Jaarverslag 2004 - Hoofdstuk III
Afdeling 2: Beschikbare informatie bij het Vast Comité P en informatie hem toegezonden – eerste evaluatie van de tendensen inzake klachten en aangiften in 2004
49. Vonnissen en arresten uitgesproken ten aanzien van leden van politiediensten – artikel 14,1ste lid: evaluatie van de in 2004 meegedeelde informatie
Afdeling 3: Beslissingen van het Vast Comité P
Afdeling 5: Opvolging van de verantwoorde en transparante implementatie van de wetten van 7 december 1998 en van 5 augustus 1992 alsook van andere bijzondere wetten betreffende de politionele opdrachten en bevoegdheden (tussen januari en december 2004)
Hoofdstuk III:
Globale monitoring van de politiediensten
Afdeling 1: Enkele algemene beschouwingen
“Control devolves, consequently, on a balance between
competing publics, interests and mechanisms, and between responsiveness and
legality.
Het gaat tenslotte om de relaties tussen de politie,
de samenleving en de Staat” [1]
.
De uitbouw van een adequaat en flexibel politietoezicht kan alleen door
eerst inzicht te verwerven in de historisch gegroeide controlemechanismen
in en op de politiediensten, in de verwachtingen voortvloeiend uit de interactie
tussen de institutionele controle- of inspectiemechanismen en in de concretisering
van al die mechanismen naar aanleiding van de nieuwe politiestructuren, op
basis van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde
politiedienst, gestructureerd op twee niveaus.
Dit inzicht en begrip wordt gedragen door een intensieve studie van al de
controle-, inspectie- en toezichtactiviteiten. Hiertoe worden alle gegevens
vanaf een bepaald ogenblik en met betrekking tot een bepaalde periode verzameld
en geanalyseerd naar aard, vorm en toedracht binnen het geheel van de controle-
en toezichtactiviteiten, met andere woorden die intensieve studie baseert
zich op een nulmeting (en wat het Comité betreft, een nulmeting bis)
van alle controle- en toezichtactiviteiten. De resultante van die nulmeting
bis die momenteel wordt afgerond en die in een afzonderlijk verslag
aan het Parlement zal worden voorgelegd, moet de opbouw van een beter en vollediger
referentiekader mogelijk maken als achtergrond voor het globaal toezicht op
de politie.
Lode Van Outrive [2]
omschrijft de geïntegreerde controle op de geïntegreerde politie als
een uitdaging. De wetgever stelde met de wet van 7 december 1998
en dus de betrekkelijk recente herstructurering van de politie, naast het
bestaande externe toezicht door het Parlement – het Vast Comité P –,
een veelheid aan vormen en instanties van controle en toezicht of inspectie
in. Zonder te vervallen in een discussie omtrent de precieze definitie van
controle enerzijds en toezicht anderzijds, ligt de uitdaging ons inziens voornamelijk
in het globaal beheer van alle controle- en toezichtmechanismen op de politiewerking
als geheel. De uitkomst mag enkel de continue verbetering van de politiewerking
beogen, het ultieme doel van de verandering van het politielandschap.
Dit betekent dat het alomvattende systeem overzichtelijk, transparant en congruent
moet zijn, zonder dat het aan adequatie of flexibiliteit moet inboeten. Controle
en toezicht (en inspectie) moeten elkaar als het ware functioneel aanvullen
en op sommige momenten zelfs op elkaar inspelen vanuit een onderling partnership
tussen de verschillende aanwezige instanties en verantwoordelijken.
Een eerste vereiste voor een dergelijk globaal beheer zijn afspraken en een
echte duidelijke taakverdeling [3] , gebaseerd op een maximale informatie-uitwisseling. Daarnaast dient
er gestreefd te worden naar de afstemming van werkstructuren en -systemen.
Dit mag echter niet gebeuren door zich in een dwingend keurslijf van technieken
en instrumenten te wringen zodat de eigenlijke zin van ‘controle uitoefenen
op’ of ‘toezicht houden op’ wordt teruggebracht tot een puur organisatiegerichte
normering gebaseerd op het ‘codes- en kruisjesdenken’ [4] .
Het middel mag zeker geen doel op zich worden, controle en toezicht zijn in
de eerste plaats evaluatief en constructief van aard en zijn bovendien steeds
gericht op algemene verbetering. Ten slotte dient het globaal beheer van
de controlemechanismen flexibiliteit na te streven, de politie is en blijft
immers een evoluerend gegeven binnen een maatschappelijke realiteit! Dit
wil zeggen dat elke evaluatie, hetzij vanuit een controle-, hetzij vanuit
een toezichtperspectief, zowel reactief als proactief moet gebeuren en dat
er bovendien rekening moet worden gehouden met evoluties, trends en eventuele
maatschappelijke verschillen.
Ze moet bovenal effectief bijdragen tot de kwalitatieve verbetering
van het politiebestel.
Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten werd niet
in het leven geroepen om de rol van ombudsman noch die van klachtenbureau
of politie van de politie te vervullen en vervangt evenmin een effectieve
interne controle binnen de politie en uitgaande van de uitvoerende macht.
Zoals wij elders hebben toegelicht, werd zijn functie wettelijk bepaald, met
name toezicht houden op de bescherming van de grondwettelijke rechten en fundamentele
vrijheden van de burger en op de coördinatie en de doeltreffendheid/doelmatigheid [5]
van het politieoptreden
[6] .
Het Vast Comité P vervult dus eerder een permanente
observatierol ten behoeve van het Parlement en zijn democratisch
ingestelde controle op de politie dan dat het een extern toezicht sensu
stricto uitoefent. Bovenal dient zijn constructieve bijdrage aan het geheel van het toezicht,
hetgeen vaak tussen de regels van alle werkzaamheden op wetgevend vlak van
de afgelopen tien jaar door kon worden gelezen, in het licht te worden gesteld.
Het Vast Comité P moet er zich van bewust zijn dat
zijn rol van globaal en algemeen observatorium een zekere verwachting creëert
en bijgevolg de hoop wordt gekoesterd dat alle controle- en toezichtmechanismen
op de politie, en vooral hun resultaten, zullen worden geïntegreerd in één
gestructureerd, transparant geheel, waarbij de activiteiten de grondslag van
deze globale monitoring zijn.
De diverse navolgende wetgevende initiatieven ter aanvulling van de wet van
18 juli 1991 bevestigden deze verwachting. Op
dit ogenblik is het Vast Comité P krachtens de wet bekleed met het toezicht
op de politie o.m. via de meldingsplicht opgelegd aan verschillende politieoverheden
en hiërarchische verantwoordelijken en via informatie-uitwisseling, gesteund
op protocolakkoorden, contacten en hearings met alle betrokken instanties
en verantwoordelijken.
Dit beheer van het globaal toezicht dient geenszins
de zoektocht naar tekortkomingen beter te oriënteren, doch dient vooral te
waken over de globale remediëring ervan. “Het doel van het toezicht is
om eventueel onvolkomenheden in en het falen van het systeem vast te stellen
en voorstellen te formuleren om dat te verhelpen” [7]
. Daarom is het ook uitgesloten dat dit toezicht
zich enkel zou enten op de loutere informatie-uitwisseling met de burger –
het klachtenbeheer sensu stricto
[8] – of met de diensten waarop het toezicht wordt uitgeoefend.
Een algemeen en globaal toezicht dient vooral gericht te zijn op het optimale
beheer van de uitwisseling van kennis en informatie met de overheden, de andere
toezicht- en inspectiediensten
[9] en ten slotte met de diensten en instellingen die in bepaalde domeinen
een meerwaarde kunnen bieden via hun eigen werking, hetzij door klachtenbehandeling,
hetzij door wetenschappelijk onderzoek, hetzij door rapportering
[10] . Daarnaast wordt de rol van het toezichtsorgaan niet beperkt tot de
werking van de reguliere politiediensten, maar omvat deze alle diensten en
ambtenaren die, naar aanleiding van de uitvoering van hun werkzaamheden, over
een zekere, doch beperkte politiebevoegdheid beschikken.
Dit betekent dat de rol die de wetgever aan het Vast Comité P toebedeelde
sowieso extern, globaal, algemeen, geïntegreerd en dus totaal genoemd kan
worden. Herman De Croo heeft het over “de hoedanigheid van politieobservatorium
over de politiezaak met als voornaamste doelstellingen een algemeen zicht
over het functioneren en niet-functioneren van de politie als instelling”
[11] .
Het Vast Comité P oefent in dit geheel een monitoringfunctie uit
van alle evaluatieactiviteiten die de politiefunctie als voorwerp hebben.
De werking van een dergelijk toezichtbeheer kan slechts optimaal verlopen
wanneer zowel de uitgangspunten voor als de oriëntatie van deze functie verwoord
worden binnen een visie en missie [12]
en deze op hun beurt voldoende vertaald worden
naar zowel de burger als naar de politie zelf.
Het systeem dat het Vast Comité P wenst te concretiseren, stemt perfect
overeen met de verwachtingen uitgedrukt in de Aanbeveling Rec (2001)10 van
de Raad van Europa: “Accountability mechanisms, based on communication
and mutual understanding between the public and the police, shall be promoted” [13]
.
De analyse van alle gegevens die het Vast Comité P uit
diverse bronnen [14]
haalt, maakt het mogelijk om die gegevens in de eerste plaats eenduidig
te omschrijven en te kwalificeren. Hierbij wordt een onderscheid gemaakt
tussen de informatie en activiteiten die het individu – de (politie)ambtenaar
– betreffen en de informatie en de activiteiten met betrekking tot de organisatie.
De gegevensverzameling omtrent de politieambtenaar is op zich belangrijker
vanuit het perspectief van beleidscontrole dan vanuit het bredere toezichtperspectief.
Deze informatie [15]
is manifester en vormt bovendien een aanwijzing voor de organisatie in
haar geheel: het betreft eigenlijk een niet-rechtstreekse informatiebron voor
de globale politiewerking. Ze is daarentegen, in de huidige stand van zaken,
nagenoeg de enige informatiebron om toezicht te houden op de diensten en ambtenaren
met beperkte of bijzondere politiebevoegdheid.
Op zich lijken controlegegevens met betrekking tot het individu op het eerste
gezicht misschien niet nuttig voor het globaal toezicht. Deze stelling gaat
echter niet op omdat we ook rekening houden met de aanwezige verhoudingen
of met de contextualisering, want het zijn juist deze achtergrondfactoren
die als indicator kunnen fungeren. Samen met het eigenlijke gebeuren – het
functioneren van een politieambtenaar als voorwerp van een controle- of toezichtactiviteit
– laat de interactie, al dan niet met hiërarchische meerderen, collega’s of
met de burger, binnen een gegeven situatie ook toe de managerial oriented
controles en het organisatiegericht toezicht, betreffende een politiedienst
en haar werking, beter te kaderen.
Individuele gegevens hebben echter het nadeel dat ze vaak uitsluitend een
negatieve connotatie bevatten, omdat ze als een mogelijke fout, inbreuk, tekortkoming
of als een disfunctie worden gekwalificeerd of omschreven.
Deze omschrijvingen kunnen dus nooit dé indicator zijn voor een daadwerkelijke
toestand, de werking van een politieorganisatie! Ze gelden wel als basis
voor verder onderzoek, dat op macroniveau vanuit een constructief oogpunt
kan worden gevoerd.
Het beheer van het toezicht moet dus het individuele niveau
overstijgen om te komen tot een breder werkingsveld,
zodat maximaal aan de doelstellingen en uitgangspunten voor dit globaal toezicht
kan worden voldaan.
De gegevensverzameling, enerzijds met betrekking tot de politieorganisatie
en anderzijds met betrekking tot haar werking, vormt in tegenstelling tot
de informatie met betrekking tot de politieambtenaar een rechtstreekse input
vanuit het breder toezichtperspectief. De input steunt op gegevens verkregen
uit organisatiegerichte onderzoeken, audits, thematische onderzoeken, maar
ook uit organisatorische en andere evaluaties met betrekking tot (bepaalde
onderdelen van) het politiewerk [16]
. Daarnaast bestaat ze uit informatie afkomstig uit andere bronnen, zoals
rapporten, hearings en bepaalde open bronnen.
Bij deze gegevens is er aan de basis zowel sprake van good practices
als van mogelijke tekortkomingen. Het is evident dat ook de tekorten in de
organisatie, met betrekking tot het personeelsbeheer, de aanwerving, de selectie,
de opleiding en de training van het personeel enerzijds, alsook met betrekking
tot de gezags- en werkrelaties anderzijds, op hun beurt informatie kunnen
leveren over individuele inbreuken of tekortkomingen.
De classificatie van al deze gegevens, verkregen na analyse,
vormt het referentiekader of het paradigma waarbinnen alle gegevens, afkomstig
uit de verschillende domeinen van de controle en het toezicht, namelijk het
gerechtelijke domein
[17] , de klachtenbehandeling
[18] , het beheer van de meldingen
[19] , het eigenlijk toezicht
[20] alsook de informatie omtrent de interne politieactiviteiten en hun controle,
geplaatst kunnen worden. Het model laat de inhoudelijke vergelijking van
de gedefinieerde gegevens toe binnen een bepaald jaar, maar ook over meerdere
jaren.
De analyse van de gegevens met betrekking tot de werking van het Vast Comité P
in de periode voor de politiehervorming, namelijk van 1996 tot 2000, werd
reeds op die manier georiënteerd. Die analyse leverde al een basis voor het
beheer van de globale toezichtwerking, alleen werd toen geen uitbreiding gemaakt
naar ‘alle’ bestaande mechanismen en naar deze die voortvloeiden uit het gewijzigd
politielandschap, met nieuwe structuren en systemen én met een verhoogde aandacht
voor een evoluerende politiewerking volgens de uitgangspunten van een gemeenschapsgerichte
politiewerking.
De grondbeginselen, het referentiekader, van de eerste nulmeting bleven
bewust behouden toen het Vast Comité P een stap verder zette door zich
te richten op deze nieuwe realiteit. Daarom startte het Comité een ‘nulmeting
bis’ en wordt hetzelfde onderzoek overgedaan met de gegevens van een
andere, doch aansluitende periode.
Dit vervolgstuk van de initiële nulmeting spitst zich toe op de huidige politiewerking
en op het toezicht dat de politiehervorming én alle wijzigingen op die hervorming
geënt, overstijgt, i.c. vangt ze aan op 1 januari 2000 en
eindigt ze op 31 december 2004.
Over deze werkzaamheden zal een afzonderlijk bijzonder verslag worden opgemaakt
voor het Parlement. Dergelijk monnikenwerk moet het Comité uiteindelijk het
noodzakelijke inzicht opleveren om zijn rol van observatorium nog beter te
kunnen uitoefenen. Het zou bovendien jammer zijn moesten al die inspanningen
achteraf vergeefs blijken omdat er niets met de resultaten wordt gedaan.
Het referentiekader wordt daarom vertaald in een draaiboek ‘globaal toezicht
op de politiediensten’, zodat de inzichten, methodes en instrumenten eenduidig
en onbeperkt gebruikt kunnen worden bij het verdere toezicht (inspectie) in
zijn geheel en ongeacht de verdere evoluties binnen het politiebestel.
Als bijlage A vindt u een schema dat het globale
beheer van de controle- en toezichtactiviteiten door het Vast Comité P
in beeld brengt. Dit schema vertrekt in de eerste plaats vanuit een geïntegreerde
werking waarin elke toezichtpartner de noodzakelijke inbreng heeft.
Ten tweede belicht het een cyclische werking die begint bij de input van kennis
en informatie, die op zijn beurt geregistreerd, gelezen en eventueel verder
georiënteerd wordt naar een specifieke verwerking zoals onderzoek of analyse
door de verschillende controle- en toezichtorganen.
Alle kennis en informatie wordt in elk geval verwerkt op basis van oriëntatie
en beslissing, genomen in gezamenlijk Comité. De output van deze werking
is de resultante van de informatie-uitwisseling, registratie, analyse, verder
onderzoek en ten slotte van de beslissingen en varieert naargelang van de
oorsprong en de bestemming van de gegevens. De output wordt geconcretiseerd
in antwoordelementen, aanbevelingen, bijsturingen en rapporteringen of kan
opnieuw de input zijn voor verder onderzoek.
Het beheer van de globale en geïntegreerde monitoring start in elk
geval met een degelijke structuur die zowel de taakverdeling als de permanente
uitwisseling van gegevens en informatie draagt. Het Vast Comité P ging
enerzijds protocolakkoorden aan met de politiezones, met de commissaris-generaal
van de federale politie en met de Algemene inspectie van de federale politie
en van de lokale politie. Naast de duidelijke bepalingen vastgelegd in de
wet van 18 juli 1991, beogen deze protocollen een optimale informatie-uitwisseling
en berusten ze hoofdzakelijk op de goede wil van alle partners. Tot op heden
hebben een aantal politiezones het protocolakkoord echter nog niet ondertekend.
Daarnaast heeft de wetgever een formeel kanaal voor informatie-uitwisseling
ingesteld dat de verplichte melding inhoudt van alle klachten en aangiften,
tuchtsancties en -maatregelen, gerechtelijke meldingen bij de parketten met
betrekking tot politieambtenaren, de gerechtelijke onderzoeken en opsporingsonderzoeken
die in dit kader door de gerechtelijke overheden gevoerd worden alsook de
gevelde vonnissen en arresten. De politiediensten zijn eveneens gehouden
hun interne richtlijnen en instructies alsook een exemplaar van hun jaarverslag
over te maken aan het Vast Comité P, net als belangrijke of lijvige verslagen
met betrekking tot hun werking.
Enkele uitzonderingen niet te na gesproken, evolueerde de informatie-uitwisseling
met de meeste partners in de loop der jaren in gunstige zin.
Uit het onderzoek van de globale toezichtwerkzaamheden blijkt dat meer en
meer de juiste informatie ook de juiste weg vindt. Niettegenstaande de uitwisseling
van deze informatie op toezichtvlak als extra werklast zou kunnen worden beschouwd,
zijn er vanuit een positieve en constructieve benadering van het toezicht
en de verbetering van de politiewerking in haar geheel, uiteindelijk toch
meer voor- dan nadelen aan verbonden.
De centralisatie van voldoende informatie maakt het immers mogelijk degelijke
en representatieve analyses te maken van de gegevens in functie van de verbetering
van het geheel. In dit opzicht kan en mag de politieambtenaar als individu
of het politiekorps op zich, niet de spil zijn van een globaal toezichtbeheer
– dit behoort immers tot een aantal specifieke deelgebieden van dat toezicht.
Toch moet die informatie wel beschikbaar zijn in de juiste vorm opdat het
globale resultaat van het onderzoek zou leiden tot structurele verbeteringen
binnen het ganse politiebestel. Het is die verwerking en ten slotte het resultaat
van dit onderzoek dat achteraf ter beschikking moet worden gesteld van de
verschillende partners.
Meer specifiek berust de input van gegevens ten eerste op
de klachtenbehandeling in het algemeen. Het gaat hier om enorme massa’s punctuele
informatie die in de eerste plaats op dit niveau wordt behandeld in de daartoe
voorziene toezichtorganen. Om deze informatie te kunnen gebruiken op een
hoger niveau, zijn zowel gelijkvormigheid als eenduidigheid van primordiaal
belang. Beide nulmetingen in de schoot van het Vast Comité P lieten
vooreerst toe de gegevens te categoriseren en eenduidig te omschrijven. Zo
werden bijvoorbeeld alle omschrijvingen van fouten, tekortkomingen of disfuncties
gedefinieerd. Zopas werd de laatste hand gelegd aan een registratiefiche
ten behoeve van de verschillende toezichtorganen, het Vast Comité P,
de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en
ook de diensten intern toezicht. U vindt deze fiche als bijlage B.
Naast de klachtenbehandeling bieden de gegevens die voortvloeien uit het gerechtelijk
onderzoek en de tuchtbehandeling de mogelijkheid het globale straf- en sanctieverloop
te volgen. Dit onderdeel draagt bovendien bij tot de behandeling van de gegevens
die betrekking hebben op de politieorganisatie en haar werking.
Zowel de resultaten uit de toezichtsonderzoeken, de thematische en de organisatiegerichte
onderzoeken, die elders zijn besproken, als de informatie uit de jaarverslagen
van de politiekorpsen en -diensten, hun instructies en regelingen, bepaalde
evaluaties alsook het toezicht op de werkzaamheden van de diensten intern
toezicht – de marginale controles naar aanleiding van de overdracht van de
bevoegdheid om klachten en aangiften af te handelen op basis van artikel 10
van de wet van 18 juli 1991 – dragen bij tot de analyse van het
geheel. Dit geheel wordt nog aangevuld met informatie-uitwisselingen naar
aanleiding van hearings waarop sleutelfiguren van de
geïntegreerde politiedienst een uiteenzetting omtrent de werking van hun dienst
komen geven.
Het is o.a. op die manier, naast meer concrete onderzoeksdaden,
dat de nieuwe structuren en systemen worden uitgeklaard. Ook
de resultaten van colloquia georganiseerd door het Vast Comité P, bijvoorbeeld
‘Policing, Ethics and Corruption’ en ‘Tien jaar politiefunctie,
het politieoptreden onder de loep van het Vast Comité P’, of in andere
politionele of niet-politionele middens hebben hun aandeel in het globaal
politietoezicht.
Tot slot beschikt het Vast Comité P over een documentatiecentrum. Naast
de klassieke bibliotheek bezit het centrum eveneens alle nuttige tijdschriften,
is er dagelijks een persoverzicht en volgt men alle up-to-date-informatie,
zoals parlementaire vragen of wetteksten die betrekking hebben op de politiewerking
en alle informatie ten behoeve van de verschillende toezichtdomeinen, die
ter beschikking gesteld wordt via internet of door verenigingen zoals Amnesty
International en het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.
Klachtenbehandeling impliceert een rechtstreeks contact met
zowel de klager of aangever als met de aangeklaagde(n). Enerzijds wordt de
klager op de hoogte gehouden van de beslissing na onderzoek, anderzijds wordt
de eenheid of verantwoordelijke van de betrokken politieambtena(a)r(en), in
geval van individuele fout of disfunctie, verwittigd zodat er gepaste maatregelen
kunnen worden genomen. In een klein aantal gevallen betwist de klager de
genomen beslissing of brengt hij bijkomende elementen aan ter staving. Dit
kan uitmonden in een tweede lezing of nieuw klachtenonderzoek.
Wanneer een organisatorische fout of disfunctie wordt vastgesteld, worden,
indien opportuun, eveneens voorstellen tot verbetering of aanbevelingen geformuleerd.
Het is immers best mogelijk dat er een korpsonderzoek volgt indien meerdere
disfuncties verondersteld worden. In dit geval wordt contact opgenomen met
de verantwoordelijken en hun autoriteiten, en wordt het onderzoek uitgevoerd.
Na afloop van het onderzoek worden de verantwoordelijken op de hoogte gebracht
van de resultaten ervan en worden er aanbevelingen tot remediëring gedaan.
Het is evident dat een voortdurende stijging van het aantal klachten en aangiften
ontegensprekelijk de administratieve werklast, die enerzijds voortvloeit uit
de registratie en anderzijds inherent is aan een dergelijke individuele informatie-uitwisseling,
enorm doet toenemen. Het registratiesysteem, met name de database, noch de
gegevensuitwisseling kon het tempo, dat de stijging van gegevens meebracht,
volgen. Het Vast Comité P is, in functie van het
globaal beheer van alle gegevens en activiteiten en vooral ten behoeve van
de globale output, die de effectieve aanbevelingen en bijsturingen ter verbetering
van het politiebestel inhoudt, gestart met het installeren van een verbeterde
of vernieuwde structuur die de registratie en gegevensuitwisseling bevordert.
Naast deze individu- of korpsgebonden output vinden we
natuurlijk de meer algemene resultaten en aanbevelingen terug binnen de activiteitenverslagen
en in de algemene aanbevelingen door het Vast Comité P.
De voornaamste output van het globale toezicht is en blijft echter nog altijd
de uitwisseling van de resultaten van de algemene en diepgaande organisatiegerichte
of thematische onderzoeken, waarbij het continue overleg met de parlementaire
begeleidingscommissie van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten
ten slotte de meerwaarde bevestigt in de relatie tussen de politie, de samenleving
en de Staat.
Het Vast Comité P vervult de rol van bevoorrecht observatorium
van de res politia omdat het, om zijn opdrachten te kunnen uitvoeren,
over diverse algemene informatie en inlichtingen beschikt [21]
. Vanuit zijn algemene visie op de werking van de politiediensten of
de activiteiten van besturen, diensten en ambtenaren met politiebevoegdheid
gaat het Comité verder met de ontwikkeling van een adequaat globaal toezichtbeheer
dat enerzijds gebaseerd is op deskundigheid, dialoog en transparantie en anderzijds
moet uitmonden in een morele, materiële en technische steun aan de politiediensten
en -ambtenaren die er deel van uitmaken.
Om deze rol te kunnen vervullen, moet nog een beter partnership worden
opgebouwd dat berust op welwillendheid en voldoende openheid. Bij bepaalde
componenten van het politiewezen is er nog weerstand of wordt de accountability
niet als prioriteit beschouwd. Mensen die deze transparantie niet gewoon
zijn, overtuigen van het belang van hun rol alsook die van een aantal andere
belangrijke actoren, vergt geduld en herhaalde inspanningen van het Vast Comité P.
Met het oog op de talrijke besprekingen en onderhandelingen gaat het Vast
Comité P geleidelijk verder met het uitwerken van
een nog degelijkere structuur als basis voor de verzameling, de registratie
en de uitwisseling van nuttige en noodzakelijke informatie. Een bijkomende
stap werd gezet door de nulmeting en de opbouw van een referentiekader, momenteel
wordt de database verder uitgewerkt om nog performanter te worden. Bovendien
is gestart met het verfijnen van de registratie en de mogelijkheden van de
beschikbaarheid van voldoende gevormd personeel, een volgende stap die vrij
dringend en noodzakelijk is.
Ten slotte is het nuttig voor ogen te houden dat deze
stappen vanuit het Vast Comité P naar een adequaat en flexibel geïntegreerd
beheer van het toezicht getuigen van de verantwoordelijkheid die dit globaal
en extern monitoringorgaan opneemt, maar dat dit beheer evengoed de verantwoordelijkheid
is van het Parlement, van de regering, van de burgerlijke en gerechtelijke
overheden, van de politiediensten, van de andere ingestelde controle- en toezichtorganen
en ten slotte van de burger.
In zijn jongste jaarverslagen heeft het Vast Comité van
Toezicht op de politiediensten meermaals benadrukt dat verschillende actoren
de wettelijke verplichting om het Comité ambtshalve of uit eigen beweging
op rechtstreekse en regelmatige wijze informatie toe te zenden niet altijd
of niet altijd correct naleefden. Deze informatie is echter van essentieel
belang voor het Comité, enerzijds om zijn taak van monitoring te kunnen uitvoeren
en anderzijds om tendensen waar te nemen of specifieke toestanden te ontdekken.
Dit alles om zijn uiteindelijke doel te kunnen verwezenlijken: de doelmatigheid
en coördinatie van de politiediensten verbeteren.
Op 30 juli 2004 heeft het Parlement zijn bedenkingen
bekendgemaakt in het verlengde van het jaarverslag 2003 van het Vast
Comité van Toezicht op de politiediensten. Hierin kunnen we – eens te meer
zullen sommigen zeggen – het volgende lezen: “De begeleidingscommissies
benadrukken dat de voornaamste taak van het Vast Comité P, dat door het
Parlement werd ingesteld, erin bestaat erop toe te zien dat deze diensten
hun plaats in ons democratisch bestel behouden. In deze context dringen zij
erop aan dat de overheden die er wettelijk toe gehouden zijn dit Comité de
daarvoor benodigde informatie te verstrekken, zich strikt aan hun verplichtingen
ter zake houden”
[22] .
Het spreekt voor zich dat het Vast Comité P slechts
een analyse kan maken op basis van de gegevens die het ontvangen heeft en
die het via zijn database heeft kunnen verwerken.
De kwalificatie of omschrijving
[23] van de allegaties
vervat in klachten en aangiften wordt gegeven zonder rekening te houden met
het resultaat van het verder onderzoek. De aangifteplicht volgens artikel 14,
1ste en 2de lid, artikel 14bis, 1ste
en 2de lid en artikel 26 van de wet van 18 juli 1991
dient vooreerst te gebeuren zonder bewerking of herkwalificatie van de feiten.
Met andere woorden, zoals de allegaties van feiten of gebeurtenissen binnenkomen,
worden ze ook aangegeven. Het is evident dat er meerdere feiten, gebreken
of tekortkomingen kunnen voorkomen in één klacht, dossier of melding en dat
de allegaties vervolgens aan een kwaliteitscontrole worden onderworpen.
Nadien maken zij het voorwerp uit van verder onderzoek dat gerechtelijk of
niet-gerechtelijk kan zijn en waarbij ook de gegevens, waarover verslag werd
uitgebracht, verwerkt worden, los van het resultaat van het onderzoek. Het
is niet omdat bijvoorbeeld een gerechtelijk onderzoek eindigt in een sepot
dat de gegevens, feiten die aan de basis liggen van het onderzoek niet meer
kunnen geëvalueerd worden naar de persoon of organisatie toe, binnen de limieten
en bevoegdheden van het Vast Comité P.
De uiteindelijk weerhouden elementen kunnen vertaald worden naar beslissingen
[24]
zoals het nemen van tuchtsancties, het maken van evaluaties, geven van felicitaties,
nemen van inwendige ordemaatregelen, geven van instructies, nieuwe of bijsturende
richtlijnen, enz., tenzij na gerechtelijke onderzoeken een vonnis of arrest
wordt uitgesproken.
Het Vast Comité P heeft al in verschillende tussentijdse rapporteringen en voorgaande jaarverslagen aangetoond dat het voor de uitoefening van een voornaam deel van zijn opdrachten noodzakelijkerwijs moet kunnen beschikken over tijdige en juiste informatie van al degenen die ambtshalve of beroepshalve met politie en haar activiteiten in de ruime zin te maken hebben. Van de informatie die door deze ‘professionelen’ wordt gemeld, kan en mag uiteraard en in verschillende opzichten meer worden verwacht dan van de informatie die het Vast Comité P rechtstreeks van de burger ontvangt. Deze laatste informatie is immers veelal subjectief en gaat in de meeste gevallen ook over een negatieve ervaring met de politie.
Het verheugt het Vast Comité P te kunnen vaststellen dat er steeds
meer en steeds meer geregeld informatie doorstroomt via de geïntegreerde politiedienst,
gestructureerd op twee niveaus en via andere politiediensten in de zin van
artikel 3 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het
toezicht op politie- en inlichtingendiensten [25] ,
zodat de perceptie van de gewone burger niet langer de hoofdmoot uitmaakt
van de te analyseren werkelijkheid.
Van 160 lokale politiekorpsen en van de federale politie ontving het Vast
Comité P informatie zoals door de wet van 18 juli 1991 is voorzien
[26] . Niettemin zijn er 7 Franstalige en 29 Nederlandstalige lokale korpsen
die tot op heden geen enkel gegeven met betrekking tot 2004 hebben toegestuurd.
Niet alleen maken bepaalde korpsen geen informatie over, wat sommige gegevens
betreft, rijst tevens het vermoeden dat de meegedeelde informatie onvolledig
is.
In vorige jaarverslagen werden bedenkingen gemaakt bij de door de wet voorziene
meldingen en verplichte informatieoverdrachten door de verschillende parketten
en parketten-generaal [27]
van het land.
In dit opzicht merkte de parlementaire begeleidingscommissie tevens op: “De
begeleidingscommissies benadrukken dat de voornaamste taak van het Vast Comité P,
dat door het Parlement werd ingesteld, erin bestaat erop toe te zien dat deze
diensten hun plaats in ons democratisch bestel behouden. In deze context
dringen zij erop aan dat al de overheden die er wettelijk toe gehouden zijn
dit Comité de daarvoor benodigde informatie te verstrekken, zich strikt aan
hun verplichtingen ter zake houden” [28]
. Van drie parketten heeft het Vast Comité P
helemaal geen informatie ontvangen. Het Vast Comité P moet helaas nog
steeds vaststellen dat de informatieoverdracht verschilt van parket tot parket,
zowel in kwaliteit als in kwantiteit. Daarenboven geschiedt de informatieoverdracht
doorgaans als antwoord op een uitdrukkelijke vraag of verzoek van het Vast
Comité P en niet ambtshalve zoals voorzien door de wet van 18 juli 1991.
Niettegenstaande het Vast Comité P gedurende jaren verschillende studiedagen
in eigen huis heeft georganiseerd of daaraan buitenshuis heeft meegewerkt
voor stagiairs, parketsmagistraten, onderzoeksrechters
en parketjuristen lijkt voornoemde wet van 18 juli 1991 onvoldoende
gekend te zijn.
Ook de informatie van het openbaar ministerie is noodzakelijk om de taak van
globale en geïntegreerde monitoring van het Vast Comité P te kunnen uitoefenen
en in sommige gevallen zelfs onontbeerlijk om op een doelmatige en doeltreffende
wijze eigen onderzoeken voor te bereiden, te plannen en te verrichten.
De cijfers die hierna worden aangereikt, hebben de bedoeling tendensen aan te geven en specifieke toestanden te identificeren. Uit deze halfjaarlijkse en jaarlijkse vaststellingen kunnen verdere verfijningen voortvloeien die, ondersteund door bijkomende analyses of onderzoeken, kunnen leiden tot een verbetering van de doelmatigheid/doeltreffendheid en coördinatie van de politiediensten.
Het spreekt voor zich dat de exploitatie van cijfermatige gegevens slechts een ondersteuning, een aanbrengen van inzichten en geen doel op zich is. De ontvangen gegevens zijn, wat het jaar 2004 betreft, volledig in de database van het Comité opgenomen en werden, wat hun inhoud betreft, onderworpen aan een aantal kwaliteitscontroles. Met betrekking tot het aantal geopende dossiers kan volgend overzicht worden gegeven.
Tabel 7: Aantal dossiers geopend tussen 2000 en 2004 [29]
Grafiek 2: Aantal dossiers tussen 2000 en 2004
Deze grafiek geeft zeer duidelijk de permanente stijging weer van de aangiften
van feiten hetzij door de burger, hetzij door politieambtenaren. Voor het
jaar 2004 wordt vastgesteld dat het aantal allegaties of klachten met 9,77
% is toegenomen ten opzichte van het vorige jaar. Deze stijging is minder
groot dan de voorgaande jaren, maar is toch significant daar het gaat om klachten
sensu stricto [30]
dus
zonder specifieke gerechtelijke opvolging. Bij de aangiften van gerechtelijke
vaststellingen ten laste van politieambtenaren door de optredende politieambtenaren
is er ook een stijging waar te nemen van 10,26 %.
Gelet op deze blijvende stijging is het des te belangrijker deze aangiften
ook inhoudelijk te bekijken, zoals verder zal geschieden.
Het aantal aan de Dienst Enquêtes P (D.E.) toevertrouwde
gerechtelijke onderzoeken blijft de laatste jaren nagenoeg stabiel, maar toch
dient te worden opgemerkt dat het aandeel van de klachten die aan het Vast
Comité P zijn gericht en nadien worden toegezonden aan het openbaar ministerie
omdat er volgens het Vast Comité P strafbare feiten werden gepleegd,
nog jaarlijks stijgt.
Deze aangifte door het Vast Comité P, die een wisselwerking aantoont
met het openbaar ministerie, kan gebeuren in de drie fazen van het onderzoek.
Bij ontvangst van de klachten, na een eerste analyse doch voor er enig onderzoek
werd verricht, werden 199 klachten conform de artikelen 29 en 30
van het Wetboek van Strafvordering [31]
onmiddellijk aan het openbaar ministerie overgemaakt.
Na een eerste onderzoek werden 32 dossiers overgemaakt en na de afsluiting
van het onderzoek door het Vast Comité P nog eens 8, zodat het totaal
van aan het openbaar ministerie overgemaakte klachtendossiers door het Vast
Comité P 239 bedroeg in 2004.
Deze toezending van klachten aan de procureur des Konings neemt niet
weg dat het Comité, in voorkomend geval, de klacht exploiteert binnen de limieten
van zijn wettelijke opdrachten en bevoegdheden. Doorgaans geldt dit voor
de gevallen waarvoor het Vast Comité P meent dat ze niet behoren tot
het toepassingsgebied van de wet van 18 juli 1991 [32]
en dus niet zouden moeten worden toevertrouwd aan
zijn Dienst Enquêtes P.
Wanneer dit daarentegen wel het geval is, maakt het Comité het dossier over
aan zijn Dienst Enquêtes P met het oog op het opstellen van een aanvankelijk
proces-verbaal.
Het komt niettemin niet zelden voor dat de andere klachten of aangiften die
door het Vast Comité P aan het parket werden toegezonden, toch voor onderzoek
worden teruggestuurd naar zijn Dienst Enquêtes P, net als alle klachten
ingediend bij zijn permanentie; wat niet overeenstemt met de specificiteit
van het Comité en van zijn Dienst Enquêtes P die sommige leden van het
openbaar ministerie nogal snel uit het oog verliezen.
Tabel 8: Aantal feiten tussen 2000 en 2004
Grafiek 3: Aantal feiten tussen 2000 en 2004
Ook deze grafiek toont een permanente stijging aan. Wanneer beide grafieken,
van het aantal dossiers en van het aantal aangegeven feiten, samen worden
bekeken, merkt men dat meer en meer dossiers bestaan uit een melding van diverse
feiten. De sprong in 2003 is gedeeltelijk te verklaren door de deels nieuwe
wijze van codering, maar ook door een toename met meer dan 300 klachten in
dat jaar.
Een bijkomende vaststelling is dat het niet altijd gaat om dezelfde politieambtenaren
en er in de database van het Vast Comité P reeds namen van meer dan
10 000 politieambtenaren zijn opgenomen tegen wie een klacht werd neergelegd,
een aangifte werd gedaan of een melding werd gemaakt of die naar aanleiding
daarvan werden genoemd.
Dit betekent dat elke politieambtenaar rekening dient te houden met het feit
dat hij in zijn carrière een zekere kans heeft om op een of andere
wijze te worden aangeklaagd of te worden genoemd in een of andere klacht of
aangifte, of nog het voorwerp uit te maken van een melding op basis van de
wet van 18 juli 1991. Dit kan zijn als dader, verdachte of getuige.
Zijn er korpsen die meer geviseerd worden dan andere omdat de plaatselijke
bevolking meer aandacht heeft voor de naleving van de fundamentele rechten
van de burger, assertiever of minder verdraagzaam is? Moet de politieambtenaar
er tijdens zijn opleiding niet op attent worden gemaakt dat dit fenomeen zich
voordoet en moet hem niet worden gezegd welke houding hij daartegenover moet
aannemen?
Om een antwoord te kunnen bieden op deze vragen, is het interessant de klachten
en aangiften per gerechtelijk arrondissement onderling te vergelijken, zoals
men kan zien in onderstaande tabel.
Tabel 9: Aantal vaststellingen ten laste van politieambtenaren (art. 26) en aantal gerechtelijke onderzoeken toevertrouwd aan de Dienst Enquêtes P per gerechtelijk arrondissement
De verschillende klachtendossiers, dossiers op basis van artikel 26 en de gerechtelijke onderzoeken door de Dienst Enquêtes P worden hierna afzonderlijk in detail besproken, doch er kan nu reeds duidelijk worden gesteld dat het arrondissement Antwerpen het leeuwendeel van de aangiften door politieambtenaren voor zijn rekening neemt, terwijl het arrondissement Brussel de kroon spant wat de gerechtelijke onderzoeken door de Dienst Enquêtes P betreft. Meer dan de helft van de gerechtelijke onderzoeken betreffen immers het arrondissement Brussel, van ver gevolgd door de arrondissementen Dendermonde (6,7 %) en Antwerpen (4,71 %). Dit fenomeen deed zich niet enkel voor in 2004. Ten bewijze: in 2000, 2001, 2002 en 2003 werden er respectievelijk 205, 278, 271 en 285 gerechtelijke onderzoeken gestart in het arrondissement Brussel, gevolgd door het arrondissement Antwerpen met respectievelijk (slechts) 19, 46, 40 en 38 onderzoeken.
Het verschil tussen deze twee en andere grote arrondissementen is duidelijk significant en is niet alleen te verklaren door het groter aantal politieambtenaren noch door meer criminaliteit op hun grondgebied. Met betrekking tot Brussel speelt de permanentie die op de zetel van de instelling wordt georganiseerd zeker een rol, maar meer nog, zoals supra aangehaald, het gebrek aan bevoegdheidsverdeling. Wat kan hieraan gedaan worden? Naar de aanwending van de capaciteit van de Dienst Enquêtes P toe, dient er dringend werk te worden gemaakt van de bevoegdheidsverdeling zoals die door het Vast Comité P reeds in 2001 en nog in 2003 en 2004 aan de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken werd voorgesteld. Daarnaast hebben heel wat korpsen een eigen en goed functionerende dienst intern toezicht waarop voor bepaalde onderzoeken ook een beroep kan worden gedaan. Een derde mogelijks te ondernemen actie situeert zich meer in de schoot en de strategie van het openbaar ministerie dat, via zijn aanwezigheid in de politieraden en de bevoorrechte contacten die het heeft met de korpschefs via bestaande overlegorganen, gebruik kan maken van de analyses van het Vast Comité P om waar nodig een proactieve bijsturing in het politiekorps te bepleiten. Het Vast Comité P kan trouwens per korps een overzicht geven van relevante informatie.
De verschillen tussen de arrondissementen dateren niet van 2004, maar waren
reeds zichtbaar in de voorgaande jaren. Voor sommige arrondissementen blijft
het aandeel in het geheel zeer klein.
Wanneer men voor de betrokken korpsen de opsplitsing lokaal versus federaal
maakt, komt men tot volgende vergelijking.
Tabel 10: Klachten, aangiften en beschikbare gegevens per component van de geïntegreerde politiedienst
Bij deze vergelijking dient opgemerkt dat voor de gerechtelijke onderzoeken
door de Dienst Enquêtes P die betrekking hebben op de federale politie,
maar liefst 36 van de 97 onderzoeken handelden over leden van een gerechtelijke
dienst arrondissement (GDA), zijnde 37 %. Deze diensten maken ook het
voorwerp uit van 25 dossiers geopend op basis van een aangifte via artikel 26
of 29 % van de totale aangiften door de federale politie. Wat de klachten
of aangiften ingediend door burgers over de werking van de federale politie
betreft, handelen er ook 41 over een GDA of 16,33 %.
Voor de lokale politie werden nog geen specifieke onderverdelingen gemaakt per
dienst.
De database werd intussen wel aangepast, zodat wat de loutere klachten en aangiften
betreft, er in de toekomst ook een indeling zal kunnen worden gemaakt per functionaliteit.
Nadat deze gegevens op hun betrouwbaarheid zijn getest, zullen zij worden gepubliceerd.
In een tussentijds verslag, o.a. gepubliceerd in het Politiejournaal van oktober 2004 [33] , en in de vorige jaarverslagen werd per categorie van feiten uitgebreid cijfermateriaal geanalyseerd. De toen geformuleerde bedenkingen, commentaren en conclusies gelden nog steeds, zodat ze hier niet in extenso worden herhaald.
Dit jaarverslag is beperkt tot 8 groepen van feiten waarvoor een vergelijking werd gemaakt over de laatste drie jaren. De cijfers in de tabel verwijzen naar de aantallen zoals zij in de database werden opgenomen. Als gevolg van de impact van bepaalde wijzigingen aangebracht aan de wijze en de toepassing van de codering vanaf 2002, mogen deze cijfers, in de huidige stand van zaken, niet als een absolute waarde worden beschouwd.
Onderstaande tabel geeft slechts een analyse over drie jaren van de registratie van feiten die een ernstige inbreuk uitmaken op de fundamentele burgerrechten.
Tabel 11: Overzicht van de feiten die een ernstige inbreuk uitmaken op de fundamentele rechten en vrijheden van de burger
Aan de hand van een staafgrafiek worden deze verschillen duidelijker.
Grafiek 4: Feiten die een ernstige inbreuk uitmaken op de fundamentele rechten en vrijheden van de burger
Onder deze categorie van feiten werden niet alleen opgenomen
de handelingen in de zin van de strafrechtelijke kwalificatie van valsheid in
documenten zoals een proces-verbaal, officiële stukken of verklaringen onder
ede, maar ook in de normale uitoefening van het politieambt en met verwijzing
naar het vertrouwen dat in politieambtenaren mag en kan worden gesteld.
Voorbeelden van aangeklaagde situaties zijn: (1) achterhouden van informatie
die een burger vlugger verder had kunnen helpen, wat als een vorm van pesterijen
kan worden beschouwd; (2) beschadigen van filmrolletjes, video-opnames
zonder dit te vermelden; (3) verkeerde informatie doorgeven om te misleiden
of stukken verwijderen of achterhouden uit persoonlijke dossiers, bijvoorbeeld
in het kader van de evaluatieprocedure; (4) een valse naam opgeven aan
een burger om zijn identiteit niet vrij te geven zodat de burger geen klacht
kan neerleggen; (5) bepaalde zaken voorwenden wanneer men zijn dienst aanvangt
of te vroeg verlaat; (6) meer diensturen opgeven dan er werden gepresteerd;
(7) akteren dat een burger toestemming heeft verleend om zijn eigendom
te betreden, terwijl dit niet werd gevraagd of zelfs expliciet werd geweigerd;
(8) een proces-verbaal opstellen ten gunste van een vriend of kennis; (9) gebruik
maken van voorkennis van examenvragen.
Het aantal allegaties omtrent valsheden blijft stijgen. Dit is te wijten aan een toename van het totale aantal klachten, maar deze tendens komt niet tot uiting in een groter aantal opsporingsonderzoeken door het openbaar ministerie, niettegenstaande deze feiten niet lijken af te nemen.
Deze aangiften zijn zeer klein in aantal en het merendeel
heeft betrekking op feiten die het voorwerp uitmaken van een gerechtelijk onderzoek.
Feiten van omkoping zijn onder andere een regeling voorstellen om een takeling
te vermijden, een boete niet aanrekenen of geld aannemen van een persoon tegen
wie een onderzoek loopt. Het Comité heeft ook allegaties ontvangen over de
onrechtmatige aankoop van bepaalde voorwerpen in een korps.
Totnogtoe werden weinig feiten bewezen. Indien ze wel werden bewezen, betreft
het meestal minder belangrijke mistappen die bijna altijd voortkomen uit een
persoonlijk initiatief. Geen enkel onderzoek leverde het bewijs voor de zogenaamd
algemeen verspreide normvervaging.
Zoals trouwens aangehaald in het gedeelte van dit jaarverslag dat gewijd is aan de toezichtsonderzoeken, wordt het optreden van de politie voor deze categorie van feiten blijvend opgevolgd. Immers, niet alleen het totale aantal allegaties met betrekking tot geweld in se neemt toe, de burger heeft ook meer kans om geconfronteerd te worden met politiegeweld tijdens een interpellatie naar aanleiding van een verkeerscontrole dan bij een gerechtelijke aanhouding.
Het Vast Comité P heeft alle klachtendossiers en alle
gerechtelijke onderzoeken met betrekking tot geweld nagekeken op gebied van
de omstandigheden waarin de gewelddaden zouden hebben plaatsgehad.
Uit deze analyse blijkt dat bijna 20 % van de gerechtelijke onderzoeken
handelt over geweld naar aanleiding van een verkeerscontrole, terwijl de andere
omstandigheden eerder gesitueerd worden naar aanleiding van tussenkomsten met
het oog op de handhaving van de openbare orde bij caféruzies, huiselijke twisten,
manifestaties of bij huiszoekingen, weerspannigheid bij aanhouding, enz.
Eigenaardig is dat ook bij de geregistreerde klachten ingediend door burgers
een hoog percentage, zelfs 25 %, betrekking heeft op geweld aangewend naar
aanleiding van een verkeerssituatie. Niet alleen autobestuurders of passagiers
kunnen hiervan het slachtoffer zijn, ook fietsers en bromfietsers.
Een klassiek voorbeeld in dit verband is iemand die verkeerd geparkeerd staat
en wordt aangesproken door een voorbijrijdende politiepatrouille. De eerste
zin van de ene of de andere partij zet meteen de toon en resulteert te vaak
in het opleiden van de chauffeur, die zich dient uit te kleden, in een cel wordt
geplaatst, en waarbij dit alles gepaard gaat met scheldwoorden en fysiek geweld.
Gelukkig is dit eerder uitzondering dan regel.
Men spreekt vaak over een al dan niet toenemend onveiligheidsgevoel
bij de burger, maar zou het niet kunnen dat er ook bij de politieambtenaren
een stijgend onveiligheidsgevoel heerst waardoor zij zich zeer reactief en defensief
opstellen? Iemand die in een wagen zit en niet volledig zichtbaar of controleerbaar
is, creëert ongetwijfeld een gevoel van gevaar. Te meer daar criminelen of
gevaarlijke individuen één van de aangesprokenen zouden kunnen zijn. Vanaf
het ogenblik dat de aangesprokene dan nog arrogant of zelfs agressief overkomt,
lijkt de grens van tolerantie bij sommige politieambtenaren zeer vlug overschreden.
Hierbij mag niettemin niet uit het oog worden verloren dat een politieambtenaar
een professional is en professioneel moet blijven o.a. in de beheersing
van crisissituaties en gewelddelicten.
Gelukkig komt het bijna nooit tot excessief geweld en blijft het meestal beperkt
tot wat trek- en duwwerk.
Een dergelijke gewelddadige houding wordt niet in alle korpsen vastgesteld.
Integendeel, de gerechtelijke onderzoeken in verband met geweld en verkeer blijken
voornamelijk in het arrondissement Brussel-Hoofdstad voor te komen.
In tegenstelling tot sommige niet-geverifieerde of verifieerbare
beweringen van bepaalde organisaties, stelt het Vast Comité P geen systematisch
gepropageerd of toegepast racisme vast en vinden de klachten over racisme meestal
hun oorsprong in de omstandigheden van de confrontatie met de politie.
Voor 2004 werd zelfs een daling genoteerd van 41 naar 34 klachten met betrekking
tot racisme. Ook het aantal gerechtelijke onderzoeken is over de drie bestudeerde
jaren vrij stabiel gebleven, niettegenstaande de aanpassing en uitbreiding van
de wet van 20 januari 2003 tot versterking van de wetgeving tegen het
racisme
[34] . Wanneer de klachten en onderzoeken bekeken worden naar bevolkingsgroep,
dan blijken 7 op 34 klachten te zijn ingediend door Belgen of niet-Belgen
afkomstig uit Midden-Afrika, terwijl 15 klachten uitgingen van burgers
van Noord-Afrikaanse origine en 10 van burgers afkomstig uit een ander land
zoals Turkije, Albanië en Oost-Europese landen.
Bij de gerechtelijke onderzoeken van 2004 is geen enkele Belg of niet-Belg van
Afrikaanse afkomst betrokken, maar van de 20 klachtendossiers rechtstreeks
ingediend door burgers gaan er wel 14 uit van personen met Noord-Afrikaanse
roots, terwijl de andere 6 afkomstig zijn van burgers van Europese afkomst.
Met betrekking tot de wijze waarop en de omstandigheden waarin racistische daden zouden zijn gesteld of dito uitlatingen zouden zijn gedaan, kan worden gesteld dat het doorgaans gaat om woordelijke verwijten en partijdigheid, meestal naar aanleiding van een identiteitscontrole, openbare ordehandhaving, wegcontrole of aanhouding.
Zoals het aantal geregistreerde feiten laat vermoeden, is deze vorm van
inbreuk marginaal te noemen. Uit analyse van de schaarse voorhanden zijnde
gegevens blijkt het om zeer kleine verduisteringen te gaan, gaande van het gebruik
van een fotokopieerapparaat voor privé-doeleinden, het nemen van één in beslag
genomen XTC-pil voor didactische doeleinden, het achterhouden van een proces-verbaal.
Er werden geen feiten gerapporteerd met betrekking tot georganiseerde fraude
of verduistering van goederen.
Deze allegaties van inbreuken zijn gelijk gebleven in vergelijking
met vorig jaar. Men zou verwachten dat de meeste klachten uitgaan van personen
die aangehouden werden naar aanleiding van criminele feiten. Niets is echter
minder waar. Van de 92 klachten zijn er 24 die gaan over aanhoudingen
naar aanleiding van een verkeerssituatie, 16 houden verband met openbare orde
en dronkenschap en 10 klachten werden geformuleerd naar aanleiding van
tussenkomsten bij burenruzies of relatieproblemen. Drie personen werden aangehouden
wegens wildplassen, vier wegens diefstal en twee bij een identiteitscontrole.
Daarnaast werden er 4 klachten opgetekend over gevallen waarbij minderjarigen
van hun vrijheid werden beroofd. Dit laatste bevestigt een aanhoudende tendens,
namelijk dat de politie meer en meer problemen lijkt te hebben met haar houding
ten opzichte van minderjarigen. Het Vast Comité P heeft hier reeds een
aantal analyses aan gewijd en de bevoegde minister aangeschreven met het verzoek
ten aanzien van de relatie tussen minderjarigen en politie duidelijke regels
uit te vaardigen.
In de huidige stand van zaken komen beide feiten slechts zeer
sporadisch voor. Bijgevolg kan er worden gesteld dat wat het wapengebruik betreft,
buiten het soms ongepast wapenvertoon of een middel tot zelfmoord, er zich geen
noemenswaardige problemen voordoen.
De feiten in verband met woonstschennis betreffen in 5 gevallen de ‘Rambo-achtige’
interventiestijl die werd gebruikt bij het betreden van de woning en waarvan
de andere bewoners van het bezochte pand enorm geschrokken waren.
Wat de 7 gerechtelijke onderzoeken betreft, deze hebben gewoonlijk te maken
met het feit dat er geen toestemming tot huiszoeking werd verleend of dat de
politie ervan verdacht wordt schade te hebben aangericht of zaken te hebben
meegenomen.
Het Vast Comité P ontving van de politiediensten voor het jaar 2004 2 712 meldingen van klachten en aangiften [35] die bij hen werden ingediend. Als men deze meldingen optelt bij de 1 864 klachten die in hetzelfde jaar rechtstreeks bij het Vast Comité P werden ingediend, komt men tot het respectabele cijfer van 4 576 klachten op één jaar tijd.
De hoger vermelde 2 712 meldingen kunnen per gerechtelijk arrondissement als volgt worden opgesplitst.
Tabel 12: Meldingen op basis van artikel 14bis, 1ste lid
Er werden 901 klachten genoteerd uitgaande van Franstaligen, 1 405 van Nederlandstaligen en 46 van anderstaligen. Wat de verdeling naar geslacht betreft, gingen 494 klachten uit van vrouwen tegenover 1 812 van mannen.
Van het totale aantal klagers hebben er 1 926 de Belgische nationaliteit en 52 een vreemde, voor 328 klachten of aangiften werd dit gegeven niet geakteerd. Er werden 197 klachten rechtstreeks neergelegd bij de federale politie en 2 494 bij de lokale politie.
Waarover handelen de meeste klachten en zijn er verschillen merkbaar tussen de klachten ingediend bij de politie en deze ingediend bij het Vast Comité P? De aangeklaagde feiten, waarvan er 800 gecodeerd konden worden in de database, die meer dan 50 maal voorkwamen in de klachten ingediend bij respectievelijk de politie en het Vast Comité P zijn: (1) klantonvriendelijk gedrag (280-194) [36] ; (2) machtsoverschrijding of -misbruik (113-134); (3) lakse of negatieve houding bij taakuitvoering (154-160); (4) algemene houding en voorkomen (74-21); (5) neutraliteit (49-76); (6) handelingen en houdingen buiten de dienst die de waardigheid van het ambt of het imago aantasten (65-19); (7) niet of slecht naleven van de procedures (68-21); (8) intimiderende houding (58-66); (9) niet akteren (150-152); (10) niet optreden (82-81); (11) takelen (58-48); (12) opstellen van proces-verbaal (59-74); (13) onjuiste vaststellingen (118-120); (14) misbruik maken van zijn functie (55-68); (15) willekeurige vrijheidsberoving (13-92); (16) gewelddaden tegen personen en goederen (42-132); (17) pesterijen (35-72).
Hieruit kan worden afgeleid dat geen enkel onderwerp uitsluitend het voorwerp is van een klacht bij de politiedienst dan wel bij het Vast Comité P. Bij het Vast Comité P wordt niettemin een duidelijk overwicht van klachten genoteerd met betrekking tot gewelddaden en pesterijen. De klager wendt zich anderzijds eerder rechtstreeks tot de politie met klachten in verband met klantonvriendelijk gedrag, algemene houding en voorkomen en handelingen buiten de dienst die de waardigheid van het ambt of het imago aantasten.
Er werden bij het Vast Comité P meer klachten ingediend tegen de federale politie (251) dan rechtstreeks bij de federale politie zelf (197). Niettemin kan worden gesteld dat, behalve de algemene klachten over de federale politie, een aanzienlijk deel specifiek handelt over de werking van de GDA (15), de Directie van de politie van de verbindingswegen/Wegpolitie (DAC-WPR) (29) en de Directie van de verbindingswegen/Luchtvaartpolitie (DAC-BRUNAT) met 19 klachten. Deze tendens vinden we ook terug bij de klachten rechtstreeks gericht aan het Vast Comité P, maar hierbij zijn tevens ook meer klachten met betrekking tot de DAR (11), tegenover 3 klachten bij de federale politie.
Het Vast Comité P ontving van de federale politie 235 meldingen van tuchtzaken [37] en van de lokale politie 471, in totaal 706. In vergelijking met vorig jaar werden er 467 beslissingen toegezonden aan het Vast Comité P en 699 aan de tuchtraad. De tuchtraad ontving voor 2004 326 Nederlandstalige meldingen waarvan 98 met betrekking tot de federale politie en 227 met betrekking tot de lokale politie. Tevens waren er 301 Franstalige meldingen waarvan 106 van de federale politie en 193 van de lokale politie en werden er 2 meldingen doorgestuurd door de minister van Binnenlandse Zaken. De cijfers meegedeeld door de tuchtraad kunnen van deze van het Vast Comité P verschillen omdat alleen de (juridische) tuchtstraffen aan de raad worden medegedeeld, terwijl ook ordemaatregelen deel uitmaken van de informatie aan het Vast Comité P en dit derhalve een hoger cijfer geeft.
Tabel 13: Meldingen op basis van artikel 14bis, 2de lid
Welke feiten maakten deel uit van een tuchtonderzoek? Voor deze analyse werd alleen rekening gehouden met feiten die minimaal 15 maal voorkwamen. Deze feiten werden op hun beurt in drie grote groepen onderverdeeld.
Lakse en negatieve taakuitvoering: 23 feiten;
Algemene houding en voorkomen: 14 feiten;
Handelingen buiten de dienst die de waardigheid of het imago aantasten: 37 feiten;
Gebruik van alcohol of drugs tijdens de dienst: 62 feiten;
Integriteit: 18 feiten;
Gewelddaden tegen personen en goederen: 20 feiten;
Schending van het beroepsgeheim: 19 feiten.
Totaal: 193 feiten.
Politiemateriaal vergeten of verloren: 15 feiten;
Niet naleven van administratieve formaliteiten in geval van ziekte: 20 feiten;
Fouten bij de uitvoering van taken: 83 feiten;
Niet of slecht naleven van de procedure: 17 feiten;
Laattijdige afhandeling van processen-verbaal en kantschriften: 43 feiten;
Gehoorzaamheid, weigeren van bevel: 18 feiten.
Totaal: 196 feiten.
Loyauteit en eerbied: 20 feiten;
Misbruik maken van dienst of middelen: 29 feiten;
Werksfeer en collegiale relaties:16 feiten;
Onwettige afwezigheid: 23 feiten;
Misbruik van dienstrooster en comptabiliteit van de uren: 31 feiten;
Werk verlaten zonder toelating: 19 feiten;
Te laat komen of het werk te vroeg verlaten: 22 feiten.
Totaal: 160 feiten.
Buiten deze feiten zijn ook nog te vermelden 13 feiten in verband met de kwaliteit van het opstellen van een proces-verbaal en 12 feiten met betrekking tot het niet-naleven van administratieve formaliteiten. Tevens werden 9 zedenfeiten, 6 verkeersongevallen met vluchtmisdrijf en 29 verkeersongevallen onder invloed van alcohol geakteerd. Nog tal van kleinere feiten zijn het voorwerp geweest van een tuchtonderzoek, maar kwamen slechts één of enkele malen voor.
Wanneer de feiten die het voorwerp hebben uitgemaakt van een tuchtsanctie
in grotere groepen worden ingedeeld, dan blijken de feiten wat de loutere administratieve
tekortkomingen betreft evenveel in aantal voor te komen als de fouten bij het
uitvoeren van taken en als de inbreuken op de algemene basishouding van een
politieambtenaar.
Opvallend is eens te meer het relatief hoge aantal feiten gerelateerd aan alcohol-
of drugsgebruik op het werk dat het onderwerp is van een tuchtsanctie, terwijl
uit de analyse van de klachten en aangiften naar voor komt dat de aantijgingen
van feiten met betrekking tot gewelddaden tegen personen en goederen, willekeurige
vrijheidsberoving en valsheden frequenter voorkomen.
Wat de werksfeer en de naleving van administratieve voorschriften betreffen, blijkt een weerkerende laakbare attitude de onwettige afwezigheid te zijn, net als het misbruik maken van diensten en middelen. Het is logisch dat deze feiten niet aan de kaak worden gesteld via externe klachten, aangezien zij een intern probleem uitmaken waar de burger niet altijd rechtstreeks mee wordt geconfronteerd omdat de dienstverlening naar hem toe uiteindelijk gewaarborgd blijft.
Niet alleen kunnen de tuchtsancties worden geanalyseerd naar
de gebeurde feiten, maar ook met betrekking tot de uitgesproken sancties.
Aan de hand van de database van het Vast Comité P kan een verband worden
gelegd tussen de gecodeerde feiten en de genomen beslissingen. Uit de analyse
van deze relaties met tuchtstraffen kan worden gesteld dat er vaker een blaam
is uitgesproken dan dat er een waarschuwing is gegeven. De sanctie van het
ontslag van ambtswege komt zeer sporadisch voor.
Voor de hoger vermelde frequent voorkomende 549 feiten zijn er 14 ontslagen
uitgesproken, 38 schorsingen, 129 maal een blaam en 117 waarschuwingen.
Andere tuchtstraffen die geregeld worden genomen, zijn inhouding van wedde
(87 maal) en schorsing bij tuchtmaatregel (29 maal). Ten slotte wordt
ook de terugzetting in de weddeschaal als tuchtstraf gehanteerd.
Als ordemaatregel vindt men enkele malen terug: voorlopige schorsing (11), verandering
van dienst (9), functioneringsnota (7) en inhouding van het dienstwapen (2).
Eenzelfde analyse kan ook worden gemaakt voor alle in 2004 genomen tuchtsancties.
Dit levert het volgende resultaat op: 201 waarschuwingen, 202 keer blaam,
116 maal inhouding van de wedde, 70 schorsingen bij tuchtmaatregel, 18
terugzettingen in de weddeschaal en 18 ontslagen van ambtswege. Als ordemaatregel
werden genomen: 29 voorlopige schorsingen, 11 functioneringsnota’s en 25 veranderingen
van dienst.
Geen enkele maal werd een afzetting voorgesteld, noch een verbod om een dienstvoertuig te besturen. Een verbod tot toegang tot de lokalen of tot elektronische bestanden en/of systemen kwam evenmin voor. Er werden geen gegevens ontvangen met betrekking tot het uitspreken van een vermaning of een terechtwijzing.
De onderzoeken op het gebied van tucht werden voor 99 %
uitgevoerd door de dienst intern toezicht van het korps indien deze als dusdanig
bestond. Dit element is zeer belangrijk om nogmaals de noodzaak van een zeer
goed functionerende dienst intern toezicht te bepleiten. In de vorige jaarverslagen
werd telkenmale gewezen op de leemte die is ontstaan na de buitenwerkingstelling
van de Pol 48.
Het Vast Comité P heeft in de conclusies van zijn thematisch onderzoek
over interne controle duidelijk gewezen op de noodzaak van een betrouwbare dienst
intern toezicht in elk korps [38]
. Ook in het project met betrekking tot de invoering van het COSO-model
in de politieorganisatie komt zulke goed werkende dienst naar voren als een
onmisbare schakel in het behoud en de verbetering van de integriteit en betrouwbaarheid
van een organisatie.
Naar dit model werd trouwens verwezen in de bijdrage van het Vast Comité P
tot het verslag van de Belgische regering aan het Comité van de Verenigde naties
ter voorkoming van foltering en onmenselijke en vernederende behandeling of
bestraffing overeenkomstig het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke
of onterende behandeling of bestraffing, waarover verslag werd uitgebracht aan
de Bijzondere commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Vast
Comité van Toezicht op de politiediensten op 26 april 2005.
Wanneer nu de vergelijking wordt gemaakt tussen de onderwerpen van de klachten ingediend door burgers en de uiteindelijke feiten die aanleiding hebben gegeven tot tucht, dan moet worden vastgesteld dat inbreuken op attitudes van dronkenschap tijdens de dienst, fouten in de uitvoering van de dienst, het niet volgen van administratieve voorschriften en dienstverzuim eerder het voorwerp uitmaken van tuchtprocedures dan het gebruik van geweld, partijdigheid, schending van het beroepsgeheim en machtsoverschrijding.
In 2004 werden er ook 10 sancties genomen naar aanleiding
van het uitoefenen van een niet-toegestane lucratieve activiteit bijvoorbeeld
waarin de betrokkene optrad als zaakvoerder omdat zijn echtgenote zich niet
als dusdanig kon inschrijven of omdat een politieambtenaar ook bij de brandweer
werkte. Of nog het klassieke tappen achter de toog tijdens een commercieel
festival en reden er twee politiemannen als chauffeur voor rekening van iemand
anders.
Deze feiten werden beteugeld door 1 waarschuwing, 4 blamen, 4 inhoudingen
van wedde en 1 schorsing. De inbreuken op de (on)partijdigheid werden
gesanctioneerd met een blaam, een schorsing en een voorlopige schorsing.
Opvallende conclusie van de monitoring van de klachten en aangiften is dat slechts een klein deel van de klachten van burgers leidt tot een tuchtonderzoek en derhalve zeer weinig het voorwerp uitmaakt van enige sanctie. De tuchtsancties die uiteindelijk worden genomen, hebben hoofdzakelijk betrekking op de eigen werking van het korps. Voorbeelden hiervan zijn het onmiskenbare optreden naar aanleiding van alcoholgebruik en de gevolgen ervan, het ongewettigd afwezig zijn of het niet volgen van de (interne) administratieve procedures.
De uitoefening van de taken wordt wel beoordeeld, zodat er ook hier een optreden is van de tuchtoverheid, maar dit betreft feiten die ook werden opgemerkt door andere autoriteiten zoals het openbaar ministerie en het Vast Comité P of die bij de bevolking een grote weerklank hebben gekregen. Dit gaat in hoofdzaak om tussenkomsten bij diefstallen waarbij het proces-verbaal niet of slordig werd opgesteld, personen niet werden verhoord of waarbij er eenvoudigweg helemaal niets werd gedaan.
Een laatste vaststelling kan worden gedaan met betrekking
tot de zwaarte van de straffen. De meeste straffen worden uitgesproken op het
niveau van de korpschef zoals de waarschuwing en de blaam, doch wanneer zware
tuchtsancties, zoals inhouding van wedde, schorsing bij tuchtmaatregel, terugzetting
in de weddeschaal, ontslag van ambtswege of afzetting, moeten worden genomen
door de hogere tuchtoverheid, is er een zekere terughoudendheid merkbaar.
Dit geeft soms de indruk dat er alleen wordt gestraft als het echt niet anders
kan. De redenen die blijken uit de bevraging van twaalf respondenten zijn nog
steeds actueel
[39] , met name: (1) terughoudendheid om een dossier op te starten;
(2) schrik voor procedurefouten; (3) een erg complexe tuchtwet met
termijnen, verjaringen, tegensprekelijkheid, en dergelijke in de ogen van een
niet-jurist; (4) spitsvondigheden.
De voornaamste oorzaak van het mislukken van een tuchtprocedure lijkt de niet-naleving
te zijn van artikel 38sexies van de tuchtwet, namelijk het overschrijden
van de termijn van 45 dagen tussen het indienen van het inleidend verslag
en de kennisgeving van het voorstel tot straf. Meestal is er al bijstand nodig
van een advocaat en is er nood aan een nauwkeurige opvolging van de tuchtdossiers.
Het bewijs dat een en ander onwerkzaam wordt – tenzij het korps beschikt over
een gedegen dienst intern toezicht, wat niet altijd het geval is –, is dat de
Algemene directie personeel/ Directie van de juridische dienst, het contentieux
en de statuten (DGP/DPS) van de federale politie eind 2002 voor haar diensten
een lijst publiceerde van 43 typedocumenten die dienstig zijn, 17 voor de gewone
tuchtoverheid en 26 voor de hogere tuchtoverheid.
Men acht het feit dat het gebruik van (mogelijke) procedurefouten kan
leiden tot de straffeloosheid van een tuchtinbreuk erger dan het niet opstarten
van een procedure. Er heerst dan ook een grote terughoudendheid om een tuchtprocedure
op te starten, omdat de ervaring leert dat deze onwerkbaar en veel te omslachtig
is.
Daarenboven wordt er, indien er gelijktijdig een gerechtelijk of opsporingsonderzoek
loopt, meestal voor gekozen om het resultaat van deze procedure af te wachten
in plaats van op te treden op het gebied van tucht. Dit brengt met zich mee
dat er soms een heel lange tijd overgaat alvorens de beslissing wordt genomen
om al dan niet een tuchtprocedure te starten. Hoe meer tijd er verstrijkt tussen
het ogenblik van de feiten en de bestraffing ervan, hoe onproductiever zulke
procedure wordt. Het niet duidelijk gekend zijn van de Col 4/2003 en het
onvoldoende weten dat het openbaar ministerie niet meer optreedt als tuchtoverheid,
kunnen een mogelijke verklaring zijn voor het feit dat sommige korpschefs zich
achter de opsporingsonderzoeken van het openbaar ministerie verschuilen.
Het Vast Comité P stelt dit zelf vast in de dossiers waarin het een klacht
heeft toegezonden aan het korps en waarvoor het nadien op de vraag hoe het met
het dossier staat, het laconieke antwoord krijgt, met vermelding van een pv-nummer,
dat het nu in handen is van het openbaar ministerie. Bij eventueel nazicht
van het dossier aangelegd door het openbaar ministerie blijkt dit zeer vaak
alleen te bestaan uit de door het Comité aan het korps overgemaakte klacht!
Dit druist uiteraard in tegen alle regels van doeltreffendheid en doelmatigheid
inzake toezicht.
Er zijn verschillen merkbaar tussen het optreden van het openbaar
ministerie naar aanleiding van bepaalde feiten gepleegd door politieambtenaren
en het optreden van een korpschef naar aanleiding van dezelfde feiten gepleegd
door dezelfde ambtenaar. Uit deze verschillen kan worden afgeleid dat er weinig
redenen zijn voor de korpschef om met de kennis die hij al heeft, geen afweging
te maken naar de beroepsvoorschriften toe en over te gaan tot het nemen van
sancties binnen een correct aangevoelde termijn, ook indien de gedraging het
voorwerp zou uitmaken van een onderzoek door het openbaar ministerie.
Hier wordt een ander signaal gegeven dan bij de behandeling voor de rechtbank
waar de politieambtenaar terechtstaat ten overstaan van de samenleving en dit
meestal voor feiten die ook voor de burger strafbaar zijn gesteld. Via tucht
wordt namelijk een signaal gegeven aan de beroepsgroep zelf. Dit signaal heeft
intern zijn impact op het herhaald bevestigen van de toetredingsvoorwaarden
van de groep en zijn deontologie.
Wat de hogere tuchtoverheden betreft, die ondervinden meestal dezelfde problemen als de gewone tuchtoverheid en lijken ons minder vaak de informatie mee te delen die ze ons dienen mee te delen.
De tuchtwet is dringend aan een herziening toe. De kwaliteit en uitvoerbaarheid van de tuchtwet mag voor de korpschefs en hogere tuchtoverheden geen voorwendsel zijn om geen tucht meer toe te passen. Het Vast Comité P heeft reeds op verschillende fora gewaarschuwd voor een te laks tuchtbeleid. Een stap terugzetten zal immers verre van makkelijk zijn.
Naar aanleiding van het thematisch onderzoek van de functie intern toezicht
werd een knelpuntenanalyse gemaakt. In de loop van dit onderzoek werden onduidelijkheden
vastgesteld die betrekking hebben op de tuchtwet en die op dit ogenblik afremmend
werken op het vlak van tucht in het algemeen.
Een eerste belangrijk knelpunt is de problematiek van de uitvoering van tuchtonderzoeken
door de onderzoekers van de dienst intern toezicht waarbij de voorafgaande onderzoeker
inzake tucht geen conclusies mag trekken en volledig neutraal dient te blijven.
Nog moeilijker wordt de oefening wanneer de voorafgaande onderzoeker tegelijkertijd
optreedt als onderzoeker en als diegene die processen-verbaal heeft opgesteld
in het kader van het gerechtelijk of opsporingsonderzoek of wanneer hij als
voorafgaandelijk onderzoeker verplicht wordt een gerechtelijk proces-verbaal
op te stellen.
Daarnaast is er de problematiek van de overgang van een administratief onderzoek
naar een tuchtonderzoek waarbij er verschillende standpunten worden ingenomen
door de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie
en de Algemene directie personeel/Directie van de juridische dienst, het contentieux
en de statuten (DGP/DPS) van de federale politie. Volgens deze laatste kunnen
de stukken van een administratief dossier niet worden gebruikt in tuchtonderzoeken
en zouden alle onderzoeksverrichtingen moeten worden overgedaan.
Het al dan niet vermelden van artikel 25 van de wet
van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van
de politiediensten [40]
in een administratief verhoor levert ook her en der problemen op.
Zo heeft het Vast Comité P vastgesteld dat sommige korpschefs voor alle
klachten, ook deze die betrekking hebben op minder ernstige feiten, een vooronderzoek
tucht opstarten met alle formele plichtplegingen en kennisgevingen zoals in
de tuchtwet voorzien.
Tevens werd opgemerkt dat soms in zuiver administratieve verhoren melding wordt
gemaakt van de loyauteitsplicht van de medewerker. Zo’n handelwijze kan een
demotiverend effect hebben en bijgevolg stelt het Vast Comité P zich de
vraag of de tuchtprocedure niet beter alleen zou worden gehanteerd voor de meest
‘ernstige’ dossiers.
Het Vast Comité P heeft weliswaar de bevoegdheid om de klachtenbehandeling
over te dragen aan de interne hiërarchie, maar wenst zich niet te profileren
als diegene die aan de basis ligt van het opstarten van een tuchtprocedure,
zeker niet als het om ‘futiliteiten’ gaat die echter op een andere manier en
in een ander verband ter kennis dienen te worden gebracht van de betrokken politieambtenaar
en het voorwerp dienen uit te maken van een corrigerend optreden.
Een ander knelpunt is de onduidelijkheid die er heerst omtrent het gebruik van de procedure van maatregelen van inwendige orde versus de procedure van ordemaatregelen. Het Vast Comité P heeft soms een abusief gebruik vastgesteld van maatregelen van inwendige orde als ordemaatregel. De thans geldende procedure en modaliteiten voor ordemaatregelen zijn onvoldoende duidelijk geregeld en zijn enkel gebaseerd op de arresten van de Raad van State. Een wetgevend of, binnen de limieten van de wet, reglementair initiatief is in deze dringend gewenst.
Er bestaat ten slotte ook onduidelijkheid over de inhoud en
de archivering van tuchtdossiers en persoonlijke dossiers. Deze problematiek
gaat gepaard met de dubieuze praktijk waarbij, indien er geen tuchtstraf wordt
uitgesproken, het dossier als onbestaand wordt beschouwd. Dit druist in tegen
de algemene plicht van een bestuur tot archivering van administratieve stukken
voor een periode van 20 jaar.
Er blijven echter verschillende vragen onbeantwoord, zoals: Wat zijn de bewaartermijnen
van stukken in het persoonlijke dossier? Op welke wijze dient er rekening te
worden gehouden met lopende en afgesloten administratieve en tuchtonderzoeken
die al dan niet gearchiveerd zijn? Wat met het gebruik van gegevens en het
functioneringsgesprek? Wat indien het personeelslid weigert om kennis te nemen
van de resultaten van onderzoeken, mogen deze dan in het persoonlijk dossier
worden opgenomen?
Op deze en andere vragen moet een eenduidig antwoord worden geformuleerd, door
alle betrokken overheden.
Het voorgaande is maar een greep uit de diverse vragen die
elke dag rijzen bij de toepassing van het huidige tuchtbeleid. Er is dringend
een globaal en federaal beleid nodig met betrekking tot een eenvormig tuchtbeleid
dat ontegensprekelijk integratiebevorderend zal zijn want een niet-eenvormig
beleid werkt straffeloosheid in de hand of zelfs aberraties in de weging van
de feiten.
Het is onvoorstelbaar dat voor ernstige feiten die de pers hebben gehaald en
waarvoor het Vast Comité P een dossier heeft geopend, bij controle naderhand
blijkt dat er zelfs geen tuchtonderzoek werd opgestart.
Daarenboven is er geen enkele coherentie te vinden in de tuchtstraffen
uitgesproken door de federale politie of door de lokale politie, noch door de
gewone of hogere tuchtoverheden. Gelijke feiten worden soms zeer verschillend
gesanctioneerd. En zoals supra al werd aangegeven in de cijfers, krijgen
de lagere straffen duidelijk de voorkeur. De voorbeelden zijn legio:
(1) het onbeheerd achterlaten van een voertuig met daarin alle materiaal
o.a. P 90’s, boordradio’s en kogelwerende vesten – sanctie: een blaam;
(2) niet opbergen van zijn wapen in een beveiligde plaats – sanctie: een
waarschuwing; (3) het opstellen van een vals document om iemand die daarop
geen recht heeft, een voordeel toe te kennen – sanctie: schorsing voor één dag;
(4) gedurende 3 jaar om de drie weken wiet aankopen in Nederland voor persoonlijk
gebruik, niet alleen thuis maar ook op vermaakuitstap en in groep – sanctie:
schorsing bij tuchtmaatregel; (5) het verkopen en leveren van XTC-pillen,
speed en marihuana – sanctie: ontslag van ambtswege; (6) valsheid in geschrifte,
met gebruik van het vals stuk en veroordeeld door de correctionele rechtbank
– sanctie: waarschuwing; (7) zware beledigingen uiten tegenover een collega
– geen sanctie, alleen verandering van dienst; (8) niettegenstaande verschillende
aanmaningen vertraging hebben in de behandeling van opdrachten – sanctie: blaam.
Er is dus duidelijk geen lijn te trekken in de beoordeling van gepleegde feiten.
Bij vergelijking van het aantal klachten en aangiften met het aantal tuchtzaken,
kan men niet anders dan stellen dat er blijkbaar zeer veel feiten met de mantel
der liefde bedekt worden. Het is echter niet mogelijk om in het raam van dit
jaarverslag van het Vast Comité P alle feiten op te sommen die (te) weinig
of niet gesanctioneerd werden, maar deze studie zal het voorwerp uitmaken van
een afzonderlijk verslag aan de parlementaire begeleidingscommissie van het
Vast Comité van Toezicht op de politiediensten.
Niet alleen worden er soms bijna symbolische straffen uitgesproken, er zijn ook korpsen die nog nooit enige tuchtsanctie hebben genomen, tenzij zij noch de tuchtraad noch het Vast Comité P hiervan – niettegenstaande de jaarlijkse rappels – niet op de hoogte hebben gebracht. Van twee korpsen ontving het Vast Comité P helemaal geen informatie.
De openheid en standvastigheid van een korps en zijn leiding kan worden afgemeten aan de hand van het tuchtbeleid. Dit geeft een duidelijk beeld van de waarden en normen waarvoor de organisatie staat. Indien de burger meer vertrouwen in het politiekorps wil krijgen, dan moet hij ervan overtuigd zijn dat het principe ‘de ene dekt de andere’ niet van toepassing is. De erkenning dat ook de politie fouten kan maken, maar dat die fouten ook worden opgevolgd en zo nodig gesanctioneerd, zal veel sneller een gunstige invloed hebben op het imago dan de publicatie van talloze statistieken [41] .
Hoewel de belangrijkste feiten en overtredingen die door de Dienst Enquêtes P op gerechtelijk vlak werden onderzocht, hierboven werden besproken, is het interessant volgende toelichting te verschaffen.
Van de 545 onderzoeken gaan er 419 over klachten ingediend
door mannen (slachtoffers) en 126 ingediend door vrouwen. Van de 545 klagers
waren er 407 Belgen tegenover 107 vreemdelingen.
De Dienst Enquêtes P werd 166 maal gevat door een procureur des Konings
en 58 maal door een onderzoeksrechter. 308 onderzoeken werden rechtstreeks
door een klacht geïnstrueerd en 46 dossiers werden door het Vast Comité P
aan de Dienst Enquêtes P overgedragen.
In totaal beslaan de onderzoeken 680 feiten waarvan de voornaamste hierna
in dalende volgorde worden weergegeven: (1) slagen en verwondingen (209);
(2) willekeurig handelen (118); (3) schending van het beroepsgeheim
(69); (4) valsheid gepleegd in de uitoefening van het ambt (28); (5) belaging/stalking
(22) en (6) racisme (20).
In de loop van 2004 werden er 380 gerechtelijke onderzoeken beëindigd, waren
er nog 71 lopend en werden er 101 door het openbaar ministerie zonder gevolg
geklasseerd.
Voor de lopende gerechtelijke onderzoeksdossiers van 2004 zijn er nog 56 kantschriften
in uitvoering.
In totaal werden er 764 meldingen gemaakt op basis van artikel 26 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten. Als men deze meldingen optelt bij de 552 gerechtelijke onderzoeken door de Dienst Enquêtes, komt men tot het respectabele aantal van 1316 gerechtelijke onderzoeken ten laste van politieambtenaren. Van de politiediensten uit het arrondissement Antwerpen ontving het Vast Comité P de meeste aangiften