktijk een dwang- of geweldsmiddel dat op een geweldscontinuum bijna zo ver reikt als een vuurwapen.          
Het Vast Comité P stelt zich in dit geval eveneens vragen bij de veiligheid en het gebruik van deze honden wanneer zij daarna worden ingezet voor andere werkzaamheden, zoals patrouilles.

8.2.4.      Toetsen van de theorie aan de praktijk: bevraging en opvolging van selecties, opleidingen en trainingen enerzijds en interne regelingen en instructies anderzijds

Totnogtoe kwam de politieopleiding wat de context en de inhoud van het gebruik van dwang en geweld betreft, een paar keer aan bod in het raam van een aantal specifiek gerichte toezichtsonderzoeken, zoals dit met betrekking tot aanhouding, fouillering, vrijheidsberoving, amigo’s en alternatieve geweldstrainingen.  In dit kader werden tevens de interne regelingen, nota’s en instructies die het gebruik van dwang en geweld meer in detail uitschrijven in de verschillende politiezones en -diensten opgevraagd.  Op basis van de kennis die voortvloeit uit de analyse van het klachtenbeheer, de observatie en het globaal toezicht ontstaat de nood om intensiever onderzoek te voeren in het kader van het breder onderzoek naar dwang en geweld.     
Een aantal vaststellingen en conclusies geven hier verder richting aan.

Het Vast Comité P wijst op het bestaan van een aantal aspecten die indruisen tegen een logisch en coherent geheel van de goede politiewerking en de opleiding en training die daaraan ten grondslag liggen.  Het Vast Comité P stelde de volgende zaken vast:        
(1) er is een gebrek aan kennis en toepassing van de basiswetten in de politiewerking, de toepassing van de mensenrechten in functie van de politiepraktijk of de kennis en toepassing van de grondregels uit de wet van 7 december 1998 op de geïntegreerde politie en de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, die de politie-uitvoering op het terrein regelen;       
(2) er is een mogelijk gebrek aan wisselwerking en transparantie binnen (intra) en tussen (inter) de verschillende politiescholen en hun afnemers.  Het streven naar meer autonomie in de opleidingscentra doet afbreuk aan het vereiste minimum aan uniformiteit en coherentie van de politieopleiding.  Niet alleen kan dit een gevaar betekenen voor het principe van de gelijkwaardige minimale dienstverlening over het ganse grondgebied, men dient evengoed rekening te houden met de mobiliteit van politieambtenaren.  In dit opzicht werd reeds een positieve wending vastgesteld in de wil tot uniformisering en coherentie van de opleiding inzake geweldsbeheersing.  Zo komt men momenteel binnen de organisatie van de pedagogische comités inzake geweldsbeheersing, die de verschillende scholen en campussen verenigt, tot overleg alsook tot het uitschrijven van uniforme opleidingsmodules.  Een recent voorbeeld hiervan is het uitwerken van de opleiding inzake OC-spray
[16] ;     
(3) de fasering en modulering van de opleidingen blijken niet optimaal doorgevoerd.  Er ontbreekt vaak een globale, transversale coördinatie van de verschillende opleidingen.

Uit de analyse van interne regelingen, nota’s en instructies die in een aantal zones en diensten het gebruik van dwang en geweld ten behoeve van de politiepraktijk verder uitwerken, blijkt dat men te eng en uitsluitend refereert aan de bestaande wettelijke bepalingen sensu stricto, zonder aspecten van verantwoordelijkheid en verantwoording in te schrijven.  Vooral de rol van de leidinggevende en de administratieve verplichtingen in het kader van het gebruik van dwang en geweld blijken vaak te ontbreken.  Het is een noodzaak het professionele handelen en vooral ook de attitude binnen de specifieke regelingen en opleidingen te benadrukken.  In het kader van de aanhouding, fouillering en vrijheidsberoving ontbreken deze zaken eveneens.  Op die manier ontstaat er onduidelijkheid omtrent de aard van de aanhouding, omtrent de beslissingen en eventuele verantwoordelijkheden en ook omtrent de duur van de genomen maatregel.  Bovendien stelt het Vast Comité P zich vragen bij de aandacht, behandeling en verzorging van de burger naar aanleiding van een opsluiting, fouillering en zijn verhoor.

Uit de analyses van klachten en onderzoeken inzake het gebruik van dwang en geweld komt in nogal wat gevallen het gebrek aan informatie-uitwisseling en overleg tot uitdrukking.  De informatie voortvloeiend uit een oproep blijkt vrij vaak vaag en wordt daarna niet bevestigd, noch wordt er overleg gepleegd over de situatie – indien deze van levensbedreigende of fel gewelddadige aard is – alvorens tussen te komen.  Contactnames gebeuren pas na afloop van de interventie of zelfs na de overbrenging met het oog op het nemen van verdere maatregelen.

Ten slotte wordt het gebruik van geweld en van de verschillende geweldsmiddelen naar aanleiding van het nemen van bepaalde dwangmaatregelen in vraag gesteld.  Er wordt niet altijd gestart vanuit een strikt noodzakelijk en proportioneel aanwenden en bovendien mag het niet worden gebruikt of moet het onmiddellijk worden gestopt wanneer de burger zich (op een bepaald moment) onderwerpt aan de politiemaatregel.   
Het Vast Comité P stelt ook in dit verband de rol van de leidinggevende in vraag.   
Bij één van zijn ambtshalve vaststellingen naar aanleiding van een observatie werden de leden van de Dienst Enquêtes niet enkel door de leidinggevende belemmerd om de vaststellingen te doen van het buitensporige geweldsgebruik ten aanzien van een op de grond liggende en geboeide persoon, de leidinggevende liet dit geweld gebeuren zonder in te grijpen of de politieambtenaren ter verantwoording te roepen.

8.3.       Perspectieven

De observatie biedt aan het Vast Comité P, als extern toezichtsorgaan, de mogelijkheid om in reële tijd de politiewerking op te volgen.  Observaties zijn immers een aanvullende informatiebron ten behoeve van verschillende toezichtsonderzoeken en dragen in sterke mate bij tot de algemene bewustwording van de nood aan toezicht en evaluatie.  Door een verdere aanwezigheid en observatie vanwege het extern toezichtsorgaan – voorbeeldfunctie – wordt deze bewustwording wellicht automatisch verhoogd!  Bovendien kan op die manier een betere en realistischere beeldvorming van de politiepraktijk en de eventuele probleemdomeinen worden gerealiseerd.        
Het Vast Comité P zal dan ook in de loop van de volgende jaren dit soort toezicht voortzetten.

Klachten en onderzoeken inzake geweld dat mogelijk als excessief kan worden beschouwd, worden permanent opgevolgd.  De bijzondere analyse en onderzoeksverrichtingen omtrent dergelijke gegevens zullen ook in de komende jaren worden voortgezet ten behoeve van een juiste beeldvorming en aanpak van bepaalde specifieke probleemdomeinen.   
De analyse van de gegevens in verband met wapen-, spray- en vuurwapengebruik dient in de toekomst ook verfijnd.  Daarnaast zal naar bijkomende informatie worden gezocht omtrent ander wapengebruik dan het hiervoor opgesomde ten behoeve van dit onderzoek.  Het globale resultaat van de totale en geïntegreerde analyse wordt verwacht eind 2005.

Het Vast Comité P zal in de loop van 2005-2007 het deelonderzoek in bovenvermeld domein diepgaander voeren, met name de theorie aan de praktijk toetsen.  Hiertoe worden alle opleidingen en trainingen opgevraagd in de verschillende scholen en campussen, alsook alle nota’s en interne regelingen en procedures gevraagd aan de zones en diensten.    
Daarnaast heeft het Vast Comité P de intentie de diverse aspecten van dit onderzoek na te gaan, zowel bij de rekrutering en selectie als bij de opleiding en trainingen.

8.4.       Aanbevelingen

Het Vast Comité P is van oordeel dat de evaluatie van en het toezicht op het gebruik van dwang en meer nog van geweld door de politieambtenaren, een permanente opdracht moet zijn voor de leidinggevenden van een korps of dienst.  Niet enkel de evaluatie, maar eveneens het toezicht op het politiewerk in de praktijk is een noodzaak om zowel de algemene veiligheidsomstandigheden te verbeteren als een professionele toepassing van het geweldsmonopolie na te streven.  De opvolging van de efficiënte en effectieve inzet van mensen en middelen is hier een onderdeel van.           
Het Vast Comité P wenst hieraan de volgende aanbevelingen toe te voegen:         
(1) De informatie-uitwisseling en het overleg op het terrein tussen de verschillende politieleden en/of -diensten, alsook met de dispatching en de algemene ‘coördinator’, moet dringend het voorwerp uitmaken van opleiding en training, maar ook van opvolging en bijsturing van de politiemensen op het terrein en hun hiërarchie.       
(2) De veiligheid bij de uitvoering van het politiewerk dient te primeren op de louter routinematige uitvoering van georganiseerde controleactiviteiten en de leidinggevenden moeten hierop toezien en, indien nodig, bijsturen.      
(3) Elk geweldsgebruik dient aan intern toezicht en opvolging te worden onderworpen.  Dit kan door vaker debriefings alsook vooraf evaluatiepunten met betrekking tot het politiewerk te organiseren.  Daarnaast kan dit gebeuren door het nazicht van de processen-verbaal, hetgeen in de praktijk reeds gebeurt, bijkomend te oriënteren naar de vermeldingen van geweldgebruik en de eventuele gevolgen ervan.
(4) Ten slotte door het opstellen van een meldingsfiche van elk geweldsgebruik ten behoeve van het algemeen toezicht en de democratisch georiënteerde controle.           
Het toezicht dient verder in het bijzonder te gebeuren met betrekking tot het gebruik van sprays en met betrekking tot de inzet van honden bij de uitoefening van de politiefunctie.

Het Vast Comité P is van mening dat de politieambtenaren in de uitvoering van hun reguliere taken, behoudens het bijzonder optreden waarbij de waarschuwing het politieoptreden onwerkzaam zou maken, zichzelf alsook de reden van de tussenkomst kenbaar moeten maken tegenover de burger. 
Het gebruik van bivakmutsen zonder uitdrukkelijk bevel van een leidinggevende is volgens het Vast Comité P ontoelaatbaar.  In de huidige stand van zaken wijst alles er immers op dat deze mutsen actueel meer ter anonimisering zouden worden gebruikt om elk geweldsgebruik intern in te dekken.

Tot slot wenst het Vast Comité P te benadrukken dat het wettelijk ingesteld extern toezicht niet in zijn werkzaamheden mag worden belemmerd!  Het extern toezicht werd onder andere ingesteld om er ‘te allen tijde’ op toe te zien dat de politie bijdraagt tot en waakt over de bescherming van de mensenrechten.

9.                    Doorgangscellen (amigo’s) en opsluitingen in politiekantoren [17]

Aangezien de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden van de burger door de leden van de politiediensten één van zijn bijzondere aandachtspunten is, oefent het Vast Comité P sinds een aantal jaren toezicht uit op de omstandigheden waarin aangehouden personen in politiekantoren worden opgesloten.  Wanneer in een al dan niet gerechtelijke klacht of aangifte melding wordt gemaakt van laakbare opsluitingsomstandigheden, wordt deze site systematisch bezocht en gecontroleerd.  Bovendien werd er reeds in 1997 een globaal thematisch onderzoek ingesteld naar “de amigo’s of veiligheidskamers gevestigd in de kantoren van de Belgische politiediensten”.  Aldus werden in 1997 en 1998 73 cellen­complexen bezocht en werd een eerste verslag opgesteld.  In het verlengde van dit onderzoek werden in 2002 62 van deze cellencomplexen opnieuw bezocht.  Daarover werd een opvolgingsverslag opgesteld.  In 2003 waren er, net als in 2004, gerichte bezoeken gepland.  Om overal dezelfde inlichtingen in te winnen, ongeacht de enquêteurs die de controle uitvoeren, werd een checklist opgesteld met te controleren punten en kreeg iedereen de opdracht om elke persoon die op het ogenblik van de controle was opgesloten, te bevragen over de omstandigheden van zijn opsluiting.

In 2003 en 2004 werden verscheidene dergelijke onverwachte bezoeken afgelegd, waaronder in verschillende politiediensten die al eerder waren bezocht.  Uit de vaststellingen kan worden afgeleid dat de controles van de voorgaande jaren, of de verslagen die daarover werden gepubliceerd, niet altijd de verhoopte resultaten hebben opgeleverd.  Zo worden sommige verouderde infrastructuren nog steeds gebruikt en werden de interne richtlijnen waarin de aanbevelingen van het Vast Comité P zijn verwerkt, niet altijd onder alle personeelsleden verspreid.   
Dat er geen budget werd voorzien voor de herstelling van de celleninfrastructuur wordt vaak gerechtvaardigd door het feit dat er binnenkort nieuwe gebouwen worden opgetrokken.  Wanneer er interne richtlijnen bestaan, zijn deze onvolledig en behandelen ze niet alle aspecten van de problemen waarmee politieambtenaren kunnen worden geconfronteerd.  De andere voornaamste opmerkingen die kunnen worden geformuleerd, zijn dat er niet kosteloos eten en drank
[18] wordt verstrekt aan, zowel bestuurlijk als gerechtelijk, aangehouden personen, dat aan de aangehouden personen geen tekst wordt overhandigd waarin hun rechten zijn beschreven (vordering van een arts indien nodig, verwittiging van een vertrouwenspersoon in geval van bestuurlijke aanhouding, voedsel, enz.) noch is dergelijk bericht opgehangen in de buurt van of zichtbaar vanuit de cellen [19] , dat er in het register der aangehouden personen geen melding wordt gemaakt van de maatregelen die werden genomen ten voordele van de opgesloten personen, zoals de verwittiging van hun familie, de vordering van een arts, het verstrekken van voedsel of drank, enz.  Er dient niettemin te worden onderstreept dat de begeleiding van buitenlandse onderdanen, die in de doorgangscellen van de luchthaven van Zaventem worden opgesloten alvorens te worden uitgewezen, van aanvaardbare kwaliteit is, net als de omstandigheden van hun opsluiting.

Er zullen nog geregeld gelijksoortige controles worden verricht die zullen uitmonden in aanbevelingen telkens er een tekortkoming of disfunctie wordt vastgesteld.

In afwachting van een koninklijk besluit tot bepaling van de minimale normen die moeten worden nageleefd voor de cellen in de politiediensten, is het van belang dat de chefs, op alle niveaus, toezien op de eerbiediging van de rechten van de opgesloten personen.  Zij moeten worden ingelicht over de hierboven vermelde rechten en moeten in geval van bestuurlijke aanhouding een vertrouwenspersoon kunnen laten verwittigen, alsook voedsel krijgen op de normale etenstijden.  
Wanneer ze worden gefilmd door een videocamera, moeten ze daarvan duidelijk in kennis worden gesteld.  De meeste politiezones beschikken over verschillende commissariaten met doorgangscellen.  Een cellencomplex dat niet meer voldoet aan een minimum aantal waarborgen inzake hygiëne en veiligheid, zou dan ook onmiddellijk en eenvoudigweg onbruikbaar moeten worden verklaard.

10.                ‘Incidents in custody’ [20]

10.1.   Probleemstelling

In navolging van de analyse van een reeks klachten en aangiften alsook van een interessant onderzoek verricht door de ‘Independent Police Complaint Board’ [21] in het Verenigd Koninkrijk, waar elke dood van een burger tijdens of na het contact met of het verblijf bij de politie automatisch aanleiding geeft tot een diepgaand onderzoek, heeft het Vast Comité P, in overleg met zijn parlementaire begeleidingscommissie, beslist in het verlengde van de gemaakte analyse zijn soortgelijk onderzoek voort te zetten.  Dit onderzoek gebeurt in fine, net als in het Verenigd Koninkrijk, vanuit het oogpunt van de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens.  Het Vast Comité P beperkt zich echter niet tot de gevallen waarbij een burger daadwerkelijk overlijdt, maar breidt zijn onderzoek uit tot de detectie en analyse van alle incidenten die zich kunnen voordoen met burgers op het ogenblik dat ze onder het toezicht van de politie staan en die een schending van hun fundamentele rechten en vrijheden kunnen inhouden.           
Dit onderzoek betreft alle mogelijke soorten incidenten, namelijk deze als gevolg van een beperkende politiedwangmaatregel zoals de aanhouding, de overbrenging of de repatriëring, als deze tijdens of naar aanleiding van de opsluiting in een lokaal, een bewaarkamer of een politiecel.  Centraal staat de zorgwekkende toestand waarin de burger zich bevindt, waardoor hij overlijdt, ofwel voor verzorging naar het ziekenhuis wordt overgebracht ofwel, in een aantal gevallen, pas zelf achteraf voor de nodige hulp of verzorging kan instaan.  Het is de bijzondere toestand als gevolg van een ziekte, ongemak of verwonding(en) die de kern van het onderzoek vormt en die, indien de burger niet overlijdt, in elk geval tot zijn dood had kunnen leiden.

Dr. Ian McPherson, vertegenwoordiger van ‘Police and Mental Health Services’ benadrukt het probleem van de mentale gezondheid in relatie tot een groot aantal problematische situaties die zich voordoen met burgers die in contact komen met de politie.  Dit mentale probleem is, net als de hoge mate van intoxicatie door alcohol, drugs, eventueel in combinatie met medicijnen, een steeds terugkerend element binnen het onderzoek in dit domein.  Vooral het feit dat de politie relatief vaak geconfronteerd wordt met burgers die zich fel onder invloed op straat bevinden en waarvoor zij wettelijk dient in te staan, levert problemen op.    
De besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap in ons land voorziet bij artikel 1, § 2 dat een persoon die zich op een openbare plaats in staat van dronkenschap bevindt en wanorde, schandaal, of, voor een ander of voor zichzelf gevaar veroorzaakt, in het gemeentelijk huis van bewaring of in de veiligheidskamer van de politie wordt opgesloten gedurende ten minste twee en ten hoogste twaalf uren.  Dit artikel bepaalt eveneens expliciet dat de persoon, “indien zijn toestand zulks vereist, de nodige genees­kundige zorg ontvangt”
[22] .     
Resolutie 690 (1979) betreffende de verklaring over de politie van de Raad van Europa, meer bepaald het artikel 14 stelt dat: “een politieambtenaar die de hoede heeft over een persoon wiens toestand geneeskundige zorgen behoeft, beroep moet doen op geneeskundig personeel en in voorkomend geval, maatregelen moet treffen om het leven en de gezondheid van die persoon te beschermen”.  Nergens anders wordt echter, in de huidige stand van zaken, binnen dit domein de hulpverlening in zijn algemeenheid voorzien, noch worden de materiële voorwaarden voor eender welke vorm van hulpverlening in ons land geregeld.

Het oordeel of een persoon die onder het toezicht van de politie staat, zich al dan niet in een zorgwekkende toestand bevindt, berust, bij aanvang, bijna altijd en uitsluitend bij de politie.  De politieambtenaren beschikken echter niet over de noodzakelijke kennis omtrent de toestand van de persoon.  Het is ook niet voorzien dat zij, behoudens in het kader van de verkeerswetgeving, de mate van alcoholintoxicatie kunnen (laten) bepalen, noch dat zij bepaalde middelen ter beschikking hebben om intoxicaties van een andere aard te detecteren, zoals verdovende middelen of medicijnen.  De politie kan, behalve in het geval van openbare dronkenschap, naar geen enkele regeling teruggrijpen om de nood aan verzorging van een burger te (laten) bepalen en te verzekeren.    
Een aantal maatregelen is gewoonweg niet voorzien wanneer de burger zelf vraagt om hulp of bijstand en al helemaal niet wanneer hij of zij er niet expliciet om kan vragen.  Zo is er in het kader van het bestuurlijke optreden steevast discussie over wie voor de kosten van de geneeskundige zorgen of andere hulpverlening moet opdraaien, wanneer de politie die zorgen, ter beschermende maatregel, zelf oplegt aan de burger.    
In elk geval halen de incidenten met burgers, wanneer zij onder het toezicht van de politie geplaatst zijn, vrijwel steeds de krantenkoppen en wordt door de publieke opinie een eventueel schuldig verzuim door de politie gesuggereerd.  Het is namelijk voor de buiten­wereld bijzonder moeilijk om de omstandigheden in de juiste context te plaatsen, enerzijds omdat er daartoe te weinig informatie voorhanden is en anderzijds omdat er, vanuit het standpunt van de burger gezien, te weinig formele controlemechanismen zijn ingesteld die zijn standpunt kunnen helpen naar voren te brengen, zoals de aanwezigheid van een advocaat of eventuele toevallige getuigen.

10.2.   Vaststellingen, conclusies en aanbevelingen

De vaststellingen en conclusies van dit onderzoek worden telkens teruggekoppeld naar de vigerende wetgeving, waarna de aanbevelingen met het oog op het leerproces en verbetering worden geformuleerd.

10.2.1.  Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden

10.2.1.1. Het recht op leven en het verbod op foltering en vernedering

Het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden [23] (EVRM) zet het recht op leven, net als het verbod op foltering en vernedering centraal.  Dit onderzoek toont aan dat de burger, die zich onder het toezicht van de politie bevindt en hierbij opgesloten wordt in een politiecel bijzonder kwetsbaar is, vooral op momenten dat hij zich, als gevolg van een mentaal en/of lichamelijk probleem en al dan niet afhankelijk van zijn wil, in een zorgwekkende toestand bevindt of erin belandt.

Uit de onderzochte cases blijkt dat de burger, ongeacht of hij expliciet om gespecialiseerde hulp vraagt of niet, zich op bepaalde momenten in een zorgwekkende situatie kan bevinden, die zijn lichamelijke integriteit in gevaar brengt omdat: (1) de politie de zorgwekkende toestand niet kan of wil onderkennen; (2) de toegang tot een arts door de politie geweigerd of uitgesteld wordt; (3) de noodzakelijke zorgen niet worden verstrekt of kunnen worden verstrekt wanneer de politie een beroep doet op een arts of urgentiedienst.

Vaststelling 1: uit dit onderzoek komt naar voor dat de politie onvoldoende in staat blijkt een ‘zorgwekkende toestand’ bij een persoon te detecteren en in deze gevallen niet automatisch een beroep doet op gespecialiseerde hulp.  De bevraging van aspirant-politieambtenaren bevestigt het gebrek aan kennis over en aandacht voor de inschatting en preventie van een mogelijk zorgwekkende toestand in het kader van de aanhouding en opsluiting van een persoon.

Conclusie: de zorgwekkende toestand, die de kern van dit onderzoek vormt, kan ongeacht de aard van het incident met de burger, in elk geval beter en vlugger zichtbaar of herkenbaar worden voor de politieambtenaren.  Deze toestand draagt immers, inherent, een aantal factoren in zich, die door een minimale informatie-inwinning, een goede detectie en een adequaat toezicht aan het licht kunnen komen en wellicht in een aantal gevallen een erger of noodlottig gevolg kunnen helpen vermijden.

Aanbeveling: elke politieambtenaar dient in zijn basisopleiding minstens een module eerste en dringende hulpverlening, de notie, detectie en omgang met een zorgwekkende toestand, alsook een aantal andere aspecten inzake hulpverlening (onder andere zelfmoordpreventie) aangereikt te krijgen.  Deze module komt niet enkel ten goede aan een betere detectie en opvang van de aangehouden en opgesloten personen, doch vormt de basis voor een adequater handelen in de politiepraktijk.  De politie wordt in haar dagdagelijkse werking, relatief vaak geconfronteerd met een of andere zorgwekkende toestand omdat ze juist als ‘hulpdienst’ het eerst ter plaatse is bij een incident of ongeval.

Het verdient aanbeveling een persoon, zoals in het Verenigd Koninkrijk verplicht is, systematisch te onderwerpen aan een korte risicoanalyse door hem of haar een aantal steeds terugkerende vragen te stellen en op die manier blijvend te communiceren met deze persoon tijdens de volledige duur van het contact met of verblijf bij de politie.

Vaststelling 2: dit onderzoek wijst eens te meer op het feit dat het vorderen van een arts, in materies van bestuurlijke aard, problematisch verloopt.  Behalve in het geval dat men de persoon wil laten nakijken met het oog op een mogelijke collocatie of in het geval van uitwijzing, is er thans geen regeling of procedure die de toegang tot een arts, al dan niet van vrije keuze, mogelijk maakt.

Conclusie: aangezien de Belgische autoriteiten reeds een akkoord bereikten omtrent het raadplegen van een geneesheer van vrije keuze, zoals vermeld in het rapport van het Europees comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) na zijn bezoek van 25 november 2001 tot 7 december 2001, doch dit nog niet formeel in een wettelijke regeling werd gegoten, kan de politie in elk geval zelf al zoveel mogelijk trachten de raadpleging van een geneesheer van vrije keuze mogelijk te maken.

Aanbeveling: de tijdelijke vrijheidsberoving van een burger, ongeacht of ze van gerechtelijke of bestuurlijke aard is, dient dezelfde garanties in te houden als elke andere opsluiting in een instelling of in een gevangenis, namelijk het recht op de vrije keuze van geneesheer.  Dit recht dient automatisch te worden geopend ten aanzien van elke behoeftige persoon, aan de hand van de bestaande maatschappelijke voorzieningen in de gemeente, indien de maatregel onder de verantwoordelijkheid van de bestuurlijke overheid valt.

Vaststelling 3: uit dit onderzoek blijkt dat personen in een zorgwekkende toestand (naar aanleiding van ziekte, psychische toestand of versterkt door invaliditeit, beperkt geestelijk vermogen, enz.) in een cel worden geplaatst of er in die toestand blijven.  Er doen zich in een aantal gevallen blijkbaar problemen voor om deze personen te laten opnemen in een ziekenhuis.  Bovendien klagen een aantal van hen achteraf dat ze, door de ingeroepen arts of door de urgentiedienst, niet de nodige medische verzorging toegediend kregen.  Soms kan men door het gedrag of de weigering van de persoon echter geen medische diagnose stellen.

Conclusie: er dient in elk geval, uit eigen beweging, gespecialiseerde hulp ingeroepen te worden wanneer een persoon zich in een mogelijk zorgwekkende toestand bevindt, hetzij omdat hij als risicopersoon omschreven werd, hetzij omdat de persoon een ziekte, ongemak of ongeluk lijkt te hebben.  Een persoon in zorgwekkende toestand hoort in principe niet in een cel te worden opgesloten.

Aanbeveling: indien een persoon weigert te worden onderzocht of niet kan worden onderzocht door een arts, dan dient er in elk geval een gemotiveerd verslag door de arts te worden opgemaakt, dat daarna bij het proces-verbaal gevoegd wordt.  Indien de persoon zich daadwerkelijk in een zorgwekkende toestand bevindt, moet er worden gezocht naar de oplossing die een maximale bescherming van de fysieke integriteit van de persoon biedt.  Indien de persoon nergens anders terecht kan dan in de politiecel, dient de politie alle maatregelen te nemen ter bescherming van zijn veiligheid zoals een geregeld (eventueel permanent) toezicht, een geregelde consultatie door een arts, de noodzakelijke informatie-inwinning, enz.

Het verdient tevens aanbeveling in dit kader akkoorden af te sluiten met gemeentelijke instanties en hulpverleningsdiensten die mee helpen instaan in het geval een risicopersoon enkel en alleen in de cel kan worden geplaatst en die beschikbaar zijn wanneer er zich iets voordoet met de persoon of wanneer de persoon een arts wil raadplegen of medicijnen dient in te nemen.  Dit laatste is niet de taak van de politie!

10.2.1.2. Het recht op vrijheid en veiligheid

Het EVRM bekrachtigt in artikel 5 het recht op vrijheid en veiligheid.  Het is evident dat de inperking van de vrijheid, binnen de wettelijke grenzen, geen afbreuk mag doen aan het principe van de veiligheid!  Indien de veiligheid van de persoon, zijn fysieke integriteit, ernstig geschaad wordt door de noodzaak tot vrijheidsinperking, dan dient men, volgens artikel 13 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, alle maatregelen te nemen om deze veiligheid te garanderen.

Uit dit onderzoek blijkt dat een aantal indicatoren, eigen aan de persoon of zijn achtergrond, relatief vaak terugkomen wanneer het om een risicopersoon gaat.  Wanneer dergelijke indicatoren in combinatie voorkomen, kunnen ze wellicht de aandacht van de politie vestigen op de aanwezigheid van een mogelijke zorgwekkende situatie die de veiligheid van de persoon ernstig in het gedrang brengt.  Dit kan dan in elk geval leiden tot het nemen van bijkomende maatregelen omtrent de veiligheid, het welzijn en het comfort van de aangehouden persoon.  Een aantal personen uit deze cases hoorde zelfs helemaal niet thuis in een politiecel!

Vaststelling: volgens dit onderzoek blijken sommige risicopersonen zelf hun toestand kenbaar te maken naar aanleiding van de politietussenkomst – ze melden dat ze ziek zijn, bepaalde intenties koesteren of bepaalde lichamelijke aandoeningen of beperkingen hebben.  Een aantal andere personen vormt blijkbaar een risico wegens de aanwezigheid van diverse, elkaar soms versterkende, risicofactoren.

Conclusie: de indicatoren die uit de analyses van de verschillende cases telkens weer naar voor komen en de status van ‘risicopersoon’ kunnen helpen bepalen, zijn de volgende.           
Met betrekking tot de achtergrond van de persoon: (1) het gebrek aan vast adres of woonplaats; (2) het gebrek aan minimale bestaansmiddelen; (3) het gebrek aan een vast beroep of vast inkomen en (4) een algemeen onverzorgde indruk: de persoon lijkt op de vlucht of op de dool te zijn, hetzij naar aanleiding van een definitieve relatiebreuk, hetzij als gevolg van een beslissing tot internering, opsluiting of uitwijzing.           
De indicatoren met betrekking tot de lichamelijke toestand van de persoon zijn: (1) de hoge mate van intoxicatie door alcohol, drugs en/of medicijnen; (2) de hoge mate van (langdurige) verwardheid of onbewustheid, niet meer op de benen kunnen staan; (3) indicaties (bijvoorbeeld een kaart die aangeeft dat de persoon diabetes, epilepsie of een pacemaker heeft); (4) het bezit van medicijnen of van medische voorschriften die erop wijzen dat de persoon (permanent) medicatie dient te nemen; (5) (frequent) overgeven, rillen, hijgen, hyperventileren, hoesten, wegdraaien van de ogen, enz., wat kan wijzen op een bepaald ziekte-beeld, ontwenningsverschijnselen of een overdadig drugsgebruik. 
Duidelijk aanwezige indicatoren met betrekking tot het gedrag van de persoon zijn: (1) de zichtbare afwezigheid en gelatenheid van de persoon; (2) in eerste instantie een uiterst agressief, hysterisch en zelfs buitenzinnig gedrag vertonen om daarna theatraal in het andere uiterste te vervallen; (3) voortdurende stemmingswisselingen ondergaan; (4) een panische angst of schrik voor opsluiting ontwikkelen; (5) wenen, extreem piekeren, onrustig gedrag; (6) zelfverwonding.   
Ten slotte kan de persoon zelf een aantal indicatoren aangeven: (1) specifieke signalen geven of dreigen met zelfmoord; (2) het uiten of klagen over hoofdpijn of pijn in de borststreek; (3) duidelijk een bepaald zorgwekkend ziektebeeld aangeven; (4) de aangifte van de nood aan medicijnen of inhalator bij astma; (5) wijzen op een bepaalde bijzondere toestand, zoals bijvoorbeeld invaliditeit, zwangerschap, depressie, enz.

Aanbeveling: indien een aantal van deze risicofactoren in combinatie voorkomt, zijn extra veiligheidsmaatregelen vereist, namelijk enerzijds de informatie-uitwisseling met de verant­woordelijke leidinggevende, zodat extra toezichtmaatregelen en andere beslissingen kunnen worden genomen en anderzijds de automatische vordering van een arts en dit zelfs meer dan één keer indien de toestand van de persoon na verloop van tijd zichtbaar verergert, alsook ten slotte, de uitbouw van permanente informatie-inwinning door geregelde contacten, toezicht, detectie, registratie en uitwisseling.

10.2.2.  Wet op het politieambt

10.2.2.1. Informatieverzameling

De huidige regelgeving na de politiehervorming, als achtergrond voor de huidige politiewerking, en gevoelig uitgebreid sinds 1992, bepaalt in de artikelen 44/1 tot 44/11 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt het inwinnen van inlichtingen en in de dwingende richtlijn MFO-3 [24] , meer specifiek de wijze en inhoud van de informatiestromen in het kader van de bestuurlijke politie.  Niettegenstaande de wet onder andere de inlichtingen bedoelt die “een concreet belang vertonen voor de uitoefening van hun opdrachten van bestuurlijke politie […], regelt de richtlijn geenszins de informatie-inwinning in het kader van de, in dit onderzoek beschouwde, individuele openbare ordewerking, en richt ze zich uitsluitend op gebeurtenissen en de in dit kader gekende personen.  Artikel 13 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt bepaalt binnen de opdrachten van bestuurlijke politie het volgende: “de maatregelen van bestuurlijke of gerechtelijke politie worden getroffen onverminderd de voor de bescherming van personen noodzakelijke maatregelen”.    
Indien het in de reële politiepraktijk inderdaad zo is dat een opgesloten persoon in de meeste gevallen in een politiecel verblijft om reden van bestuurlijke aard, namelijk in het kader van de openbare veiligheid, rust en hygiëne, dan is het contradictoir dat de eigen toestand van de burger, door het nemen van die maatregel, zelf onvoldoende garanties op veiligheid biedt.  Deze cases tonen het concrete belang van de informatie-inwinning aan, in functie van de bescherming van de fysieke integriteit van personen, in de periode dat zij verplicht onder het toezicht van de politie verblijven.

Vaststelling: dit onderzoek toont aan dat er een duidelijk gebrek bestaat op het vlak van de inwinning, de registratie en de uitwisseling van informatie, dewelke van concreet belang is voor de uitvoering van vrijheidsbeperkende maatregelen die de politie neemt in het kader van haar bestuurlijke en gerechtelijke opdrachten.  Dit onderzoek alsook het onderzoek inzake bewaarkamers en amigo’s brengen aan het licht dat er vrijwel geen of weinig inlichtingen worden ingezameld en geregistreerd omtrent aangehouden en opgesloten personen.  Bovendien blijkt dat de interne uitwisseling gebrekkig verloopt wanneer er onduidelijkheid bestaat omtrent de vraag wie verantwoordelijk is voor het toezicht op de persoon in de cel of wanneer iemand anders, tijdens de duur van de opsluiting, die verantwoordelijkheid overneemt.

Conclusie: sommige aangehouden personen verstrekken zelf bepaalde gegevens omtrent hun toestand.  De politie zou, in elk geval, bij mogelijke risicopersonen een minimale informatie-inwinning, omtrent de toestand van de persoon, moeten leveren opdat ze een beter zicht zou krijgen op de toestand van de persoon en beter in staat zou zijn om zijn mogelijke intenties en gedragingen in te schatten.        
Personen uit de naaste omgeving beschikken, volgens de analyses, over relatief veel objectieve en nuttige kennis omtrent de achtergrond en de huidige toestand van de persoon, die van concreet belang kan zijn voor de bescherming van de fysieke integriteit van de opgesloten persoon.  Het gaat bijvoorbeeld over kennis van medicijnen-, drugs- en/of alcohol­gebruik, eventuele ziekte, de psychologische toestand, eventueel eerder ondernomen zelfmoordpogingen, het op de dool zijn, bijzonder gedrag, het bestaan van afscheidsbrieven, enz.

Aanbeveling: de informatie-inwinning kan verbeterd worden wanneer: (1) er een regelmatige (poging tot) communicatie is met de opgesloten persoon zelf; (2) een concrete toepassing van artikel 31, 5de lid van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt [25] gebeurt vanuit een ruimere opvatting dan de loutere toepassing van ‘de letter van de wet’ die bepaalt dat het enerzijds moet gaan om een vraag van de persoon en bovendien dat het nemen van contact zich beperkt tot de loutere verwittiging van een vertrouwenspersoon; (3) een eenvormig (tijdelijk) registratiesysteem – in de vorm van een fiche of werkdossier – van toepassing wordt voor alle opgesloten personen; (4) de verantwoordelijkheid ter plaatse voor het beheer van één of meer opgesloten personen duidelijk bepaald wordt; (5) de nodige informatie-uitwisseling en registratie gebeurt bij elke wijziging van die verantwoordelijkheid.

10.2.2.2. Toezicht op opgesloten personen

De artikelen 18 tot 21 van de wet op het politieambt bepalen dat de politie “belast wordt met het toezicht op personen die een potentieel gevaar kunnen vormen voor zichzelf of voor derden.  Dat toezicht is niet van algemene of permanente aard, maar van toepassing op eventueel gevaarlijke situaties” [26] .

We bemerken, niet enkel naar aanleiding van dit onderzoek, een tekortkoming op het vlak van de bewaking of het toezicht op overgebrachte en opgesloten personen, namelijk: (1) er gebeurt nagenoeg geen registratie van het toezicht; (2) er heerst enorm veel onduidelijkheid omtrent het effectief uitvoeren van toezicht in het algemeen – dit gebeurt in de nabijheid van de persoon door waarneming en communicatie – als op momenten van aflossingen en ogenblikken dat politieambtenaren, verantwoordelijk voor dit toezicht, (moeten) bezig zijn met andere dringende opdrachten; (3) doorgaans wordt het toezicht, ongeacht wie ervoor verantwoordelijk is, nagenoeg uitsluitend van op een afstand gevoerd.  In de cel gebeurt dit via camerabeelden of een kijkgaatje in de celdeur, tijdens de overbrenging gebeurt dit vanuit het voorste gedeelte van het politievoertuig.  In beide gevallen wordt de waarneming – het zicht en het gehoor – dermate verstoord.

Vaststelling 1: in een aantal cases, die trouwens een dodelijke afloop kenden, deden er zich problemen voor met personen bij hun overbrenging omdat ze onvoldoende werden gefouilleerd, omdat ze zich enorm heftig verzetten of omdat hun veiligheid, gezien hun toestand en gedrag, onvoldoende kon worden gegarandeerd.  Buiten deze cases heeft het Vast Comité P kennis van een aantal klachten inzake verwondingen ten gevolge van de overbrenging en het rijgedrag van de politie.

Conclusies: het overbrengen van personen in een politievoertuig of in een specifiek daartoe bestemd of aangeduid voertuig wordt nergens algemeen geregeld.  Aangezien de persoon op dat moment onder het toezicht van de politie verblijft, is deze laatste verantwoordelijk voor diens veiligheid.  Dit betekent dat de politieagenten de veiligheid niet nodeloos in het gedrang mogen brengen door overdreven snelheid of gevaarlijke manoeuvres.  De wet bepaalt echter dat de bescherming van de persoon noodzakelijke maatregelen kan inhouden omdat sommige personen gezien hun toestand een gevaar voor zichzelf of voor derden betekenen.

Aanbeveling: er dienen bijkomende maatregelen te worden genomen indien personen zich hevig verzetten tegen hun overbrenging en aldus een gevaar kunnen betekenen voor zichzelf of voor anderen.  In elk geval moeten de noodzakelijke inspanningen worden geleverd om informatie in te winnen zodat de verantwoordelijke leidinggevende bijkomende beslissingen kan nemen zoals de begeleider laten plaatsnemen in het compartiment waar de persoon zich bevindt, eventueel door de nodige versterking te vragen, het uitoefenen van toezicht in de nabijheid van de persoon en, indien dit vooraan in het voertuig is, door zo min mogelijk het zicht en het gehoor te (laten) verstoren, door het beperken van de snelheid en gevaarlijke manoeuvres, door enkel sirenes te gebruiken wanneer het voertuig de verkeersregels noodgedwongen overtreedt.

Vaststelling 2: uit dit onderzoek blijkt niet enkel dat het toezicht zich nagenoeg uitsluitend beperkt tot camerabewaking, waarbij beelden, soms van slechte kwaliteit, sporadisch de politiecel tonen, maar vooral dat er te weinig effectieve controles ter hoogte van de cellen gebeuren.  Camerabewaking kan een intensievere observatie van de opgesloten persoon en van zijn handelingen toelaten, vooral in de eerste uren na de opsluiting.  Het is, volgens dit onderzoek, vooral in deze tijdspanne dat het gedrag van de opgesloten persoon enorm verandert en waarschijnlijk de intenties tot een mogelijke zelfmoordpoging aanwezig zijn.

Conclusie: het opsluiten en vervolgens bewaken van aangehouden personen volgt automatisch uit het feit dat de politie moet beletten dat aangehouden personen ontvluchten of zichzelf of anderen in gevaar brengen.  Noch dit toezicht, noch de modaliteiten ervan worden op een formele manier geregeld.  Maatschappelijke evoluties alsook het herleiden van de functie bewaking of toezicht tot één van de deeltaken van een permanentie of dispatching, maken dat dit toezicht meer en meer, uitsluitend op basis van technologische middelen, gebeurt.  Dit soort toezicht blijkt in de praktijk ontoereikend.

Aanbeveling: hulpmiddelen moeten vooral een aanvulling zijn op het effectief toezicht op de opgesloten persoon.  Ze maken een extra vlot en regelmatig zicht op deze persoon mogelijk.  De uitvoering van een regelmatig en effectief toezicht houdt in dat men nazicht doet van de persoon in zijn nabijheid, dat de bewaker met de persoon communiceert of zich effectief van zijn slaaptoestand en het ontbreken van elke verstikkingsmogelijkheid vergewist.           
De frequentie van het effectief toezicht, eventueel aangevuld met camerabewaking, hangt af van de toestand van de opgesloten persoon.  Wanneer er, bij de opgesloten persoon, sprake is van de aanwezigheid van verschillende risicoindicatoren van diverse aard, zoals hiervoor besproken, dan dient de toestand van deze persoon in het bijzonder te worden beoordeeld.  In dit geval dient de permanentieofficier de toestand geregeld op te volgen en, wanneer nodig, gespecialiseerde hulp in te roepen.  
De urgentiearts dient niet enkel na te gaan of de aangehouden persoon opgesloten kan worden in een cel, hij noteert ook in een verslag of de persoon bepaalde risico’s vertoont of als risicopersoon dient te worden beschouwd.  Automatisch volgen specifieke richtlijnen met betrekking tot de veiligheid, het welzijn en het comfort van de persoon.  Ten slotte houdt elke aflossing van het bewakingspersoneel telkens een effectief nazicht in van de toestand van de opgesloten personen en wordt dit toezicht net als de ‘zorgwekkende toestand’ genoteerd in het voorziene systeem.   
Dit systeem bestaat, naast het officiële register der aanhoudingen, uit een specifiek daartoe bestemd dossier of fiche.  Het toezicht moet op die manier de volledige duur van de opsluiting dekken en achteraf controleerbaar zijn.  Eventuele beperkingen in dat toezicht dienen daarom met reden te worden ingeschreven.

Vaststelling 3: uit dit onderzoek blijkt dat het uitoefenen van toezicht op de in de cel opgesloten personen, vooral bij kleinere politiediensten, bijzonder moeilijk te organiseren valt.  Het is vooral in deze korpsen dat er geen specifieke richtlijnen noch een afzonderlijke bewakingseenheid bestaan.  In de regel gebeurt het toezicht door politiemensen die, naast deze taak, ook nog moeten instaan voor tal van andere (al dan niet dringende) werkzaamheden.  In weinig politiediensten is een specifieke bewakingsdienst ingesteld.

Conclusie: de politie dient momenteel, vanuit de vigerende wetgeving, alsook op basis van de in de maatschappij aanvaarde praktijken, in te staan voor relatief veel personen die door hun toestand op de openbare weg een gevaar voor zichzelf of voor anderen kunnen vormen.  Een niet onbelangrijk aantal onder hen kan wellicht als mogelijke risicopersoon omschreven worden gezien hun medische en/of mentale toestand en verblijven, bij gebrek aan andere regelingen en afspraken, in elk geval gedurende verschillende uren in een politiecel.         
Het toezicht zoals dit momenteel in veel politiezones dient te gebeuren door politiemensen die zich niet op elk moment zelf kunnen bezighouden met de opgesloten personen, noch een adequaat toezicht kunnen uitoefenen indien nodig, maakt dat dergelijke opgesloten personen zich in een hoogst onveilige situatie bevinden, wat op zijn beurt niet strookt met de filosofie die aan hun opsluiting ten grondslag ligt.

Aanbeveling: het is wenselijk dat het toezicht door de politie, in dit kader, georganiseerd wordt op grotere schaal, bijvoorbeeld per provincie of per gerechtelijk arrondissement en dat specifiek de functie van ‘custody officer’ wordt ingesteld.  Enkel op die manier kan de politie beter in staat zijn deze taak naar behoren uit te oefenen.    
Door de centralisatie en specialisatie van deze bijzondere politietaak – op dat ogenblik ontlast men de politiezones en meer bepaald het onthaal, de interventie en de dispatching, ten behoeve van hun prioritaire taken – wordt de uitvoering van deze taak eerder bovenlokaal of federaal georganiseerd, ten behoeve van zowel de bestuurlijke als de gerechtelijke overheid.  Het politie- en hulppersoneel van deze bewakingseenheid moet over voldoende kennis en knowhow beschikken om dit toezicht uit te oefenen, ook ten aanzien van elke burger die dronken of geestesziek zou zijn.

10.2.2.3. Specifieke bevoegdheden

Volgens de artikelen 28, 30 tot en met 34 en 38 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt hebben de officieren van bestuurlijke politie – hoedanigheid die volgens artikel 4 van dezelfde wet toegekend is aan alle officieren van de lokale en federale politie – specifieke bevoegdheden.       
Uit de analyses van dit onderzoek, alsook uit het toezichtsonderzoek met betrekking tot het beheer en gebruik van de politiecellen, komt naar voor dat de vrijheidsbeperkende maatregelen te weinig leiden tot de concrete aanwezigheid, de steun en de bijsturing door de verantwoordelijke leidinggevende.  In de cases onderzocht naar aanleiding van dit onderzoek komt de permanentieofficier niet veel aan bod tijdens de duur en het verloop van het gebeuren.  Dit gebeuren speelt zich, volgens dit onderzoek, meestal af in de loop van de avond of nacht.

Vaststelling: de analyse van deze cases, net als de bevraging van de aspirant-politieambtenaren, geeft een indicatie van het feit dat politiemensen op het terrein autonoom handelen.  Het contact met de leidinggevende gebeurt meestal, zoals wettelijk voorzien, met het oog op de verwittiging of de bevestiging van de bestuurlijke aanhouding.  Andere contacten, in het raam van problematische of onduidelijke situaties, gebeuren veel minder, zeker buiten de kantooruren.

Conclusie: de rol van de leidinggevende, verantwoordelijk voor het nemen van maatregelen van bestuurlijke of gerechtelijke aard, houdt zowel een zekere sturing als begeleiding van het personeel in.  Bovendien houdt dit een controle op de uitvoering van het politiewerk in.  De officier van bestuurlijke politie die met permanentie is, is, ongeacht het tijdstip, verantwoordelijk voor het nemen en de uitvoering van de politiemaatregelen, zoals hierboven bedoeld.

Aanbeveling: de permanentieofficier dient bij de aanhouding van een persoon telkens de nodige inlichtingen bij zijn dienstdoend personeel in te winnen omtrent de toestand van de persoon zodat hij, indien nodig, specifieke instructies kan geven.  Bovendien dient de officier met permanentie bij een langdurige opsluiting (een opsluiting van minimum zes uur), zich minstens eenmaal zelf te vergewissen van de toestand van de opgesloten persoon, nota te nemen van zijn eventuele klachten, alsook de registratie van de uitgevoerde bewaking of toezicht na te kijken.  Deze controleaspecten zouden steeds opgenomen moeten worden in het register der aangehouden personen en/of het bijzonder verslag en in het specifiek daartoe bestemde registratiesysteem.

10.2.2.4. Fouillering vóór opsluiting

De wet van 5 augustus 1992 op het politieambt omschrijft in artikel 28 het fouilleren van personen en in artikel 29 het doorzoeken van een voertuig.  Centraal bij de fouillering van personen staat de veiligheid, namelijk het beletten te ontvluchten of het in gevaar brengen van zichzelf of anderen.

Nogal wat verwijzingen in de onderzochte gegevens laten uitschijnen dat er enkele problemen rijzen bij de uitvoering van de politiemaatregelen, genomen in het kader van de overbrenging, de aanhouding en de opsluiting van personen.  Het gaat hier bijvoorbeeld over de fouillering, ongeacht de finaliteit ervan, het verhoor en een aantal administratieve verplichtingen, zoals het tekenen voor kennisname van de aanhouding en voor in beslag genomen stukken.  Die problemen vloeien soms voort uit de toestand en het gedrag van de persoon.

Vaststelling 1: dit onderzoek wijst een aantal keer op de gebrekkige uitvoering van de veiligheidsfouillering en de fouillering vóór opsluiting.  Enerzijds merken we dat dit gebrek nogal vaak gepaard gaat met het specifiek voorkomen en het gedrag van de persoon.  Zo zijn veel van de personen uit deze cases zwaar onder intoxicatie, kunnen ze niet meer op hun benen staan of zijn ze bevuild door het overgeven of door hun stoelgang.  Anderzijds maken we uit dit onderzoek en uit de bevraging van de aspirant-politieambtenaren op dat dwangmaatregelen zoals het boeien en het fouilleren louter vanuit veiligheidsoverwegingen worden genomen, zonder hierbij aan de waardigheid, het welzijn en het comfort van de persoon te denken.  Ten slotte merken we bij analyse van de dossiers dat de meeste personen verhoord werden, niettegenstaande achteraf is gebleken dat ze zwaar geïntoxiceerd waren.

Conclusie: de veiligheidsfouillering en de fouillering vóór opsluiting moeten te allen tijde uitgevoerd worden.  Indien de politieambtenaren hierbij dwang en eventueel geweld moeten gebruiken, dienen ze dit te vermelden in de officiële geschriften.  De moeilijkheden die zij ondervinden om een persoon daadwerkelijk te fouilleren en te verhoren, indien hij er niet toe in staat is, of om de persoon officieel kennis te laten nemen van zijn aanhouding en de eventuele inbeslagname, dienen uitvoerig in een bijzonder verslag te worden opgenomen.  Een dergelijk bijzonder verslag is al wettelijk voorzien in het geval de persoon niet in staat is kennis te nemen van de aanhouding en/of niet in staat is te tekenen en/of weigert te tekenen.

Aanbeveling: de problemen waarmee politieambtenaren in de praktijk worden geconfronteerd, zoals het niet (kunnen) fouilleren, laten onderzoeken, verhoren, enz., horen in de eerste plaats te worden besproken met de verantwoordelijke officier.  Deze laatste kan bijkomende maatregelen voorzien.  Daarnaast dienen de problemen en/of beperkingen vermeld te worden in bepaalde geschriften zoals het register der aangehouden personen, het registratiesysteem, het proces-verbaal, enz.  Indien het gedrag van de persoon van aard is om de uitvoering van bepaalde noodzakelijke en voorgeschreven politiemaatregelen enorm te bemoeilijken, dan dient dit in de eerste plaats gemeld te worden aan de verantwoordelijke en dient dit gedrag bovendien te worden omschreven.

Vaststelling 2: zowel uit dit onderzoek als uit de toezichtsonderzoeken waar in dit onderzoek naar verwezen wordt, blijkt dat er een grote kloof bestaat tussen de theorie en de praktijk.  Het gaat bijvoorbeeld om de theoretische bepalingen, zoals o.a. omschreven in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, die de achtergrond vormen voor het nemen van dwangmaatregelen in de praktijk die de vrijheid van de burger inperken, zoals aanhouden, fouilleren, opsluiten en bewaken.  In de praktijk wordt men, naar aanleiding van het nemen van deze maatregelen, soms geconfronteerd met een aantal problemen zoals hierboven beschreven.

Aanbeveling: de basisopleiding en de voortgezette opleiding en training dienen veel nauwer aan te leunen bij de dagdagelijkse politiepraktijk.  Dergelijke situatiebeschrijvingen, zoals in dit onderzoeksrapport opgenomen, kunnen binnen die opleidingen als praktijkgevallen dienen om de theoretische begrippen aan de praktijk te toetsen.  Dit houdt niet enkel de bespreking in ter gelegenheid van colleges, doch eveneens praktijktoetsing naar aanleiding van stages.

10.2.3.  Regeling van het toezicht

We merken dat in het buitenland, onder andere in het Verenigd Koninkrijk, systematisch onderzoek naar incidenten met dodelijke afloop gebeurt door een extern en onafhankelijk orgaan.  Bovendien stellen we, naar aanleiding van dit Belgisch onderzoek, vast dat er vrijwel nooit een intern onderzoek wordt gevoerd met het oog op een verbetering van de politie­werking of om herhaling van incidenten te vermijden.  Uit het onderzoek blijkt ook dat niet alleen incidenten met dodelijke afloop het voorwerp van dit intern onderzoek dienen uit te maken.  Met het oog op het leerproces en vanuit de principes voortvloeiend uit een benadering van ‘Human Rights Proof Policing’, is bovendien permanent opvolgingsonderzoek nodig van alle incidenten die zich voordoen met burgers die onder het toezicht van de politie geplaatst zijn.

Vaststelling: de opgesloten persoon, zelf of vertegenwoordigd door een naaste, blijkt heel weinig verhaalmogelijkheden te bezitten die, vanuit zijn positie, het verloop en de duur van het gebeuren helpen te verduidelijken.  In de onderzochte cases zetten vooral de incidenten met dodelijke afloop familieleden aan tot het in vraag stellen van het gebeuren en van de politiewerking.  Zij stellen zich burgerlijke partij of leggen klacht neer bij één van de toezichtsorganen.  Uit dit onderzoek blijkt dat de naasten vaak over heel weinig informatie beschikken met betrekking tot de aanhouding en het verblijf onder het politietoezicht en in de loop van de opsluiting niet op de hoogte worden gebracht van de zorgwekkende toestand van de aangehouden persoon.

Conclusie: het is in België vooralsnog niet geregeld of, en zo ja, in welke mate en volgens welke modaliteiten de persoon die zich onder het toezicht van de politie bevindt, een advocaat kan raadplegen.  Bovendien merken we een totaal gebrek op aan contact of verwittiging van een naaste van de aangehouden persoon, wanneer deze laatste zich in een zorgwekkende toestand bevindt.  In vele gevallen worden naasten pas ettelijke uren na de vaststelling van het overlijden hiervan in kennis gesteld.

Aanbeveling: (1) een intern onderzoek moet worden gevoerd met het oog op het leerproces en de verbetering van de politiewerking.  Dit onderzoek dient onmiddellijk en onder het beheer van de bevoegde autoriteiten te worden opgestart; (2) een globaal opvolgingsonderzoek dient verder te worden verricht door het extern toezichtsorgaan.  Dit onderzoek moet niet noodzakelijk onmiddellijk noch ten aanzien van elk incident worden gevoerd, aangezien er op dat ogenblik al een intern onderzoek loopt.  De opvolging houdt echter wel het toezicht in op dit intern gevoerd onderzoek en vereist dat de dossiergegevens achteraf ter beschikking worden gesteld.

10.3.   Perspectieven

Dit onderzoek werd begin 2005 afgerond en aan de parlementaire begeleidingscommissie voorgesteld.  In de toekomst wil het Vast Comité P niet enkel dit soort incidenten verder blijven opvolgen, het wil ook en vooral de aanzet geven tot de interne evaluatie en de opstart van het leerproces dat er noodzakelijkerwijs uit dient voort te vloeien.

11.                Voedselverstrekking aan aangehouden personen

In het kader van zijn toezichtsonderzoeken blijft het Vast Comité P ook soms stilstaan bij een of ander tekenend individueel geval.  Afgezien van de globale analyse van deze verschillende gevallen, is het soms ook interessant om deze gevallen in se te vermelden, meer bepaald wanneer ze een goede illustratie zijn van een goede of minder goede praktijk.  Zo ontving het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten in de loop van 2004 een klachtenbrief [27] van een advocate die, in naam van haar minderjarige cliënt, vraagtekens plaatste bij de omstandigheden waarin deze minderjarige en zijn familie werden aangehouden door een politiedienst.  De afgelopen jaren kreeg het Comité verschillende vergelijkbare klachten.  Bovendien volgt het deze problematiek op in het kader van een ruimer onderzoek.
Naar aanleiding van bovenvermelde klacht werd een specifiek toezichtsonderzoek ingesteld, waarin de bijzondere omstandigheden waarin aangehouden personen worden opgesloten en opgevangen in een bepaalde politiezone werden geobserveerd.  In een eerste fase hebben wij de stukken van het dossier verzameld en bij de politiezone de eventuele interne documentatie met betrekking tot de aangeklaagde aspecten van de klacht opgevraagd.  De wettelijke voorschriften terzake werden tevens opgezocht en geanalyseerd.  Vervolgens werden de klager en zijn familie verhoord met het oog op bijkomende toelichting en tot slot werden de politieambtenaren die betrokken waren bij de bewuste interventie gehoord.

Uit de stukken van het gerechtelijk dossier blijkt dat de volwassene en zijn drie minderjarige kinderen van hun vrijheid werden beroofd naar aanleiding van de tenuitvoerlegging, door de lokale recherche, van een huiszoekingsbevel uitgevaardigd door een onderzoeksrechter wegens diverse inbreuken.  Als gevolg van de vaststellingen die ter plaatse werden gedaan, werd een gerechtelijk dossier geopend op grond van het in gevaar brengen van minderjarigen.                                                                                                             
Na afloop van de huiszoeking werden de vader en zijn kinderen naar het politiecommissariaat gebracht.  Ze werden alles bij elkaar van hun vrijheid beroofd van 06.00 uur, zijnde de aanvang van de huiszoeking, tot 15.25 uur.  De minderjarigen werden het merendeel van de tijd onder toezicht geplaatst in de kantoren van het commissariaat, maar de vader werd gedurende enige tijd in de cel opgesloten.                                                     
Deze personen werden dan verhoord in het kader van het gerechtelijk dossier en werden daarna naar verschillende instanties gebracht.  Nadat hij voor de onderzoeksrechter was verschenen, werd de man overgebracht naar een penitentiaire instelling.  De jeugdafdeling van het parket heeft de politiedienst gevraagd de twee oudste kinderen te harer beschikking te stellen en onderdak te vinden voor het jongste kind, dat hiertoe werd toevertrouwd aan de dienst jeugd en preventie van de politiezone.  De jeugddienst heeft na een lange en moeilijke zoektocht twee dagen later logies voor het kind gevonden in een opvangtehuis.  De jeugdmagistraat heeft daarna gevraagd dat de twee oudere minderjarigen zouden worden toevertrouwd aan de zorgen van hun familieleden.            
In de klacht gericht aan het Vast Comité P wordt de politiediensten en de optredende politieambtenaren verweten dat de betrokkenen, tijdens hun vrijheidsberoving op het politiecommissariaat, niets te eten of te drinken hebben gekregen en dat de vader niet in kennis werd gesteld van het lot dat zijn kinderen was beschoren.  Hij heeft dit pas veel later vernomen van familieleden.

Uit het toezichtsonderzoek komt naar voor dat de personen meer dan waarschijnlijk voedsel en drank hebben gekregen.  Hiervan is echter geen spoor terug te vinden, noch in het register der aangehouden personen, noch in de processen-verbaal van verhoor of onderzoek.  De betrokken politieambtenaren beweren dat ze snoepjes en drank hebben aangeboden waarover ze permanent in hun kantine op het commissariaat beschikken.  Ze spijzen de kas van deze kantine uit eigen zak.          
De ondervraagde politieambtenaren zeggen dat ze zich ervan bewust zijn dat ze de aangehouden personen te eten moeten geven, maar dat ze op hun niveau geen kennis hebben van de precieze modaliteiten en dat er geen duidelijk bepaald systeem is.   
Met betrekking tot het tweede aspect van de klacht – de vader inlichten over het lot van zijn kinderen –, was er, zodra de vader in de gevangenis zat, geen echte reden meer om hem in te lichten over wat er met zijn kinderen zou gebeuren, aangezien hij wist dat twee van zijn kinderen beperkt waren in hun vrijheid van komen en gaan omdat ze samen met hem van hun vrijheid waren beroofd.  De situatie van het jongste kind werd geregeld door de gerechtelijke overheid, die de beslissing heeft genomen dit kind te plaatsen (toezicht op de gerechtelijke overheid behoort niet tot de opdrachten noch de bevoegdheden van het Vast Comité P).  De jeugddienst heeft tevergeefs verschillende familieleden trachten te contacteren om het kind eventueel bij hen onder te brengen.

De omzendbrief van 3 januari 2003 [28] betreffende de bevoorrading van personen in arrest, met uitzondering van diegenen die het voorwerp uitmaken van een opsluiting in een strafinrichting lijkt nog steeds niet goed te zijn gekend noch correct te worden toegepast.  Deze omzendbrief voorziet dat de diensten die zijn overgegaan tot de vrijheidsberoving van personen erop moeten toezien dat zij te eten en te drinken krijgen.  Dit geldt zowel voor de bestuurlijke als voor de gerechtelijke aanhoudingen.  De omzendbrief verduidelijkt welke diensten de kosten voor eten en drank moeten dragen alsook de bedragen die worden terugbetaald.  Wat de gerechtelijke aanhoudingen betreft, zijn de kosten voor rekening van de Federale Overheidsdienst Justitie.      
De zone in kwestie heeft, zoals ook is gebleken uit andere dossiers, klaarblijkelijk niets ondernomen met het oog op de toepassing van de omzendbrief en schuift het probleem door naar de politieambtenaren van de lokale recherche die zijn overgegaan tot de vrijheidsberoving.
Het was voor deze politieambtenaren moeilijk om toe te zien op de materiële omstandigheden van de opsluiting omdat ze vele onderzoeksopdrachten met spoedeisend karakter moesten vervullen.

Het zou dus wenselijk zijn dat deze zone, net als andere, een structurele oplossing uitwerkt die toeziet op de toepassing van de omzendbrief en de personeelsleden in staat stelt zich hoofdzakelijk op hun toegewezen taak te concentreren.  Aangezien in de omzendbrief is bepaald dat het de verantwoordelijkheid is van de diensten die zijn overgegaan tot de aanhouding om toe te zien op de voedselverstrekking, komt het logischerwijs de korpschef toe om maatregelen te nemen om het logistieke aspect daarvan te organiseren en om het personeel daarover in te lichten.
Indien dit niet het geval is, zouden de politieambtenaren in de processen-verbaal van onderzoek kunnen vermelden dat de van hun vrijheid beroofde personen eten en drinken hebben gekregen.  Om alle discussie achteraf te vermijden, zou deze informatie, als bijkomende voorzorgsmaatregel, ook in het register der aangehouden personen kunnen worden vermeld.

Toen dit toezichtsonderzoek werd uitgevoerd, werd binnen de zone de laatste hand gelegd aan een interne nota.  Slechts in één gemeente van de zone is het, op basis van afgesloten akkoorden, mogelijk maaltijden af te halen bij de OCMW-dienst.  De interne nota zou dit systeem moeten uitbreiden tot alle gemeenten binnen de zone.         
Het Vast Comité P is van plan om de situatie in verschillende zones in 2005-2007, opnieuw te bekijken om na te gaan of deze interne nota intussen is verspreid en of er een structurele oplossing werd uitgewerkt in deze zone alsook in een steekproef van andere zones die in het verleden al dan niet met hetzelfde probleem werden geconfronteerd.

12.                Fouilleringen al dan niet naar aanleiding van vrijheidsberovingen [29]

Uit vorige jaarverslagen blijkt dat het uitvoeren van een gerechtelijke fouillering, en als eventueel onderdeel daarvan het ontkleden van de gefouilleerde, door de politiediensten op verschillende manieren wordt geïnterpreteerd en dat de fundamentele rechten van de burger daardoor in het gedrang zouden kunnen komen.  Een duiding van de problematiek moet leiden tot een correcte toepassing van de wetgeving sensu lato terzake en een beter inzicht verschaffen omtrent de impact van deze dwangmaatregel op de grondrechten van de burger.

In dit opzicht onderzoekt het Vast Comité P geregeld talrijke klachten die betrekking hebben op deze problematiek.  Eén van deze klachten was een ideale gelegenheid om het onderzoek dat sinds enkele jaren was gestart, te voltooien.  Het Vast Comité P had immers een klacht ontvangen van een dame die door de politiediensten aan een gerechtelijke fouillering werd onderworpen.  Klaagster stelde dat de fouillering volledig disproportioneel was ten opzichte van de feiten.
De klaagster bediende één van de kassa’s van het warenhuis en rekende met een klant af.  Enkele minuten later kwam deze klant opnieuw de zaak binnen en stelde dat hij een briefje van 20 euro ter betaling aangeboden had en geen briefje van 10 euro.  Volgens hem had hij dus 10 euro te weinig teruggekregen.  Naar aanleiding hiervan werd de kassierster door de opgeroepen interventieploeg van de politie aan een gerechtelijke fouillering onderworpen en diende zij zich volledig te ontkleden.

Uit het klachtendossier blijkt dat de politieambtenaren op basis van de verklaring van de klant geoordeeld hebben dat er een misdrijf gepleegd was en dat klaagster mogelijks overtuigingsstukken of bewijsmateriaal op zich kon dragen.  Deze stelling werd in de ogen van de politieambtenaren kracht bijgezet daar de klant – die de Nederlandse taal niet goed beheerste – dit door middel van gebaren te kennen gaf.  Toen na controle van de kassa bleek dat deze een negatief saldo vertoonde, rees bij de politieambtenaren het vermoeden dat de kassierster het geld op zich kon dragen en werd zij onderworpen aan een gerechtelijke fouillering.   
Uit het onderzoek blijkt tevens dat de officier van gerechtelijke politie pas na de politieinterventie op het commissariaat in kennis werd gesteld en dat hij er de politieambtenaren op heeft gewezen dat een proces-verbaal van inlichtingen diende te worden opgesteld.

De bestaande wetgeving, rechtspraak en rechtsleer werden nogmaals onder de loep genomen.  Tevens werden de korpsrichtlijnen van de betrokken politiezone op eventuele leemtes gecontroleerd, net als alle syllabi van politiescholen waarin de gerechtelijke fouillering aan bod komt.       
Politieambtenaren dienen bij de uitvoering van een gerechtelijke fouillering steeds rekening te houden met de finaliteit ervan en met betrekking tot het ontkleden van personen dienen ze steeds het proportionaliteitsprincipe voor ogen te houden.  Het kan niet genoeg benadrukt worden dat de fouillering een dwangmaatregel is die een inbreuk vormt op één van de grondrechten voorzien in de Grondwet, namelijk het recht op privacy.  Het ontkleden van een gefouilleerde moet dan ook uitzondering blijven, mag niet systematisch gebeuren en moet gerechtvaardigd worden door concrete, individuele omstandigheden en gebaseerd zijn op ernstige voorafgaande aanwijzingen.   
Bovendien moet hierover steeds een proces-verbaal worden opgesteld waarin de door de officier van gerechtelijke politie – die vóór de uitvoering moet gewaarschuwd worden – gegeven richtlijnen en modaliteiten van uitvoering moeten blijken, dan wel dient dit vermeld in het proces-verbaal van vaststellingen of tussenkomst.

Gezien het belang van de vorming gegeven door de politiescholen, werd ook hier eens te meer getoetst hoe de theorie en de praktijk met betrekking tot de fouillering, meer in het bijzonder de gerechtelijke fouillering, aan de aspirant-inspecteurs nu worden aangeleerd.
Alle lessenpakketten van de Nederlandstalige politiescholen werden aan een analyse onder­worpen, namelijk van de Oost-Vlaamse Politieacademie (OPAC) te Gent, het Provinciaal Instituut voor Vorming en Opleiding (PIVO) te Asse, het centrum Provincie Limburg Opleiding en Training (PLOT) te Genk, de West-Vlaamse Politieschool (WPS) te Brugge, de Gewestelijke en Intercommunale Politieschool (GIP) te Brussel en het Politie Opleidings-, Trainings- en Vormingscentrum (POTVA) te Antwerpen.

Fouilleren wordt in Van Dale omschreven als: “iemands zakken en kleren doorzoeken, hem aan den lijve onderzoeken om te zien of hij verboden of vermiste zaken bij zich heeft”.   
Niettegenstaande het voor iedereen vanzelfsprekend is dat aan de politiescholen een degelijke opleiding wordt gegeven inzake interventie- en fouilleringstechnieken, stellen we vast dat de syllabi in de meeste gevallen enkel de letter van de desbetreffende wetgeving schetsen.  Een verduidelijking van de modaliteiten van de fouillering en in het bijzonder van het ontkleden van personen, bijvoorbeeld aan de hand van een casus, lijkt ons meer dan noodzakelijk, maar hangt ook samen met het aantal lesuren dat aan het onderwerp kan worden besteed.

We stellen vast dat alle fouilleringen zoals voorzien in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt in de syllabi aan bod komen en dat de inhoud van de desbetreffende artikelen uit deze wetgeving overgenomen en besproken wordt.  Enkel in de cursus van de federale politieschool gedoceerd aan het PIVO en in de cursussen van het PLOT en de GIP komt de veiligheidsfouillering teneinde de veiligheid van het internationaal vervoer te waarborgen, niet aan bod.    
In alle cursussen wordt het onderscheid verduidelijkt tussen een fouillering en een onderzoek aan het lichaam.  
In de cursussen van de OPAC, het PIVO en het PLOT wordt gewezen op het belang van de ‘aanwijzingen’ die kunnen leiden tot het uitvoeren van een gerechtelijke fouillering.  In de andere opleidingspakketten wordt daar geen of te weinig aandacht aan besteed.

Met betrekking tot de bevoegdheden van de verantwoordelijke politieambtenaar (officier van gerechtelijke politie) blijkt te weinig dat deze laatste vóór de gerechtelijke fouillering in kennis moet worden gesteld zodat hij zijn verantwoordelijkheid kan nemen en de nodige richtlijnen kan geven.  Meestal beperkt dit item zich tot de loutere weergave van de inhoud van het desbetreffende artikel uit de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.          
Bij het geslacht van de uitvoerende politieambtenaar wordt telkens vermeld dat niettegenstaande het niet strikt voorzien is dat de politieambtenaar en de gefouilleerde van hetzelfde geslacht zijn, daar steeds moet naar gestreefd worden, daarbij duidend op de ministeriële omzendbrief van 2 februari 1993 met betrekking tot de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt
[30] waarin gesteld wordt dat de politiediensten zich wel moeten inspannen om die doelstelling zo vaak mogelijk te verwezenlijken.        
Het ontkleden van een persoon tijdens een gerechtelijke fouillering komt in alle cursussen aan bod, doch enkel in het pakket van de GIP wordt beschreven hoe dit het best gebeurt rekening houdend met de grote psychische impact op de gefouilleerde en de individuele rechten en vrijheden van deze laatste.

Slechts in de cursussen van het PIVO en het POTVA komen de essentiële principes van wettelijkheid, proportionaliteit en subsidiariteit aan bod.  Gezien het belang hiervan is het noodzakelijk dat de cursussen van de andere politiescholen in die zin aangepast worden.
Wel wordt telkens gewezen op het artikel 37 van de wet op het politieambt, waaruit blijkt dat politieambtenaren geweld kunnen gebruiken voor zover dit werkelijk nodig is om de fouillering te kunnen uitvoeren.  
Ook de duur van de gerechtelijke fouillering komt aan bod en hierbij wordt opgemerkt dat bij het nemen van een dergelijke dwangmaatregel, er steeds een proces-verbaal moet worden opgesteld.  Er wordt enkel in de cursussen van de GIP en het POTVA op gewezen wat essentieel is en wat moet blijken uit deze processen-verbaal.

De meeste cursussen bevatten tevens een luik met betrekking tot de eerbiediging van de waardigheid van de gefouilleerde persoon en halen ook het artikel 35 van de wet op het politieambt aan, waaruit blijkt dat aangehouden, gevangen of opgehouden personen, buiten noodzaak, niet aan publieke nieuwsgierigheid mogen worden blootgesteld.   
Verder blijkt dat van de aangeleerde praktische vaardigheden niet steeds een syllabus bestaat en wanneer die er is, de gerechtelijke fouillering en het ontkleden van personen nagenoeg niet aan bod komen.  Dit zou nochtans een nuttig instrument zijn voor de inspecteurs om gedurende hun loopbaan als leidraad te gebruiken.

Het hoeft geen betoog dat de fouillering als dwangmaatregel een grote impact heeft op de persoon in kwestie en een inbreuk vormt op het grondrecht op privacy.  Dit impliceert dat iedere politieambtenaar op bedachte wijze moet te werk gaan en zeker niet routineus mag handelen.    
Hier is een belangrijke taak weggelegd voor de officier van gerechtelijke politie onder wiens verantwoordelijkheid de gerechtelijke fouillering verloopt en die na door de politieambtenaren op de hoogte te zijn gesteld van de feiten, geval per geval zal moeten oordelen of voldaan is aan de principes van wettelijkheid, proportionaliteit en subsidiarititeit.           
Dat politieambtenaren hier oog moeten voor hebben, blijkt uit het artikel 1, 2de lid van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt dat stelt: “Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie, waken de politiediensten over de naleving en dragen zij bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden, evenals tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij” en uit het artikel 123 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus dat zegt: “De politieambtenaren dragen te allen tijde en in alle omstandigheden bij tot de bescherming van de medeburgers en tot de bijstand die deze laatsten mogen verwachten, alsook, wanneer de omstandigheden het vereisen, tot het doen naleven van de wet en tot het behoud van de openbare orde.  Zij nemen de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden in acht en verbinden zich ertoe die te doen naleven”.

Het primordiale belang van de naleving van de artikelen 12 (vrijheid van persoon) en 22 (recht op privacy) van de Grondwet blijkt verder uit het artikel 151 van het Strafwetboek waarin gesteld wordt: “Elke andere daad van willekeur die inbreuk maakt op door de Grondwet gewaarborgde vrijheden en rechten en die bevolen of uitgevoerd wordt door een openbaar officier of ambtenaar, door een drager of agent van het openbaar gezag of van de openbare macht, wordt gestraft met gevangenisstraf van vijftien dagen tot een jaar”.

Aansluitend en rekening houdend met wat voorafgaat, lijkt het ons opportuun om, naast de aangeboden vorming tijdens de basisopleiding aan de politiescholen, aan de politieambtenaren die reeds deel uitmaken van een interventiedienst deze problematiek in herinnering te brengen.  Te meer daar uit dit dossier blijkt dat de politieambtenaren zelf toegeven de interne korpsrichtlijnen niet te kennen en zij op deze manier – op overlegmomenten en aan de hand van een casus – ook op de hoogte zouden blijven van deze ingrijpende materie.       
Deze ‘opfrissing’ kan tevens gebeuren naar aanleiding van de baremische vorming die verplicht is voor de meeste politieambtenaren.

13.                Astrid [31]

13.1.   Probleemstelling

Het toezichtsonderzoek Astrid dat opgestart werd in 2003 heeft als doelstelling: “De werking en implementatie van het communicatiesysteem ASTRID (All-round Semi-cellular Trunking Radiocommunication Integrated Dispatchings) ten behoeve van politie- en bij uitbreiding van de veiligheidsdiensten in het algemeen, opvolgen en evalueren.  Die opvolging kadert in het verlengde van het toezichtsonderzoek dat werd gevoerd omtrent de werking van de oproepen naar het noodnummer 101” [32] .

Heel concreet dient een antwoord te worden geboden op de vraag wat de meerwaarde is van het Astridcommunicatieproject en hoe en wanneer het systeem kan worden gemaximaliseerd.
Volgende onderzoeksvragen en -verrichtingen moeten aan het licht brengen of met de inplaatsstelling van Astrid er ook daadwerkelijk een betere coördinatie zal zijn tussen de politiediensten en of het deze diensten ook werkelijk zal toelaten doelmatiger en doeltreffender te werken: (1) wat zijn de modaliteiten van de inplaatsstelling van Astrid op het ganse grondgebied?; (2) wat is de timing van de vertraagde inplaatsstelling en de redenen hiervoor?; (3) wat zijn de werkingsmogelijkheden en knelpunten van het systeem (zijn de knelpunten 101 hiermee opgelost?)?; (4) een bezoek aan de diverse actoren die betrokken zijn bij de in plaatsstelling van Astrid.  In een verder stadium van het onderzoek werden bijkomende onderzoeksvragen toegevoegd: (5) wat is de verdere uitbouw en tevredenheidsgraad met betrekking tot de werking van Astrid in het communicatie- en informatiecentrum (CIC) Oost-Vlaanderen?; (6) in welke provincies werd het systeem reeds opgestart, wanneer en welke resultaten zijn er reeds vastgesteld?; (7) wat is de huidige timing van de implementatie van Astrid in het ganse land?; (8) hoever is de grensoverschrijdende samenwerking met Astrid geregeld in de naburige landen? en (9) zijn er evoluties vast te stellen betreffende de integratie van de brandweer en dringende medische hulpverlening in het Astridproject (100- en 112-problematiek)?

Om een beter zicht te krijgen op deze onderzoeksvragen werden de verschillende partners en mogelijke gebruikers van het Astridproject bezocht en/of bevraagd: (1) de NV ASTRID; (2) federale en lokale politiediensten; (3) Algemene directie operationele ondersteuning/Directie van de telematica (DGS/DST/PIA); (4) diverse operationele en niet-operationele CIC’s; (5) een brandweerkorps (Gent); (6) de West-Vlaamse Politieschool (WPS) en (7) de Gezamenlijke Meldkamer te Zeeland (C 2000-systeem).     
Het Vast Comité P heeft op 17 april 2004 de “Dag van de Gebruikers”, georganiseerd door de NV ASTRID, bijgewoond.

13.2.   Vaststellingen

Tijdens het onderzoek werd duidelijk dat de evolutie van de implementatie van het Astrid­project binnen de geïntegreerde politie moeizamer verloopt dan gepland.  De veelheid van actoren verhoogt evenredig de kritische succesfactoren en vertraagt de optimale werking van een vooruitstrevend communicatiesysteem.  Ook het interdisciplinair te integreren communicatiesysteem en een operationele grensoverschrijdende samenwerking zijn vooralsnog – op korte termijn – niet meteen realiseerbaar.

Het Astridsysteem is niet volledig feilloos.  De digitale werking is wel optimaal, maar toch doen er zich heel wat moeilijkheden voor op het vlak van de diverse operationele toepassingen (bijvoorbeeld installatie op moto’s en luidsprekers in de motorhelmen).  Zelfs bij gedigitaliseerde radiomiddelen is de werking enigszins afhankelijk van omgevingsfactoren.   
Een dienstenplan (samenwerkingsakkoord tussen CIC en verschillende gebruikers) werd opgesteld en kan desgevallend onderhandeld worden.                         
De fleetmapping blijkt gestandaardiseerd te zijn en laat aldus te weinig initiatiefruimte over voor de specifieke behoeften van de verschillende gebruikers.  Een vrije keuze van gespreksgroepen laat willekeur toe en een regelgeving dringt zich dan ook op.  Zo niet, zou aan het doel van geïntegreerde werking voorbijgegaan worden. 
Door toepassing van digitale radiocommunicatie biedt het Astridradiocommunicatiesysteem voor de politiediensten een ontegensprekelijke meerwaarde.
Het CAD-systeem (computer aided design) zal tevens een bijkomende meerwaarde bieden, maar kan momenteel nog niet geoptimaliseerd worden omdat sommige verantwoordelijken nog geen interventiebeleid uitgetekend en uitgeschreven hebben of dit nog niet hebben overgemaakt.  Het integrale Astridsysteem zal op termijn bijdragen tot een efficiëntere politiewerking.  Op het vlak van interventiebeleid behelst het een bijna feilloos meetinstrument met onbetwistbare meetindicatoren.  Het eindresultaat kan leiden tot een praktisch beheers- en beleidsinstrument.

De vertraagde inplaatsstelling is grotendeels te wijten aan de gebrekkige personeelsbezetting van de CIC’s.  Er is zowel een kwantitatief als een kwalitatief probleem.  De kwaliteit van het personeel dat ter beschikking wordt gesteld van de CIC’s is problematisch en hiervoor wordt nog naar een oplossing gezocht.  Er werd ook beslist om neutrale call-takers in te zetten in de CIC’s [33] .  Het versnelde programma dat de neutrale call-takers moet voorbereiden op hun functie is inmiddels uitgewerkt en hun multidisciplinaire opleiding nam een aanvang op 1 oktober 2004.  Het leerprogramma alsmede het resultaat van deze opleiding en hun inzet in de CIC’s kan pas op latere termijn worden geëvalueerd.  De versnelde bezetting met personeelsleden die een kortere opleiding zullen krijgen, houdt het risico in dat er aan kwaliteit zal worden ingeboet.  Deze opportuniteitskeuze verdient blijvende aandacht.  Het probleem van personeelsinvulling wordt tijdelijk opgevangen door de inzet van personeelsleden van de Directie van de algemene reserve (DAR).  Het kwantitatieve aspect zou op korte termijn opgelost kunnen worden, wanneer de voorgeschreven maatregelen van de Ministerraad van 30 en 31 maart 2004 worden ten uitvoer gelegd.  Tijdens de Bijzondere Ministerraad voor Justitie en Veiligheid werd immers beslist de werking van de CIC’s op twee domeinen te ondersteunen: (1) de financiële weerslag van de detachering van een personeelslid van een lokale politiezone naar het provinciale CIC wordt via federale kredieten 100 % gecompenseerd; (2) een subsidie ter waarde van 10 000 euro wordt toegekend aan de lokale politiezones die voor hun dispatching een beroep doen op het CIC en zich inschrijven in de werking van het CIC via de detachering van personeelsleden.

Er is vooralsnog geen volledige radiodekking – vooral in Wallonië is er nog steeds onvoldoende dekking – en dus zijn er te weinig aangesloten klanten, waardoor de werkingskosten momenteel veel hoger liggen dan geraamd.  Er werd veel achterstand opgelopen o.a. door het laattijdig afleveren van bouwvergunningen door de bevoegde overheden voor het plaatsen van de masten.  Er zou een honderdtal masten moeten worden bijgeplaatst.  Hiervoor is een nieuwe kapitaalinjectie nodig.  De NV ASTRID belooft een volledige radiodekking op korte termijn (eind 2004-begin 2005).

Op 21 juni 2004 werd het CIC Oost-Vlaanderen binnen de provincie volledig operationeel en is de integrale en geïntegreerde werking definitief van start gegaan.  Naast de call-taking 101 verzorgt het CIC ook de dispatching voor alle politiezones uit de provincie, met uitzondering van de zones Gent, Aalst en Lokeren.  Ook met de federale politiediensten zijn er momenteel gesprekken aan de gang om hen te integreren in het systeem. 
Het CIC Oost-Vlaanderen maakte in 2004 222 626 gebeurtenissen aan, tegenover 174 768 in 2003. 
Algemeen dient opgemerkt dat het geheel nog in een groeifase zit, die wordt gekenmerkt door een aantal knelpunten.     
Veel verbeterpunten zijn gekend en alle partners leveren inspanningen om een goede werking te realiseren.  De eigen werking van het CIC zal echter nog verbeterd worden door: (1) de opstart van een kwaliteitsmetingplan; (2) de uitwerking van een klachtenmanagementsysteem; (3) de ontwikkeling van een balanced scorecard (benchmarking tussen de verschillende CIC’s).  Tevens rijst de vraag of er op het CIC, gezien de veelheid van taken (mede op politioneel bestuurlijk vlak) en functies die het dient te vervullen, geen nood is aan een permanente aanwezigheid van een politieambtenaar met de hoedanigheid van officier van bestuurlijke politie (OBP). 
Ook het CIC West-Vlaanderen werd (gedeeltelijk) operationeel op 8 november 2004 (voorlopig enkel call-taking).  De CIC’s van de andere provincies (behalve Luxemburg) zouden opstarten in 2005.
Volledigheidshalve dient melding gemaakt van de toestand in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (BHG), die infra wordt besproken [34] .  Nagenoeg alle korpschefs van de politiezones uit het BHG wensen vooralsnog niet verregaand te participeren in de werking van het overkoepelende CIC BHG en willen hun eigen dispatching behouden.  De korpschef van de politiezone Brussel-Hoofdstad/Elsene stelt voor om de apparatuur van de 101-centrale te behouden in de lokalen van de lokale politie, maar het beheer ervan zo snel mogelijk over te dragen aan de federale politie.

De grensoverschrijdende samenwerking met Nederland en Duitsland werd uitgetest en lijkt technisch haalbaar.  De kostprijs is echter enorm en de realisatie moet volgens DGS/DST/PIA niet verwacht worden voor 2010.  Ook met Frankrijk, dat over een ander systeem beschikt dan België, werd een akkoord gesloten in verband met de technische haalbaarheid van de grensoverschrijdende samenwerking.  De inplaatsstelling van een geïntegreerde meldkamer gebeurt in Nederland op een totaal andere manier.  Eerst gaan de verschillende politie- en hulpdiensten samen zitten op één lokatie, elk met hun eigen middelen, de zogenaamde ‘collocatie’.  Nadien zoekt men naar een geïntegreerde toepassing om alle oproepen in één systeem te verwerken op basis van protocollen en ten slotte implementeert men de digitale radiocommunicatie (C 2000).

De werkgroep “Incidenten en Crisismanagement” van de FOD Binnenlandse Zaken die zich bezighoudt met de problematiek van de geïntegreerde meldkamers (voor politie, medische hulpverlening en brandweer), probeert een invulling te geven aan de volgende concepten: (1) de neutrale en multidisciplinaire call-takers; (2) het niet-politionele luik van Astrid; (3) de processen die nodig zijn bij de integratie 100-101-112.         
De twee deelprojecten Antwerpen en Luik lopen nog steeds.  Deze werkgroep schiet niet echt snel op met haar werkzaamheden en dit is o.a. te wijten aan de discussies en meningsverschillen over het medisch geheim.

13.3.   Perspectieven

De komst van het CIC betekent een nieuw veranderingsproces in het politielandschap.    
De wil tot samenwerking vanuit de verschillende zones is aanwezig, maar is voorlopig nog relatief beperkt.  Gelet op de maatregelen waartoe werd beslist op de Ministerraad van 30 en 31 maart 2004, kan aangenomen worden dat men binnenkort zal komen tot een versnelde implementatie van het project.          
De NV ASTRID belooft een radiodekking op korte termijn en alle CIC’s, behalve de provincie Luxemburg, zouden in de loop van 2005 worden opgestart.

Het onderzoek naar de implementatie van Astrid zal worden voortgezet in het kader van het onderzoek naar de werking van de CIC/101-centrales.   
De rapportering over dit toezichtsonderzoek zal gebaseerd zijn op onderzoeksvragen en een methodologie die vooral afgestemd zijn op de Astridgebruiker.

Sommige knelpunten die de implementatie vertragen of in de weg staan, worden in het integraal verslag aan het Parlement meer in detail besproken. 
Het project is zeer duur voor de politiediensten en er moet bijgevolg op permanente wijze op worden toegezien dat er door alle partners van het Astridproject wordt gestreefd naar een maximale meerwaarde van het systeem vertaald naar een meer doelmatige en doeltreffende geïntegreerde politiewerking. 
Ook initiatieven zoals het lokaal informatiekruispunt of soortgelijke projecten op het vlak van informatica of ‘education’-en preventieprojecten hebben, net als de lokale dispatchings, hun kostprijs voor en hun onmiskenbare invloed op de goede (geïntegreerde) werking van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.

14.                Werking van de 101-centrales - Actualisatie van alle beschikbare gegevens over de specifieke Brusselse situatie inzake de 101-centrale [35]

14.1.   Probleemstelling

Sinds enkele jaren besteedt het Vast Comité P aandacht aan de functionaliteit van de dringende interventie die, in de huidige stand van zaken, nog hoofdzakelijk wordt gedispatched vanuit de 101-centrales.  Alvorens het toezichtsonderzoek naar de 101-centrales af te sluiten, was het Vast Comité P overgegaan tot een opvolgingsonderzoek over de kwestie waarover een verslag werd gestuurd aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de parlementaire begeleidingscommissie.  Gezien de omstandigheden en de specificiteit van de situatie in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, was nog een laatste verificatie nodig voordat het toezichtsonderzoek 101, dat dan kan worden afgesloten in de staat dat het zich bevindt, volledig opgaat in het onderzoek met betrekking tot de werking van de CIC’s en de implementatie van Astrid.

De algemene werking van de 101-centrales komt steeds meer in relatie te staan met de implementatie van het radiocommunicatieproject Astrid.  Het komt erop aan de evoluties op dit domein en de eraan gekoppelde knelpunten verder op te volgen.   
De zonale dispatching in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, vroeger centraal georganiseerd vanuit de gemeentepolitie Brussel, werd na de politiehervorming gedecentraliseerd naar de zes Brusselse politiezones.  Na de decentralisatie van de dispatching naar de Brusselse zones staat de 101-centrale alleen nog in voor de call-taking 101.  De 101-centrale is gevestigd op dezelfde lokatie als de zonale dispatching van de lokale politie Brussel Hoofdstad/Elsene.     
In het verleden
[36] werd reeds vastgesteld dat de werking van de 101-centrale in Brussel onder grote druk staat van een aantal factoren.   
De Brusselse situatie op het vlak van de politiële radiocommunicatie wordt overheerst door de call-taking 101 en de zonale dispatching, twee processen die dienen afgestemd te worden op de werking van het nieuwe centrale federale systeem van het Communicatie- en Informatiecentrum van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (CIC-BHG). 
Daarenboven hebben de zes Brusselse politiezones de wens geuit om hun eigen politieploegen te blijven dispatchen.  Tevens wordt de 101-centrale nog steeds de facto beheerd door de lokale politie Brussel-Hoofdstad/Elsene.  Dit beheer is niet coherent, zelfs te betwisten en zorgt voor een zeker spanningsveld doordat het CIC-BHG, dat de 101 call-taking zal overnemen, nog altijd niet operationeel is.

In het raam van dit onderzoek werden de volgende stappen ondernomen: (1) informatiebezoek aan het CIC-BHG; (2) interview met de adjunct-directeur CIC-BHG; (3) bezoek zonale dispatching lokale politiezone Zuid; (4) interview met directeur zonale dispatching en adjunct-directeur zonale dispatching zone Zuid; (5) interview met de korpschef lokale politiezone Zuid; (6) bezoek zonale dispatching lokale politiezone Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-Ten-Node; (7) interview met diensthoofd zonale dispatching zone Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-Ten-Node; (8) interview met de korpschef lokale politie zone Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-Ten-Node; (9) onaangekondigd controlebezoek aan de 101-centrale Brussel; (10) interview met de directeur CIC-BHG; (11) documentanalyse; (12) contactname met directeur dispatching lokale politie Brussel-Hoofdstad/Elsene voor afspraak en opvragen gegevens 101-centrale; (13) schriftelijke vraag aan korpschef lokale politie Brussel-Hoofdstad/Elsene om een afspraak te maken en cijfergegevens te vragen, rekening houdend met de parlementaire vraag die op 18 oktober 2004 door Volksvertegenwoordiger mevrouw Lalieux werd gesteld aan de minister van Binnenlandse Zaken over het beheer van de 101-centrale in de telefoonzone 02.

14.2.   Vaststellingen

De opstartfase naar de inwerkingstelling van het CIC-BHG (call-taking 101) kende op het vlak van samenwerking met de zes Brusselse zones aanvankelijk geen noemenswaardige problemen.     
De operationele inwerkingstelling van het CIC kampt echter, ondanks de maatregelen die werden genomen door de federale regering, met een moeizame personeelsinvulling.  Zo leverde de aanwerving, selectie en vorming van de neutrale call-takers van Belgacom nog niet voldoende personeel en blijft de instroom van personeel uit de zones uit.  Anderzijds kan het potentieel dat beschikbaar is bij de 101-centrale te Brussel en bij de communicatiecentra van de federale politie niet wettelijk worden ingezet tot aan de operationalisering van het CIC.
Daarnaast is de voltooiing van de vatting van de basisgegevens in de databank van het CIC-BHG een absolute voorwaarde voor de opstart van de call-taking 101.  Op dat punt verwacht CIC een bijkomende inspanning van vijf van de zes Brusselse politiezones.   
De technische uitbouw van de werkstations van het CIC-BHG is gerealiseerd, maar het personeelsvraagstuk en de basisvatting stellen de effectieve opstart ervan uit tot 2005.

De zes Brusselse politiezones hebben de wens uitgedrukt om hun eigen politieploegen te blijven dispatchen.  Volgens verschillende gesprekspartners en intervenanten rijmt dit niet volledig met de filosofie van de organisatie van de CIC’s.  De beslissing van de Brusselse politiezones zou bijgevolg de goede (geïntegreerde) werking van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus in zekere mate kunnen bemoeilijken, om nog maar te zwijgen van de eventuele meerkost voor het geheel.
Volgens de bevraagde korpschefs draagt een gedecentraliseerde zonale dispatching bij tot de realisatie van een basispolitiezorg op maat van de lokale gemeenschap.  Zonale dispatching wordt als essentieel beschouwd voor een goede organisatie van de nabijheidspolitie en laat toe in te spelen op de plaatselijke dagelijkse werkelijkheid.  Een eigen dispatching is niet alleen effectief, maar zou ook efficiënt zijn, zo zeggen de korpschefs.  De meerwaarde van de zonale dispatching ziet men o.a. op het vlak van een dynamische aansturing, de onderlinge steun en bijstand, de kennis van personeel en terrein, het voeden van de informatiestroom en een verbeterde dienstverlening.

Een financiële tussenkomst in het kader van Brussel als Europese hoofdstad werd op voordracht van de minister van Binnenlandse Zaken voor het begrotingsjaar 2003 bij koninklijk besluit van 1 december 2003 toegekend aan de zes zones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, om de investeringen voor de installatie van het Astridsysteem te ondersteunen, inzonderheid voor de aankoop van draagbare radioterminals en hun toebehoren.  Deze financiële tegemoetkoming werd in 2004 herhaald.      
Ook de 101-centrales kunnen in afwachting van de opstart van de CIC’s rekenen op een financiële tussenkomst in de werkingskosten vanwege de federale overheid.

Uit het onaangekondigde bezoek aan de 101-centrale Brussel bleek dat het beeld van een verkommerde operationele werking, dat op basis van de eerdere informatie naar voren kwam, niet volledig juist is.  We konden vaststellen dat de 101-centrale, net zoals de zonale dispatching, in de praktijk goed functioneert, dankzij de ‘goede wil’ van de personeelsleden ter plaatse, dankzij een de facto vrijwilligersbeleid.     
Weliswaar werden er problemen gemeld in verband met de onzekerheid over de toekomst van het personeel van de 101-centrale, over technische tekortkomingen en over de krappe personeelsbezetting.  Deze zaken vragen een oplossing, maar zijn niet onoverkomelijk en beletten het personeel geenszins om een sterke prestatie neer te zetten door de grote massa oproepen en interventies in goede banen te leiden.   
Dit gaf als conclusie dat het geheel van de organisatie van de 101-centrale in Brussel mooie resultaten boekt.  De korpschef van de lokale politiezone Brussel-Hoofdstad/Elsene noemde dit niettemin een gevaarlijke situatie omdat de operatoren niet allemaal tweetalig zijn en er een onderbezetting is, waardoor een kwart van de 101-oproepen niet rechtstreeks of voldoende snel zou kunnen worden beantwoord.    
Deze discussie hangt samen met het beheer van de 101-centrale, wat volgens de korpschef van Brussel-Hoofdstad/Elsene een supralokale taak is.  In ieder geval heeft de minister van Binnenlandse Zaken in het verlengde van zijn antwoord op een parlementaire vraag terzake aan de korpschef van de politiezone Brussel/Elsene duidelijk en met kennis van zaken gevraagd de 101-centrale te blijven beheren totdat deze dienst door de federale politie (CIC) wordt overgenomen.

Om efficiënt te kunnen werken, moeten zowel de Brusselse zones als de federale politie investeren en participeren in de bezetting van het CIC.  Dit geldt ook voor de bezetting van de 101-centrale.  Een tijdelijke bijkomende inspanning van de personele middelen, zowel vanuit het lokale als vanuit het federale niveau, lijkt nodig om de komende periode te overbruggen.
De Brusselse situatie op het vlak van radiocommunicatie kenmerkt zich door ambiguïteit en antagonistische processen, alsook door wetgevende of reglementaire leemtes of onduidelijk­heden.  Het standpunt van de Brusselse overheden dient op een doordachte manier geanalyseerd, geëvalueerd en in overweging genomen te worden.   
Sowieso zullen alle (tegen)spelers hun creatieve krachten moeten bundelen om in 2005 te komen tot de operationele werking van het CIC-BHG.  Pas dan kunnen de investeringen in het Astridsysteem en de geïntegreerde werking s.l. werkelijk beginnen te renderen.

14.3.   Aanbevelingen

Het verdient aanbeveling de nodige aandacht te blijven besteden aan de verdere ontwikkelingen bij het CIC-BHG, gezien de geanalyseerde knelpunten bij de opstart ervan op het vlak van: (1) de moeizame personeelsinvulling; (2) de problematiek van de vatting van de gegevens van de politiezones; (3) sommige bijzondere technische aspecten.       
Rekening houdend met de beslissing van de Brusselse politiezones om zelf in te staan voor de dispatching van de 101-oproepen, lijkt het aangewezen om, naast een kwalitatieve monitoring van de 101-call-taking, eveneens diepgaander in te gaan op de ontwikkeling van een kwalitatief onderzoek van de zonale dispatching.       
Daarnaast loont het de moeite om ook de transformatie van de andere 101-centrales op de voet te volgen.  Dit alles zal, in principe, gebeuren in het raam van het toezichtsonderzoek “ASTRID”.

15.                Voetbal [37]

15.1.   Probleemstelling

In opdracht van de minister van Binnenlandse Zaken heeft het Vast Comité P een toezichtsonderzoek gevoerd met betrekking tot de omstandigheden waarin voetbalwedstrijden worden begeleid en beheerd.          
Het terzake opgestelde ‘bijzonder verslag’
[38] werd op 29 oktober 2003 aan de minister van Binnenlandse Zaken toegezonden.  De onderzoeksresultaten werden gepubliceerd in het jaarverslag 2003 [39] van het Vast Comité P, dat, in het verlengde van de bespreking van deze kwestie met zijn bijzondere parlementaire begeleidingscommissie, tevens heeft beslist om deze problematiek [40] te blijven opvolgen.     
Tijdens het voetbalseizoen 2003-2004 werd de voetbalgerelateerde problematiek, gedeeltelijk althans, opgevolgd in het globale dossier “het begeleiden en beheren van gebeurtenissen”
[41] en in het specifieke toezichtsonderzoek ‘geweld’ [42] .  In het kader van dit laatst geciteerde onderzoek werden tijdens het voetbalseizoen 2003-2004 eveneens terreinobservaties uitgevoerd.

Voor het voetbalseizoen 2004-2005 werden volgende benaderingen ingeschreven: (1) de analyse van de ter kennis gebrachte voetbalgerelateerde klachten en (2) de opvolging van de onderzoeksmaterie die het voorwerp uitmaakt van een ‘bijzonder verslag’ (gebruik van geweld, aanhoudingen, fouilleringen, enz.).

Voor de klachtenanalyse werd volgende werkwijze toegepast: (1) het samenstellen van een overzicht van alle significante dossiers in de gegevensbank van het Vast Comité P met het trefwoord ‘voetbal’ en dit voor dezelfde referentieperiode als de nulmeting bis [43] , zijnde 2000 tot en met 2004; (2) het analyseren en samenvatten van alle 29 klachten; (3) het clusteren van de verschillende dossiers aan de hand van de door het Vast Comité P toegekende kwalificaties; (4) het maken van een overzicht van de meest frequente klachten; (5) het toetsen van deze klachten aan de resultaten van de door de Dienst Enquêtes P gevoerde onderzoeken.        
Om een eerste stand van zaken te kunnen opmaken op het gebied van de onderzoeksmaterie verwerkt in het ‘bijzonder verslag’, vond er een onderhoud plaats met de verantwoordelijke(n) van zowel de voetbalcel van de FOD Binnenlandse Zaken
[44] als van de Cel Integrale Voetbalveiligheid van de federale politie, hierna cel IVV genoemd.

15.2.   Vaststellingen

15.2.1.  Met betrekking tot de voetbalgerelateerde klachten

Uit de klachtenanalyse komen 7 probleemgebieden naar voor, die hierna achtereenvolgens worden besproken.  Vooraf dient onder de aandacht gebracht dat de diverse gesynthetiseerde klachten als casussen dienen te worden beschouwd, waaruit lessen kunnen worden getrokken voor het toekomstige politieoptreden naar aanleiding van voetbalwedstrijden.

Wat de fouilleringen betreft, wordt vastgesteld dat minstens één politiekorps bij de fouillering vóór opsluiting in een cel systematisch overgaat tot het ontkleden van personen. 
In één dossier werd vastgesteld dat de fouillering wel gebeurde in overeenstemming met de bepalingen van de wet op het politieambt, maar dat een betere communicatie het gebruik van dit dwangmiddel had kunnen vermijden.

De klachten met betrekking tot grootschalige aanhoudingen zijn terug te brengen tot drie categorieën, namelijk: (1) het feit dat een bestuurlijk aangehouden persoon verplicht werd een document te ondertekenen dat niet opgesteld werd in zijn moedertaal; (2) het niet ter beschikking stellen van voedsel en/of drank; (3) het niet (laten) verwittigen van een vertrouwenspersoon.

Op het vlak van communicatie kwamen uit de diverse onderzochte dossiers volgende knelpunten tot uiting: (1) er wordt te weinig gecommuniceerd tussen de politieambtenaar en de persoon die het voorwerp uitmaakt van de tussenkomst; (2) de eerstelijnsmedewerkers worden te weinig geïnformeerd over de finaliteit van de concrete activiteit die ze dienen uit te voeren; (3) de politieambtenaren motiveren onvoldoende de genomen politiemaatregel en zijn daartoe, om diverse redenen, ook niet in staat.

Wat de redactie van de processen-verbaal en/of de afgenomen verhoren betreft, werden door de klagers volgende bedenkingen geuit over de manier waarop ze door de politie werden bejegend: (1) het gedwongen worden om op voorhand opgestelde verklaringen te ondertekenen; (2) het niet waarheidsgetrouw noteren van de klacht; (3) het weigeren om een verklaring op te nemen; (4) het helemaal niet concreet verwoorden van de ten laste gelegde feiten in het proces-verbaal.

Uit de analyse van de aanwending van dwang en geweld springt in het oog dat de aanwending van fysiek geweld zich overwegend voordoet bij de toepassing van collectieve technieken en tactieken.  Wat de vormen van de al dan niet terechte aanwending van dwang en/of geweld betreft, wordt er veelvuldig geklaagd over het slaan met de matrak en/of het dreigen met dit wapen.  Ook het te strak aanspannen van de handboeien is een vaak gehoorde klacht.  In verschillende bestudeerde dossiers verhalen de klagers dat er naar aanleiding van de eerste fouillering geweld wordt aangewend.  Meestal gaat het hierbij om het opentrappen van de benen, de persoon hardhandig naar de grond brengen en het toedienen van slagen.

Eén klacht werd gekwalificeerd als racisme, discriminatie of ongelijke behandelingUit het onderzoek kwam naar voor dat (een deel van) de allochtone gemeenschap verwachtte dat er onmiddellijk en zichtbaar werd opgetreden tegen de harde kernleden.  De tijdelijk afwachtende houding van de verschillende individuele ploegen totdat de tussenkomst op het terrein daadwerkelijk werd gecoördineerd door een leidinggevende, werd door de klaagster gepercipieerd als “laks en niet willen tussenkomen”.        
Uit het onderzoek kon niet worden geconcludeerd dat de tussengekomen politieambtenaren anders zouden zijn opgetreden of hun gedrag zouden hebben gewijzigd op grond van de etnische kenmerken van iemand.  Daarnaast bleek uit het onderzoek dat de call-taker zich, in tegenstelling tot de bewering van klaagster, niet racistisch had uitgelaten.

Ten slotte kon uit verscheidene onderzochte dossiers worden afgeleid dat het nemen van foto’s van politieambtenaren aanleiding gaf en/of ertoe heeft bijgedragen dat er een conflict is ontstaan tussen de klager en één of meer politieambtenaren.

15.2.2.  Aangaande de onderzoeksmaterie verwerkt in het bijzonder verslag

Er bestaat op nationaal niveau een consensus over de criteria om een persoon te categoriseren als ‘risicosupporter’.  Deze voorwaarden werden nog niet verwerkt in de MFO-3, ondanks het advies dat de cel IVV al geruime tijd heeft uitgebracht aan de “werkgroep 44”.  De dossierbeheerders werden via de cel IVV in kennis gesteld van deze criteria.  Onder impuls van de voetbalcel van de FOD Binnenlandse Zaken zal er een werkgroep samengesteld worden om de operationele categorieën (A-, B- en C-supporters) op Europees vlak op elkaar af te stemmen.

Ter optimalisering van de spotterswerking werden door de cel IVV volgende initiatieven genomen: (1) een opleiding video (zie verder); (2) het veranderde concept van de seminaries, waar het onder meer de bedoeling is om een aantal goede praktijken te laten voorstellen door de diensten die er aan de basis van liggen; (3) de vormingssessie “opstellen van processen-verbaal” georganiseerd door de voetbalcel van de FOD Binnenlandse Zaken; (4) de ontwikkeling van een jaarrapport.

Op het vlak van registratie en contextualisering werd ons ter kennis gebracht dat de geautomatiseerde RAR-formulieren (administratief verslag) (nog steeds) niet door alle zones even consequent worden ingevuld.

Het gebruik van de vaste camera’s in de voetbalstadions (van eerste klasse) zal met het nieuw koninklijk besluit, dat zich in het eindstadium bevindt, worden geprofessionaliseerd.  Ondertussen werd, op initiatief van de cel IVV, een opleiding georganiseerd omtrent het maken van beelden tijdens voetbalwedstrijden.  Hieraan nam een honderdtal politieambtenaren deel.

Wat de controle op de naleving van de stadionverboden betreft, zijn de respondenten de mening toegedaan dat hierop regelmatig geverbaliseerd wordt, doch dit blijft een moeilijk op te volgen facet.  Hierbij werd het belang van het maken van goede videobeelden, die achteraf systematisch en rigoureus worden geanalyseerd door de spotters, onderstreept.  Ook het in de dienstorders opnemen van de namen van de supporters die een stadionverbod hebben opgelopen, gekoppeld aan de publicatie van hun foto, is een benadering die voor veralgemening vatbaar is.

Kwalitatief hoogstaande processen-verbaal, die logischerwijze voortvloeien uit een consequent verbaliseringsbeleid, zijn een belangrijk instrument in de strijd tegen het hooliganisme.  Ondanks de initiatieven die terzake door de voetbalcel van de FOD Binnenlandse Zaken werden genomen, gaande van vorming tot punctuele individuele contacten, levert een aantal politiezones (nog steeds) akten af die geen vervolging toelaten.

In verband met de wijziging van het koninklijk besluit op de stewards werden al verkennende gesprekken gevoerd en moeten nieuwe onderhandelingen worden opgestart.

De problematiek van een uniform ‘reglement van inwendige orde’ werd door de minister van Binnenlandse Zaken opnieuw onder de aandacht gebracht van de Koninklijke Belgische Voetbalbond.

Het gebruik van antislogans, waarbij volgens het hoofd van de voetbalcel van de FOD Binnenlandse Zaken best als principe wordt gehanteerd dat enkel initiatieven kunnen worden getolereerd ter ondersteuning van de eigen club, wordt idealiter ingeschreven in voornoemd reglement.

Het fenomeen ‘racisme onder de supporters’ wordt door de voetbalcel van de FOD Binnenlandse Zaken, in samenwerking met het Centrum voor gelijke kansen en voor racismebestrijding, nauwgezet opgevolgd.  De politiediensten zullen binnen afzienbare termijn geïnformeerd worden over deze samenwerkingsverbanden.

Zonder te willen vooruitlopen op de conclusies die terzake zullen worden geformuleerd in het dossier “gebruik van geweld”, blijkt uit de gesprekken met de verantwoordelijken van beide voetbalcellen, dat de politie-inzet nog te veel afgestemd wordt op de historische inzet en dat er te weinig rekening wordt gehouden met de beschikbare operationele informatie.

15.3.   Aanbevelingen

15.3.1.  Voortvloeiend uit de voetbalgerelateerde klachten

Wat het fouilleren betreft, wenst het Vast Comité P nogmaals onder de aandacht te brengen dat het zich systematisch volledig laten ontkleden van een persoon vóór opsluiting in de cel niet kan.  Indien deze ontkleding zich opdringt, wordt deze dwangmaatregel het best grondig gemotiveerd in het register der aangehouden personen en/of in het bijzonder verslag.  Hieruit moet ondubbelzinnig het finaliteits- en proportionaliteitsprincipe tot uiting komen.           
De aandacht van de leidinggevenden dient niet alleen in het kader van het fouilleren, maar evenzeer bij de uitvoering van alle (collectieve) dwangmaatregelen gevestigd op het feit dat er zich te allen tijde uitzonderingen kunnen voordoen op wat werd voorgeschreven in een operatieorder.  Medewerkers dienen hieromtrent geïnformeerd te worden en het is de taak van de leidinggevenden om dergelijke situaties te (helpen) detecteren, te beoordelen en op maat in te vullen.

Op het vlak van de grootschalige aanhoudingen kunnen volgende aanbevelingen worden geformuleerd: (1) los van de wettelijke bepalingen betreffende het gebruik der talen in bestuurs- en/of rechtszaken, mogen we redelijkerwijze aannemen dat de leidinggevenden de (bestuurlijk) aangehouden personen behoorlijk informeren omtrent de genomen maatregel; (2) er wordt nauwgezet gerapporteerd met betrekking tot (a) de drank- en/of voedsel­verstrekking en (b) de verwittiging van de vertrouwenspersoon; (3) er wordt een procedure ontwikkeld om in de meest ideale omstandigheden grootschalige aanhoudingen te doen verlopen.

Er moet veel meer worden gecommuniceerd met de deelnemers aan evenementen.  Om de medewerkers efficiënt te laten communiceren, is het bovendien onontbeerlijk dat ze naar aanleiding van elke (bijkomende) opdracht, degelijk geïnformeerd worden over wat er van hen concreet verwacht wordt en waarom een bepaalde maatregel wordt genomen.  Een politieambtenaar moet bovendien duidelijk verwoorden wat er verwacht wordt van de geïnterpelleerde persoon.  Pas nadat de communicatie geen positief effect heeft en/of wanneer een voorafgaande waarschuwing het gebruik ervan onwerkzaam zou maken [45] , kan er dwang of geweld worden aangewend.

Behalve het feit dat er voldoende capaciteit moet worden voorzien om de redactie van processen-verbaal en verhoren professioneel te kunnen invullen, lijkt het aanvullend onontbeerlijk om naar aanleiding van het beheren en begeleiden van een gebeurtenis te voorzien in een supervisie en coaching van: (1) het onthaal van de deelnemers en (2) het geleverde redactiewerk, teneinde te vermijden dat processen-verbaal en verhoren verworden tot standaardakten zonder individualisering.

Het Vast Comité P is van mening dat concreet inhoud geven aan de filosofie van de gemeenschapsgerichte politiezorg naar aanleiding van het begeleiden en beheren van voetbalwedstrijden – wat in een eerste fase een zichtbare en aanspreekbare eerstelijnspolitie impliceert – de beste waarborg biedt om het aantal gevallen van dwang of geweld te doen afnemen.  Aangezien het optreden tegenover een individu dat zich in een groep bevindt geen sinecure is, lijkt in de meeste gevallen het principe van de ‘uitgestelde interventie’, gekoppeld aan een optimale bewijsgaring, de juiste benadering.  Indien er vanuit operationeel oogpunt toch moet worden opgetreden, wordt dit best overgelaten aan politieambtenaren die terzake getraind zijn.   
Vanuit preventief oogpunt kunnen volgende aanbevelingen worden geformuleerd: (1) leidinggevenden blijvend sensibiliseren voor deze problematiek en hun toezichtfunctie optimaliseren naar aanleiding van collectieve tussenkomsten; (2) tijdens elke briefing concrete richtlijnen geven met betrekking tot de aanwending van dwang en geweld; (3) indien er dwang of geweld dient aangewend te worden, is het onontbeerlijk om dit zeer grondig weer te geven in een proces-verbaal.

Uit dit toezichtsonderzoek blijkt dat concrete maatregelen om eventuele klachten op het gebied van racisme, discriminatie en ongelijke behandeling zo veel als mogelijk te voorkomen, zijn: (1) een adequate samenwerking tussen de ordehandhavingsdiensten en gespecialiseerde diensten (multiculturele cel, cel jongerencriminaliteit, enz.); (2) duiding geven bij een politieaanpak op het moment dat de (allochtone) bevolking zich hierover een aantal vragen stelt; (3) een uniforme benadering van de eigen en de bezoekende supporters.

Uit de verschillende (juridische) interpretaties die er op dit vlak bestaan, meent het Vast Comité P te kunnen concluderen dat het louter nemen van foto’s van politieambtenaren naar aanleiding van het begeleiden en beheren van manifestaties, niet kan worden verhinderd.  Dit impliceert bijgevolg dat het hiervoor aangewende materiaal niet kan in beslag genomen worden, noch door de politie kan vernietigd worden.  Deze richtlijnen worden bij voorkeur opgenomen in het operatieorder en dus ook meegedeeld tijdens de briefings op de verschillende niveaus.  Spotters kunnen de supportersverenigingen wijzen op het feit dat het publiceren van foto’s van politieambtenaren op hun website, zonder voorafgaande toestemming van de betrokkenen, een strafrechtelijke inbreuk uitmaakt.

15.3.2.  Met betrekking tot de onderzoeksmaterie verwerkt in het bijzonder verslag

Op het juiste moment beschikken over de juiste informatie is de kritieke succesfactor in het begeleiden en beheren van evenementen.  Voetbal vormt hierop geen uitzondering, maar onderscheidt zich van andere evenementen op het vlak van de voorbereiding.  We moeten onder ogen durven te zien dat voor het begeleiden en het beheren van een dergelijk evenement, heel wat (ondersteunende) menselijke en materiële middelen worden ingezet en/of kunnen worden aangewend.  Bijgevolg mogen we dan ook verwachten dat: (1) er ondubbelzinnig gebruik gemaakt wordt van de ter beschikking gestelde criteria om iemand als risicosupporter te categoriseren; (2) de spotters, hierin gesteund door alle andere diensten van de lokale politie, (nog meer) gericht informatie inwinnen; (3) er in het licht van de gegeven opleidingen met betrekking tot het maken van videobeelden gekoppeld aan de op til zijnde wijziging van het koninklijk besluit op het gebruik van camera’s (nog) professioneler wordt omgegaan met dit middel; (4) de (operationele) informatie binnen de kortste termijnen en volgens de geëigende kanalen wordt overgemaakt; (5) er met deze informatie daadwerkelijk rekening wordt gehouden om de personeelsinzet te bepalen en derhalve de veiligheidsovereenkomsten te verfijnen.

Wat de redactie van de processen-verbaal betreft, kan enerzijds verwezen worden naar de aanbevelingen opgenomen onder het vorige punt.  Daarnaast wordt nogmaals het belang onderstreept van een adequaat uitgewerkt verbaliseringsbeleid, dat in de praktijk ondubbel­zinnig wordt toegepast.

16.                Terugdrijvingen, uitwijzingen, repatriëringen en daaruit voortvloeiende aanhoudingen [46]

16.1.   Probleemstelling

In het verlengde van de analyse van verschillende klachten [47] en onderzoeksdossiers, van bepaalde verslagen van instellingen zoals het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT), het Comité des Nations Unies contre la Torture (CAT) en de European Commission against Racism and Intolerance (ECRI), wordt de problematiek van de repatriëring en terugdrijving van illegaal in ons land verblijvende personen s.l. vanaf 2003-2004 specifiek opgevolgd door het Vast Comité P.   
Repatriëren is het terugbrengen van een illegaal in ons land verblijvende persoon naar zijn land van herkomst.  Vóór de repatriëring zelf kunnen er ook nog verschillende daden van gerechtelijke of bestuurlijke politie worden gesteld.  De repatriëringen kunnen gebeuren via beveiligde vluchten, de zogenaamde special flights, ofwel via lijnvluchten.           
Naast de repatriëring is nog een andere soort verwijdering mogelijk, namelijk de terugdrijving.  De terugdrijving is het terugdringen van een vreemdeling die aankomt in de luchthaven, maar niet toegelaten wordt in ons land (geweigerde persoon).
 De terugdrijving gebeurt ofwel onmiddellijk na aankomst ofwel na de asielaanvraag die onmiddellijk werd afgewezen.  De kosten van een terugdrijving moeten worden gedragen door de luchtvaartmaatschappij die de persoon heeft vervoerd.

De onderzoeksverrichtingen in dit toezichtsonderzoek van het Vast Comité P werden onder meer beïnvloed door het feit dat de minister van Binnenlandse Zaken, na de zaak Semira Adamu, specifiek de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (AIG), op haar niveau en binnen de limieten van haar bevoegdheden, had belast met de opvolging van het dossier “repatriëringen”.  De AIG brengt hieromtrent jaarlijks verslag uit aan de minister van Binnenlandse Zaken.

16.2.   Vaststellingen

Onze vaststellingen en conclusies zijn gebaseerd op analyse van de bij het Vast Comité P beschikbare informatie en eigen vaststellingen naar aanleiding van klachten, alsook op bepaalde contacten met het Veiligheidsdetachement van de Nationale Luchthaven (VDNL) en de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie.

16.2.1.  Repatriëringen

Het Vast Comité P heeft een aantal eigen klachten, aangiften en onderzoeken behandeld en geanalyseerd en heeft in dit raam tevens vruchtbare contacten gehad met de Algemene inspectie, o.a. in het verlengde van de artikelen 3 en 14bis van de wet van 18 juli 1991 [48] , en met het VDNL.

16.2.1.1. Bestuur

Het eindverslag van de Commissie Vermeersch II, die belast was met de evaluatie van de instructies inzake verwijdering, werd op 31 januari 2005 voorgesteld aan de minister van Binnenlandse Zaken.  Dit verslag heeft als titel “Bouwstenen voor een humaan en effectief verwijderingsbeleid” en bevat 34 aanbevelingen.  
Het VDNL en de AIG hebben een belangrijke en interessante bijdrage geleverd aan de werkzaamheden van de Commissie Vermeersch II.  Voor het VDNL zijn de voornaamste aanbevelingen uiteraard deze die handelen over de mogelijke dwangmaatregelen die kunnen worden aangewend naar aanleiding van een verwijdering ten aanzien van onwillige vertrekkers. 
De minister van Binnenlandse Zaken moet echter nog beslissen welke aanbevelingen in overweging zullen worden genomen.

Een aantal Europese richtlijnen werden reeds omgezet in Belgische wetten of zullen in de loop van het jaar 2005 worden omgezet in nationale wetgeving.  De impact van deze richtlijnen is momenteel nog niet gekend, doch er zal rekening mee moeten worden gehouden.  Zo is het door de aanpassing van artikel 74/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen mogelijk dat de federale politie ook de ontoelaatbare passagiers onder begeleiding, de zogenaamde ANAD’s, van andere luchtvaartmaatschappijen dan SN Brussels Airlines dient te verwijderen.  Dit gebeurt mits betaling, maar is toch een opdracht die momenteel niet wordt uitgevoerd noch voorzien is.          
Daarnaast is er een wetsontwerp tot omzetting van een EU-richtlijn die voorziet in de uitlevering van gevangenen binnen de EU-landen.  De bedoeling is dat de onderdanen van een EU-land hun straf, die ze in een ander land hebben opgelopen, effectief uitzitten in hun eigen land.  Momenteel zou een 800-tal Belgische onderdanen in de gevangenis verblijven in een ander EU-land, waarvan een 200-tal in aanmerking komt om op korte termijn naar België terug te keren. 
Ook dienen de Maatschappelijke en psychologische ondersteuningsteams (MPOT) opnieuw geactiveerd te worden.  Een aantal aanbevelingen van de Commissie Vermeersch II heeft betrekking op hun opdrachten en dienen bijgevolg onverwijld te worden gerealiseerd.

De volledige opleiding die momenteel van toepassing is voor de grenscontroleurs-begeleiders moet herbekeken worden in functie van de aanbevelingen van de Commissie Vermeersch II (geweldsbeheersing, multiculturalisme, EHBO, enz.).  Ook voor het gebruik van de nieuwe dwangmiddelen zal de nodige vorming moeten worden voorzien.           
Op het vlak van de beveiligde vluchten is, zeker in een eerste stadium, een voortzetting van de bestaande werking een must.  Het is de politieke wil om het aantal vluchten per jaar op te drijven.

Er dienen niettemin vragen gesteld te worden bij het feit dat het Vast Comité P, dat op vraag van het Parlement een onderzoek naar dezelfde materie voert, niet geraadpleegd werd, ook niet na aandringen van de Liga voor Mensenrechten en van bepaalde andere NGO’s.  Tevens was de redactie van de respectievelijk in verhouding of perspectief geplaatste opdrachten en bevoegdheden eigenaardig genoeg niet conform de wet en werd het Vast Comité P, in een eerste stadium althans, als een loutere derdelijnsklachtenbehandelaar voorgesteld.

16.2.1.2. Repatriëringen 2004

In 2004 waren er 11 047 verwijderingspogingen waarvan 8 658 repatriëringen en 2 389 terugdrijvingen.  7 460 van de 11 047 verwijderingspogingen slaagden, dit is 67,6 %.
Ter vergelijking: in 2003 waren er 12 631 verwijderingspogingen waarvan 10 078 repatriëringen en 2 553 terugdrijvingen.           
Van deze 8 658 repatriëringen waren er 717 gedwongen repatriëringen met escorte en 7 941 vrijwillige repatriëringen zonder escorte.  Dit betekent dat er gemiddeld ongeveer 30,2 verwijderingspogingen zijn per dag.  In 2003 waren dit er nog 34,6.   
Het slaagpercentage bedroeg in 2004 slechts 67,6 %.  Dit is het laagste cijfer van de afgelopen vijf jaar.  In 2003 bedroeg het slaagcijfer 73,50 % en in 2002 was dat zelfs 77,60 %.  De voornaamste redenen waarom een repatriëring niet doorgaat: verbale weigering en afgelasting door de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ).

Op politioneel vlak hebben de cijfers van de verwijderingen te lijden gehad onder de gerechtelijke uitspraak in het proces Semira Adamu.  De personeelsleden van het VDNL hebben gedurende bepaalde tijd (december 2003 tot juni 2004) de opdrachten waarbij dwang moest worden aangewend nauwelijks uitgevoerd en dit tot er voldoende garanties werden gegeven door de FOD Binnenlandse Zaken.  Zodra die garanties er waren, verliep alles opnieuw rustiger en werd er gewerkt als voorheen.  In januari 2005 is het slaagpercentage ondertussen opgelopen tot om en rond de 80 %. 
Nieuw is ook dat er nu maandelijks een vergadering gepland wordt met de arbeidsgeneesheer teneinde lessen te trekken uit de kwetsuren opgelopen naar aanleiding van de verwijderingen.  Sinds juni 2004 wordt er ook systematisch een duidelijk en specifiek incidentenverslag opgesteld met als doel er lessen uit te trekken (bijvoorbeeld: het gebruik van velcro’s bij stampen, enz.).

16.2.1.3. Special flights/beveiligde vluchten

In 2004 werden er 24 beveiligde vluchten uitgevoerd (tegenover 13 in 2003) en dit naar volgende bestemmingen: Pristina, Tirana, Boekarest, Ankara, Douala, Rabat, Conakry, Lomé, Chisinau, Belgrado, Istanboel, Ouagadougou, Contonou, Servië, Wit-Rusland, Lagos.        
Er werd intens samengewerkt met volgende landen: Frankrijk, Nederland, Luxemburg en Duitsland.  Er werden diverse gezamenlijke vluchten georganiseerd.  Nadat er gedurende jaren enkel beveiligde vluchten waren op nationaal niveau, is er op politiek vlak de impuls gegeven om ook met verschillende EU-partners beveiligde vluchten te organiseren.  De bedoeling is duidelijk om de vluchten per bestemming zo rendabel mogelijk te maken alsook om te profiteren van de goede relaties met bepaalde landen om zo een effectiever verwijderingsbeleid te bewerkstelligen.  In deze context is er een Benelux-tekst opgesteld die de praktische modaliteiten van de organisatie van een gezamenlijke vlucht weergeeft.  Er werd 14 keer opgestegen vanuit Zaventem (Melsbroek) en dit met militaire luchtvaartuigen (Airbus of Embraer).           
Tijdens deze 24 vluchten werden er 234 personen van 16 verschillende nationaliteiten verwijderd.  Per verwijderde persoon mag gerekend worden op een begeleiding van 2 à 3 personeelsleden van het VDNL.

Bij de beveiligde vluchten was er dus een internationalisering en een samenwerking op Europees niveau, hoewel die op het vlak van de capaciteitsaanwending niet altijd de meest gunstige oplossing was.     
Tijdens de beveiligde vluchten werd er af en toe hevig verzet geboden, zonder dat dit echter geleid heeft tot het niet-vertrekken van de vlucht.  Wel was er regelmatig gewelddadig verzet bij het uithalen uit het Centrum 127bis of bij het inchecken.  Zo was er o
p 30 september 2004 een automutilatie waarbij drie te verwijderen Marokkaanse onderdanen zich net voor hun uithaling uit het Centrum 127bis verwondden met een scheermesje.  Na verzorging konden zij toch worden gerepatrieerd naar Rabat.  Over deze problematiek werd op 14 oktober 2004, met goedkeuring van = de FOD Binnenlandse Zaken, een debriefing gehouden waaraan de AIG, de DVZ, het VDNL en de directie van het Centrum 127bis deelnamen.

Bij de controles van de lijnvluchten wordt vooral verbaal en fysiek geweld vastgesteld tijdens het aan boord brengen van de te verwijderen persoon of wanneer de andere passagiers aan boord komen.  Dan is de kans immers het grootst dat de boordcommandant van het toestel beslist om de te verwijderen personen uit veiligheidsoverwegingen niet mee te laten vliegen.  Meestal wordt er maar weinig verzet vastgesteld tijdens de uithaling uit de cellen van het VDNL, tijdens de begeleiding naar het vliegtuig en zodra het vliegtuig is opgestegen.

Het VDNL voerde volgens de AIG, evenals in 2003 en ondanks enkele kleine tekortkomingen, zijn opdracht nauwgezet en met veel professionalisme uit.

16.2.1.4. Kwetsuren personeel Veiligheidsdetachement van de Nationale Luchthaven

In 2004 waren er binnen het VDNL 32 arbeidsongevallen waarvan er 17 te wijten waren aan weerspannigheid en/of agressie van een te verwijderen persoon.  Het betreft vooral stampen, kopstoten en bijten.

16.2.1.5. Onderzoek van klachten – opvolgen van repatriëringen

Het Vast Comité P ontving, tussen alle andere klachten, een klacht met betrekking tot vijf te repatriëren personen die zich over een of andere vorm van vernederend gedrag beklaagden.  Van de vijf genoemde personen konden er drie worden gecontacteerd, waarvan er twee weigerden een verklaring af te leggen.    
Deze personen werden trouwens later, op vrijwillige basis, gerepatrieerd.  Deze repatriëring werd bijgewoond door leden van de Dienst Enquêtes.  Verschillende andere personen van dezelfde nationaliteit werden eveneens verhoord, doch deze ontkenden enige krenkende behandeling.       
Het Vast Comité P ontving ook een klacht uitgaande van een advocate die er zich over beklaagde dat ze pas na lang aandringen haar cliënten die zich in de transitzone bevonden, kon spreken, en dan maar gedurende een beperkte tijdspanne.  Op het ogenblik van het incident waren er geen richtlijnen voorhanden om een dergelijk verzoek op te vangen.  Het Vast Comité P heeft kunnen vaststellen dat de eerstvolgende werkdag al de nodige lessen werden getrokken en dat door de luchtvaartpolitie Brussel-Nationaal de nodige schikkingen werden getroffen om dergelijke vragen in de toekomst op te vangen.

16.2.2.  Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie

16.2.2.1. Controles door de AIG

De AIG heeft meegevlogen met 20 van de 24 beveiligde vluchten.  Alle 24 vluchten werden evenwel gecontroleerd bij inscheping.     
De AIG voerde ook 20 controles uit bij de inscheping tijdens verwijderingen die gebeurden via lijnvluchten.  Deze controle houdt in dat ze aanwezig zijn bij de uithaling uit de cellen van het VDNL, tijdens de begeleiding naar het vliegtuig en tijdens de inscheping op de lijnvlucht.  Er wordt gestreefd naar één controle op honderd lijnvluchten.
Er valt ook op te merken dat, niettegenstaande de voorafgaande melding van de aanwezigheid van vier leden van de Dienst Enquêtes P ter gelegenheid van een aangekondigde controle, er tevens vier enquêteurs van de AIG op dezelfde plaats en ogenblik toekwamen.
De AIG overweegt bovendien om in de toekomst wat de lijnvluchten betreft, discrete controles uit te voeren.  Dit moet hen toelaten een nog beter en objectiever beeld te krijgen van de verwijderingen via lijnvluchten.

16.2.2.2. Verslagen

De AIG heeft haar jaarverslag 2004 inzake repatriëringen klaar.  Dit verslag wordt eerstdaags overgemaakt aan de FOD Binnenlandse Zaken.  Het voornaamste punt in het verslag is het feit dat bepaalde procedures minder stipt opgevolgd worden door het personeel van het VDNL (vb. deftig gedrag, kledij, enz.) dan voorheen.  In de loop van 2004 vonden hierover reeds gesprekken plaats met enkele officieren van het VDNL.  In het jaarverslag 2004 weet de AIG het initiatief van het VDNL te appreciëren omtrent de evaluatievergaderingen naar aanleiding van incidenten.  Hierbij zijn volgende diensten of personen aanwezig: het VDNL, de preventieadviseur DPP, de arbeidsgeneesheer VDNL, de preventieadviseur VDNL, de AIG, DPMS (medische dienst van de federale politie).       
In het verslag wordt ook gewag gemaakt van de nieuwe ‘Franse gordel’ die momenteel reeds gebruikt wordt door de Franse politie.  Op 21 september 2004 woonde de AIG een demo bij van deze quick release-gordel die zal gebruikt worden tijdens de beveiligde vluchten en moet toelaten dat de te verwijderen persoon de gepaste bewegingsruimte krijgt met de armen.

16.2.2.3. Commissie Vermeersch II

De AIG maakt sinds 29 januari 2004 deel uit van de Commissie Vermeersch II en heeft meegewerkt aan het opstellen van het eindverslag van deze Commissie.  Tijdens een recent onderhoud wees de AIG ook op de aangebrachte aanpassingen, meer in het bijzonder de aanbeveling 12 geformuleerd door de Commissie Vermeersch II: “Een permanente externe controle door het Vast Comité P, niet alleen door middel van onderzoek van eventuele klachten onder toezicht van het Parlement, maar ook in voorkomend geval, door bijkomstige controles van de activiteiten van de AIG en eventuele uitzonderlijke controles op het terrein in functie van de omstandigheden”.      
Hieromtrent valt te onderstrepen dat, in een eerste stadium, sommige vertegenwoordigers van de AIG tijdens de werkzaamheden van de Commissie bepaalde wettelijke aspecten van haar toestand in het licht van de wet van 18 juli 1991 uit het oog hadden verloren en er een nogal restrictieve visie op nagehouden hadden van de opdrachten en de bevoegdheden van het Vast Comité P en de leden van zijn Dienst Enquêtes P in deze materie.

16.3.   Conclusies

De uitvoering van de verwijderingen werd in de eerste helft van 2004 overschaduwd door de verschillende uitspraken in het kader of het verlengde van de zaak Semira Adamu en de reactie daarop van het personeel van het VDNL, namelijk om geen verwijderingen meer uit te voeren met gebruik van geweld of dwang.     
Men kan stellen dat in 2004 de verwijderingspogingen hierdoor daalden van 12 631 naar 11 047 en het slaagpercentage van 73,50 % naar 67,6 %.  Bij deze 12 631 verwijderingspogingen raakten niet minder dan 17 personeelsleden van het VDNL gewond door weerspannigheid en/of agressie van een te verwijderen persoon.

De voornaamste redenen waarom een repatriëring niet doorging, is de verbale weigering van de te verwijderen persoon en de afgelasting door DVZ.  Zowel tijdens de verwijderingspogingen met de beveiligde vluchten als met de lijnvluchten werd geregeld verbaal of fysiek geweld gebruikt door de te verwijderen persoon, doch zijn er geen echte noemenswaardige incidenten te vermelden.

Het eindverslag van de Commissie Vermeersch II werd aan de minister van Binnenlandse Zaken overhandigd en het is nu afwachten welke aanbevelingen meer specifiek in aanmerking zullen worden genomen.  Voor het VDNL zijn de aanbevelingen inzake de aanwending van dwang zonder meer de belangrijkste.

De AIG heeft, zoals voorgeschreven door de minister van Binnenlandse Zaken, ook dit jaar talrijke controles uitgevoerd zowel op de beveiligde als op de lijnvluchten.  In totaal voerden zij niet minder dan 40 controles uit.

Het VDNL voert nauwgezet zijn opdrachten uit, hoewel er dit jaar toch kon worden vastgesteld dat bepaalde procedures toch minder professioneel werden nageleefd.

16.4.   Perspectieven

Eén van de belangrijkste uitdagingen van 2005 voor het VDNL is ongetwijfeld de implementatie van de aanbevelingen van de Commissie Vermeersch II.  Afhankelijk van de uitvoeringsnota van de minister van Binnenlandse Zaken zullen zo veel als mogelijk aanbevelingen dienen te worden geïmplementeerd.  Dit zal zowel op het financiële vlak als inzake capaciteitsaanwending de nodige inspanningen vergen van de voogdijoverheid, van het VDNL. 
Andere perspectieven zijn: (1) de uitvoering van enkele EU-richtlijnen (uitlevering van gevangenen, verwijderen van ANAD’s van andere luchtvaartmaatschappijen); (2) opnieuw activeren van de MPOT’s; (3) het herbekijken van de opleiding voor de grenscontroleurs-begeleiders.

16.5.   Aanbevelingen

De Commissie Vermeersch II gaf, zoals supra vermeld, tevens haar visie over de rol van het Vast Comité P inzake repatriëringen.  Het betreft de aanbeveling 12: “Een permanente externe controle door het Vast Comité P, niet alleen door middel van onderzoek van eventuele klachten onder toezicht van het Parlement, maar ook in voorkomend geval, door bijkomstige controles van de activiteiten van de AIG en eventuele uitzonderlijke controles op het terrein in functie van de omstandigheden”.   
Het is belangrijk hier in herinnering te brengen dat het gaat om een aanbeveling van een Commissie, emanatie van de uitvoerende macht, over de toezichthoudende activiteiten die een instelling die valt onder het gezag van de wetgevende macht, uitoefent op andere emanaties van diezelfde component van de uitvoerende macht.
Het Vast Comité P zal deze aanbeveling met zijn parlementaire begeleidingscommissie bespreken en de nodige afspraken maken met de verschillende ad hoc partners en belanghebbenden.

17.                Klachtenmanagement en intern toezicht [49]

17.1.   Probleemstelling

De dynamiek van de ‘marginale controles’ geëxpliciteerd in de laatste drie jaarverslagen maakt deel uit van de strategische keuze van het Vast Comité P om de politiediensten te responsabiliseren voor de klachtenafhandeling [50] en sluit aan bij zijn kernopdracht om de coördinatie, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de geïntegreerde politie op te volgen, in casu de interne controle sensu stricto of het intern toezicht.
Het intern toezicht, traditioneel een eerste formele toezichtsvorm, wordt opgevat als een functie die de korpschef of een diensthoofd te volbrengen heeft in het kader van zijn algemene leidinggevende bevoegdheid.  Deze interne controle sensu stricto omvat primair een aantal specifieke taken en opdrachten met het oog op de opvolging van de goede werking van een korps of dienst en van zijn medewerkers.  Naast deze algemene kwaliteitsbewaking houdt dit eerstelijnstoezicht aanvullend ook taakaspecten van klachtenafhandeling en -management in [51] .

Het principe van de eerstelijnsklachtenafhandeling door de politieverantwoordelijken vindt bijkomend een grondslag in artikel 10 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten.  Het Vast Comité P kan namelijk wanneer de gegevens van een ontvangen klacht of aangifte geen organisatorische disfuncties of ernstige individuele fouten of nalatigheden betreffen, de bevoegdheid om de initiële klacht te onderzoeken en af te handelen, overdragen aan de commissaris-generaal van de federale politie, de korpschef van de lokale politie of aan het hoofd van andere politiediensten beoogd in artikel 3 van voornoemde wet.       
In het verleden werd, in een eerste fase, door het Vast Comité P op basis van concrete klachtenbundels telkens ‘reactief’ nagegaan of het intern onderzoek adequaat werd uitgevoerd, zowel wat de formele procedureaspecten als wat de inhoudelijke componenten betreft.  Bij extensie werd het onderzoeksconcept ‘marginale controle’ ook gehanteerd om een algemeen oordeel te vellen betreffende de sterkten en zwakten van een korps of een dienst op het gebied van de eerstelijnsklachtenafhandeling en het algemene klachtenbeheer.          
Een zekere uitbreiding van de uiteenlopende opdrachten die onder het oorspronkelijke begrip ‘marginale controle’ werden begrepen, leidde tot een hernieuwde conceptualisering.  Om finaal de performantie van het intern toezicht in al zijn facetten en werkingsaspecten te waarderen, werd door het Vast Comité P een ontdubbeling gemaakt tussen enerzijds een analytische-algemene controle (klachtenmanagement en intern toezicht) en anderzijds een substantiële-gedetailleerde controle (dossiercontrole) met elk een eigen finaliteit en onderzoeksmethode.

Zowel de actuele maatschappelijke context waarin klachtenafhandeling op een toegenomen overheidsbelangstelling kunnen rekenen als de evolutie naar een meer performante geïntegreerde politie genereren ontegensprekelijk een verhoogde aandacht voor een adequate afhandeling van politieklachten en -aangiften.  De specifieke en systematische opvolging van de organisatie van de functie intern toezicht en de opvolging van de resultaten van de klachtenafhandeling op het niveau van de politiediensten, verdienen vanuit voorgaande optiek dan ook diepgaander onderzoek.

17.2.   Doelstellingen

In de tweede helft van 2004 werd de Dienst Enquêtes P door het Vast Comité P gelast met het uitvoeren van een thematisch onderzoek “interne controle sensu stricto”.        
Rekening houdend met de conclusies en aanbevelingen uit de onderzoeken gevoerd tijdens de periode 2001-2003, werden volgende onderzoeksvragen geformuleerd, met betrekking tot: (1) het klachtenmanagement en de functie intern toezicht (interne controle sensu stricto): (a) hoe wordt de functie intern toezicht geïmplementeerd in de korpswerking en -structuur?; (b) is er een gesystematiseerde klachtenafhandelingsprocedure voorhanden?; (c) wordt een globale analyse en opvolging van klachten (algemeen klachtenbeheer of klachtenmanagement) als een tool voor korpsbeheer gebruikt?;
(2) de afhandeling van klachtendossiers: op welke wijze en in welke mate worden klachten en grieven van burgers die bij een politiedienst worden gemeld, ernstig en nauwgezet onderzocht, zowel wat de formele procedureaspecten als wat de inhoudelijke componenten betreft?;
(3) de opvolging en controle van concrete dossiers: te toetsen in welke mate de ‘stated goals’ overeenstemmen met de ‘real goals’ teneinde overeenkomsten of verschillen tussen ‘zeggen’ en ‘doen’ bij de klachtenafhandeling in de praktijk te detecteren. 
Dit onderzoek beoogt de actuele werkingsprincipes van het intern toezicht, waaronder de klachtenafhandeling, in kaart te brengen en algemene aanbevelingen en conclusies inzake de functie intern toezicht, het klachtenmanagement en de klachtenafhandeling door de hiërarchie te formuleren.  Het hoeft geen betoog dat de burger mag verwachten dat klachten en grieven over een politieoptreden of individueel functioneren van een politieambtenaar, op een behoorlijke wijze worden onderzocht.       
In die zin neemt het Vast Comité P zijn verantwoordelijkheid voor de goede afloop van klachtenonderzoeken die het naar de politiehiërarchie oriënteert.

17.3.   Methodologie

17.3.1.  Steekproef van politiezones en dossiers

In concreto hebben 70 politiezones, waaronder 34 in Vlaanderen, 34 in Wallonië en 2 zones specifiek voor Brussel-Hoofdstad het voorwerp uitgemaakt van onderzoek tijdens de periode oktober-december 2004.   
M
et het oog op de toetsing van de klachtenafhandelingswijze in specifieke dossiers werden voor de referentieperiode 1 januari 2003 tot en met 31 juli 2004 131 dossiers geselecteerd die verband houden met de thema’s “gemeenschapsgerichte politiezorgfilosofie en de minimale dienstverlening” en “aanwending van macht, misbruik van functie en het tekortkomen aan de beroepsplichten binnen het verkeersdomein”.  Een beperkt aantal dossiers had betrekking op de bijzondere problematiek inzake “ongewenst seksueel gedrag op het werk”.           
Bij de dossiersteekproef werden zowel klachten in aanmerking genomen die rechtstreeks bij de betrokken korpsen werden aanhangig gemaakt als klachten die na overdracht door het Vast Comité P aan de hiërarchie werden toegezonden.

17.3.2.  Onderzoeksmethode

Voor de uitvoering van dit thematisch onderzoek werden zowel analytische-algemene als substantiële-gedetailleerde controles uitgevoerd.

Een analytische-algemene controle betreft een basistoezicht ontwikkeld vanuit het COSO-model, dat een risicoanalysemodel is voor interne controle en tot doel heeft algemene conclusies te formuleren op het gebied van de effectuering van de functie intern toezicht, het klachtenmanagement en de klachtenafhandelingswijze.  De 70 geselecteerde zones werden aan deze controle onderworpen met het oog op onderzoek naar de functie intern toezicht en het klachtenmanagement.          
Dit klachtenmanagement omvat het effectief aanwenden van de resultaten van de klachtenonderzoeken met het oog op het beheer en de aansturing van de korpswerking.  Klachtenbeheer fungeert met andere woorden als terugkoppelingstool (of input) in het kader van het kwaliteits- en personeelsbeleid van de politieorganisatie en genereert idealiter effecten op het vlak van de doelmatigheid en de doeltreffendheid van de politiewerking.

De substantiële-gedetailleerde controle is een toetsing van de formele en inhoudelijke afhandelingswijze van klachtendossiers.  De verwerking van de resultaten van deze controlebenadering moet toelaten om conclusies te formuleren inzake de formele en inhoudelijke afhandelingswijze van de geselecteerde dossiers, evenals algemene aanbevelingen inzake klachtrecht en klachtenafhandeling.   
Zowel de – door het Vast Comité P vooropgestelde – randvoorwaarden voor een adequate klachtenbehandeling als de onderscheiden stappen inzake de formele en de inhoudelijke klachtenbehandeling werden bevraagd.  Concreet betekent dit dat de substantiële gedetailleerde controle van 131 dossiers – afgehandeld door de hiërarchie – moet toelaten thema- en dossiergebonden conclusies te formuleren.      
Op basis van de dossierstudie werd een
vergelijking gemaakt tussen: (1) wat de respondenten ‘zeggen’ aangaande het klachtenonderzoek en (2) wat effectief in de praktijk gebeurt bij de afhandeling van de klachtenbundels.  Deze analyse is er bijgevolg op gericht om de overeenkomsten, maar ook de verschillen te detecteren tussen ‘zeggen’ en ‘doen’ bij de formele en inhoudelijke afhandeling van klachten.

17.4.   Conclusies en algemene aanbevelingen

Het onderzoeksrapport inventariseert de algemene bevindingen en de onderzoeksresultaten inzake de functie intern toezicht, het klachtenmanagement en de eerstelijnsklachtenafhandelingswijze.

Samenvattend kan alvast worden gesteld dat de functie intern toezicht meer impliceert dan een voornamelijk reactieve formele en inhoudelijke eerstelijnsklachtenafhandeling.  Opgevat als een instrument voor een beter korpsbeheer zou de behandeling van individuele klachten systematisch moeten bijdragen tot een globale analyse van de werking van het korps en dienen te leiden tot het nemen van maatregelen om de interne werking van het korps te verbeteren (door een structurele en oorzaakgerichte aanpak).      
In de politiële praktijk bevindt het klachtenmanagement zich ontegensprekelijk nog in een verkennings- en opstartfase.

Het onderzoek brengt verder discrepanties tot uiting tussen de vooropgestelde doelstellingen inzake de klachtenafhandeling of ‘stated goals’ en de daadwerkelijke afhandeling van klachtenbundels of ‘real goals’.  Verbeterpunten situeren zich hoofdzakelijk daar waar meer systematiek en formalisering van de klachtenprocedure en het klachtenafhandelingsproces kan worden behaald.    
Een performant afhandelingsproces vereist namelijk dat elke klacht geuit door een burger of medewerker kwalitatief en gelijkwaardig wordt onderzocht en afgehandeld, ongeacht bij welke instantie of op welk niveau de aanmelding is gedaan of het onderzoek wordt gevoerd.  Hierbij dient voldaan te worden aan een aantal minimale formele en inhoudelijke vereisten.

Wat de formele klachtenafhandeling betreft, werd aangetoond dat verbeterpunten onder meer betrekking hebben op: (1) de opvolging van het klachtenafhandelingsproces en de afhandelingstermijn; (2) de overzichtelijkheid en volledigheid van het dossier; (3) de registratiepraktijk van binnenkomende klachten; (4) de ontvangstmelding aan de klager; (5) de (schriftelijke) kennisgeving aan het betrokken personeelslid; (6) de rapportering aan externe partners en bevoegde overheden.

Wat de inhoudelijke aspecten betreft, blijkt het onderzoek van klachten ten laste en ten ontlaste en met de nodige objectiviteit te worden uitgevoerd.      
Het intern onderzoek is
voornamelijk gericht op de toedracht van de feiten, het verloop van de interventie en de omstandigheden.  Het is echter niet gebruikelijk om een standaardverslag van het uitgevoerde intern onderzoek op te stellen.  Daardoor komen transparantie en accountability in het gedrang.           
In de gevallen waar een klachtenonderzoek heeft uitgewezen dat er problemen waren, volgt doorgaans een individuele maatregel met het oog op bijsturing van de medewerker.  Knelpunten met betrekking tot de inhoudelijke klachtenafhandeling betreffen voornamelijk: (1) het verstrekken van een onderbouwde en gemotiveerde afhandelingsinformatie aan de klager, inclusief een kennisgeving van de mogelijkheid van een tweede lezing door Vast Comité P; (2) een constructieve feedback over het intern onderzoek en de eindconclusie aan de betrokken medewerker.

Aansluitend bij de onderzoeksresultaten van de voorbije werkingsjaren, kan opnieuw worden besloten dat interne controle sensu stricto in de lokale politiepraktijk meestal voornamelijk beperkt is tot het deelaspect klachtenafhandeling en dat de systematische analyse van klachten en grieven in mindere mate als tool voor korpsbeheer wordt gebruikt.
Bijgevolg blijven de algemene aanbevelingen die het Vast Comité P in zijn jaarverslag 2003 heeft geformuleerd al hun pertinentie behouden, namelijk: (1) de noodzaak aan vervanging of actualisering van de omzendbrief POL 48 tot regeling van het intern toezicht, waarbij afstemming op o.m. de tuchtwetgeving en het evaluatiegebeuren fundamenteel is; (2) inzake de vormgeving van het klachtrecht van de burger en de interne klachtenafhandeling door de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, is er duidelijk nood aan een consistent raamwerk waarbij formele procedureaspecten en inhoudelijke componenten worden geïnventariseerd; (3) basisopleiding en voortgezette vorming aan de verantwoordelijken intern toezicht zal bijdragen tot enerzijds de effectuering van een uniforme en gesystematiseerde klachtenafhandelingsprocedure op het niveau van elke politiedienst en anderzijds een performant klachtenmanagement.

Uiteraard mag niet worden voorbijgegaan aan de verschillende initiatieven die op lokaal niveau werden genomen.  Niettemin blijkt opnieuw dat de functie intern toezicht niet altijd systematisch en gestructureerd ingebouwd is in de politiewerking en te weinig als ‘managementinstrument’ wordt gebruikt.     
Eén van de redenen waarom een geformaliseerde klachtenafhandelingsprocedure vaak niet voorhanden is, heeft te maken met het feit dat er geen formele en materiële standaarden in een regelgevende tekst zijn vastgelegd.      
Binnen de politiewereld is men nochtans vragende partij voor een regelgevend klachten­framework.  Regelgeving zou de aandacht voor klachten en klachtenmanagement ongetwijfeld een sterke positieve impuls geven.  Daartegenover staat dat men actueel het waarborgen van een politioneel klachtrecht bezwaarlijk alleen kan laten afhangen van regelgeving.     
Learning by doing blijft wellicht het beste advies.


Onderafdeling 2: Implementatie van het algemeen veiligheidsbeleid onder het gezag van de overheden van bestuurlijke politie

18.                Toepassing van de indirecte belasting op het vervoer van bestuurlijk of gerechtelijk aangehouden personen of ‘overlasttaks [52]

18.1.   Probleemstelling

In de stad Mechelen werd bij gemeenteraadsbesluit van 29 mei 2002 een indirecte belasting op het vervoer van bestuurlijk of gerechtelijk aangehouden personen ingevoerd.  Opdat deze indirecte belasting, ‘overlasttaks’ genoemd, kan worden geheven, dient een aantal voorwaarden vervuld te zijn: (1) de persoon stelt gedragingen die de levenskwaliteit van de inwoners kunnen beperken op een manier die de normale druk van het sociale leven overschrijdt; (2) de persoon maakt het voorwerp uit van een gerechtelijke of een bestuurlijke aanhouding; (3) de persoon moet met een politievoertuig worden overgebracht.           
In de praktijk wordt dit instrument toegepast door de lokale politie van Mechelen die daarvoor een tweeledige procedure heeft uitgewerkt (waarschuwing en inning).         
De burgemeester en de korpschef van de lokale politie te Mechelen verzochten het Vast Comité P per brief van 25 november 2003 een onderzoek te voeren naar de toepassing van de overlasttaks en deze te toetsen aan de aantijgingen van de Arabisch-Europese Liga (AEL) dat de Mechelse politie de overlasttaks misbruikt om de Marokkaanse gemeenschap te viseren.  De rechtstreekse aanleiding voor de aanklacht van de AEL was een individueel dossier.  Deze klacht werd mee opgenomen in het onderzoek, alsook een tweede individueel klachtendossier.

De doelstellingen van het onderzoek werden grotendeels bepaald door de vraag van de burgemeester en de korpschef en door de toevoeging van de twee concrete klachten aan het dossier. 
Voorafgaandelijk werd het begrip ‘overlasttaks’ (indirecte belasting op het vervoer van bestuurlijk en gerechtelijk aangehouden personen) juridisch bekeken.  De door de lokale politie van Mechelen uitgewerkte procedure werd o.a. ontleed in functie van de invoering van de overlasttaks in het takenpakket van de politie van Mechelen en van de toepassing ervan.
De toepassing van deze taks in de twee klachtendossiers diende grondig te worden onderzocht.  Tevens werd een analyse verricht van alle dossiers met betrekking tot de toepassing van de overlasttaks in 2003.

Basisdocumentatie over het onderwerp werd door het korps toegezonden, aangevuld en toegelicht op een presentatie door de korpschef, de officier belast met het intern toezicht, de officier van het gerechtelijk bureel en de dossierbeheerder van het gerechtelijk bureel.  Voor verdere analyse werden volgende gegevens opgevraagd: (1) de basisgegevens van het totale aantal dossiers met betrekking tot overlasttaks in 2003; (2) het bestaande reglement betreffende de belasting op het vervoer van dronken personen; (3) het aantal dossiers met betrekking tot de belasting op het vervoer van dronken personen in 2003; (4) een overzicht van het aantal bestuurlijke en gerechtelijke aanhoudingen in 2003.           
Het register ‘overlasttaks’ in het Integrated System for Local Police (ISLP) voor de toepassing van het jaar 2003 werd overgemaakt aan de hand van verschillende overzichtslijsten.  De overzichtslijsten werden nadien aangevuld met bijkomende documenten (processen-verbaal, fiches bestuurlijke aanhouding en interventiefiches).  
Het onderzoeksmateriaal werd geanalyseerd en gereproduceerd in algemene bevindingen en tabellen naar leeftijdsverdeling, feiten en context, zowel voor de toepassing van de inningen als voor de waarschuwingen.      
Een bijkomende analyse werd verricht op basis van de naam van de personen aan wie deze taks werd opgelegd in 2003.  
De concrete klachten werden verder onderzocht: dossieranalyse, nazicht van documenten, gesprekken met en verhoren van leidinggevende en uitvoerende politieambtenaren.      
De nieuwe wetgevende initiatieven die de gemeenten de mogelijkheid bieden om de overlast te bestraffen met administratieve boetes werden ook in het onderzoek verweven.

Het syntheseverslag en de voorgaande verslagen werden door het Vast Comité P toegezonden aan de burgemeester en de korpschef.  De onderzoeksbevindingen en de opmerkingen van de korpschef werden besproken op een vergadering met een lid en een commissaris-auditor van het Vast Comité P, de burgemeester, de korpschef en zijn technische staf.  Nadien werd het eindverslag opgesteld, waarin een aantal aanbevelingen werden opgenomen om een maximale garantie te bieden dat de rechten en de vrijheden van elke persoon op wie het systeem wordt toegepast, steeds gewaarborgd zijn.

18.2.   Vaststellingen

In 10 % van het totaal aantal aanhoudingen in 2003 werd de procedure inning toegepast.  Het ging meestal om bestuurlijke aanhoudingen (slechts 2 gerechtelijke).  De inningen werden toegepast op 132 personen, 83 personen waren het voorwerp van een waarschuwing.  In 39 gevallen werd proces-verbaal opgesteld, waarvan 21 wegens verstoring van de openbare orde en rust.  Twee derden van de feiten die aanleiding gaven tot een bestuurlijke aanhouding en waarvoor geen proces-verbaal werd opgesteld, kregen als kwalificatie “persoon die de openbare rust daadwerkelijk verstoort”.  De 18 tot 25-jarigen vormen de grootste groep in de procedure inning.  De context waarin de aanhoudingen voornamelijk gebeurden, zijn voetbal, overlast op straat en het uitgangsleven.   
De inning van de indirecte belasting op het vervoer van aangehouden personen werd in 2003 vaker toegepast op mensen met een Nederlands of westers klinkende naam (60 % van de gevallen) dan op mensen met een anders klinkende naam.  De belangrijkste vaststelling bij de verdere vergelijking van deze twee variabelen met het bestaande onderzoeksmateriaal is dat wanneer de voetbalgerelateerde toepassingen buiten beschouwing worden gelaten, de verhouding zowaar wordt omgedraaid: 66 % van de overige toepassingen vinden we dan terug in de groep met de anders klinkende naam.  Voor de procedure waarschuwing loopt het percentage van de groep personen met een anders klinkende naam op tot 78 %.

De cijfers geven een beeld over de verhoudingen in de toepassing ervan door de politie in 2003, maar zeggen niets over het optreden van de politie op zich.  Het optreden van de politie is steeds een reactie op het door de betrokken personen in een bepaalde context gestelde gedrag.  Dit gedrag wordt niet alleen proactief door de politie vastgesteld, maar ook door inwoners of derden aan de politie gemeld.       
De toepassing van het reglement in de praktijk bevat twee kritieke punten: (1) de invulling van het gedrag dat de overlast uitmaakt; (2) de aanhouding van personen.

Doorgaans worden de omstandigheden die aanleiding gaven tot de aanhouding in algemene termen weergegeven.  Dergelijke algemene omschrijvingen laten niet toe een concreet beeld te schetsen van de juiste gebeurtenissen.  De controle op de bestuurlijke aanhouding werd niet steeds geverifieerd.         
Het onderzoek van het eerste individueel dossier bracht aan het licht dat de voorwaarden om tot bestuurlijke aanhouding over te gaan, zoals bepaald in artikel 31 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, niet aanwezig waren en de inning dus niet gerechtvaardigd was.           
In het onderzoek van het tweede individueel dossier kwam vast te staan dat de concrete elementen ontbreken die aantonen door welke individuele, materiële gedragingen de betrokken persoon de overlast veroorzaakt.  Dit is een miskenning van de voorwaarden om een inning te rechtvaardigen.  In beide concrete klachtendossiers werd de procedure van artikel 33 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt (verwittiging van een officier van bestuurlijke politie, registratie) niet of niet volledig gerespecteerd.

De brede definitie van het begrip overlast als “gedragingen die de levenskwaliteit van de inwoners kunnen beperken op een manier die de normale druk van het sociale leven overschrijdt”, laat ruimte tot interpretatie en houdt steeds een risico op een willekeurige toepassing in.
De procedure van de inning lijkt meestal correct te worden toegepast.  Enkele gevallen bevatten aanwijzingen dat de bestuurlijke aanhouding deels als een formaliteit wordt beschouwd.  Hierin schuilt het gevaar dat een overbrenging of aanhouding zou worden verricht om de procedure te kunnen toepassen.

In het onderzoek naar de toepassing van de overlasttaks door de lokale politie van Mechelen in 2003 werden geen elementen van racisme of machtsmisbruik gevonden.  De aantijging van de AEL dat de Mechelse lokale politie de overlasttaks misbruikt om bepaalde groepen te viseren, is een veralgemening die nergens op gebaseerd is.  Het onderzoek bracht wel aan het licht dat in het concrete geval dat aanleiding gaf tot de reactie van de AEL in de pers, de politie ondoordacht tot een bestuurlijke aanhouding is overgegaan.  Meer bepaald was in het eerste individuele dossier de volstrekte noodzakelijkheidsvereiste zoals bepaald in artikel 31 van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt om tot een bestuurlijke aanhouding over te gaan, niet aanwezig.  Dit geval kan dan ook beschouwd worden als machtsoverschrijding, namelijk het gebruik maken van dwang om inopportune politiehandelingen te stellen.
Het onderzoek naar de toepassing van de overlasttaks door de lokale politie van Mechelen bracht naar voren dat het instrument reactief wordt gehanteerd voor gebeurtenissen die ‘overlast’ uitmaken, wat meestal gepaard gaat met een bestuurlijke en uitzonderlijk met een gerechtelijke aanhouding.  Uit de analyse van de dossiers van de toepassingen in 2003 blijkt dat de procedure in de meeste gevallen correct wordt toegepast.

18.3.   Perspectieven

Niettemin zijn aanpassingen in de procedure, de toepassing en de controle wenselijk om de legitimiteit van de aanhouding maximaal te garanderen.  Daarbij moet de registratie op grond van de individuele concrete gedragingen die de overlast uitmaken en die de aanhouding noodzaakten, de toetssteen zijn op basis waarvan kan worden beoordeeld en gecontroleerd of de politie bijdraagt tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden en deze doet naleven.     
De toekomst zal uitwijzen of het vernieuwde wettelijk instrumentarium in het domein van de gemeentelijke administratieve sancties de verwachtingen kan inlossen om daden van overlast te kunnen bestraffen met administratieve boetes.  In termen van efficiëntie kan worden verwacht dat een door de politie toegepast systeem van indirecte belasting op het vervoer van aangehouden personen voor de aanpak van overlast, zoals toegepast in Mechelen, zich daarnaast moeiteloos zal weten te handhaven.

19.                Publiek Privé Partnership [53]

De privatiseringstendens van de publieke sector vindt de laatste jaren ook ingang in het veiligheidsbeleid en in de uitoefening van de politiefunctie.  Zo heeft de wetgever onder meer aan een aantal ambtenaren en agenten van private veiligheidsdiensten een specifieke bevoegdheid toegekend die bijzondere raakpunten vertoont met de uitoefening van de politiefunctie.  Hierdoor vallen deze personen en diensten, binnen die hoedanigheid, onder de toezichtsbevoegdheid van het Vast Comité P.  Zodoende wordt hun werking, zoals die van de reguliere politiediensten, in principe getoetst aan de drie kerntaken van het Vast Comité P: (1) het respect voor en de bescherming van de rechten van de mens; (2) de coördinatie en (3) de doeltreffendheid en doelmatigheid van de politie.

Een aantal onderzoeken heeft echter reeds uitgewezen dat er een aanzienlijke impact kan zijn op, zo niet een spanningsveld tussen, de activiteiten van de (semi-)private veiligheidssector en de uitoefening van taken door de reguliere politiediensten.  Bijgevolg dient het toezicht zich ook, en vooral, toe te spitsen op het mogelijke effect van de werking van deze (semi-)private organisaties op de (perceptie van de) doeltreffendheid/doelmatigheid en coördinatie van de reguliere politiesector.  In het bijzonder hebben we het hier over de effecten van het uitbesteden van taken die tot op heden door de politiediensten werden uitgeoefend, de roep om uitbreiding van bevoegdheden betreffende het gebruik van dwang en geweld voor de bewakingsagenten en de beschikking daarbij over wapens en handboeien.   
In dat verband dient bij deze doelgroep ook te worden onderzocht of deze voldoet aan een aantal randvoorwaarden waaronder een concrete taakafbakening en een deugdelijke controle op alle taken die buiten hun politiebevoegdheid vallen.  Zulke beleidsevolutie vergt in elk geval reflectie, zowel van praktische als van fundamentele, juridische en rechtsfilosofische aard.

Het onderzoek bevindt zich momenteel nog in een beginstadium.  Wat de verdere uitwerking betreft, wordt eraan gedacht om de problematiek vanuit verschillende invalshoeken te bekijken.  Een eerste idee bestaat erin de krijtlijnen te trekken waaraan publiek private samenwerking in een rechtsstaat dient te voldoen en van waaruit duidelijk de kerntaken van de overheid binnen een rechtsstaat kunnen worden vastgelegd.  Vervolgens zullen de bestaande en geplande initiatieven worden geïnventariseerd.         
Vanuit dit overzicht zullen, aan de hand van een risicoanalyse, jaarlijks een aantal thema's projectmatig worden behandeld en doorgelicht.  Deze projectmatige aanpak moet toelaten, na afloop van een onderzoek, concrete aanbevelingen te formuleren, in voorkomend geval resultaten te meten en op te volgen.  Deze aanpak biedt tevens de nodige flexibiliteit om in functie van nieuwe elementen de prioriteiten te herschikken.


Onderafdeling 3: Implementatie van het algemeen veiligheidsbeleid onder het gezag van de gerechtelijke overheden

20.                Politionele controle op de diverse vormen van prostitutie en de bestrijding van de mensenhandel in die context [54] 

20.1.   Probleemstelling

De aanpak van de mensenhandel werd als prioriteit in het nationaal veiligheidsplan [55] ingeschreven en is derhalve ook een dwingend aandachtspunt voor de geïntegreerde politiedienst.  Het nationaal veiligheidsplan stelt meer algemeen, met het oog op een performante werking, de volgende basisconcepten voorop: programmawerking en gemeenschapsgerichte en informatiegestuurde politiezorg.
De Kadernota Integrale Veiligheid opgesteld in het kader van de Ministerraad van 30 en 31 maart 2004 bepaalt een aantal strategische doelstellingen, teneinde op doeltreffende wijze bij te dragen tot de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel
[56] : (1) betere kennis en betere operationele definities van mensenhandel en -smokkel; (2) meer algemene en specifieke preventieve maatregelen; (3) de verbetering en vermeerdering van toezicht en controles; (4) coördinatie, overleg, samenwerking en informatie-uitwisseling tussen alle betrokken actoren op nationaal en internationaal vlak; (5) een strengere repressie; (6) een betere opvang van slachtoffers.   
Wat het repressieve luik betreft, wordt gesteld dat de opsporingen, de onderzoeken en verhoren, alsook de vervolgingen en vonnissen, kunnen verbeterd worden door de realisatie van onder meer volgende doelstellingen: (1) een betere samenwerking tussen de verschillende inspectiediensten, politiediensten, opvangcentra voor slachtoffers van mensenhandel, de Dienst Vreemdelingenzaken en de gerechtelijke overheden; (2) de verdere uitbouw van de gegevensbank omtrent mensenhandel voor de politie, alsook de verbetering van het beeld van de politie; (3) de destabilisatie van misdaadgroeperingen en -netwerken en de uitvoering van financiële onderzoeken; (4) de bestraffing van de opdrachtgevers, met name de personen die opdracht geven aan ‘onderaannemers’ en zich schuldig maken aan mensenhandel. 
De doeltreffendheid van de controles van de politiediensten, de sociale inspectiediensten en de inspectie van de sociale wetten wordt als een kritieke succesfactor beschouwd voor de verwezenlijking van de geformuleerde doelstellingen.

Met dit onderzoek wenst het Comité zich een beeld te vormen van de wijze waarop de lokale politie en de gerechtelijke dienst arrondissement (GDA) de verschillende vormen van prostitutie binnen hun ambtsgebied beheersen en van de inspanningen die aan de dag worden gelegd inzake bestrijding van mensenhandel op het gebied van prostitutie.  Conform de kerntaken van het Vast Comité P en de doelstellingen geformuleerd in het nationaal veiligheidsplan en de Kadernota Integrale Veiligheid werd in dit onderzoeksluik het accent gelegd op de evolutie inzake geïntegreerde aanpak van het fenomeen prostitutie, zowel binnen de lokale politiekorpsen als in samenhang met de GDA en externe actoren, alsmede op de informatie-uitwisseling tussen de verschillende diensten.        
Uit lezing van open bronnen groeide het idee om dit opvolgingsonderzoek een meerwaarde te geven door een aantal terugkerende stellingen in publicaties te toetsen aan de ervaring van de Belgische politiediensten.  In het bijzonder de bewering dat ten opzichte van Belgische politieambtenaren actief in de strijd tegen de georganiseerde mensenhandel doodsbedreigingen zouden worden geuit en de meldingen van een verschuiving van het fenomeen, trokken onze aandacht.

20.2.   Methodologie

In tegenstelling tot het eerste onderzoeksluik, naar de politionele controle op raam- en bar­prostitutie, kon in dit opvolgingsonderzoek, door de aard van de overige prostitutievormen, geen bevraging worden gedaan van de prostituees.    
Het onderzoeksopzet bleef om die reden beperkt tot een bevraging van sleutelfiguren, zowel binnen een aantal politiezones als op het niveau van de GDA’s.  Dienaangaande werd geopteerd voor de techniek van halfopen interviews, teneinde een zekere structuur aan het onderhoud te geven, doch zonder remmend te werken op inhoudelijk vlak.  Deze keuze is niet alleen ingegeven door deze psychologische dimensie, maar tevens door de moeilijkheid om een volledig gestructureerde vragenlijst op te stellen, bruikbaar voor alle diensten, gezien hun verschillende morfologie en uiteenlopende plaatselijke toestand.     
Ratione loci viel de keuze op een aantal steden en gemeenten die reeds in het eerste of tweede onderzoeksluik het voorwerp uitmaakten van een bevraging van de prostituees.  Naast de steden Antwerpen en Gent en de gemeenten Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node op lokaal vlak, evenals de GDA Brussel en Gent op arrondissementeel niveau, werd de stad Sint-Niklaas aan deze lijst toegevoegd.  In het boek “Femmes dans les griffes des aigles” van de journaliste en ULB-assistente Hermine Bokhorst is immers sprake van een verschuiving van het Albanees prostitutiemilieu van Antwerpen naar Sint-Niklaas, waar, volgens een onder­zoeker, de politie niet zou weten hoe dit fenomeen aan te pakken
[57] .

Ratione materiae werden, behoudens de opvolging van knelpunten die in het onderzoek naar raamprostitutie aan het licht kwamen, volgende thema’s behandeld: (1) de vormen van prostitutie waarmee de politiediensten geconfronteerd worden en de mate waarin zij bij machte zijn om daar controle op uit te oefenen of onderzoek naar te voeren; (2) de mate waarin daaruit blijkt of het om al dan niet vrijwillige en al dan niet georganiseerde prostitutie gaat; (3) in hoeverre de politie kennis heeft van (klachten met betrekking tot) overlast in het raam van prostitutieactiviteiten; (4) of er een samenhang wordt vastgesteld met andere misdrijven en, in voorkomend geval, of er wordt gezorgd voor een geïntegreerde aanpak (samenwerking, informatie-uitwisseling, feedback); (5) eventuele problemen waarmee de onderzoekers worden geconfronteerd bij de aanpak van mensenhandel en het onderzoek naar dit fenomeen (onderzoek – middelen – samenwerking met andere diensten, zowel intern als extern zoals parket en hulpverlening – informatiestroom – AIK); (6) in welke mate dit type werk een bijzondere psychologische impact heeft en zo ja, of er voor opvang wordt gezorgd; (7) vooral voor Brussel, Antwerpen en Sint-Niklaas, in hoeverre de politiediensten worden geconfronteerd met Albanese bendes en welke bijzondere implicaties dit desgevallend met zich meebrengt (toetsen van de beweringen in open bronnen, inspanningen, resultaten, specifieke problemen); (8) werden er reeds bedreigingen geuit ten overstaan van onderzoekers en hoe werd daarop gereageerd; (9) welke verwachtingen er heersen bij de politiediensten, zowel intern (naar de eigen hiërarchie en andere politiediensten) als extern (DVZ, sociale en arbeids­inspectie, gerechtelijke en bestuurlijke overheden, Vast Comité P, Parlement, e.a.); (10) welke impact het beschermd statuut van slachtoffer van mensenhandel heeft op de beheersing van het fenomeen en het verloop van het onderzoek in het bijzonder.

20.3.   Vaststellingen

20.3.1.  Lokaal prostitutiebeleid

De bezochte korpsen beschikken alle over een gespecialiseerde afdeling belast met de bestrijding van mensenhandel, binnen de lokale recherche. 
In de eerste onderzoeksfase werd duidelijk dat, hoewel er verschillen bestaan in de aanpak van prostitutie, een streven naar concentratie van het fenomeen in een gedoogzone als gemeenschappelijke noemer kan worden beschouwd.  De controle-instrumenten die worden aangewend verschillen echter: controle van huurcontracten van ‘carrés’, gemeentelijke taksen, het statuut van dienster in een bar, met de daaraan gekoppelde meldingsplicht bij de politie bij aanvang van het contract, e.a.  Sinds de politiehervorming maken de politie van Schaarbeek, waar op basis van het statuut van dienster werd gecontroleerd, en het politiekorps van Sint-Joost-ten-Node, waar de prostitutie de vorm van carrés aannam, deel uit van eenzelfde zone.
Er wordt op een meer gestructureerde en systematische manier gewerkt, soms onderbouwd door een voorafgaande beeldvorming van de problematiek.  Dit is onder meer het geval in de zone Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere, waar een sociologe in 2003 een studie heeft gemaakt, die leidt tot een doordachte aanpak van de mensenhandel in het algemeen en de prostitutie in het bijzonder.  Ook in Antwerpen werd door een hoofdinspecteur van politie en een laatstejaarsstudente criminologie een evaluatie gemaakt van de werking van de politie inzake escort, bar- en privé-prostitutie.  Deze studie, die kadert in de laatste fase van het beleidsplan “prostitutie” van de stad Antwerpen en tevens een uitgebreide beeldvorming bevat van deze vormen van prostitutie, werd overgemaakt aan het parket en wordt gebruikt met het oog op beleidsvorming.    
Zoals in Antwerpen worden ook in Schaarbeek door de gemeentelijke diensten initiatieven ontwikkeld rond de beheersbaarheid van prostitutie.  Zo werd in Schaarbeek, vanuit een geïntegreerde aanpak van de prostitutie, een beleid gevoerd bestaande uit het opkopen door de gemeente van hoekpanden, teneinde te beletten dat het werkgebied van de prostituees zich zou uitbreiden tot naburige straten.  Het in juli 1998 gestarte proactief onderzoek naar mensenhandel, “MILAN” genaamd, wordt er voortgezet.

In Antwerpen wordt het beleidsplan, zoals uiteengezet in de eerste twee onderzoeksfases naar de politionele aanpak van de raamprostitutie, verder uitgevoerd en richt het zich in een laatste fase nu ook op de verborgen vormen van prostitutie.  Deze aanpak gebeurt, zoals in het verleden, gericht, als deel van een duidelijke visie en strategie, onderbouwd door onderzoeken en een fenomeenanalyse.  Daarbij blijft men waakzaam voor mogelijke verschuivingen, zowel geografisch als tussen de verschillende vormen van prostitutie.     
Wat de consolidatie van de reeds bereikte resultaten betreft, zorgt de politie voor een permanente aanwezigheid in het Schipperskwartier, conform de vaststelling dat een verslapping van de aandacht snel leidt tot een heropflakkering van randcriminaliteit, een probleem dat reeds werd aangehaald in gesprekken in het raam van de eerste onderzoeksfase.  Tevens werd de Cel Schipperskwartier omgevormd tot een Cel Prostitutie en kende zij een kaderuitbreiding.  De toekomst zal uitwijzen of de keuze om de politieantenne in het Eros Center in te planten geen nefaste gevolgen zal hebben op de werking en geloofwaardigheid van de politie.

In Gent zet de Unit MEPROSCH het gevoerde beleid, dat in het eerste onderzoeksluik succesvol bleek, voort, rekening houdend met het toen geformuleerde voorbehoud met betrekking tot de registratie van medische gegevens over de prostituees en na goedkeuring door de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer.  De Gentse recherche werkt in nauw verband met een groot aantal externe diensten, die een meerwaarde kunnen bieden in de controle op prostitutie en de strijd tegen mensenhandel.  Intern worden bij grote acties ook leden van de interventiedienst en de wijkwerking betrokken.  Tevens werd gewezen op de bijzondere inzet van een wijkverantwoordelijke die in het ambtsgebied alle Turkse bars werkend onder de rechtspersoonlijkheid van een vzw in kaart heeft gebracht.

De prioriteit van de lokale politiediensten in de bezochte zones is de verschillende vormen van prostitutie te beheersen, door zicht te hebben op wie waar werkt, eerder dan ze te beteugelen, voor zover het niet gaat om mensenhandel, gedwongen prostitutie of om tewerkstelling van minderjarigen.      
De informatiewaarde van de controles ligt enerzijds in de beeldvorming op het niveau van het arrondissementeel informatiekruispunt (AIK), en anderzijds in de exploitatie van de gegevens in gerechtelijke onderzoeken.

Behoudens de zone Sint-Niklaas, die geen raam- of tippelprostitutie op haar grondgebied heeft, hebben de bezochte zones te kampen met vier vormen van prostitutie, die hierna worden besproken.

20.3.1.1. Raamprostitutie en bars

De onderzochte zones lijken deze vorm van prostitutie goed onder controle te hebben.  Zowel de bars als de ‘carrés’ worden frequent en grondig gecontroleerd door middel van een plaatsbezoek.  De praktijk om prostituees die voor de eerste keer worden aangetroffen uit te nodigen voor een intakegesprek lijkt veralgemeend.  Tijdens dat gesprek krijgen de prostituees ook in alle zones informatie met betrekking tot het statuut van slachtoffer van mensenhandel.          
In Antwerpen wordt verwacht dat de opening van het Eros Center, met een vijftigtal vitrines, enkele verschuivingen zal teweegbrengen binnen het Schipperskwartier.  De ramen zijn er goedkoper en de veiligheid, door de aanwezigheid van een politieantenne in de wijk, kan eveneens een aantrekkingspool vormen.  Tevens zou zich een evolutie voordoen waarin wordt overgegaan van twee naar drie shiften.

20.3.1.2. Straatprostitutie

De straatprostitutie vormt, in de zones waar zij voorkomt, een bijzonder probleem.  Bij deze vorm van prostitutie gaat een sterke overlast voor de lokale gemeenschap gepaard met een juridisch-technisch beperkt arsenaal van middelen.  Bovendien verplaatst het fenomeen zich, gezien zijn aard, na politionele acties zeer gemakkelijk en keert het even snel terug naar de plaatsen van voorkeur.  
De Antwerpse Atheneumbuurt, waar een heropflakkering van de straatprostitutie merkbaar was, zou opnieuw opgekuist zijn, op de gebeurlijke aanwezigheid van een vijftiental ‘heroïne­hoertjes’ na.  Dit laatste hardnekkige fenomeen wordt door de politie gekoppeld aan de nabijheid van de Freeclinic, waar drugverslaafden terechtkunnen.           
Op het vlak van straatprostitutie kampt de stad Brussel met een bijzonder probleem.  Hoewel de beleidsvoerders zich laten inspireren door de Antwerpse aanpak, zorgt de geografische ligging van de probleemwijk voor een bijkomende moeilijkheid.  De prostitutie in en rond de Brusselse Koopliedenstraat situeert zich immers op het grensgebied van de stad Brussel en de gemeenten Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node.  Slechts door een gecoördineerde aanpak door de twee betrokken politiezones kan een verplaatsingsfenomeen worden tegengegaan.
Een permanent overlegorgaan, samengesteld uit de drie betrokken burgemeesters en de twee korpschefs van lokale politie, staat in voor de opvolging van het probleem.

20.3.1.3. Privé-prostitutie en escort

Hoewel moeilijker toegankelijk voor controle veroorzaken deze vormen van prostitutie weinig of geen maatschappelijke overlast.  Ook hier is een positieve evolutie zichtbaar.  Waar in de eerste onderzoeksfases in 2001 en 2002-2003 nagenoeg geen controleactiviteiten ontplooid werden naar deze vorm van prostitutie, blijkt thans uit de gevoerde gesprekken dat de politie er wel degelijk aandacht aan besteedt.  Vanuit de moeilijke toegankelijkheid worden evenwel uiteenlopende strategieën ontwikkeld.

De Antwerpse politie heeft, met het oog op het vermijden van verschuivingen tussen de verschillende vormen van prostitutie, binnen de afdeling zeden een drie man sterk team opgericht dat in het bijzonder belast werd met de opvolging van de privé-prostitutie (i.e. het ontvangen van klanten in appartement of studio, via aankondigingen in (streek)kranten en via het internet) en de escortbureaus.  Tot op heden werden, naar aanleiding van de acties, gericht op straat- en raamprostitutie, nog geen verschuivingen waargenomen naar privé-prostitutie en escort toe.  Wel werden geografische verplaatsingen waargenomen in de richting van de Noord-Franse stad Rijsel.  Een aantal van de meestal buitenlandse prostituees die deze stap hebben gezet, zou naar Antwerpen terugkeren in het kader van schijnhuwelijken.
In het raam van de aanpak van de privé-prostitutie zou de Antwerpse arbeidsauditeur, volgens de politie, niet echt geneigd zijn om te vervolgen.  De procureur des Konings staat er evenwel op dat de politie controles op deze prostitutievorm blijft uitoefenen, teneinde zicht te houden op het fenomeen.  Met het oog op de controle van de privé-prostitutie en escort werd, in overleg met het parket, een juridisch sluitende procedure uitgewerkt die toelaat in contact te treden met de prostituee.  Ook in dit geval vindt met een prostituee die voor de eerste keer met de politie in aanraking komt, een intakegesprek plaats.  De bedoeling is enerzijds het fenomeen onder controle te houden en anderzijds gevallen van gedwongen prostitutie op te sporen teneinde daartegen te kunnen optreden.  In de escortbranche wordt af en toe gedwongen prostitutie aangetroffen.  Het controlesysteem dat op deze wijze werd geïmplementeerd, laat de politie toe om autonoom te werken, zonder tussenkomst van de sociale inspectie en zonder telkens een visitatiebevel te moeten aanvragen.       
In de andere zones wordt eerder geopteerd voor gezamenlijke acties met de sociale inspectie of de inspectie van de sociale wetten.

20.3.1.4. Vzw’s

Sommige groeperingen van personen die het statuut van vzw aannemen, lenen zich, ons inziens, zeer goed voor gedwongen prostitutie en verdienen vanuit deze hypothese dan ook bijzondere aandacht.  Uit de gesprekken met de verantwoordelijken blijkt dat in alle bevraagde zones onderzoek wordt gevoerd naar dergelijke vzw’s.  In Schaarbeek en Sint-Joost-ten-Node vinden honderden controles plaats op jaarbasis.  Verdachte instellingen worden tot een tiental keer per jaar gecontroleerd, tot zij in regel zijn met de vigerende wetgeving.  Er vindt een registratie plaats van deze controles, teneinde de juiste aandacht te kunnen doseren per individueel geval.       
In Antwerpen worden bepaalde verdachte Turkse en Bulgaarse vzw’s vooral aangetroffen rond het Sint-Jansplein.  De opsporing gebeurt vooral op basis van informatie vanuit de buurt.  Deze vzw’s worden reeds aan een controle onderworpen door de wijkteams, in het kader van de strijd tegen de handel in verdovende middelen.  Indien in het raam van deze controles aanwijzingen worden gevonden dat de betrokken vzw zich ook onledig houdt met prostitutie­activiteiten, wordt deze informatie overgemaakt aan de afdeling zeden.  Het is een domein waarin volgens onze gesprekspartner geenszins concurrentie bestaat tussen de verschillende geledingen van de politiestructuur.  Het beleid is er vooral op gericht om het fenomeen onder controle te houden.  De ervaring van de Antwerpse politie leert immers dat het opdoeken van dergelijke vzw’s weinig zin heeft omdat zij elders opnieuw starten.    
Ook de Gentse politie controleert geregeld dergelijke vzw’s die op haar grondgebied actief zijn.  Er wordt naar aanleiding van die controles herhaaldelijk proces-verbaal opgesteld, meestal wegens illegaal verblijf en met een repatriëring tot gevolg.           
De toename van dergelijke, vooral Turkse en Bulgaarse, vzw’s wordt door de gerechtelijke dienst arrondissement (GDA) Gent als problematisch bestempeld.

20.3.2.  Gerechtelijke diensten arrondissement

Zowel de GDA Gent als de GDA Brussel werken op een multidisciplinaire en geïntegreerde wijze inzake bestrijding van de mensenhandel.  Recente personeelsverschuivingen binnen de GDA Brussel hebben geen impact gehad op het gevoerde beleid inzake mensenhandel en de implementatie ervan.  Er wordt samengewerkt met andere afdelingen, evenals met de lokale politie.  In Brussel wordt slechts incidenteel een beroep gedaan op externe gespecialiseerde diensten.  De GDA Gent werkt samen met de sociale inspectie, in de vorm van gezamenlijke controles.  In Brussel is de samenwerking zeer nauw met de politiezones waar prostitutie voorkomt en in het bijzonder met de zone Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere.  De GDA Brussel deelt een gebouw met een commissariaat in Schaarbeek en heeft rechtstreeks toegang tot het gespecialiseerde databestand van dit korps in dit domein.     
Beide GDA’s voeren ook financiële onderzoeken in de strijd tegen mensenhandel en hebben positieve ervaringen met deze multidisciplinaire en geïntegreerde aanpak.          
Wat de beeldvorming betreft, wordt de misdrijfanalyse in Gent door de afdeling zelf gedaan, in functie van de controles en afhankelijk van de werklast.  Een analist zou er welkom zijn om de mensenhandel als fenomeen op een meer systematische manier op te volgen.  Beide GDA’s geven niettemin de indruk een duidelijk zicht te hebben op de prostitutiefenomenen binnen hun ambtsgebied.         
De GDA Gent dringt moeilijk door tot de vzw’s en de privé-prostitutie, die echter grondig gecontroleerd worden door de lokale politie.          
Geen van beide GDA’s heeft klachten met betrekking tot de informatiestroom, noch vanuit de lokale politie noch als feedback vanwege de Algemene directie gerechtelijke politie (DGJ).

20.3.3.  Geïntegreerde werking

20.3.3.1. Binnen de politiezones

Een ons inziens zeer positieve evolutie, zowel in het raam van de politionele controle op prostitutie en de strijd tegen de mensenhandel, als in de brede context van community policing, is de toenemende rol van de wijkinspecteur in de beeldvorming van deze problematiek.  In alle onderzochte zones wordt de wijkinspecteur op een min of meer gestructureerde manier gesensibiliseerd en wordt vanuit deze functionaliteit een grote hoeveelheid informatie overgemaakt aan de gespecialiseerde diensten binnen de lokale politie.     
In Antwerpen worden tijdens een wekelijkse gezamenlijke vergadering van de recherche met de wijkpolitie van het Schipperskwartier (raamprostitutie) en de atheneumbuurt (straatprostitutie) duidelijke werkafspraken gemaakt.  Tevens wordt feedback verschaft over het gevolg dat werd gegeven aan gecommuniceerde informatie en eerdere samenwerking.  In de mate van het mogelijke worden de wijkdiensten betrokken in de onderzoeken van de afdeling zeden.  Naast deze gerichte samenwerking ontvangt de recherche vanwege de wijkinspecteurs talrijke infoverslagen, ook afkomstig van andere dan bovenvermelde wijken.         
In de zone Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere werd een deel van de recherche gedecentraliseerd.  Naast de gespecialiseerde afdelingen werden in de wijkcommissariaten rechercheafdelingen ingeplant.  Deze hangen hiërarchisch af van de commissaris die de leiding heeft over het wijkcommissariaat, maar werken onder de coördinatie van de gerechtelijk directeur van de zone.  Deze rechercheafdelingen richten hun aandacht in het bijzonder op geweldsmisdrijven (‘violence urbaine’).
In de politiezone Antwerpen werd een centraal e-mailadres in het korps verspreid, waarop collega’s vermoedens van prostitutieactiviteiten kunnen melden.  Dit e-mailadres staat als screensaver in het ISLP-systeem, waardoor zij daar op geregelde tijdstippen aan worden herinnerd.           
Ook in Gent en Sint-Niklaas wordt de wijkwerking betrokken in gerichte acties en wordt de communicatie met de recherche aangemoedigd.  In Sint-Niklaas gebeurt dit zowel op formele wijze, door periodieke vergaderingen, als informeel door de aanwezigheid in hetzelfde gebouw.  Ook in de zone Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere worden de wijkinspecteurs als bron van informatie niet vergeten.  Er werd een procedure uitgewerkt met trimestriële verslagen, die aan de lokale recherche worden overgemaakt.  Tevens is het de bedoeling vergaderingen te beleggen tussen de verschillende functionaliteiten per kwartier.

Mede door het gegeven dat een aantal zones goede contacten met elkaar hebben opgebouwd en wat zij beschouwen als ‘best practices’ van elkaar overnemen, ontstaat er een zekere mate van harmonisering van de aanpak per vorm van prostitutie.  Daarbij wordt het accent gelegd op proactieve aspecten, in het bijzonder de beeldvorming en het onder controle houden van het fenomeen, eerder dan op de repressie ervan.  Deze laatste wordt voorbehouden aan de gevallen van mensenhandel.  Zo volgden vier inspecteurs uit de zone Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere een opleiding binnen de Cel MEPROSCH van de Gentse lokale politie.      
Binnen de lokale politiediensten mogen in de regel slechts de leden van de gespecialiseerde afdeling contacten onderhouden met de prostituees.  De andere politieambtenaren mogen de plaatsen waar prostitutie wordt uitgeoefend slechts betreden ingevolge een oproep.
In de zone Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere geldt de regel dat zij, in voorkomend geval, de afdeling mensenhandel daarvan onmiddellijk in kennis stellen indien er een maatregel dient te worden genomen, zo niet een verslag dient te worden opgesteld.    
De dienst sociale inspectie van de lokale politie van de zone Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere werkt systematisch samen met andere diensten en staat de lokale recherche bij in de uitoefening van de controleopdrachten.

20.3.3.2. Samenwerking en coördinatie

Zowel in Brussel als in Gent en Antwerpen bestaan er goede relaties met de lokale politiekorpsen.  Zowel met de GDA, het AIK als de centrale cel “mensenhandel” zou redelijk vlot informatie worden uitgewisseld.  Over de feedback vanuit deze diensten is de lokale politie tevreden.  Behoudens de reeds hoger geciteerde samenwerkingsverbanden, wordt de GDA Brussel uitgenodigd op de razzia’s die door de lokale politie worden gehouden in het prostitutiemilieu.  Het gaat om een informatieve aanwezigheid, die toelaat om ter plaatse na te gaan of er geen conflicten kunnen rijzen met reeds lopende onderzoeken van de federale politie.          
De GDA Brussel wisselt maandelijks informatie uit met DGJ en is tevreden met de feedback.  De informatie-uitwisseling gebeurt aan de hand van de nieuwe formulieren voor de voeding van de databank mensenhandel, conform de richtlijnen vervat in de COL 10/2004
[58] .  Thans verloopt deze informatieoverdracht nog manueel, in afwachting van de implementatie van het FEEDIS-informaticasysteem.  Er wordt echter opgemerkt dat, door het verdwijnen van de eenvormige formulieren, er veel informatie verloren gaat met betrekking tot de Belgische en Europese prostituees, die gebeurlijk ook het slachtoffer worden van Albanese pooiers.

20.3.4.  Samenwerking met externe diensten

Wat de instellingen met het statuut van bar betreft, wordt er zowel in de zone Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere als in Gent multilateraal samengewerkt met andere diensten en wordt het volledige wettelijke arsenaal aangewend met het oog op de controle.
De dienst sociale wetgeving voert in Brussel ook kantschriften uit van het parket.  De lokale politie van Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere heeft gevraagd om voorafgaandelijk contact te nemen, teneinde na te gaan of er geen conflict kan rijzen met andere onderzoeken.       
Dit overleg gebeurt in de praktijk echter niet.  Van haar kant neemt de lokale politie van Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere geen initiatieven zonder voorafgaandelijk contact te nemen met de centrale cel “mensenhandel” van de federale politie.           
In de politiezone Antwerpen wordt in het raam van de aanpak van prostitutie weinig samengewerkt met externe diensten.  Het is een beleidsbeslissing dat er autonoom wordt gewerkt, tenzij een persoon of organisatie zwaar dient te worden aangepakt.  De GDA Brussel werkt incidenteel samen met externe diensten, wanneer er nood is aan hun extra bevoegdheid.  Via het maandelijks rechercheoverleg blijft de GDA op de hoogte van de onderzoeken die door de sociale inspectie worden gevoerd.         
Zowel de GDA als de lokale politie van Gent stellen dat een toegang tot de DIMONA-kruispuntbank van ondernemingen een significante meerwaarde zou bieden zowel in de controle op de gedoogde prostitutie als in de strijd tegen de mensenhandel.          
De GDA Gent maakt gewag van een samenwerkingsprobleem met de Dienst Vreemdelingenzaken met betrekking tot het opstellen van het administratief verslag.        
De DVZ verwacht dat de politie het statuut van slachtoffer van mensenhandel zou bepalen en in geval van illegale aanwezigheid het passende wetsartikel zou vermelden, terwijl de politie van oordeel is dat zij de omstandigheden en de bestanddelen dient te beschrijven en dat het de ambtenaar van de DVZ toekomt om op die basis te kwalificeren.

20.3.5.  Logistiek, wetgevend en regelgevend kader

De reeds in het eerste verslag aangehaalde nood aan uniformisering van het prostitutiebeleid blijft actueel.  Een nauwe samenwerking en het maken van afspraken met het parket en externe diensten vormen hierbij een kritieke succesfactor.  Het ontbreken van een wettelijk statuut voor prostituees creëert volgens de studie van de Antwerpse politie een klimaat van straffeloosheid in de schemerzone tussen gedoogbeleid en vervolging.     
Een stap in de goede richting zou kunnen bestaan in het opleggen van dwangmaatregelen, zoals bijvoorbeeld verzegeling van een prostitutiepand, in afwachting dat aan de vereiste verplichtingen is voldaan: inschrijving in het handelsregister, bijhouden van personeelsregister, btw-plicht, e.a. 
Een uniformisering van de controle op escort en privé-prostitutie dringt zich op, evenals concrete richtlijnen met betrekking tot deze vorm van proactief onderzoek, teneinde zowel de politieambtenaren als de personen die het voorwerp uitmaken van de controle enige rechtszekerheid te bieden.

Op het niveau van de politiediensten zou er weinig impact voelbaar zijn van de nieuwe omzendbrief COL 10/2004, die vooral gevolgen heeft op het niveau van het parket.  De wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere opsporingsmethoden en enige andere onder­zoeksmethoden wordt wel als een verbetering gezien in de strijd tegen de georganiseerde prostitutie.           
Wat het statuut van slachtoffer van mensenhandel betreft, is de ervaring goed, op voorwaarde dat de draagkracht ervan door de onderzoekers goed wordt ingeschat en zij niet de eerste de beste prostituee doorsturen.  Dit gegeven werd door nagenoeg alle geïnterviewden als een kritieke succesfactor ervaren.  Er zou in die context een behoefte bestaan aan meer en betere opvangtehuizen.          
Sommigen (Antwerpen) opteren eerder voor safe-houses met geregeld wisselende adressen dan voor de bestaande vaste opvangtehuizen.  Anderen (GDA Brussel) stellen dan weer dat de bestaande opvangtehuizen, door de voorzichtigheid die aan de dag wordt gelegd en de bijzondere aandacht die zij genieten vanwege de lokale politiediensten, een voldoende veiligheidsniveau kunnen waarborgen.  Tevens werd vastgesteld dat van degenen die onmiddellijk naar de centra worden overgebracht, weinigen terugkeren naar de prostitutie.  Anders is het gesteld wanneer er niet onmiddellijk een plaats beschikbaar is, dan verdwijnt het merendeel terug in het prostitutiemilieu.           
Vooral op het gebied van de bestrijding van de straatprostitutie wordt gewag gemaakt van een gebrek aan een wettelijk instrumentarium om dit probleem doeltreffend te beheersen.  Zowel de veroorzaakte overlast als de aanzetting tot ontucht blijken in de praktijk moeilijk te bewijzen.  Rendez-voushuizen zijn thans niet verplicht om hotelfiches bij te houden.  Het invoeren van een dergelijke verplichting zou niet alleen interessant zijn met het oog op een correctere fiscale inning, maar zou, volgens de korpschef van de zone Schaarbeek/Sint-Joost-ten-Node/Evere, tevens de politiediensten meer inzicht kunnen bieden in de relaties tussen personen (wie kent wie in het prostitutiemilieu).

20.3.6.  Psychologische implicaties

Uit nazicht blijkt dat er van systematische doodsbedreigingen tegen onderzoekers geen sprake is.  Alleen op het niveau van de GDA Brussel wordt gewag gemaakt van dergelijke feiten, doch gemiddeld slechts één keer per jaar.  Zulke bedreigingen worden aangepakt door proactief op te treden, door kennisgeving aan de betrokkenen dat politie en gerecht op de hoogte zijn van hun plannen.         
Rekening houdend met een aantal factoren, gekoppeld aan de bestrijding van de mensenhandel (minderjarige slachtoffers, moeilijkheid om slachtoffers daadwerkelijk te helpen, e.a.) werd ook gepeild naar de psychologische draagkracht van de onderzoekers.  In alle korpsen kunnen zij een beroep doen op bijstand van een psycholoog of sociaal assistent, doch volgens de geïnterviewden zou daar geen behoefte aan zijn.  Dit wordt voornamelijk toegeschreven aan de selectie van het personeel voor de afdelingen mensenhandel, waarbij de kandidaten mede beoordeeld worden op hun psychologische draagkracht.

20.3.7.  Opleidingen

Sinds 2004 programmeert de West-Vlaamse Politieschool een opleiding mensenhandel/mensensmokkel.  Een dergelijke opleiding voldoet aan een dringende behoefte en dient op alle mogelijke manieren te worden aangemoedigd.          
Uit een evaluatie van deze vorming blijkt dat alle aspecten van illegale immigratie en mensenhandel aan bod komen.  Het vormingspakket wordt niet enkel aangeboden aan politieambtenaren, maar is tevens toegankelijk voor magistraten, personeel van de sociale inspectie, de DVZ, de stedelijke bevolkingsdienst en de dienst strafrechtelijk beleid. 
Dat de vorming zowat alle actoren op het terrein verenigt, is een meerwaarde, niet alleen naar harmonisering van het kennisniveau toe, maar ook op het vlak van netwerkvorming.  De opleiding voorziet ook in plaatsbezoeken, die kunnen bijdragen tot een beter inzicht in de werking van de partners en de specifieke problemen waarmee zij worden geconfronteerd.

20.3.8.  Eindconclusies

Doorheen de verschillende fasen van dit toezichtsonderzoek kon over het algemeen worden vastgesteld dat in toenemende mate wordt gewerkt op een multidisciplinaire wijze, zowel binnen de geïntegreerde politie als in samenwerking met externe partners.  Vooral de grotere betrokkenheid van de wijkinspecteurs is een zeer positieve evolutie, niet alleen gezien de meerwaarde die zij kunnen bieden in de bestrijding van de mensenhandel en het onder controle houden van de gedoogde prostitutie, maar tevens in het raam van de permanente aandacht die in het nationaal veiligheidsplan wordt gevraagd voor een geïntegreerde werking, die vooral steunt op de filosofie van de gemeenschapsgerichte politiezorg.  
Op het niveau van de GDA heeft men een duidelijk zicht op de verschillende prostitutievormen, hetzij vanuit eigen onderzoeken, hetzij door de informatie die door de lokale politie wordt geleverd.  Met betrekking tot de informatiestroom betreffende deze specifieke materie schijnt zich een positieve evolutie voor te doen in de werking van de AIK’s, want geen van de bezochte diensten uitte desbetreffend kritiek, noch naar de doorstroming van het lokale naar het federale niveau, noch met betrekking tot de verschafte feedback.   
Er schijnt anderzijds behoefte te zijn aan toegang tot externe databanken.  Zowel de GDA Gent als de GDA Brussel onderhouden, gezien de internationale dimensie van de mensenhandel, contacten met een aantal gespecialiseerde diensten uit de ons omringende landen of landen van doortocht.     
De initiatieven die werden ontwikkeld dienen te worden beschouwd als een beginpunt, in het tot stand brengen van een onderlinge dynamiek tussen de verschillende geledingen van de nieuwe politiestructuur onderling en ten opzichte van externe partners.  Zo ook zijn de fenomeenstudies die in diverse zones werden opgesteld, een eerste stap in de richting van de implementatie van een lokale veiligheidsdiagnostiek, die is voorzien in de Kadernota Integrale Veiligheid
[59] .

Naar de toekomst toe dient deze evolutie op gestructureerde wijze te worden voortgezet, waarbij kan gedacht worden aan een harmonisering van de strategische en operationele grondslagen van de beheersing van de mensenhandel, op basis van ‘best practices’ uit de verschillende korpsen.  Deze harmonisering moet onder meer voorkomen dat er geografische verschuivingen plaatsvinden naar zones die minder opgewassen zijn tegen het fenomeen.

21.                Politiediensten en minderjarigen [60]

In het activiteitenverslag 2003 [61] werd een analyse gemaakt van de wijze waarop sommige politieambtenaren zich gedragen ten opzichte van minderjarigen wanneer zij optreden in hun hoedanigheid van officier of agent van gerechtelijke of bestuurlijke politie.    
Het verslag bevatte, als bijlage, een overzicht van de politionele houdingen en de wettelijke basis ervan.  Tevens werd er een oproep gedaan om op sommige punten het Belgisch positief recht te vervolledigen.  Het volledige rapport met de concrete aanbevelingen werd begin 2004 toegezonden aan de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken
[62] .           
Het enige concrete resultaat totnogtoe was echter de publicatie van de omzendbrief inzake niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (N.B.M.V.) – Eerste maatregelen.        
Voor het overige, heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanbevelingen van het Vast Comité P overgemaakt aan de werkgroep “aanhoudingen” onder het voorzitterschap van de Algemene Directie Veiligheids- en Preventiebeleid van de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken.

Intussen wordt in bepaalde politiediensten nog steeds op onaanvaardbare wijze opgetreden tegen minderjarigen zoals in de politiezone Luik waar vier jongens, tussen 8 en 14 jaar oud, in het zicht van iedereen in een grootwarenhuis werden geboeid en, per twee aan elkaar vastgemaakt, werden afgevoerd.  Er werd bovendien nagelaten van de gepleegde feiten en van hun aanhouding en overbrenging een proces-verbaal op te maken.    
Dat de jongens zigeuners waren en het vermoeden bestond dat één van de kinderen een paar basketschoenen had gestolen, rechtvaardigt uiteraard geenszins dat minderjarigen zo worden behandeld.  Ook het feit dat de minderjarigen met vier waren en de ter plaatse gekomen inspecteurs slechts met z’n tweeën en deze laatsten vreesden voor ontvluchting doet geen afbreuk aan de principes vervat in de dwingende richtlijn MFO1 van de minister van Justitie van 13 december 2001 inzake het verzekeren van de openbare orde in hoven en rechtbanken, het overbrengen van gevangenen en het handhaven van de orde en de veiligheid in de gevangenissen in geval van oproer of onlusten.     
De betrokken inspecteurs werden door de korpschef aan deze richtlijn herinnerd.

22.                Partnergeweld [63]

In de loop van 2003 en 2004 heeft het Vast Comité P een toezichtsonderzoek uitgevoerd met betrekking tot het fenomeen partnergeweld en de wijze waarop de geïntegreerde politiedienst daarmee omgaat.  Gezien het belang van dat maatschappelijk probleem volgt het Vast Comité P deze problematiek verder op. 
Hoewel het de bedoeling is om op lange termijn na te gaan of een verbetering van de situatie zichtbaar wordt, leidde de kortetermijnopvolging toch tot de volgende hoopgevende vaststelling: in vergelijking met het vorige onderzoek waarbij vastgesteld werd dat partnergeweld in 31 politiezones een prioriteit of aandachtspunt vormde in het zonaal veiligheidsplan, blijkt dit nu het geval te zijn voor 51 zones
[64] .  Dit is een substantiële vooruitgang, maar blijft op een totaal van 196 zones nog weinig.  In ons vorig jaarverslag [65] werd namelijk reeds opgemerkt dat het opnemen van partnergeweld in het zonaal veiligheidsplan een impuls kan zijn voor het vrijmaken van capaciteit en voor aandachtsvestiging op het probleem.
Deze vaststelling krijgt bevestiging in contacten genomen met de parketten van Luik en Antwerpen waar sinds lange tijd voldoende aandacht wordt besteed aan de problematiek van intrafamiliaal geweld.  In beide arrondissementen zijn er politiezones die zich positief onderscheiden in de benadering van de problematiek, maar bovendien stelt men er, als gevolg van parketrichtlijnen terzake, vanuit alle zones een significante toename vast van bijvoorbeeld de contactnemingen met een parketmagistraat in geval van intrafamiliaal geweld.      
Onze gesprekspartners meldden eveneens dat er in de opleiding van politieambtenaren meer aandacht zou moeten worden besteed aan de problematiek van intrafamiliaal geweld, een idee waar wij ons alleen maar kunnen bij aansluiten.  Dergelijke vaststelling deed het Vast Comité P immers ook in zijn activiteitenverslag 2003, wat reeds leidde tot een aanbeveling in dit verband.      
Op diverse fora krijgt de integrale aanpak van intrafamiliaal en dus ook van partnergeweld meer en meer vorm.  Als deelnemer aan een aantal van deze fora kunnen de twee niveaus van de geïntegreerde politiedienst een structurele bijdrage leveren.         
De werkgroep ingesteld door het College van procureurs-generaal betreffende de problematiek van partnergeweld, illustreert dit.  In deze werkgroep worden onder meer belangrijke voorbereidende werkzaamheden verricht met het oog op een verbetering van de registratie van feiten van intrafamiliaal geweld.       
Het Vast Comité P zal de evolutie van de politionele aanpak van het fenomeen in 2005-2007 blijven opvolgen.


Onderafdeling 4: Implementatie van het algemeen veiligheidsbeleid ingevolge specifieke wetten, bijzondere procedures of maatregelen

23.                Discriminatie en racisme binnen de politiediensten [66]

23.1.   Probleemstelling

In de loop der jaren heeft het Vast Comité P getracht problemen van discriminatie, onverdraagzaamheid, racisme en xenofobie binnen de politiediensten of bij politieambtenaren op te volgen.                                
De wetgeving terzake is de laatste jaren aanzienlijk geëvolueerd.  De wet van 30 juli 1981 tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden
[67] , werd aangevuld met de wet van 20 januari 2003 tot versterking van de wetgeving tegen het racisme [68] en de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie [69] .

In 2003 heeft het Vast Comité P zijn benaderingswijze inzake discriminatie, racisme en intolerantie sensu Iato in hoofde van sommige personeelsleden van politiediensten bijgestuurd.  Daarnaast werd een eerste balans opgemaakt van de problemen, denkpistes en mogelijke oplossingen en tot slot werd een diepgaander thematisch onderzoek verder voorbereid.
In 2004 heeft het Vast Comité P de klachten die in de jaren 2000 tot 2004 als racisme of discriminatie werden gekwalificeerd, volledig geanalyseerd.  Met die analyse, die de titel ‘nulmeting bis’ draagt, wilde het Vast Comité P de accenten en tendensen opsporen van bepaalde specifieke problemen inzake de werking van de politiediensten en de uitoefening van de politiefunctie.  Hierover is een apart verslag opgemaakt.       
Tevens werd een thematisch onderzoek over interne discriminatie bij de politiediensten opgestart.  Dit onderzoek heeft tot doel de activiteiten die de geïntegreerde politie onderneemt met betrekking tot de problematiek van racisme en discriminatie binnen de politiediensten op te volgen, meer specifiek het actieplan dat op 8 december 2003 werd goedgekeurd door het comité bestaande uit de commissaris-generaal van de federale politie en de directeurs-generaal.  De verwezenlijking van dit actieplan wordt opgevolgd door een begeleidingscomité bestaande uit leden van de federale politie, van de Vaste Commissie van de lokale politie (gemeentepolitie), van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding en van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen.

Sinds 2003 verricht het Vast Comité P een follow-up van enerzijds alle maatregelen en initiatieven die de politie, meer bepaald de federale politie, neemt om intern daden van zogenaamde discriminatie op basis van ras te bestrijden en de integratie van de allochtone personeelsleden te bevorderen en anderzijds alle maatregelen en initiatieven die de politie, vooral de federale politie, neemt om intern de nieuwe wetgeving over daden van discriminatie sensu lato te implementeren en bekend te maken.     
Tijdens het hele jaar werden er geregeld gesprekken gevoerd met de eindverantwoordelijken en de verantwoordelijken voor het actieplan binnen de federale politie (vooral de Cel Gelijke Kansen die het project superviseert) en in het bijzonder naar aanleiding van de vergaderingen van het begeleidingscomité.        
Naarmate het dossier vordert, worden de klachten en aangiften inzake discriminatie en racisme die ter kennis worden gebracht van het Vast Comité P, geanalyseerd en vergeleken met de acties van de geïntegreerde politie teneinde de doeltreffendheid en de omvang van de maatregelen na te gaan.  De analyse van de klachten voor het jaar 2004 is bijna afgerond.  Ze zal worden vergeleken met de resultaten van de ‘nulmeting bis’ en er zal specifiek verslag over worden uitgebracht aan het Parlement.

23.2.   Vaststellingen

Aangaande discriminatie en racisme binnen de politiediensten is een zogeheten ‘diversiteitsbeleid’ uitgestippeld.  Dat beleid werd aangevat bij de hervorming van de politiediensten in 2001 en sluit nauw aan bij het proces van cultuurverandering.
Bij de oprichting van de geïntegreerde politie werd het charter opgesteld met de opdrachten en waarden van de federale politie en, in mindere mate, van de lokale componenten van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.  Tegelijk met de nieuwe procedures en structuren, werden acties opgezet inzake cultuur, die door de Algemene directie personeel/Directie van de interne relaties geïntegreerd worden aangepakt.  Normen, waarden en symbolen werden gedefinieerd en in de loop der tijd werden doelstellingen en indicatoren vastgelegd.  Het eerste nationaal veiligheidsplan bevatte al een aspect ‘integriteit en deontologie’.

Het diversiteitsbeleid werd in samenwerking met het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding ontwikkeld, met de steun van de Vaste Commissie van de lokale politie.  Een werkgroep van de geïntegreerde politiedienst en het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding is meermaals bijeengekomen om na te denken over het concept ‘culturele diversiteit’ en de toepassing daarvan op de politiediensten.  Het begrip ‘diversiteit’ werd gekozen omdat het alle sociale problemen en realiteiten dekt.  In de politiediensten zijn immers specifieke elementen aanwezig die ten grondslag kunnen liggen aan ongelijkheden zoals de verschillende personeelscategorieën, de oorspronkelijke korpsen vóór de hervorming of nog de nieuwe bepalingen inzake de toekenning van graden.  Met al die zaken, net als met alle aspecten die in de wet van 25 februari 2003 ter bestrijding van discriminatie aan bod komen, dient rekening te worden gehouden in het anti-discrimatiebeleid.
Dat diversiteitsbeleid komt tot uiting in diverse teksten van verschillende onderdelen van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.  De deontologische code die stilaan vaste vorm aanneemt – we komen hier elders op terug – bevat een luik ‘integriteit’.  Twee artikelen hebben in principe betrekking op de gelijkheid van kansen.  Het begrip billijkheid tussen de personeelsleden, dat iedereen op gelijke voet plaatst, komt er duidelijk in voor.  Het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding werd als volwaardige partner gekozen voor de uitwerking van de deontologische code.
De aanpak wordt geconcretiseerd in de uitvoering van het actieplan diversiteit dat is opgebouwd rond vijf pijlers, namelijk communicatie, aanwerving, opleiding, integratie en loopbaanbeheer, en wordt uitgevoerd door verschillende verantwoordelijken voor de pilootprojecten.  Het actieplan situeert zich in het kader van de interne discriminatie binnen de politiediensten, als uitvloeisel van de externe discriminatie.  De acties kunnen immers een impact hebben op de geïntegreerde politie als werkgever en, op dezelfde manier, als openbare dienst in de relatie politieambtenaar-burger.
Daarnaast is een project met ‘contactpersonen diversiteit’ opgestart.  Die contactpersonen zullen hun expertise inzake diversiteit overbrengen op personeelsleden van de geïntegreerde politie die er behoefte aan hebben.
Er zijn twee studies gepland die samen met universitaire centra zullen worden uitgevoerd.  De eerste studie bestaat erin de meest geschikte strategieën te bepalen op het vlak van preventie van organisatorische risicofactoren van geweld op het werk.  Op basis van de resultaten ervan zullen nieuwe acties worden bepaald die in het diversiteitsactieplan zullen worden opgenomen.  De tweede studie heeft als thema de integratie binnen de politie en moet het actieplan eveneens aanvullen.  We herinneren er ten slotte aan dat er sinds enkele jaren pre-entry trainings worden gegeven aan allochtonen, met partners zoals Forem (de Waalse dienst voor arbeidsbemiddeling), de Brusselse Gewestelijke Dienst voor Arbeidsbemiddeling en de integratiecentra.  Het doelpubliek is onlangs uitgebreid tot kansarmen.

23.3.   Aanbevelingen

Voor de problematiek van discriminatie en racisme binnen de politiediensten bestaat er een geïntegreerd beleid dat verschillende projecten en initiatieven behelst waarvoor met externe partners wordt samengewerkt.  De opgezette acties verlopen echter niet probleemloos.  In september 2004 heeft een eerste ontmoeting plaatsgevonden van de Cel Gelijke Kansen met de verantwoordelijken voor de pilootprojecten van het actieplan om een tussentijdse balans op te maken.  Het begeleidingscomité is in november 2004 bijeengekomen.  Er zijn al concrete resultaten geboekt voor de vijf pijlers van het actieplan, maar wel in verschillende mate.          
Toch werd het actieplan als te ambitieus beoordeeld omdat deze verantwoordelijken het aantal geplande acties onmogelijk binnen de vooropgestelde termijn kunnen realiseren.  Er moet dus worden bijgestuurd, vooral wat de timing betreft.  In deze fase is het nog te vroeg om zich over de vastgelegde indicatoren te buigen.          
Bovendien komt de geplande universitaire studie over de integratie binnen de politie er om budgettaire redenen niet en blijken de pre-entry trainings, waarvoor financiële overheidsmiddelen nodig zijn, door sommige externe betrokkenen in twijfel te worden getrokken na het zien van de resultaten.  Een netwerk van ‘contactpersonen diversiteit’ vereist dan weer een zekere investering van het betrokken personeel en wordt maar langzaam uitgebouwd.

Men zal dus moeten komen tot een definitieve versie van het actieplan en men zal het uitgestippelde beleid toch moeten kunnen handhaven ondanks de materiële verplichtingen.  Het is mogelijk dat sommige acties worden afgeblazen of uitgesteld om budgettaire redenen en eventueel door andere worden vervangen.    
De uitdaging zal er voor de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, in bestaan om zijn inspanningen voort te zetten en de problematiek op een samenhangende wijze te blijven benaderen.      
Het Vast Comité P zal deze kwestie met belangstelling verder volgen in 2005-2007.

24.                Lokale vuurwapenregisters en het centraal wapenregister [70]

Een artikel in de “De Tijd” van 7 oktober 2004 vormde de aanleiding tot het onderzoek naar de wijze van registratie van vuurwapens in het centraal wapenregister (CWR) door de politie­diensten.  Hierin stelden vertegenwoordigers van Unact [71] dat: (1) de politie geen moraliteits­onderzoek verricht naar een door een wapenhandelaar aangemelde koper van een jacht- of sportvuurwapen; (2) de aankoop van een vuurwapen (jacht- en sportwapen of verweer­vuurwapen) bij een erkende handelaar door de lokale politie vaak niet wordt ingevoerd in het centraal wapenregister; (3) de jacht- en sportwapens aangekocht voor 1989 bij de overheid niet gekend zijn; (4) de overheid niet weet hoeveel legale wapens er in België zijn; (5) het CWR een puinhoop is, onder meer door een gebrekkige codering van vuurwapens, een achterstand in de registratie van vuurwapens door personeelsgebrek en door een slechte informatica-uitrusting op deze dienst.           
Om deze standpunten te toetsen aan de realiteit, werd enerzijds nagegaan in welke toestand de lokale wapenregisters zich bevinden en hoe vlot de informatiedoorstroming vanuit deze lokale wapenregisters naar het CWR verloopt en anderzijds gepeild naar de mate waarin en de wijze waarop de legale wapens door de politiediensten geregistreerd worden.

Om een zicht te krijgen op de inhoud van het CWR en de voeding ervan door de lokale politiediensten, werden drie betrokken actoren bezocht en bevraagd.  In een eerste fase bezochten de onderzoekers enkele wapenhandelaars en raadpleegden ze er de verplichte registers om nadien de link te kunnen leggen met de corresponderende registraties in het CWR.  Ten tweede, gingen ze ter plaatse in vijf lokale politiezones waarbij ze peilden naar de wijze waarop de wettelijke verplichtingen inzake wapenwetgeving worden nageleefd en naar de mate waarin daarbij problemen worden ondervonden.  In het verlengde daarvan brachten de onderzoekers in een derde fase een bezoek aan de diensten van het CWR.

Op basis van een analyse van de onderzoeksgegevens kan gesteld worden dat de kwaliteit en de betrouwbaarheid van de lokale wapenregisters en van het CWR niet afdoende zijn voor een adequate exploitatie van de gegevens.  Specifieke factoren die de betrouwbaarheidswaarde van de lokale wapenregisters en het CWR belasten, zijn: (1) de achterstand in de opvolging van de adreswijzigingen; (2) de achterstand in de opvolging van vuurwapens geregistreerd op naam van overleden personen; (3) de achterstand in de opvolging van verkochte of overgedragen vuurwapens; (4) de achterstand in de registratie van de in beslag genomen vuurwapens; (5) de achterstand in het verifiëren van vuurwapens die geïnventariseerd werden ten tijde van de vereenvoudigde inschrijvingen; (6) de achterstand in het corrigeren van foutieve registraties in het CWR die het gevolg zijn van de verwerking van de vroegere papieren dragers; (7) de overgang van een papieren naar een geïnformatiseerde voeding van het CWR en (8) de achterstand in de registratie van vuurwapens in het bezit van erkende verzamelaars.         
De oorzaak van de tekortkomingen in de registratie van vuurwapens is van tweeërlei aard.  Op lokaal vlak is er veelal sprake van een gebrek aan aandacht voor de problematiek of een gebrek aan toegewezen capaciteit om de politietaken voortvloeiend uit de wet van 3 januari 1933 op de vervaardiging van den handel in en het dragen van wapenen en op den handel in munitie
[72] nauwgezet uit te voeren.    
Het beheer van het lokaal wapenregister en de voeding van het CWR is voor de meeste politiezones geen prioriteit.  De omvang van de achterstand in de registratie van vuurwapens is echter moeilijk in te schatten, zowel voor de lokale wapenregisters als voor het CWR.  Bij de overname van het CWR, in 2001, door de federale politie was het CWR reeds een onbetrouwbaar gegeven.  De verantwoordelijkheid hiervoor ligt deels bij de politiezones, maar ook bij de vroegere federale beheerders van het CWR, zowel op functioneel als op beleidsmatig vlak.  Het CWR is nog steeds een externe
[73] gegevensbank eigendom van de Federale Overheidsdienst Justitie.  Aanvankelijk was het de bedoeling de gegevensbank als statistisch instrument te hanteren teneinde de evoluties in het particuliere wapenbezit te kunnen opvolgen.  Tot 1994 werd het CWR beheerd via het Commissariaat-generaal van de gerechtelijke politie, waarna het beheer werd toevertrouwd aan de Algemene Politiesteundienst bij het Ministerie van Binnenlandse zaken. 
Sinds 1 januari 2001 wordt het CWR beheerd door de federale politie, de Algemene directie operationele ondersteuning/Directie van de nationale gegevensbank (DGS/DSB), die instaat voor het beheer van alle politionele databanken.  De huidige beheerders pogen, in samenwerking met de politiezones, de kwaliteit en betrouwbaarheid van het CWR te verhogen.  Op lokaal vlak blijken de ingezette of beschikbare middelen echter niet voldoende om de disfuncties uit het verleden, ook deze van anderen, binnen een aanvaardbaar tijdsverloop te corrigeren.

Op basis van de onderzoeksresultaten kan men besluiten dat er wel degelijk waarheid schuilt in de ingenomen stellingen in het voormelde persartikel.  De uitspraak dat de overheid niet op de hoogte is van het aantal legale vuurwapens in België of niet steeds weet wie de bezitters zijn, blijkt jammer genoeg waar te zijn, vooral door het grote aantal foutieve of verouderde registraties in het CWR.  Waar men in het persartikel verwijst naar een gebrek aan moraliteitsonderzoek door de politiediensten, slaat men de bal echter mis, want voor de bedoelde vuurwapens, jacht- en sportvuurwapens is dergelijk onderzoek niet voorzien in de huidige wetgeving.  De uiting in het artikel over de ondermaatse informatiedoorstroming naar het CWR wordt wel bevestigd door het onderzoek.           
Verder heeft dit onderzoek aangetoond, indien de steekproef als representatief mag worden beschouwd, dat 21 % van de legaal verkregen vuurwapens niet, laattijdig of nog niet geregistreerd werd in het CWR en dat 30 % van de registraties fouten bevat in de beschrijving van het wapen of in de gegevens van de bezitter.        
De onbetrouwbaarheid van het huidige CWR maakt dat het momenteel beleidsmatig noch operationeel een bruikbaar instrument is.  Nochtans menen we te mogen stellen dat de bestaande wantoestanden op dit vlak niet toegeschreven kunnen worden aan één politiedienst.  Vanaf de inwerkingtreding van het CWR bleken er immers op verschillende niveaus diverse tekortkomingen te bestaan.   
De huidige toestand kan slechts in positieve zin omgebogen worden als men in alle componenten van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en op alle beleidsniveaus, bestuurlijk en gerechtelijk, bereid is de nodige investeringen te doen en deze problematiek prioritair te behandelen.   
Los van de verantwoordelijkheden, zal dit vooral voor de lokale politiezones een aanzienlijke bijkomende werklast betekenen en zal het heel wat tijd vergen om de situatie te regulariseren.
Of de situatie volledig geregulariseerd zal kunnen worden, valt te betwijfelen aangezien heel wat legale wapens ondertussen in het illegale circuit kunnen terechtgekomen zijn.


Afdeling 3: Doelmatigheid en coördinatie

25.                Steunaanbod van de federale component aan de lokale component van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus [74]

25.1.   Probleemstelling

In welke mate kunnen de diensten, de algemene directies en het commissariaat-generaal van de federale politie een goed inzicht verschaffen in de behoeften van de lokale politie aan federale steun, het steunaanbod van de federale politie aan de lokale politie, de aanwezigheid en de pertinentie van de evaluatie- en toekenningscriteria, de meest gevraagde en verkregen federale steun en de tevredenheidsgraad en de kwaliteit van de verkregen federale steun?

Op deze vragen tracht het Vast Comité P een antwoord te bieden door een toezichtsonderzoek naar de steunverlening van de federale politie aan de lokale politie te voeren.  Als gevolg van een ruime bevraging van de lokale en van de federale component van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en een reeks contacten met verschillende verantwoordelijken van de federale politie beschikt het Vast Comité P over heel wat informatie met betrekking tot steun.        
Niettemin heeft het Vast Comité P al meermaals moeten betreuren dat de ingezamelde informatie onvoldoende toelaat een balans op te maken van de mate waarin de steun tot tevredenheid van de ontvanger en in de geest van de geïntegreerde werking van de politie wordt geleverd.

In de laatste fase van het onderzoek werden de antwoorden van de commissaris-generaal en de verschillende directeurs-generaal op de verschillende vragenlijsten geanalyseerd, met de bedoeling om enerzijds een beter zicht te krijgen op het steunaanbod per algemene directie en om anderzijds na te gaan of er over deze verschillende steunvormen kwalitatieve en kwantitatieve gegevens worden bijgehouden met het oog op de ontwikkeling en bijsturing van een beleid terzake.

25.2.   Methodologie

25.2.1.  Periode 2002-2003

Dit thematisch onderzoek van het Vast Comité P werd opgestart eind 2002.  Na de bevraging van een representatieve steekproef van lokale politiediensten over 46 voorziene steunvormen, werd in 2003 een eerste analyserapport opgemaakt.  De belangrijkste conclusie betrof toen de vaststelling dat er geen concrete en bruikbare inventaris bestond inzake de verschillende steunvormen die de federale component aan te bieden heeft aan de lokale component.  Bij gebrek aan inventaris werd ook vastgesteld dat er geen ondubbelzinnige criteria bestaan bij de aanvraag en de toekenning van de steun.
Het dient gezegd dat in de loop van 2003-2004 weliswaar heel wat initiatieven werden genomen door de federale politie om onder meer de steunopdrachten die de federale politie uitvoert ten voordele van de lokale politiediensten, uit te werken op basis van de principes van de “Service Level Agreement” (SLA).  De bedoeling was om de dienstverlener aan te zetten om de geleverde diensten te identificeren en te omschrijven, de inzet- en opvolgings­procedures te definiëren, de uitvoeringsmodaliteiten te bepalen en de wijze van kostendoorrekening en facturatie vast te leggen.  De verschillende verantwoordelijke directeurs-generaal werden hiervoor geresponsabiliseerd en de diensten van de commissaris-generaal, met name de Directie van de werking en van de coördinatie van de federale politie (CGC) was belast met de algemene coördinatie.

In ons tussentijds verslag van eind oktober 2003 stelden we vast dat er nog geen sprake was van enige noemenswaardige interesse van de federale politie om werk te maken van een inventaris van de aangeboden federale steun aan de lokale politie, in de vorm van een manuele of geautomatiseerde catalogus.
Verder stelden we vast dat op onze vraag om bestemmeling te worden van enige documentatie betreffende de voortgangsrapportages in het kader van het volledig geconsolideerd en geïnformatiseerd beheerscontrolesysteem op basis van de principes van een balanced scorecard tot op heden niet duidelijk werd ingegaan.

25.2.2.  Periode 2004

In afwachting van enkele lopende en/of voltooide initiatieven, zoals de finalisering van de nationale veiligheidsplannen 2003-2004 en 2004-2007 (NVP), het neerleggen van de bevindingen van de werkgroep “steunverlening aan de lokale politie”, de inplaatsstelling van een balanced scorecard in het kader van het nationaal veiligheidsplan en de ontwikkeling van een systeem van omschrijving van de steunopdrachten op basis van de principes van de Service Level Agreements, werd in de loop van het jaar 2004 de draad van dit thematisch onderzoek weer opgenomen.
Na enkele voorbereidende gesprekken met de diensten van de commissaris-generaal, werd beslist om een vragenlijst toe te zenden aan de diensten van het commissariaat-generaal en de verschillende algemene directies, met de bedoeling te peilen naar het bestaan van waardevolle informatiebronnen betreffende de uitbouw en de ontwikkeling van de steunopdrachten.

Het is immers ondenkbaar dat het Vast Comité P een audit zou uitvoeren inzake de geleverde steun, zonder eerst kennis te krijgen van de resultaten van de bestaande opvolgings- en evaluatie-instrumenten van de federale politie.

25.3.   Vaststellingen

Een eerste analyse van de beschikbare informatie leidt tot de volgende vaststellingen: (1) er heerst onvoldoende duidelijkheid omtrent het plannings- en evaluatieproces; (2) er heerst onvoldoende duidelijkheid over de inhoud van de Service Level Agreements; (3) er zijn verschillen in de opvolging van de steun bij de federale politie; (4) er is onvoldoende duidelijkheid over de geplande beleids- en beheersinstrumenten; (5) er is onvoldoende duidelijkheid over de verantwoordelijkheid voor het systeem van planning en opvolging.

25.3.1.  Planning en evaluatie van de steunverlening

Het onderzoek heeft aangetoond dat de lokale politieambtenaren een verschillend inzicht hebben in het dienstenaanbod van de federale politie afhankelijk van het feit of ze vroeger deel uitmaakten van de rijkswacht dan wel van de gemeentepolitie.  
Informatie over de wijze waarop de federale politie op systematische wijze peilt naar de behoeften en verwachtingen van de lokale politie was niet te verkrijgen in dit dossier.  Aan de Vaste Commissie van de lokale politie (VCLP) wordt alleszins door sommige algemene directies een advies gevraagd over de ontwerpen van Service Level Agreements
[75] , maar diens antwoorden kunnen qua aard en diepgang van vraag tot vraag erg verschillen.          
Het antwoord van de VCLP op de bevraging door het Vast Comité P laat eveneens vermoeden dat de Commissie geen systematische inzameling en evaluatie van de behoeften, verwachtingen en tevredenheid van de lokale politie organiseert
[76]
De bevraging door het Vast Comité P van een aantal lokale korpsen toont aan dat er een heterogeen beeld bij de lokale politie bestaat van de kennis van het aanbod, de behoeften en verwachtingen en tevredenheid, maar onderstreept ook dat een dergelijke bevraging op systematische wijze vrij gemakkelijk te organiseren is.

Als tussentijdse conclusie wenst het Vast Comité P te stellen dat om de steun op een degelijke manier te organiseren er eerst een gedegen analyse moet worden gemaakt van de vraag en de huidige tevredenheid van de afnemer.  De moeilijk ingezamelde gegevens geven niet de indruk dat dit vandaag op systematische wijze georganiseerd is in het politielandschap.

25.3.2.  Onvoldoende duidelijkheid over de inhoud van de Service Level Agreements

Eén van de prioritaire doelstellingen van het nationaal veiligheidsplan 2003-2004 luidt als volgt: tegen eind 2003 de steunopdrachten die de federale politie uitvoert ten voordele van de politiediensten, uitwerken op basis van de principes van Service Level Agreement (SLA) [77] .  Er is een opvolging van de mate van invoering van de SLA voorzien [78] .  Daarvoor verwijzen enkele bevraagde directeurs-generaal naar een opvolgingstabel met de rubrieken: uitgewerkt, verspreid, verwachte verspreidingsdatum en verspreidingsvorm.         
Uit een opvolgingsverslag van de federale politie blijkt tevens dat de doelstelling rond het opstellen van SLA geen probleem had mogen vormen en binnen een aanvaardbare termijn moest worden gehaald
[79] .  Dit kon evenwel vrij langzaam op een gecoördineerde en geïntegreerde wijze geschieden en dit proces is voorlopig nog niet volledig afgerond.

De invoering van Service Level Agreements is een goed idee, maar lijkt nog niet echt helemaal op punt te staan.  Er ligt wel een eenduidige structuur vast [80] , maar de inhoudelijke invulling ervan geeft niet de indruk dat de SLA als een echt contract geldt tussen twee verschillende diensten.  De ter beschikking gestelde SLA’s vertonen onder andere de volgende kenmerken: (1) er wordt geen melding gemaakt van een duidelijke aanduiding van het volume aan steun dat specifiek aan de lokale politie ter beschikking wordt gesteld, vb. x % van de capaciteit op jaarbasis; (2) er wordt geen melding gemaakt van een aanduiding van de kwaliteitsgarantie die geboden wordt.  Dit is nochtans een belangrijk aspect om van een SLA te kunnen spreken, vb. x % van de aanvragen wordt zeker uitgevoerd en er bestaat y % tevredenheid van de lokale politie over de dienstverlening.

25.3.3.  Verschillen in opvolging van de steunverlening bij de federale politie

25.3.3.1. Inleiding

De antwoorden die door de commissaris-generaal en de directeurs-generaal van de federale politie werden gegeven op de bevraging door het Vast Comité P over de wijze waarop de steun aan de lokale politie werd opgevolgd, kunnen als volgt worden gesynthetiseerd.

Enerzijds leidt de vergelijking van de antwoorden tot de bevinding dat er geen eenvormige aanpak van de aansturing en opvolging van de steunverlening is.  Er wordt wel verwezen naar factoren die gemeenschappelijk zijn.  Het nationaal veiligheidsplan (NVP) zou per algemene directie één of meer indicatoren voorzien per strategische en operationele doelstelling.  De uitvoering ervan zou worden aangestuurd via opvolgingsvergaderingen [81] .  Een overzicht van deze indicatoren werd ons evenwel niet overgemaakt.  De enkele verslagen waarover wij beschikken die verwijzen naar opvolgingsvergaderingen met betrekking tot het NVP, blijven algemeen over de steun (verwijzing naar de mate van invoering van SLA).  Het is weinig waarschijnlijk dat verder onderzoek op dit vlak tot betere resultaten zal leiden omdat de vraagstelling van het Vast Comité P duidelijk was en omdat er in de antwoorden van de directeurs-generaal en de commissaris-generaal niet verder, dieper noch overzichtelijk op wordt ingegaan.

Anderzijds zijn de verschillen qua inhoudelijke invulling en opvolging groot: (1) sommigen leggen de nadruk op de gepresteerde uren zonder meer (input); (2) anderen kijken naar het aantal aanvragen (input), soms gecombineerd met het aantal toegestane en geweigerde aanvragen (output); (3) nog anderen rapporteren in hun antwoord aan het Comité over “de mate waarin de lokale politie haar verbintenissen nakomt”, maar geven geen informatie over de eigen prestaties; (4) een enkele dienst heeft een instrument klaar om de tevredenheid over de dienstverlening te meten (kwaliteit) [82] .

De beschikbare informatie wekt de indruk dat er thans geen uniforme wijze van rapportering bestaat over de performantie bij de uitvoering van de steuntaken.

25.3.3.2. Bevraging van de commissaris-generaal en van de directeurs-generaal

Het is nuttig om de uitgangspunten van deze fase van dit onderzoek nog eens in ogenschouw te nemen.  In welke mate kunnen de directies en de diensten van de federale component van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus een inzicht verschaffen in: (1) de behoeften van de lokale component aan federale steun; (2) het steunaanbod van de federale politie aan de lokale politie; (3) het bestaan of de aanwezigheid en de pertinentie van de evaluatie- en toekenningscriteria; (4) de meest gevraagde en verkregen federale steun; (5) de tevredenheidsgraad en de kwaliteit van de verkregen federale steun?

25.3.3.2.1.                 Antwoord van de commissaris-generaal

Uit onze analyse van het toegestuurde antwoord blijkt duidelijk dat, op het ogenblik van de bevraging in 2004, het niveau van de commissaris-generaal over geen gesystematiseerde concrete en algemene gegevens beschikte, die het Vast Comité P had kunnen helpen bij het bepalen van een relevante strategie om, per algemene directie en met kennis van zaken, bepaalde onderdelen van het steunaanbod van die algemene directies bij wijze van marginale controle door te lichten en te toetsen aan bestaande managementinformatie.  Met andere woorden, schijnbaar was er toen geen enkele dienst in staat om, overkoepelend voor de verschillende directeurs-generaal, een algemeen beeld te schetsen van de stand van zaken op het vlak van steun.   
Naar onze mening is het in die zin voor de federale component van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus evenmin mogelijk om op wetenschappelijke of voldoende pertinente en verifieerbare wijze verantwoording af te leggen over de verhoudingen in het aanbod en de bevraging van de verschillende steunvormen.  Op die manier is het voor de federale politie ook moeilijk om op een eenvoudige en snelle manier weerwerk te bieden aan elke mogelijke, al dan niet terechte, kritiek van de verschillende actoren in het politielandschap dat in volle ontwikkeling is.   
Bijgevolg blijft de nochtans eenvoudige vraag of de federale steunverlening aan de lokale politie gunstig evolueert in de huidige stand van zaken in grote mate onbeantwoord bij gebrek aan duidelijke of voldoende uitgewerkte antwoorden.   
Niettemin kunnen we vaststellen dat alle instrumenten en data in zekere mate binnen de diensten van de commissaris-generaal verzameld en aanwezig zijn, zij het op niet echt systematische wijze, om, al is het dan op uitdrukkelijke vraag van de overheid, een beoordeling te kunnen maken van de evolutie van de steunverlening.   
De vraag blijft dan hoe het komt dat deze op een niet-systematische manier voorhanden zijnde informatie of documentatie niet uitmondt in een bruikbaar, systematisch en performant meetinstrument ten behoeve van de overheid. 

Een eerste reden is dat de verschillende respondenten van de federale politie niet georganiseerd en voorzien zijn om op een eenvoudige en snelle manier op dergelijke vragen in te gaan.  De weinige bestaande meetinstrumenten inzake steunverlening lijken nog niet volledig operationeel te zijn of worden nog volop ontwikkeld of geïmplementeerd, en zijn vooral niet geconcipieerd ten behoeve van een externe controle.           
Niettegenstaande sinds geruime tijd bekend is dat de federale steun een prioritair onderzoek is van het Vast Comité P en rekening houdend met het feit dat dergelijke onderzoeken veel tijd en organisatie vergen, kan men niet echt stellen dat de federale politie op overtuigende wijze een inhaalbeweging heeft ingezet, noch dat ze initiatieven neemt om tegemoet te komen aan de vraag.           
In dat verband is het nuttig te verwijzen naar volgend uittreksel uit een interessant antwoord
[83] van de diensten van de commissaris-generaal, namelijk: […] het commissariaat-generaal te allen tijde een algemene stand van zaken kan geven omtrent de steunverlening.  Deze stand van zaken is gebaseerd op informatie die op vraag van de commissaris-generaal wordt aangeleverd en verwerkt tot een globaal document”, waaruit we kunnen concluderen dat een dergelijk document geproduceerd kan worden en dan ook een perfect antwoord zou kunnen bieden op onze vraag om managementinformatie ten behoeve van dit onderzoek.  
In die zin merkten de diensten van de commissaris-generaal in hun antwoord op dezelfde vragen terecht op: “Het is niet de informatie maar wel de toegang tot de informatie die de sleutel is tot succes”.        
Dit illustreert eens te meer dat het succes van een controle, meer in het bijzonder een externe controle afhankelijk is van de informatie die wordt aangeleverd en dat sommige ‘gecontroleerden’ zich hiervan zeer bewust zijn.  Hieromtrent merkte de parlementaire begeleidingscommissie van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten in juli 2004 op:
“De begeleidingscommissies benadrukken dat de voornaamste taak van het Vast Comité P, dat door het Parlement werd ingesteld, erin bestaat erop toe te zien dat deze diensten hun plaats in ons democratisch bestel behouden.  In deze context dringen zij erop aan dat de overheden die er wettelijk toe gehouden zijn dit Comité de daarvoor benodigde informatie te verstrekken, zich strikt aan hun verplichtingen ter zake houden” [84] .

Een tweede reden is dat de diverse respondenten op verschillende manieren op eenzelfde vragenlijst antwoorden.  Daarenboven verschilt de manier van antwoorden en de timing van algemene directie tot algemene directie en van directie tot directie.  Dit heeft voornamelijk te maken met de aangewende methodologie en met het feit dat, in het verlengde van een gedachtewisseling met de commissaris-generaal, de verschillende directeurs-generaal pas in mei 2004 rechtstreeks betrokken werden in dit onderzoek.  We moeten hierbij ook vaststellen dat de diensten van de commissaris-generaal door het aanwenden van deze methodologie en het korte tijdsbestek, geen enkele coördinerende of stuwende rol hebben vervuld (kunnen vervullen).
Uit het antwoord op de eerste vraag van de vragenlijst
(Welke directie van het commissariaat-generaal is verantwoordelijk voor de overkoepelende opvolging en coördinatie van de steun van de federale politie aan de lokale politie?) van de diensten van de commissaris-generaal onthouden we onder meer: “Daarnaast gebeuren overkoepelende opvolging en coördinatie vanuit verschillende diensten van het Commissariaat-Generaal, conform de wettelijke regelgeving”.

Een derde reden heeft te maken met de manier waarop de verschillende respondenten invulling geven aan het begrip ‘verantwoording afleggen’.  Elke respondent benadert de vragenlijst op zijn manier.  Sowieso moet elke directie of dienst die een bepaald beleid voert, een keuze maken in de hoeveelheid capaciteit die zij of hij wil besteden aan het opvolgen en meten van haar of zijn beleid, met het oog op het afleggen van verantwoording.   
De geïnvesteerde capaciteit, het inzicht van de directeur en de inventiviteit en het enthousiasme van de voornaamste medewerkers achter de schermen, meer bepaald op het vlak van beheer en strategie, zullen medebepalend zijn voor de kwaliteit en de diepgang van het instrument en de rapportage.
Een dergelijk opvolgingssysteem heeft aanzienlijke voordelen voor de werking van de instelling zelf.  Daarenboven zal zulke keuze ertoe leiden dat er meer coherentie in de opvolging, alsook meer transparantie in de invulling van het gevoerde beleid is, waardoor er echter een tweeslachtige situatie ontstaat.  Enerzijds stelt men zich schijnbaar zwakker op omdat men zelf zijn sterke en zwakke kanten etaleert, met alle mogelijke negatieve gevolgen van dien, zoals overbevraging door naambekendheid, negatieve kritiek door overheden, externe en interne druk door mediabelangstelling, enz.  Anderzijds anticipeert men op mogelijke aanvallen en negatieve kritiek door te wijzen op de beperkingen van de geleverde diensten, op voorwaarde dat er een goed en degelijk onderbouwd beleid wordt gevoerd.         
Een dergelijke houding kan leiden tot een sterke positionering van de dienst in kwestie, waarbij de mogelijkheid geboden wordt om te tonen dat men, gezien de beperkingen, een degelijk beleid voert naar doelmatigheid en doeltreffendheid toe.  Iedereen zal hierin uiteindelijk een keuze moeten maken en terzake een strategie moeten bepalen, ook de diensten van de federale politie die betrokken zijn bij dit onderzoek naar de kwaliteit en de doeltreffendheid van de steunverlening.

Ten slotte is er nog het aspect communicatie tussen de respondenten en het Vast Comité P.  Het is ontegensprekelijk dat de manier waarop deze communicatie verliep, werd bemoeilijkt en vertraagd door de aan gang zijnde ontwikkelingen in het nieuwe politielandschap.  
Onmiddellijk werd er door onze diensten voor gekozen om te communiceren via de gespecialiseerde diensten van de commissaris-generaal, in de veronderstelling dat deze het best geplaatst waren om, gezien hun ervaring en takenpakket, mee te werken aan dit onderzoek.       
Vandaag is het duidelijk dat deze communicatievorm op dat moment niet het meest geschikt was en niet het gewenste effect opleverde met betrekking tot de doelstellingen van het onderzoek en de gewenste resultaten.

25.3.3.2.2.                 Overige respondenten - Algemene directies

Zoals reeds gesteld, beschikken de diverse directeurs-generaal over beleids- of beheersinformatie in verschillende vormen.          
Deze documentatie is echter niet specifiek ontworpen om een antwoord te bieden op de vragen van dit onderzoek; dit is ook niet nodig.  Het Vast Comité P dient bestendig aandacht te hebben voor de mogelijke overlast of het eventuele dubbel gebruik dat een toezichtsonderzoek, hoe belangrijk ook, met zich kan brengen.  In dit opzicht is communicatie met alle betrokkenen dan ook altijd van essentieel belang geweest.

25.3.4.  Onduidelijkheid over de geplande beleids- en beheersinstrumenten

De antwoorden van de federale politie verwijzen naar een aantal projecten die zullen bijdragen tot een betere opvolging, evaluatie en planning van de steun: (1) federaal model voor capaciteitsmeting en prestatiebeheerssysteem; (2) boordtabel van de federale politie op basis van capaciteit, budget en NVP [85] .          
De inhoud en implementatietermijn worden niet ontwikkeld in de overgemaakte documenten.
De weinige elementen van inhoudelijke informatie die duidelijk worden bij nazicht van het dossier laten vermoeden dat de aanpak met de capaciteitsmeting en de boordtabellen een goed vertrekpunt kan vormen voor de ontwikkeling van een opvolgingsinstrument voor de steunverlening aan de lokale politie: (1) het capaciteitssysteem PPP (Planning Prestatie Personeel) voorziet in een specifieke rubriek “steun aan de lokale politie” en dit per algemene directie, opgedeeld in gratis en betalende steun
[86] ; (2) er zijn indicatoren in de boordtabel voor de opvolging van de tijdsbesteding aan de lokale politiesteun (verhouding tijd besteed aan lokale steun versus totale capaciteit federale politie: + 20 % is goed, 15-20 % is ongeveer in orde, minder is niet goed) [87] ; (3) in de antwoorden van de directeurs-generaal wordt soms gebruik gemaakt van indicatorfiches die ontworpen zijn voor de balanced scorecard.  Dit is positief als vertrekpunt voor verdere ontwikkeling omdat deze fiches erop wijzen dat het werken met performantie-indicatoren en normen deels is ingevoerd [88] .

25.3.5.  Onvoldoende duidelijkheid over de verantwoordelijkheid

De voormelde diversiteit aan opvolgingsinstrumenten bij de algemene directies is moeilijk verenigbaar met het belang van de steunopdracht van de federale politie.  De steunverlening tussen beide niveaus van de geïntegreerde politie vormt immers één van de pijlers van het Belgische politiemodel.  Gezien het belang van de opdracht verwacht men zich aan een eenduidige monitoring van deze taak zodat een goed onderbouwde planning en verantwoording ervan zou kunnen plaatsvinden.      
De federale politie heeft aangegeven dat de interne auditdienst fungeert als dossierverantwoordelijke en interne coördinator bij een aantal algemene directie-overschrijdende initiatieven die moeten worden genomen in de schoot van de federale politie met betrekking tot steunverlening
[89] .  
Tegelijkertijd verwijst de commissaris-generaal in de correspondentie met het Vast Comité P naar het feit dat het commissariaat-generaal niet de volledige regie van de steunverlening in handen heeft
[90] en dat de directeurs-generaal hun eigen verantwoordelijkheid hebben.  Sommige directeurs-generaal verwijzen in hun antwoord dan weer naar het project balanced scorecard dat wordt ontplooid op het niveau van de commissaris-generaal.       
Dat de Vaste Commissie van de lokale politie (gemeentepolitie) geen duidelijk antwoord levert op de bevraging door het Vast Comité P wijst erop dat ook dit belangrijk punt uit de politiehervorming bij de lokale politie evenmin op systematische wijze gebeurt
[91] .

Los van de analyse wie de verantwoordelijkheid draagt, leidt deze onduidelijkheid wel tot een onvoldoende snelle ontwikkeling van een geïntegreerd instrument voor de opvolging van de steunverlening.  Tenzij de federale politie en de lokale politie met andere, hogere prioriteiten geconfronteerd worden, zou dit punt aandacht moeten krijgen zodat een coherent systeem kan worden aangereikt.

25.3.6.  Tussentijdse conclusie(s)

Na kennisname van het resultaat van de bevraging van de diensten van de commissaris-generaal inzake de federale steunverlening aan de lokale politie lijkt het, in de huidige stand van zaken, vrij duidelijk dat dit niveau over geen concrete en algemene gegevens beschikt, die het Vast Comité P kunnen helpen bij het bepalen van een relevante strategie om, per algemene directie en met kennis van zaken, bepaalde onderdelen van het steunaanbod van die algemene directies bij wijze van marginale controle door te lichten en te toetsen aan bestaande managementinformatie.

Zoals reeds gesteld, is het ondenkbaar dat het Vast Comité P een doorlichting zou uitvoeren van de totaliteit van de federale steunverlening, zonder eerst kennis te nemen van bestaande bronnen op de verschillende niveaus, te beginnen bij de diensten van de commissaris-generaal.

Een eerste stap hierin is na te gaan of er op het niveau van de commissaris-generaal een algemene en toegankelijke inventaris bestaat van de verschillende steunvormen van de verschillende algemene directies met duidelijke toekenningscriteria.  Er zijn geen aanwijzingen dat die momenteel zou bestaan.
Vervolgens is het de bedoeling om na te gaan of de diensten van de commissaris-generaal beschikken over algemene en voor de verschillende algemene directies overkoepelende informatie inzake de kwaliteit, de tevredenheid, de kwantiteit, de verdeling over het grondgebied, enz. van de aangeboden en geleverde federale steunvormen. 
Noch globaal wat de algemene directies betreft, noch specifiek wat de verschillende steunvormen betreft, zijn er op dit ogenblik aanwijzingen voor het feit dat een dergelijk waardeoordeel voorhanden zou zijn.

25.4.   Aanbevelingen

Het aanleveren van geschikte informatie en de ontwikkeling van nieuwe meetinstrumenten (of de uitbreiding van bestaande instrumenten) vereisen een weldoordachte aanwending van de capaciteit door de federale politie.  De mate waarin de federale politie zich kan inschrijven in de doelstellingen van dit onderzoek is dus een bewuste keuze en is afhankelijk van het prioritaire karakter dat eraan gehecht wordt.          
Het lijkt ons dan ook aangewezen om dit aspect te herbronnen en het belang van dit onderzoek opnieuw mee te delen aan de betrokkenen.  In deze fase van het onderzoek worden de methodologie en de communicatievorm bijgestuurd.  Gezien de wettelijke beperkingen die volgens de commissaris-generaal zijn opgelegd aan zijn diensten, is het wenselijk ook de algemene directies en sommige van hun eerstelijnsmedewerkers te betrekken in een reeks getrapte vergaderingen met vertegenwoordigers van het Vast Comité P, met als doel het traject om tot een geschikte rapportage te komen, in zekere zin te begeleiden.

De timing van dit onderzoek moet worden aangepast aan de timing van de beleids- en beheerscyclus van de federale politie.  Dit veronderstelt een loyale medewerking van de deelnemers aan dit onderzoek.

Het Vast Comité P zal dit onderzoek en vooral de voortzetting ervan aan de hand van een bijzonder ad hoc verslag bespreken met zijn parlementaire begeleidingscommissie.  In het verlengde daarvan zal, overeenkomstig de gemaakte afspraken, het Vast Comité P in 2005-2007 een evaluatie maken van de beschikbare informatie en aan zijn parlementaire begeleidingscommissie voorstellen formuleren over hoe voormelde balans verder kan worden opgemaakt.

26.                Informatiebeheer [92]

26.1.   Probleemstelling

In het activiteitenverslag 2003 van het Vast Comité P werd een analyse gemaakt van het informatiebeheer, waarvan de conclusie was dat de doelstellingen die in dit domein waren vooropgesteld, niet helemaal waren gehaald [93] .   
Tevens werd aangekondigd dat het Vast Comité P de bedoeling had de nieuwe of herziene actieplannen verder op te volgen.        
Sinds de publicatie van het activiteitenverslag 2003 werden terzake verschillende initiatieven ontplooid door de federale politie, die werden geïnventariseerd en in de loop van 2004 werden geanalyseerd.  De hoofdbedoeling was een (voorlopige) inventaris op te maken, die tijdens een vergadering ad hoc met de parlementaire begeleidingscommissie van het Vast Comité P zal worden toegelicht.       
Deze inventarisatie gebeurde op basis van de bestaande verslagen bij het Vast Comité P, zonder hiervoor, in deze fase, reeds diverse terreinactoren specifiek en diepgaand te bevragen.

26.2.   Vaststellingen

Algemeen kan worden gesteld dat de vaststellingen en aanbevelingen uit het activiteitenverslag 2003 van het Vast Comité P werden vertaald in de vooropgestelde doelstellingen van het nationaal veiligheidsplan 2004-2007.  De inventaris is dan ook grotendeels opgebouwd rond de initiatieven die werden genomen naar aanleiding van deze doelstellingen.
Hierbij konden de volgende initiatieven reeds worden geïnventariseerd in een aantal belangrijke domeinen.

26.2.1.  Middelen

Op de Ministerraad van 30 en 31 maart 2004 werden de bijkomende kredieten goedgekeurd.  Deze zijn evenwel gespreid in de tijd en aanpasbaar in de loop van de projecten.

Tabel 2: Kredieten

Hierin is de 3,89 miljoen euro die reeds was voorzien in de begroting 2004, vervat.  Concreet betekent dit dat voor het communicatiesysteem (e-mail) en het ERP-systeem er geen kredieten voorzien zijn vóór 2006 en dat voor de datawarehouse de nodige fondsen pas in 2005 voorhanden zijn.

26.2.2.  Communicatie

De wetenschappelijke studie die de universiteit van Namen in samenwerking met de federale politie heeft uitgevoerd, heeft geen uitsluitsel kunnen geven over de doelmatigheid van de operationele informatie met het oog op de onderzoeken omdat de systemen onvoldoende gekend waren.  De federale politie heeft een communicatieplan uitgewerkt rond de volgende punten:

(1) Intranet – operationele politionele informatie: de doelstelling is de informatie toegankelijk, duidelijk en gebruiksvriendelijk te maken.  Via deze site tracht men alle regelgeving (MFO-3 [94] of vademecum voor de vatting van gegevens) en handleidingen over dit onderwerp te verzamelen en ter beschikking te stellen van de eindgebruiker.  Via e-mails houdt men de sleutelfiguren (vb. arrondissementele informatiekruispunten (AIK) en functionele beheerders) op de hoogte van recente veranderingen.  Tegelijkertijd heeft men de verspreiding van de papieren en de cd-romversies van de regelgeving en de handleiding stopgezet.            
(2) Infokrant ANG: maandelijks wordt informatie verspreid over de nieuwigheden en aanpassingen.  Naast een nulnummer werden al vijf nummers gepubliceerd voor een ruim doelpubliek: niet enkel voor sleutelfiguren (AIK’s en functionele beheerders), maar voor alle leden van de politiediensten.  Deze infokrant kan ook worden geraadpleegd via het intranet.
(3) Vergaderingen met partners: de Directie van de nationale gegevensbank (DSB) en de Directie van de telematica (DST) zetten de maandelijkse vergaderingen met de AIK’s voort.  Zij breiden hun werkingssfeer verder uit naar de vergaderingen met de functionele beheerders, de DirCo’s en de DirJu’s.  Hiervan zijn geen concrete resultaten gekend.     
(4) Helpdesk: een helpdesk ter ondersteuning van de federale politie en van de lokale politie via één centraal telefoonnummer is operationeel sinds 24 oktober 2004.  Deze helpdesk is een afsplitsing van de bestaande helpdesk, die hoofdzakelijk toegespitst is op technische problemen.  De nieuwe helpdesk wenst een antwoord te bieden op functionele vragen en deze op te volgen.  Belangrijk hierbij is wel dat de vragen vooraf gefilterd worden, aangezien enkel de functionele beheerders en de leden van de AIK’s vragen mogen stellen.

26.2.3.  Vorming

Er werd een baremische vorming opgestart rond operationeel informatiebeheer ten behoeve van alle politieambtenaren.     
Tevens werd voor de leden van de AIK’s een specifieke vorming voorzien rond de uitbreiding van de algemene nationale gegevensbank (ANG) (cf. infra).

26.2.4.  Arrondissementele informatiekruispunten (AIK)

Dit concept vindt men terug in de omzendbrief MFO-6 [95] .  De outputgerichtheid stijgt traag en in een aantal AIK’s weegt een capaciteitstekort nog op de verdere evolutie.  Niettemin zou, volgens de federale politie, 36 % van de AIK’s optimaal functioneren.  Dit cijfer moet evenwel nog worden gecontroleerd.   
De capaciteit blijft dus een probleem.  Er is nog niet in alle arrondissementen een definitief akkoord bereikt over de deelname van de lokale politie.  Toch stijgt de capaciteit in absolute cijfers
[96] .  De meeste posten binnen de federale politie worden ingevuld via herplaatsing, wat de kwaliteit niet steeds ten goede komt.  In slechts 15 AIK’s is er een officier van lokale politie aanwezig.  Het koninklijk besluit dat de detacheringen van de leden van de lokale politie regelt, werd goedgekeurd, waardoor dit eventuele struikelblok voor de deelname van een aantal zones uit de weg is geruimd [97] .      
Met betrekking tot de vorming van de leden van de AIK’s werd de inspanning voor de vorming opgetrokken van 2 % naar 5,5 % van de totale capaciteit.   
Ook de beschikbaarheid van de AIK’s is toegenomen.  Er is thans in elk AIK minstens één personeelslid dat contacteerbaar en terugroepbaar is, wat ontegensprekelijk een goede zaak is.      
Een minder positieve vaststelling is dat de werkings- en investeringskredieten afnemen en de absenteïsmegraad hoog is.          
Tot slot zenden alle zones informatie toe aan de AIK’s, maar het is nog te vroeg om te bepalen of deze gegevensstroom al dan niet optimaal verloopt.

26.2.5.  Maatregelen ter verbetering van de inhoud van de ANG sensu stricto [98]

Op het intranet werd een vademecum geplaatst voor de vatting van gegevens met het oog op een betere eenvormige vatting van gegevens in de ANG.  Dit vademecum is echter nog niet volledig.

De federale politie heeft in juni 2004 een actieplan “kwaliteitscontrole” gelanceerd waarbij de doelstelling dubbel is: de ontdekte fouten verbeteren zonder de efficiëntie uit het oog te verliezen.

De structuur van de centrale gegevensbank werd uitgebreid om bijkomende gegevens te kunnen vatten, die vroeger niet in deze databank beschikbaar waren en slechts in bepaalde systemen konden worden opgenomen.  Nu kan er zachte informatie worden ingevoerd, maar ook organisaties, nummers, onderzoeken en rechtspersonen.  Zodra de voeding optimaal zal zijn, zal de coördinatie van de onderzoeken makkelijker verlopen.               
De beveiliging van de gegevens wordt gegarandeerd door een systeem van toegangsprofielen.  In de huidige stand van zaken blijven de vroegere systemen voor het beheer van zachte informatie wel bestaan.     
De variabelen op basis waarvan de verschillende diensten op eenvormige wijze gegevens naar de ANG kunnen sturen en die later ook toelaten om de informatie op een gestructureerde manier te raadplegen, werden aangepast (project tabellenbeheer).  De federale politie stelt tevens dat alle zones thans effectief de ANG voeden, wat natuurlijk nog niets zegt over de kwaliteit van de geïntegreerde gegevens.  Dit aspect moet echter nog worden geverifieerd.                                                                                                                                                         
Met betrekking tot de ventilering (verwijdering) van gegevens werden reeds conceptuele stappen gezet, maar is er nog geen concrete uitvoering gestart.                                                                                             
Er werd een project opgestart om de verspreiding van papieren kopijen van documenten zoals processen-verbaal te vervangen door elektronische versies, maar ook dit project bevindt zich nog in de conceptuele fase.       
Wat de gerechtelijke seiningen betreft (rechtstreeks afkomstig van de gerechtelijke overheden), zou volgens de federale politie de huidige achterstand voor 80 % zijn weggewerkt.                                               
Rond een snellere doorstroming van de gegevens van de systemen voor basisregistratie (FEEDIS
[99] en ISLP [100] ) werd ook een project opgestart, maar ook hier zijn er nog geen concrete realisaties merkbaar op het terrein.      
Tot slot werden een aantal expertdatabanken gecreëerd die er moeten voor zorgen dat de expertgegevens die zich nu in aparte databanken bevinden, kunnen worden geïntegreerd in het centrale systeem en dus voor iedereen toegankelijk zijn.  Een aantal databanken werden intussen gerealiseerd o.a. voor valse euro’s, verdwijningen, parentale ontvoeringen, carjackings, enz.                                                                                       
Databanken met betrekking tot drugs, terrorisme en corruptie staan op stapel.

26.2.6.  Ontwikkeling van tools om informatie te verwerken en de centrale gegevensbank te voeden

Het FEEDIS-systeem moet voor de federale politie de volgende werkprocessen integreren: het opstellen van documenten van gerechtelijke aard, het beheer van onderzoeken en informatie, het opstellen van documenten inzake verkeer en het beheer van briefwisseling.  Totnogtoe werd enkel het gerechtelijk deel gerealiseerd (met uitzondering van de luiken verkeer en onderzoek).  Met de installatie van het systeem, die arrondissement per arrondissement gebeurt, werd aangevangen in het eerste semester van 2004.  Dit zou het werk van de AIK’s moeten vergemakkelijken en de voeding van de ANG moeten optimaliseren.  Hiervoor zou de vorming van de gebruikers wel gelijktijdig en aan hetzelfde ritme moeten evolueren.           
Het ISLP-programma van de lokale politie, waarin de redactie en het beheer van een aantal werkprocessen gebeurt, wordt verder aangepast.  Deze veranderingen zijn hoofdzakelijk gericht op verkeer (herziening van de tabellen, onmiddellijke inning, rijden onder invloed, verwerking van gegevens van vaste camera’s).  Daarnaast is de module openbare orde (ARGOS) herschreven en zou met de installatie op het terrein zijn begonnen.       
Het project Nemesys, een automatisering van de informatierapporten van bestuurlijke politie rond het beheer van gebeurtenissen van bestuurlijke politie, is opgestart, maar heeft slechts betrekking op de diensten van de federale component.    
Het unieke platform het zogenaamde “Poloffice” waarbij de lokale toepassing ISLP en de federale toepassing FEEDIS zouden worden geïntegreerd in één toepassing, zou begin 2005 zijn aangevangen.  Het Vast Comité P zal ook deze evolutie verder opvolgen.

26.2.7.  Ontwikkeling van tools om de gegevens van de ANG te exploiteren

Niettegenstaande één gebruiksinterface (Portal) werd ontwikkeld voor alle verschillende databanken, is de belangrijkste databank (ANG) daarin nog steeds niet geïntegreerd.  De standaardtool om parametrische vragen te stellen op bepaalde gegevens van de ANG (QUESTIS) is daarentegen wel beschikbaar op het niveau van de lokale politie, de arrondissementen en de federale politie.  Tot slot werd een eerste link gelegd tussen de software van de Astriddispatching en ISLP, waardoor gegevens kunnen worden gerecupereerd bij het opstellen van een proces-verbaal naar aanleiding van een interventie.

26.2.8.  Datawarehouse

Deze toepassing dient om de beschikbare beheersinformatie binnen de politionele organisatie op gestructureerde wijze te groeperen.  Dit project is opgestart, maar de nodige fondsen zijn pas vanaf 2005 beschikbaar.

26.2.9.  Nog bestaande knelpunten

Er is, op het ogenblik van de eindredactie van het jaarverslag, nog steeds geen koninklijk besluit ter uitvoering van de artikelen 44/1 tot 44/11 van de wet op het politieambt uitgevaardigd.  Nochtans liggen diverse ontwerpen (o.a. over de gerechtelijke informatie­stroom) klaar.

26.3.   Aanbevelingen

Het is aanbevelenswaardig de vooropgestelde projecten en hun timing nauwgezet op te volgen.  De bestaande goede praktijk van de begeleidingscommissie van de ANG, aangestuurd door de federale politie, waarin alle terreinactoren op de hoogte worden gehouden, is een zeer goed initiatief dat verdient te worden aangemoedigd en bestendigd.
Er dient tevens een vlottere manier te worden gezocht om de richtlijnen inzake informatiebeheer beter te laten aansluiten bij de evolutie op het terrein en oog te hebben voor de assimilatiecapaciteit van de lokale politie.

27.                Interpolitionele criminaliteitsstatistieken [101]

Eind 2002 hebben de criminaliteitscijfers voor 2000 en 2001 heel wat stof doen opwaaien.  Er was veel kritiek op de juistheid van deze cijfers en op de vergelijkingen die op basis daarvan werden gemaakt.  Zoals meermaals is gebeurd in een min of meer ver verleden, heeft de Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten het Comité verzocht een toezichtsonderzoek in te stellen naar de wijze waarop de criminaliteitsstatistieken worden opgemaakt, zodat de nodige aanbevelingen kunnen worden geformuleerd om binnen aanvaardbare termijnen te komen tot een correcte registratie en verwerking van de criminaliteitscijfers.    
Met het oog op het opstellen van een eerste tussentijds verslag, dat op 10 maart 2003 door de parlementaire begeleidingscommissie werd goedgekeurd, is het Vast Comité P nagegaan of de politionele criminaliteitsstatistieken het Parlement en de overheden die op verschillende niveaus verantwoordelijk zijn voor het opstellen van een veiligheidsplan, in staat stellen om zich een betrouwbaar beeld te vormen van de criminaliteitsfenomenen, van de werking van de politiediensten en van hun evolutie in de tijd.
In 2003 werd, in het verlengde van het tussentijds verslag, een bijkomend onderzoek gevoerd met het oog op een algemene opvolging van de evolutie van de informatiestromen en van de maatregelen die waren genomen om de opmaak van de criminaliteitsstatistieken te verbeteren.  Er werd vastgesteld dat er op het niveau van de federale politie diverse initiatieven waren genomen teneinde de opmaak ervan te verbeteren.  Zo werd er gekozen voor een nieuwe aanpak waarbij alle informatie uit de beschikbare gegevensbanken wordt samengebracht om de volledigheid van de geregistreerde feiten en dus de betrouwbaarheid van de cijfers te verhogen.          
Dit onderzoek bleef beperkt tot de studie van de evolutie van de informatiestromen aangezien er intussen een toezichtsonderzoek was opgestart met een meer algemene draagwijdte betreffende de problematiek van het informatiebeheer bij de geïntegreerde politie
[102] .

In 2004 werd, naar aanleiding van de bekendmaking van de criminaliteitscijfers 2003, de situatie opnieuw bekeken.  Toen had dit onderzoek betrekking op de studie van de wijze waarop de criminaliteitsstatistieken waren opgemaakt, alsook op de initiatieven die waren genomen om de situatie te verbeteren.  De informatiestromen die de Algemene nationale gegevensbank voeden, werden niet nader bestudeerd.

Wat de methodologie van dit onderzoek betreft, werd in hoofdzaak gekozen voor een onderhoud met een aantal belanghebbende partijen of sleutelfiguren waaronder de directeur-generaal van de Algemene directie operationele ondersteuning van de federale politie (DGS) en met de directeur van de Directie van de nationale gegevensbank (DSB).  Daarnaast werden de documenten die samen met de criminaliteitsstatistieken 2003 waren gepubliceerd, geanalyseerd (met name de methodologische nota en de begeleidende nota van de federale politie).

De statistieken voor de jaren 2000, 2001 en 2002 werden opnieuw opgemaakt [103] om een vergelijking met de cijfers van 2003 mogelijk te maken.  In dit opzicht zijn de verschillen die worden vastgesteld in vergelijking met de voorheen gepubliceerde cijfers dus te verklaren door de invoering van nieuwe gegevens in het politionele informaticasysteem.  De telregels zijn immers niet gewijzigd en er werd geen extrapolatie gemaakt van de cijfers.  De volledigheid [104] van de gegevens werd in 2004, net als in 2003, gemaximaliseerd door de samenvoeging van de gegevens afkomstig uit de verschillende beschikbare gegevensbanken [105] .

De opmaak van de cijfers van geregistreerde criminaliteit wordt hoofdzakelijk bemoeilijkt door het feit dat niet alle gegevens op tijd beschikbaar zijn om betrouwbare cijfers te kunnen publiceren.  Soms worden de gegevens immers pas in de ANG ingevoerd lang nadat de feiten waarop ze betrekking hebben, werden gepleegd [106] .  Toen ze dit vaststelden, hebben de verantwoordelijken van de federale politie zich gebogen over het geschikte tijdstip voor de telling en hebben ze, in samenwerking met universitaire experts [107] , een methode uitgewerkt om dit ideale telmoment te kunnen vastleggen.  In feite moet er worden bepaald vanaf welk ogenblik de toevoeging van nieuwe gegevens geen invloed meer heeft op de conclusies die, in termen van tendensen, kunnen worden getrokken uit de studie van de cijfers.  Deze benadering is vergelijkbaar met de methode die wordt gehanteerd bij epidemiologisch onderzoek.  Zo verstrijkt er soms heel wat tijd tussen het ogenblik waarop men een ziekte oploopt en het ogenblik waarop deze ziekte uitbreekt.  Een soortgelijk fenomeen tekent zich af voor de criminaliteitscijfers.  Er is soms een groot tijdsverschil tussen de verschillende sleutelmomenten van een strafbaar feit: het ogenblik waarop het feit wordt gepleegd, het ogenblik waarop aangifte wordt gedaan bij de politie, het ogenblik waarop het feit door de politie in de ANG wordt ingevoerd en gevalideerd, enz.   
Dankzij de studie van de voeding van de ANG en van de achterstand in de vatting, op basis van curves van de gemiddelde achterstand van de vorige jaren, is het mogelijk te bepalen welke wachttijd in acht moet worden genomen om met een zekere betrouwbaarheidsband
[108] betrouwbare cijfers te kunnen opmaken voor het vorige jaar.  In dit opzicht kan ook worden overwogen om de opmaak van de criminaliteitscijfers te versnellen om tegemoet te komen aan de grieven die de afgelopen jaren tegen de federale politie werden geuit.

Wanneer men de laatste cijfers bekijkt die door de federale politie werden geteld in 2004, stelt men geen abrupte breuk vast tussen sommige jaren, zoals in het verleden het geval was.  Thans meent de federale politie, op basis van een statistische analyse, dat de cijfers voor 2000, 2001 en 2002 volledig genoeg zijn om een betrouwbare criminaliteitstendens aan te duiden [109] .  Dit is echter nog niet het geval voor de cijfers van 2003.

Dat de politionele gegevens die zijn geregistreerd in het informaticasysteem dat de verschillende componenten van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus gemeen hebben niet exhaustief zijn, heeft onvermijdelijk gevolgen voor de betrouwbaarheid van de gepubliceerde cijfers.  Dat men nog moet terugvallen op, al dan niet statistische, kunstgrepen om exploiteerbare cijfers te verkrijgen, is tekenend voor het probleem van voeding van het politiesysteem, hoewel de situatie verbetert.  Ook al zijn de absolute cijfers die werden gepubliceerd nog niet helemaal correct en in overeenstemming met de werkelijkheid, toch maken ze het nu al mogelijk om tendensen te ontwaren, wat per slot van rekening één van de hoofddoelen van statistiek is.        
Diverse in 2003 aangekondigde initiatieven, met name in het kader van het nationaal veiligheidsplan, werden op het niveau van de federale politie ontplooid.  Er werd onder andere een systeem gecreëerd voor kwaliteitsbeheer van operationele en statistische informatie en een informaticatool geïnstalleerd voor de statistische exploitatie van gegevens op lokaal en federaal niveau.         
Vermeldenswaardig is tevens het voornemen om op niveau van DSB een expertisecentrum op te richten om tegemoet te komen aan de moeilijkheden en problemen waarmee de politiediensten worden geconfronteerd.  Het is de bedoeling dat dit centrum een antwoord biedt op alle vragen met betrekking tot het functioneel beheer van informatie in de ruime zin.

De ANG wordt in hoofdzaak gevoed door de lokale politiediensten.  Er moet dus nog worden benadrukt dat het absoluut noodzakelijk is dat het informaticasysteem snel en correct wordt gevoed door deze politiediensten, niet enkel met het oog op de opmaak van correcte criminaliteitscijfers, maar ook in het kader van een doeltreffend gebruik van het systeem vanuit louter operationeel opzicht. 
Zolang de situatie niet volledig in orde is gebracht op het niveau van de voeding van de ANG, kunnen we ook niet anders dan aanbevelen omzichtig om te gaan met de gepubliceerde cijfers.  In dit opzicht moet er nauwgezet rekening worden gehouden met de beperkingen voor het gebruik van deze cijfers opgelegd door de federale component van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.    
Toch dient te worden vastgesteld dat deze duidelijk geformuleerde beperkingen vaak terzijde worden geschoven wanneer er kanttekeningen worden geplaatst bij de criminaliteitscijfers.  Zo worden er absolute cijfers vergeleken zonder te verwijzen naar hun relatieve betrouwbaarheid
[110] of deugdelijkheid en zonder rekening te houden met alle contextualisatiegegevens noch met het feit dat deze cijfers slechts een gedeelte van de reële criminaliteit weerspiegelen.


Afdeling 4: Doeltreffendheid van de algemene werking van één of meer politiediensten, -korpsen of één van hun componenten

28.                Capaciteit arrondissement Brussel-Hoofdstad [111]

28.1.   Probleemstelling

Op verzoek van de gouverneur van het arrondissement Brussel-Hoofdstad, nader bepaald en aangevuld door zijn parlementaire begeleidingscommissie, werd het Vast Comité P gelast een toezichtsonderzoek uit te voeren met het oog op het uitbrengen van een advies over de overeenstemming tussen de beschikbare effectieven van de lokale en de federale politie en de wettelijke opdrachten binnen het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad [112] .   
Zoals het Vast Comité P tijdens de bespreking met zijn parlementaire begeleidingscommissie heeft onderstreept, laat de weinige verstrekte en beschikbare informatie onvoldoende toe om een balans op te maken van de mate waarin de vraag om bijkomende effectieven voldoende gegrond is. 
In 2005-2006 zal het Vast Comité P een bijkomende evaluatie maken van de beschikbare informatie en voorstellen formuleren over de manier waarop het dossier verder kan worden aangepakt, geheroriënteerd of afgesloten.

28.2.   Vaststellingen

28.2.1.  Inleiding

De inzameling van informatie bij de lokale en federale overheden, de lokale politiezones en de federale politie heeft geleid tot de samenstelling van een basisdossier.    
De aanpak van het Vast Comité P in dit dossier kenmerkt zich als volgt: (1) een degelijke, pragmatische evaluatie van de aangehaalde argumenten via een systematische inzameling en analyse van informatie bij alle bronnen; (2) een veelheid van personen die bij dit dossier op bepaalde ogenblikken betrokken zijn geweest en bevraagd.  
Op basis van de verschillende documenten of andere beschikbare gegevens kunnen de eerste bevindingen worden meegedeeld: (1) beperkte beschikbaarheid van capaciteits­beheersinformatie en -systemen; (2) onvoldoende ontwikkelde argumentatie voor capaciteitsverhoging; (3) maatregelen zonder een totaalevaluatie.

28.2.2.  Beperkte beschikbaarheid van capaciteitsinformatie en -meetsystemen

Het Vast Comité P blijft, om verschillende redenen waar het geen vat op heeft, geconfronteerd met een voortdurende onmogelijkheid om voldoende betrouwbare en pertinente, verifieerbare en geverifieerde, cijfergegevens over een voldoende lange en significante periode te verkrijgen [113] .   
Noch de verschillende lokale politiekorpsen noch de federale politie hebben aan het Vast Comité P duidelijke en deugdelijke informatie verschaft over de punten van onderstaand schema.  Heel wat componenten, hoofdzakelijk lokale, zouden trouwens moeilijkheden ondervinden om deze informatie toe te zenden of zijn niet in staat om dit op een coherente, verantwoorde en transparante wijze te doen.  Dergelijke gegevens kunnen ook niet uit de eventuele jaarverslagen worden afgeleid en worden, enkele uitzonderingen niet te na gesproken, niet op centrale of gecentraliseerde wijze bijgehouden.

Figuur 1: In aanmerking genomen gegevens

Naar wij hebben kunnen vaststellen in 2003-2004 en verfijnen in 2004, hanteert vandaag geen van de 6 zones een voldoende performant en pertinent geautomatiseerd capaciteitsmeetsysteem, en dit om de volgende redenen: (1) de meerwaarde van zo’n systeem wordt vrij vaak zo niet systematisch in twijfel getrokken [114] ; (2) een gebrek aan tijd en informaticamiddelen [115] ; (3) binnen de zones is PPP (Planning Prestaties Personeel), een instrument voor de registratie van de dagelijkse prestaties van het personeel, nog niet echt of helemaal functioneel aangezien onder meer het materieel en de opleiding (bruikbaar voor een voldoende aantal personeelsleden) ontbreken [116] .  Het systeem zal overigens niet verplicht worden opgelegd, wat nochtans aangewezen lijkt.  De politiezones zullen nog steeds vrij zijn om op de markt een (ander) capaciteitsmeetsysteem aan te kopen en te implementeren [117] .
Ook het Rekenhof wijst in zijn audit
[118] op de noodzaak van: (1) betrouwbare activiteitenverslagen die een evaluatie en naleving van de minimale normen mogelijk moeten maken; (2) een informatiesysteem dat op gebreken moet kunnen anticiperen; (3) de uitdrukkelijke toewijzing aan een federale overheid voor het opvolgen, controleren en evalueren van de naleving van de normen en de minimale bezetting.  Deze maatregelen zouden moeten leiden tot opvolging en bijsturing en desnoods een dwingend toezicht, al dan niet met stimuli en/of inhouding van de federale dotatie.           
Het ontbreken van een uniform capaciteitsmeetsysteem
[119] is evenwel een gedeeltelijke, maar onvoldoende verklaring voor voorgaande vaststelling.        
Uit de ingezamelde elementen blijkt dat er op zijn minst in sommige zones in zekere mate enige informatie beschikbaar is die de verdere capaciteitsanalyse zal kunnen vergemakkelijken: (1) begrotingsverantwoording; (2) toepassing van de minimale normen voor de basisdienstverlening
[120] : (a) wijkagent/aantal inwoners; (b) onthaal; (c) interventienormen; (d) recherche (10 % van het effectief operationeel kader); (e) gehypothekeerde capaciteit (10-20 %); (f) verwerking van informatie (2 %); (g) vorming (10 % van het effectief operationeel kader).

28.2.3.  Onvoldoende ontwikkelde argumentatie voor een capaciteitsverhoging

Herhaaldelijk hebben verschillende partners, rechtstreeks en al dan niet in naam van de Brusselse korpsen, redenen aangehaald waarom een verhoging van de capaciteit verantwoord is.  De door het Vast Comité P ingezamelde informatie ontkracht deels de aangehaalde argumenten.       
Een vergelijking met andere korpsen om te kijken of de aangehaalde argumenten zwaarder wegen in Brusselse dan in andere korpsen kan, in de huidige stand van zaken, nog steeds niet worden gemaakt bij gebrek aan relevante gegevens
[121] .  Een dergelijke evaluatie is nochtans belangrijk omdat het primaire doel van de hervorming er zeker niet in bestond de vroeger bestaande onderinvesteringen noch sommige eerdere, specifieke structurele of conjuncturele problemen op te lossen.         
Indien deze vergelijking niet kan worden gemaakt, kan men toch nog indirect deze afweging maken door na te gaan in welke mate er enige plausibele verklaring zou zijn waarom de aangehaalde argumenten zwaarder zouden doorwegen in Brussel dan elders.  Indien dit het geval zou zijn, dan kan men correctieve maatregelen overwegen.  Uit een studie van de gegevens met betrekking tot de verrichte betalingen zouden lessen kunnen worden getrokken, maar dit zou van alle betrokken partijen een doorgedreven analyse en medewerking vergen.
Fundamenteel is echter vooraf te stellen dat op een vraag om bijkomende middelen slechts op een verantwoorde manier kan worden ingegaan, indien tegelijkertijd ook wordt aangetoond dat de huidige middelen goed worden beheerd, iets wat voor sommigen geen gemakkelijke opgave zal zijn.

Figuur 2: Doelmatig beheer van de beschikbare middelen

De over de Brusselse politiezones beschikbare gegevens geven hiervan geen indicatie. Het onderzoek toont aan dat andere korpsen of diensten via een degelijke opvolging van hun capaciteitsbesteding er wel toe komen om efficiëntieverhogende maatregelen te nemen. Ons inziens heeft het gebrek aan relevante gegevens omtrent de efficiënte aanwending van de huidige middelen ongetwijfeld te maken met het gebrek aan een degelijk capaciteitsbeheerssysteem of met onvoldoende wil. Het Vast Comité P heeft dit probleem al meermaals met zijn ad hoc begeleidingscommissie besproken.
Dit vormt echter op zich weer een onvoldoende verklaring. Het is niet omdat men geen totaalsysteem heeft voor de capaciteitsopvolging dat men geen maatregelen kan nemen en geen voorstellen kan doen om tot een efficiëntere werking te komen.
Het ontbreken van een degelijke argumentatie impliceert echter evenmin dat elke vraag om bijkomende personeelsversterking niet verantwoord is.  Het betekent wel dat men veel omzichtiger te werk moet gaan bij de toekenning van bijkomende middelen en moet eisen dat er elementen ter motivering of verifieerbare bewijzen worden voorgelegd.  Bovendien moet worden opgevolgd of er wordt gestreefd naar meer doeltreffendheid en doelmatigheid.

28.2.4.  Correctieve maatregelen zonder een totaalevaluatie

In een eerste fase hebben de korpschefs meermaals zowel schriftelijk als mondeling hun uitvoerigere medewerking aan de bevraging van het Vast Comité P geweigerd [122] .  Daarnaast kan worden vastgesteld dat verscheidene werkgroepen zich al gebogen hebben over de argumenten aangehaald door de politiezones uit het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad en voorstellen tot verbetering hebben voorgesteld.     
De meest denkbare (correctieve) maatregelen worden doorgaans uitsluitend op politiek vlak beslist of genomen: (1) federale werkgroep (Binnenlandse Zaken en eerste minister); (2) schrijven van een hoge verantwoordelijke
[123] ; (3) vraag van de gouverneur van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad wanneer de studie kan worden afgerond [124] ; enz.
De besproken problemen en de genomen maatregelen gaan in op de vraag om meer capaciteit en op het antwoord op deze vraag, zonder dat daaraan een doorlichting van de aanwending van de gehele capaciteit of een evaluatie op basis van een betrouwbaar capaciteitsbeheersysteem ten grondslag ligt.  Bovendien lijkt die wil bij de meeste partners niet aanwezig te zijn.
Het voorgaande lijkt erop te wijzen dat er vandaag slechts een beperkt (politiek) draagvlak is voor de vraag naar een betere verantwoording voor men verder enige capaciteitsverhoging zou toestaan.

28.3.   Perspectieven

28.3.1.  Korte termijn

Het Vast Comité P zal eerst nagaan in welke mate de door de politie en overheden besliste maatregelen ten uitvoer werden gelegd.  Met betrekking tot het Brussels Gewest heeft het Rekenhof in zijn audit vastgesteld dat: (1) de genomen maatregelen voor de ondersteuning van deze politiezones verschillende situaties op dezelfde manier aanpakken en dat deze niet van toepassing zijn op andere politiezones met gelijkaardige problemen; (2) de financiële stimuli die werden gegeven aan het personeel losstaan van de verplichting om over een minimale bezetting te beschikken, hetgeen men kan betreuren en de korpsen er niet toe aanzet om hun doelmatigheid en doeltreffendheid te verbeteren; (3) de financiële stimuli niet gekoppeld zijn aan de aantrekkelijkheid van de zone bij de respectieve kandidaten.  Uit de audit van het Rekenhof blijkt ook, zoals reeds eerder gemeld door het Vast Comité P, dat de actuele modaliteiten inzake mobiliteit niet voor een optimale invulling van vacante plaatsen zorgen.  In 2002 werd voor 40 % van de betrekkingen van de drie mobiliteitscycli geen enkele kandidatuur ingediend en werd naar 72 % (!) van de vacante betrekkingen in het Brussels Gewest niet gesolliciteerd.  In de andere politiezones bedroeg dit 23 %.  In totaal werd slechts 43 % van de vacante betrekkingen opgevuld.      
Voor zover er al bijkomende middelen werden toegekend of daar een politieke consensus over bestaat, lijkt het ons niet mogelijk om deze opnieuw in vraag te stellen.  Men schakelt dan beter over naar de oplossingen op middellange termijn.           
Is dit niet het geval, dan kan men de versterking eerst richten op de kritieke activiteiten.  Het zou onverstandig zijn om voor die activiteiten geen verhoging te overwegen omdat, gezien de problemen die zich op het terrein voordoen, de aanvrager vandaag onvoldoende in staat is om zijn aanvraag voldoende te onderbouwen; dat neemt immers niet weg dat de vraag misschien toch gegrond is.           
Op voorwaarde dat er een politiek akkoord wordt bereikt, kan men de extra middelen wel verbinden aan een rapporteringsverplichting over werklast en capaciteitstoewijzing.

28.3.2.  Middellange termijn

De ontwikkeling van een proefprojectmodel van een capaciteitsmeetsysteem dat aangepast is aan een (groot)stedelijke context binnen of buiten Brussel (vb. Charleroi, Namen) lijkt het beste voorstel omdat dit het bewijs van een betere aanpak levert, wat dan als argument voor een bijsturing naar Brussel toe kan worden gebruikt.   
Doorlichting van de niet-operationele activiteiten kan als belangrijke factor dienen om: (1) capaciteit vrij te maken en (2) de argumentatie te versterken dat verdere capaciteitsverhogingen zonder een gewijzigd beheer en verantwoording niet kunnen.

28.4.   Aanbevelingen

28.4.1.  Geïdentificeerde mogelijkheden

De volgende mogelijkheden zouden een oplossing kunnen bieden voor de moeilijkheden die men ondervindt op het vlak van capaciteit en werklast: (1) de verplichte invoering van een systeem van capaciteits- en prestatiemeting via een ministeriële richtlijn; (2) de doorlichting van de huidige capaciteitsbesteding en werklast: (i) via een eigen bevraging van Brusselse en andere korpsen gevolgd door een diepte-interview (cf. de methodiek gevolgd door de voormalige rijkswacht bij de opmaak van haar capaciteitsdossier); (ii) met de hulp van een extern bureau dat een activity based costing-analyse uitvoert.  Een vergelijking tussen de Brusselse korpsen onderling, met andere korpsen en met andere beschikbare werklastgegevens [125] zou het ook mogelijk maken eventuele inconsistenties te ontdekken (te hoge capaciteitstoewijzingen, beheer van de inconveniënten, nacht- en weekendprestaties, enz.); (3) de identificatie van de belangrijkste kostencentra (vb. interventie, onthaal, wijkwerking, enz.), alsook (i) de verplichting om daarover een gedegen rapportering over de evolutie van werklast en capaciteit te organiseren; (ii) de identificatie van de mogelijkheid om daarover informatie in te zamelen via andere onafhankelijke bronnen (Astrid, enz.); (4) de doorlichting van de niet-operationele sectoren (overhead, binnendiensten) om zo capaciteit vrij te maken ter compensatie van de operationele tekorten; (5) de invoering van een proefproject in een Brusselse of andere zone met de invoering van een praktisch capaciteits- en werklastmeetsysteem.  Via dit proefproject zou het bewijs kunnen worden geleverd dat de benadering toepasbaar is en zouden de Brusselse politiezones ertoe kunnen worden aangezet om dit systeem toe te passen; (6) de realisatie van een benchmarking, door te verwijzen naar zones waar wel efficiëntiemaatregelen worden genomen en een gedegen opvolging en verantwoording van de middelen gebeurt en door aan te dringen op de invoering van een concreet actieplan voor de Brusselse politie.

28.4.2.  Evaluatie van de mogelijke alternatieven

De evaluatie van de mogelijke alternatieve maatregelen zal worden besproken en toegelicht met de parlementaire begeleidingscommissie en zal worden meegedeeld aan de minister van Binnenlandse Zaken, alvorens het voorwerp uit te maken van een constructieve gedachtewisseling met de gouverneur van het arrondissement Brussel-Hoofdstad, in het verlengde van de interessante studie ad hoc die zij heeft geleid en gesuperviseerd over de problematiek « La concrétisation du community policing et du service minimum relatif à la police de base au sein des zones de police de l’arrondissement administratif de Bruxelles-Capitale – État de la situation » [126] .  Het Vast Comité P kan zich trouwens vrij goed aansluiten bij de beschouwingen en conclusies over de noodzaak om een gemeenschapsgerichte politiezorg of community policing verder te ontwikkelen.

29.                Terreinondersteuners in een grote politiezone [127]

29.1.   Probleemstelling

Dit onderzoek heeft betrekking op de werking van de terreinondersteuners (TO) in een hoofdafdeling van een grote politiezone.  De terreinondersteuner is een hoofdinspecteur, officier van gerechtelijke politie (OGP) vrijgesteld van wachtdiensten en klachtenafhandeling, die als kerntaak heeft in te staan voor de begeleiding, coaching en ondersteuning op het terrein van de interventie-inspecteurs.

Er werd gekozen voor een interview met een representatief aantal terreinondersteuners (7 op 9).  Met het oog op een evenwichtige samenstelling van de groep naar geslacht, leeftijd en ervaring, werden tevens 30 van de 75 interventie-inspecteurs bevraagd, omdat zij de doelgroep zijn voor deze specifieke functie.  De interviews vonden plaats tussen 12 juli 2004 en 4 augustus 2004.        
Aangezien de werkomgeving eveneens een doorslaggevende rol speelt in de creatie van de functie van terreinondersteuner en diens werking, werd tevens gepeild naar de visie die bij de inspecteurs leeft over de functie van interventie-inspecteur binnen deze afdeling, met inachtneming van de specifieke kenmerken ervan.

Met het oog op een vlot verloop van de gesprekken en een maximale informatiegaring werd tijdens de interviews, die anoniem werden afgenomen, gebruik gemaakt van een gestructureerde vragenlijst met open vragen.     
De vragen die peilen naar de visie over respectievelijk de functie van interventie-inspecteur en terreinondersteuner, werden verwerkt door middel van een SWOT-analyse die steunt op vier pijlers: Strengths, Weaknesses, Opportunities en Threats.  De sterktes en de zwakheden hebben in dit model betrekking op de politieorganisatie zelf, de kansen en bedreigingen zijn omgevingsgerichte parameters.         
Aangezien zowel de organisatie zelf als de omgeving belangrijke factoren zijn binnen de problematiek van deze afdeling, kan het SWOT-model duidelijke inzichten verschaffen, zowel op strategisch als op operationeel vlak.  De eenvoud van het SWOT-model laat bovendien toe de resultaten van het onderzoek, rekening houdend met de keuze voor interviews door middel van een gestructureerde open vragenlijst, vlot te verwerken en de geboden informatie optimaal te gebruiken.  Wat de overige vragen betreft, werd per thema een synthese van de gegeven antwoorden gemaakt.

29.2.   Vaststellingen

29.2.1.  Visie van de interventie-inspecteurs

Als sterke punten werden vooral de collegialiteit, de sterke leersituatie en een zekere mate van autonomie naar voor geschoven.  De omkadering en bijstand die, gezien het profiel van de inspecteurs, als noodzakelijk wordt ervaren, worden tevens erg op prijs gesteld.

De zwakke punten zijn talrijker en bevinden zich op verschillende niveaus: organisatie, middelen (vooral kritiek op de kwaliteit en de kwantiteit van het wagenpark en de dienstradio's), werking, houding van de hiërarchie.     
Aan het merendeel van deze punten, waarvan een aantal rechtstreeks verband hield met personeelsgebrek, werd door de korpsleiding inmiddels aandacht besteed en in de mate van het mogelijke werden er oplossingen of alternatieven voorzien.           
Los van de afdelingeigen problemen, haalde een aantal respondenten als zwakte aan dat nieuwelingen, zonder enige ervaring, dezelfde graad hebben als hun ervaren collega's en een aantal onder hen hierdoor minder receptief is voor advies en kritiek van deze ‘anciens’.

Als externe factoren wordt de culturele diversiteit in de wijk als potentieel verrijkend beschouwd, in het bijzonder door de gelegenheid die wordt geboden om verschillende talen te spreken.           
Het multiculturele aspect van de buurt wordt echter tevens als een bedreiging gezien, die veel gedetailleerder werd uiteengezet dan de opportunities.  Daarbij blijkt dat eerder de marginaliteit dan de nationaliteit doorslaggevend is, naast een gevoel van machteloosheid tegenover het fenomeen van illegale immigratie.    
Dit laatste is echter een federale materie, waarin de lokale politiediensten slechts een bijrol vervullen.  Verder wordt, volgens de geïnterviewden, vooral het rondhanggedrag van jongeren en het gebrek aan respect dat zij aan de dag leggen door de bevolking als bedreigend ervaren.    
Het gebrek aan regelgeving terzake en onrealistische verwachtingen vanwege de bevolking naar de politie toe, die als algemeen probleemoplosser wordt beschouwd en waarvan geen doorverwijzing wordt aanvaard, maakt deze situatie ook bedreigend voor het korps.         
Ten slotte is de overgrote meerderheid van de respondenten van oordeel dat de opleiding hen onvoldoende voorbereidt op de interactie met een multiculturele bevolkingsgroep.  De aangehaalde bedreigingen verhogen het risico op incidenten in de interactie met de bevolking.  In de opleiding zou wel voldoende aandacht worden besteed aan het wetgevend kader rond racisme, doch op de eigenheden van de verschillende culturen, die soms ten onrechte als bedreigend worden ervaren, zou dieper moeten worden ingegaan.    
De korpsleiding wijst hier terecht op het probleem dat de opleiding een federale materie is, doch tracht deze lacune te verhelpen door een traject voor nieuwkomers uit te werken, waarin de specificiteit van de zone wordt uitgelegd.  Bovendien overweegt de korpsleiding om in de toekomst een extra week opleiding te verzorgen bij de indiensttreding van nieuwelingen in het korps.

De visie van de inspecteurs op de functie van terreinondersteuner stemt in grote lijnen overeen met diens functieomschrijving.  De inspecteurs zien de TO vooral als een soort helpdesk.  Vooral de jonge inspecteurs stellen het op prijs dat de TO ter plaatse komt bij ‘ingewikkelde’ interventies.  De ‘anciens’ – in deze afdeling inspecteurs met een drietal jaren dienst – zien de TO eerder als iemand die op het commissariaat blijft en zich slechts op het terrein begeeft wanneer zij een beroep op hem dienen te doen wegens zijn bevoegdheid van officier van gerechtelijke politie.    
Dat op de vraag welke verwachtingen zij koesteren ten opzichte van de terreinondersteuner, een aantal antwoorden wordt herhaald die ook als visie werden aangehaald, laat vermoeden dat er individuele verschillen bestaan in het optreden van de TO's.  Vooral de aanwezigheid op het terrein zou aanzienlijk uiteenlopen.  Voorts zouden sommige TO's het werk van de inspecteurs overnemen wanneer zij het moeilijk hebben, terwijl anderen hen gewoon zouden laten verder knoeien.  Dit kan te wijten zijn aan de verschillende manieren waarop de eerste generatie TO's werd gerekruteerd.  
Een personeelsherschikking door de korpsleiding en het feit dat thans enkel vrijwilligers deze functie waarnemen, zou garant moeten staan voor meer uniformiteit en een betere kwaliteit van het optreden.
Daarnaast wordt, zowel van de TO's als van de hiërarchie, een grotere feedback verwacht, in het bijzonder met betrekking tot de kwaliteit van de opgestelde processen-verbaal.    
De werkelijke meerwaarde van de TO ligt ons inziens niet in het overnemen van moeilijke of delicate taken, maar wel in de sturing van het werkproces zodat er een leersituatie gecreëerd wordt.  Dit vergt een grotere inspanning en tijdsinvestering op het ogenblik zelf, maar zorgt er op lange termijn voor dat de inspecteurs autonoom kunnen werken.  Deze leersituatie sluit overigens nauwer aan bij het functieprofiel van de terreinondersteuner.   
Als belangrijk pluspunt in de functie van terreinondersteuner wordt aangehaald dat deze, in tegenstelling tot een hoofdinspecteur die bureelwerk verricht, vertrouwd is met de ongemakken waarmee de inspecteurs te kampen hebben.

De vraag naar gemiste kansen met betrekking tot de functie van terreinondersteuner werd door veel inspecteurs niet beantwoord.  Zowel een aantal TO's als inspecteurs zien een meerwaarde in de toevoeging van een inspecteur of een postoverste die, samen met de TO, buitenwerk zou kunnen verrichten.      
De korpsleiding is zich bewust van deze verzuchting, doch dient een kosten-batenverhouding voor ogen te houden omdat zulke maatregel de inzet van 18 extra personeelsleden per dag zou vergen.

29.2.2.  Visie van de terreinondersteuners

De SWOT-analyse met betrekking tot de functie van terreinondersteuner sluit in grote mate aan bij de onderzoeksresultaten naar de perceptie van de inspecteurs omtrent hun werking en de rol van de TO.

Als voornaamste sterk punt wordt de kerntaak van de terreinondersteuner vermeld, namelijk het verlenen van steun aan de inspecteurs.  Deze taak wordt als onontbeerlijk beschouwd gezien het profiel van het merendeel van de interventie-inspecteurs – zeer jong en onervaren – gekoppeld aan een uitzonderlijk moeilijke afdeling met een multiculturele, maar vooral marginale bevolkingsgroep.  De ervaring van de TO kan deze problemen enigszins opvangen.
Net als de inspecteurs stellen ook de terreinondersteuners de afwisseling en het verrassende van het werk op prijs.  Een TO haalt het bestaan van veel onderling overleg tussen de terrein­ondersteuners aan als sterk punt.  De mogelijkheid om in te springen bij de wacht tijdens piekmomenten wordt eveneens als een sterkte beschouwd, hoewel het niet tot de functiebeschrijving van de TO hoort om, behoudens uitzonderingen, zelf opdrachten af te handelen.

Bedenkingen met betrekking tot de verhouding tot de centrale meldkamer en de wacht zouden door nieuwe korpsrichtlijnen inmiddels zijn ondervangen.  Verder worden als zwakke punten vooral aangehaald het profiel van de interventie-inspecteurs, een daarmee verband houdend gebrek aan inspraak van de TO's in de samenstelling van de ploegen en een overlast aan administratieve taken.        
Het door de interventie-inspecteurs aangehaalde gebrek aan eenvormigheid in het optreden van de TO's en een persoonlijke invulling van het functieprofiel, wordt ook op dit niveau bevestigd.  Ook de onmogelijkheid om briefings te houden, wordt als een zwakte gezien.      
Hoewel de korpsleiding erop wijst dat er wel degelijk overlappingen bestaan tussen de ploegen, zou in de praktijk de meldkamer de nieuwe ploegen onmiddellijk bij hun aankomst met opdrachten belasten.  Ten slotte wordt gewezen op de risico's gebonden aan het individuele karakter van het optreden van de TO, in het bijzonder 's nachts.

Wat de externe factoren betreft, wordt slechts de slechte kwaliteit van de opleiding als bedreigend ervaren.  In de gesprekken met de terreinondersteuners werd geen gewag gemaakt van opportunities.  Dit hoeft op zich niet noodzakelijk als opmerkelijk te worden beschouwd, omdat de algemene externe factoren die door de inspecteurs werden aangehaald ook voor de TO’s gelden.  Deze voegen daar echter geen specifieke elementen aan toe.

Gepeild naar hun visie op hun functie, halen de terreinondersteuners als belangrijkste taak de ondersteuning van de inspecteurs aan: klaarstaan wanneer zij hulp nodig hebben of advies vestrekken wanneer dat nodig is.  Het is daarbij belangrijk om ter plaatse te komen teneinde tijdig te kunnen ingrijpen en fouten te voorkomen.

Over het algemeen zouden de inspecteurs goed beseffen wanneer de bijstand van een TO vereist is, hoewel zij volgens de TO's soms onzeker worden door ervaringen met de verschillende inspectiediensten en de TO soms gebruiken om de verantwoordelijkheid door te schuiven.  Ervoor zorgen dat de patrouilles goed gemengd zijn qua leeftijd, dus een mix van jonge en meer ervaren inspecteurs, wordt als een belangrijke taak beschouwd, teneinde mogelijke fouten te voorkomen en derhalve de taak te verlichten.

De percentsgewijze invulling van het tijdsgebruik, zoals dit door de TO’s wordt ervaren, staat enigszins in contrast met wat zij als hun kerntaken beschouwen.  Er wordt veel tijd besteed aan administratieve taken, zoals het beheer van materiaal en wagenpark, opzoekingen en controle van processen-verbaal en het verlenen van bijstand bij de redactie daarvan.       
Daarnaast zouden er tussendoor ook allerlei kleinere opdrachten en boodschappen door de wacht worden toevertrouwd aan de TO’s, die volgens hen door andere diensten zouden kunnen worden gedaan en vroeger werden toevertrouwd aan de postoverste.    
Ongeveer de helft van de beschikbare tijd zou kunnen worden gewijd aan wat als kerntaken wordt beschouwd.  Vooral aan het nalezen van de processen-verbaal van de inspecteurs wordt veel tijd besteed.  De inspecteurs zijn niet altijd in staat om zelf proces-verbaal op te stellen omdat zij onvoldoende hebben geleerd om logisch te denken en het hen aan inzicht ontbreekt.  Er wordt volgens de TO's door het parket te weinig feedback gegeven over de kwaliteit van de processen-verbaal, waardoor de inspecteurs daar geen lessen uit kunnen trekken en ook minder gevoel van beloning hebben van hun werk.

Er wordt door de TO’s een probleem ervaren in de omgang met materiaal, in het bijzonder de dienstvoertuigen, wat wel eens het ‘code 3-syndroom’ [128] wordt genoemd.  Er wordt naar de opleiding toe de verwachting gekoesterd om meer de nadruk te leggen op de mogelijke gevaren en wat al dan niet verantwoord is in functie van de situatie.  Ook op het vlak van basisattitudes zouden er problemen bestaan en zou het uniform soms als vrijkaart worden beschouwd voor machtsuitoefening.

De terreinondersteuners wezen verder, vanuit hun specifieke ervaring, op een aantal problemen, eigen aan het werk in deze afdeling.  Deze bemerkingen maken deel uit van het onderzoeksverslag, maar worden in het bestek van dit jaarverslag niet opgenomen.  Zij zullen niettemin opgevolgd worden (o.a. in 2005-2007), aangezien zij, hoewel niet rechtstreeks betrekking hebbend op de functie van terreinondersteuner, relevant kunnen zijn voor de doeltreffendheid en de doelmatigheid van de politiewerking in de zone.

29.2.3.  Algemeen besluit

Rekening houdend met het profiel van de interventie-inspecteurs (gemiddelde leeftijd van 25 jaar, gemiddeld 3 jaar politieanciënniteit, inspecteur sinds 21 maanden en werkzaam in de afdeling sinds 20 maanden), kan worden gesteld dat de functie van terreinondersteuner een belangrijke meerwaarde biedt in de werking van de afdeling.  Een kritische succesfactor is daarbij dat de terreinondersteuner kan werken binnen een langetermijnvisie, die erop gericht moet zijn om de inspecteurs een ‘on the job training’ te geven.  In het licht van de complexiteit van het werk in deze zone, te wijten aan een mix van multiculturaliteit en vooral marginaliteit, blijkt de genoten opleiding immers ontoereikend.  Daarbij stellen een aantal respondenten de vraag in welke mate men vanuit een opleiding kan voorbereid worden op dergelijke situatie.

In dat kader dient de TO, als rolmodel, dan ook de nodige kwaliteiten te bezitten, niet alleen op het vlak van ervaring, kennis en vaardigheden, maar tevens inzake emotionele intelligentie en didactische vaardigheid.  Tevens dient hij gemotiveerd te zijn om deze taak op zich te nemen en moet hij de nodige ondersteuning krijgen van de hiërarchie.  De afstand die blijkbaar wordt gecreëerd tussen de officieren en de inspecteurs kan het belang van de functie van terrein­ondersteuner alleen maar doen toenemen, aangezien deze de facto de schakel wordt tussen het basis- en het officierenkader.    
Het risico dat tijdens het onderzoek werd onderkend, te weten dat slechts twee TO’s zich vrijwillig hadden aangeboden voor deze functie, werd reeds door de leiding ondervangen.

Sinds het onderzoek zijn 8 nieuwe hoofdinspecteurs in dienst getreden in deze afdeling, waardoor interne verschuivingen mogelijk werden.  In tegenstelling tot de eerste lichting zijn de huidige TO's allen vrijwilligers.  Tevens werd het kader van interventie-inspecteurs uitgebreid van 75 tot 90 eenheden.

29.3.   Aanbevelingen

Er kan worden overwogen om in het raam van een opvolgingsonderzoek (o.a. in 2005-2006) na te gaan in hoeverre de door de korpsleiding geïmplementeerde maatregelen een impact hebben gehad op de threats en weaknesses zoals zij in het raam van de SWOT-analyse door de bevraagde inspecteurs en terreinondersteuners werden vermeld.  Rekening houdend met de timing van deze bijsturingen zou de eerste fase van dit opvolgingsonderzoek in het tweede semester van 2006 kunnen worden gepland.

30.                Werking van bepaalde politiezones

30.1.   Probleemstelling

Tijdens het voorbije werkjaar heeft het Vast Comité P in een aantal lokale politiezones een toezichtsonderzoek dan wel een opvolgingsonderzoek verricht of afgesloten.  In totaal gaat het om 27 korpsen.  De bevindingen hiervan maken het voorwerp uit van een specifieke rapportering aan het Parlement en aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie.  Het Vast Comité P zal zich pas in 2005-2006 uitspreken over de openbaarheid die aan dat bijzonder verslag zal worden gegeven.         
Daarnaast heeft het Vast Comité P meer in het bijzonder aandacht besteed aan de functionaliteiten onthaal en interventie in verschillende zones.     
De verschillende conclusies van het Vast Comité P worden hierna in de vorm van een synthese weergegeven voor vier van de zes basisfunctionaliteiten, met name wijkwerking, lokale opsporing en lokaal onderzoek, handhaving van de openbare orde en politionele slachtofferbejegening.  Op de twee andere functioneringsaspecten, onthaal en interventie, wordt iets diepgaander ingegaan.

30.2.   Vaststellingen

30.2.1.  Wijkwerking, lokale opsporing en lokaal onderzoek, handhaving van de openbare orde en politionele slachtofferbejegening

De wijkwerking laat een zeer verscheiden beeld zien: van een net niet halen van de minimale werkings- en functioneringsnorm tot het ruim overschrijden ervan.  In alle bezochte zones werden inspanningen geleverd om het contact met de bevolking zo goed als mogelijk uit te bouwen.         
Anderzijds is de informatiedoorstroming tussen de wijkwerking en de andere korpsonderdelen en vice versa in een aantal zones nog voor verbetering vatbaar.

Wat de lokale opsporing en het lokaal onderzoek betreft, wordt op één zone na de minimale werkingsnorm gehaald.  De taakverdeling tussen de lokale recherche en de gerechtelijke dienst arrondissement (GDA) lijkt te werken.  In sommige korpsen neemt de recherche ook deel aan geüniformeerde diensten, waaronder de gehypothekeerde capaciteit (Hycap).

In het domein van de handhaving van de openbare orde wordt de minimale norm van één permanent bereikbare en terugroepbare officier van bestuurlijke politie overal gehaald.  Alle zones nemen ook vrij goed de verkeersproblematiek ter harte.  Doorgaans is die zelfs als specifiek aandachtspunt in het zonaal veiligheidsplan (ZVP) opgenomen.

Inzake politionele slachtofferbejegening wordt de minimale norm niet overal gehaald.  Vele korpsen hebben hieromtrent een protocol afgesloten met naburige zones om de klok rond beschikbaar te zijn.

30.2.2.  Onthaal en interventie

30.2.2.1. Inleiding

In het verlengde van het specifieke toezichtsonderzoek gestart in 2002 en de analyses uitgevoerd in 2003 en 2004, oordeelde het Vast Comité P dat een opvolgingsonderzoek noodzakelijk was om na te gaan hoe de implementatie van de functionaliteiten onthaal en interventie vorderde in een aantal Nederlandstalige en Franstalige zones.  De bedoeling was een eerste samenvattend beeld te schetsen van de organisatie van deze twee functionaliteiten, meer bepaald van de structurele, operationele en strategische aspecten ervan om daaruit, in voorkomend geval, aanbevelingen te kunnen afleiden.

De zones werden geselecteerd op basis van twee variabelen: de aanwezigheid van een grote verkeersader op hun grondgebied en het feit dat ze in de grensstreek gelegen zijn.  Vanuit methodologisch oogpunt werd gekozen voor het COSO-model.  Hiertoe werd tijdens een gesprek aan elke betrokken korpschef een analyserooster met de beoordeling van risico­factoren voorgesteld.  Deze analyse is tevens gestoeld op andere bronnen [129] .

In de verschillende bezochte zones (ook deze die werden bezocht in het kader van opvolgingsonderzoeken) wordt de minimale norm inzake onthaal gehaald of overschreden.  De openingsuren lijken te zijn aangepast aan de werkdruk.  In een aantal zones worden de personeelsleden die het onthaal verzekeren daartoe specifiek bijkomend gevormd o.a. met betrekking tot het omgaan met moeilijke klanten.  Minpunt is soms de gebrekkige infrastructuur.           
De minimale werkingsnorm inzake interventie wordt in nagenoeg alle zones gehaald en zelfs overschreden.  De concrete invulling van deze functionaliteit is echter zeer verscheiden: gebruik van prioriteitencodes versus beslissing geval per geval, aan- of afwezigheid op het terrein van een officier van gerechtelijke politie (OGP) of een officier van bestuurlijke politie (OBP), al dan niet een tweedelijnscontrole op de opgestelde processen-verbaal, dagelijkse versus sporadische of niet-gestructureerde briefings, georganiseerde versus onvoldoende informatiedoorstroming met andere korpsonderdelen, enz.

30.2.2.2. Beschouwingen

(1) Functionaliteit ‘onthaal’

Op structureel vlak waren bijna alle directies, bij de creatie van de zones, afhankelijk van de beschikbare gebouwen.  De situatie verschilt dus van zone tot zone en heeft tot gevolg dat de omgevingsstructuren waarin het onthaal gevestigd is, erg van elkaar verschillen en zelfs ongeschikt zijn.  De korpschefs zijn zich over het algemeen bewust van dit probleem en leveren inspanningen om de staat, de inrichting en de ‘klantvriendelijkheid’ van de lokalen te verbeteren.  Niettemin moet worden vastgesteld dat de onthaalfunctie nog te vaak afhangt van uiteenlopende en ontoereikende infrastructuur.  Het interessante verslag van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie maakt gewag van een soortgelijke vaststelling.
Wat het operationele en strategische aspect betreft, toont de overgrote meerderheid van de zonale directies zich daarentegen tevreden over de doelmatigheid van de functionaliteit onthaal, zelfs indien deze stelling meestal niet met argumenten wordt onderbouwd.

Een specifieke opleiding en specialisatie van de onthaalbeambten zijn evenwel niet de regel.  Over het algemeen, uiteraard met enkele varianten, wordt de onthaalfunctie verzekerd volgens een ‘polyvalent’ systeem, met name politieambtenaren die worden bijgestaan door Calog-personeelsleden en worden begeleid door leidinggevend personeel.  Dit gebrek aan specialisatie heeft soms gevolgen voor de manier waarop met de externe klant wordt omgegaan.  We stellen vast dat onthaalbeambten (maar dat geldt ook voor leden van andere diensten) hun gedrag aanpassen naar gelang van de klant, bijvoorbeeld wanneer hun gesprekspartner bij de politiediensten gekend is (en ze hem het etiket van ‘misdadiger’ opplakken).         
De onthaalfunctie wordt niet systematisch noch op algemene wijze geanalyseerd: er worden weinig analyses van de doelmatigheid (en/of de eventuele zwaktes) gemaakt en indien dit wel het geval is, zijn ze niet altijd echt ernstig te noemen.  Bovendien zijn de gehanteerde indicatoren niet allemaal even relevant.

Globaal genomen, worden de openingsuren van de commissariaten gerespecteerd en vaak wordt de vereiste minimumnorm inzake beschikbaarheid gehaald (7 dagen op 7 en 24 uur op 24), zij het door middel van verschillende systemen.  In dit verband stelde de Directie van de relaties met de lokale politie (CGL) in 2003 dat meer dan de helft van de zones niet meer beschikte over een permanent contactpunt.  In de meeste zones is het onthaal gecentraliseerd in het hoofdcommissariaat, maar het komt ook voor, zij het in mindere mate, dat de functie volledig gedecentraliseerd is en uitsluitend in nabijheidsposten wordt georganiseerd.        
De tevredenheid van de personeelsleden over deze functie lijkt weinig te zijn onderzocht sinds het begin van de politiehervorming.  Ook met de mening van de externe klant wordt zelden rekening gehouden.  Positief is wel dat er meer en meer technische middelen worden ingezet om de wachttijd voor de burger zo veel als mogelijk te beperken.  Uit het onderzoek komt tevens naar voor dat er speciale aandacht wordt besteed aan slachtoffers om ervoor te zorgen dat ze een gepaste begeleiding krijgen, alsook dat sommige onthaaldiensten heel wat capaciteit moeten inzetten voor de registratie van misdrijven die buiten hun zone zijn gepleegd.

Kleinere zones zijn vaak niet uitgerust met het nodige elektronische materiaal om radio­communicatie en telefoongesprekken te registreren en te bewaren.  De codering van de informatie lijkt daarentegen wel performant dankzij een uitgebreid informaticanetwerk.  Bovendien zal de overdracht van informatie nog vlotter verlopen zodra het CIC-ASTRID-systeem overal zal worden toegepast.

(2) Functionaliteit ‘interventie’

Op structureel vlak vergt de functionaliteit interventie van de zones een aanzienlijke investering qua capaciteit om de minimumnormen inzake interventieploegen te handhaven.
De zoneleidingen ramen het ideale aantal ploegen op het terrein volgens regels die niet overal gelijk zijn en op basis van niet-uniforme indicatoren.  In haar zuivere toepassing komen er bij deze functionaliteit niet altijd kwaliteitsnormen of -criteria aan te pas, maar toch wordt in vele gevallen een kwalitatief antwoord geboden op de vragen van de klant.  De leiding moet dan ook geregeld de strategische keuze maken om het aanbod aan te passen aan de vraag, zelfs indien dit een wachttijd met zich meebrengt.    
Hoewel steeds meer inspanningen worden geleverd om de dienstverlening aan de bevolking te verbeteren, wordt de interventiedienst doorgaans nog reactief beheerd en hebben de politieambtenaren hoofdzakelijk tot taak ‘brandjes te blussen’.  Voor buitengewone gebeurtenissen worden doorgaans personeelsleden teruggeroepen of wordt de hulp van een naburige zone ingeroepen op basis van interzonale protocolakkoorden inzake laterale steun.  Ook op het vlak van interventie koesteren de zonale verantwoordelijken hoge verwachtingen ten aanzien van de veralgemeende implementatie van het Astridsysteem.  Volgens hen zal dit de kans zijn om hun strategie terzake te verbeteren, omdat ze dan de mogelijkheid zullen hebben om de ploegen op het terrein te volgen.        
Net als voor de functionaliteit onthaal worden niet vaak adequate analyses gemaakt van de tevredenheidsgraad van de personeelsleden die bij de interventies betrokken zijn.  Ook hier blijven de evaluatiecriteria zeer subjectief.

30.2.2.3. Conclusies

(1) Functionaliteit ‘onthaal’

Het onthaal is het visitekaartje van een politiedienst en bepaalt dan ook in grote mate het beeld dat de burger zich van het politiekorps zal vormen.  Bijgevolg moet de werklast van de onthaalbeambten geregeld opnieuw worden berekend.  Zo kan de zoneleiding bepalen in welke periodes er een beroep wordt gedaan op de onthaaldienst en kan ze piekmomenten voorzien.  Bij die berekening moet men uiteraard rekening houden met de kenmerken eigen aan de zone, omdat deze een aanduiding geven van het risico dat voorzienbare en onvoorzienbare gebeurtenissen zich voordoen.  In zijn auditverslag benadrukt het Rekenhof trouwens dat “de minimale dienstverlening inzake basispolitiezorg op identieke wijze werd gedefinieerd voor elk van de 196 politiezones, zonder rekening te houden met de kenmerken van elke zone”.   
De tendens is dat de zoneleidingen zich hoofdzakelijk concentreren op de vormelijke organisatie van hun onthaal en veel minder op de kwaliteitscriteria van de dienstverlening aan de klanten.  Met een omgekeerde benadering zouden de problemen nochtans makkelijker kunnen worden opgelost in deze toch essentiële pijler van de gemeenschapsgerichte politiezorg.

(2) Functionaliteit ‘interventie’

Op structureel vlak stellen we vast dat de zoneleidingen het ideale aantal ploegen op het terrein ramen op basis van regels die niet overal gelijk zijn.         
Op strategisch en operationeel vlak worden de werkingsprocedures van de leiding niet altijd op eenvormige wijze opgesteld of worden deze soms niet nageleefd door de ploegen om de vastgestelde doelstellingen te bereiken.  Zo gebeuren er nog heel wat tussenkomsten zonder rapportering of het opstellen van een verslag.  
De functionaliteit interventie is nog te veel het resultaat van een reactieve strategie waarbij de ploegen worden aangestuurd hetzij als vaste interventieploeg hetzij als piekploeg.

30.2.3.  Relaties met DirCo en DirJu

Op één uitzondering na, werd de verhouding met de bestuurlijke directeur-coördinator (DirCo) en met de gerechtelijke directeur (DirJu) meestal als goed omschreven.  De meeste respondenten of gecontroleerden stellen ook dat het echelon van de DirCo een toegevoegde waarde oplevert.  Ook de rol van de verbindingsambtenaar van de GDA wordt, één uitzondering niet te na gesproken, als vrij positief omschreven.           
Wel stellen we vast dat deze functies op zeer verscheiden wijze worden ingevuld.  Gelet op de verscheidenheid van de zones is een dergelijk pragmatisme evenwel aangewezen.

30.2.4.  Knelpunten in de werking

Naar aanleiding van deze onderzoeken werd aan de korpschef ook gevraagd de zaken op te sommen die hij zelf als knelpunt ervaart.  Als gemeenschappelijke noemer komt hier naar voor: (1) capaciteitsproblemen door het veelvuldig leveren van Hycap; (2) onderbezetting als gevolg van een aantal langdurig zieken; (3) attitudeprobleem van (sommige) personeelsleden zowel naar de hiërarchie als naar de burger toe; (4) gebrekkige interne communicatie.

30.3.   Aanbevelingen

De verschillende verslagen over de onderzoeken die specifiek zijn gericht op de ene of de andere politiezone of een of andere dienst, werden toegestuurd aan de bevoegde overheden, in sommige gevallen samen met aanbevelingen ad hoc.  In het raam van deze synthese gaat het Comité enkel dieper in op de functionaliteiten onthaal en interventie.

De onthaalbeambten zouden moeten worden geselecteerd volgens een welbepaald profiel (vrijwilligers, aangeboren zin voor empathie, erkende beroepskennis, vermogen om op objectieve wijze een situatie in te schatten, beheersing van de processen eigen aan de instelling), maar ook en vooral op basis van een aangepaste gemeenschappelijke opleiding, zelfs een nog verder doorgedreven psychologische selectie.      
De onthaalfunctie zou door de zonale directies vooreerst moeten worden bekeken in het licht van haar wezenlijke kenmerk, dat haar van de andere functionaliteiten onderscheidt, namelijk de ‘transversaliteit’.  De onthaalfunctie is immers impliciet vervlochten met alle mogelijke politiehandelingen, van de meeste banale tot de meest ernstige.  De politieambtenaar zal de klant (slachtoffer of dader) altijd moeten ‘onthalen’, hem benaderen volgens de situationele omstandigheden.  De onthaalfunctie staat, volgens ons, niet op zichzelf, maar is een proces dat in elke opdracht tot uiting moet komen.  De directies zouden dit aspect absoluut herhaaldelijk moeten beklemtonen ten overstaan van hun personeel.           
Dat is tevens één van de redenen waarom de zonale verantwoordelijken zeer bijzondere aandacht moeten schenken aan de tevredenheid van de politieambtenaar en van de burger.  Sinds de politiehervorming staan de zonechefs weliswaar almaar meer open voor dit soort van initiatieven om de kwaliteit van hun beleid te verbeteren, maar nu dient zich voor hen de uitgelezen kans aan om hun personeel te sensibiliseren om geijkte werkorganisatiemodellen in te voeren
[130] .      
Ten slotte moet bij het structurele aspect van het onthaal gefocust worden op zowel de bereikbaarheid als de locatie van de commissariaten.  Alle commissariaten zouden over parkeerplaatsen moeten beschikken voor mindervaliden en zouden moeten zorgen voor een geactualiseerde en duidelijkere bewegwijzering naar de verschillende politieposten.  De commissariaten zijn tegenwoordig bijna allemaal uitgerust met de nieuwe uithangborden en toch, verscheidene jaren na de implementatie van de geïntegreerde politie, is, zowel op zonaal als op federaal niveau, de zoektocht naar de ‘politiepost’, zelfs de centrale post, in sommige contreien nog steeds een echte lijdensweg …

Uit de audit van het Rekenhof blijkt dat 54 op 63 politiezones met een minimumbezetting van minder dan 58 politieambtenaren werken en moeilijkheden zouden ondervinden op het vlak van hun kritische grootte.  Het spreekt voor zich dat dergelijke situaties gevolgen hebben voor de operationele werking van een interventiedienst.  Zou het in deze welbepaalde gevallen dan ook niet ideaal zijn om de capaciteit die nodig is voor deze functie geregeld te ramen, te berekenen en te beoordelen, zodat een permanente dienstverlening verzekerd wordt met oog voor de specifieke kenmerken van de zone?

Net als voor de onthaalfunctie schenken sommige zonale verantwoordelijken nog te weinig aandacht aan het meten van de tevredenheidsgraad van de interne en externe klanten en de partners over de interventiedienst.

31.                Spoorwegpolitie [131]

In feite is dit dossier gestart via een onderzoek naar de metrobrigade van de federale politie te Brussel.  Ingevolge de beslissing van de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie om deze eenheid in de spoorwegpolitie te integreren, heeft het Vast Comité P besloten dit onderzoek uit te breiden naar de ganse spoorwegpolitie.
Eén van de elementen die tot deze beslissing heeft geleid, is, naast de beslissing van de beide ministers, de vaststelling dat er bij het Vast Comité P tamelijk veel klachten over de werking van de spoorwegpolitie (metrobrigade) werden ingediend.     
Na alle klachten te hebben gebundeld en alle lopende onderzoeken te hebben afgesloten, kon worden vastgesteld dat er zich, net zoals in het verleden op het niveau van de spoorwegpolitie, verschillende werkingsproblemen voordeden in deze dienst.  Zo bleek onder meer dat de leden van de huidige spoorwegpolitie afkomstig waren uit verschillende ‘politionele culturen’, wat de werk