Jaarverslag 2004 - Hoofdstuk II
14. Werking van de 101-centrales- Actualisatie van alle beschikbare gegevens over de specifieke Brusselse situatie inzake de 101-centrale
18. Toepassing van de indirecte belasting op het vervoer van bestuurlijk of gerechtelijk aangehouden personen of ‘overlasttaks’
20. Politionele controle op de diverse vormen van prostitutie en de bestrijding van de mensenhandel in die context
25. Steunaanbod van de federale component aan de lokale component van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus
Afdeling 4: Doeltreffendheid van de algemene werking van één of meer politiediensten, -korpsen of één van hun componenten
Afdeling 5: Doeltreffendheid en beheer van de diensten of personen met beperkte of andere politiebevoegdheid
Hoofdstuk II: Toezichts-
en opvolgingsonderzoeken
In 2004 heeft het Vast Comité P 68 toezichtsonderzoeken
s.s. beheerd of uitgevoerd, 29 ervan werden in hetzelfde jaar aangevat.
Dit gaat enerzijds om thematische onderzoeken en onderzoeken met betrekking
tot de doeltreffendheid/doelmatigheid
[1] van een component
van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, van een
politiekorps, -eenheid of -dienst en anderzijds om bijzondere onderzoeken
of opvolgingsonderzoeken.
Omtrent een aantal van deze onderzoeken werd reeds een tussentijds verslag,
een eind- of opvolgingsverslag toegezonden aan de Bijzondere commissie belast
met de parlementaire begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten.
Deze verslagen werden doorgaans besproken tijdens één van de zes werkvergaderingen
met deze commissie, waarvan er één begin 2005 plaatsvond.
Sommige van deze verslagen, die in dit activiteitenverslag samenvattend worden
besproken, werden reeds gedeeltelijk gepubliceerd of in de openbaarheid gebracht.
Andere verslagen kunnen worden geraadpleegd op de website van het Vast Comité P
[2] , nadat ze zijn
besproken met de Bijzondere commissie belast met zijn parlementaire begeleiding.
Daarenboven werden al deze verslagen ook overgemaakt aan de hiërarchische
verantwoordelijken of overheden, in de meeste gevallen ook aan de ministers
van Binnenlandse Zaken en van Justitie of aan sommige gerechtelijke overheden
die allen, steeds, de mogelijkheid hadden om in dit verband opmerkingen of
suggesties te formuleren, adviezen of beschouwingen naar voren te brengen
of specifieke vragen te stellen. Wanneer nodig of nuttig voor een goed begrip
van de verslagen, werd met deze reacties rekening gehouden in de publieke
versie van de verslagen of dienden ze als toelichting of commentaar tijdens
de bespreking met de parlementaire begeleidingscommissie.
Het globale en geïntegreerde toezicht van het Vast Comité P
spitst zich voornamelijk toe op de drie voornaamste aandachtspunten die hem
door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie-
en inlichtingendiensten zijn opgelegd, en die tevens worden bekeken in het
licht van de bedachtzame uitoefening van de politiefunctie, met name de bescherming
van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen, alsook
de coördinatie en de doeltreffendheid/doelmatigheid van de politiediensten
in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991.
Op basis van de aard van het toezicht kunnen de toezichtsonderzoeken worden
onderverdeeld in drie hoofdcategorieën, met name de toezichtsonderzoeken met
betrekking tot: (1) de bescherming van de rechten van de mens en de doelmatigheid
van de politie s.l.; (2) de coördinatie en de doelmatigheid van
de politie s.l.; (3) de doelmatigheid van bepaalde politiediensten.
Onder politie verstaan we meer in het bijzonder en achtereenvolgens de geïntegreerde
politiedienst en zijn verschillende componenten enerzijds, maar anderzijds
ook andere diensten van bijzondere politie in de zin van artikel 3 van
de wet van 18 juli 1991.
Een aantal onderzoeken, tot slot, is in dit verslag bijeengebracht onder de
rubriek ‘Andere onderzoeken’. Al deze toezichtsonderzoeken kunnen bovendien,
in grote lijnen en volgens hun algemene of bijzondere aanpak, worden ingedeeld
naar enerzijds het thematisch gericht onderzoek en anderzijds het verantwoord
en transparant toezicht toegespitst op een organisatie en haar werking, meer
bepaald de implementatie van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt,
de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde
politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, of nog, afgezien daarvan, de
Nieuwe gemeentewet, het Wetboek van Strafvordering of enige andere specifieke
wetgeving of reglementering.
Dit laatste soort toezicht wordt hoofdzakelijk uitgeoefend via audits of preaudits,
‘quick scans’, opvolgingsonderzoeken of nog marginale controles of
opvolgingsonderzoeken van de functie intern toezicht wanneer het specifiek
om globale en geïntegreerde monitoring gaat.
Dit jaar heeft het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten ervoor geopteerd
om slechts, op synthetische wijze, verslag uit te brengen over de onderzoeken
waarin duidelijk vooruitgang werd geboekt sinds de laatste keer dat ze werden
besproken in één van zijn vorige jaarverslagen of die in een ontwikkelingsstadium
zijn gekomen waarin overleg met de commissie belast met zijn
parlementaire begeleiding noodzakelijk is of die
rechtvaardigen dat er verslag over wordt uitgebracht omdat deze rapportage
past in het beleid van het Comité om ten aanzien van alle belanghebbende partijen
transparant te zijn omtrent het toezicht dat het uitoefent.
Hoewel de analyses die hierna aan bod komen, niet noodzakelijk vormelijk als
dusdanig zijn voorgesteld, belichten ze in principe de volgende vier aandachtspunten:
(1) probleemstelling en, in voorkomend geval, methodologie; (2) vaststellingen
en conclusies; (3) perspectieven; (4) aanbevelingen.
De voornaamste aanbevelingen die het Vast Comité P in het bijzonder wenst
te benadrukken, worden tevens in fine van het corpus van dit activiteitenverslag
besproken.
Wanneer het Vast Comité P de balans opmaakt van tien jaar toezicht [4]
op de politiewerking, is één van de aandachtspunten
die nadrukkelijk op de voorgrond treden ongetwijfeld het gebruik van dwang
en geweld in de politiepraktijk. Elk jaar onderzoekt het Vast Comité P
relatief veel klachten en aangiften die handelen over een mogelijk willekeurig
optreden en ongeoorloofd of ongerechtvaardigd geweldsgebruik door de politie.
Ofschoon een groot gedeelte van deze klachten en aangiften na onderzoek, al
dan niet op gerechtelijk vlak, ongegrond blijkt te zijn, werpen ze in hun
totaliteit een licht op probleemsituaties, tekortkomingen en bepaalde disfuncties
die zich voordoen in de politiepraktijk en die een aantasting van de fundamentele
rechten en vrijheden van de mens kunnen inhouden.
Vanuit deze wetenschap volgt het Vast Comité P een aantal thema’s in
dit domein nauwgezet op, zoals het wapenbeheer, fouilleringen en aanhoudingen,
de inzet van honden in de politiepraktijk, enz. Daarnaast wordt een overkoepelend
onderzoek gevoerd dat zich in het bijzonder richt op de mogelijke mechanismen
– zowel formele als informele – die maken dat er onvoorzien, onredelijk of
excessief geweldsgebruik kan optreden en dat dit getolereerd wordt binnen
de politieorganisatie.
De globale en geïntegreerde studie heeft als doel zich een reëel beeld te
vormen van: (1) de omstandigheden en eventuele probleemgebieden waarin
het excessief gebruik van dwang en geweld voorkomt; (2) de redenen –
bewust of onbewust – die eraan ten grondslag kunnen liggen; (3) de mogelijke
problemen op het vlak van communicatie, leiding en coördinatie.
De aanwending van dwang en geweld is inherent aan de uitoefening van
de politiefunctie, zeker wanneer de politie te allen tijde de veiligheid van
de staat en de samenleving dient te garanderen! De politie bezit dus in zekere
zin een geweldsmonopolie op het nationale grondgebied. Internationale, Europese
en nationale regelgevingen en adviezen zorgen voor de globale sturing en toetsing
van dit gebruik van dwang en geweld, waarbij het referentiekader altijd vertrekt
vanuit de naleving en de bescherming van de mensenrechten en de democratische
ontwikkeling van de maatschappij. Bij het politiehandelen staan de legitimiteit,
de wettelijkheid, de opportuniteit en de evenredigheid van dit gebruik steeds
centraal. Politieambtenaren moeten tijdens hun tussenkomsten professioneel
en integer handelen vanuit een bijzondere oordeelkundigheid. De politie-interventies
moeten progressief en subsidiair zijn naar handelingen en inzet van middelen
toe, waarbij tevens een maximale objectiviteit en neutraliteit van de interveniërende
politieambtenaren wordt verwacht.
De toepassing van dwang en geweld alsook de uitgangspunten
ervoor werden samengebracht in de wet van 5 augustus 1992 op het
politieambt [5] . Elk gebruik
van geweld is van aard om automatisch iemands rechten en vrijheden te schenden.
De politie in haar geheel en elke politieambtenaar afzonderlijk heeft, naar
de geest van de wet en volgens de principes van een gemeenschapsgerichte
politiewerking, de morele verplichting het gebruik van dwang en geweld permanent
te toetsen aan de eerbiediging van de mensenrechten. Dit is een noodzakelijke
interne toetsing die, indien ze wordt aangevuld met een extern georganiseerd
transparant en democratisch toezicht, de essentiële voorwaarde is voor een
Human Rights Proof Policing [6]
.
Vanuit sociologisch standpunt kunnen we dwang omschrijven als elke politiemaatregel die een verplichting, een verbod of een gebod inhoudt voor een burger binnen de samenleving. De burger dient zich vreedzaam aan die politiemaatregel te onderwerpen. Wanneer de burger dit niet doet, dan kunnen de politieambtenaren het bij wet voorziene ‘noodzakelijk’ geweld – zijnde elke gedraging, handeling of gebruik, voorzien bij richtlijn of procedure, in de vorm van technieken en gebruiken – aanwenden om die maatregel op een psychische of fysieke manier effectief af te dwingen [7] . Alle geweld dat buiten dit kader valt, kan mogelijk als excessief geweldsgebruik worden omschreven.
“De maatschappij heeft recht op een professionele toepassing van
het geweldsmonopolie en politieambtenaren hebben recht op zo veilig mogelijke
arbeidsomstandigheden”
[8] . Uit de analyse van
dossiers naar aanleiding van het onderzoek naar excessief geweldsgebruik en
vuurwapengebruik door de politie blijkt dat juist deze twee betrachtingen
vaak niet of moeilijk te verzoenen zijn op het ogenblik van een politietussenkomst.
Onderzoek toont aan dat in de praktijk veel agenten zich in een situatie wringen
waarin er voor hen niets anders overblijft dan geweld te gebruiken, of zelfs
te schieten. Fyfe wijst erop dat “schieten vaak het resultaat is van een
situatie waarin de agent beter anders had kunnen handelen” [9]
. Adang en Timmer verwijzen naar gelijkaardige conclusies
uit de studie van Belgische gegevens door Pauwels e.a. [10]
.
In het kader van deze studie komt tot uiting dat de situaties waarin, in dit
geval, vuurwapens worden gebruikt de meeste problemen veroorzaken. De verwaarlozing
van bepaalde veiligheidsaspecten zoals dekkingsmogelijkheden, de opstelling
van en taakverdeling tussen de aanwezige collega’s, alsook het miskennen van
bepaalde risicofactoren zijn belangrijke aandachtspunten binnen het geheel.
Wellicht ligt een aantal van deze factoren ook aan de basis van problematische
situaties bij ander gebruik van geweldsmiddelen. Beide streefdoelen, zoals
verwoord door Timmer en Adang, houden inherent de premisse in dat er aan minimumvereisten
wordt voldaan, zowel door de individuele politieambtenaar en de politieorganisatie
als door de overheid en de maatschappij zelf
[11] .
In een democratische samenleving bepaalt de overheid het wettelijk
kader en de principes die aan het geweldsmonopolie vorm en inhoud geven.
De wet voorziet in eenieders bevoegdheden en vooral ook in de limieten ervan.
Het behoort tot de taak van de overheid om voldoende middelen te voorzien
opdat de politie binnen een veilig en professioneel kader zou kunnen werken.
Van de politieoverheden wordt verwacht dat zij de hen ter beschikking gestelde
middelen efficiënt aanwenden om politieambtenaren op professionele wijze te
rekruteren, op te leiden en te trainen en dat zij hen vervolgens uitrusten
met de middelen die noodzakelijk zijn om in veilige omstandigheden en professioneel
te kunnen optreden. Het is dan ook onontbeerlijk dat de opleiding en training
van politieambtenaren, hun inzet, kwaliteit en uitrusting voldoende afgestemd
worden op de politiepraktijk. Dit vereist een beleid dat steunt op een permanente
leiding, ondersteuning en opvolging van de politiepraktijk, dat op zijn beurt
garant staat voor een professionele toepassing van het geweldsmonopolie en
de veilige omstandigheden waarin gewerkt wordt. De toetsing van de politiepraktijk
aan deze beide elementen maakt een wezenlijk deel uit van dit beleid. Ondanks
de recente evoluties in management, zowel technieken als modellen, blijft
het een verrassende vaststelling dat het beleid vooral met betrekking tot
dit laatste aspect in gebreke blijft.
De politie mag enkel en alleen geweld gebruiken vanuit het oogpunt
een wettig doel na te streven. Dit veronderstelt een politieoptreden, waarbij
dwang- of geweldsmiddelen worden aangewend, dat zelf een wettelijke basis
en doel heeft. De wet spreekt de professioneel opgeleide politieambtenaar
aan op het niveau van zijn denken, kunnen en handelen in de politiepraktijk.
Van elke politieman of -vrouw wordt verwacht dat hij of zij zich, vooraleer
tussen te komen, een juist oordeel kan vormen omtrent de basis voor die tussenkomst
en de situatie waarin men zich bevindt. Daarnaast moet hij of zij het eventuele
gevaar en de mogelijke risico’s kunnen inschatten en vooral de juiste beslissing
nemen om niet enkel de meest doeltreffende, maar zeker de minst dwingende
manier van handelen aan te wenden!
Niettegenstaande de politie bij haar uitvoering handelt onder het gezag van
de bevoegde overheden, alsook binnen een hiërarchisch leidinggevend kader
functioneert, is het de individuele politieambtenaar die uiteindelijk altijd
zelf verantwoordelijk is voor zijn handelen, tenzij hij expliciet handelt
ingevolge een wettelijk gegeven order of bevel. Aan elk gebruik van dwang
of geweld gaat een waarschuwing vooraf.
Alleen wanneer dit in de praktijk niet werkbaar zou zijn, wordt de politie
van deze plicht ontlast. Deze expliciete vermelding in de wet laat vermoeden
dat de gevallen waarin de politie niet in staat is om die waarschuwing te
geven, en ze dus in het tegenovergestelde geval niet in staat zou zijn om
doeltreffend op te treden, eerder uitzonderlijk moeten zijn! We kunnen ervan
uitgaan dat het om bepaalde situaties gaat die levensbedreigend zijn of dat
kunnen worden of om bepaalde (relatief zware) criminele feiten waarbij de
bewijzen dreigen teniet te gaan door de vernietiging van gegevens of door
het wegvluchten van de daders. Men kan hierbij ook denken aan bijzonder gevaarlijke
daders. Wellicht gaat het dus steeds om situaties die altijd een bepaalde
risicograad inhouden en waarbij bovendien zowel de notie tijd als het verrassingseffect
een cruciale rol spelen in de goede afloop van de situatie.
Uit de analyse van geweld- en vuurwapenincidenten blijkt dat factoren zoals
de dringendheid van de actie, de actiegerichtheid van de politieambtenaren
met de bijbehorende stress, onzekerheid en ‘tunnelvisie’, alsook het gebrek
aan juiste en gevalideerde informatie en aan leiding, telkens opnieuw in het
oog springen en mogelijkerwijs een doorslaggevende rol spelen in de negatieve
beïnvloeding van zowel de veiligheid als het professionalisme van het optreden.
Het is echter vooral de politieambtenaar zelf die, al dan niet samen
met zijn collega’s, dient bij te dragen tot een professionele en veilige politiewerking.
Politieambtenaren moeten dagdagelijks functioneren binnen het kader van de
hen toegekende bevoegdheden, moeten professioneel omgaan met hun macht en
moeten er vooral voor zorgen dat ze verantwoord en transparant optreden.
Zij mogen geweld slechts aanwenden als ultiem middel, hetzij wanneer zij op
geen enkele andere manier de openbare orde kunnen waarborgen of herstellen,
hetzij om een einde te maken aan ernstige strafbare feiten.
Niet enkel uit de analyse van klachten en aangiften en op basis van de gevoerde
onderzoeken, maar eveneens uit de observaties, die door de Dienst Enquêtes
op het terrein naar aanleiding van verschillende politie-interventies werden
verricht, blijkt dat dit in de praktijk niet altijd zo is.
Geweld wordt soms ook aangewend bij de uitvoering van dwangmaatregelen zonder
dat er sprake is van tegenwerking of gewelddadigheid vanwege de burger(s)
en komt zelfs voor in situaties waarin een persoon al overmeesterd is en geboeid
op de grond ligt.
Geweld is dan wellicht eerder het resultaat van een onvoldoende beheersing
van gevoelens zoals onveiligheid, schrik, frustratie, woede of van machtsmisbruik.
Werken vanuit een gemeenschapsgerichte politiezorg vergt van elke politieambtenaar
een grotere verantwoordelijkheid en veronderstelt het afleggen van verantwoording.
Net als het gebrek aan debriefing en evaluatie roept dit fundamentele vragen
op omtrent de opvolging en bijsturing met het oog op een professionele uitoefening
van het geweldsmonopolie en het zorgen voor veilige arbeidsomstandigheden.
In België zijn er verschillende controleniveaus en toezichthoudende
instanties. Onverminderd het optreden van het Vast Comité P, wordt er
desondanks tot op heden niet automatisch verantwoording afgelegd noch regelmatig
toezicht gehouden op het gebruik van dwang en geweld, tenzij de politionele
tussenkomst een levensbedreigende situatie inhield of het gebruik van een
geweldsmiddel daartoe leidde. Er is in ons land geen formele meldingsplicht
voor geweldsgebruik, behalve voor vuurwapengebruik en de melding van bepaalde
incidenten, met name deze voorzien in de Gemeenschappelijke richtlijn MFO-3
van de Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken betreffende het informatiebeheer
inzake gerechtelijke en bestuurlijke politie van 14 juni 2002.
Het Vast Comité P, als extern controleorgaan, oefent volgens de wet toezicht
uit op de naleving en bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet
aan personen waarborgen. Het gebrek aan verantwoording en evaluatie bemoeilijkt
dit extern toezicht, dat juist daardoor globaler en veel intensiever dient
te gebeuren. Het Vast Comité P deed onder andere een aantal bevragingen
naar het bezit, de opleiding en het gebruik van pepperspray in alle 196 politiezones.
Hieruit blijkt dat er doorgaans geen informatie wordt bijgehouden omtrent
ander geweldsgebruik dan vuurwapengebruik, waardoor men in de meeste gevallen
uitsluitend aangewezen is op wat hierover werd genoteerd in de processen-verbaal.
Een klein aantal politiezones schreef niettemin het toezicht in als aandachtspunt
binnen hun beleid. Zij brengen het Vast Comité P geregeld op de hoogte
van het resultaat daarvan. Een dergelijke uitwisseling van kennis en informatie
draagt bij tot het globaal en extern toezicht dat de wetgever voorschreef
en blijkt ook essentieel voor de opvolging en bijsturing op het terrein zelf [12]
. Het Vast Comité P onderschrijft en steunt
deze punctuele initiatieven als good practices, maar stelt vast dat
deze nog onvoldoende verspreid zijn.
In een dergelijke context blijft ook een reële beeldvorming omtrent de toepassing
van het geweldsmonopolie actueel in gebreke. Deze kan immers nagenoeg uitsluitend
extern worden georganiseerd! Men heeft momenteel dan ook onvoldoende inzicht
in: (1) de problematische situaties – de gevaren en risicofactoren
– binnen de politiepraktijk die aanleiding geven tot onduidelijke = keuzes
in handelwijze en de inzet van mensen en middelen (wapens) bij tussenkomsten;
(2) bepaalde gedragingen eigen aan de situationeelgerichte benadering
van potentieel gevaarlijke situaties en de afstemming van de opleidingen en
trainingen in dat kader; (3) de mate waarin verantwoordelijkheid inzake
het gebruik van dwang en geweld wordt opgenomen, alsook de rol van de leidinggevende
en van het politiebeleid inzake de evaluatie ervan; (4) de opvolging
van het al dan niet concreet toepassen van het geweldsmonopolie volgens het
principe van ‘maximum effectiviteit en minimum geweld’; (5) de huidige
controle vanwege de politie zelf op de toepassing van het geweldsmonopolie
en de noodzakelijke garanties vanuit een Human Rights Proof Policing
met betrekking tot de artikelen 3, 5 en 9 van de Universele verklaring
voor de rechten van de mens van 10 december 1948, de
artikelen 2, 3, 5 en 7 van het Europees Verdrag tot bescherming van de
rechten en de fundamentele vrijheden van de mens van 4 november 1950
en de artikelen 12 en 14 van de Belgische Grondwet [13]
.
Het onderzoek dat het Vast Comité P voert inzake het gebruik van
dwang en geweld gebeurt momenteel aan de hand van verschillende complementaire,
doch kwalitatiefgerichte onderzoeksmethoden die vooral op een beschrijvende
manier bijdragen tot een realistische beeldvorming van de huidige politiewerking.
Er wordt vooral aandacht besteed aan de continuïteit van het onderzoek en
de opvolging doorheen de jaren.
Het doel bestaat erin dit algemene gebrek aan kennis op te vullen door de
politiewerking te toetsen aan de bescherming van de mensenrechten, aan de
doeltreffendheid van de toepassing van het wettige geweldsmonopolie en aan
de veiligheid van politie en burgers.
Het Vast Comité P tracht bovendien aan de hand van onderzoek en opvolging
een bijdrage te leveren tot de bevordering van het algemene bewustzijn inzake
de noodzaak van toezicht en evaluatie teneinde er de nodige lessen uit te
trekken.
Het onderzoek gebeurt door middel van: (1) een directe en gestructureerde observatie van de politiewerking op het terrein; (2) analyses van gegevens omtrent geweldsgebruik dat mogelijk als excessief kan worden omschreven; (3) analyses van gegevens omtrent wapen-, spray- en vuurwapengebruik; (4) de bevraging en opvolging van rekrutering, opleidingen, trainingen, interne regelingen, instructies en evaluaties.
Als onderdeel van het onderzoek naar het gebruik van dwang en geweld worden vanaf 2004 observaties op het terrein uitgevoerd door leden van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité P. Deze observaties dragen bij tot een realistische beeldvorming van de huidige politiepraktijk en de eventuele problemen waarmee de politie bij haar optreden geconfronteerd wordt. Door de proactieve aard van de activiteit vult het resultaat ervan de kennis uit de klachtenbehandeling en de verschillende toezichtsonderzoeken aan. Een analyse van dit alles maakt een grondigere evaluatie van de politiewerking op dit vlak mogelijk.
De observatie zelf geschiedt op een directe en gestructureerde manier
[14] door de verschillende
– hiertoe opgeleide – leden van de Dienst Enquêtes P. Elke betrokken
politiezone of -dienst wordt meestal vooraf op de hoogte gebracht van de observatieopdracht
alsook van het doel.
De observatoren nemen niet deel aan de politiewerking noch trachten zij deze
bij te sturen. De observatie eindigt op het ogenblik dat de commissarissen-auditors
van de Dienst Enquêtes genoodzaakt zijn om gerechtelijke vaststellingen te
doen of dringende bijstand of hulp te verlenen. Deze situatie deed zich totnogtoe
slechts éénmaal voor, toen de observanten getuige waren van feiten die mogelijk
als excessief geweldsgebruik konden worden omschreven.
Na afloop van elke observatie gebeurt een rapportering op basis van de gehanteerde
observatiestructuur of protocol, waarbij de nadruk ligt op de beschrijving
van de politiewerking, zonder daarover een oordeel te vellen. Van elke observatie
worden verscheidene rapporten opgemaakt door de verschillende aanwezige observanten.
Het geheel van deze rapporten wordt achteraf geanalyseerd teneinde globale
conclusies te formuleren.
Het opzet van de observaties zou vanuit de doelstellingen van het onderzoek
alle mogelijke vormen van politiewerking waarin dwang en geweld kan worden
aangewend, omvatten. Wegens een aantal vertekeningen, eigen aan de uitvoering
en de specifieke context waarin de observaties gebeuren, was het totnogtoe
nagenoeg onmogelijk om veel kleinschalige politieoptredens te observeren.
Dit soort onderzoek wordt bemoeilijkt door het wantrouwen op het terrein tegenover
deze proactieve vorm van extern toezicht, een aspect dat veel minder een rol
speelt bij de grootschalige acties of opdrachten.
In de loop van 2004 werden ongeveer 80 observaties uitgevoerd van diverse middelgrote en grootschalige politieoptredens (zowel de reguliere politiediensten als diensten zoals de Administratie der douane en accijnzen of inspectiediensten of veiligheidsagenten van het openbaar vervoer) op verscheidene plaatsen in het land. De observaties hadden zowel betrekking op massagebeurtenissen als op kleinschaligere gebeurtenissen en betreffen zowel de bestuurlijke als de gerechtelijke sfeer. Aan een aantal acties namen studenten uit de basisopleiding deel. Het totale aantal uren besteed aan observatie bedraagt ongeveer 1 600 of gemiddeld 40 uur per observator. Er wordt geobserveerd vóór, tijdens en na de gebeurtenis of politieactie. Zowel de briefing als de eventuele debriefing worden gevolgd en alle voorbereidende documenten en eventuele evaluatierapporten worden opgevraagd en geanalyseerd.
De verschillende politiewerkingen die totnogtoe geregeld werden geobserveerd, zijn: (1) de politiewerking naar aanleiding van grootschalige culturele manifestaties of sportmanifestaties: voetbalwedstrijden, formule1-wedstrijden, grote wielerwedstrijden en massafestiviteiten zoals carnaval, openluchtconcerten of studentendopen; (2) de politiewerking naar aanleiding van het beheren van grootschalige maatschappelijke uitingen van mening of protest: grootschalige of specifieke manifestaties, marsen of betogingen die vooraf aangevraagd en toegelaten werden. De observaties werden geselecteerd op basis van hun aard, grootschaligheid en de mate waarin er gekende frustraties of conflicthaarden aanwezig konden zijn; (3) grootschalige politiewerking van gerechtelijke aard: specifieke gerechtelijke acties of politiemaatregelen die gebeuren naar aanleiding van een bepaalde rechtszaak of een reconstructie; (4) politieacties, georganiseerd in het kader van het federale of de zonale actieplannen, die bovenlokaal gepland waren en waarvoor meestal federale steun werd gevraagd.
De observaties konden worden verricht met de bereidwillige medewerking
van alle betrokken korpsen en diensten. De geobserveerde politiewerking verliep
in het algemeen vlot, zonder noemenswaardige incidenten op gebied van het
gebruik van dwang en geweld of op het gebied van de veiligheid.
Hierna wordt dieper ingegaan op een aantal mogelijke probleemgebieden die
de politiewerking op een bepaald ogenblik negatief zouden kunnen beïnvloeden
of doen resulteren in een incident.
De politiewerking, georganiseerd naar aanleiding van een grootschalige
gebeurtenis of ten gevolge van een specifieke actie, verschilt vooral op het
gebied van aanpak en inzet van mensen en middelen. Toch is dit verschil in
aanpak niet noodzakelijk te wijten aan de vooraf geanalyseerde dreiging of
eventueel bepaalde risico’s, maar is het vooral ook de weerspiegeling van
een specifieke aanpak en van gewoontes eigen aan een zone of dienst. Zo wordt
bijvoorbeeld, ongeacht de voetbalwedstrijd en het ermee gepaard gaande risico,
telkens dezelfde steun gevraagd en globale inzet voorzien en schommelt bij
dezelfde controleactie de inzet van twee politieambtenaren en één politievoertuig
tot elf politieambtenaren, met verschillende functie, en meerder politiewagens.
Die variatie is dan ook niet altijd helemaal het gevolg van het al dan niet
verkrijgen van de gevraagde steun.
De aanpak en de inzet van mensen en middelen bepalen niet enkel het verloop
van de politiewerking, maar ook de veiligheidsaspecten die ermee gepaard gaan.
Er is eveneens een relatief groot onderscheid merkbaar met betrekking tot
de inzet van middelen en bijzondere middelen. Bij diverse controleacties
ging het om de aan- of afwezigheid van signalisatiemateriaal, alsook om het
dragen van individuele en/of collectieve wapens. De inzet van collectieve
middelen, sproeiwagens bijvoorbeeld, leek soms meer te getuigen van een gewoonte
dan van een noodzaak op dat ogenblik en vooral de inzet van honden en het
al dan niet dragen van een muilband zorgden voor wezenlijke verschillen.
Globaal gesproken, werden relatief veel situaties geobserveerd waarin allerlei dwangmaatregelen aan de burger werden opgelegd. Niet zozeer de genomen dwangmaatregelen vallen hierbij op. Vooral de manier waarop ze ten uitvoer worden gelegd, levert, zoals blijkt uit de observaties, soms een gevaar op voor de veiligheid van zowel de politieambtenaren als van de burgers. Dit is vooral zichtbaar in de kleinschalige politiewerking.
Algemene controleacties op de weg worden bijvoorbeeld onmiddellijk
na een bocht en vaak met heel weinig signalisatie georganiseerd. Niettegenstaande
het voordeel van het verrassingseffect vanuit een crimefighting-perspectief,
houdt deze werkwijze enorme gevaren in. Zo roept de manier van opstelling
en de werking zonder kegels, signalisatie en voldoende verlichting serieuze
vragen op inzake veiligheid. Naast het gebrek aan signalisatie werd bij verschillende
geobserveerde acties waargenomen dat nogal wat bestuurders wegreden om de
controle te ontwijken. Dit resulteerde in een ontwricht dispositief omdat
men die voertuigen per se wilde terughalen met alle risico’s die aan
deze achtervolging verbonden zijn.
Een belangrijke vaststelling is de routinematige manier van controleren.
De politieambtenaar draagt weliswaar een veiligheidsvest en verschillende
individuele wapens, maar buigt zich soms voorover om in het voertuig of de
kofferruimte te kijken, terwijl op dat ogenblik niemand anders toezicht houdt
op de aanwezige personen.
Het systematisch controleren van laadruimtes van vrachtwagens op parkings
gebeurt vaak zonder inachtneming van onderlinge veiligheidsmaatregelen en
-houdingen (dekking). De uitvoering gebeurt door individuele politieambtenaren,
die weinig onderling communiceren, zich op een lijn achter de laadruimte bevinden
en bovendien geen oogcontact houden.
Ook hier is een routinematige aanpak van controles waarneembaar en zijn de
aangeleerde manieren van controleren in de praktijk ver zoek.
Het nemen van collectieve dwangmaatregelen in het kader van grootschalige
gebeurtenissen kan veel minder in vraag worden gesteld, omdat deze meestal
gebeuren in sectie- of pelotonsverband, waarbij in elk geval een leidinggevende
aanwezig is. Maatregelen zoals versperringen, verplichte kanalisaties of
escortes worden meestal gelaten opgevolgd door de burger. Heel af en toe
worden deze maatregelen in vraag gesteld, wanneer de burger zich in tijdsnood
bevindt. Dit resulteert dan meestal in een discussie zonder meer.
Zelfs het langdurig ophouden van supporters, waarbij de ganse groep onder
bewaking blijft van verschillende hondengeleiders met honden zonder muilband,
lokte in de groep eigenlijk veeleer onbegrip uit dan agressie. Collectieve
dwangmaatregelen bij grootschalige politiewerkingen ogen vaak in grote mate
veilig voor de politieambtenaren. Ze staan immers achter de gesloten versperringen
of bevinden zich met veel op één en dezelfde plaats en hebben vaak voldoende
collectieve geweldsmiddelen zoals sproeiwagens ter beschikking.
De dwangmaatregelen zijn echter niet altijd geïnspireerd door een genegotieerd
beheer of gebeuren niet steeds vanuit een situationele aanpak van de gebeurtenissen.
Ze zijn ook niet altijd afgestemd op het reële verloop van deze gebeurtenissen.
Nochtans zijn er altijd verschillende terreinverantwoordelijken aanwezig.
Deze maatregelen worden dan ook stipt uitgevoerd omdat ze zo voorzien zijn
of omdat het de gewoonte is! Een voorbeeld hiervan is de automatische opschaling
van kledij en uitrusting na afloop van een voetbalwedstrijd of naar aanleiding
van het bereiken van het eindpunt van een manifestatie.
De politiemaatregelen, genomen door verschillende aanwezige politiediensten,
zijn ook niet altijd op elkaar afgestemd. Zo staat er al eens een versperring
opgesteld aan weerszijden van een kruispunt, gaat men een aangehouden persoon
overdragen aan een ander team door hun voertuigen in het zicht te plaatsen
van gelijkgezinden van de persoon en staan politieambtenaren van de ene dienst
bij eenzelfde controlepost volledig in openbare ordetenue met helm en schild
en in lijn geplaatst, terwijl leden van een andere dienst, amper 20 meter
verder, zich in rusthouding bevinden, in openbare ordebroek en T-shirt zonder
helm en schild.
Ogenschijnlijk en volgens diverse waarnemingen volgt de inzet en opstelling
niet altijd de logica van een realiteitsgebonden risicoanalyse.
Bovendien is het een opmerkelijke vaststelling dat meer en meer politieambtenaren
naar aanleiding van grootschalige gebeurtenissen een bivakmuts onder hun helm
dragen, die vaak alleen de oogzone vrijlaat. Uit de waarnemingen van de verschillende
politiewerkingen kon niet worden geconcludeerd dat dit een algemeen gebruik
is, noch dat deze gezichtsbedekking eventueel dient om zich te beschermen
tegen de kou of tegen molotovcocktails, maar wellicht eerder gebruikt wordt
ten behoeve van een geanonimiseerde politiewerking die, zowel in het kader
van het beheer van gebeurtenissen als vanuit de uitgangspunten van een gemeenschapsgericht
politieoptreden, helemaal niet aan de orde kan zijn.
Er werden weinig situaties waargenomen waarin effectief geweld werd
gebruikt. Nochtans werd het grootste deel van de grootschalige politiewerkingen
specifiek uitgekozen gezien het mogelijke risico op conflict of problemen.
Aan de observatoren werd gevraagd op verschillende tijdstippen de eventueel
subjectief ervaren dreigingen of risico’s, in het kader van de politiewerking,
te omschrijven. De risico’s en dreigingen bleven in de realiteit uiterst
beperkt, meestal was de sfeer gemoedelijk, los, vriendelijk en open. Risico’s
bleken dan ook meer voort te vloeien uit een gebrek aan veiligheidsmaatregelen
naar aanleiding van kleinschaligere politiewerkingen of acties. Grotendeels
kon het geobserveerde geweldsgebruik als sluitstuk van een individueel genomen
dwangmaatregel worden gezien. Het ging telkens om individuen die uit een
groep gepikt werden wegens herhaaldelijk provocerend gedrag en die zich verzetten
tegen de genomen politiemaatregel.
Slechts in een paar gevallen werd mogelijk buitensporig geweldsgebruik waargenomen.
In één geval stopte de politieambtenaar onmiddellijk zodra hij de observatoren
van het Vast Comité P in het oog kreeg en sloten de aanwezige politieambtenaren
meteen de rangen door zich voor het gebeuren in lijn op te stellen. In een
ander geval konden wel vaststellingen worden gedaan toen een persoon, die
reeds geboeid op de grond van het politievoertuig lag, een slag kreeg van
een ‘gemaskerde’ politieambtenaar. De politieambtenaren in het voertuig droegen
toen allen een bivakmuts. Van dit buitensporig geweldsgebruik zijn echter
niet alleen de observatoren getuige, maar ook de andere politieambtenaren
en aanwezige leidinggevenden.
In beide gevallen werd echter meteen een scherm door de collega’s opgetrokken
zodat er door onze commissarissen-auditors geen relevante vaststellingen konden
worden gedaan.
Ten slotte kon ook een paar keren het gebruik van pepperspray de visu worden
vastgesteld. Het werd ‘preventief’ gebruikt om manifestanten op afstand te
houden of om supporters te beletten naar een andere zone te gaan. Er was
in deze gevallen geen communicatie tussen de politie en de burger, noch werd
de burger van dit geweldsgebruik verwittigd en bovendien werd (of kon) helemaal
niet (worden) gezorgd voor decontaminatie.
Deze verschillende gevallen worden momenteel nog steeds onderzocht en zullen
door het Vast Comité P worden opgevolgd.
Niettegenstaande de radioberichtgeving maar weinig kon worden beluisterd, kwam in de rapporten toch geregeld tot uiting dat er tijdens het verloop van acties en controles nagenoeg geen onderlinge communicatie was en dat er evenmin radio’s of gsm’s werden gebruikt.
In opvolging van het onderzoek naar de situaties waarin mogelijk excessief geweld werd gebruikt, werden alle klachten en onderzoeken, gekend bij het Vast Comité P, met betrekking tot geweld van het jaar 2004 – 340 in totaal – geanalyseerd op basis van de indicatoren die naar voor kwamen in de analyses van het initieel onderzoek. Gezien zijn wettelijke opdrachten en zijn bevoegdheden zoals bepaald in de wet van 18 juli 1991, werd het grootste gedeelte van deze klachtendossiers ofwel onmiddellijk door het Vast Comité P, ofwel via zijn Dienst Enquêtes medegedeeld aan de gerechtelijke overheden voor verder onderzoek. Aangezien het om analyses van klachten gaat en niet, in tegenstelling tot het basisonderzoek, om de analyse van de volledige dossiergegevens, kunnen in de huidige stand van zaken onmogelijk vergelijkbare conclusies worden getrokken. De systematische analyse van 340 klachten kan niettemin bepaalde tendensen bevestigen of nieuwe aangeven.
De reden voor de tussenkomst van de politie kan meestal worden afgeleid
uit het brede relaas van de klacht. Het gaat veelal om tussenkomsten ingevolge
een oproep inzake overlast, zoals huiselijke twisten of caféruzies, om tussenkomsten
naar aanleiding van conflictuele verkeerssituaties of -ongevallen, om identiteitscontroles
of om tussenkomsten inzake openbare dronkenschap. In een minderheid van de
gevallen gaat het om tussenkomsten van gerechtelijke aard, namelijk op basis
van kantschrift of ten gevolge van het plegen van criminele feiten.
Wat soms tot uiting komt in deze klachten, is de mondigheid van de klagers
tegenover de interveniërende politieambtenaren op het ogenblik van het gebeuren
en het feit dat zij dit optreden op dat moment in vraag stellen of trachten
de controle te ontvluchten, om tal van al dan niet persoonlijke redenen.
In de grootsteden gaat een aantal klachten uit van burgers van vreemde origine
en vloeit één op tien klachten voort uit de interactie tussen de politie en
één of meer minderjarigen.
Vooral in dit soort van klachten komt naar voor dat jongeren in eerste instantie
de politiecontroles trachten te ontvluchten. Het feit dat men het politieoptreden
in vraag stelt of tracht te ontlopen, is volgens het geschetste verloop meestal
de aanleiding tot diepgaandere controle en verregaandere politiemaatregelen,
die vrij geregeld resulteren in een bestuurlijke vrijheidsberoving, hetzij
in een kamer, hetzij in de politiecel.
Volgens de allegaties in de klachten gebeurt het overmatig geweldsgebruik
tijdens de interventie – het overmeesteren en het te strak boeien van de persoon
– en vooral ook binnen de muren van het commissariaat. Ook volgens deze allegaties,
werden de meeste klagers geboeid, overgebracht met het politievoertuig en,
in nogal wat gevallen, gedurende verschillende uren opgesloten in een politiecel.
Een aantal onder hen beweert in het kader van het verhoor geslagen of geïntimideerd
te zijn. De klachten inzake slagen en verwondingen worden veelal gestaafd
met een medisch attest, afkomstig van de urgentiedienst van het ziekenhuis
waar betrokkene zich onmiddellijk na afloop van de vrijheidsberoving of vrij
vaak ook later aanmeldde. Sommige medische attesten staven de vaststelling
van hematomen en sporen van geweld ten gevolge van het boeien. Een groot
aantal attesten beschrijft eveneens sporen van geweldsgebruik ter hoogte van
het aangezicht, de ribben en de ledematen. Hierbij worden frequent breuken
vastgesteld ter hoogte van de neus, het aangezicht, de armen, de pols of één
of meer ribben.
De klachten vanwege burgers van vreemde origine handelen vrij vaak over allegaties
van vernederingen en racistische uitspraken of handelingen. Een aantal opvallende
voorbeelden zijn terugkomende klachten over het uitkleden in het bijzijn van
verschillende politieambtenaren en de kniebuigingen die men vervolgens voor
hen moet maken of over burgers met een donkerder huidskleur die zouden onderworpen
worden aan een test om te zien of zij ook in staat zijn een kom water op het
hoofd te dragen of op een andere manier het voorwerp van spot zijn.
In een aantal gevallen beklaagde men zich zelfs ook over herhaaldelijke folteringen.
De klager geeft in dit geval niet enkel een uitvoerige beschrijving, doch
staaft de vele verwondingen en sporen aan de hand van een medisch attest.
Dergelijke onderzoeken worden onmiddellijk, conform de wet, meer bepaald de
wet van 18 juli 1991, aan de gerechtelijke instanties medegedeeld.
Daarnaast worden deze klachten verder specifiek onderzocht door het Vast Comité P
en geven ze bovendien achteraf, nadat alle noodzakelijke onderzoeksinspanningen
zijn verricht, aanleiding tot verdere analyses en besluiten met het oog op
een diepgaander en punctueel toezicht binnen de limieten van de opdrachten
en bevoegdheden van het Vast Comité P.
In de allegaties van de klagers komt eveneens de aard van het gebruik
van geweld, eventueel door melding te maken van aangewende geweldsmiddelen,
tot uitdrukking. De breuken in het aangezicht worden meestal toegeschreven
aan het geven van een vuistslag midden in het gezicht, terwijl wurgsporen
ter hoogte van de hals vaak wijzen op een terugkerende ‘manier’ om de persoon
te doen rechtstaan of te doen voortgaan. De breuken en kneuzingen ter hoogte
van de ribben en de ledematen zijn, volgens de klagers, vaak het gevolg van
het slaan of het constant drukken met een, al dan niet, uitschuifbare matrak
of een toortslamp.
Het is bovendien opvallend dat in een aantal klachten dezelfde gebruiken terug
te vinden zijn binnen eenzelfde zone. Een voorbeeld hiervan is het opvallend
aantrekken van zwarte handschoenen om te slaan. In één van de klachten wordt
een wegvluchtende jongere gewond door een politiehond en wordt pepperspray
gebruikt om de omstanders, die de tussenkomst in vraag stellen, op afstand
te houden of om overgebrachte personen in een politievoertuig te kalmeren.
De analyse van de allegaties van de klagers bevestigt vaak een aantal
terugkerende contextuele factoren. De klager is veelal alleen bij de overbrenging
en opsluiting, terwijl de tussenkomst en de verdere politiemaatregelen meestal
gebeuren door meerdere geüniformeerde politieambtenaren, behorende tot verschillende
interventieploegen.
Verwarring met tegenwerking of pogingen tot ontvluchting treedt vooral op
wanneer politieambtenaren in burger optreden en ze volgens de klagers geen
enkel uiterlijk teken van politiebevoegdheid droegen, noch aangaven wie ze
waren.
Veel van de klagers bleven minimum 4 uur en maximum 12 uur in de
cel en beweren bij hun verhoor gemanipuleerd en gedwongen te zijn geweest
om de verklaringen en/of registers te ondertekenen.
Ten slotte valt het op dat niettegenstaande veel klagers een beschrijving
kunnen geven van één of meer politieambtenaren, ze in weinig gevallen in staat
blijken deze bij naam te noemen of te herkennen.
Een aantal aangeklaagde elementen uit de 340 klachten is qua aard vergelijkbaar met de vaststellingen uit het initieel onderzoek naar buitensporig geweldsgebruik. Er dringen zich twee essentiële maatregelen op met het oog op meer transparantie in de politiewerking en het toezicht daarop. Er dient, door de ter plaatse aanwezige leidinggevende en door het intern toezicht, een adequaat toezicht te worden uitgeoefend op elk gebruik van dwang en geweld ten aanzien van overgebrachte, verhoorde en opgesloten personen. Daarnaast dient elke tussenkomende politieambtenaar zichtbare politiekentekens te dragen en zich minstens kenbaar te maken bij een tussenkomst, indien dit nodig en mogelijk is.
Het Vast Comité P startte in 2004 het deelonderzoek naar het wapengebruik
door de politie. Gezien de meldingsplicht met betrekking tot het vuurwapengebruik
is er in dit verband zowel permanente informatie voorhanden als gegevens afkomstig
uit het klachtenbeheer en de opgevraagde gerechtelijke onderzoeken. Dit is
niet zo voor het ander wapengebruik, omdat er geen meldingsplicht bestaat
en deze gegevens momenteel uitsluitend afkomstig zijn uit de klachtendossiers
en de onderzoeken. Vooral in dit tweede geval ligt de focus dus automatisch
op de problematische situaties die uit dit gebruik voortvloeien, die dan ook
helemaal niet het reële gebruik van wapens, andere dan vuurwapens, en vooral
de goede praktijken binnen de politiewerking weerspiegelen.
De bestaande doelstellingen van het globaal onderzoek worden ook hier behouden.
Ter voorbereiding van de analyses werden een ruim aantal gegevens uit de jaren 90,
in hun algemeenheid, onderzocht. Aanvullend werden er gesprekken gevoerd
met opleiders inzake geweldsbeheersing, werd de cel gevarensituaties in de
schoot van de federale politie bezocht en werden een aantal studies uit het
buitenland geanalyseerd. Op die basis werden criteria bepaald die dienen
als achtergrond voor de diepgaandere analyses van de meest recente gegevens.
Dit onderzoek is op dit ogenblik nog niet volledig afgerond. Bijgevolg kunnen
er nog geen specifieke conclusies worden meegedeeld, maar kan wel al worden
gesteld dat een aantal steeds terugkerende contextfactoren, die telkens een
rol spelen bij het geweldsgebruik in het algemeen, ook hier naar voor komen.
Politieambtenaren schenken bij tussenkomsten onvoldoende aandacht aan veiligheidsfactoren,
vooral in functie van hun eigen veiligheid, en aan de inzameling, bevestiging
en uitwisseling van kennis en informatie én handelen bovendien vaak onmiddellijk
zodra ze ter plaatse komen, zonder met elkaar of met officieren of leidinggevenden
overleg te plegen of afspraken te maken over de manier waarop zal worden tussengekomen.
In alle onderzoeken die totnogtoe werden geanalyseerd, vallen volgende zaken
telkens op: (1) tussenkomen op basis van onduidelijke informatie; (2) niet
wachten op versterking alvorens over te gaan tot een interventie; (3) overgaan
tot een interventie zonder rekening te houden met elkaars positie en veiligheid,
enz. Hoewel er op dit ogenblik nog geen specifieke conclusies kunnen worden
getrokken, kunnen dus wel een aantal terugkerende probleemsituaties in vraag
worden gesteld.
De voor analyse beschikbare gegevens omtrent schietincidenten gaan relatief
vaak over het gebruik van vuurwapens ten aanzien van bestuurders van voertuigen
die een politiecontrole trachten te ontwijken of wegvluchten wanneer ze aangemaand
worden te stoppen. Het ‘wegvluchten’ van een persoon, al dan niet met een
voertuig, is voor een politieambtenaar vrij vaak het sein om over te gaan
tot actie en tot verregaande politiemaatregelen, waarbij vooral de veiligheid,
van zowel de politie als van de burger, in vraag kan worden gesteld. Nochtans
blijkt achteraf dat het maar in een minderheid van de gevallen om (zware)
criminelen gaat.
Bovendien blijkt ook uit de observaties dat de mogelijkheid tot ontwijken
of wegrijden ter hoogte van een politiecontrole bestaat wanneer er een gebrek
is aan signalisatie en/of wanneer de plaatsing van de controle voor verwarring
zorgt.
Politieambtenaren die in die omstandigheden schieten, verklaren dat ze op
de banden richtten om het voertuig te doen stoppen. Dit gewenste resultaat
wordt echter maar in weinig gevallen bereikt. In een paar gevallen raakten
de betrokkenen gewond, één persoon liet daarbij zelfs het leven. In een aantal
onderzoeken gebeurden schietincidenten wanneer een voertuig in zijn vlucht
trachtte in te rijden op één of meer politieambtenaren.
Vaak kunnen er dan ook vragen worden gesteld omtrent de positie van waaruit
verschillende politieambtenaren tussenkomen en kan worden gesteld dat het
geweld maar op weinig momenten het gewenste effect bereikt, namelijk het voertuig
op een veilige manier tot stilstand brengen.
Spraygebruik gebeurt, zoals uit verschillende gegevens blijkt, binnen
de begrensde ruimte van politievoertuigen of -lokalen. Het doel van dit gebruik
is de aangehouden of over te brengen burger te kalmeren. Pepperspray wordt
ook aangewend met het oog op een verhoopt ‘probleemloos verloop’ van bepaalde
dwangmaatregelen, zonder dat er noodzakelijkerwijs geweld of een grote mate
van dreiging aanwezig is.
In een recente Nederlandse studie [15]
wordt gesteld dat er tijdens tussenkomsten waarbij
een spray wordt gebruikt, veel minder op voorhand wordt gecommuniceerd!
Het gebruik van toortslampen wordt net als het gebruik van al dan niet uitschuifbare
matrakken opgemerkt binnen de analyse van het klachtenbeheer.
Men kan zich bij het analyseren van al deze gegevens omtrent het ander geweldsgebruik
dan dit met een vuurwapen, de vraag stellen of politieambtenaren in bepaalde
gevallen niet gewoon het wapen grijpen dat voor hen op dat moment het best
bereikbaar of misschien het best hanteerbaar lijkt, dan wel dat het gebruik
van wapens situationeel bepaald wordt, zoals momenteel wordt aangeleerd en
benadrukt in de opleidingen en tijdens de trainingen.
Door het gebrek aan meldingsplicht of aan evaluatie ervan kunnen op dit moment
geen specifieke en voldoende verifieerbare of betrouwbare conclusies worden
getrokken met betrekking tot wapengebruik.
Uit de klachtenanalyse en de observaties blijkt dat men af en toe honden,
zonder muilband, inzet in het kader van de openbare ordehandhaving. Op die
manier is het gebruik van honden in de politiepraktijk een dwang- of geweldsmiddel
dat op een geweldscontinuum bijna zo ver reikt als een vuurwapen.
Het Vast Comité P stelt zich in dit geval eveneens vragen bij de veiligheid
en het gebruik van deze honden wanneer zij daarna worden ingezet voor andere
werkzaamheden, zoals patrouilles.
Totnogtoe kwam de politieopleiding wat de context en de inhoud van
het gebruik van dwang en geweld betreft, een paar keer aan bod in het raam
van een aantal specifiek gerichte toezichtsonderzoeken, zoals dit met betrekking
tot aanhouding, fouillering, vrijheidsberoving, amigo’s en alternatieve geweldstrainingen.
In dit kader werden tevens de interne regelingen, nota’s en instructies die
het gebruik van dwang en geweld meer in detail uitschrijven in de verschillende
politiezones en -diensten opgevraagd. Op basis van de kennis die voortvloeit
uit de analyse van het klachtenbeheer, de observatie en het globaal toezicht
ontstaat de nood om intensiever onderzoek te voeren in het kader van het breder
onderzoek naar dwang en geweld.
Een aantal vaststellingen en conclusies geven hier verder richting aan.
Het Vast Comité P wijst op het bestaan van een aantal aspecten
die indruisen tegen een logisch en coherent geheel van de goede politiewerking
en de opleiding en training die daaraan ten grondslag liggen. Het Vast Comité P
stelde de volgende zaken vast:
(1) er is een gebrek aan kennis en toepassing van de basiswetten in de
politiewerking, de toepassing van de mensenrechten in functie van de politiepraktijk
of de kennis en toepassing van de grondregels uit de wet van 7 december 1998
op de geïntegreerde politie en de wet van 5 augustus 1992 op het
politieambt, die de politie-uitvoering op het terrein regelen;
(2) er is een mogelijk gebrek aan wisselwerking en transparantie binnen
(intra) en tussen (inter) de verschillende politiescholen en
hun afnemers. Het streven naar meer autonomie in de opleidingscentra doet
afbreuk aan het vereiste minimum aan uniformiteit en coherentie van de politieopleiding.
Niet alleen kan dit een gevaar betekenen voor het principe van de gelijkwaardige
minimale dienstverlening over het ganse grondgebied, men dient evengoed rekening
te houden met de mobiliteit van politieambtenaren. In dit opzicht werd reeds
een positieve wending vastgesteld in de wil tot uniformisering en coherentie
van de opleiding inzake geweldsbeheersing. Zo komt men momenteel binnen de
organisatie van de pedagogische comités inzake geweldsbeheersing, die de verschillende
scholen en campussen verenigt, tot overleg alsook tot het uitschrijven van
uniforme opleidingsmodules. Een recent voorbeeld hiervan is het uitwerken
van de opleiding inzake OC-spray
[16] ;
(3) de fasering en modulering van de opleidingen blijken niet optimaal
doorgevoerd. Er ontbreekt vaak een globale, transversale coördinatie van
de verschillende opleidingen.
Uit de analyse van interne regelingen, nota’s en instructies die in een aantal zones en diensten het gebruik van dwang en geweld ten behoeve van de politiepraktijk verder uitwerken, blijkt dat men te eng en uitsluitend refereert aan de bestaande wettelijke bepalingen sensu stricto, zonder aspecten van verantwoordelijkheid en verantwoording in te schrijven. Vooral de rol van de leidinggevende en de administratieve verplichtingen in het kader van het gebruik van dwang en geweld blijken vaak te ontbreken. Het is een noodzaak het professionele handelen en vooral ook de attitude binnen de specifieke regelingen en opleidingen te benadrukken. In het kader van de aanhouding, fouillering en vrijheidsberoving ontbreken deze zaken eveneens. Op die manier ontstaat er onduidelijkheid omtrent de aard van de aanhouding, omtrent de beslissingen en eventuele verantwoordelijkheden en ook omtrent de duur van de genomen maatregel. Bovendien stelt het Vast Comité P zich vragen bij de aandacht, behandeling en verzorging van de burger naar aanleiding van een opsluiting, fouillering en zijn verhoor.
Uit de analyses van klachten en onderzoeken inzake het gebruik van dwang en geweld komt in nogal wat gevallen het gebrek aan informatie-uitwisseling en overleg tot uitdrukking. De informatie voortvloeiend uit een oproep blijkt vrij vaak vaag en wordt daarna niet bevestigd, noch wordt er overleg gepleegd over de situatie – indien deze van levensbedreigende of fel gewelddadige aard is – alvorens tussen te komen. Contactnames gebeuren pas na afloop van de interventie of zelfs na de overbrenging met het oog op het nemen van verdere maatregelen.
Ten slotte wordt het gebruik van geweld en van de verschillende geweldsmiddelen
naar aanleiding van het nemen van bepaalde dwangmaatregelen in vraag gesteld.
Er wordt niet altijd gestart vanuit een strikt noodzakelijk en proportioneel
aanwenden en bovendien mag het niet worden gebruikt of moet het onmiddellijk
worden gestopt wanneer de burger zich (op een bepaald moment) onderwerpt aan
de politiemaatregel.
Het Vast Comité P stelt ook in dit verband de rol van de leidinggevende
in vraag.
Bij één van zijn ambtshalve vaststellingen naar aanleiding van een observatie
werden de leden van de Dienst Enquêtes niet enkel door de leidinggevende belemmerd
om de vaststellingen te doen van het buitensporige geweldsgebruik ten aanzien
van een op de grond liggende en geboeide persoon, de leidinggevende liet dit
geweld gebeuren zonder in te grijpen of de politieambtenaren ter verantwoording
te roepen.
De observatie biedt aan het Vast Comité P, als extern toezichtsorgaan,
de mogelijkheid om in reële tijd de politiewerking op te volgen. Observaties
zijn immers een aanvullende informatiebron ten behoeve van verschillende toezichtsonderzoeken
en dragen in sterke mate bij tot de algemene bewustwording van de nood aan
toezicht en evaluatie. Door een verdere aanwezigheid en observatie vanwege
het extern toezichtsorgaan – voorbeeldfunctie – wordt deze bewustwording wellicht
automatisch verhoogd! Bovendien kan op die manier een betere en realistischere
beeldvorming van de politiepraktijk en de eventuele probleemdomeinen worden
gerealiseerd.
Het Vast Comité P zal dan ook in de loop van de volgende jaren dit soort
toezicht voortzetten.
Klachten en onderzoeken inzake geweld dat mogelijk als excessief kan
worden beschouwd, worden permanent opgevolgd. De bijzondere analyse en onderzoeksverrichtingen
omtrent dergelijke gegevens zullen ook in de komende jaren worden voortgezet
ten behoeve van een juiste beeldvorming en aanpak van bepaalde specifieke
probleemdomeinen.
De analyse van de gegevens in verband met wapen-, spray- en vuurwapengebruik
dient in de toekomst ook verfijnd. Daarnaast zal naar bijkomende informatie
worden gezocht omtrent ander wapengebruik dan het hiervoor opgesomde ten behoeve
van dit onderzoek. Het globale resultaat van de totale en geïntegreerde analyse
wordt verwacht eind 2005.
Het Vast Comité P zal in de loop van 2005-2007 het deelonderzoek
in bovenvermeld domein diepgaander voeren, met name de theorie aan de praktijk
toetsen. Hiertoe worden alle opleidingen en trainingen opgevraagd in de verschillende
scholen en campussen, alsook alle nota’s en interne regelingen en procedures
gevraagd aan de zones en diensten.
Daarnaast heeft het Vast Comité P de intentie de diverse aspecten van
dit onderzoek na te gaan, zowel bij de rekrutering en selectie als bij de
opleiding en trainingen.
Het Vast Comité P is van oordeel dat de evaluatie van en het toezicht
op het gebruik van dwang en meer nog van geweld door de politieambtenaren,
een permanente opdracht moet zijn voor de leidinggevenden van een korps of
dienst. Niet enkel de evaluatie, maar eveneens het toezicht op het politiewerk
in de praktijk is een noodzaak om zowel de algemene veiligheidsomstandigheden
te verbeteren als een professionele toepassing van het geweldsmonopolie na
te streven. De opvolging van de efficiënte en effectieve inzet van mensen
en middelen is hier een onderdeel van.
Het Vast Comité P wenst hieraan de volgende aanbevelingen toe te voegen:
(1) De informatie-uitwisseling en het overleg op het terrein tussen de
verschillende politieleden en/of -diensten, alsook met de dispatching en de
algemene ‘coördinator’, moet dringend het voorwerp uitmaken van opleiding
en training, maar ook van opvolging en bijsturing van de politiemensen op
het terrein en hun hiërarchie.
(2) De veiligheid bij de uitvoering van het politiewerk dient te primeren
op de louter routinematige uitvoering van georganiseerde controleactiviteiten
en de leidinggevenden moeten hierop toezien en, indien nodig, bijsturen.
(3) Elk geweldsgebruik dient aan intern toezicht en opvolging te worden
onderworpen. Dit kan door vaker debriefings alsook vooraf evaluatiepunten
met betrekking tot het politiewerk te organiseren. Daarnaast kan dit gebeuren
door het nazicht van de processen-verbaal, hetgeen in de praktijk reeds gebeurt,
bijkomend te oriënteren naar de vermeldingen van geweldgebruik en de eventuele
gevolgen ervan.
(4) Ten slotte door het opstellen van een meldingsfiche van elk geweldsgebruik
ten behoeve van het algemeen toezicht en de democratisch georiënteerde controle.
Het toezicht dient verder in het bijzonder te gebeuren met betrekking tot
het gebruik van sprays en met betrekking tot de inzet van honden bij de uitoefening
van de politiefunctie.
Het Vast Comité P is van mening dat de politieambtenaren in de
uitvoering van hun reguliere taken, behoudens het bijzonder optreden waarbij
de waarschuwing het politieoptreden onwerkzaam zou maken, zichzelf alsook
de reden van de tussenkomst kenbaar moeten maken tegenover de burger.
Het gebruik van bivakmutsen zonder uitdrukkelijk bevel van een leidinggevende
is volgens het Vast Comité P ontoelaatbaar. In de huidige stand van
zaken wijst alles er immers op dat deze mutsen actueel meer ter anonimisering
zouden worden gebruikt om elk geweldsgebruik intern in te dekken.
Tot slot wenst het Vast Comité P te benadrukken dat het wettelijk ingesteld extern toezicht niet in zijn werkzaamheden mag worden belemmerd! Het extern toezicht werd onder andere ingesteld om er ‘te allen tijde’ op toe te zien dat de politie bijdraagt tot en waakt over de bescherming van de mensenrechten.
Aangezien de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden van de burger door de leden van de politiediensten één van zijn bijzondere aandachtspunten is, oefent het Vast Comité P sinds een aantal jaren toezicht uit op de omstandigheden waarin aangehouden personen in politiekantoren worden opgesloten. Wanneer in een al dan niet gerechtelijke klacht of aangifte melding wordt gemaakt van laakbare opsluitingsomstandigheden, wordt deze site systematisch bezocht en gecontroleerd. Bovendien werd er reeds in 1997 een globaal thematisch onderzoek ingesteld naar “de amigo’s of veiligheidskamers gevestigd in de kantoren van de Belgische politiediensten”. Aldus werden in 1997 en 1998 73 cellencomplexen bezocht en werd een eerste verslag opgesteld. In het verlengde van dit onderzoek werden in 2002 62 van deze cellencomplexen opnieuw bezocht. Daarover werd een opvolgingsverslag opgesteld. In 2003 waren er, net als in 2004, gerichte bezoeken gepland. Om overal dezelfde inlichtingen in te winnen, ongeacht de enquêteurs die de controle uitvoeren, werd een checklist opgesteld met te controleren punten en kreeg iedereen de opdracht om elke persoon die op het ogenblik van de controle was opgesloten, te bevragen over de omstandigheden van zijn opsluiting.
In 2003 en 2004 werden verscheidene dergelijke onverwachte bezoeken
afgelegd, waaronder in verschillende politiediensten die al eerder waren bezocht.
Uit de vaststellingen kan worden afgeleid dat de controles van de voorgaande
jaren, of de verslagen die daarover werden gepubliceerd, niet altijd de verhoopte
resultaten hebben opgeleverd. Zo worden sommige verouderde infrastructuren
nog steeds gebruikt en werden de interne richtlijnen waarin de aanbevelingen
van het Vast Comité P zijn verwerkt, niet altijd onder alle personeelsleden
verspreid.
Dat er geen budget werd voorzien voor de herstelling van de celleninfrastructuur
wordt vaak gerechtvaardigd door het feit dat er binnenkort nieuwe gebouwen
worden opgetrokken. Wanneer er interne richtlijnen bestaan, zijn deze onvolledig
en behandelen ze niet alle aspecten van de problemen waarmee politieambtenaren
kunnen worden geconfronteerd. De andere voornaamste opmerkingen die kunnen
worden geformuleerd, zijn dat er niet kosteloos eten en drank
[18] wordt verstrekt
aan, zowel bestuurlijk als gerechtelijk, aangehouden personen, dat aan de
aangehouden personen geen tekst wordt overhandigd waarin hun rechten zijn
beschreven (vordering van een arts indien nodig, verwittiging van een vertrouwenspersoon
in geval van bestuurlijke aanhouding, voedsel, enz.) noch is dergelijk bericht
opgehangen in de buurt van of zichtbaar vanuit de cellen [19]
, dat er in het register der aangehouden personen
geen melding wordt gemaakt van de maatregelen die werden genomen ten voordele
van de opgesloten personen, zoals de verwittiging van hun familie, de vordering
van een arts, het verstrekken van voedsel of drank, enz. Er dient niettemin
te worden onderstreept dat de begeleiding van buitenlandse onderdanen, die
in de doorgangscellen van de luchthaven van Zaventem worden opgesloten alvorens
te worden uitgewezen, van aanvaardbare kwaliteit is, net als de omstandigheden
van hun opsluiting.
Er zullen nog geregeld gelijksoortige controles worden verricht die zullen uitmonden in aanbevelingen telkens er een tekortkoming of disfunctie wordt vastgesteld.
In afwachting van een koninklijk besluit tot bepaling van de minimale
normen die moeten worden nageleefd voor de cellen in de politiediensten, is
het van belang dat de chefs, op alle niveaus, toezien op de eerbiediging van
de rechten van de opgesloten personen. Zij moeten worden ingelicht over de
hierboven vermelde rechten en moeten in geval van bestuurlijke aanhouding
een vertrouwenspersoon kunnen laten verwittigen, alsook voedsel krijgen op
de normale etenstijden.
Wanneer ze worden gefilmd door een videocamera, moeten ze daarvan duidelijk
in kennis worden gesteld. De meeste politiezones beschikken over verschillende
commissariaten met doorgangscellen. Een cellencomplex dat niet meer voldoet
aan een minimum aantal waarborgen inzake hygiëne en veiligheid, zou dan ook
onmiddellijk en eenvoudigweg onbruikbaar moeten worden verklaard.
In navolging van de analyse van een reeks klachten en aangiften alsook
van een interessant onderzoek verricht door de ‘Independent Police Complaint
Board’
[21] in het Verenigd
Koninkrijk, waar elke dood van een burger tijdens of na het contact met of
het verblijf bij de politie automatisch aanleiding geeft tot een diepgaand
onderzoek, heeft het Vast Comité P, in overleg met zijn parlementaire
begeleidingscommissie, beslist in het verlengde van de gemaakte analyse zijn
soortgelijk onderzoek voort te zetten. Dit onderzoek gebeurt in fine,
net als in het Verenigd Koninkrijk, vanuit het oogpunt van de bescherming
van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens. Het Vast Comité P
beperkt zich echter niet tot de gevallen waarbij een burger daadwerkelijk
overlijdt, maar breidt zijn onderzoek uit tot de detectie en analyse van alle
incidenten die zich kunnen voordoen met burgers op het ogenblik dat ze onder
het toezicht van de politie staan en die een schending van hun fundamentele
rechten en vrijheden kunnen inhouden.
Dit onderzoek betreft alle mogelijke soorten incidenten, namelijk deze als
gevolg van een beperkende politiedwangmaatregel zoals de aanhouding, de overbrenging
of de repatriëring, als deze tijdens of naar aanleiding van de opsluiting
in een lokaal, een bewaarkamer of een politiecel. Centraal staat de zorgwekkende
toestand waarin de burger zich bevindt, waardoor hij overlijdt, ofwel voor
verzorging naar het ziekenhuis wordt overgebracht ofwel, in een aantal gevallen,
pas zelf achteraf voor de nodige hulp of verzorging kan instaan. Het is de
bijzondere toestand als gevolg van een ziekte, ongemak of verwonding(en) die
de kern van het onderzoek vormt en die, indien de burger niet overlijdt, in
elk geval tot zijn dood had kunnen leiden.
Dr. Ian McPherson, vertegenwoordiger van ‘Police and Mental Health
Services’ benadrukt het probleem van de mentale gezondheid in relatie
tot een groot aantal problematische situaties die zich voordoen met burgers
die in contact komen met de politie. Dit mentale probleem is, net als de
hoge mate van intoxicatie door alcohol, drugs, eventueel in combinatie met
medicijnen, een steeds terugkerend element binnen het onderzoek in dit domein.
Vooral het feit dat de politie relatief vaak geconfronteerd wordt met burgers
die zich fel onder invloed op straat bevinden en waarvoor zij wettelijk dient
in te staan, levert problemen op.
De besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van
de dronkenschap in ons land voorziet bij artikel 1, § 2 dat een
persoon die zich op een openbare plaats in staat van dronkenschap bevindt
en wanorde, schandaal, of, voor een ander of voor zichzelf gevaar veroorzaakt,
in het gemeentelijk huis van bewaring of in de veiligheidskamer van de politie
wordt opgesloten gedurende ten minste twee en ten hoogste twaalf uren. Dit
artikel bepaalt eveneens expliciet dat de persoon, “indien zijn toestand
zulks vereist, de nodige geneeskundige zorg ontvangt”
[22] .
Resolutie 690 (1979) betreffende de verklaring over de politie van de
Raad van Europa, meer bepaald het artikel 14 stelt dat: “een politieambtenaar
die de hoede heeft over een persoon wiens toestand geneeskundige zorgen behoeft,
beroep moet doen op geneeskundig personeel en in voorkomend geval, maatregelen
moet treffen om het leven en de gezondheid van die persoon te beschermen”.
Nergens anders wordt echter, in de huidige stand van zaken, binnen dit
domein de hulpverlening in zijn algemeenheid voorzien, noch worden de materiële
voorwaarden voor eender welke vorm van hulpverlening in ons land geregeld.
Het oordeel of een persoon die onder het toezicht van de politie staat,
zich al dan niet in een zorgwekkende toestand bevindt, berust, bij aanvang,
bijna altijd en uitsluitend bij de politie. De politieambtenaren beschikken
echter niet over de noodzakelijke kennis omtrent de toestand van de persoon.
Het is ook niet voorzien dat zij, behoudens in het kader van de verkeerswetgeving,
de mate van alcoholintoxicatie kunnen (laten) bepalen, noch dat zij bepaalde
middelen ter beschikking hebben om intoxicaties van een andere aard te detecteren,
zoals verdovende middelen of medicijnen. De politie kan, behalve in het geval
van openbare dronkenschap, naar geen enkele regeling teruggrijpen om de nood
aan verzorging van een burger te (laten) bepalen en te verzekeren.
Een aantal maatregelen is gewoonweg niet voorzien wanneer de burger zelf vraagt
om hulp of bijstand en al helemaal niet wanneer hij of zij er niet expliciet
om kan vragen. Zo is er in het kader van het bestuurlijke optreden steevast
discussie over wie voor de kosten van de geneeskundige zorgen of andere hulpverlening
moet opdraaien, wanneer de politie die zorgen, ter beschermende maatregel,
zelf oplegt aan de burger.
In elk geval halen de incidenten met burgers, wanneer zij onder het toezicht
van de politie geplaatst zijn, vrijwel steeds de krantenkoppen en wordt door
de publieke opinie een eventueel schuldig verzuim door de politie gesuggereerd.
Het is namelijk voor de buitenwereld bijzonder moeilijk om de omstandigheden
in de juiste context te plaatsen, enerzijds omdat er daartoe te weinig informatie
voorhanden is en anderzijds omdat er, vanuit het standpunt van de burger gezien,
te weinig formele controlemechanismen zijn ingesteld die zijn standpunt kunnen
helpen naar voren te brengen, zoals de aanwezigheid van een advocaat of eventuele
toevallige getuigen.