Jaarverslag 2004 - Hoofdstuk III
Afdeling 2: Beschikbare informatie bij het Vast Comité P en informatie hem toegezonden – eerste evaluatie van de tendensen inzake klachten en aangiften in 2004
49. Vonnissen en arresten uitgesproken ten aanzien van leden van politiediensten – artikel 14,1ste lid: evaluatie van de in 2004 meegedeelde informatie
Afdeling 3: Beslissingen van het Vast Comité P
Afdeling 5: Opvolging van de verantwoorde en transparante implementatie van de wetten van 7 december 1998 en van 5 augustus 1992 alsook van andere bijzondere wetten betreffende de politionele opdrachten en bevoegdheden (tussen januari en december 2004)
Hoofdstuk III:
Globale monitoring van de politiediensten
Afdeling 1: Enkele algemene beschouwingen
“Control devolves, consequently, on a balance between
competing publics, interests and mechanisms, and between responsiveness and
legality.
Het gaat tenslotte om de relaties tussen de politie,
de samenleving en de Staat” [1]
.
De uitbouw van een adequaat en flexibel politietoezicht kan alleen door
eerst inzicht te verwerven in de historisch gegroeide controlemechanismen
in en op de politiediensten, in de verwachtingen voortvloeiend uit de interactie
tussen de institutionele controle- of inspectiemechanismen en in de concretisering
van al die mechanismen naar aanleiding van de nieuwe politiestructuren, op
basis van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde
politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
Dit inzicht en begrip wordt gedragen door een intensieve studie van al de
controle-, inspectie- en toezichtactiviteiten. Hiertoe worden alle gegevens
vanaf een bepaald ogenblik en met betrekking tot een bepaalde periode verzameld
en geanalyseerd naar aard, vorm en toedracht binnen het geheel van de controle-
en toezichtactiviteiten, met andere woorden die intensieve studie baseert
zich op een nulmeting (en wat het Comité betreft, een nulmeting bis)
van alle controle- en toezichtactiviteiten. De resultante van die nulmeting
bis die momenteel wordt afgerond en die in een afzonderlijk verslag
aan het Parlement zal worden voorgelegd, moet de opbouw van een beter en vollediger
referentiekader mogelijk maken als achtergrond voor het globaal toezicht op
de politie.
Lode Van Outrive [2]
omschrijft de geïntegreerde controle op de geïntegreerde politie als
een uitdaging. De wetgever stelde met de wet van 7 december 1998
en dus de betrekkelijk recente herstructurering van de politie, naast het
bestaande externe toezicht door het Parlement – het Vast Comité P –,
een veelheid aan vormen en instanties van controle en toezicht of inspectie
in. Zonder te vervallen in een discussie omtrent de precieze definitie van
controle enerzijds en toezicht anderzijds, ligt de uitdaging ons inziens voornamelijk
in het globaal beheer van alle controle- en toezichtmechanismen op de politiewerking
als geheel. De uitkomst mag enkel de continue verbetering van de politiewerking
beogen, het ultieme doel van de verandering van het politielandschap.
Dit betekent dat het alomvattende systeem overzichtelijk, transparant en congruent
moet zijn, zonder dat het aan adequatie of flexibiliteit moet inboeten. Controle
en toezicht (en inspectie) moeten elkaar als het ware functioneel aanvullen
en op sommige momenten zelfs op elkaar inspelen vanuit een onderling partnership
tussen de verschillende aanwezige instanties en verantwoordelijken.
Een eerste vereiste voor een dergelijk globaal beheer zijn afspraken en een
echte duidelijke taakverdeling [3] , gebaseerd op een maximale informatie-uitwisseling. Daarnaast dient
er gestreefd te worden naar de afstemming van werkstructuren en -systemen.
Dit mag echter niet gebeuren door zich in een dwingend keurslijf van technieken
en instrumenten te wringen zodat de eigenlijke zin van ‘controle uitoefenen
op’ of ‘toezicht houden op’ wordt teruggebracht tot een puur organisatiegerichte
normering gebaseerd op het ‘codes- en kruisjesdenken’ [4] .
Het middel mag zeker geen doel op zich worden, controle en toezicht zijn in
de eerste plaats evaluatief en constructief van aard en zijn bovendien steeds
gericht op algemene verbetering. Ten slotte dient het globaal beheer van
de controlemechanismen flexibiliteit na te streven, de politie is en blijft
immers een evoluerend gegeven binnen een maatschappelijke realiteit! Dit
wil zeggen dat elke evaluatie, hetzij vanuit een controle-, hetzij vanuit
een toezichtperspectief, zowel reactief als proactief moet gebeuren en dat
er bovendien rekening moet worden gehouden met evoluties, trends en eventuele
maatschappelijke verschillen.
Ze moet bovenal effectief bijdragen tot de kwalitatieve verbetering
van het politiebestel.
Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten werd niet
in het leven geroepen om de rol van ombudsman noch die van klachtenbureau
of politie van de politie te vervullen en vervangt evenmin een effectieve
interne controle binnen de politie en uitgaande van de uitvoerende macht.
Zoals wij elders hebben toegelicht, werd zijn functie wettelijk bepaald, met
name toezicht houden op de bescherming van de grondwettelijke rechten en fundamentele
vrijheden van de burger en op de coördinatie en de doeltreffendheid/doelmatigheid [5]
van het politieoptreden
[6] .
Het Vast Comité P vervult dus eerder een permanente
observatierol ten behoeve van het Parlement en zijn democratisch
ingestelde controle op de politie dan dat het een extern toezicht sensu
stricto uitoefent. Bovenal dient zijn constructieve bijdrage aan het geheel van het toezicht,
hetgeen vaak tussen de regels van alle werkzaamheden op wetgevend vlak van
de afgelopen tien jaar door kon worden gelezen, in het licht te worden gesteld.
Het Vast Comité P moet er zich van bewust zijn dat
zijn rol van globaal en algemeen observatorium een zekere verwachting creëert
en bijgevolg de hoop wordt gekoesterd dat alle controle- en toezichtmechanismen
op de politie, en vooral hun resultaten, zullen worden geïntegreerd in één
gestructureerd, transparant geheel, waarbij de activiteiten de grondslag van
deze globale monitoring zijn.
De diverse navolgende wetgevende initiatieven ter aanvulling van de wet van
18 juli 1991 bevestigden deze verwachting. Op
dit ogenblik is het Vast Comité P krachtens de wet bekleed met het toezicht
op de politie o.m. via de meldingsplicht opgelegd aan verschillende politieoverheden
en hiërarchische verantwoordelijken en via informatie-uitwisseling, gesteund
op protocolakkoorden, contacten en hearings met alle betrokken instanties
en verantwoordelijken.
Dit beheer van het globaal toezicht dient geenszins
de zoektocht naar tekortkomingen beter te oriënteren, doch dient vooral te
waken over de globale remediëring ervan. “Het doel van het toezicht is
om eventueel onvolkomenheden in en het falen van het systeem vast te stellen
en voorstellen te formuleren om dat te verhelpen” [7]
. Daarom is het ook uitgesloten dat dit toezicht
zich enkel zou enten op de loutere informatie-uitwisseling met de burger –
het klachtenbeheer sensu stricto
[8] – of met de diensten waarop het toezicht wordt uitgeoefend.
Een algemeen en globaal toezicht dient vooral gericht te zijn op het optimale
beheer van de uitwisseling van kennis en informatie met de overheden, de andere
toezicht- en inspectiediensten
[9] en ten slotte met de diensten en instellingen die in bepaalde domeinen
een meerwaarde kunnen bieden via hun eigen werking, hetzij door klachtenbehandeling,
hetzij door wetenschappelijk onderzoek, hetzij door rapportering
[10] . Daarnaast wordt de rol van het toezichtsorgaan niet beperkt tot de
werking van de reguliere politiediensten, maar omvat deze alle diensten en
ambtenaren die, naar aanleiding van de uitvoering van hun werkzaamheden, over
een zekere, doch beperkte politiebevoegdheid beschikken.
Dit betekent dat de rol die de wetgever aan het Vast Comité P toebedeelde
sowieso extern, globaal, algemeen, geïntegreerd en dus totaal genoemd kan
worden. Herman De Croo heeft het over “de hoedanigheid van politieobservatorium
over de politiezaak met als voornaamste doelstellingen een algemeen zicht
over het functioneren en niet-functioneren van de politie als instelling”
[11] .
Het Vast Comité P oefent in dit geheel een monitoringfunctie uit
van alle evaluatieactiviteiten die de politiefunctie als voorwerp hebben.
De werking van een dergelijk toezichtbeheer kan slechts optimaal verlopen
wanneer zowel de uitgangspunten voor als de oriëntatie van deze functie verwoord
worden binnen een visie en missie [12]
en deze op hun beurt voldoende vertaald worden
naar zowel de burger als naar de politie zelf.
Het systeem dat het Vast Comité P wenst te concretiseren, stemt perfect
overeen met de verwachtingen uitgedrukt in de Aanbeveling Rec (2001)10 van
de Raad van Europa: “Accountability mechanisms, based on communication
and mutual understanding between the public and the police, shall be promoted” [13]
.
De analyse van alle gegevens die het Vast Comité P uit
diverse bronnen [14]
haalt, maakt het mogelijk om die gegevens in de eerste plaats eenduidig
te omschrijven en te kwalificeren. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt
tussen de informatie en activiteiten die het individu – de (politie)ambtenaar
– betreffen en de informatie en de activiteiten met betrekking tot de organisatie.
De gegevensverzameling omtrent de politieambtenaar is op zich belangrijker
vanuit het perspectief van beleidscontrole dan vanuit het bredere toezichtperspectief.
Deze informatie [15]
is manifester en vormt bovendien een aanwijzing voor de organisatie in
haar geheel: het betreft eigenlijk een niet-rechtstreekse informatiebron voor
de globale politiewerking. Ze is daarentegen, in de huidige stand van zaken,
nagenoeg de enige informatiebron om toezicht te houden op de diensten en ambtenaren
met beperkte of bijzondere politiebevoegdheid.
Op zich lijken controlegegevens met betrekking tot het individu op het eerste
gezicht misschien niet nuttig voor het globaal toezicht. Deze stelling gaat
echter niet op omdat we ook rekening houden met de aanwezige verhoudingen
of met de contextualisering, want het zijn juist deze achtergrondfactoren
die als indicator kunnen fungeren. Samen met het eigenlijke gebeuren – het
functioneren van een politieambtenaar als voorwerp van een controle- of toezichtactiviteit
– laat de interactie, al dan niet met hiërarchische meerderen, collega’s of
met de burger, binnen een gegeven situatie ook toe de managerial oriented
controles en het organisatiegericht toezicht, betreffende een politiedienst
en haar werking, beter te kaderen.
Individuele gegevens hebben echter het nadeel dat ze vaak uitsluitend een
negatieve connotatie bevatten, omdat ze als een mogelijke fout, inbreuk, tekortkoming
of als een disfunctie worden gekwalificeerd of omschreven.
Deze omschrijvingen kunnen dus nooit dé indicator zijn voor een daadwerkelijke
toestand, de werking van een politieorganisatie! Ze gelden wel als basis
voor verder onderzoek, dat op macroniveau vanuit een constructief oogpunt
kan worden gevoerd.
Het beheer van het toezicht moet dus het individuele niveau
overstijgen om te komen tot een breder werkingsveld,
zodat maximaal aan de doelstellingen en uitgangspunten voor dit globaal toezicht
kan worden voldaan.
De gegevensverzameling, enerzijds met betrekking tot de politieorganisatie
en anderzijds met betrekking tot haar werking, vormt in tegenstelling tot
de informatie met betrekking tot de politieambtenaar een rechtstreekse input
vanuit het breder toezichtperspectief. De input steunt op gegevens verkregen
uit organisatiegerichte onderzoeken, audits, thematische onderzoeken, maar
ook uit organisatorische en andere evaluaties met betrekking tot (bepaalde
onderdelen van) het politiewerk [16]
. Daarnaast bestaat ze uit informatie afkomstig uit andere bronnen, zoals
rapporten, hearings en bepaalde open bronnen.
Bij deze gegevens is er aan de basis zowel sprake van good practices
als van mogelijke tekortkomingen. Het is evident dat ook de tekorten in de
organisatie, met betrekking tot het personeelsbeheer, de aanwerving, de selectie,
de opleiding en de training van het personeel enerzijds, alsook met betrekking
tot de gezags- en werkrelaties anderzijds, op hun beurt informatie kunnen
leveren over individuele inbreuken of tekortkomingen.
De classificatie van al deze gegevens, verkregen na analyse,
vormt het referentiekader of het paradigma waarbinnen alle gegevens, afkomstig
uit de verschillende domeinen van de controle en het toezicht, namelijk het
gerechtelijke domein
[17] , de klachtenbehandeling
[18] , het beheer van de meldingen
[19] , het eigenlijk toezicht
[20] alsook de informatie omtrent de interne politieactiviteiten en hun controle,
geplaatst kunnen worden. Het model laat de inhoudelijke vergelijking van
de gedefinieerde gegevens toe binnen een bepaald jaar, maar ook over meerdere
jaren.
De analyse van de gegevens met betrekking tot de werking van het Vast Comité P
in de periode voor de politiehervorming, namelijk van 1996 tot 2000, werd
reeds op die manier georiënteerd. Die analyse leverde al een basis voor het
beheer van de globale toezichtwerking, alleen werd toen geen uitbreiding gemaakt
naar ‘alle’ bestaande mechanismen en naar deze die voortvloeiden uit het gewijzigd
politielandschap, met nieuwe structuren en systemen én met een verhoogde aandacht
voor een evoluerende politiewerking volgens de uitgangspunten van een gemeenschapsgerichte
politiewerking.
De grondbeginselen, het referentiekader, van de eerste nulmeting bleven
bewust behouden toen het Vast Comité P een stap verder zette door zich
te richten op deze nieuwe realiteit. Daarom startte het Comité een ‘nulmeting
bis’ en wordt hetzelfde onderzoek overgedaan met de gegevens van een
andere, doch aansluitende periode.
Dit vervolgstuk van de initiële nulmeting spitst zich toe op de huidige politiewerking
en op het toezicht dat de politiehervorming én alle wijzigingen op die hervorming
geënt, overstijgt, i.c. vangt ze aan op 1 januari 2000 en
eindigt ze op 31 december 2004.
Over deze werkzaamheden zal een afzonderlijk bijzonder verslag worden opgemaakt
voor het Parlement. Dergelijk monnikenwerk moet het Comité uiteindelijk het
noodzakelijke inzicht opleveren om zijn rol van observatorium nog beter te
kunnen uitoefenen. Het zou bovendien jammer zijn moesten al die inspanningen
achteraf vergeefs blijken omdat er niets met de resultaten wordt gedaan.
Het referentiekader wordt daarom vertaald in een draaiboek ‘globaal toezicht
op de politiediensten’, zodat de inzichten, methodes en instrumenten eenduidig
en onbeperkt gebruikt kunnen worden bij het verdere toezicht (inspectie) in
zijn geheel en ongeacht de verdere evoluties binnen het politiebestel.
Als bijlage A vindt u een schema dat het globale
beheer van de controle- en toezichtactiviteiten door het Vast Comité P
in beeld brengt. Dit schema vertrekt in de eerste plaats vanuit een geïntegreerde
werking waarin elke toezichtpartner de noodzakelijke inbreng heeft.
Ten tweede belicht het een cyclische werking die begint bij de input van kennis
en informatie, die op zijn beurt geregistreerd, gelezen en eventueel verder
georiënteerd wordt naar een specifieke verwerking zoals onderzoek of analyse
door de verschillende controle- en toezichtorganen.
Alle kennis en informatie wordt in elk geval verwerkt op basis van oriëntatie
en beslissing, genomen in gezamenlijk Comité. De output van deze werking
is de resultante van de informatie-uitwisseling, registratie, analyse, verder
onderzoek en ten slotte van de beslissingen en varieert naargelang van de
oorsprong en de bestemming van de gegevens. De output wordt geconcretiseerd
in antwoordelementen, aanbevelingen, bijsturingen en rapporteringen of kan
opnieuw de input zijn voor verder onderzoek.
Het beheer van de globale en geïntegreerde monitoring start in elk
geval met een degelijke structuur die zowel de taakverdeling als de permanente
uitwisseling van gegevens en informatie draagt. Het Vast Comité P ging
enerzijds protocolakkoorden aan met de politiezones, met de commissaris-generaal
van de federale politie en met de Algemene inspectie van de federale politie
en van de lokale politie. Naast de duidelijke bepalingen vastgelegd in de
wet van 18 juli 1991, beogen deze protocollen een optimale informatie-uitwisseling
en berusten ze hoofdzakelijk op de goede wil van alle partners. Tot op heden
hebben een aantal politiezones het protocolakkoord echter nog niet ondertekend.
Daarnaast heeft de wetgever een formeel kanaal voor informatie-uitwisseling
ingesteld dat de verplichte melding inhoudt van alle klachten en aangiften,
tuchtsancties en -maatregelen, gerechtelijke meldingen bij de parketten met
betrekking tot politieambtenaren, de gerechtelijke onderzoeken en opsporingsonderzoeken
die in dit kader door de gerechtelijke overheden gevoerd worden alsook de
gevelde vonnissen en arresten. De politiediensten zijn eveneens gehouden
hun interne richtlijnen en instructies alsook een exemplaar van hun jaarverslag
over te maken aan het Vast Comité P, net als belangrijke of lijvige verslagen
met betrekking tot hun werking.
Enkele uitzonderingen niet te na gesproken, evolueerde de informatie-uitwisseling
met de meeste partners in de loop der jaren in gunstige zin.
Uit het onderzoek van de globale toezichtwerkzaamheden blijkt dat meer en
meer de juiste informatie ook de juiste weg vindt. Niettegenstaande de uitwisseling
van deze informatie op toezichtvlak als extra werklast zou kunnen worden beschouwd,
zijn er vanuit een positieve en constructieve benadering van het toezicht
en de verbetering van de politiewerking in haar geheel, uiteindelijk toch
meer voor- dan nadelen aan verbonden.
De centralisatie van voldoende informatie maakt het immers mogelijk degelijke
en representatieve analyses te maken van de gegevens in functie van de verbetering
van het geheel. In dit opzicht kan en mag de politieambtenaar als individu
of het politiekorps op zich, niet de spil zijn van een globaal toezichtbeheer
– dit behoort immers tot een aantal specifieke deelgebieden van dat toezicht.
Toch moet die informatie wel beschikbaar zijn in de juiste vorm opdat het
globale resultaat van het onderzoek zou leiden tot structurele verbeteringen
binnen het ganse politiebestel. Het is die verwerking en ten slotte het resultaat
van dit onderzoek dat achteraf ter beschikking moet worden gesteld van de
verschillende partners.
Meer specifiek berust de input van gegevens ten eerste op
de klachtenbehandeling in het algemeen. Het gaat hier om enorme massa’s punctuele
informatie die in de eerste plaats op dit niveau wordt behandeld in de daartoe
voorziene toezichtorganen. Om deze informatie te kunnen gebruiken op een
hoger niveau, zijn zowel gelijkvormigheid als eenduidigheid van primordiaal
belang. Beide nulmetingen in de schoot van het Vast Comité P lieten
vooreerst toe de gegevens te categoriseren en eenduidig te omschrijven. Zo
werden bijvoorbeeld alle omschrijvingen van fouten, tekortkomingen of disfuncties
gedefinieerd. Zopas werd de laatste hand gelegd aan een registratiefiche
ten behoeve van de verschillende toezichtorganen, het Vast Comité P,
de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en
ook de diensten intern toezicht. U vindt deze fiche als bijlage B.
Naast de klachtenbehandeling bieden de gegevens die voortvloeien uit het gerechtelijk
onderzoek en de tuchtbehandeling de mogelijkheid het globale straf- en sanctieverloop
te volgen. Dit onderdeel draagt bovendien bij tot de behandeling van de gegevens
die betrekking hebben op de politieorganisatie en haar werking.
Zowel de resultaten uit de toezichtsonderzoeken, de thematische en de organisatiegerichte
onderzoeken, die elders zijn besproken, als de informatie uit de jaarverslagen
van de politiekorpsen en -diensten, hun instructies en regelingen, bepaalde
evaluaties alsook het toezicht op de werkzaamheden van de diensten intern
toezicht – de marginale controles naar aanleiding van de overdracht van de
bevoegdheid om klachten en aangiften af te handelen op basis van artikel 10
van de wet van 18 juli 1991 – dragen bij tot de analyse van het
geheel. Dit geheel wordt nog aangevuld met informatie-uitwisselingen naar
aanleiding van hearings waarop sleutelfiguren van de
geïntegreerde politiedienst een uiteenzetting omtrent de werking van hun dienst
komen geven.
Het is o.a. op die manier, naast meer concrete onderzoeksdaden,
dat de nieuwe structuren en systemen worden uitgeklaard. Ook
de resultaten van colloquia georganiseerd door het Vast Comité P, bijvoorbeeld
‘Policing, Ethics and Corruption’ en ‘Tien jaar politiefunctie,
het politieoptreden onder de loep van het Vast Comité P’, of in andere
politionele of niet-politionele middens hebben hun aandeel in het globaal
politietoezicht.
Tot slot beschikt het Vast Comité P over een documentatiecentrum. Naast
de klassieke bibliotheek bezit het centrum eveneens alle nuttige tijdschriften,
is er dagelijks een persoverzicht en volgt men alle up-to-date-informatie,
zoals parlementaire vragen of wetteksten die betrekking hebben op de politiewerking
en alle informatie ten behoeve van de verschillende toezichtdomeinen, die
ter beschikking gesteld wordt via internet of door verenigingen zoals Amnesty
International en het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.
Klachtenbehandeling impliceert een rechtstreeks contact met
zowel de klager of aangever als met de aangeklaagde(n). Enerzijds wordt de
klager op de hoogte gehouden van de beslissing na onderzoek, anderzijds wordt
de eenheid of verantwoordelijke van de betrokken politieambtena(a)r(en), in
geval van individuele fout of disfunctie, verwittigd zodat er gepaste maatregelen
kunnen worden genomen. In een klein aantal gevallen betwist de klager de
genomen beslissing of brengt hij bijkomende elementen aan ter staving. Dit
kan uitmonden in een tweede lezing of nieuw klachtenonderzoek.
Wanneer een organisatorische fout of disfunctie wordt vastgesteld, worden,
indien opportuun, eveneens voorstellen tot verbetering of aanbevelingen geformuleerd.
Het is immers best mogelijk dat er een korpsonderzoek volgt indien meerdere
disfuncties verondersteld worden. In dit geval wordt contact opgenomen met
de verantwoordelijken en hun autoriteiten, en wordt het onderzoek uitgevoerd.
Na afloop van het onderzoek worden de verantwoordelijken op de hoogte gebracht
van de resultaten ervan en worden er aanbevelingen tot remediëring gedaan.
Het is evident dat een voortdurende stijging van het aantal klachten en aangiften
ontegensprekelijk de administratieve werklast, die enerzijds voortvloeit uit
de registratie en anderzijds inherent is aan een dergelijke individuele informatie-uitwisseling,
enorm doet toenemen. Het registratiesysteem, met name de database, noch de
gegevensuitwisseling kon het tempo, dat de stijging van gegevens meebracht,
volgen. Het Vast Comité P is, in functie van het
globaal beheer van alle gegevens en activiteiten en vooral ten behoeve van
de globale output, die de effectieve aanbevelingen en bijsturingen ter verbetering
van het politiebestel inhoudt, gestart met het installeren van een verbeterde
of vernieuwde structuur die de registratie en gegevensuitwisseling bevordert.
Naast deze individu- of korpsgebonden output vinden we
natuurlijk de meer algemene resultaten en aanbevelingen terug binnen de activiteitenverslagen
en in de algemene aanbevelingen door het Vast Comité P.
De voornaamste output van het globale toezicht is en blijft echter nog altijd
de uitwisseling van de resultaten van de algemene en diepgaande organisatiegerichte
of thematische onderzoeken, waarbij het continue overleg met de parlementaire
begeleidingscommissie van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten
ten slotte de meerwaarde bevestigt in de relatie tussen de politie, de samenleving
en de Staat.
Het Vast Comité P vervult de rol van bevoorrecht observatorium
van de res politia omdat het, om zijn opdrachten te kunnen uitvoeren,
over diverse algemene informatie en inlichtingen beschikt [21]
. Vanuit zijn algemene visie op de werking van de politiediensten of
de activiteiten van besturen, diensten en ambtenaren met politiebevoegdheid
gaat het Comité verder met de ontwikkeling van een adequaat globaal toezichtbeheer
dat enerzijds gebaseerd is op deskundigheid, dialoog en transparantie en anderzijds
moet uitmonden in een morele, materiële en technische steun aan de politiediensten
en -ambtenaren die er deel van uitmaken.
Om deze rol te kunnen vervullen, moet nog een beter partnership worden
opgebouwd dat berust op welwillendheid en voldoende openheid. Bij bepaalde
componenten van het politiewezen is er nog weerstand of wordt de accountability
niet als prioriteit beschouwd. Mensen die deze transparantie niet gewoon
zijn, overtuigen van het belang van hun rol alsook die van een aantal andere
belangrijke actoren, vergt geduld en herhaalde inspanningen van het Vast Comité P.
Met het oog op de talrijke besprekingen en onderhandelingen gaat het Vast
Comité P geleidelijk verder met het uitwerken van
een nog degelijkere structuur als basis voor de verzameling, de registratie
en de uitwisseling van nuttige en noodzakelijke informatie. Een bijkomende
stap werd gezet door de nulmeting en de opbouw van een referentiekader, momenteel
wordt de database verder uitgewerkt om nog performanter te worden. Bovendien
is gestart met het verfijnen van de registratie en de mogelijkheden van de
beschikbaarheid van voldoende gevormd personeel, een volgende stap die vrij
dringend en noodzakelijk is.
Ten slotte is het nuttig voor ogen te houden dat deze
stappen vanuit het Vast Comité P naar een adequaat en flexibel geïntegreerd
beheer van het toezicht getuigen van de verantwoordelijkheid die dit globaal
en extern monitoringorgaan opneemt, maar dat dit beheer evengoed de verantwoordelijkheid
is van het Parlement, van de regering, van de burgerlijke en gerechtelijke
overheden, van de politiediensten, van de andere ingestelde controle- en toezichtorganen
en ten slotte van de burger.
In zijn jongste jaarverslagen heeft het Vast Comité van
Toezicht op de politiediensten meermaals benadrukt dat verschillende actoren
de wettelijke verplichting om het Comité ambtshalve of uit eigen beweging
op rechtstreekse en regelmatige wijze informatie toe te zenden niet altijd
of niet altijd correct naleefden. Deze informatie is echter van essentieel
belang voor het Comité, enerzijds om zijn taak van monitoring te kunnen uitvoeren
en anderzijds om tendensen waar te nemen of specifieke toestanden te ontdekken.
Dit alles om zijn uiteindelijke doel te kunnen verwezenlijken: de doelmatigheid
en coördinatie van de politiediensten verbeteren.
Op 30 juli 2004 heeft het Parlement zijn bedenkingen
bekendgemaakt in het verlengde van het jaarverslag 2003 van het Vast
Comité van Toezicht op de politiediensten. Hierin kunnen we – eens te meer
zullen sommigen zeggen – het volgende lezen: “De begeleidingscommissies
benadrukken dat de voornaamste taak van het Vast Comité P, dat door het
Parlement werd ingesteld, erin bestaat erop toe te zien dat deze diensten
hun plaats in ons democratisch bestel behouden. In deze context dringen zij
erop aan dat de overheden die er wettelijk toe gehouden zijn dit Comité de
daarvoor benodigde informatie te verstrekken, zich strikt aan hun verplichtingen
ter zake houden”
[22] .
Het spreekt voor zich dat het Vast Comité P slechts
een analyse kan maken op basis van de gegevens die het ontvangen heeft en
die het via zijn database heeft kunnen verwerken.
De kwalificatie of omschrijving
[23] van de allegaties
vervat in klachten en aangiften wordt gegeven zonder rekening te houden met
het resultaat van het verder onderzoek. De aangifteplicht volgens artikel 14,
1ste en 2de lid, artikel 14bis, 1ste
en 2de lid en artikel 26 van de wet van 18 juli 1991
dient vooreerst te gebeuren zonder bewerking of herkwalificatie van de feiten.
Met andere woorden, zoals de allegaties van feiten of gebeurtenissen binnenkomen,
worden ze ook aangegeven. Het is evident dat er meerdere feiten, gebreken
of tekortkomingen kunnen voorkomen in één klacht, dossier of melding en dat
de allegaties vervolgens aan een kwaliteitscontrole worden onderworpen.
Nadien maken zij het voorwerp uit van verder onderzoek dat gerechtelijk of
niet-gerechtelijk kan zijn en waarbij ook de gegevens, waarover verslag werd
uitgebracht, verwerkt worden, los van het resultaat van het onderzoek. Het
is niet omdat bijvoorbeeld een gerechtelijk onderzoek eindigt in een sepot
dat de gegevens, feiten die aan de basis liggen van het onderzoek niet meer
kunnen geëvalueerd worden naar de persoon of organisatie toe, binnen de limieten
en bevoegdheden van het Vast Comité P.
De uiteindelijk weerhouden elementen kunnen vertaald worden naar beslissingen
[24]
zoals het nemen van tuchtsancties, het maken van evaluaties, geven van felicitaties,
nemen van inwendige ordemaatregelen, geven van instructies, nieuwe of bijsturende
richtlijnen, enz., tenzij na gerechtelijke onderzoeken een vonnis of arrest
wordt uitgesproken.
Het Vast Comité P heeft al in verschillende tussentijdse rapporteringen en voorgaande jaarverslagen aangetoond dat het voor de uitoefening van een voornaam deel van zijn opdrachten noodzakelijkerwijs moet kunnen beschikken over tijdige en juiste informatie van al degenen die ambtshalve of beroepshalve met politie en haar activiteiten in de ruime zin te maken hebben. Van de informatie die door deze ‘professionelen’ wordt gemeld, kan en mag uiteraard en in verschillende opzichten meer worden verwacht dan van de informatie die het Vast Comité P rechtstreeks van de burger ontvangt. Deze laatste informatie is immers veelal subjectief en gaat in de meeste gevallen ook over een negatieve ervaring met de politie.
Het verheugt het Vast Comité P te kunnen vaststellen dat er steeds
meer en steeds meer geregeld informatie doorstroomt via de geïntegreerde politiedienst,
gestructureerd op twee niveaus en via andere politiediensten in de zin van
artikel 3 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het
toezicht op politie- en inlichtingendiensten [25] ,
zodat de perceptie van de gewone burger niet langer de hoofdmoot uitmaakt
van de te analyseren werkelijkheid.
Van 160 lokale politiekorpsen en van de federale politie ontving het Vast
Comité P informatie zoals door de wet van 18 juli 1991 is voorzien
[26] . Niettemin zijn er 7 Franstalige en 29 Nederlandstalige lokale korpsen
die tot op heden geen enkel gegeven met betrekking tot 2004 hebben toegestuurd.
Niet alleen maken bepaalde korpsen geen informatie over, wat sommige gegevens
betreft, rijst tevens het vermoeden dat de meegedeelde informatie onvolledig
is.
In vorige jaarverslagen werden bedenkingen gemaakt bij de door de wet voorziene
meldingen en verplichte informatieoverdrachten door de verschillende parketten
en parketten-generaal [27]
van het land.
In dit opzicht merkte de parlementaire begeleidingscommissie tevens op: “De
begeleidingscommissies benadrukken dat de voornaamste taak van het Vast Comité P,
dat door het Parlement werd ingesteld, erin bestaat erop toe te zien dat deze
diensten hun plaats in ons democratisch bestel behouden. In deze context
dringen zij erop aan dat al de overheden die er wettelijk toe gehouden zijn
dit Comité de daarvoor benodigde informatie te verstrekken, zich strikt aan
hun verplichtingen ter zake houden” [28]
. Van drie parketten heeft het Vast Comité P
helemaal geen informatie ontvangen. Het Vast Comité P moet helaas nog
steeds vaststellen dat de informatieoverdracht verschilt van parket tot parket,
zowel in kwaliteit als in kwantiteit. Daarenboven geschiedt de informatieoverdracht
doorgaans als antwoord op een uitdrukkelijke vraag of verzoek van het Vast
Comité P en niet ambtshalve zoals voorzien door de wet van 18 juli 1991.
Niettegenstaande het Vast Comité P gedurende jaren verschillende studiedagen
in eigen huis heeft georganiseerd of daaraan buitenshuis heeft meegewerkt
voor stagiairs, parketsmagistraten, onderzoeksrechters
en parketjuristen lijkt voornoemde wet van 18 juli 1991 onvoldoende
gekend te zijn.
Ook de informatie van het openbaar ministerie is noodzakelijk om de taak van
globale en geïntegreerde monitoring van het Vast Comité P te kunnen uitoefenen
en in sommige gevallen zelfs onontbeerlijk om op een doelmatige en doeltreffende
wijze eigen onderzoeken voor te bereiden, te plannen en te verrichten.
De cijfers die hierna worden aangereikt, hebben de bedoeling tendensen aan te geven en specifieke toestanden te identificeren. Uit deze halfjaarlijkse en jaarlijkse vaststellingen kunnen verdere verfijningen voortvloeien die, ondersteund door bijkomende analyses of onderzoeken, kunnen leiden tot een verbetering van de doelmatigheid/doeltreffendheid en coördinatie van de politiediensten.
Het spreekt voor zich dat de exploitatie van cijfermatige gegevens slechts een ondersteuning, een aanbrengen van inzichten en geen doel op zich is. De ontvangen gegevens zijn, wat het jaar 2004 betreft, volledig in de database van het Comité opgenomen en werden, wat hun inhoud betreft, onderworpen aan een aantal kwaliteitscontroles. Met betrekking tot het aantal geopende dossiers kan volgend overzicht worden gegeven.
Tabel 7: Aantal dossiers geopend tussen 2000 en 2004 [29]
Grafiek 2: Aantal dossiers tussen 2000 en 2004
Deze grafiek geeft zeer duidelijk de permanente stijging weer van de aangiften
van feiten hetzij door de burger, hetzij door politieambtenaren. Voor het
jaar 2004 wordt vastgesteld dat het aantal allegaties of klachten met 9,77
% is toegenomen ten opzichte van het vorige jaar. Deze stijging is minder
groot dan de voorgaande jaren, maar is toch significant daar het gaat om klachten
sensu stricto [30]
dus
zonder specifieke gerechtelijke opvolging. Bij de aangiften van gerechtelijke
vaststellingen ten laste van politieambtenaren door de optredende politieambtenaren
is er ook een stijging waar te nemen van 10,26 %.
Gelet op deze blijvende stijging is het des te belangrijker deze aangiften
ook inhoudelijk te bekijken, zoals verder zal geschieden.
Het aantal aan de Dienst Enquêtes P (D.E.) toevertrouwde
gerechtelijke onderzoeken blijft de laatste jaren nagenoeg stabiel, maar toch
dient te worden opgemerkt dat het aandeel van de klachten die aan het Vast
Comité P zijn gericht en nadien worden toegezonden aan het openbaar ministerie
omdat er volgens het Vast Comité P strafbare feiten werden gepleegd,
nog jaarlijks stijgt.
Deze aangifte door het Vast Comité P, die een wisselwerking aantoont
met het openbaar ministerie, kan gebeuren in de drie fazen van het onderzoek.
Bij ontvangst van de klachten, na een eerste analyse doch voor er enig onderzoek
werd verricht, werden 199 klachten conform de artikelen 29 en 30
van het Wetboek van Strafvordering [31]
onmiddellijk aan het openbaar ministerie overgemaakt.
Na een eerste onderzoek werden 32 dossiers overgemaakt en na de afsluiting
van het onderzoek door het Vast Comité P nog eens 8, zodat het totaal
van aan het openbaar ministerie overgemaakte klachtendossiers door het Vast
Comité P 239 bedroeg in 2004.
Deze toezending van klachten aan de procureur des Konings neemt niet
weg dat het Comité, in voorkomend geval, de klacht exploiteert binnen de limieten
van zijn wettelijke opdrachten en bevoegdheden. Doorgaans geldt dit voor
de gevallen waarvoor het Vast Comité P meent dat ze niet behoren tot
het toepassingsgebied van de wet van 18 juli 1991 [32]
en dus niet zouden moeten worden toevertrouwd aan
zijn Dienst Enquêtes P.
Wanneer dit daarentegen wel het geval is, maakt het Comité het dossier over
aan zijn Dienst Enquêtes P met het oog op het opstellen van een aanvankelijk
proces-verbaal.
Het komt niettemin niet zelden voor dat de andere klachten of aangiften die
door het Vast Comité P aan het parket werden toegezonden, toch voor onderzoek
worden teruggestuurd naar zijn Dienst Enquêtes P, net als alle klachten
ingediend bij zijn permanentie; wat niet overeenstemt met de specificiteit
van het Comité en van zijn Dienst Enquêtes P die sommige leden van het
openbaar ministerie nogal snel uit het oog verliezen.
Tabel 8: Aantal feiten tussen 2000 en 2004
Grafiek 3: Aantal feiten tussen 2000 en 2004
Ook deze grafiek toont een permanente stijging aan. Wanneer beide grafieken,
van het aantal dossiers en van het aantal aangegeven feiten, samen worden
bekeken, merkt men dat meer en meer dossiers bestaan uit een melding van diverse
feiten. De sprong in 2003 is gedeeltelijk te verklaren door de deels nieuwe
wijze van codering, maar ook door een toename met meer dan 300 klachten in
dat jaar.
Een bijkomende vaststelling is dat het niet altijd gaat om dezelfde politieambtenaren
en er in de database van het Vast Comité P reeds namen van meer dan
10 000 politieambtenaren zijn opgenomen tegen wie een klacht werd neergelegd,
een aangifte werd gedaan of een melding werd gemaakt of die naar aanleiding
daarvan werden genoemd.
Dit betekent dat elke politieambtenaar rekening dient te houden met het feit
dat hij in zijn carrière een zekere kans heeft om op een of andere
wijze te worden aangeklaagd of te worden genoemd in een of andere klacht of
aangifte, of nog het voorwerp uit te maken van een melding op basis van de
wet van 18 juli 1991. Dit kan zijn als dader, verdachte of getuige.
Zijn er korpsen die meer geviseerd worden dan andere omdat de plaatselijke
bevolking meer aandacht heeft voor de naleving van de fundamentele rechten
van de burger, assertiever of minder verdraagzaam is? Moet de politieambtenaar
er tijdens zijn opleiding niet op attent worden gemaakt dat dit fenomeen zich
voordoet en moet hem niet worden gezegd welke houding hij daartegenover moet
aannemen?
Om een antwoord te kunnen bieden op deze vragen, is het interessant de klachten
en aangiften per gerechtelijk arrondissement onderling te vergelijken, zoals
men kan zien in onderstaande tabel.
Tabel 9: Aantal vaststellingen ten laste van politieambtenaren (art. 26) en aantal gerechtelijke onderzoeken toevertrouwd aan de Dienst Enquêtes P per gerechtelijk arrondissement
De verschillende klachtendossiers, dossiers op basis van artikel 26 en de gerechtelijke onderzoeken door de Dienst Enquêtes P worden hierna afzonderlijk in detail besproken, doch er kan nu reeds duidelijk worden gesteld dat het arrondissement Antwerpen het leeuwendeel van de aangiften door politieambtenaren voor zijn rekening neemt, terwijl het arrondissement Brussel de kroon spant wat de gerechtelijke onderzoeken door de Dienst Enquêtes P betreft. Meer dan de helft van de gerechtelijke onderzoeken betreffen immers het arrondissement Brussel, van ver gevolgd door de arrondissementen Dendermonde (6,7 %) en Antwerpen (4,71 %). Dit fenomeen deed zich niet enkel voor in 2004. Ten bewijze: in 2000, 2001, 2002 en 2003 werden er respectievelijk 205, 278, 271 en 285 gerechtelijke onderzoeken gestart in het arrondissement Brussel, gevolgd door het arrondissement Antwerpen met respectievelijk (slechts) 19, 46, 40 en 38 onderzoeken.
Het verschil tussen deze twee en andere grote arrondissementen is duidelijk significant en is niet alleen te verklaren door het groter aantal politieambtenaren noch door meer criminaliteit op hun grondgebied. Met betrekking tot Brussel speelt de permanentie die op de zetel van de instelling wordt georganiseerd zeker een rol, maar meer nog, zoals supra aangehaald, het gebrek aan bevoegdheidsverdeling. Wat kan hieraan gedaan worden? Naar de aanwending van de capaciteit van de Dienst Enquêtes P toe, dient er dringend werk te worden gemaakt van de bevoegdheidsverdeling zoals die door het Vast Comité P reeds in 2001 en nog in 2003 en 2004 aan de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken werd voorgesteld. Daarnaast hebben heel wat korpsen een eigen en goed functionerende dienst intern toezicht waarop voor bepaalde onderzoeken ook een beroep kan worden gedaan. Een derde mogelijks te ondernemen actie situeert zich meer in de schoot en de strategie van het openbaar ministerie dat, via zijn aanwezigheid in de politieraden en de bevoorrechte contacten die het heeft met de korpschefs via bestaande overlegorganen, gebruik kan maken van de analyses van het Vast Comité P om waar nodig een proactieve bijsturing in het politiekorps te bepleiten. Het Vast Comité P kan trouwens per korps een overzicht geven van relevante informatie.
De verschillen tussen de arrondissementen dateren niet van 2004, maar waren
reeds zichtbaar in de voorgaande jaren. Voor sommige arrondissementen blijft
het aandeel in het geheel zeer klein.
Wanneer men voor de betrokken korpsen de opsplitsing lokaal versus federaal
maakt, komt men tot volgende vergelijking.
Tabel 10: Klachten, aangiften en beschikbare gegevens per component van de geïntegreerde politiedienst
Bij deze vergelijking dient opgemerkt dat voor de gerechtelijke onderzoeken
door de Dienst Enquêtes P die betrekking hebben op de federale politie,
maar liefst 36 van de 97 onderzoeken handelden over leden van een gerechtelijke
dienst arrondissement (GDA), zijnde 37 %. Deze diensten maken ook het
voorwerp uit van 25 dossiers geopend op basis van een aangifte via artikel 26
of 29 % van de totale aangiften door de federale politie. Wat de klachten
of aangiften ingediend door burgers over de werking van de federale politie
betreft, handelen er ook 41 over een GDA of 16,33 %.
Voor de lokale politie werden nog geen specifieke onderverdelingen gemaakt per
dienst.
De database werd intussen wel aangepast, zodat wat de loutere klachten en aangiften
betreft, er in de toekomst ook een indeling zal kunnen worden gemaakt per functionaliteit.
Nadat deze gegevens op hun betrouwbaarheid zijn getest, zullen zij worden gepubliceerd.
In een tussentijds verslag, o.a. gepubliceerd in het Politiejournaal van oktober 2004 [33] , en in de vorige jaarverslagen werd per categorie van feiten uitgebreid cijfermateriaal geanalyseerd. De toen geformuleerde bedenkingen, commentaren en conclusies gelden nog steeds, zodat ze hier niet in extenso worden herhaald.
Dit jaarverslag is beperkt tot 8 groepen van feiten waarvoor een vergelijking werd gemaakt over de laatste drie jaren. De cijfers in de tabel verwijzen naar de aantallen zoals zij in de database werden opgenomen. Als gevolg van de impact van bepaalde wijzigingen aangebracht aan de wijze en de toepassing van de codering vanaf 2002, mogen deze cijfers, in de huidige stand van zaken, niet als een absolute waarde worden beschouwd.
Onderstaande tabel geeft slechts een analyse over drie jaren van de registratie van feiten die een ernstige inbreuk uitmaken op de fundamentele burgerrechten.
Tabel 11: Overzicht van de feiten die een ernstige inbreuk uitmaken op de fundamentele rechten en vrijheden van de burger
Aan de hand van een staafgrafiek worden deze verschillen duidelijker.
Grafiek 4: Feiten die een ernstige inbreuk uitmaken op de fundamentele rechten en vrijheden van de burger
Onder deze categorie van feiten werden niet alleen opgenomen
de handelingen in de zin van de strafrechtelijke kwalificatie van valsheid in
documenten zoals een proces-verbaal, officiële stukken of verklaringen onder
ede, maar ook in de normale uitoefening van het politieambt en met verwijzing
naar het vertrouwen dat in politieambtenaren mag en kan worden gesteld.
Voorbeelden van aangeklaagde situaties zijn: (1) achterhouden van informatie
die een burger vlugger verder had kunnen helpen, wat als een vorm van pesterijen
kan worden beschouwd; (2) beschadigen van filmrolletjes, video-opnames
zonder dit te vermelden; (3) verkeerde informatie doorgeven om te misleiden
of stukken verwijderen of achterhouden uit persoonlijke dossiers, bijvoorbeeld
in het kader van de evaluatieprocedure; (4) een valse naam opgeven aan
een burger om zijn identiteit niet vrij te geven zodat de burger geen klacht
kan neerleggen; (5) bepaalde zaken voorwenden wanneer men zijn dienst aanvangt
of te vroeg verlaat; (6) meer diensturen opgeven dan er werden gepresteerd;
(7) akteren dat een burger toestemming heeft verleend om zijn eigendom
te betreden, terwijl dit niet werd gevraagd of zelfs expliciet werd geweigerd;
(8) een proces-verbaal opstellen ten gunste van een vriend of kennis; (9) gebruik
maken van voorkennis van examenvragen.
Het aantal allegaties omtrent valsheden blijft stijgen. Dit is te wijten aan een toename van het totale aantal klachten, maar deze tendens komt niet tot uiting in een groter aantal opsporingsonderzoeken door het openbaar ministerie, niettegenstaande deze feiten niet lijken af te nemen.
Deze aangiften zijn zeer klein in aantal en het merendeel
heeft betrekking op feiten die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek.
Feiten van omkoping zijn onder andere een regeling voorstellen om een takeling
te vermijden, een boete niet aanrekenen of geld aannemen van een persoon tegen
wie een onderzoek loopt. Het Comité heeft ook allegaties ontvangen over de
onrechtmatige aankoop van bepaalde voorwerpen in een korps.
Totnogtoe werden weinig feiten bewezen. Indien ze wel werden bewezen, betreft
het meestal minder belangrijke mistappen die bijna altijd voortkomen uit een
persoonlijk initiatief. Geen enkel onderzoek leverde het bewijs voor de zogenaamd
algemeen verspreide normvervaging.
Zoals trouwens aangehaald in het gedeelte van dit jaarverslag dat gewijd is aan de toezichtsonderzoeken, wordt het optreden van de politie voor deze categorie van feiten blijvend opgevolgd. Immers, niet alleen het totale aantal allegaties met betrekking tot geweld in se neemt toe, de burger heeft ook meer kans om geconfronteerd te worden met politiegeweld tijdens een interpellatie naar aanleiding van een verkeerscontrole dan bij een gerechtelijke aanhouding.
Het Vast Comité P heeft alle klachtendossiers en alle
gerechtelijke onderzoeken met betrekking tot geweld nagekeken op gebied van
de omstandigheden waarin de gewelddaden zouden hebben plaatsgehad.
Uit deze analyse blijkt dat bijna 20 % van de gerechtelijke onderzoeken
handelt over geweld naar aanleiding van een verkeerscontrole, terwijl de andere
omstandigheden eerder gesitueerd worden naar aanleiding van tussenkomsten met
het oog op de handhaving van de openbare orde bij caféruzies, huiselijke twisten,
manifestaties of bij huiszoekingen, weerspannigheid bij aanhouding, enz.
Eigenaardig is dat ook bij de geregistreerde klachten ingediend door burgers
een hoog percentage, zelfs 25 %, betrekking heeft op geweld aangewend naar
aanleiding van een verkeerssituatie. Niet alleen autobestuurders of passagiers
kunnen hiervan het slachtoffer zijn, ook fietsers en bromfietsers.
Een klassiek voorbeeld in dit verband is iemand die verkeerd geparkeerd staat
en wordt aangesproken door een voorbijrijdende politiepatrouille. De eerste
zin van de ene of de andere partij zet meteen de toon en resulteert te vaak
in het opleiden van de chauffeur, die zich dient uit te kleden, in een cel wordt
geplaatst, en waarbij dit alles gepaard gaat met scheldwoorden en fysiek geweld.
Gelukkig is dit eerder uitzondering dan regel.
Men spreekt vaak over een al dan niet toenemend onveiligheidsgevoel
bij de burger, maar zou het niet kunnen dat er ook bij de politieambtenaren
een stijgend onveiligheidsgevoel heerst waardoor zij zich zeer reactief en defensief
opstellen? Iemand die in een wagen zit en niet volledig zichtbaar of controleerbaar
is, creëert ongetwijfeld een gevoel van gevaar. Te meer daar criminelen of
gevaarlijke individuen één van de aangesprokenen zouden kunnen zijn. Vanaf
het ogenblik dat de aangesprokene dan nog arrogant of zelfs agressief overkomt,
lijkt de grens van tolerantie bij sommige politieambtenaren zeer vlug overschreden.
Hierbij mag niettemin niet uit het oog worden verloren dat een politieambtenaar
een professional is en professioneel moet blijven o.a. in de beheersing
van crisissituaties en gewelddelicten.
Gelukkig komt het bijna nooit tot excessief geweld en blijft het meestal beperkt
tot wat trek- en duwwerk.
Een dergelijke gewelddadige houding wordt niet in alle korpsen vastgesteld.
Integendeel, de gerechtelijke onderzoeken in verband met geweld en verkeer blijken
voornamelijk in het arrondissement Brussel-Hoofdstad voor te komen.
In tegenstelling tot sommige niet-geverifieerde of verifieerbare
beweringen van bepaalde organisaties, stelt het Vast Comité P geen systematisch
gepropageerd of toegepast racisme vast en vinden de klachten over racisme meestal
hun oorsprong in de omstandigheden van de confrontatie met de politie.
Voor 2004 werd zelfs een daling genoteerd van 41 naar 34 klachten met betrekking
tot racisme. Ook het aantal gerechtelijke onderzoeken is over de drie bestudeerde
jaren vrij stabiel gebleven, niettegenstaande de aanpassing en uitbreiding van
de wet van 20 januari 2003 tot versterking van de wetgeving tegen het
racisme
[34] . Wanneer de klachten en onderzoeken bekeken worden naar bevolkingsgroep,
dan blijken 7 op 34 klachten te zijn ingediend door Belgen of niet-Belgen
afkomstig uit Midden-Afrika, terwijl 15 klachten uitgingen van burgers
van Noord-Afrikaanse origine en 10 van burgers afkomstig uit een ander land
zoals Turkije, Albanië en Oost-Europese landen.
Bij de gerechtelijke onderzoeken van 2004 is geen enkele Belg of niet-Belg van
Afrikaanse afkomst betrokken, maar van de 20 klachtendossiers rechtstreeks
ingediend door burgers gaan er wel 14 uit van personen met Noord-Afrikaanse
roots, terwijl de andere 6 afkomstig zijn van burgers van Europese afkomst.
Met betrekking tot de wijze waarop en de omstandigheden waarin racistische daden zouden zijn gesteld of dito uitlatingen zouden zijn gedaan, kan worden gesteld dat het doorgaans gaat om woordelijke verwijten en partijdigheid, meestal naar aanleiding van een identiteitscontrole, openbare ordehandhaving, wegcontrole of aanhouding.
Zoals het aantal geregistreerde feiten laat vermoeden, is deze vorm van
inbreuk marginaal te noemen. Uit analyse van de schaarse voorhanden zijnde
gegevens blijkt het om zeer kleine verduisteringen te gaan, gaande van het gebruik
van een fotokopieerapparaat voor privé-doeleinden, het nemen van één in beslag
genomen XTC-pil voor didactische doeleinden, het achterhouden van een proces-verbaal.
Er werden geen feiten gerapporteerd met betrekking tot georganiseerde fraude
of verduistering van goederen.
Deze allegaties van inbreuken zijn gelijk gebleven in vergelijking
met vorig jaar. Men zou verwachten dat de meeste klachten uitgaan van personen
die aangehouden werden naar aanleiding van criminele feiten. Niets is echter
minder waar. Van de 92 klachten zijn er 24 die gaan over aanhoudingen
naar aanleiding van een verkeerssituatie, 16 houden verband met openbare orde
en dronkenschap en 10 klachten werden geformuleerd naar aanleiding van
tussenkomsten bij burenruzies of relatieproblemen. Drie personen werden aangehouden
wegens wildplassen, vier wegens diefstal en twee bij een identiteitscontrole.
Daarnaast werden er 4 klachten opgetekend over gevallen waarbij minderjarigen
van hun vrijheid werden beroofd. Dit laatste bevestigt een aanhoudende tendens,
namelijk dat de politie meer en meer problemen lijkt te hebben met haar houding
ten opzichte van minderjarigen. Het Vast Comité P heeft hier reeds een
aantal analyses aan gewijd en de bevoegde minister aangeschreven met het verzoek
ten aanzien van de relatie tussen minderjarigen en politie duidelijke regels
uit te vaardigen.
In de huidige stand van zaken komen beide feiten slechts zeer
sporadisch voor. Bijgevolg kan er worden gesteld dat wat het wapengebruik betreft,
buiten het soms ongepast wapenvertoon of een middel tot zelfmoord, er zich geen
noemenswaardige problemen voordoen.
De feiten in verband met woonstschennis betreffen in 5 gevallen de ‘Rambo-achtige’
interventiestijl die werd gebruikt bij het betreden van de woning en waarvan
de andere bewoners van het bezochte pand enorm geschrokken waren.
Wat de 7 gerechtelijke onderzoeken betreft, deze hebben gewoonlijk te maken
met het feit dat er geen toestemming tot huiszoeking werd verleend of dat de
politie ervan verdacht wordt schade te hebben aangericht of zaken te hebben
meegenomen.
Het Vast Comité P ontving van de politiediensten voor het jaar 2004 2 712 meldingen van klachten en aangiften [35] die bij hen werden ingediend. Als men deze meldingen optelt bij de 1 864 klachten die in hetzelfde jaar rechtstreeks bij het Vast Comité P werden ingediend, komt men tot het respectabele cijfer van 4 576 klachten op één jaar tijd.
De hoger vermelde 2 712 meldingen kunnen per gerechtelijk arrondissement als volgt worden opgesplitst.
Tabel 12: Meldingen op basis van artikel 14bis, 1ste lid
Er werden 901 klachten genoteerd uitgaande van Franstaligen, 1 405 van Nederlandstaligen en 46 van anderstaligen. Wat de verdeling naar geslacht betreft, gingen 494 klachten uit van vrouwen tegenover 1 812 van mannen.
Van het totale aantal klagers hebben er 1 926 de Belgische nationaliteit en 52 een vreemde, voor 328 klachten of aangiften werd dit gegeven niet geakteerd. Er werden 197 klachten rechtstreeks neergelegd bij de federale politie en 2 494 bij de lokale politie.
Waarover handelen de meeste klachten en zijn er verschillen merkbaar tussen de klachten ingediend bij de politie en deze ingediend bij het Vast Comité P? De aangeklaagde feiten, waarvan er 800 gecodeerd konden worden in de database, die meer dan 50 maal voorkwamen in de klachten ingediend bij respectievelijk de politie en het Vast Comité P zijn: (1) klantonvriendelijk gedrag (280-194) [36] ; (2) machtsoverschrijding of -misbruik (113-134); (3) lakse of negatieve houding bij taakuitvoering (154-160); (4) algemene houding en voorkomen (74-21); (5) neutraliteit (49-76); (6) handelingen en houdingen buiten de dienst die de waardigheid van het ambt of het imago aantasten (65-19); (7) niet of slecht naleven van de procedures (68-21); (8) intimiderende houding (58-66); (9) niet akteren (150-152); (10) niet optreden (82-81); (11) takelen (58-48); (12) opstellen van proces-verbaal (59-74); (13) onjuiste vaststellingen (118-120); (14) misbruik maken van zijn functie (55-68); (15) willekeurige vrijheidsberoving (13-92); (16) gewelddaden tegen personen en goederen (42-132); (17) pesterijen (35-72).
Hieruit kan worden afgeleid dat geen enkel onderwerp uitsluitend het voorwerp is van een klacht bij de politiedienst dan wel bij het Vast Comité P. Bij het Vast Comité P wordt niettemin een duidelijk overwicht van klachten genoteerd met betrekking tot gewelddaden en pesterijen. De klager wendt zich anderzijds eerder rechtstreeks tot de politie met klachten in verband met klantonvriendelijk gedrag, algemene houding en voorkomen en handelingen buiten de dienst die de waardigheid van het ambt of het imago aantasten.
Er werden bij het Vast Comité P meer klachten ingediend tegen de federale politie (251) dan rechtstreeks bij de federale politie zelf (197). Niettemin kan worden gesteld dat, behalve de algemene klachten over de federale politie, een aanzienlijk deel specifiek handelt over de werking van de GDA (15), de Directie van de politie van de verbindingswegen/Wegpolitie (DAC-WPR) (29) en de Directie van de verbindingswegen/Luchtvaartpolitie (DAC-BRUNAT) met 19 klachten. Deze tendens vinden we ook terug bij de klachten rechtstreeks gericht aan het Vast Comité P, maar hierbij zijn tevens ook meer klachten met betrekking tot de DAR (11), tegenover 3 klachten bij de federale politie.
Het Vast Comité P ontving van de federale politie 235 meldingen van tuchtzaken [37] en van de lokale politie 471, in totaal 706. In vergelijking met vorig jaar werden er 467 beslissingen toegezonden aan het Vast Comité P en 699 aan de tuchtraad. De tuchtraad ontving voor 2004 326 Nederlandstalige meldingen waarvan 98 met betrekking tot de federale politie en 227 met betrekking tot de lokale politie. Tevens waren er 301 Franstalige meldingen waarvan 106 van de federale politie en 193 van de lokale politie en werden er 2 meldingen doorgestuurd door de minister van Binnenlandse Zaken. De cijfers meegedeeld door de tuchtraad kunnen van deze van het Vast Comité P verschillen omdat alleen de (juridische) tuchtstraffen aan de raad worden medegedeeld, terwijl ook ordemaatregelen deel uitmaken van de informatie aan het Vast Comité P en dit derhalve een hoger cijfer geeft.
Tabel 13: Meldingen op basis van artikel 14bis, 2de lid
Welke feiten maakten deel uit van een tuchtonderzoek? Voor deze analyse werd alleen rekening gehouden met feiten die minimaal 15 maal voorkwamen. Deze feiten werden op hun beurt in drie grote groepen onderverdeeld.
Lakse en negatieve taakuitvoering: 23 feiten;
Algemene houding en voorkomen: 14 feiten;
Handelingen buiten de dienst die de waardigheid of het imago aantasten: 37 feiten;
Gebruik van alcohol of drugs tijdens de dienst: 62 feiten;
Integriteit: 18 feiten;
Gewelddaden tegen personen en goederen: 20 feiten;
Schending van het beroepsgeheim: 19 feiten.
Totaal: 193 feiten.
Politiemateriaal vergeten of verloren: 15 feiten;
Niet naleven van administratieve formaliteiten in geval van ziekte: 20 feiten;
Fouten bij de uitvoering van taken: 83 feiten;
Niet of slecht naleven van de procedure: 17 feiten;
Laattijdige afhandeling van processen-verbaal en kantschriften: 43 feiten;
Gehoorzaamheid, weigeren van bevel: 18 feiten.
Totaal: 196 feiten.
Loyauteit en eerbied: 20 feiten;
Misbruik maken van dienst of middelen: 29 feiten;
Werksfeer en collegiale relaties:16 feiten;
Onwettige afwezigheid: 23 feiten;
Misbruik van dienstrooster en comptabiliteit van de uren: 31 feiten;
Werk verlaten zonder toelating: 19 feiten;
Te laat komen of het werk te vroeg verlaten: 22 feiten.
Totaal: 160 feiten.
Buiten deze feiten zijn ook nog te vermelden 13 feiten in verband met de kwaliteit van het opstellen van een proces-verbaal en 12 feiten met betrekking tot het niet-naleven van administratieve formaliteiten. Tevens werden 9 zedenfeiten, 6 verkeersongevallen met vluchtmisdrijf en 29 verkeersongevallen onder invloed van alcohol geakteerd. Nog tal van kleinere feiten zijn het voorwerp geweest van een tuchtonderzoek, maar kwamen slechts één of enkele malen voor.
Wanneer de feiten die het voorwerp hebben uitgemaakt van een tuchtsanctie
in grotere groepen worden ingedeeld, dan blijken de feiten wat de loutere administratieve
tekortkomingen betreft evenveel in aantal voor te komen als de fouten bij het
uitvoeren van taken en als de inbreuken op de algemene basishouding van een
politieambtenaar.
Opvallend is eens te meer het relatief hoge aantal feiten gerelateerd aan alcohol-
of drugsgebruik op het werk dat het onderwerp is van een tuchtsanctie, terwijl
uit de analyse van de klachten en aangiften naar voor komt dat de aantijgingen
van feiten met betrekking tot gewelddaden tegen personen en goederen, willekeurige
vrijheidsberoving en valsheden frequenter voorkomen.
Wat de werksfeer en de naleving van administratieve voorschriften betreffen, blijkt een weerkerende laakbare attitude de onwettige afwezigheid te zijn, net als het misbruik maken van diensten en middelen. Het is logisch dat deze feiten niet aan de kaak worden gesteld via externe klachten, aangezien zij een intern probleem uitmaken waar de burger niet altijd rechtstreeks mee wordt geconfronteerd omdat de dienstverlening naar hem toe uiteindelijk gewaarborgd blijft.
Niet alleen kunnen de tuchtsancties worden geanalyseerd naar
de gebeurde feiten, maar ook met betrekking tot de uitgesproken sancties.
Aan de hand van de database van het Vast Comité P kan een verband worden
gelegd tussen de gecodeerde feiten en de genomen beslissingen. Uit de analyse
van deze relaties met tuchtstraffen kan worden gesteld dat er vaker een blaam
is uitgesproken dan dat er een waarschuwing is gegeven. De sanctie van het
ontslag van ambtswege komt zeer sporadisch voor.
Voor de hoger vermelde frequent voorkomende 549 feiten zijn er 14 ontslagen
uitgesproken, 38 schorsingen, 129 maal een blaam en 117 waarschuwingen.
Andere tuchtstraffen die geregeld worden genomen, zijn inhouding van wedde
(87 maal) en schorsing bij tuchtmaatregel (29 maal). Ten slotte wordt
ook de terugzetting in de weddeschaal als tuchtstraf gehanteerd.
Als ordemaatregel vindt men enkele malen terug: voorlopige schorsing (11), verandering
van dienst (9), functioneringsnota (7) en inhouding van het dienstwapen (2).
Eenzelfde analyse kan ook worden gemaakt voor alle in 2004 genomen tuchtsancties.
Dit levert het volgende resultaat op: 201 waarschuwingen, 202 keer blaam,
116 maal inhouding van de wedde, 70 schorsingen bij tuchtmaatregel, 18
terugzettingen in de weddeschaal en 18 ontslagen van ambtswege. Als ordemaatregel
werden genomen: 29 voorlopige schorsingen, 11 functioneringsnota’s en 25 veranderingen
van dienst.
Geen enkele maal werd een afzetting voorgesteld, noch een verbod om een dienstvoertuig te besturen. Een verbod tot toegang tot de lokalen of tot elektronische bestanden en/of systemen kwam evenmin voor. Er werden geen gegevens ontvangen met betrekking tot het uitspreken van een vermaning of een terechtwijzing.
De onderzoeken op het gebied van tucht werden voor 99 %
uitgevoerd door de dienst intern toezicht van het korps indien deze als dusdanig
bestond. Dit element is zeer belangrijk om nogmaals de noodzaak van een zeer
goed functionerende dienst intern toezicht te bepleiten. In de vorige jaarverslagen
werd telkenmale gewezen op de leemte die is ontstaan na de buitenwerkingstelling
van de Pol 48.
Het Vast Comité P heeft in de conclusies van zijn thematisch onderzoek
over interne controle duidelijk gewezen op de noodzaak van een betrouwbare dienst
intern toezicht in elk korps [38]
. Ook in het project met betrekking tot de invoering van het COSO-model
in de politieorganisatie komt zulke goed werkende dienst naar voren als een
onmisbare schakel in het behoud en de verbetering van de integriteit en betrouwbaarheid
van een organisatie.
Naar dit model werd trouwens verwezen in de bijdrage van het Vast Comité P
tot het verslag van de Belgische regering aan het Comité van de Verenigde naties
ter voorkoming van foltering en onmenselijke en vernederende behandeling of
bestraffing overeenkomstig het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke
of onterende behandeling of bestraffing, waarover verslag werd uitgebracht aan
de Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast
Comité van Toezicht op de politiediensten op 26 april 2005.
Wanneer nu de vergelijking wordt gemaakt tussen de onderwerpen van de klachten ingediend door burgers en de uiteindelijke feiten die aanleiding hebben gegeven tot tucht, dan moet worden vastgesteld dat inbreuken op attitudes van dronkenschap tijdens de dienst, fouten in de uitvoering van de dienst, het niet volgen van administratieve voorschriften en dienstverzuim eerder het voorwerp uitmaken van tuchtprocedures dan het gebruik van geweld, partijdigheid, schending van het beroepsgeheim en machtsoverschrijding.
In 2004 werden er ook 10 sancties genomen naar aanleiding
van het uitoefenen van een niet-toegestane lucratieve activiteit bijvoorbeeld
waarin de betrokkene optrad als zaakvoerder omdat zijn echtgenote zich niet
als dusdanig kon inschrijven of omdat een politieambtenaar ook bij de brandweer
werkte. Of nog het klassieke tappen achter de toog tijdens een commercieel
festival en reden er twee politiemannen als chauffeur voor rekening van iemand
anders.
Deze feiten werden beteugeld door 1 waarschuwing, 4 blamen, 4 inhoudingen
van wedde en 1 schorsing. De inbreuken op de (on)partijdigheid werden
gesanctioneerd met een blaam, een schorsing en een voorlopige schorsing.
Opvallende conclusie van de monitoring van de klachten en aangiften is dat slechts een klein deel van de klachten van burgers leidt tot een tuchtonderzoek en derhalve zeer weinig het voorwerp uitmaakt van enige sanctie. De tuchtsancties die uiteindelijk worden genomen, hebben hoofdzakelijk betrekking op de eigen werking van het korps. Voorbeelden hiervan zijn het onmiskenbare optreden naar aanleiding van alcoholgebruik en de gevolgen ervan, het ongewettigd afwezig zijn of het niet volgen van de (interne) administratieve procedures.
De uitoefening van de taken wordt wel beoordeeld, zodat er ook hier een optreden is van de tuchtoverheid, maar dit betreft feiten die ook werden opgemerkt door andere autoriteiten zoals het openbaar ministerie en het Vast Comité P of die bij de bevolking een grote weerklank hebben gekregen. Dit gaat in hoofdzaak om tussenkomsten bij diefstallen waarbij het proces-verbaal niet of slordig werd opgesteld, personen niet werden verhoord of waarbij er eenvoudigweg helemaal niets werd gedaan.
Een laatste vaststelling kan worden gedaan met betrekking
tot de zwaarte van de straffen. De meeste straffen worden uitgesproken op het
niveau van de korpschef zoals de waarschuwing en de blaam, doch wanneer zware
tuchtsancties, zoals inhouding van wedde, schorsing bij tuchtmaatregel, terugzetting
in de weddeschaal, ontslag van ambtswege of afzetting, moeten worden genomen
door de hogere tuchtoverheid, is er een zekere terughoudendheid merkbaar.
Dit geeft soms de indruk dat er alleen wordt gestraft als het echt niet anders
kan. De redenen die blijken uit de bevraging van twaalf respondenten zijn nog
steeds actueel
[39] , met name: (1) terughoudendheid om een dossier op te starten;
(2) schrik voor procedurefouten; (3) een erg complexe tuchtwet met
termijnen, verjaringen, tegensprekelijkheid, en dergelijke in de ogen van een
niet-jurist; (4) spitsvondigheden.
De voornaamste oorzaak van het mislukken van een tuchtprocedure lijkt de niet-naleving
te zijn van artikel 38sexies van de tuchtwet, namelijk het overschrijden
van de termijn van 45 dagen tussen het indienen van het inleidend verslag
en de kennisgeving van het voorstel tot straf. Meestal is er al bijstand nodig
van een advocaat en is er nood aan een nauwkeurige opvolging van de tuchtdossiers.
Het bewijs dat een en ander onwerkzaam wordt – tenzij het korps beschikt over
een gedegen dienst intern toezicht, wat niet altijd het geval is –, is dat de
Algemene directie personeel/ Directie van de juridische dienst, het contentieux
en de statuten (DGP/DPS) van de federale politie eind 2002 voor haar diensten
een lijst publiceerde van 43 typedocumenten die dienstig zijn, 17 voor de gewone
tuchtoverheid en 26 voor de hogere tuchtoverheid.
Men acht het feit dat het gebruik van (mogelijke) procedurefouten kan
leiden tot de straffeloosheid van een tuchtinbreuk erger dan het niet opstarten
van een procedure. Er heerst dan ook een grote terughoudendheid om een tuchtprocedure
op te starten, omdat de ervaring leert dat deze onwerkbaar en veel te omslachtig
is.
Daarenboven wordt er, indien er gelijktijdig een gerechtelijk of opsporingsonderzoek
loopt, meestal voor gekozen om het resultaat van deze procedure af te wachten
in plaats van op te treden op het gebied van tucht. Dit brengt met zich mee
dat er soms een heel lange tijd overgaat alvorens de beslissing wordt genomen
om al dan niet een tuchtprocedure te starten. Hoe meer tijd er verstrijkt tussen
het ogenblik van de feiten en de bestraffing ervan, hoe onproductiever zulke
procedure wordt. Het niet duidelijk gekend zijn van de Col 4/2003 en het
onvoldoende weten dat het openbaar ministerie niet meer optreedt als tuchtoverheid,
kunnen een mogelijke verklaring zijn voor het feit dat sommige korpschefs zich
achter de opsporingsonderzoeken van het openbaar ministerie verschuilen.
Het Vast Comité P stelt dit zelf vast in de dossiers waarin het een klacht
heeft toegezonden aan het korps en waarvoor het nadien op de vraag hoe het met
het dossier staat, het laconieke antwoord krijgt, met vermelding van een pv-nummer,
dat het nu in handen is van het openbaar ministerie. Bij eventueel nazicht
van het dossier aangelegd door het openbaar ministerie blijkt dit zeer vaak
alleen te bestaan uit de door het Comité aan het korps overgemaakte klacht!
Dit druist uiteraard in tegen alle regels van doeltreffendheid en doelmatigheid
inzake toezicht.
Er zijn verschillen merkbaar tussen het optreden van het openbaar
ministerie naar aanleiding van bepaalde feiten gepleegd door politieambtenaren
en het optreden van een korpschef naar aanleiding van dezelfde feiten gepleegd
door dezelfde ambtenaar. Uit deze verschillen kan worden afgeleid dat er weinig
redenen zijn voor de korpschef om met de kennis die hij al heeft, geen afweging
te maken naar de beroepsvoorschriften toe en over te gaan tot het nemen van
sancties binnen een correct aangevoelde termijn, ook indien de gedraging het
voorwerp zou uitmaken van een onderzoek door het openbaar ministerie.
Hier wordt een ander signaal gegeven dan bij de behandeling voor de rechtbank
waar de politieambtenaar terechtstaat ten overstaan van de samenleving en dit
meestal voor feiten die ook voor de burger strafbaar zijn gesteld. Via tucht
wordt namelijk een signaal gegeven aan de beroepsgroep zelf. Dit signaal heeft
intern zijn impact op het herhaald bevestigen van de toetredingsvoorwaarden
van de groep en zijn deontologie.
Wat de hogere tuchtoverheden betreft, die ondervinden meestal dezelfde problemen als de gewone tuchtoverheid en lijken ons minder vaak de informatie mee te delen die ze ons dienen mee te delen.
De tuchtwet is dringend aan een herziening toe. De kwaliteit en uitvoerbaarheid van de tuchtwet mag voor de korpschefs en hogere tuchtoverheden geen voorwendsel zijn om geen tucht meer toe te passen. Het Vast Comité P heeft reeds op verschillende fora gewaarschuwd voor een te laks tuchtbeleid. Een stap terugzetten zal immers verre van makkelijk zijn.
Naar aanleiding van het thematisch onderzoek van de functie intern toezicht
werd een knelpuntenanalyse gemaakt. In de loop van dit onderzoek werden onduidelijkheden
vastgesteld die betrekking hebben op de tuchtwet en die op dit ogenblik afremmend
werken op het vlak van tucht in het algemeen.
Een eerste belangrijk knelpunt is de problematiek van de uitvoering van tuchtonderzoeken
door de onderzoekers van de dienst intern toezicht waarbij de voorafgaande onderzoeker
inzake tucht geen conclusies mag trekken en volledig neutraal dient te blijven.
Nog moeilijker wordt de oefening wanneer de voorafgaande onderzoeker tegelijkertijd
optreedt als onderzoeker en als diegene die processen-verbaal heeft opgesteld
in het kader van het gerechtelijk of opsporingsonderzoek of wanneer hij als
voorafgaandelijk onderzoeker verplicht wordt een gerechtelijk proces-verbaal
op te stellen.
Daarnaast is er de problematiek van de overgang van een administratief onderzoek
naar een tuchtonderzoek waarbij er verschillende standpunten worden ingenomen
door de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie
en de Algemene directie personeel/Directie van de juridische dienst, het contentieux
en de statuten (DGP/DPS) van de federale politie. Volgens deze laatste kunnen
de stukken van een administratief dossier niet worden gebruikt in tuchtonderzoeken
en zouden alle onderzoeksverrichtingen moeten worden overgedaan.
Het al dan niet vermelden van artikel 25 van de wet
van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van
de politiediensten [40]
in een administratief verhoor levert ook her en der problemen op.
Zo heeft het Vast Comité P vastgesteld dat sommige korpschefs voor alle
klachten, ook deze die betrekking hebben op minder ernstige feiten, een vooronderzoek
tucht opstarten met alle formele plichtplegingen en kennisgevingen zoals in
de tuchtwet voorzien.
Tevens werd opgemerkt dat soms in zuiver administratieve verhoren melding wordt
gemaakt van de loyauteitsplicht van de medewerker. Zo’n handelwijze kan een
demotiverend effect hebben en bijgevolg stelt het Vast Comité P zich de
vraag of de tuchtprocedure niet beter alleen zou worden gehanteerd voor de meest
‘ernstige’ dossiers.
Het Vast Comité P heeft weliswaar de bevoegdheid om de klachtenbehandeling
over te dragen aan de interne hiërarchie, maar wenst zich niet te profileren
als diegene die aan de basis ligt van het opstarten van een tuchtprocedure,
zeker niet als het om ‘futiliteiten’ gaat die echter op een andere manier en
in een ander verband ter kennis dienen te worden gebracht van de betrokken politieambtenaar
en het voorwerp dienen uit te maken van een corrigerend optreden.
Een ander knelpunt is de onduidelijkheid die er heerst omtrent het gebruik van de procedure van maatregelen van inwendige orde versus de procedure van ordemaatregelen. Het Vast Comité P heeft soms een abusief gebruik vastgesteld van maatregelen van inwendige orde als ordemaatregel. De thans geldende procedure en modaliteiten voor ordemaatregelen zijn onvoldoende duidelijk geregeld en zijn enkel gebaseerd op de arresten van de Raad van State. Een wetgevend of, binnen de limieten van de wet, reglementair initiatief is in deze dringend gewenst.
Er bestaat ten slotte ook onduidelijkheid over de inhoud en
de archivering van tuchtdossiers en persoonlijke dossiers. Deze problematiek
gaat gepaard met de dubieuze praktijk waarbij, indien er geen tuchtstraf wordt
uitgesproken, het dossier als onbestaand wordt beschouwd. Dit druist in tegen
de algemene plicht van een bestuur tot archivering van administratieve stukken
voor een periode van 20 jaar.
Er blijven echter verschillende vragen onbeantwoord, zoals: Wat zijn de bewaartermijnen
van stukken in het persoonlijke dossier? Op welke wijze dient er rekening te
worden gehouden met lopende en afgesloten administratieve en tuchtonderzoeken
die al dan niet gearchiveerd zijn? Wat met het gebruik van gegevens en het
functioneringsgesprek? Wat indien het personeelslid weigert om kennis te nemen
van de resultaten van onderzoeken, mogen deze dan in het persoonlijk dossier
worden opgenomen?
Op deze en andere vragen moet een eenduidig antwoord worden geformuleerd, door
alle betrokken overheden.
Het voorgaande is maar een greep uit de diverse vragen die
elke dag rijzen bij de toepassing van het huidige tuchtbeleid. Er is dringend
een globaal en federaal beleid nodig met betrekking tot een eenvormig tuchtbeleid
dat ontegensprekelijk integratiebevorderend zal zijn want een niet-eenvormig
beleid werkt straffeloosheid in de hand of zelfs aberraties in de weging van
de feiten.
Het is onvoorstelbaar dat voor ernstige feiten die de pers hebben gehaald en
waarvoor het Vast Comité P een dossier heeft geopend, bij controle naderhand
blijkt dat er zelfs geen tuchtonderzoek werd opgestart.
Daarenboven is er geen enkele coherentie te vinden in de tuchtstraffen
uitgesproken door de federale politie of door de lokale politie, noch door de
gewone of hogere tuchtoverheden. Gelijke feiten worden soms zeer verschillend
gesanctioneerd. En zoals supra al werd aangegeven in de cijfers, krijgen
de lagere straffen duidelijk de voorkeur. De voorbeelden zijn legio:
(1) het onbeheerd achterlaten van een voertuig met daarin alle materiaal
o.a. P 90’s, boordradio’s en kogelwerende vesten – sanctie: een blaam;
(2) niet opbergen van zijn wapen in een beveiligde plaats – sanctie: een
waarschuwing; (3) het opstellen van een vals document om iemand die daarop
geen recht heeft, een voordeel toe te kennen – sanctie: schorsing voor één dag;
(4) gedurende 3 jaar om de drie weken wiet aankopen in Nederland voor persoonlijk
gebruik, niet alleen thuis maar ook op vermaakuitstap en in groep – sanctie:
schorsing bij tuchtmaatregel; (5) het verkopen en leveren van XTC-pillen,
speed en marihuana – sanctie: ontslag van ambtswege; (6) valsheid in geschrifte,
met gebruik van het vals stuk en veroordeeld door de correctionele rechtbank
– sanctie: waarschuwing; (7) zware beledigingen uiten tegenover een collega
– geen sanctie, alleen verandering van dienst; (8) niettegenstaande verschillende
aanmaningen vertraging hebben in de behandeling van opdrachten – sanctie: blaam.
Er is dus duidelijk geen lijn te trekken in de beoordeling van gepleegde feiten.
Bij vergelijking van het aantal klachten en aangiften met het aantal tuchtzaken,
kan men niet anders dan stellen dat er blijkbaar zeer veel feiten met de mantel
der liefde bedekt worden. Het is echter niet mogelijk om in het raam van dit
jaarverslag van het Vast Comité P alle feiten op te sommen die (te) weinig
of niet gesanctioneerd werden, maar deze studie zal het voorwerp uitmaken van
een afzonderlijk verslag aan de parlementaire begeleidingscommissie van het
Vast Comité van Toezicht op de politiediensten.
Niet alleen worden er soms bijna symbolische straffen uitgesproken, er zijn ook korpsen die nog nooit enige tuchtsanctie hebben genomen, tenzij zij noch de tuchtraad noch het Vast Comité P hiervan – niettegenstaande de jaarlijkse rappels – niet op de hoogte hebben gebracht. Van twee korpsen ontving het Vast Comité P helemaal geen informatie.
De openheid en standvastigheid van een korps en zijn leiding kan worden afgemeten aan de hand van het tuchtbeleid. Dit geeft een duidelijk beeld van de waarden en normen waarvoor de organisatie staat. Indien de burger meer vertrouwen in het politiekorps wil krijgen, dan moet hij ervan overtuigd zijn dat het principe ‘de ene dekt de andere’ niet van toepassing is. De erkenning dat ook de politie fouten kan maken, maar dat die fouten ook worden opgevolgd en zo nodig gesanctioneerd, zal veel sneller een gunstige invloed hebben op het imago dan de publicatie van talloze statistieken [41] .
Hoewel de belangrijkste feiten en overtredingen die door de Dienst Enquêtes P op gerechtelijk vlak werden onderzocht, hierboven werden besproken, is het interessant volgende toelichting te verschaffen.
Van de 545 onderzoeken gaan er 419 over klachten ingediend
door mannen (slachtoffers) en 126 ingediend door vrouwen. Van de 545 klagers
waren er 407 Belgen tegenover 107 vreemdelingen.
De Dienst Enquêtes P werd 166 maal gevat door een procureur des Konings
en 58 maal door een onderzoeksrechter. 308 onderzoeken werden rechtstreeks
door een klacht geïnstrueerd en 46 dossiers werden door het Vast Comité P
aan de Dienst Enquêtes P overgedragen.
In totaal beslaan de onderzoeken 680 feiten waarvan de voornaamste hierna
in dalende volgorde worden weergegeven: (1) slagen en verwondingen (209);
(2) willekeurig handelen (118); (3) schending van het beroepsgeheim
(69); (4) valsheid gepleegd in de uitoefening van het ambt (28); (5) belaging/stalking
(22) en (6) racisme (20).
In de loop van 2004 werden er 380 gerechtelijke onderzoeken beëindigd, waren
er nog 71 lopend en werden er 101 door het openbaar ministerie zonder gevolg
geklasseerd.
Voor de lopende gerechtelijke onderzoeksdossiers van 2004 zijn er nog 56 kantschriften
in uitvoering.
In totaal werden er 764 meldingen gemaakt op basis van artikel 26
van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie-
en inlichtingendiensten. Als men deze meldingen optelt bij de 552 gerechtelijke
onderzoeken door de Dienst Enquêtes, komt men tot het respectabele aantal van
1316 gerechtelijke onderzoeken ten laste van politieambtenaren. Van de politiediensten
uit het arrondissement Antwerpen ontving het Vast Comité P de meeste aangiften
(227), gevolgd door Brussel (140), Bergen (69), Luik (46), Brugge (38), Gent
(33), Nijvel en Charleroi (24), Dendermonde (21), Verviers (16), Doornik (15),
Veurne (13), Hasselt (12), Leuven (11), Tongeren (11), Dinant (10), Oudenaarde
(10), Mechelen (8), Turnhout (7), Hoei (5), Kortrijk (5), Neufchâteau (4), Marche-en-Famenne
(2) en Aarlen (1). Van de gerechtelijke arrondissementen Eupen en Ieper werden
geen gegevens ontvangen.
Van deze aangiften hadden er 638 betrekking op lokale politieambtenaren en 87
op leden van de federale politie. In deze laatste zijn de GDA met 25 en de
Algemene reserve (DAR) met 20 aangiften het best vertegenwoordigd.
De voornaamste aangegeven feiten zijn: (1) slagen en verwondingen (202);
(2) willekeurig handelen (147); (3) schending van het beroepsgeheim
(54); (4) bedreigingen (52); (5) verduistering en diefstal (31); (6) belaging/stalking
(26).
Het grote aantal aangiften bewijst dat in de korpsen en bij
de individuele politieambtenaar de positieve reflex aanwezig is om laakbare
feiten te melden, dat er geen schroom is om het eventuele negatieve gedrag van
een collega aan de kaak te stellen.
Dit houdt een zekere zelfcontrole in en vermijdt een samenspannen om feiten
te verdoezelen.
Het Vast Comité P kreeg kennis van 705 in 2004 gestarte opsporingsonderzoeken
of gerechtelijke strafonderzoeken. Dit is bijna een verdubbeling ten opzichte
van het jaar ervoor, toen het Vast Comité P kennis kreeg van 384 opsporingsonderzoeken
en gerechtelijke onderzoeken.
Van vier parketten (Kortrijk, Namen, Leuven en Brussel) mocht het Vast Comité P
niet de minste informatie ontvangen, terwijl voor sommige parketten het aantal
vermelde onderzoeken verrassend genoeg zeer klein is.
Het is daarenboven niet uit te sluiten dat parketten denken dat als ze de Dienst
Enquêtes P vatten voor een onderzoek, ze geen melding meer moeten maken
van de opening van een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek ingesteld
tegen een lid van een politiedienst overeenkomstig de bepaling van artikel 14,2de lid
van de wet van 18 juli 1991 [42]
. Dit is niet zo omdat, wat de gerechtelijke onderzoeken
betreft, de Dienst Enquêtes P volledig onafhankelijk werkt onder leiding
van zijn directeur-generaal, waarbij deze laatste op zijn beurt onderzoeken
voert onder leiding van een onderzoeksrechter of een lid van het openbaar ministerie.
Beiden beheersen de informatiedoorstroming in hun gerechtelijke onderzoeken.
Gelet op de vermoedelijk onvolledige informatie dient dan ook omzichtig te worden
omgesprongen met de conclusies die op basis van de wél voorhanden zijnde gegevens
worden getrokken.
Voor het ressort van de Hoven van beroep werden volgende aantallen
opgegeven: Gent 104 dossiers, Bergen 105, Luik 320, Brussel 4 en Antwerpen
172.
613 opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken betreffen leden van de
lokale politie en 92 leden van de federale politie. Ook hier neemt de
GDA het leeuwendeel van de onderzoeken (26) voor zijn rekening, gevolgd door
de provinciale verkeerseenheden (DAC-PVE) met 15 opsporingsonderzoeken of gerechtelijke
onderzoeken.
In totaal werden er 732 strafrechtelijke feiten in aanmerking genomen, waarvan de belangrijkste: (1) daden van willekeur (1442); (2) gewelddaden tegen personen en goederen (202); (3) bedreigingen (60); (4) schending van het beroepsgeheim (36); (5) belaging/stalking (26), gevolgd door beledigingen (26), zedenfeiten (11), verdovende middelen (10), enz.
Voor het jaar 2004 ontving het Vast Comité P van de Hoven van beroep volgende inlichtingen met betrekking tot de seponering van opsporingsonderzoeken of gerechtelijke onderzoeken: Gent 28 dossiers, Bergen 33, Luik 198, Brussel 1 en Antwerpen 47 dossiers. Sommige van deze dossiers gaan terug tot 2001.
Het Vast Comité P roept de parketten nogmaals op om in
eigen schoot een analyse te maken van het seponeringsbeleid (desgevallend gekoppeld,
zij het onrechtstreeks, aan hun tuchtbeleid) dat zij voeren ten opzichte van
feiten waarbij politieambtenaren betrokken zijn. Het openbaar ministerie is
onmiskenbaar een belangrijke schakel wat het sanctioneren en bijsturen van attitudes
van politieambtenaren betreft.
Het openbaar ministerie waakt ook over de betrouwbaarheid van de politiediensten
in relatie tot de bescherming van de fundamentele rechten en plichten van de
burgers en de naleving van de basisprincipes van democratie in een rechtsstaat.
In het vorige jaarverslag werden er vragen gesteld als: Is er een werkzaam strafrechtelijk beleid van de parketten voor feiten waarbij politieambtenaren betrokken zijn? Op welke basis worden dossiers geseponeerd? Hoe kan de informatie nodig voor de evaluatie van feiten in het kader van een vernieuwde tuchtprocedure binnen een werkzame termijn worden verleend? Deze vragen blijven actueel, zeker gelet op het feit dat de werkgroep “vernieuwde tuchtrecht”, onder het voorzitterschap van de inspecteur-generaal van de federale politie en van de lokale politie en waarin de Raad van procureurs des Konings ook vertegenwoordigd was, zijn werkzaamheden heeft beëindigd.
In totaal werden 89 vonnissen en arresten meegedeeld waarin ten aanzien van 98 politieambtenaren of hulpagenten een rechterlijke uitspraak werd geveld. Deze rechterlijke uitspraak kan ofwel een bestraffing, al dan niet met (gedeeltelijk) uitstel verleend, ofwel een opschorting van de uitspraak van de veroordeling, ofwel een vrijspraak zijn.
Tabel 14: Verdeling volgens ressort Hof van beroep
In totaal werden 89 vonnissen en arresten bestudeerd die handelen over 98 politieambtenaren. In één rechterlijke uitspraak kunnen immers meerdere politieambtenaren beklaagd zijn.
Tabel 15: Verdeling volgens rechtsmacht
Tabel 16: Verdeling per politiedienst
Ten aanzien van één politieambtenaar of hulpagent van politie kunnen er uiteraard meerdere tenlasteleggingen zijn, wat het cijfer van 148 inbreuken verklaart.
Tabel 17: Verdeling volgens de aard van de inbreuk
De vaststelling in het activiteitenverslag 2003 dat de gegevens weinig betrouwbaar en/of verifieerbaar zijn, blijft ook nu van kracht, hoewel er enige beterschap lijkt te kunnen worden waargenomen. Daar waar in 2003 in totaal 65 uitspraken werden meegedeeld, is dat aantal voor 2004 opgelopen tot 89. Niettemin moet worden vastgesteld dat er nog heel wat arrondissementen zijn waarvoor geen enkel vonnis of arrest werd overgemaakt of waarvan het aantal verdacht laag is in verhouding tot de gekende feiten. Zo werd bijvoorbeeld geen enkele rechterlijke uitspraak overgemaakt vanuit de parketten Kortrijk, Oudenaarde, Luik, Neufchâteau, Verviers, Marche-en-Famenne, Namen, Aarlen, Leuven, Nijvel en Mechelen, hetgeen met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet met de werkelijkheid kan overeenstemmen. Dat er uit het ressort Luik maar 8 beslissingen komen, terwijl er uit het ressort Gent 31 beslissingen zijn, lijkt eveneens weinig realistisch.
Het Vast Comité P kan dan ook niet anders dan herhalen dat het voor zijn werking, alsmede voor het geven van feedback aan de politiediensten en -overheden, absoluut noodzakelijk is over alle uitgesproken vonnissen en arresten te kunnen beschikken en dat met andere woorden scrupuleus zou moeten worden voldaan aan de bepaling van artikel 14, 1ste lid van de wet van 18 juli 1991 [43] . Hoewel derhalve de gegevens zeker niet volledig zijn, achtte het Vast Comité P het toch interessant de meegedeelde rechterlijke uitspraken van naderbij te analyseren. Daaruit kunnen toch wel een aantal opmerkelijke vaststellingen worden gedaan, die hierna worden besproken.
Voorafgaandelijk kan worden opgemerkt dat in de overgrote meerderheid van de uitspraken nog steeds de oude politietitulatuur wordt gebruikt (politieagent, rijkswachter, hoofdbrigadier van politie, enz.) zodat het ook niet altijd eenvoudig is na te gaan tot welk kader het vervolgde en/of veroordeelde personeelslid behoort. Soms wordt enkel melding gemaakt van het feit dat een politieambtenaar is vrijgesproken, maar wordt het vonnis niet meegedeeld waardoor er uiteraard onmogelijk eventuele lessen kunnen worden getrokken.
De rechtsmachten maken met vrij grote regelmaat melding van de hoedanigheid van politieambtenaar van de betrokkene. Dat kan voor de betrokkene zowel in positieve als in negatieve zin worden geïnterpreteerd. Positief betekent dat zijn hoedanigheid de rechter ertoe brengt milder te zijn in de bestraffing. Negatief houdt in dat de rechtbank aan de feiten zwaarder tilt precies omdat ze zijn gepleegd door een politieambtenaar. Het kan niet hard gemaakt worden dat het aantal negatieve beslissingen het aantal positieve op significante wijze zou overtreffen of omgekeerd. Alles lijkt af te hangen van de concrete omstandigheden van de zaak en de feitelijke beoordeling door de rechter. Teneinde een en ander te duiden, worden hierna enkele rechtsmachten overlopen, daarbij de hiërarchie van de rechterlijke organisatie volgend.
Slechts in één enkel van de motiverende of beschikkende gedeelten van de vonnissen van de politierechtbank werd melding gemaakt van de hoedanigheid van politieambtenaar waar de rechtbank stelde dat “bij de straftoemeting wordt rekening gehouden met […] alle voorhanden zijnde gegevens eigen aan de persoon van de beklaagde (o.a. inspecteur van politie) […]”. Voor het overige worden de vonnissen van de politierechtbank gekenmerkt door standaardmotiveringen die telkens terugkomen en die in onderhavig onderzoek niet relevant zijn.
De correctionele rechtbanken maken daarentegen bijna steeds melding van de hoedanigheid van politieambtenaar van de beklaagde en dit, zoals gezegd, zowel in positieve als in negatieve zin. Dit lijkt ook logisch vermits niet alleen de misdrijven door de band van veel ernstiger aard zijn, maar ook de persoonlijkheid van de beklaagde in correctionele zaken sowieso relevanter is dan in verkeerszaken.
Enkele markante voorbeelden van positieve overwegingen voor de politieambtenaar:
(1) Correctionele rechtbank Ieper: “gelet op […] de omstandigheid dat een veroordeling effectief tot sociale declassering van de beklaagde kan leiden, gelet op diens beroep, kan het verzoek tot het bekomen van de gewone opschorting van de uitspraak van de veroordeling ingewilligd worden” (het betrof feiten van verduistering en valsheid).
(2) Raadkamer Brugge: “[…] Er mag aangenomen worden dat de inverdenkinggestelde ernstige inspanningen heeft opgebracht voor zijn reclassering. De publieke behandeling van zijn zaak voor de strafrechter houdt, mede gezien zijn beroepsactiviteit, duidelijk een gevaar hiervoor in, zodat hem dan ook de gunst van de opschorting kan verleend worden”.
(3) Correctionele rechtbank Brussel: « […] Attendu qu’en prenant en considération la possibilité d’amendements des prévenus, la relative ancienneté des faits et le souci de ne pas entraver leur avenir professionnel par une condamnation, il apparaît opportun d’ordonner la suspension simple du prononcé de la condamnation, mesure qu’ils sollicitent » [44] .
(4) Raadkamer Brussel: « […] Attendu que si les faits déclarés établis sont tout à fait répréhensibles et inadmissibles, il échet de souligner que les débats en audience publique seraient de nature à provoquer des interrogations malveillantes ou critiques de la part de l’entourage social, familial et professionnel de l’inculpé qui empêcheraient sa réinsertion et pourraient entraîner son déclassement » [45] .
(5) Raadkamer Hasselt: “[…] Overwegende dat een behandeling van de zaak in openbare terechtzitting van aard is om de declassering te veroorzaken door verlies van zijn betrekking en een zo aanzienlijke blaam zou betekenen van aard om blijvende gevolgen te veroorzaken bij de uitbouw van een verdere loopbaan” (betrof een politieambtenaar die feiten van bezit en gebruik van cocaïne had bekend).
Enkele markante voorbeelden van negatieve overwegingen voor de politieambtenaar:
(1) Corrrectionele rechtbank Ieper: “Alhoewel de beklaagde een voorbeeldfunctie heeft, geeft hij toe dat hij bewust op vraag van […] heeft meegewerkt aan een poging tot oplichting van een verzekeringsmaatschappij door middel van een door hem eigenhandig geschreven valse aangifte waarvan hij wist dat ze vals was. […] Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke en gerechtelijke politie waken de politiediensten over de naleving van de wet en dragen zij bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden (cf. artikel 1 van de wet op het politieambt [46] ). Gelet op de aard der feiten en de functie van de beklaagde komt de vraag tot opschorting ongegrond voor” (het betrof een zaak van oplichting van een verzekeringsmaatschappij door een valse aangifte van een fictief schadeverwekkend feit). Daar waar een mededader voor hetzelfde feit wel de opschorting verkreeg, werd in casu de politieambtenaar veroordeeld tot 6 maanden gevangenisstraf met uitstel.
(2) Correctionele rechtbank Ieper: “[…] Meer nog dan een gewone leek, diende zij op grond van haar beroepservaring dus te beseffen wat de mogelijke strafrechtelijke consequenties van haar handelswijze waren […]” (dit betrof een zaak van niet-eerbiediging van het recht op persoonlijk contact voor de vader).
(3) Correctionele rechtbank Brussel: “[…] Dat de straf dient te worden aangepast aan de persoonlijkheid van de […] beklaagden, de ernst van de gepleegde feiten waardoor zij erin slaagden de maatschappelijke orde te verstoren waarbij een medeburger hiervoor het gelag heeft dienen te betalen. Dat door als dusdanig te ageren de […] beklaagden ingevolge het ontzag en het natuurlijk vertrouwen die hun functie inboezemt misbruik hebben gemaakt van dit geschonken vertrouwen om met ongewettigde middelen hun doel te bereiken. Dat het betreurenswaardig is vast te stellen dat zij dit vertrouwen hebben gehypothekeerd door dusdanig lichtzinnig op te treden wars van alle basisprocedureregels ondermeer voorzien in de Wet op het Politieambt en het Wetboek van Strafvordering” (dit betrof een zaak van valse meldingen in een proces-verbaal van huiszoeking).
(4) Correctionele rechtbank Antwerpen: “[…] De feiten zijn ernstig en getuigen van een gebrek aan respect voor andermans fysische integriteit. De rechtbank beklemtoont dat beklaagde als politieagent, ook in burger, een voorbeeldfunctie vervult” (betrof slagen naar aanleiding van een geval van verkeersagressie).
(5) Correctionele rechtbank Hasselt: “[…] De rechtbank is van oordeel dat de hierna vermelde bestraffing aangepast is enerzijds aan de aard, de zwaarwichtigheid en de maatschappelijke laakbaarheid van de bewezen verklaarde feiten, hierbij rekening houdend met de professionele toestand van de beklaagde die zich bewust diende te zijn van de consequenties van zijn gedrag” (hier betrof het een vervolging wegens vluchtmisdrijf door een politieofficier waarbij een verval van het recht tot sturen van 3 maanden en een effectieve geldboete van 500 € (x de opdeciemen) werd uitgesproken ondanks het blanco strafrechtelijk verleden van de veroordeelde).
Ook in de arresten van de Hoven van beroep vindt men argumenten terug die de ene keer de hoedanigheid van politieambtenaar als een verzwarende omstandigheid aanmerken en dan weer arresten waarin rekening wordt gehouden met die hoedanigheid om mildere bestraffingen uit te spreken teneinde de reclassering niet in gevaar te brengen.
Positieve voorbeelden
(1) Hof van beroep Gent: “[…] Het Hof houdt rekening met […], alsmede met de moeilijke omstandigheden, waarin beklaagde zijn werk als politieman diende uit te voeren” (betrof zaak van slagen).
(2) Hof van beroep Luik: « Attendu que les taux et nature de la peine à prononcer seront appréciés en tenant compte : […] de la fonction exercée par le prévenu […] au moment de la commission des faits » [47] (daarbij werd de door de correctionele rechtbank opgelegde gevangenisstraf van 5 maanden met uitstel vervangen door een werkstraf van 150 uur).
Negatieve voorbeelden
(1) Hof van beroep Gent: “[…] Hierbij kan het mogelijk drankgebruik van de burgerlijke partij niet een verontschuldiging zijn, nu beklaagde beter dan wie ook uit hoofde van zijn functie als politieagent moet weten dat fysieke agressie ongeoorloofd is” (dit betrof een zaak van intra-familiaal geweld). “[…] bovendien geldt dat betrokkene thans moet inzien dat dergelijk gedrag absoluut uit te sluiten is in de toekomst, dat dit gedrag tevens maatschappelijk niet aanvaardbaar is, en des te min voor een persoon met dergelijke voorbeeldfunctie” (het verzoek tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd geweigerd).
(2) Hof van beroep Brussel: « […] Attendu que la peine d’emprisonnement prononcée par le premier juge est légale mais pas assez sévère. Que celle prononcée ci-après correspond à une juste répression des faits particulièrement graves dans le chef d’un policier, de nature à jeter le discrédit sur une profession qui se doit d’être totalement irréprochable pour accomplir la mission qui lui est confiée » [48] (daar waar in eerste aanleg aan de beklaagde 10 maanden gevangenisstraf met uitstel werd opgelegd, verhoogde het hof dit tot 1 jaar gevangenisstraf met uitstel).
(3) Hof van beroep Antwerpen: “[…] Dat beklaagde, als politieman, een voorbeeldfunctie heeft en zich schuldig heeft gemaakt aan het feit van heling, hetgeen volstrekt onduldbaar is, zodat een hoofdgevangenisstraf en een geldboete een aangewezen bestraffing is. Dat bij de bepaling ervan rekening wordt gehouden met de ernst van het feit gepleegd door een politieman […]” (het verzoek om opschorting van de uitspraak van de veroordeling werd geweigerd).
Globaal genomen, en nogmaals onder voorbehoud dat enkel de uitspraken
van het jaar 2004 onder de loep werden genomen, die bovendien verre van volledig
zijn, kan worden gesteld dat de hoedanigheid van politieambtenaar wellicht ietwat
verzwarend werkt in de ogen van de hoven en rechtbanken wat het oordeel over
schuld of onschuld op zich betreft. Wat daarentegen de straftoemeting betreft,
kan men er moeilijk aan voorbij gaan dat opvallend veel mildheid aan de dag
wordt gelegd. Het argument bij uitstek in correctionele zaken is het feit dat
men de sociale reclassering niet in gevaar wil brengen of de declassering niet
wil veroorzaken. Deze mildheid is opvallend in het verlenen van de opschorting
door het onderzoeksgerecht, meestal de raadkamer. Nochtans is het verlenen
van de opschorting door de correctionele raadkamer een uitzonderingsregime,
zodat het sterk opvalt dat heel wat politieambtenaren erin slagen niet te worden
doorverwezen naar de correctionele rechtbank.
Wanneer we de globale cijfers bekijken, zien we dat er voor 89 uitspraken
ten aanzien van politieambtenaren of hulpagenten niet minder dan 26 maal
de opschorting van de uitspraak werd toegekend, wat een percentage vertegenwoordigt
van bijna 25 %. Een opvallend voorbeeld was een uitspraak van de Hasseltse
raadkamer in een drugszaak (verkoop, bezit en gebruik van cocaïne) waarin de
politieambtenaar één van de acht beklaagden was. Terwijl de zeven overige beklaagden
(niet-politieambtenaar) allen werden doorverwezen naar de correctionele rechtbank,
bekwam de politieambtenaar als enige de gunst van de opschorting van de uitspraak
van de veroordeling.
De vastgestelde mildheid komt ook tot uiting in het verlenen van de opschorting
in de plaats van een gevangenisstraf met uitstel of het bekomen van een werkstraf
in de plaats van een gevangenisstraf of geldboete (met uitstel). De achterliggende
gedachte vanuit het standpunt van de politieambtenaar en/of zijn verdediging
is steeds dat een opschorting of werkstraf de kansen op het niet oplopen van
een tuchtsanctie of het oplopen van een slechts zeer milde tuchtsanctie (blaam,
waarschuwing) bijna als verworven kan worden beschouwd.
Enkele opvallende mildheden zijn bijvoorbeeld de opschorting voor het aanzetten
tot ontucht van minderjarigen en het bezit van pornografische foto’s van minderjarigen
of voor het begaan van een valsheid als ambtenaar, een wederrechtelijke vrijheidsberoving
en een woonstschennis. Ook een werkstraf van 250 uur voor het oplichten
van een verzekeringsmaatschappij door een valse aangifte van een verkeersongeval
of 50 uur werkstraf voor diefstal en poging tot diefstal met braak is niet
echt streng te noemen.
Hoewel op individueel penaal gebied in het kader van de individualisering van de strafmaat voor een en ander een perfecte verklaring te vinden kan zijn, betekenen deze mildheden wel dat deze politieambtenaren normaliter verder zullen blijven functioneren als politieambtenaar, ondanks deze strafrechtelijke antecedenten, wat toch al veel minder evident is zowel naar de geloofwaardigheid en dus de aanvaarding van het politieoptreden als naar de werking van de politieorganisatie in haar geheel. Andere politieambtenaren zien immers ook welke de concrete strafrechtelijke gevolgen van zware misdrijven of misstappen zijn, zodat, wanneer die te licht zijn, een zeker gevoel van straffeloosheid en dus verdergaande normvervaging zich dreigt in te zetten. Dit is voor niemand een aantrekkelijke piste, noch voor de burger, noch voor de politiediensten en/of -overheden.
In politiezaken is de eenvormigheid bij de straftoemeting soms ver te zoeken. Zo worden de geldboetes voor alcoholintoxicatie in bepaalde rechtbanken soms met een volledig uitstel verleend, dan wel systematisch met een gedeeltelijk uitstel uitgesproken, terwijl die elders (hoewel een minderheid) effectief zijn. Andere rechtbanken leggen dan weer een werkstraf op. Soms is men dan weer uitgesproken streng door alle geldboetes effectief op te leggen. Het uitgesproken verval van het recht tot sturen varieert van 8 dagen tot 5 maanden en wordt soms zelfs met uitstel opgelegd. Soms wordt gesteld dat de termijn waarin het rijbewijs werd ingetrokken door het openbaar ministerie moet worden afgetrokken van het opgelegde verval, maar het is niet duidelijk of dat door alle rechtbanken beslist wordt.
Opvallend is ook dat voor de politierechtbank nog heel wat politieambtenaren eenvoudigweg verstek laten gaan en het dus kennelijk niet de moeite vinden om zich in persoon te verantwoorden voor de rechtbank. Daar waar vanzelfsprekend het verstek actueel een recht is dat aan iedereen, zonder onderscheid, moet worden verleend, lijkt dergelijk procedureel gedrag het Vast Comité P symptomatisch voor de (problematische) attitude van de politieambtenaar en moet dit in rekening worden gebracht in het kader van een tuchtrechtelijke en/of evaluatieprocedure.
Wat de soorten inbreuken begaan door politieambtenaren betreft, gaan de meeste (in die volgorde) over verkeersinbreuken gepaard gaande met intoxicatie of dronkenschap, gewelddaden tegen personen, slagen, valsheden, verkeersinbreuken met vluchtmisdrijf en bedreigingen.
Wat tot slot de tijdsduur betreft tussen het plegen van de
feiten en de rechterlijke uitspraak, is het zeer gewaagd op basis van de aangeleverde
gegevens algemene conclusies te trekken.
Niettemin heeft het Vast Comité P de indruk dat zodra het gaat over zwaardere
feiten (valsheden, oplichting, enz.) een tijdsduur van 3 jaar niet abnormaal
lijkt te zijn. Wanneer bovendien de politieambtenaar in beroep gaat, wordt
deze termijn zeker gehaald of overschreden.
Ook dit is een element dat voor de politieorganisatie uiteraard van groot belang
is, zowel op het vlak van het hele tuchtgebeuren als op dat van de werking van
de organisatie op zich. Zolang er immers geen (liefst definitief) vonnis of
arrest voorhanden is, is het dubbel zo moeilijk op de andere domeinen een definitieve
houding aan te nemen.
Het Vast Comité P kan dan ook niet anders dan herhalen dat onderzoeken
waarbij politieambtenaren betrokken zijn best zo snel mogelijk worden afgerond
en dat er een eindrichting aan wordt gegeven, dit ook om de redenen die reeds
in het activiteitenverslag 2003 werden aangehaald.
In één geval had een politie-inspecteur, erop anticiperend dat de veroordeling wegens drugsbezit en -verkoop zou leiden tot zijn ontslag als politieambtenaar, tijdens het onderzoek een managementopleiding gevolgd. Dat leidde wellicht tot een mildere beoordeling door de correctionele rechter.
Soms wordt de hoedanigheid van politieambtenaar door de verdediging aangewend om een mildere bestraffing te bekomen, maar dat lukt niet altijd. Zo oordeelde het Gentse Hof van beroep dat “aan beklaagde de gunst van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling niet (kan) toegestaan worden. Beklaagde toont niet aan dat een veroordeling tot een geldboete zijn professionele loopbaan onredelijk zou schaden. Daarenboven toont de houding van de beklaagde, die de feiten minimaliseert, zijn gebrek aan enig schuldbesef aan” (dossier in verband met slagen). In bepaalde gevallen lijkt deze strategie wel zijn vruchten af te werpen. Zo stelde de raadkamer te Hasselt vast dat de beklaagde, die bezit en gebruik van cocaïne had bekend, verklaarde zich bewust te zijn van de ernst van de gepleegde feiten daar hij een bij uitstek vertrouwensfunctie bekleedde en aan de feiten reeds een tuchtonderzoek overhield. Daarom verleende de raadkamer de probatieopschorting, terwijl alle andere 7 beklaagden werden doorverwezen naar de correctionele rechtbank.
Nu en dan komt ook de relatie tussen de hangende strafzaak en een (eventuele) tuchtrechtelijke procedure ter sprake of verwijst men naar het evaluatiegebeuren binnen de politie. Zo oordeelde de Brusselse correctionele rechtbank “[…] Dat de omstandigheid dat een zaak op strafrechtelijk gebied geen effectieve bestraffing kent de tuchtrechtelijke instantie vrijlaat te ageren zoals zij het noodzakelijk en wenselijk acht” (de rechtbank verleent de gunst van de opschorting). Deze visie moet volledig worden onderschreven en kan er misschien toe bijdragen dat de tuchtoverheden zich minder gemakkelijk ‘verschuilen’ achter een strafrechtelijke procedure om niets te ondernemen. Het in politiemiddens nog steeds wijdverbreide misverstand “le pénal tient le disciplinaire en l’état” kan misschien voorgoed rechtgezet worden.
Omgekeerd ziet men nochtans dat politieambtenaren en hun verdedigers het feit dat ze reeds het voorwerp uitmaken van een tuchtmaatregel of zelfs een tuchtprocedure, aanwenden om er op strafrechtelijk vlak ‘goedkoper’ vanaf te komen. Zo oordeelde het Hof van beroep van Bergen: « […] Attendu qu’avec raison le premier juge a accordé au prévenu la suspension du prononcé de la condamnation, une sanction effective risquant de nuire à son réclassement déjà compromis par une décision d’écartement professionnel […] » [49] . Ook het feit dat men op professioneel vlak normaal functioneert en bijvoorbeeld steeds gunstige evaluaties heeft gehad, komt nu en dan op de proppen. Het Antwerpse Hof van beroep oordeelde in die zin dat “[…] Overwegende dat het feit dat de beklaagde in het kader van zijn professionele activiteiten sedert jaren een gunstige eindwaardering kreeg, geen afbreuk doet aan het feit dat hij zich plichtig maakte aan de thans weerhouden feiten; dat met deze gunstige eindwaardering wel rekening gehouden wordt bij het bepalen van de strafmaat […]”.
Het belang van een nauwgezette controle op het doen en laten van de politieambtenaar
zoals voorgeschreven, zowel door de wet van 5 augustus 1992 op het
politieambt als door de wet van 7 december 1998 op de geïntegreerde
politie, sijpelt soms door in de rechterlijke uitspraken, wat toch enigszins
verrassend is. Zo oordeelde de Brusselse correctionele rechtbank dat “[…]
ook niet kan geloochend worden dat […] beklaagden
zich broos hebben opgesteld door sommige personeelsleden te negeren en in bepaalde
situaties de hiërarchische structuur niet te hebben gevolgd”.
Met andere woorden, daar waar de leiding en het gezag over het opsporingsonderzoek,
respectievelijk het gerechtelijk onderzoek wel degelijk toebehoort aan de procureur
des Konings en de onderzoeksrechter, ontslaat dit de hiërarchische meerdere
binnen de politie er niet van om zijn toezichtstaak naar behoren uit te voeren.
Zeer terecht merken een aantal rechtbanken het belang op van een goed, nauwkeurig en waarheidsgetrouw proces-verbaal, dat nog steeds de basis vormt van elke strafrechtelijke uitspraak. Zo stelt de correctionele rechtbank van Tongeren zeer terecht: “Dat van de burgers slechts kan verwacht worden dat zij enig vertrouwen hebben in het justitieel apparaat indien de agenten en vertegenwoordigers ervan hun taak in alle omstandigheden correct uitvoeren; dat beklaagde door als inspecteur van politie in een proces-verbaal vermeldingen op te nemen die niet stroken met de werkelijkheid dit vertrouwen heeft geschokt alsmede haar oversten, medewerkers en andere justitiële actoren, van wie het correct functioneren mede afhankelijk is van de betrouwbaarheid van de hen voorgelegde processen-verbaal”. Zij wordt daarin bijgetreden door de Brusselse correctionele rechtbank: “[…] Het plegen van dergelijke feiten (in casu had de politieambtenaar zich schuldig gemaakt aan het opstellen van een vals proces-verbaal om een verzekeringsvergoeding te kunnen innen) in hoofde van de eerste beklaagde als politieambtenaar is zwaarwichtig nu daardoor de bewijskracht en de waarachtigheid van een proces-verbaal wordt aangetast; in de gegeven omstandigheden kan de opschorting van de uitspraak van de veroordeling niet worden toegestaan nu hierdoor de doelstelling van de strafvervolging niet zou verwezenlijkt worden. De gevraagde werkstraf zoals hierna bepaald, komt als een meer aangepaste maatregel voor om deze feiten te beteugelen”.
Zeer vermeldenswaardig omdat het slechts zelden voorkomt, is de overweging van de correctionele rechtbank van Brussel die in de beoordeling van de straftoemeting overwegingen meeneemt die te maken hebben met het verlies aan knowhow en nog verdere inzetbaarheid van de politieambtenaren die over de schreef gingen. De rechtbank ging daarmee overigens in tegen de visie van het openbaar ministerie. Zo argumenteerde de rechtbank: “[…] Dat het onmiskenbaar vaststaat dat beide beklaagden in het opgezette programma inzake de drugscriminaliteitsbestrijding een positieve rol hebben gespeeld, met name in het doelproject […], waarbij een aantal initiatieven werden genomen die ongetwijfeld een mentaliteitswijziging in hoofde van bepaalde inwoners van […] heeft teweeggebracht. Dat het spijtig zou zijn deze expertise verloren te laten gaan zodat gelet op de bovenstaande beschouwingen dan ook de vraag kan worden gesteld naar de zinvolheid van de gevorderde gevangenisstraffen lastens de beklaagden” (het betrof een zaak waarin speurders van de drugssectie van een grootstedelijke lokale recherchedienst een valsheid in een proces-verbaal hadden begaan, meer bepaald een toestemming tot huiszoeking hadden geveinsd).
Een voorbeeld van niet te aanvaarden vuurwapengeweld en dat als casus in elke politieschool niet zou misstaan, werd teruggevonden in een vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel. In concreto betrof het een schermutseling naar aanleiding van een banale identiteitscontrole waarbij de weigering van de burger om zijn identiteitskaart te tonen aanleiding geeft tot een escalatie van woorden met vervolgens trek- en duwwerk, tot op het moment dat de politieambtenaar zelfs zijn wapen trekt, terwijl hij nog zijn radio in de hand had, en dit, volgens zijn verklaring, met het doel de burger te intimideren en op afstand te houden. Wat te voorspellen was, gebeurde ook. Door de schermutseling ging een schot af waarbij de burger (gelukkig niet levensgevaarlijk) werd verwond. De rechter sprak een gevangenisstraf van 3 maanden met uitstel uit ten aanzien van de politieambtenaar onder de volgende motivering: « […] Que si la violence dont a fait montre le prévenu […] (andere medebeklaagde) est inadmissible, il reste que […] (de politieambtenaar-beklaagde) a commis une faute en dégainant son arme de manière prématurée et en faisant usage alors qu’il ne se trouve pas dans les conditions d’application de l’article 38 de la loi du 5 août 1992 : que sa réaction était disproportionnée à l’agression subie et qu’il a ainsi engagé un processus qu’il aurait du prévoir et dont il n’avait plus la maîtrise ; que celui-ci a abouti au dommage subi par le co-prévenu » [50] .
Tot slot konden twee interessante uitspraken worden teruggevonden die meer specifiek ingingen op het misdrijf ‘schuldig verzuim’ (artikel 422bis van het Strafwetboek) en de schending van het beroepsgeheim (artikel 458 van het Strafwetboek).
Een belangrijk vonnis van de correctionele rechtbank te Antwerpen
behandelde het geval van schuldig verzuim dat een aantal leden van de Antwerpse
meldkamer 101 ten laste werd gelegd. De feiten waren de volgende: op oudejaarsavond
(de vroege ochtend van 1 januari 2002) kwam een zeer dringende noodoproep
binnen waarbij een buurvrouw aan de politie gewag maakte van een zeer zware
aan de gang zijnde huiselijke twist. Deze hevige ruzie zou uiteindelijk resulteren
in het overlijden (doodslag) van een 37-jarige vrouw. Kenmerkend was dat er
bovendien meerdere contactnemingen waren met de 101. De eerste oproep van de
buurvrouw kwam er om 5.30 uur, terwijl de politie uiteindelijk maar ter
plaatse kwam om 07.45 uur of meer dan twee uur na de initiële melding.
In totaal zouden de buurvrouw en haar echtgenoot liefst vier maal naar de politie
bellen met een verzoek om dringende bijstand.
In deze zaak werden uiteindelijk in eerste aanleg één van de drie call-takers
(inspecteurs) en twee wachtofficieren veroordeeld wegens schuldig verzuim.
Twee andere dispatchers werden vrijgesproken omdat zij alle handelingen hadden
gesteld die van hen konden worden verwacht en er in hun hoofde dan ook niet
het noodzakelijke moreel element van het misdrijf voorhanden was. Ondanks het
feit dat van bij de aanvang de oproep een afhandelingscode 4 (wat staat
voor een dringende tot zeer dringende oproep) kreeg en er ploegen beschikbaar
waren, werden die niet tijdig naar de plaats van de feiten gestuurd.
De rechtbank tilde bijzonder zwaar aan de feiten zoals moge
blijken uit volgende passus: “De feiten zijn bijzonder schrijnend. Een buurvrouw
met bijzonder veel burgerzin roept in de Nieuwjaarsnacht de hulp in van de politiediensten
omdat zij haar benedenbuurvrouw in volle paniek om hulp hoort roepen en zij
hoort dat er hevig ruzie wordt gemaakt. Deze buurvrouw en haar echtgenoot zullen
na de eerste oproep nog driemaal met aandrang de tussenkomst van de politie
vragen. Zij zal telkens vermelden dat het niet zomaar een ruzie is, maar dat
het zeer ernstig is en zij zelfs vermoedt dat de man haar buurvrouw zou vermoorden.
Omstreeks 5.30 uur was de eerste oproep en pas omstreeks 7.45 uur
kwam de politie ter plaatse. Deze buurvrouw had de noodtoestand volledig juist
ingeschat en dit zo ook meegedeeld aan de politiediensten. Eerste beklaagde
die kennis krijgt van de eerste oproep ongeveer een half uur voor het einde
van zijn dienst onderneemt niets. Vierde beklaagde die van zijn collega verneemt
dat de buurvrouw reeds voor de tweede keer opbelt en hoort dat het dringend
is, neemt evenmin de gepaste maatregelen. Vijfde beklaagde is bijzonder nalatig
geweest in de uitoefening van zijn taak, door niet aan alle binnengekomen oproepen
de gepaste aandacht te schenken.
De drie beklaagden zijn politieagenten, verbonden aan de meldkamer 101, van
wie verwacht wordt dat zij op elke oproep adequaat reageren, zeker op een oproep
met dringend karakter, zoals blijkt uit de inhoud van de eerste en de daaropvolgende
oproep. Door dit niet te doen, hebben zij het vertrouwen van de burgers in
de werking van het politieapparaat op een ernstige manier beschaamd”.
Nochtans achtte de rechtbank het oorzakelijk verband tussen
het schuldig verzuim enerzijds en het overlijden van het slachtoffer anderzijds
niet bewezen, omdat naar haar oordeel, zelfs indien iedereen op gepaste wijze
zou hebben gereageerd, het niet vaststond dat er tijdig een patrouille zou kunnen
geweest zijn die ter plaatse het overlijden van het slachtoffer had kunnen voorkomen.
De rechtbank sprak nadien, ondanks dit gebrek aan causaal verband, vrij zware
straffen uit. De politie-inspecteur dispatcher werd veroordeeld tot 10 maanden
gevangenisstraf met uitstel, terwijl beide toezichthoudende officieren elk veroordeeld
werden tot een gevangenisstraf van zes maanden met uitstel.
Het behoeft weinig betoog dat met dit soort van straffen de tuchtvordering,
die onvermijdelijk moet volgen, kan leiden tot een ontzetting uit het ambt.
Enige voorzichtigheid is evenwel geboden omdat zowel de burgerlijke partijen
als de twee veroordeelde officieren zich in beroep hebben voorzien, zodat het
afwachten is wat het standpunt van het Hof van beroep terzake zal zijn.
Hoe dan ook, voor zover nodig, is nog maar eens bewezen welke vitale functie
de call-taker/dispatcher in een centrale meldkamer heeft zodat de politieoverheid
en korpsleiding er te allen tijde zorg moeten voor dragen bekwaam en gemotiveerd
personeel voor deze functie in te zetten. In dit licht moet de actuele doorgedreven
wens tot ‘calogisering’ van de communicatie- en informatiecentra (CIC) dan ook
weloverwogen worden en lijkt overhaasting uit den boze.
Het belang en de ratio legis van de bepalingen betreffende
het beroepsgeheim werden tot slot in herinnering gebracht door de Antwerpse
correctionele rechtbank: “[…] De feiten zijn zeer ernstig gelet op de vertrouwensfunctie die beklaagde
uitoefent binnen de samenleving. Beklaagde heeft informatie betreffende een
lopend opsporingsonderzoek doorgegeven aan een derde persoon en daardoor het
geheime karakter van het opsporingsonderzoek geschonden. […]
Het beroepsgeheim dat bestaat in hoofde van de leden
van de politiediensten en dat in casu geschonden werd door het verstrekken van
informatie betreffende een nog lopend en geheim opsporingsonderzoek heeft tot
doel het belang van het onderzoek te beschermen, maar raakt eveneens de belangen
van de verdachte zelf en zijn recht op privacy”.
Afdeling 3: Beslissingen van het Vast Comité P
De gegevens die aan het Vast Comité P worden overgemaakt,
hebben betrekking op een aantal feiten waarover anderen zich dienen uit te spreken
en waarover ze autonoom kunnen oordelen, zoals de korpschef, de tuchtoverheden,
het openbaar ministerie of de rechtbanken.
Deze beslissingen – waarop het Vast Comité P zelf geen impact heeft – werden
al in bovenstaande rubrieken geanalyseerd en becommentarieerd.
Naast deze gegevens ontvangt het Vast Comité P ook een groot aantal klachten waarover het zelf een beslissing dient te nemen. Door de wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten, meer bepaald door de invoeging van artikel 10, 9de lid bij de wet van 3 mei 2003, kan het Vast Comité P de politiediensten opdragen om op autonome wijze een klacht of aangifte te behandelen. Bij het afsluiten van hun onderzoek lichten deze diensten het Vast Comité P in over de besluiten en over de maatregelen die werden genomen. Doordat de nieuwe wet pas in de loop van 2003 in werking is getreden, dienen de hierna vermelde gegevens voor het jaar 2003 slechts te worden beschouwd als zijnde deze van een overgangsperiode, terwijl de gegevens voor 2004 gaan over het gehele jaar volgens het nieuwe systeem.
In 2003 werden er 290 klachten aan de korpsen overgemaakt voor autonome afhandeling, in 2004 bedroeg dit aantal 380. Naar de toekomst toe zullen deze overdrachten frequenter geschieden.
Zowel voor de door het Vast Comité P als voor de door de korpsen autonoom behandelde klachten werd een ventilatie gemaakt waarbij geen rekening werd gehouden met de louter interne administratieve beslissingen.
Dit geeft volgende percentages op het geheel van de relevante beslissingen.
Tabel 18: Genomen beslissingen in 2003 en 2004
Zoals in de vorige jaarverslagen het geval was, geven de analyses met
betrekking tot de beslissingen van het Vast Comité P ook voor 2004 een
vergelijkbaar resultaat.
Dit resultaat wordt bijkomend ondersteund door het feit dat ook de autonome
beslissingen van de politiekorpsen eenzelfde trend vertonen.
Wanneer het subtotaal wordt gemaakt van de beslissingen die hebben geleid tot
een ongegronde verklaring, onvoldoende bezwaren, geen concrete elementen, dan
komt men zowel in de korpsen als in het Vast Comité P tot een gemiddelde
van 16 %. Het aantal allegaties en feiten waarvoor uiteindelijk geen fout
of disfunctie werd weerhouden, bedraagt gemiddeld 34 %. De totale score
geeft weer dat gemiddeld 50 % van de aangeklaagde feiten of aangiften wordt
afgewezen.
Van de overige 50 % dienden het Vast Comité P en de korpsen zich voor
gemiddeld 12 % onbevoegd te verklaren. Deze stelling geldt enkel voor
het jaar 2004 omdat er in 2003 minder autonome zaken werden toevertrouwd aan
de korpsen enerzijds en omdat het Vast Comité P vóór verzending van een
klacht aan een korps al had onderzocht of het al dan niet bevoegd was.
Met betrekking tot de beslissingen aangaande een individuele fout of disfunctie, dient voor het jaar 2003 een correctie te worden gemaakt omdat in deze categorie ook beslissingen werden opgenomen over een individuele fout waarover verder onderzoek op statutair of disciplinair vlak werd overwogen. In het cijfer van 615 beslissingen van individuele fout in het jaar 2003 kan dus een dubbeltelling voorkomen omdat een tuchtonderzoek niet steeds heeft geleid tot een sanctie of erkenning van een fout in hoofde van de betrokken politieambtenaar.
Opvallend is wel dat aan het openbaar ministerie gemiddeld
7 % van alle klachten en aangiften werd overgemaakt omdat deze gezien de
aard van de beschreven feiten (allegaties) onder de bevoegdheid van de gerechtelijke
overheid vielen. De daaruit voortvloeiende beslissing van foutief gedrag zal
de algemene lijn niet verstoren.
Deze vaststelling doet ook geen afbreuk aan de eerder opgemerkte trend die zich
nog steeds voortzet, namelijk dat aangenomen kan worden dat in minimaal 20 %
van de beslissingen een individuele fout of disfunctie wordt weerhouden.
De analyse van het jaar 2003 en de weergave in het tussentijds verslag 2004 worden door deze cijfers ook bevestigd aangezien op het totaal van de aangegeven feiten slechts een achtste na onderzoek als werkelijk foutief optreden wordt gekwalificeerd.
Sinds 2001 organiseert het Vast Comité van Toezicht naar goede gewoonte hearings. Tijdens deze hoorzittingen worden verschillende verantwoordelijken van de federale en lokale component van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus gehoord. Op die manier kan het Vast Comité P een nog duidelijker zicht krijgen op de reële werking van de geïntegreerde politie. Deze hearings bieden het Comité ook stof tot nadenken en stellen hem in staat een actieve rol te vervullen op het vlak van de doelmatigheid en de coördinatie van de politiediensten. In 2003-2004 had het Vast Comité P, in het kader van zijn hearings, het woord gegeven aan verschillende representatieve leden van het lokale niveau of van het gedeconcentreerde federale niveau, o.a. bestuurlijke directeurs-coördinators (DirCo) en gerechtelijke directeurs (DirJu). Dit jaar, meer bepaald in het verlengde van de reacties die zijn jaarverslag 2003 had uitgelokt, werd ervoor gekozen te luisteren naar de standpunten en verzuchtingen van het federale niveau, meer bepaald inzake steun en geïntegreerde werking.
Tegen de achtergrond van de doorgevoerde politiehervorming en de vernieuwde context van samenwerking tussen parket en politie, alsook de informatie-uitwisseling en andere samenwerkingsvormen tussen beide instellingen, achtte het Vast Comité P een open dialoog met de voorzitter van de Raad van procureurs des Konings uiterst zinvol. Het voorwerp van de gedachtewisseling had voornamelijk betrekking op de concrete bijdrage van beide gesprekspartners tot de optimalisering van de informatie-uitwisseling en beoogde een adequate afstemming op eenieders werkprocessen. Volgende aandachtspunten kwamen aan bod: (1) de gevolgverlening aan klachten en aangiften; (2) de autonome politionele afhandeling (APA) en (3) de werking van de arrondissementele informatiekruispunten (AIK).
Met het oog op een constructieve discussie aangaande de grensoverschrijdende politiesamenwerking nodigde het Vast Comité P een lid van de Directie van het beleid inzake internationale politiesamenwerking (CGI) van de federale politie uit. De spreker gaf een uitgebreide en interessante uiteenzetting over de bilaterale samenwerking als instrument om nieuwe criminaliteitsfenomenen in kaart te brengen enerzijds en over de prioritaire actieplannen en de Europese ontwikkelingen op het vlak van de politiesamenwerking anderzijds. Tevens werd de terugkoppeling gemaakt naar de democratische controle op de politie en de voorwaardelijke toetreding van de nieuwe EU-lidstaten.
Het Vast Comité P heeft ook aandachtig geluisterd naar de uiteenzetting van de directeurs-generaal van de Algemene directies operationele ondersteuning (DGS) en materiële middelen (DGM), waarbij het belang werd onderstreept van het werken in het kader van een geïntegreerde politie. Er werden verschillende aspecten becommentarieerd, onder meer de steunverlening aan de lokale component en de modaliteiten ervan. Er kwamen ook andere problemen aan bod, zoals de werking van het sociaal secretariaat (en het probleem van de fiches 281.10), de rol van de bestuurlijke directeur-coördinator, en natuurlijk de visuele identiteit van de geïntegreerde politie die zowel tot uiting komt in de uniformen als in de gebouwen en voertuigen.
Tijdens zijn hearing heeft de directeur-generaal van de gerechtelijke politie (DGJ) het Vast Comité P toelichting verschaft bij de werking, inclusief de interne, van deze algemene directie. Hierbij werd aandacht besteed aan het thema ‘informatie en informatiebeheer’ en aan de gevolgen van het arrest dat het Arbitragehof heeft geveld met betrekking tot het statuut van de politieambtenaren.
Het Vast Comité P heeft ook het genoegen gehad twee leden van de Algemene directie bestuurlijke politie (DGA) te ontvangen. In een openhartig debat werden de volgende onderwerpen aangesneden: (1) de personeelsformatie; (2) de gehypothekeerde capaciteit; (3) de informatiehuishouding van de federale politie; (4) de operationele coördinatie bij rampen en (5) de mobiliteit.
De directeur-generaal personeel (DGP) heeft aan het Vast Comité P meer uitleg verstrekt over de aanwervingsprocedure die wordt gevolgd door de geïntegreerde politie (van het aanwervingsplan tot de verschillende selectieproeven). Gezien het hoge aantal kandidaturen is de politie klaarblijkelijk een interessante werkgever. Er werd ook gesproken over de specifieke situatie in de Brusselse zones en over de ‘calogisering’ van het personeel. Andere aandachtspunten waren het soort steun dat deze algemene directie kan bieden aan de lokale component van de geïntegreerde politie en de modaliteiten volgens dewelke deze steun wordt geleverd. In dit verband wees het Vast Comité P erop dat de lokale component zou moeten kunnen beschikken over een ‘catalogus’ van het volledige steunaanbod.
Tot slot heeft het Vast Comité P de commissaris-generaal en de directeurs-generaal samen uitgenodigd zodat, op globale wijze, een balans kon worden opgemaakt van een hele reeks problemen gekoppeld aan de implementatie van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en vooral de federale component zijn standpunt over allerhande onderwerpen kon geven.
De afgelopen jaren heeft het Vast Comité P getracht verslag
uit te brengen over de verandering van het politielandschap zoals voorzien door
de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst,
gestructureerd op twee niveaus, in het verlengde van de ‘Octopusakkoorden’ [51]
. Het uitgangspunt van de globale analyse was steeds de verslaggeving
van het Vast Comité P over de opvolging van de verantwoorde en transparante
implementatie van de wetten van 7 december 1998 en van 5 augustus 1992.
Dat verslag was de synthese van een omvangrijker document, waarvan de redactie
grosso modo werd beëindigd op 31 januari van het jaar x+1 [52]
en dat dus betrekking had op de op die datum beschikbare informatie
terzake.
Als gevolg van een aantal vaststellingen gedaan in de marge of in het verlengde
van zijn activiteitenverslag 2002 meldde het Vast Comité P in zijn
activiteitenverslag 2003: “Aangezien ons verslag slechts kan worden
openbaar gemaakt na bespreking met onze Parlementaire begeleidingscommissie,
zullen een aantal vaststellingen en bepaalde commentaar dus aan betekenis of
relevantie hebben ingeboet op het ogenblik dat dit verslag wordt gepubliceerd” [53]
. Dit is jammer genoeg elk jaar
het geval.
In hetzelfde activiteitenverslag kondigde het Vast Comité P
aan dat het in de toekomst zijn werkwijze zou aanpassen en verslag zou uitbrengen
op basis van een ruimere, meer algemene, globale en geïntegreerde analyse waarbij
zijn eigen vaststellingen en de exploitatie van de beschikbare gegevens wordt
vergeleken met de verschillende gegevens vervat in de jaarverslagen opgesteld
door de verschillende niveaus van de geïntegreerde politiedienst en de andere
politiediensten in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991.
Niettegenstaande er voor de politiediensten of diensten met politiebevoegdheid voorlopig geen wettelijke verplichting bestaat om een jaarverslag op te stellen, hebben een aantal zones zich de gewoonte eigen gemaakt om een activiteitenverslag op te stellen. De commissaris-generaal van de federale politie heeft voor het jaar 2003 een verslag opgesteld en heeft aan het Vast Comité P verklaard dat hij dit in de toekomst zal blijven doen. Het is tevens van belang dat de politiezones en de andere componenten van het Belgische politiesysteem een jaarverslag opstellen. Het Vast Comité P is ervan overtuigd dat de politiediensten door het opstellen van een jaarverslag ontegenzeglijk tegemoet komen aan de gerechtvaardigde verwachtingen en eisen van de burgers inzake transparantie en rechtvaardiging van het optreden van de politie en van haar werking in het algemeen. Vorig jaar had het Vast Comité P, op het ogenblik van de neerlegging van zijn activiteitenverslag, kennis kunnen nemen van 33 jaarverslagen van lokale politiezones. Van het belangrijke verslag van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie heeft het Comité kennis genomen in de loop van de maand augustus 2004 en van het verslag van de commissaris-generaal in september 2004. Het jaarverslag van de Algemene inspectie is trouwens bijzonder belangrijk voor de globale en geïntegreerde opvolging van de implementatie van de politiefunctie en maakt bovendien het voorwerp uit van een wettelijke verplichting op grond van artikel 7 van de wet van 7 december 1998 [54] .
In samenspraak met zijn parlementaire begeleidingscommissie meent het Vast Comité P een analyse te moeten kunnen maken van deze jaarverslagen. Deze analyse is immers één van de onderzoeksopdrachten van het dossier Beeldvorming [55] , dat als doel heeft het Parlement op een gestructureerde en systematische wijze te informeren over de mate waarin de geïntegreerde politiedienst zijn wettelijke opdrachten uitvoert en over de wijze waarop de principes die zijn werking beheersen, worden ingevuld en nageleefd.
Bij het afsluiten van dit jaarverslag heeft het Vast Comité P
kennis kunnen nemen van 36 jaarverslagen van zones van lokale politie,
maar, net als vorig jaar, nog steeds niet van het verslag van de Algemene inspectie
noch van dat van de commissaris-generaal. Dit is, met het risico op een gebrek
aan samenhang of coherentie, meer bepaald als gevolg van de opeenvolging van
publicaties, nochtans onontbeerlijk om zijn opdracht van globale en geïntegreerde
monitoring van de implementatie van de politiefunctie voor alle politiediensten
te kunnen vervullen. In dit verband had het Vast Comité P vorig jaar reeds
verscheidene aanbevelingen gedaan
[56] met het oog op meer coherentie in het systeem van verslaggeving, eerst
aan de uitvoerende macht en dan aan de wetgevende macht.
De geformuleerde aanbevelingen hebben betrekking op: (1) het partnerschap
voor de ontwikkeling van een jaarverslag; (2) het concept; (3) de
inhoud; (4) het wettelijk kader; (5) de timing. Dit laatste punt
is uiterst belangrijk, wij komen hier elders op terug.
In zijn activiteitenverslag 2003 stelde het Vast Comité P dan ook:
“In samenwerking met de Directie van de relaties met de lokale politie dient
een model van jaarverslaggeving ontwikkeld te worden waarbij naast een aantal
(verplichte) inhoudelijke elementen en een eenvormig concept tevens een regelgevend
kader wordt bepaald. De betrokkenheid van het Vast Comité P bij de ontwikkeling
van de jaarverslagen van de lokale maar ook van de federale politiediensten
dient benadrukt te worden, gelet op de kernopdrachten die het dient uit te voeren.
Tevens dient vastgelegd te worden wie als belanghebbende van een jaarverslag
moet en/of kan beschouwd worden, zodat op een eenduidige wijze de verplichte
bestemmelingen, de wijze van publicatie en de vereiste inhoudelijke elementen
kunnen worden bepaald.
Een analyse van de verwachtingen van de onderscheiden doelgroepen, waarvan het
Vast Comité P er één is, dient vooraf te geschieden. Om te voldoen aan
de behoeften van het Vast Comité P in het algemeen en het project beeldvorming
in het bijzonder, dringt een identificatie van de vereiste domeinen en indicatoren
zich op.
De ontwikkeling van een uniform model van jaarverslag waarbij alle belanghebbenden
over de gewenste informatie kunnen beschikken, dient nagestreefd te worden.
De toepassing en het gebruik van het EFQM/INK-managementmodel als rapporteringsinstrument
lijkt hiervoor één van de mogelijkheden. Teneinde een grote doelmatigheid na
te streven, dient er idealiter een symbiose gezocht tussen het jaarverslag en
het maandelijkse verslag dat de korpschef moet uitbrengen aan de burgemeester
of aan het politiecollege met betrekking tot de werking van zijn korps en de
ontvangen klachten.
Voor een efficiënte verwerking van kwantitatieve gegevens in het kader van het
project beeldvorming, lijkt het overmaken van een geïnformatiseerde versie van
het jaarverslag aan het Vast Comité P wenselijk.
Een verdere verduidelijking van het artikel 14ter van de organieke wet
waarbij de termijn van overmaking van het jaarverslag aan het Vast Comité P
wordt voorzien, moet bijdragen tot een correcte timing voor een optimale exploitatie
van de jaarverslagen. Door het bepalen van een eenvormig tijdstip van publicatie
en overmaking van de jaarverslagen aan de diverse belanghebbende overheden,
kan hieraan worden tegemoet gekomen”
[57] .
De analyse van het Vast Comité P werd bovendien bijgetreden door de Commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Senaat die vaststelde dat: “De indiening, tegen uiterlijk 1 juni, van een volledig jaarlijks activiteitenverslag door het Vast Comité P aan het Parlement is niet altijd makkelijk, gelet op het gebrek aan samenwerking vanwege bepaalde directeurs bij het doorspelen van informatie” [58] . De Commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Senaat “pleit dan ook voor een verplichte en eenvormige voorlegging, op een vaste datum, van zowel het jaarverslag van de commissaris-generaal van de federale politie als van de verslagen van de korpschefs aan het Vast Comité P” [59] . Met het oog op een coherent geheel zou tevens moeten worden voorzien in een verplichte voorlegging van het jaarverslag van de Algemene inspectie, alvorens wordt bekeken of dergelijke voorlegging opportuun is voor de andere intervenanten.
Gezien het ogenblik waarop dit jaarverslag openbaar kan worden
gemaakt, namelijk in het verlengde van de bespreking ervan met de parlementaire
begeleidingscommissie, en rekening houdend met het feit dat de ingezamelde gegevens,
in de huidige stand van zaken, maar aan weinig elementen kunnen worden getoetst,
acht het Vast Comité P het verkieslijk een afzonderlijk verslag over te
zenden aan zijn parlementaire begeleidingscommissie en dat verslag naderhand
aan te vullen, te verfijnen of te nuanceren, na kennis te hebben genomen van
de respectieve verslagen van de Algemene inspectie van de federale politie en
van de lokale politie, van de commissaris-generaal en van een significant aantal
politiezones.
Bijgevolg legt het Vast Comité P thans slechts een eerste verslag neer
over de stand van zaken en zal het uiterlijk op 15 oktober 2005 een
meer volledig en aangepast afzonderlijk verslag neerleggen.
Aldus streeft het Comité een dubbel doel na, met name (1) de coherentie
en de relevantie waarborgen van de verslaggeving van de verschillende intervenanten
waarop het toezicht dient te houden en (2) erop toezien dat de instelling
die onder de bevoegdheid van de wetgevende macht valt en deze macht moet inlichten
opdat deze de nodige maatregelen kan nemen of de meest geschikte aanbevelingen
kan doen, de laatste is om zich uit te spreken, na kennis te hebben genomen
van alle beschikbare informatie in hoofde van alle relevante of representatieve
intervenanten.
Afdeling 6: Enkele bijzondere beschouwingen
Met het oog op een doeltreffende, doelmatige en effectieve geïntegreerde
werking van de geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus,
pleit het Vast Comité P voor een uniformisering van de opleidingen die
worden aangeboden door de verschillende politiescholen en -opleidingscentra,
met dien verstande dat aan deze scholen en centra, mits enig toezicht, toch
voldoende bewegingsvrijheid wordt gelaten. De opleidingsprogramma’s moeten
worden bepaald in overleg met de federale regering of met de gewestregering.
Niet alleen de toestand in de politieschool van Antwerpen moet worden onderzocht,
maar ook die in de andere politiescholen of -academies. In ieder geval meent
het Vast Comité P dat er voldoende aandacht moet worden besteed aan de
beroepsopleiding, zowel de basisopleiding als de voortgezette opleiding, van
de wijkagenten en hulpagenten, alsook aan de voortgezette opleiding van de officieren,
zeker de gemachtigde officieren zoals officieren van bestuurlijke politie.
Er moet daarenboven ook ruimte zijn om specifieke opleidingen te organiseren
die beantwoorden aan de keuze van de studenten en aan de noden op het terrein,
alsook aan de processen die het daadwerkelijk samenwerken van de geïntegreerde
politiedienst bevorderen.
Aangezien een gezamenlijk en geïntegreerd beheer van de politionele informatie een essentieel element is van de politiehervorming, vestigt het Comité in het bijzonder de aandacht op de noodzaak om in elke politieschool een specifieke opleiding in informatica en telematica te voorzien om het (de) geïntegreerde syste(e)m(en) correct te kunnen gebruiken. Men moet zich ook vragen stellen over het aantal scholen (en niet over hun ligging) en over de veelheid van statuten en het relatieve gebrek aan nauwkeurigheid van sommige cursussen, een aspect waarover verscheidene hoge verantwoordelijken zich onlangs nog hebben beklaagd.
Sinds enkele jaren moet de informatisering van wat gemeenzaam de integratie
of de geïntegreerde werking wordt genoemd, beantwoorden aan bepaalde doelstellingen
zoals een veralgemeende toepassing van het Astridsysteem en de compatibiliteit
van de informaticasystemen, meer bepaald wat het zoeken en melden van informatie
betreft. In een dergelijke context hangt het welslagen van de informatisering
meer af van de mate waarin dit systeem op het terrein wordt toegepast en van
de geboekte resultaten dan van de toegekende budgetten, hoe aanzienlijk die
ook zijn.
De implementatie van Astrid over het ganse grondgebied, die aanvankelijk was
gepland voor eind 2003, dan 2004 en intussen voor 2007-2008, moet absoluut worden
versneld, net als de efficiënte en effectieve inplaatsstelling van de CIC’s
en AIK’s.
Tevens dient te worden benadrukt dat een snelle integratie van de niet-politionele
hulpdiensten in Astrid een absolute noodzaak is. Daarnaast dient opgemerkt
dat sommige zones onvoldoende bereidheid tonen om het huidige informaticamaterieel
te vervangen door een systeem waarmee de nationale gegevensbank kan worden gevoed.
De huidige structuur biedt onvoldoende garanties om op lokaal niveau sommige
verplichtingen op te leggen inzake geïntegreerde werking, bijvoorbeeld van de
AIK’s, CIC’s en dispatchings. De zones moeten zich ook duidelijk en zo volledig
mogelijk inschrijven in het ISLP-systeem en dit systeem toepassen.
Hoe dan ook, de goede werking van de AIK’s is van fundamenteel belang omdat
zij de nationale gegevensbank voeden. Maar de algemene kwaliteit van deze gegevensbank
is achteruitgegaan en blijft in zekere zin afnemen. Daarom is het Vast Comité P
van mening dat er een aanzienlijke inspanning moet worden geleverd, zowel op
het vlak van de inzameling en registratie van gegevens als op het vlak van de
exploitatie en mededeling van deze gegevens.
Hoewel de informaticatools voor operationele doeleinden moderner en beter zijn geworden, mag men niettemin niet uit het oog verliezen dat de informatica voor het personeelsbeleid zwaarder wordt en steeds meer verouderd raakt [60] .
Al vóór de werkzaamheden van de Commissie voor de Binnenlandse Zaken
en voor de Administratieve Aangelegenheden achtte het Vast Comité P het
nuttig, en nog steeds, om de aandacht van de politiediensten te vestigen op
het feit dat de strijd tegen het terrorisme een absolute prioriteit is en dat
voor deze strijd de nodige personeelsleden en middelen moeten worden vrijgemaakt.
Er moet meer aandacht worden geschonken aan het voorkomen van terrorisme in
België en aan de geïntegreerde werking van de geïntegreerde politiedienst en
al zijn componenten.
Het Comité beveelt ook duidelijk aan de politiecapaciteit gespecialiseerd in
de strijd tegen het terrorisme te verhogen: de ‘intelligence’-capaciteit
benaderd volgens de principes van intelligence led policing.
In dit verband stelt het Comité voor om binnen de federale politie een bijzondere
algemene directie op te richten, die zich uitsluitend zou bezighouden met de
strijd tegen het terrorisme en die onder meer zou zijn belast met de coördinatie
van het werk, het informatiebeheer en de geïntegreerde werking in al zijn facetten.
Dat nog niet alle politiediensten over eenzelfde, nieuw uniform
kunnen beschikken, blijft een spijtige zaak die reeds in het verleden naar voor
is gekomen. Politieambtenaren durven dan al eens op pad te gaan in hybride
kledij, oude kledij, werkkledij die door de burger niet als uniform herkend
kan worden of nog in burgerkledij.
Deze vaststelling geldt niet alleen voor de reguliere politiediensten, maar
evenzeer voor de bijzondere politiediensten. Zo is er het geval van een bijzondere
veldwachter die iemand interpelleerde terwijl hij drager was van diverse uniformstukken
die voor de burger niet herkenbaar waren en waardoor men aan zijn hoedanigheid
twijfelde.
Het Vast Comité P is van oordeel dat een duidelijk herkenbaar uniform,
niet gecombineerd met andere dienstkledij, de burger moet toelaten te weten
wie daadwerkelijk een bevoegde politieambtenaar is, zonder dat er over diens
hoedanigheid enige twijfel kan rijzen.
In een ander geval heeft een politieman het nodig geacht iemand aan een identiteitscontrole te onderwerpen, terwijl hij niet met dergelijke opdracht belast was. Hij handelde bovendien ook alleen en niet in uniform. De burger die werd gecontroleerd, weigerde spontaan mee te werken en werd daarom onder de nodige dwang naar het politiekantoor begeleid.
Het Vast Comité P is van mening dat dergelijke interventies best gebeuren door twee politieambtenaren die bovendien een duidelijk herkenbaar uniform dragen.
Met betrekking tot de voorbeeldfunctie die de leden van de polistiediensten
hebben, meer bepaald hun gedrag en hun houding, is het van belang te onderstrepen
dat de commissie-De Ruyver aan de minister van Binnenlandse Zaken heeft gevraagd
zo snel mogelijk een oplossing te vinden voor het ontbreken van een eenheidsuniform,
zowel voor de federale politie als voor de lokale politie. Herkenbaarheid is
immers een essentieel aspect van de politie.
Als gevolg van een aantal aanwijzingen, tekenen, ontboezemingen of vaststellingen
maakt het Vast Comité P zich ongerust over de mate waarin de politieambtenaren
in de praktijk uiting geven aan de voornaamste principes van de deontologie
zoals aangesneden in de wet van 7 december 1998 tot organisatie van
een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus en a fortiori
aan de deontologische code die nog steeds op zich laat wachten. Een aantal
vaststellingen – niet alleen in het arrondissement Brussel-Hoofdstad en niet
enkel naar aanleiding van ordehandhavingsoperaties – en analyses van klachtendossiers
of gerechtelijke dossiers maken dat het Vast Comité P, meer nog dan in
het verleden, bekommerd is over de algemene discipline binnen de geïntegreerde
politiedienst. Sommige herhaaldelijke gedragingen, houdingen, uitspraken of
lacunes doen het Comité geloven dat er in heel wat eenheden of componenten van
de geïntegreerde politiedienst een steeds duidelijkere normvervaging is, namelijk
minder normbesef van de deontologie, de discipline die daar gedeeltelijk mee
gepaard gaat, de nauwkeurigheid en enig professionalisme. Het lijkt ons de
hoogste tijd dat de verantwoordelijken, hoger kader en middenkader, zich vermannen
en van het professionalisme van de politieambtenaren één van hun prioriteiten
maken: professioneel handelen betekent immers ook handelen met oog voor deontologie,
integriteit, nauwkeurigheid en zin voor discipline.
Nogal wat politiekorpsen hebben geïnvesteerd in betere ontvangstruimtes en leveren aanzienlijke inspanningen om verdachten, slachtoffers of getuigen op te vangen in aangepaste omstandigheden. Het komt echter nog steeds voor dat personen gehoord worden in een lokaal waar reeds een ander verhoor aan de gang is zonder een gepaste discretie; dat er gerookt wordt in het verhoorlokaal door de politieambtenaar; dat betrokkene niet in de eigen (lands)taal wordt te woord gestaan waar dit wettelijk voorzien is; of nog dat de interne dienstmeldingen aangeplakt worden in de ruimtes die voor het publiek toegankelijk zijn. Blijkbaar zijn in een aantal korpsen deze elementaire regels van beleefdheid, klantvriendelijkheid, discretie en privacy nog niet echt aan de orde. Elders in dit verslag gingen wij trouwens dieper in op de functionaliteit onthaal [62] .
Steeds weer stelt het Vast Comité P vast dat in een aantal
dossiers de politieambtenaren tijdens hun interventies niet altijd voldoende
diplomatie of zelfbeheersing aan de dag kunnen leggen. Onaangepast of onbeleefd
taalgebruik, onaangepast gebruik van dwang (geweld) om een verdachte of een
dronken persoon in bedwang te kunnen houden of een overdreven reactie, komen
meer dan eens voor in de dossiers die de afgelopen jaren werden onderzocht.
Heel wat van deze incidenten doen zich voor in een emotioneel geladen context,
zoals stress na een achtervolging, de provocerende of negerende houding van
de geïnterpelleerde burger, enz., maar van de politieambtenaar kan worden verwacht
dat hij of zij daarbij de nodige zelfbeheersing aan de dag legt (de harde kern
van zijn professionalisme) en blijk geeft van een meer dan gemiddelde kalmte
en sereniteit.
Zo is er o.a. een geval geweest waarbij een persoon werd geïnterpelleerd omdat
zijn wagen verkeerd geparkeerd was. Betrokkene stond op dat moment op de stoep
en omdat hij zijn identiteitspapieren niet onmiddellijk kon tonen, werd hij
aangehouden en meegenomen naar het kantoor voor verder verhoor.
Net als de vorige jaren kon in 2004 ook worden vastgesteld
dat sommige politieambtenaren in privé-omstandigheden hun hoedanigheid bekendmaken,
zonder dat dit noodzakelijk is en dit enkel en alleen om de andere partij te
intimideren.
Zo heeft meer dan eens een politieambtenaar naar aanleiding van een verkeersongeval
waarin hij betrokken was, zijn hoedanigheid kenbaar gemaakt met de bedoeling
het verkeersongeval in zijn voordeel te doen uitdraaien.
Wanneer twee partijen betrokken raken in een verkeersongeval
en er discussie ontstaat over de verantwoordelijkheid voor het ongeval, gebeurt
het wel vaker dat de politieambtenaar die ter plaatse komt, beschouwd wordt
als eerste scheidsrechter in de discussie.
Sommige politieambtenaren laten zich dan ook verleiden om uitspraken te doen
in dergelijke gevallen en de facto ‘kiezen ze dus partij’ op de plaats
van het ongeval. Als de zaak dan enkel wordt geregeld door middel van het invullen
van een Europees aanrijdingsformulier, komt het al eens voor dat de partijen
nadien de omstandigheden gaan betwisten en daarbij aangeven dat de politieambtenaar
ter plaatse niet objectief is geweest.
Het Vast Comité P is van oordeel dat men zich in zulke gevallen beter strikt
aan de regelgeving houdt en onmiddellijk proces-verbaal opstelt. De discussie
en de omstandigheden kunnen er best in worden vermeld en het ingevulde aanrijdingsformulier
kan bij dit proces-verbaal worden gevoegd.
Bij het Vast Comité P werd klacht [63] ingediend door een persoon die betrokken was in een verkeersongeval met stoffelijke schade. Toen betrokkene de politie contacteerde om de vaststellingen te komen doen, werd haar gemeld dat de politie niet ter plaatse kon komen aangezien het een aanrijding met enkel stoffelijke schade betrof.
Naar aanleiding van deze klacht werden in vijf politiezones, behorende tot verschillende gerechtelijke arrondissementen, de geldende richtlijnen opgevraagd met betrekking tot de vaststellingen van verkeersongevallen met stoffelijke schade. Deze richtlijnen werden geanalyseerd en de korpsen werden bevraagd over het eventuele gebruik van prioriteitencodes.
Met betrekking tot de vaststellingen ter plaatse van een verkeersongeval
met stoffelijke schade door de politiediensten hebben de respectieve parketten
omzendbrieven uitgevaardigd waarin de plichten van de politiediensten duidelijk
omschreven zijn teneinde tot een eenvormige werkwijze te komen bij de afhandeling
van deze ongevallen.
Met de toekenning van prioriteitencodes aan bepaalde fenomenen is het echter
anders gesteld. Uit het onderzoek blijkt dat drie van de vijf aangeschreven
politiezones werken met prioriteitencodes, waardoor alle oproepen in deze zones
volgens dezelfde principes van dringendheid en niet-dringendheid worden behandeld.
Naar de toekomst toe zou het nochtans opportuun zijn dat de politiezones werken
met een eenvormige prioriteitenlijst zodat elke gebeurtenis die zich op Belgisch
grondgebied voordoet met dezelfde dringendheid of niet-dringendheid zou worden
beoordeeld.
Uit contacten met medewerkers van de pas opgestarte Communicatie- en
Informatiecentra (CIC) blijkt dat dit ‘probleem’ zichzelf zal oplossen aangezien
de 11 CIC’s allemaal zullen werken met dezelfde prioriteitenlijst, in
casu de IPOG-lijst.
Ook de Directie van de Telematica (DST) van de federale politie stelt dat, in
principe, in 2005 alle CIC’s zullen worden opgestart en dat zij gebruik zullen
maken van de IPOG-lijst die als nationale standaard geldt voor de prioriteitencodes.
Uit het onderzoek dat de dienst intern toezicht van de betrokken politiezone [64] op verzoek van het Vast Comité P heeft gevoerd, is gebleken dat een ring die in bewaring was gegeven door de gearresteerde naderhand verdwenen bleek. De in bewaring gegeven zaken werden echter ‘opgeborgen’ in open hokjes in een niet-beveiligde ruimte die door politiepersoneel en burgers kon worden betreden. Na aandringen van het Vast Comité P heeft de betrokken politiezone beslist dat het commissariaat in kwestie vanaf 1 april 2005 zal beschikken over koffers die slotvast kunnen worden gemaakt. Bij het politiecollege werd ook een voorstel tot schadevergoeding ingediend. Bij controle is gebleken dat de slotvaste opberghokjes intussen aanwezig zijn en dat de schadevergoeding aan de klager werd uitgekeerd.
Een jongeman beklaagt zich bij het Vast Comité P over het feit
dat een politieambtenaar [65]
hem zijn digitaal fototoestel had afgenomen en enkele foto’s die hij
had genomen van het optreden van de betrokken politieambtenaar tijdens een ordedienst
had gewist. Het is duidelijk dat de politieambtenaar dat recht niet heeft,
zeker niet wanneer het om een publiek politieoptreden gaat. Enkel een foutieve
exploitatie van dergelijke foto zou immers in botsing kunnen komen met de private
levenssfeer van de politieambtenaar (vb. publiceren op een website).
Als gevolg van dit incident werd door de zoneleiding een interne onderrichting
verspreid met betrekking tot het nemen van foto’s van politieoptredens, waarbij
duidelijk werd gemaakt dat de politie in geen geval eigenhandig op enigerlei
wijze tot het verwijderen of doen verwijderen van de foto’s kan overgaan.
De geviseerde politieambtenaar kan desgevallend naderhand in rechte optreden
op grond van hetzij artikel 1382 van het Burgerlijk Wetboek (om reden van
schending van het recht op afbeelding), hetzij artikel 39 van de wet van
8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten
opzichte van de verwerking van persoonsgegevens (zonder toestemming verspreiden
of publiceren van een foto).
De feiten kunnen ook, zij het in eerder uitzonderlijke gevallen en indien zij
zich bij herhaling voordoen, een vorm van belaging uitmaken die strafbaar is
op grond van artikel 442bis van het Strafwetboek.
In een aantal dossiers kon het Vast Comité P het afgelopen
jaar vaststellen dat de plichten die politieambtenaren dienen te vervullen naar
aanleiding van de diefstal van een voertuig, zoals de seining, of naar aanleiding
van het terugvinden ervan, de ontseining, niet werden nageleefd.
Dit heeft onder andere tot gevolg dat men het gestolen voertuig bij aantreffen
niet als dusdanig zal kunnen herkennen en dat de daders die met dit voertuig
rondrijden, niet gestopt zullen kunnen worden op basis van de als gestolen geseinde
wagen en/of nummerplaat.
In het scenario waarin een voertuig niet werd ontseind, maakt degene die ermee
rijdt, voortdurend het voorwerp uit van een opsporingsbericht waarbij naar aanleiding
van eender welke verkeerscontrole betrokkene zal worden geïnterpelleerd omdat
hij met een als gestolen geseind voertuig rondrijdt.
In een bepaald geval heeft de eigenaar de onaangename vaststelling gedaan dat zijn voertuig was getakeld omdat het als gestolen was geseind. En dit terwijl het voertuig meer dan een jaar geleden was geseind, maar de gestolen wagen nog dezelfde avond was teruggevonden. Om zijn wagen terug te krijgen, moest betrokkene de takelkosten onmiddellijk betalen en had hij aardig wat tijd verloren om zijn voertuig terug te krijgen en te vernemen hoe de vork precies in de steel zat. Betrokkene is achteraf door de verantwoordelijke politiedienst wel vergoed voor de takelkosten.
Hoewel de naleving van de voorschriften van de wet-Franchimont
met betrekking tot verhoor niet op straffe van nietigheid is voorgeschreven,
wordt de naleving ervan toch beschouwd als een essentiële voorwaarde voor het
garanderen van de rechten van de burger.
Ondanks de aandacht die hieraan wordt besteed in de opleiding en de voorziene
interne systemen en procedures, komt het in de praktijk nog te vaak voor dat
politieambtenaren, blijkbaar onvoldoende doordrongen van de filosofie van de(ze)
wet, deze niet of onvolledig toepassen in concrete gevallen.
Zo is uit een onderzoek gebleken dat politieambtenaren de zogenaamde ‘rechten
Franchimont’ niet bij het begin van de verklaring voorlezen of toelichten, omdat
ze van oordeel zijn dat betrokkene zijn of haar verklaring achteraf kan lezen
en dus op deze manier voldoende kennis kan nemen van zijn of haar rechten.
Het komt het Vast Comité P aldus voor, zoals reeds gesteld in verschillende
vorige jaarverslagen, dat meestal wel aan de formele, wettelijke verplichtingen
wordt voldaan, doch dat er onvoldoende rekening wordt gehouden met de verhoorde
persoon zelf, voor wie een en ander niet noodzakelijk even duidelijk of verstaanbaar
is. Toch is het belangrijk dat de burgers hun rechten voldoende begrijpen.
In andere gevallen werd vastgesteld dat er zonder reden geen kopie van het proces-verbaal
werd overhandigd. Of nog dat in het politiegebouw er geen register aanwezig
was, waarin de personen die een afschrift van hun verklaring komen halen, kunnen
tekenen voor ontvangst.
In bepaalde korpsen [66]
en zeker in bepaalde graden (hulp- en basiskader) blijkt
er een manifest gebrek aan kennis van zowel het Strafwetboek, het Wetboek van
Strafvordering als van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt.
De termen ‘bestuurlijke aanhouding’, ‘gerechtelijke fouillering’, ‘veiligheidsfouillering’,
enz. worden voortdurend door elkaar gebruikt en de beschrijving van de constitutieve
bestanddelen van het misdrijf ontbreekt nog te vaak. Een gebrek aan inzicht
in het mechanisme van de vrijheidsberoving blijkt tevens frequent voor te komen:
wanneer iemand vrijwillig een politiecommissariaat betreedt, dan heeft die in
principe ook het recht om vrijwillig weg te gaan, behoudens indien de in de
wet op het politieambt beschreven voorwaarden voor een bestuurlijke aanhouding
voorhanden zijn, dan wel deze voorzien in de wet van 20 juli 1990
betreffende de voorlopige hechtenis.
Soms wordt niet meteen open kaart gespeeld. Zo komt het nu en dan voor dat
een vrijheidsberoving als het ware wordt uitgelokt: men vraagt iemand om zich
vrijwillig bij de politie aan te bieden, belet hem vervolgens om weg te gaan
en maakt van zijn weerstand – en niet de oorspronkelijke reden waarom zijn aanwezigheid
vereist was – gebruik om een bestuurlijke of zelfs een gerechtelijke aanhouding
te rechtvaardigen.
[1] VAN OUTRIVE, L. citeert in zijn artikel “Controle op de geïntegreerde politie: een uitdaging?” in Custodes, interne en externe controle, Brussel, Politeia, 2/2001, onder andere SHADMI, E., “Controlling the police: a public and integrative approach” in Policing and Society, 1994.
[2] VAN OUTRIVE, L. in Custodes, interne en externe controle, Brussel, Politeia, 2/2001, p. 17-38.
[3] Ondanks verschillende duidelijke beloftes van de verantwoordelijken, laat deze taakverdeling inzake gerechtelijke onderzoeken sinds december 2000 op zich wachten.
[4] Wij verwijzen hiermee naar de standaarden en modellen om organisaties door te lichten op hun werking waarbij de enquêteur nog enkel de aangestipte kruisjes in daarvoor voorziene vakjes van, fel voor interpretatie vatbare, een batterij van vragen dient op te tellen om de mate van technocratische en instrumentalistische excellentie te bepalen.
[5] De wet van 18 juli 1991 bepaalt in art. 1 van de Nederlandse versie het toezicht op de “doelmatigheid” van de politiediensten. De wet vertaalt “doelmatigheid” in zijn Franse versie echter door “efficacité”. Op zich hebben beide noties geen eenduidige betekenis. Gaat het over prestatiemeting (wat doet de politie in functie van haar middelen?) en/of beoogde de wetgever eerder een effectmeting van de politieactiviteiten en de aanwending van middelen (wat is het resultaat van de politiewerking?)? In het verlengde van de parlementaire voorbereiding, verkoos het Vast Comité P zijn bevoegdheden zo ruim mogelijk te interpreteren vanuit de filosofie die de wetgever volgde bij zijn oprichting (cf. BOURDOUX, Gil. L., “Neutralité, indépendance, vigilance, loyauté et transparence, Le Comité au service du Parlement et du citoyen en partenariat avec les autres contrôles” in Custodes, interne en externe controle, Brussel, Politeia, 2/2001, p. 61).
[6] Gil. L. Bourdoux verduidelijkt bovendien dat “[…] met het oog op de doeltreffendheid en op de eerbiediging van de fundamentele rechten, vrijheden en mensenrechten, ziet het Vast Comité P erop toe dat de politiediensten en -ambtenaren hun acties op elkaar afstemmen en rekening houden met wat alle andere sociale actoren terzake ondernemen”, op. cit., p. 42.
[7] Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1305/8, p. 12-13. Deze passage wordt ook geciteerd door BOURDOUX, Gil. L, “Neutralité, indépendance, vigilance, loyauté et transparence, Le Comité au service du Parlement et du citoyen en partenariat avec les autres contrôles” in Custodes, interne en externe controle, Brussel, Politeia, 2/2001, p. 41.
[8] In dit verband vermeldt de memorie van toelichting van de wet van 18 juli 1991 uitdrukkelijk dat “het toezicht dat de regering met dit wetsontwerp wil invoeren, heeft niet als voornaamste bedoeling om bij de politie- en inlichtingendiensten individuele feiten vast te stellen met het oog op het sanctioneren ervan; dat blijft de volle bevoegdheid van de gerechtelijke of tuchtrechterlijke overheid. Het doel van het toezicht is om eventueel onvolkomenheden in en het falen van het systeem vast te stellen en voorstellen te formuleren om dat te verhelpen”, Parl. St., Kamer, 1990-1991, nr. 1305/8, p. 12-13.
[9] Zoals de algemene inspectiediensten van de lokale korpsen, de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de diensten intern toezicht.
[10] We denken hier bijvoorbeeld aan het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, het specifiek onderzoek vanuit diverse universiteiten en rapporten van betrokken beroepsverenigingen.
[11] DE CROO, H., “Is er nood aan een democratisch toezicht op de politiefunctie?” in BOURDOUX, Gil. L., BERKMOES, H. & VANDOREN, A. (Eds), Pour une police responsable, transparente, démocratique – Voor een verantwoorde, transparante, democratische politiezorg, Brussel, Politeia, 2004, p. 19.
[12]
De visie van het Vast Comité P wordt als volgt verwoord: als extern
controleorgaan dat afhangt van het federaal Parlement waakt het Vast Comité
van Toezicht op de politiediensten voortdurend over zowel de algemene werking
van de politiediensten, over hun coördinatie als over de uitvoering van het
politieambt door er nauwgezet op toe te zien dat de fundamentele rechten en
vrijheden geëerbiedigd worden. Dit wil zeggen dat het Vast Comité van Toezicht
op de politiediensten een extern en onafhankelijk toezichtsorgaan is en wettelijk
werd ingesteld om een algemeen, globaal en permanent toezicht uit te oefenen
op de politiediensten, op de diensten en de personen met politiebevoegdheid
alsook op de totale werking ervan, met als doel de grondwettelijke rechten
en fundamentele vrijheden van de burger te beschermen, toezicht te houden
op een gecoördineerd optreden alsook op de doelmatige werking van de politiediensten.
Het Comité laat zich in zijn wettelijke opdracht bijstaan door de Dienst Enquêtes P.
Het Comité draagt deze visie uit in de volgende missie: door zijn verslagen,
onderzoeken, analyses of adviezen en aanbevelingen, het Parlement maar ook
de overheden in staat stellen om de doeltreffendheid en de doelmatigheid van
de politiediensten te verbeteren, aan te passen of te behouden en bijgevolg
het vertrouwen van de burger ten opzichte van hen te vrijwaren. Hiertoe zal
het Vast Comité P: (1) een totaalbeeld van het politiesysteem ontwikkelen
door toezicht te houden op de algemene werking van dit systeem en (2) structurele
of individuele problemen opsporen en objectiveren, wat toelaat verslagen op
te stellen en adviezen of aanbevelingen te formuleren.
[13] BOURDOUX, Gil. L. en VANDEPUTTE, R., “Het primaat van het recht: politie, democratie en rechtsstaat” in BOURDOUX, Gil. L., BERKMOES, H. & VANDOREN, A. (Eds), o.c., p. 88.
[14] Het Parlement via de parlementaire begeleidingscommissie, de burger als externe klager of aangever, de leden van politiediensten als interne klager of aangever, de politieorganisatie zelf aan de hand van rapporten, meldingen, werkzaamheden van het intern toezicht en andere informatie-uitwisseling, de uitwisseling van informatie met de bestuurlijke en gerechtelijke autoriteiten en met de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie, de informatie verkregen uit de toezichtsonderzoeken, uit de gevraagde evaluaties en uit de hearings van verantwoordelijken en ten slotte de informatie-uitwisseling met andere diensten.
[15] De informatie waarover het Vast Comité P beschikt berust enerzijds op klachten en aangiften, die over het algemeen handelen over mogelijke individuele inbreuken of tekortkomingen. Anderzijds beschikt men over alle maatregelen, sancties, vonnissen en arresten die met betrekking tot individuele politieambtenaren genomen of geveld worden. Niettegenstaande het Vast Comité P logischerwijze geen zicht heeft op individuele evaluaties, behoudens deze van de verantwoordelijken, noch op de individuele bijsturingen via het politiebeleid, haalt het wel algemene informatie uit onderzoeken en audits, die als representatief staal voor het geheel kan worden beschouwd.
[16] De gegevens waarover het Vast Comité P beschikt zijn afkomstig van onderzoeken en audits, meldingen gedaan via jaarverslagen, de toezending van richtlijnen en reglementen en informatie-uitwisseling met alle betrokken partners.
[17]
Het betreft zowel de gerechtelijke dossiers
door de Dienst Enquêtes als de meldingen op basis van artikel 14, 1ste
en 2de lid en artikel 26 van de wet van 18 juli 1991.
Artikel 14, 1ste lid: “De procureur-generaal en de
auditeur-generaal sturen aan de voorzitter van het Vast Comité P ambtshalve
een kopie van de vonnissen en arresten betreffende misdaden of wanbedrijven
begaan door de leden van de politiediensten”.
Artikel 14, 2de lid: “De procureur des Konings, de
arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal bij het hof
van beroep, al naar het geval brengt de voorzitter van het Comité P op
de hoogte telkens als tegen een lid van een politiedienst een opsporingsonderzoek
of een gerechtelijk onderzoek wegens misdaad of wanbedrijf wordt ingesteld”.
Artikel 26: “Elk lid van een politiedienst dat een misdaad of een
wanbedrijf gepleegd door een lid van een politiedienst vaststelt, stelt daarover
een informatief verslag op en bezorgt dat binnen vijftien dagen aan het hoofd
van de Dienst Enquêtes P”.
[18] Het betreft zowel de klachten van de burger als de klachten afkomstig van leden van de politieorganisatie.
[19]
Dit zijn de meldingen op basis van artikel 14bis, 1ste en 2de lid.
Dit houdt verband met de toepassing van de tuchtregeling.
Artikel 14bis, 1ste lid: “Het Vast Comité P
stelt ook onderzoeken in naar de activiteiten en de werkwijzen van de algemene
inspectie van de federale en van de lokale politie. Onverminderd deze opdracht
pleegt het overleg met de algemene inspectie, teneinde zijn wettelijke opdrachten
van toezicht op de politiediensten te vervullen. De algemene inspectie van
de federale en van de lokale politie stuurt ambtshalve een kopie van de klachten
en aangiften die zij betreffende de politiediensten heeft ontvangen, naar
het Vast Comité P. Indien het verzoek om toezicht uitgaat van een bevoegde
minister, is zijn instemming vereist vóór elke mededeling”.
Artikel 14bis, 2de lid: “De bevoegde tuchtrechtelijke
overheden brengen het Comité maandelijks omstandig op de hoogte van enige
tuchtmaatregel of ordemaatregel die is uitgesproken tegen een lid van een
politiedienst”.
[20] Dit toezicht kan zowel ambtshalve aangevat worden onder de wettelijke voorwaarden als gebeuren op verzoek vanwege de in de wet voorziene autoriteiten.
[21] Eén van zijn specificiteiten ligt in het feit dat het, door de wet, het enige controle- of inspectieorgaan is dat nagenoeg rechtstreeks toegang heeft tot al deze gegevens.
[22] Activiteitenverslag 2003 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Parl. St., Kamer, 2003-2004, nr. 1267/001 en Senaat, 2003-2004, nr. 3-782/1, p. 22.
[23] Zie bijlage C.
[24] Zie bijlage D.
[25] Artikel 3: “In deze wet wordt verstaan onder "politiediensten", naast de lokale politie en de federale politie, de diensten die ressorteren onder de overheden en instellingen van openbaar nut, waarvan de leden met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie of van agent van gerechtelijke politie zijn bekleed; […] Voor de toepassing van deze wet worden met politiediensten gelijkgesteld, de personen die individueel bevoegd zijn om strafbare feiten op te sporen en vast te stellen”.
[26] Artikel 14bis: “De commissaris-generaal van de federale politie, de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de korpschefs van de lokale politie sturen aan het Vast Comité P ambtshalve een kopie van de klachten en aangiften die zij betreffende de politiediensten hebben ontvangen en bij het afsluiten van het onderzoek een korte samenvatting van het resultaat ervan”.
[27] Artikel 14: “[…] De procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal bij het hof van beroep, al naar het geval, brengt de voorzitter van het Comité P op de hoogte telkens als tegen een lid van een politiedienst een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek wegens misdaad of wanbedrijf wordt ingesteld”.
[28] Activiteitenverslag 2003 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Parl. St., Kamer, 2003-2004, nr. 1267/001 en Senaat, 2003-2004, nr. 3-782/1, p. 22.
[29]
De vermelde cijfers zijn absolute cijfers (s.l.) terwijl de analyses
die hieronder worden gemaakt, gebaseerd zijn op gecorrigeerde gegevens (s.s.).
Zo komen de klachten die gerechtelijk worden, bepaalde dubbele seiningen,
en sommige onvolledige data niet meer in aanmerking in de verfijnde analyses.
De gegevens van 2002 worden in 2003, 2004 en 2005 vervolledigd en verfijnd
en die van
[30] In het raam van dit verslag dient onder “klacht” of “aangifte” te worden verstaan: elke uiting van kritiek of ongenoegen betreffende het (niet) handelen of de houding van een dienst of personeelslid in of naar aanleiding van de ambtsuitoefening in zoverre die een weerslag heeft op de werking van de politiediensten. De “klacht” is afkomstig van een persoon die rechtstreeks betrokken is bij de handeling, het niet handelen of het gedrag, terwijl de “aangifte” uitgaat van een derde.
[31]
Artikel 29: “Iedere gestelde overheid, ieder openbaar
officier of ambtenaar die in de uitoefening van zijn ambt kennis krijgt van
een misdaad of een wanbedrijf, is verplicht daarvan dadelijk bericht te geven
aan de procureur des Konings bij de rechtbank binnen wier rechtsgebied die
misdaad of dat wanbedrijf is gepleegd of de verdachte zou kunnen worden gevonden,
en aan die magistraat alle desbetreffende inlichtingen, processen-verbaal
en akten te doen toekomen”.
Artikel 30: “Ieder die getuige is geweest van een aanslag, hetzij
tegen de openbare veiligheid, hetzij op iemands leven of eigendom, is eveneens
verplicht daarvan bericht te geven aan de procureur des Konings, hetzij van
de plaats van de misdaad of van het wanbedrijf, hetzij van de plaats waar
de verdachte kan worden gevonden”.
[32] “Het toezicht heeft in het bijzonder betrekking op de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen, alsook op de coördinatie en de doelmatigheid […] van de politiediensten”. De memorie van toelichting bij de wet van 18 juli 1991 beperkt bovendien de bevoegdheid van de Dienst Enquêtes P tot specifieke materies of zaken van enige ernst.
[33] “Tussentijds verslag Vast Comité P 2004”, Politiejournaal & Politieofficier, Brussel, Politeia, oktober 2004, nr. 7, p. 10-19.
[34] Wet van 20 januari 2003 tot versterking van de wetgeving tegen het racisme (B.S. van 12 februari 2003).
[35]
De vermelde cijfers zijn absolute cijfers (s.l.) terwijl
de analyses die hieronder worden gemaakt, gebaseerd zijn op gecorrigeerde
gegevens (s.s.). Zo komen de klachten die gerechtelijk worden, bepaalde
dubbele seiningen, en sommige onvolledige data niet meer in aanmerking in
de verfijnde analyses. De gegevens van 2002 worden in 2003, 2004 en 2005
vervolledigd en verfijnd en die van
[36] Het eerste cijfer geeft de klachten ingediend bij de politie weer, het tweede de klachten rechtstreeks ingediend bij het Vast Comité P.
[37] Artikel 14bis, 2de lid: “De bevoegde tuchtrechtelijke overheden brengen het Comité omstandig op de hoogte van enige tuchtmaatregel of ordemaatregel die is uitgesproken tegen een lid van een politiedienst”.
[38] Dit onderzoek werd op de vergadering van 9 januari 2004 besproken met de parlementaire begeleidingscommissie van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten.
[39] Zie DUCHATELET, A. en HUTSEBAUT, Fr., Het nieuwe politiestatuut: een eerste evaluatie van het Mammoetbesluit, Uitgave Centrum voor Politiestudies vzw, Politeia, 2003.
[40] B.S. van 16 juni 1999.
[41] Zie PEETERS, W., “De grens tussen tucht en deontologie” in Deontologie en integriteit bij de politie, Uitgave Centrum voor politiestudies vzw, Politeia, 2004.
[42] Artikel 14, 2de lid: “[…] De procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal bij het hof van beroep, al naar het geval, brengt de voorzitter van het Comité P op de hoogte telkens als tegen een lid van een politiedienst een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek wegens misdaad of wanbedrijf wordt ingesteld […]”.
[43] Artikel 14, 1ste lid: “De procureur-generaal en de auditeur-generaal sturen aan de voorzitter van het Vast Comité P ambtshalve een kopie van de vonnissen en arresten betreffende misdaden of wanbedrijven begaan door de leden van de politiediensten”.
[44] “[…] Overwegende dat rekening wordt gehouden met het feit dat de beklaagden zich kunnen herpakken, dat de feiten zich betrekkelijk lang geleden hebben voorgedaan en in een zorg om hun professionele toekomst niet in het gedrang te brengen door een veroordeling, lijkt het opportuun de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te bevelen, de maatregel waarom ze verzoeken”.
[45] “[…] Overwegende dat de aangegeven feiten bewezen zijn, deze volkomen laakbaar en ontoelaatbaar zijn, is het van belang te onderstrepen dat het debat in openbare zitting van aard zou zijn om vijandige of kritische vragen op te roepen in de sociale, familiale en professionele omgeving van de inverdenkinggestelde die zijn reclassering zouden verhinderen of zouden leiden tot zijn declassering”.
[46] Artikel 1: “Bij het vervullen van hun opdrachten van bestuurlijke of gerechtelijke politie, waken de politiediensten over de naleving en dragen zij bij tot de bescherming van de individuele rechten en vrijheden, evenals tot de democratische ontwikkeling van de maatschappij”.
[47] “Overwegende dat de uit te spreken strafmaat en de aard van de straf zullen worden beoordeeld rekening houdend met: […] de functie die de beklaagde […] uitoefende toen de feiten werden gepleegd”.
[48] “[…] Overwegende dat de gevangenisstraf uitgesproken door de eerste rechter wettelijk is, maar niet streng genoeg. Dat de hierna uitgesproken straf overeenstemt met een juiste bestraffing van de bijzonder ernstige feiten in hoofde van een politieambtenaar, die het politieambt in een slecht daglicht kunnen stellen, terwijl politieambtenaren net onberispelijk moeten zijn om de opdracht die hen is toevertrouwd, te vervullen”.
[49] “[…] Overwegende dat de eerste rechter terecht aan de beklaagde de opschorting van de uitspraak van de veroordeling heeft toegekend, aangezien een daadwerkelijke sanctie zijn reclassering zou kunnen schaden, die reeds in gevaar was door een beslissing tot verwijdering uit het korps […]”.
[50] “[…] Dat hoewel het geweld waarvan de beklaagde […] (andere medebeklaagde) blijk heeft gegeven, onaanvaardbaar is, […] (de politieambtenaar-beklaagde) niettemin een fout heeft begaan door zijn pistool vroegtijdig te trekken en dit te gebruiken, terwijl hij niet voldeed aan de toepassingsvoorwaarden van het artikel 38 van de wet van 5 augustus 1992: dat zijn reactie niet in verhouding stond tot de ondergane agressie en dat hij aldus een proces op gang heeft gebracht dat hij had moeten voorzien en dat hij niet meer kon beheersen; dat dit proces heeft geleid tot de schade die de medebeklaagde heeft geleden”.
[51] Activiteitenverslag 2001 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Parl. St., Kamer, 2001-2002, nr. 2041/001 en Senaat, 2001-2002, nr. 2-1277/1, p. 145-146 (+ cf. bijlage); Activiteitenverslag 2002 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Parl. St., Kamer, 2003-2004, nr. 453/001 en Senaat, 2003-2004, nr. 3-320/1, p. 113 e.v.; Activiteitenverslag 2003 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Parl. St., Kamer, 2003-2004, nr. 1267/001 en Senaat, 2003-2004, nr. 3-782/1, p. 243 e.v.
[52] ‘x’ is het jaar waarop het jaarverslag betrekking heeft.
[53] Activiteitenverslag 2003 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Parl. St., Kamer, 2003-2004, nr. 1267/001 en Senaat, 2003-2004, nr. 3-782/1, p. 243.
[54] Artikel 7 van de wet van 7 december 1998 stelt: “Onverminderd de andere bevoegdheden die hem bij wet worden toebedeeld, verleent de federale politieraad advies aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie en is deze belast met de globale evaluatie van de werking en de organisatie van de federale politie en van de lokale politiediensten, met name op basis van een jaarlijks rapport opgesteld door de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. […]”.
[55] Zie o.a. dossier nr. 40710/2003.
[56] Activiteitenverslag 2003 van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, o.c., p. 298.
[57] Idem, p. 298-299.
[58] Evaluatie van de hervorming van de politiediensten, Verslag namens de Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden uitgebracht door mevrouw Leduc, Parl. St., Senaat, 2004-2005, nr. 3-566/1, p. 83.
[59] Evaluatie van de hervorming van de politiediensten, o.c., p. 84.
[60] Zie onze onderzoeken met betrekking tot de capaciteit, het beheer van de bevoegdheden, de kostprijs en ook de evaluatie van de top van de federale politie.
[61] Zie o.a. dossier nr. 3425/2003.
[62] Zie punt 30.2.2.
[63] Zie o.a. dossier nr. 66025/2004.
[64] Zie o.a. dossier nr. 54646/2004.
[65] Zie o.a. dossier nr. 67231/2004.
[66] Zie o.a. dossier nr. 1114/2004.