Jaarverslag 2005
Inhoudsopgave
Het Comité P, het observatorium voor een globale visie op de politiezorg
Relaties met de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de rechten van de mens
Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse
Nieuwe bevoegdheden van het Comité P inzake private en bijzondere veiligheid
Weerstand tegen onderzoek en controle bij de politie
Toezichts- en opvolgingsonderzoeken
Doorgangscellen (amigo’s) en opsluitingen in politiekantoren
Fouilleringen en aanhoudingen door de politie
Terugdrijvingen en repatriëringen
Interactie gerechtsdeurwaarders – politie
Controle op reizigers in logementhuizen
Beheersing van prostitutie en bestrijding van mensenhandel
Centraal technisch interceptiesysteem
Oneigenlijke of verdachte bevragingen van gegevensbanken
Discriminatie binnen de politiediensten
Lokale vuurwapenregisters en het centraal wapenregister
Interpolitionele criminaliteitsstatistieken
Eerste verslag omtrent het rapport “De zonale veiligheidsplannen 2005-2008” (CGL)
Inzet van honden door de politiediensten
Optreden van bijzondere eenheden
Opslag van vuurwapens en munitie bij de politiediensten
Van hulpagent naar agent van politie
Sponsoring van de leden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie
Het Comité P, het observatorium voor een globale visie op de politiezorg
Met de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie-
en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse [i] werd een specifiek extern toezicht op de politiediensten
ingevoerd dat wordt verzekerd door een onafhankelijke en neutrale actor, het
Comité P.
Het Comité P ziet in het bijzonder toe op de wijze waarop de doelmatigheid,
de doeltreffendheid en de coördinatie worden gerealiseerd alsook op de wijze
waarop de fundamentele rechten en vrijheden worden nageleefd in de uitoefening
van de politiefunctie. Het Comité waakt erover dat het zijn opdrachten uitvoert
in alle objectiviteit en transparantie ten behoeve van zowel de overheden
als de burger. Binnen zijn bevoegdheidssfeer vallen alle politiediensten,
alle agenten en officieren van gerechtelijke politie en alle personen die
individueel bevoegd zijn om strafbare feiten op te sporen en vast te stellen.
De afgelopen jaren werd het Comité P in een voortdurend veranderend politie- en veiligheidslandschap voor nieuwe uitdagingen geplaatst, enerzijds door de onafgebroken stijging van het aantal vragen en klachten van burgers en politieambtenaren en anderzijds door de blijvende groei van het aantal opdrachten afkomstig van de overheden. Het Comité heeft dan ook een aantal belangrijke initiatieven genomen om zijn effectiviteit en efficiëntie nog meer te verhogen.
Zo werd begin 2005 gestart met het bijsturen van de bestaande strategische planning conform de verwachtingen van het Parlement en de burgers. Het mission statement en de strategische doelstellingen die de basis moeten vormen van de vernieuwde aanpak van het Comité P voor de komende drie jaren werden herijkt en vastgelegd in het strategisch plan 2005-2008. Het Comité P dient zijn activiteiten zo te organiseren dat het in staat is om te allen tijde een actueel en zo volledig mogelijk beeld van de politiefunctie op te hangen. De gehele werking moet aldus bijdragen tot de invulling van deze observatoriumfunctie. Het vernieuwde mission statement en de strategische doelen werden daarom opgebouwd rond vier grote assen: (1) de observatoriumfunctie, (2) de klachtenafhandeling, (3) de gerechtelijke onderzoeken en (4) de interne werking (zie schema infra).
Met betrekking tot de “observatoriumfunctie” zijn de strategische
doelstellingen erop gericht het observatorium van de politiefunctie, dat de
situatie, de evolutie en de impact van de politiewerking in ons land permanent
opvolgt en evalueert, te optimaliseren door: (1) het proces van de beeldvorming,
naar methodologie en input, te herzien en bij te sturen; (2) voor de
toezichtsonderzoeken een verbeterde cyclische opvolging in plaats te stellen
en te streven naar een verhoogde betrokkenheid van de bevoegde overheden;
(3) de externe rapportering naar kwaliteit en periodiciteit te verbeteren;
(4) via een intensievere opvolging van de uitgebrachte aanbevelingen
nog beter bij te dragen tot de implementatie van noodzakelijke bijsturingen
in de schoot van de betrokken diensten.
Met betrekking tot de “klachtenafhandeling” zijn de strategische doelstellingen
het verder uitbouwen en optimaliseren van de klachtenafhandeling over de uitoefening
van de politiefunctie, als onderdeel van de beeldvorming in het observatorium,
waarbij: (1) klachtenonderzoeken prioritair worden uitgevoerd naar structurele
problemen verbonden met de doelmatigheid, de doeltreffendheid, de coördinatie
en het niet respecteren van individuele rechten en vrijheden; (2) er
een bijdrage wordt geleverd om een kwaliteitsvolle klachtenafhandeling en
klachtenmanagement in de schoot van de politiediensten te blijven garanderen
en waar mogelijk te verbeteren; (3) er wordt gestreefd naar een verbetering
van de informatie-instroom over de resultaten van de klachtenonderzoeken uitgevoerd
bij de politiediensten.
Met betrekking tot de “gerechtelijke onderzoeken” bestaan de strategische
doelstellingen erin de gerechtelijke onderzoeken prioritair uit te voeren
in de domeinen die nuttige informatie opleveren voor het observatorium en
waarvoor een bijzondere expertise vereist is of die een delicaat karakter
hebben.
Met betrekking tot de “interne werking” zijn de strategische doelstellingen
gericht op het blijven garanderen van een performant werkende organisatie
die streeft naar uitmuntendheid in een positief georiënteerde werksfeer.
Schema: De assen van het mission statement
Met de goedkeuring van zijn parlementaire begeleidingscommissie, werd beslist terug te keren naar het origineel concept van het jaarverslag dat betrekking heeft op het parlementaire jaar en dat wordt neergelegd op de eerste dag van de gewone zitting van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat. Op grond van het verloop van de onderzoeken, analyses en activiteiten van het Comité P, zullen in dit verslag dan ook elementen worden opgenomen die betrekking hebben op het laatste deel van het parlementaire jaar 2005-2006. De meeste analyses werden trouwens afgerond op basis van de (gekende) toestand in juni 2006.
Het Comité P heeft zijn activiteitenverslag 2005 begin oktober 2006 neergelegd op het Parlement. Dit verslag, goedgekeurd door de Bijzondere commissie belast met zijn parlementaire begeleiding, kan worden geraadpleegd op de website van het Comité www.comitep.be.
De buitengewone aandacht die het besteedt aan de bescherming van de fundamentele rechten van de burgers in het kader van de uitoefening van het politieambt, maakt van het Comité P een bevoorrechte partner op Belgisch niveau van de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de rechten van de mens, onder meer het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT), het Comité tegen foltering van de Verenigde Naties (CAT), het Comité voor de rechten van de mens, de Europese Commissie tegen racisme en intolerantie (ECRI) en het Comité tegen rassendiscriminatie van de Verenigde Naties (CERD) [ii] .
Dankzij de diversiteit van de kennis en informatie waarover het thans beschikt, evenals de knowhow over het meten van politionele disfuncties die het de voorbije tien jaar als globaal observatorium van de politiefunctie heeft ontwikkeld, beschikt het Comité over een stevig onderbouwde kennisbron, die van zeker belang is voor de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de mensenrechten.
De voornaamste toezichtsonderzoeken die het Comité P in 2005 en 2006 heeft aangevat of voortgezet in dit domein betreffen de volgende thema’s: (1) racisme, discriminatie en diversiteit; (2) doorgangscellen (amigo’s) en opsluitingen in politiekantoren; (3) incidents in custody en (4) mensenhandel en prostitutie. De resultaten van de drie laatste onderzoeken werden trouwens besproken in afzonderlijke publicaties van het Comité P, in de vorm van cahiers gewijd aan de studie van elk van deze thema’s [iii] .
In 2005 en 2006 werd het Comité P zowel door de departementen Justitie, Binnenlandse Zaken als Buitenlandse Zaken aangezocht om een bijdrage te leveren tot de redactie van periodieke verslagen, met name: (1) het periodiek verslag van België aan het Comité tegen foltering van de Verenigde Naties, overeenkomstig artikel 19 van het Internationaal Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling en bestraffing; (2) het periodiek verslag van België aan het Comité tegen rassendiscriminatie van de Verenigde Naties, overeenkomstig artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.
In het kader van de opvolging van de behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd door de politie, heeft het Comité P in april 2005 het bezoek gekregen van de delegatie van het CPT. Dit was het vierde bezoek van het CPT aan België, na bezoeken in 1993, 1997 en 2001. Voor de uitwerking van het programma van dit bezoek, heeft het Comité P actief samengewerkt met het CPT en het alle inlichtingen bezorgd die nuttig werden geacht (met de nodige garanties op het vlak van vertrouwelijkheid) met betrekking tot de toestand van personen die door de Belgische politie worden vastgehouden. Voorts werd het Comité verzocht mee te werken aan het opstellen van het verslag van de Belgische regering in antwoord op het rapport aan de Belgische regering over het bezoek aan België van het CPT.
In februari 2006 werd het Comité P door het departement Justitie aangezocht in het kader van een vraag om inlichtingen uitgaande van de secretaris-generaal van de Raad van Europa betreffende het Belgische systeem voor de controle van niet-erkende vrijheidsberovingen door functionarissen behorende tot een andere staat. Deze vraag was gericht aan de verdragsluitende staten van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) naar aanleiding van het opstellen, door de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de Raad van Europa, van een verslag over “De aantijgingen van het bestaan van geheime gevangenissen in de lidstaten van de Raad van Europa in het licht van het verslag betreffende de opsluiting van personen door de Verenigde Staten in Guantánamo Bay”.
Het Comité P zet zijn actie op verschillende fronten voort zodat de naleving van de rechten en vrijheden van de burgers bij de uitoefening van het politieambt almaar beter wordt verzekerd, en dit, afgezien van de samenwerkingsverbanden met de politieoverheden en -diensten, aan de hand van een optimale en transparante samenwerking met de internationale controle-instanties, door informatie en adviezen van hoogstaande kwaliteit te verstrekken en met hen van gedachten te wisselen.
Het Comité P kreeg de gelegenheid gehoord te worden nopens het initiatief
van de regering tot oprichting van het ‘Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse’
(OCAD) naar aanleiding van het wetsontwerp betreffende de analyse van de dreiging.
Het Comité was immers tot de vaststelling gekomen dat er een aantal bepalingen
werden voorzien die een belangrijke impact hebben op zijn werking. Aan de
wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie-
en inlichtingendiensten werden bovendien een aantal wijzigingen aangebracht,
waardoor de Comités P en I hun respectieve bevoegdheden drastisch uitgebreid
zien tot een heel ander domein, met name dat van toezicht op een sui generis
orgaan dat opereert in de materie van het terrorisme en extremisme.
Het Comité P achtte het bijgevolg nodig enkele bedenkingen te formuleren
ter attentie van zijn parlementaire begeleidingscommissie en dus de wetgever.
Zijn bedenkingen hadden voornamelijk betrekking op de volgende aspecten:
het feit dat de Comités P en I worden geacht gezamenlijk een orgaan te
controleren dat wordt geleid door een lid van de rechterlijke orde; het feit
dat Kamer en Senaat hun initiatiefrecht zouden verliezen en geen onderzoek
meer kunnen vragen naar het OCAD;
het probleem van het steeds toekennen van bijkomende taken aan de Comités P
en I zonder dat wordt voorzien in bijkomende budgettaire middelen en tot slot,
het feit dat de Dienst Enquêtes geen initiatiefrecht meer zou mogen uitoefenen
ten aanzien van het OCAD.
Het Comité P betreurt dat met de grote meerderheid van zijn opmerkingen
geen rekening is gehouden.
Hoe dan ook, zal het Comité P, in samenwerking met het Comité I, alles in het werk stellen om, naar best vermogen en gegeven de instrumenten van controle die er wel zijn, de bedoelingen van de wetgever in de praktijk om te zetten. Het spreekt echter voor zich dat de kwaliteit van de controle recht evenredig is met de bereidwilligheid van het OCAD om zijn medewerking aan deze controle te verlenen. Dit laatste is dan ook een oproep aan de toekomstige directeur en adjunct-directeur van het OCAD om in een geest van samenwerking en op constructieve wijze de dialoog aan te gaan met beide Comités. Dit kan alleen maar in het voordeel van de verschillende instellingen zijn.
De wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, zoals gewijzigd door de Programmawet van 27 december 2004, kent aan het Comité P een aantal nieuwe bevoegdheden toe inzake toezicht op de veiligheidsdiensten en -agenten die voor een openbare vervoersmaatschappij werken.
Bij een uitbesteding aan private partners van taken die vroeger tot het monopolie van de reguliere politiediensten behoorden, zeker wanneer dit gepaard gaat met het doorbreken van het geweldsmonopolie van laatstgenoemden, is een goede communicatie met de burger essentieel. Hij moet duidelijk ingelicht worden over het onderscheid tussen politie enerzijds en veiligheidsdienst of bewakingsonderneming anderzijds en over hun respectieve bevoegdheden.
Er dient op toegezien te worden dat, conform de bepalingen van artikel 8 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, door de bewakingsondernemingen of veiligheidsdiensten in hoofde van de burger geen misverstand wordt gecreëerd door het dragen van werkkledij en het gebruik van voertuigen die moeilijk te onderscheiden zijn van de uniformen en dienstvoertuigen van de reguliere politiediensten. Ook wat het gebruik van handboeien en verdedigingsspray betreft, dient erover gewaakt dat de voorschriften en het toezicht op het gebruik ervan aan dezelfde kwalitatieve eisen voldoen als bij de reguliere politiediensten.
Verantwoordelijkheidszin en transparantie (accountability) zijn essentiële
waarden van politie die de wetgever van 1998 wenste in te voeren, zowel in
het kader van de community policing als in het kader van de intelligence
led policing (die trouwens intrinsiek met elkaar verbonden zijn). Toch
moet er de facto in België nog een hele weg worden afgelegd.
Aangezien de Deontologische code van de politiediensten onlangs is gepubliceerd,
lijkt het ons dringend nodig dat de cultuur en de waarden, voornamelijk over
essentiële vraagstukken, dringend veranderen in alle geledingen van de politiewereld,
en dit zowel met betrekking tot het intern en het extern toezicht, zowel op
nationaal als op internationaal vlak.
Volgens sommige auteurs zouden stilte, geheimhouding en solidariteit in verschillende
opzichten, niveaus en gradaties het politiewerk karakteriseren tegenover de
buitenwereld in het algemeen, tegen elke vorm van ‘als bedreiging ervaren’,
elke vorm van externe inspectie of controle. In dat verband heeft het Comité P
meer dan eens het klassieke voorbeeld kunnen vaststellen van informatie die
hem niet of laattijdig wordt overgemaakt, hoewel die melding krachtens de
wet verplicht is. Maar er worden ook allerhande andere vertragingsmanœuvres
uitgevoerd, zelfs door het hoogste niveau van de betrokken hiërarchieën en
in sommige gevallen blijkt daaruit duidelijk zo niet minachting, dan toch
vrijpostigheid ten overstaan van het extern toezicht.
Zelden was de weerstand frontaal of direct, maar toch zijn die gevallen verre
van uitzonderlijk. En dan hebben we het nog niet over het stilzwijgen waarin
sommigen zich hullen naar aanleiding van legitieme vragen van het Comité P
of zijn leden.
Inzake politie-ethiek bestaat de uitdaging er dan ook niet alleen in de regels
te veranderen, de Deontologische code van de Belgische politiediensten op
korte termijn aan te nemen, maar ook een cultuurwijziging door te voeren en
de nieuwe waarden te hanteren die duidelijk gewild zijn door de wetgever o.m.
inzake accountability en transparantie.
Men zal ook de louter defensieve houdingen achter zich moeten laten om te
bouwen aan een nieuwe democratische en transparante politiestructuur, die
kan leiden tot meer doeltreffendheid en meer vertrouwen van de burgers in
de politie.
Toezichts- en opvolgingsonderzoeken
Het globale en geïntegreerde toezicht van het Comité P spitst zich hoofdzakelijk toe op de drie voornaamste aandachtspunten die hem door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten zijn opgelegd, met name de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen, alsook de coördinatie en de doeltreffendheid/doelmatigheid [iv] van de politiediensten in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991.
Op basis van de aard en de draagwijdte van het toezicht en de doelstellingen
die worden nagestreefd bij een bepaald onderzoek kunnen de toezichtsonderzoeken
worden onderverdeeld in vier hoofdcategorieën, met name de toezichtsonderzoeken
met betrekking tot: (1) de bescherming van de rechten van de mens en
de doelmatigheid van de politie s.l.; (2) de coördinatie en de
doelmatigheid van de politie s.l.; (3) de doelmatigheid van bepaalde
politiediensten en (4) de onderzoeken die niet rechtstreeks of onvoldoende
duidelijk in verband kunnen worden gebracht met één van de drie vorige categorieën.
Al deze toezichtsonderzoeken kunnen bovendien worden ingedeeld in enerzijds
het thematisch gericht onderzoek en anderzijds het verantwoord en transparant
toezicht toegespitst op een organisatie en haar (globale of geïntegreerde,
zelfs specifieke) werking, meer bepaald de implementatie van de wet van 5 augustus 1992
op het politieambt, de wet van 7 december 1998 tot organisatie van
een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, of nog, afgezien
daarvan, de nieuwe gemeentewet, het Wetboek van Strafvordering of enige andere
specifieke wetgeving of reglementering die een of andere politionele bevoegdheid
in het leven roept of toekent en aldus bijdraagt tot de implementatie van
de politiefunctie. Dit laatste soort toezicht wordt hoofdzakelijk uitgeoefend
via toezichtsonderzoeken s.s., audits of preaudits, quick scans,
opvolgingsonderzoeken of nog marginale controles van de functie intern toezicht
wanneer het specifiek gaat om globale en geïntegreerde monitoring, enz.
Tussen 1 januari 2005 en 30 juni 2006 heeft het Comité P 90 toezichtsonderzoeken s.s. beheerd of uitgevoerd, 26 ervan werden in die periode aangevat. Deze onderzoeken worden aangevat hetzij uit eigen beweging, voornamelijk in het verlengde van de analyse van andere gegevens die bijvoorbeeld afkomstig zijn uit één of meer klachten, hetzij op vraag van het Parlement of van diverse overheden van bestuurlijke of gerechtelijke politie.
Net als de voorgaande jaren, hebben de commissarissen-auditors van het Comité P in 2005 en begin 2006 een bezoek gebracht aan de doorgangscellen van verschillende politiecommissariaten en hebben ze voor elke controle de gebruikelijke checklist ingevuld. In het Vlaamse Gewest werden de cellen van 31 commissariaten gecontroleerd, in het Waalse Gewest waren dat er 22 en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 7. Doorgaans waren deze bezoeken onaangekondigd en vonden ze plaats toen de enquêteurs ter plaatse waren om andere opdrachten te vervullen. De korpschefs of hun naaste medewerkers vergezelden de enquêteurs, die hen onmiddellijk hun eventuele opmerkingen of aanbevelingen meedeelden. In sommige gevallen werd a posteriori een brief gestuurd aan de korpschefs om hen te wijzen op de noodzaak om zich te richten naar sommige eerdere aanbevelingen van het Comité P of aanbevelingen geformuleerd door het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT).
Doordat het Comité P sinds 1997 bijna voortdurend controle uitoefent op de cellencomplexen, hebben heel wat korpschefs de inrichting van hun lokalen herbekeken, hun interne richtlijnen bijgewerkt en hun personeelsleden bewust gemaakt van de absolute noodzaak om de grondrechten van de aangehouden personen te eerbiedigen. Toch doen er zich nog een aantal problemen voor, soms zelfs bij herhaling.
Zoals herhaaldelijk onderstreept, is de vrijheidsberoving een extreme maatregel
die slechts kan worden genomen in de gevallen die strikt door de wet zijn
bepaald. Het is aan de politiehiërarchie – op alle niveaus – om erop toe te
zien dat enkel wordt overgegaan tot een aanhouding, hetzij een bestuurlijke,
hetzij een gerechtelijke, indien is voldaan aan de criteria van legaliteit
en opportuniteit. Toch wordt het toezicht door de officieren van gerechtelijke
politie (OGP) of de officieren van bestuurlijke politie (OBP) niet overal
op dezelfde manier noch even doeltreffend uitgeoefend.
Hoewel dit slechts randgevallen zijn, moet nogmaals worden onderstreept dat
politieambtenaren nog te vaak hun toevlucht nemen tot de vrijheidsberoving
vanuit de vaste wil de geïnterpelleerde persoon die een fout heeft begaan,
onmiddellijk te bestraffen omdat sommigen lijken te betwijfelen of deze persoon
later zal worden gestraft door de gerechtelijke instanties, die daartoe nochtans
als enige gemachtigd zijn. De vrijheidsberoving wordt dan in se een
drukmiddel, een dwangmaatregel of een soort van vroegtijdige sanctie.
Het is ook niet ongewoon dat politieambtenaren een willekeurig iemand van
zijn vrijheid beroven enkel en alleen omdat hij een politieman heeft beledigd.
Hoewel hiervoor een proces-verbaal mag worden opgemaakt ten laste van de dader
en hij daarvoor later kan worden gestraft, rechtvaardigt deze inbreuk in
se niet altijd noch automatisch een gerechtelijke aanhouding. De opsluiting
in de cel gebeurt dus nog te vaak zonder kennisgeving aan het parket en, als
hij erover is ingelicht – soms laattijdig –, zal de officier van gerechtelijke
of bestuurlijke politie er niet altijd een einde aan maken.
Hetzelfde geldt op het vlak van openbare dronkenschap: een aangeschoten persoon
systematisch opsluiten in de amigo, is geenszins gerechtvaardigd, tenzij,
na een eventueel medisch onderzoek, de dronkenman een gevaar inhoudt voor
zichzelf of voor iemand anders.
Ondanks de vooruitgang die terzake is geboekt, acht het Comité het van belang dat de overheden in deze materie nog verschillende punten verduidelijken, met name de celleninfrastructuur, de ligging van de cellen, hun inrichting en het betrekkelijke comfort dat de opgesloten personen moeten kunnen genieten (mogelijkheid om zijn natuurlijke behoefte te doen in een proper toilet, verstrekken van propere dekens, maaltijden, enz.); de bewaking en de noodzaak om zich de visu te vergewissen van de toestand van de aangehouden personen (door een oproepsysteem, rondes lopen, camerabewaking van de cellen, enz.); en de tussenkomst van een arts en de tenlasteneming van de kostprijs van het medisch onderzoek.
Zonder afbreuk te doen aan de verdiensten van de verschillende werkgroepen die zich over deze problematiek buigen en bij gebrek aan een initiatief die naam waardig op het niveau van de federale verantwoordelijken, moeten er in elke zone klare richtlijnen worden verspreid zodat iedereen weet hoe hij zich in dit verband dient te gedragen.
De afgelopen jaren werden bij het Comité P verscheidene dossiers geopend
die aan het licht hebben gebracht dat sommige politieambtenaren bepaalde gewoonten
hadden aangenomen in het kader van de fouilleringen die ze verrichtten in
uitvoering van de wet op het politieambt.
Voor de meeste klachten die het Comité in dit kader heeft geanalyseerd, was
het niet mogelijk de waarachtigheid van de feiten te achterhalen. Dit neemt
niet weg dat sommige gedragingen, al dan niet bewezen, vaker dan andere door
de klagers naar voren worden geschoven. Met behulp van een inventaris van
deze onaangepaste gedragingen en van de ‘abnormale’ omstandigheden waarin
sommige fouilleringen plaatsvinden, zou de aandacht van de bevoegde overheden
moeten kunnen worden gevestigd op sommige aspecten van de problematiek om
daaruit gedragslijnen voor de toekomst te kunnen afleiden.
In het verleden heeft het Comité P heel wat verbeterpunten, disfuncties of misbruiken vastgesteld bij de verrichting van fouilleringen en/of aanhoudingen zowel van gerechtelijke als van bestuurlijke aard. Bijgevolg heeft het Comité beslist een onderzoek te starten om de oorzaken en omstandigheden van deze misbruiken of disfuncties te achterhalen. In de eerste fase van dit onderzoek werden de cursussen van de politiescholen onder de loep genomen, net als de nota’s en richtlijnen uitgevaardigd in een aantal politiezones en bij de federale politie. Daarna werd een kennistest afgenomen van de aspirant-inspecteurs van politie op het einde van hun opleidingscyclus in de politiescholen en van de aspirant-commissarissen van politie.
Dit onderzoek bevestigt wat reeds werd besproken in onze laatste twee jaarverslagen met betrekking tot de kennis, de verwerking en de toepassing van de wet op het politieambt. De resultaten van het onderzoek versterken ons in onze mening om van naderbij aandacht te besteden aan de opleidingen die worden gegeven aan de aspirant-politieambtenaren en aan de politieambtenaren, niet alleen in basismateries maar ook in meer gespecialiseerde domeinen. De oefening die werd herhaald in 2005, hoewel betere resultaten kunnen worden vastgesteld, strekt ertoe aan te tonen dat er inspanningen moeten worden geleverd door alle partners die betrokken zijn in het opleidingsproces.
De opleiding geniet bijzondere aandacht en belangstelling, zowel van de verschillende
verantwoordelijken van de geïntegreerde politie als van de bevoegde overheden
en wij hebben de gelegenheid gehad om daarover met succes van gedachten te
wisselen.
Een reglementaire bepaling betreffende de verschillende normen en standaarden
die toepasbaar zijn inzake opleiding zou zo snel mogelijk moeten worden genomen.
Daarnaast meent het Comité dat de opleidingen, cursussen en trainingen voortaan
zouden moeten worden opgevolgd door een component van de geïntegreerde politie
en met zekere regelmaat zouden moeten worden gecontroleerd door een autonoom
orgaan zoals bijvoorbeeld de Algemene inspectie van de federale politie en
van de lokale politie.
Sinds 2003-2004 loopt er een toezichtsonderzoek rond de problematiek repatriëringen. De onderzoeksverrichtingen door de Dienst Enquêtes P in dit dossier zijn beperkt, aangezien de minister van Binnenlandse Zaken specifiek de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (AIG) belast heeft met de opvolging van het ‘dossier repatriëringen’. De AIG maakt hieromtrent jaarlijks een verslag ad hoc op voor de minister van Binnenlandse Zaken.
In 2005 werden geen incidenten of disfuncties vastgesteld bij de verwijderingspogingen
uitgevoerd door LPA/BRUNAT. Er vielen iets meer klachten te noteren dan in
2004, maar toch is het aantal relatief laag en vrijwel verwaarloosbaar in
vergelijking met het aantal verwijderingspogingen.
Hoewel er geen disfuncties werden vastgesteld in 2005, werden er door
LPA/BRUNAT toch verschillende organisatorische maatregelen genomen, met name:
(1) een verbetering van het beheer van de bagage en de goederen van de
te verwijderen persoon; (2) de implementatie van quickrelease-dwangmiddelen;
(3) de optimalisering van de samenwerking met SNBA en DVZ.
In het verlengde van de conclusies van de vorige jaren kan opnieuw gesteld worden dat LPA/BRUNAT de verwijderingen in 2005 op professionele wijze heeft uitgevoerd. Bovendien trachtte deze dienst te anticiperen op de conclusies van de Commissie Vermeersch II, behoedde hij zich permanent voor individuele ontsporingen en nam hij de nodige organisatorische maatregelen ter optimalisering van een efficiënte en effectieve verwijderingspolitiek. Ter ondersteuning van de door LPA/BRUNAT genomen initiatieven, is het noodzakelijk dat de FOD Binnenlandse Zaken in het raam van de aanbevelingen van de Commissie Vermeersch II de federale politie officieel op de hoogte brengt van de in aanmerking genomen aanbevelingen en de implementatie ervan.
Uit een punctueel gerechtelijk onderzoek dat in 2002 gevoerd werd door de Dienst Enquêtes van het Comité P naar de ontsnapping van een gevangene tijdens zijn overbrenging, kwam een gebrek aan exploitatie, registratie en uitwisseling van informatie met betrekking tot de gedetineerden naar voor: hierdoor kon diens gevaarlijkheid niet ingeschat worden, evenmin als het risico op ontsnapping. Het Comité P besloot terzake een ruimer onderzoek in te stellen met als doel te komen tot een betere informatiestroom, zoals voorzien in de ministeriële omzendbrief MFO-1. Zo kan enerzijds de veiligheid van het politie- en penitentiair personeel, belast met de overbrenging van gedetineerden, vergroot worden en anderzijds het risico op ontsnapping tijdens de overbrenging verkleind worden.
Het onderzoek dat in twee fasen liep tussen eind 2002 en november 2005 bevestigde
dat er verschillende partners betrokken zijn in de hiervoor geschetste informatiestroom.
Het gaat met name om: de lokale politiezones, het AIK, de strafinrichtingen,
de DirCo’s-DirJu’s en de directies van de federale politie (DGA/DAO-DGS/DSB-DST).
Op grond van de vaststellingen die het met betrekking tot elk van de partners
deed, komt het Comité P tot de belangrijke conclusie dat anno
2005 de evaluatie van de dreiging vaak te zeer beperkt is tot het lokale niveau:
er wordt nog altijd geen gezamenlijk beeld van de dreiging geschetst door
de federale politie, de politiezones en het Directoraat-generaal Uitvoering
van Straffen en Maatregelen.
Illustratief voor dit alles is dat: (1) de lokale rechercheurs en de
federale gerechtelijke onderzoekers zich weinig bewust zijn van de dreigingskwestie,
vermits ze maar partieel met overbrengingen te maken hebben; (2) de informatie
in SIDIS weinig bruikbaar is voor operationele politiedoeleinden; (3) er
een gebrek aan eensgezindheid is inzake de meest geschikte plaats om informatie
over het ontsnappingsrisico te coderen in de ANG; (4) het feit dat de
fiches “Memo lang”, nuttig en lokaal heel veel gebruikt, niet opgenomen zijn
in het penitentiaire dossier van de gedetineerde noch op geïnformatiseerde
wijze gearchiveerd zijn op het niveau van het voormelde Directoraat-generaal;
(5) het feit dat de fiches “IGO” (met informatie over elke anomalie betreffende
de gedetineerden en hun ontsnappingsmiddelen) enkel intern in het gevangeniswezen
gebruikt worden en niet meegedeeld worden aan de politiediensten.
Terugkoppelend naar de MFO-1, die een globale aanpak voorschrijft, stelt het Comité P dat – naast de nodige (herhaalde) duiding van het belang van een en ander, zowel aan de politiediensten als aan de gevangenisadministratie – een supralokale beheerswijze, thans ontbrekend, zich opdringt. In dit kader is de oprichting op middellange termijn van een uniek informaticaoverlegplatform, waarin alle partners van relevante informatie participeren, noodzakelijk. Ondertussen dient alvast door het voormelde Directoraat-generaal en de betrokken algemene directies van de federale politie overlegd te worden over de toezending van de hoger aangehaalde fiches en over hun archivering voor operationeel gebruik. Het Comité P zal een en ander opvolgen en over twee jaar een nieuwe stand van zaken opmaken.
Er werd door het Comité P een eerste algemene analyse gemaakt van de
samenwerking tussen de gerechtsdeurwaarders en de politie.
Terzake komen in het bijzonder de volgende knelpunten naar voor. Vooreerst
blijkt, niettegenstaande de wettelijke bepalingen, de draagwijdte van de bijstandsopdracht
van de politie onduidelijk te zijn, meer bepaald wat het concrete optreden
zelf betreft. De problemen situeren zich hier op het vlak van de preventieve
vordering versus een capaciteitsplanning, de draagwijdte van de fysieke
tussenkomst, het al dan niet tekenen op de stukken van de deurwaarders, de
interventie inzake het hoederecht over kinderen, de (beperkte) mogelijkheden
tot informatieverstrekking aan de deurwaarder en het beheer van neergelegde
deurwaardersexploten in de politiekantoren. Hierbij valt aan te stippen dat
een klachtenanalyse aangaf dat, wanneer een politiebeambte een actieve rol
aanneemt wanneer hij met een deurwaarder optreedt, dit leidt tot rolverwarring
in hoofde van de burger. Ook de kwestie van de betaling door de deurwaarder
wordt naar de vigerende deontologische regels toe bepaald als contradictorisch
ervaren. Daarnaast is gebleken dat de politie de taak van bijstand aan de
deurwaarders eerder als een last aanziet.
Vanuit de idee dat het vervullen van de bijstandstaak naar wijkwerking toe
nuttig kan zijn, is het Comité P van oordeel dat enerzijds een ruimer
debat zinvol is om de plaats van de betrokken taak binnen de politie te kaderen
(uitvoering door een wijkagent? door specialisten? door interventieploegen?)
en anderzijds een gestructureerde behandeling van de betrokken taak tijdens
de opleiding zich opdringt.
De betaling door de deurwaarder dient afgeschaft te worden. Initiatieven om
per arrondissement protocollen af te sluiten tussen de verschillende betrokken
actoren verdienen navolging.
In de marge van zijn onderzoek naar internationale politiesamenwerking werd het Comité P ingelicht over het feit dat de wettelijke voorschriften betreffende de controle op reizigers die in logementhuizen verblijven niet in alle politiezones op systematische en uniforme wijze zouden worden nageleefd. Het Comité heeft bijgevolg, in juni 2005, beslist een toezichtsonderzoek aan te vatten en heeft aan alle korpschefs van de 196 politiezones een vragenlijst gestuurd met betrekking tot de wijze waarop in hun dienst de controle op reizigers in logementhuizen in de praktijk wordt verricht. In de gevallen waarin er geen of niet langer controles werden uitgevoerd, werd gepeild naar de reden(en) daarvoor.
Van de 196 bevraagde politiezones hebben er 178 binnen de toegestane termijn geantwoord, zijnde 90,81 %. Honderdvierentwintig korpschefs, of zowat 70 % van de respondenten, hebben verklaard de hotelfiches geregeld te controleren. Toch verloopt deze controle niet overal systematisch en is er geen eenvormige wijze van controle in alle politiezones. Vierenvijftig korpschefs, of ongeveer 30 % van de respondenten, melden dat ze de hotelkaarten niet (meer) controleren. Hiervoor worden allerhande redenen aangehaald.
Onze aandacht werd gevestigd op de briefwisseling tussen de minister van
Justitie en de voorzitter van de Vaste Commissie van de lokale politie (VCLP).
De minister maakte gewag van de noodzaak om de wet van 17 december 1963
en haar uitvoeringsbesluit aan te passen, rekening houdend met de mogelijkheden
die het informaticatijdperk biedt. Een mogelijk voorstel tot modernisering
is dat de reizigers elektronisch worden geregistreerd door de hoteluitbater
en dat deze gegevens via e-mail worden gestuurd aan de politiedienst belast
met de controle. Aangezien de lokale politie rechtstreeks betrokken is bij
de toepassing van deze wetgeving, heeft de minister van Justitie zich gewend
tot de voorzitter van de VCLP om van hem te vernemen of hij een wijziging
van de wetgeving in die zin opportuun acht.
De VCLP vindt dat het behoud van deze wetgeving, die in de praktijk niet meer
wordt of kan worden toegepast door de politiediensten, ter discussie moet
worden gesteld. Indien zou worden beslist de registratieverplichting te behouden,
meent de Vaste Commissie dat de modernisering zou moeten gebeuren via een
digitale registratie door de hotelhouders gekoppeld aan een automatische controle
in de Algemene nationale gegevensbank (ANG).
Volgens het Comité P biedt het vigerend wettelijk kader de politiediensten
een zeker en discreet middel om een doeltreffende controle op de reizigers
te verrichten, zowel vanuit preventief als vanuit repressief oogpunt. Het
toezichtsonderzoek heeft een aantal moeilijkheden aan het licht gebracht in
de concrete toepassing van de wetgeving inzake controle op reizigers en vooral
een gebrek aan uniformiteit en systematisatie binnen de verschillende lokale
politiezones van het koninkrijk. Dit neemt niet weg dat die controle een duidelijke
wettelijke verplichting is.
Iedere eventuele wijziging van die wetgeving moet dus vooraf worden bekeken
in het licht van de beginselen vervat in het artikel 45 van de Overeenkomst
ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord zoals bekrachtigd door
de wet van 18 maart 1993, met name de registratieverplichting van
reizigers in hoofde van de hotelhouders en de controle door de politie. Op
nationaal niveau kan het debat dus geen betrekking hebben op de opportuniteit
van het behoud van dat controlemechanisme, dat door sommigen als verouderd
wordt bestempeld.
Op basis van informatie van de lidstaten-ondertekenende partijen van de Overeenkomst
ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord dient te worden vastgesteld
dat, niettegenstaande de registratie van reizigers in de Schengenzone in de
meeste bevraagde lidstaten op regelmatige wijze lijkt te zijn verwezenlijkt,
de politionele controle op de reizigerskaarten niet uniform noch systematisch
wordt verricht, meestal door een gebrek aan capaciteit en tijd.
In dit algemeen kader zou het dan ook interessant kunnen zijn om de discussie
over deze problematiek op gang te brengen binnen de werkgroep ad hoc
die op het niveau van de Europese Unie is opgericht en belast is met de implementatie
en opvolging van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten
akkoord, alsmede met het zoeken naar praktische, gemeenschappelijke oplossingen.
Het Comité P verrichtte in 2005 aanvullend onderzoek naar de politionele opvolging van prostitutie en mensenhandel in Brussel-Hoofdstad. Hiermee wordt aangesloten bij een thematiek waarvoor niet alleen het Comité P, maar ook de overheden belangstelling hebben. De algemene beeldvorming met betrekking tot de voormelde fenomenen werd geactualiseerd, onder meer op grond van verschillende gesprekken.
Wat de algemene beeldvorming betreft, werd vastgesteld dat de dienst mensenhandel het belang van opleiding erkent in een fenomeengerichte aanpak van een en ander. In dit kader heeft hij in 2005, tijdens een vergadering met de verantwoordelijken van de politieopleidingscentra, aangeboden een module “slachtoffers van mensenhandel” te integreren in de basisopleiding, aansluitend bij het lessenpakket “slachtofferbejegening”. Aan te stippen valt hierbij dat sedert de inwerkingtreding van een wet van 10 augustus 2005 elke persoon, dus ook elke Belg of onderdaan van de EU die in België wettig verblijft, kan vallen onder de kwalificatie “slachtoffer van mensenhandel”. Overigens participeert de dienst mensenhandel thans reeds in een aantal bestaande opleidingen inzake mensenhandel.
Naar de aanpak van de fenomenen toe, waarbij een onderscheid gemaakt dient
te worden tussen lokaal prostitutiebeheer en bestrijding van mensenhandel,
beveelt het Comité P tegen de achtergrond van de omzendbrief COL 10/2004
van het College van procureurs-generaal aan dat de verbindingsmagistraat bij
het parket van eerste aanleg voor zijn twee- of driemaandelijks overleg ter
bestrijding van de prostitutie en de mensenhandel niet alleen de actoren,
vernoemd in de COL 10/2004, zou uitnodigen, maar tevens alle personen
en diensten die volgens hem een nuttige bijdrage kunnen leveren tot de opsporingen
en de vervolgingen. Hierbij denkt het Comité P aan de Dienst Vreemdelingenzaken
en de Bijzondere belastingsinspectie.
Daarnaast adviseert het Comité P de voormelde omzendbrief die uitgaat
van de prostituee als slachtoffer, nauwgezet te volgen, waar zijn uitvoering
– onder meer door controles – leidt tot een accurate registratie van informatie
in het AIK. Thans blijkt dit niet altijd het geval te zijn. In haar optreden
moet de politie zoeken naar een evenwicht tussen enerzijds de maatregelen
tegen mensenhandel en anderzijds de bescherming van de mensenrechten in hoofde
van de slachtoffers. Er moet worden gezocht naar zo veel mogelijk bewijselementen,
temeer daar dit kan bijdragen tot de algemene beeldvorming van het fenomeen
mensenhandel, wat essentieel is voor de uitwerking van een strategie inzake
preventie, proactieve werking, repressie en nazorg.
Het Comité P peilde in maart 2004 naar de verwachtingen van het federaal parket, Eurojust en Europol inzake de aanpak van mensensmokkel, alsmede naar de mate waarin de Belgische politiediensten daaraan voldoen. Begin januari 2006 volgde dan – door middel van de afname van interviews van enkele bevoorrechte getuigen – een summier opvolgingsonderzoek. Hierin werd gepolst naar de evolutie van een aantal initiatieven en werd overgegaan tot de evaluatie van de inzet van technische middelen, de coördinatie en het verzamelen, verwerken, analyseren en verspreiden van inlichtingen.
De slotsom van het opvolgingsonderzoek was zeer positief naar de inbreng van de politiediensten in de strijd tegen mensensmokkel toe: het federaal parket, Europol en Eurojust bleken terzake zeer tevreden te zijn. Er bleek namelijk dat door alle betrokken actoren in het politielandschap op een doordachte, continue en geïntegreerde wijze initiatieven ontwikkeld werden met het oog op het verhogen van de effectiviteit en efficiëntie van de aanpak van mensensmokkel. Het Comité P, dat in een cahier een gedetailleerd overzicht biedt van zijn toezichtsonderzoeken inzake de politionele aanpak van mensensmokkel, mensenhandel en prostitutie, sluit dit dossier dan ook voorlopig af.
Temeer daar – Europa is zich daar terdege van bewust – mensensmokkel een grensoverschrijdend fenomeen is dat nogal eens durft te verhuizen van het ene naar het andere land en van voorwerp verandert (zo kan het brandpunt komen te liggen bij schijnhuwelijken, valse documenten, enz.), geeft het Comité P nog wel mee dat men blijvend dient te investeren in het fenomeen en men voldoende capaciteit moet besteden aan onderzoek naar de nieuwe fenomen die er vooral op gericht zijn bepaalde personen illegaal in het land te laten blijven. Dit is zeker zo nu de aanpak van mensensmokkel noodzakelijkerwijs en in steeds toenemende mate samenwerking met buurlanden impliceert.
Uit twee – het ene volgde uit het andere – gerechtelijke onderzoeken in relatie tot artikel 314bis, § 1 Sw., door de Dienst Enquêtes uitgevoerd, kwam in 2004 een aantal anomalieën naar voor inzake het beheer van de administratieve gegevens met betrekking tot telefoontaps en/of -observaties, niet enkel op het niveau van de telefoonoperatoren, maar ook op het niveau van het centraal technisch interceptiesysteem (CTIF). Om de oorzaken van een en ander te achterhalen, voerde het Comité P een toezichtsonderzoek uit. In 2005 breidde het Comité dit onderzoek uit en zette het voort bij het CTIF van de federale politie.
Het Comité P situeert de kwestie van de disfuncties op vier niveaus,
met name: (1) het CTIF van de federale politie; (2) de telefoonoperatoren,
betrokken bij het dossier; (3) de wetgeving; en (4) het toezicht
op de toepassing van de tapwetgeving. Het Comité P is alvast van oordeel
dat er actueel sprake is, althans buiten een gerechtelijk kader, van een gebrek
aan toezicht op de telefoondossiers bij het CTIF van de federale politie en
op de dossiers, bijgehouden door de telefoonoperatoren. Gelet op de aanzienlijke
democratische en financiële belangen die bij de organisatie van een telefoontap
of -observatie op het spel staan, dringt een of andere controle zich
op.
In deze context vindt het Comité P het alvast niet wenselijk dat het
CTIF bekleed wordt met de opdracht alle facturen te controleren die uitgaan
van de telefoonoperatoren voor opdrachten uitgevoerd ten bate van de FOD Justitie.
Het Comité stelt zich uitdrukkelijk vragen bij de wettelijkheid van de ministeriële
omzendbrief betreffende gerechtskosten in strafzakentelefonie die deze opdracht
verleent aan het CTIF.
De nieuwe geïnformatiseerde gegevensbank TANK, een administratief instrument bedoeld om in een paar tellen een globaal beeld in real time te krijgen van alle actieve maatregelen in België (intercepties en observaties), kan hier ook haar nut bewijzen. Een actueel minpunt van deze gegevensbank is alvast dat ze, vermits ze geen operationele resultaten bevat over uitgevoerde observaties of intercepties, niet toelaat de door haar bevatte informatie te linken met de gegevens waarover de verschillende telefoonoperatoren beschikken.
Het Comité P is er in het bijzonder om bekommerd normvervaging bij de politiebeambten tegen te gaan. Een dergelijke attitude durft zich nogal eens te uiten in het oneigenlijk bevragen van gegevensbanken, wat bijvoorbeeld het geval is wanneer men over personen, al dan niet familie of bekenden, informatie opzoekt, zonder dat dit in verband gebracht kan worden met de taakuitvoering door de politiebeambte. In 2005 onderzocht het Comité P in deze context twee samenhangende dossiers.
Dat onderzoek wees manifest in de richting van normvervaging met betrekking tot het gebruik van de aan de politiebeambten ter beschikking gestelde informaticatoepassingen. In een substantieel deel van de onderzochte gevallen kon namelijk geen verantwoording gegeven worden voor de controle van de betrokken private personen in de politionele of externe databases; vaak bleek er sprake van een oneigenlijk gebruik van de databases om private redenen.
Gelet op deze vaststelling, beveelt het Comité P aan de bestaande wetgeving aan te vullen met een bijzondere bepaling die het oneigenlijk gebruik van de voor de politie beschikbare informatie strafbaar stelt.
Daarnaast herhaalt het Comité met klem zijn reeds eerder geformuleerde aanbeveling
verplicht te stellen om het veld “reden van bevraging” in Portal telkens in
te vullen. Naast het preventieve effect dat hiervan uitgaat, ontneemt het
de persoon, verdacht van oneigenlijk gebruik van de databanken, de mogelijkheid
te stellen dat hij niet meer weet waarom hij de bevraging deed.
Een en ander betekent niet dat een algemene bijsturing zich niet zou opdringen:
de personeelsleden dienen overtuigd te worden van de noodzaak de privacy van
de burgers en van hun collega’s te respecteren. Een belangrijke rol terzake
berust bij de functionele beheerders die ook geregeld controles dienen uit
te voeren op het gebruik van de databases en hun rol niet mogen beperken tot
de formele procedures voor het voeden van de ANG.
In de loop der jaren heeft het Comité P getracht problemen van discriminatie, onverdraagzaamheid, racisme en xenofobie binnen de politiediensten of bij politieambtenaren op te volgen. Ook in 2005 heeft het dit thema ter harte genomen. Meer bepaald werd, in geregeld contact met de Cel Gelijke Kansen van de federale politie, nagegaan in welke mate gevolg werd gegeven aan het actieplan Diversiteit en zijn bijbehorende projecten (met name de oprichting van een netwerk diversiteit en de ontwikkeling van vormen van externe samenwerking, onder meer met de universiteiten).
Vastgesteld werd dat het actieplan enerzijds op vele gebieden verder uitgewerkt werd en anderzijds, ook in functie van een meer realistische uitvoeringstiming, voortdurend aangepast werd. Het Comité P is niet tegen aanpassing, temeer men steeds de aanvankelijke doelstellingen ervan moet blijven nastreven en een geïntegreerde aanpak van de ondernomen acties in stand gehouden dient te worden. Hierbij is het niet onbelangrijk vast te stellen dat – doordat de budgettering soms ontbreekt – de financiering van de voorziene acties wel eens problematisch is. Het behoort dat de verantwoordelijken van de pilootprojecten de manier waarop de impact van het actieplan gemeten wordt, opnieuw beschrijven. Tevens zou door DGP/DPI een document opgesteld moeten worden waarin de acties die vertraging opgelopen hebben of uitgesteld zijn, uitvoeriger beschreven worden. Naar duidelijkheid toe, ook inzake personeelsbeheer, is het aangewezen dat het plan op geïntegreerde wijze voorgesteld zou worden door de Algemene directie personeel.
Er zal onder meer nagegaan worden of er voorzien dient te worden in een voortzetting van de pre-entry trainings, waarvan de financiering door het Impulsfonds voor het migrantenbeleid dreigt weg te vallen. Tevens kan in dat kader de werking van het netwerk diversiteit – thans op de goede weg, vermits de leden ervan bepaald werden en zijn communicatie-instrumenten geleidelijk ingevoerd worden – geëvalueerd worden.
Het Comité P heeft vastgesteld dat het het centraal wapenregister, sedert 2001 overgeheveld naar de federale politie, vanaf zijn oprichting altijd aan capaciteit ontbroken heeft om al zijn opdrachten te vervullen.
Uit een opvolgingsonderzoek naar de opslag van wapens en munitie in de politiezones
is gebleken dat heel wat politiewapens mogelijkerwijs niet opgenomen zijn
in het centraal wapenregister.
Volgens het Comité P dringen zich terzake dan ook geregelde inspecties
op, zowel op het niveau van de hiërarchie als op het niveau van de Algemene
inspectie van de federale politie en van de lokale politie.
In het kader van het dossier “Criminaliteitsstatistieken” heeft het Comité P in 2005 een nieuwe status quaestionis opgemaakt in verband met de interpolitionele criminaliteitsstatistieken, terecht een punt van aandacht van de Commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Comité P. Op die manier werd er een actualisering tot stand gebracht van eerdere follow-ups van 2003 en 2004.
Onder meer in gesprekken met de directeur-generaal van de Algemene directie operationele ondersteuning en met de directeur van de Algemene nationale gegevensbank (ANG) werden – met het oog op de opvolging van de situatie inzake de opmaak van criminaliteitsstatistieken – de volgende zaken nagegaan: (1) de globale en algemene evolutie van de voeding van de ANG; (2) de initiatieven, ontplooid om de opmaak van de criminaliteitsstatistieken te verbeteren: deze kaderen hoofdzakelijk in het nationaal veiligheidsplan 2004-2007 en houden verband met het strategische thema betreffende het beheer van de operationele informatie en de gemeenschappelijke telematica binnen de geïntegreerde politie; (3) de omstandigheden waarin de criminaliteitsstatistieken opgemaakt worden, waarbij gekeken werd of ze bruikbaar zijn in het kader van de politiewerking en of zij beantwoorden aan de politionele behoeften; en (4) de concretisering van de maatregelen, voorzien in het kader van het nationaal veiligheidsplan, meer in het bijzonder de maatregelen die de creatie beogen van een systeem voor kwaliteitsbeheer van operationele en statistische informatie. Aan te stippen valt dat vastgesteld werd dat een aantal initiatieven, eerder op gang gebracht door DSB in het kader van het systeem voor het kwaliteitsbeheer van informatie, stopgezet werden, vermits de situatie gunstig evolueerde of om opportuniteitsredenen.
Thans kan gesteld worden dat de geïntegreerde politie anno 2005 beschikt over betrouwbare cijfers voor vijf opeenvolgende jaren (2000 tot en met 2004). Dit houdt in dat actueel tendensen aangegeven kunnen worden in de evolutie van verschillende criminaliteitsfenomenen. Tevens kan komaf gemaakt worden met de tot vandaag steeds terugkerende polemiek over de eenvoudige vergelijkingen tussen twee refertejaren (de twee meest recente) die volledig aleatoir kunnen zijn. Het Comité P is van oordeel dat de loutere vaststelling van een verschil tussen twee cijfers die geen betrouwbare informatie opleveren, nietszeggend is: het – thans is dit mogelijk – schetsen van reële tendensen, zonder ze te verklaren, verdient hierop de voorkeur; voor zover statistisch onderbouwd, betreft het hier namelijk een neutrale operatie.
Ondanks dit positieve gegeven dient nog wel een waarschuwing meegegeven te worden. Rekening houdend met het noodzakelijkerwijze beperkende karakter van de informatie vervat in de cijfers van de geregistreerde criminaliteit, dient gepleit te worden voor een meer systematische en regelmatige aanpak van de raming van het dark number voor sommige van de meest relevante fenomen in België, een gegeven waardoor de gepubliceerde cijfers gerelativeerd zouden moeten worden.
In 2003 werd het toezichtsonderzoek Astrid opgestart met als doel: “De werking en implementatie van het communicatiesysteem ASTRID ten behoeve van politie- en bij uitbreiding van de veiligheidsdiensten in het algemeen, opvolgen en evalueren. Die opvolging kadert in het verlengde van het toezichtsonderzoek dat werd gevoerd omtrent de werking van de oproepen naar het noodnummer 101”. Concreet moet het toezichtsonderzoek een antwoord bieden op de vraag wat de meerwaarde is van het Astridcommunicatieproject en hoe en wanneer de werking van het systeem gemaximaliseerd kan worden. Dit alles dient geëvalueerd te worden in termen van een betere coördinatie tussen en een effectievere en efficiëntere werking van de politiediensten.
In 2005 is gebleken dat er vooruitgang merkbaar is inzake de implementatie van het Astridproject binnen de geïntegreerde politie: de betrokken actoren blijken zich bewust te worden van de voordelen die dit systeem ontegensprekelijk heeft, zowel op het vlak van de radiomiddelen (veiligheid, betrouwbaarheid, gespreksgroepen) als op het vlak van de CAD’s en de CIC’s (ondersteuning, coördinatie, opvolging, beleidsinstrument).
Dit neemt niet weg dat globaal gesteld dient te worden dat de implementatie
als dusdanig nog steeds vrij traag verloopt en dit niettegenstaande bepaalde
politieke intentieverklaringen, wetgevende initiatieven (tenlasteneming van
kosten, neutrale calltakers, detacheringen, enz.) en de samenwerking
tussen N.V. ASTRID en de federale politie. Gesteld kan dan ook worden
dat men nog steeds ver verwijderd is van de maximale benutting van het systeem,
temeer daar zich ook nog bijna dagelijks verschillende knelpunten in de werking
ervan aandienen. Thans kan derhalve niet voorspeld worden wanneer het integrale
Astridsysteem – dat ongetwijfeld zal bijdragen tot een efficiëntere politiewerking
– in voege zal zijn.
Het is in elk geval al een goede zaak dat, enerzijds, alle CIC’s sinds eind
2005 operationeel zijn (sommige slechts gedeeltelijk) en, anderzijds, al tal
van verbeterpunten inzake het systeem gekend zijn. Bovendien zijn alle partners
bereid mee te werken aan de verbetering van de knelpunten. Het gegeven dat
dit project zeer duur is, noopt des te meer tot een permanent toezicht op
alle partners van het Astridproject, opdat een efficiëntere en effectievere
geïntegreerde politiewerking inderdaad bereikt en behouden kan worden.
Het Comité P ontving het statistische rapport “De zonale veiligheidsplannen 2005-2008”, dat opgesteld werd door de federale politie, meer bepaald de Directie van de relaties met de lokale politie (CGL). In dit rapport analyseert CGL de zonale veiligheidsplannen op het vlak van methodologie, strategie, organisatie en deployment. Onder deze laatste noemer werden twee thema’s behandeld: overeenkomsten door de zones en capaciteit.
Het Comité P nam in 2005 dit rapport door vanuit de focus van zijn eigen taakstelling, zoals bepaald in artikel 1 van zijn organieke wet van 18 juli 1991. De relevante kwesties op het vlak van democratische werking van de politiediensten, hun integriteit en community policing werden gecapteerd. Hierbij geeft het Comité P aan op welke punten een en ander in de toekomst nader uitgewerkt zou kunnen worden.
Het Comité P analyseerde in juni 2004 de verschillende klachten die het registreerde inzake de dienstverlening door de spoorwegpolitie van de federale politie (SPC). Die klachten waren niet gering. Het Comité P besliste dan ook – temeer daar het hoofd van de SPC zich wou buigen over de werkingsproblemen van zijn dienst, inzonderheid over het werkklimaat en de werksfeer – een globaal onderzoek in te stellen naar de werking van de SPC.
De analyse door het Comité P leidde tot een verslag waarin ingegaan wordt op de wijze waarop de SPC haar opdrachten uitvoert, de manier waarop de betrekkingen met de partners geregeld zijn, de infrastructuur en de logistiek, het personeelsbeheer en de privébeveiliging van het openbaar vervoer. Tevens werd een inventaris gemaakt van elementen waarvan de verbetering leidt tot een beter politiewerk. Deze punten situeren zich op operationeel vlak, op het vlak van personeel en op het vlak van infrastructuur en logistiek.
Vastgesteld werd dat de leiding van de SPC zich bewust is van de problemen door het Comité P aangekaart. Ze wil in een eerste fase de situatie analyseren en pogen de meest acute problemen te verhelpen. Wat daarna mogelijk is, zal afhangen van het feit of er al dan niet voorzien wordt in een bijkomende inzet van bekwaam personeel. Het Comité P volgt een en ander verder op in 2006-2009.
In 2002 besliste het Comité P een toezichtsonderzoek uit te voeren naar de werking van de provinciale verkeerseenheden van de wegpolitie. Meer concreet wou men nagaan wat de impact is van de huidige personeelsbezetting, de infrastructurele en materiële middelen van de verkeersposten op de verkeersveiligheid in het algemeen en binnen het werkterrein van deze dienst en zijn personeelsleden in het bijzonder.
Op grond van enkele plaatsbezoeken en gesprekken met leden van de verkeersposten werd de afgelopen jaren vastgesteld dat er al heel wat inspanningen geleverd werden op het vlak van het optimaliseren van het veiligheidsmateriaal, het opvullen van de personeelstekorten en het vernieuwen van het wagenpark. Verder onderzoek en/of opvolging bleef evenwel noodzakelijk. Het Comité P zal hier verder werk van maken in 2006-2007.
Er werden bij het Comité P verschillende dossiers geopend die betrekking hebben hetzij op de inzet van honden door de politie, hetzij op de wijze waarop sommige hondenbrigades van de lokale dan wel de federale politie zouden functioneren. Het Comité P besloot dan ook terzake een thematisch onderzoek op te starten.
In dat kader werd vastgesteld dat de hondensteun de jongste jaren een grondige hervorming heeft doorgemaakt die veel verder gaat dan een loutere afstemming op de nieuwe politiestructuren. De Algemene directie operationele ondersteuning en de Dienst hondensteun richtten namelijk een werkgroep op, niet alleen om de structuur van een en ander te herzien, maar ook om te streven naar een uniformisering van de opleidingen en praktijken en naar de invoering van gemeenschappelijke werkprincipes. De hervorming waarop gedoeld wordt, betreft dus zeker ook een grotere professionalisering: de Dienst hondensteun ontplooit thans een beleid dat focust op kwaliteit en partnerschappen.
De Dienst hondensteun dient absoluut op de ingeslagen weg door te gaan en de maatregelen die hij bepaalde, verder te finaliseren door, dit werd reeds voorzien, aanpassingen aan te brengen in het kader van een cyclus voor het beheer van geïmplementeerde strategieën. Het vastgestelde tekort aan trainers moet weggewerkt worden, zo niet komt de kwaliteit van de opleiding door de politiescholen in het gedrang. Eventueel kan hieraan verholpen worden door de rekrutering van attachés bij deze scholen of door de creatie van trainerspools ten bate van die instellingen. Tevens zal de kwestie van de inzet van honden in een eenheid die samengesteld wordt in het raam van het genegotieerd beheer van de publieke ruimte, uitgeklaard moeten worden.
Het Comité P heeft een analyse gemaakt van een aantal dossiers inzake bijzondere eenheden. Hieronder worden verstaan enerzijds de diensten van de Directie van de speciale eenheden van de federale politie (DSU) en anderzijds de diensten van de lokale politie die als dusdanig bekendstaan of zichzelf als dusdanig beschouwen.
Voor 2005 zijn er in totaal 10 klachten met betrekking tot dergelijke diensten bekend bij het Comité P, waarvan 7 in het toezichtsluik en 3 op gerechtelijk vlak. Ze hebben betrekking op politioneel optreden naar aanleiding van een “versterkte” huiszoeking of een bijzondere arrestatie op de openbare weg. De 6 dossiers inzake de “versterkte” huiszoekingen werden in toezicht onderzocht: 3 klachten hadden betrekking op het binnenvallen op een verkeerd adres. Van de 4 dossiers met betrekking tot een arrestatie waren er 3 gerechtelijk; 1 betrof een toezichtsdossier.
Na onderzoek werden 4 klachten ongegrond bevonden. Drie klachten werden gegrond bevonden en met betrekking tot 3 andere klachten is het onderzoek nog lopende. Twee van de 3 gegronde klachten slaan op “versterkte” huiszoekingen, waarbij de recherchedienst verkeerde adresgegevens overmaakte.
Het Comité P besluit dat er in 2005 te weinig klachten met betrekking
tot bijzondere eenheden geformuleerd werden om significante algemene conclusies
te trekken. Dit neemt niet weg dat, vermits in één van de geanalyseerde dossiers
sprake was van de arrestatie van een verkeerde persoon en in 3 dossiers
van het binnenvallen op een verkeerd adres, er erg goed gewaakt moet worden
over de inzet van bijzondere eenheden.
Ook dient er in deze delicate materie over gewaakt te worden dat niet onoordeelkundig
door lokale politiekorpsen – vaak ten gevolge van een gebrekkige selectie
en opleiding – gebruik gemaakt wordt van technieken, (types van) methoden
en/of overtuigingsstukken van bijzondere eenheden.
In het kader van een toezichtsonderzoek dat eind 2002 en in 2003 gevoerd
werd, werd in meerdere individuele dossiers vastgesteld dat er zich problemen
voordeden inzake de opslag van vuurwapens en munitie bij de politiediensten:
deze vertaalden zich bijwijlen in de diefstal of het misbruik van dienstvuurwapens.
Het Comité P besloot dan ook in eerste orde de nodige aandacht te besteden
aan de toetsing van de wijze waarop de lokale politiekorpsen instaan voor
de opslag en bewaring van hun vuurwapens en munitie, en aan een reeks eerste
verificaties bij de lokale politie. In aansluiting daarop achtte het Comité P
het nuttig en noodzakelijk het onderzoek uit te breiden tot bepaalde eenheden
van de federale politie. Eind 2005 werd dan ook bij de (gedeconcentreerde)
federale politie of afdelingen ervan gepeild naar het algemeen beeld van de
nodige schikkingen genomen om het misbruik van de hen bij wet toegewezen bewapening
te voorkomen. Tegelijkertijd werd aan een aantal lokale politiezones een follow-upbezoek
gebracht om na te gaan in welke mate de situatie ondertussen veranderd was.
Met betrekking tot de federale politie werd vastgesteld dat de commissaris-generaal eenvormige, duidelijke en consequente richtlijnen inzake het beheer van de vuurwapens uitgevaardigd heeft. In de meeste van de bezochte locaties worden deze evenwel niet nageleefd. Er bleek tevens dat niet alle personeelsleden op de hoogte zijn van het bestaan van deze richtlijnen en er kon niet aangetoond worden dat de naleving ervan systematisch gecontroleerd zou worden. Op een aantal specifieke plaatsen is bovendien sprake van een dringend veiligheidsprobleem: er worden thans nog steeds wapens opgeslagen in kantoormeubelen of kledijkastjes, wat onaanvaardbaar is.
Er kan dan ook vastgesteld worden dat de bezochte federale eenheden zich bevinden in een toestand waarin de lokale politiezones zich in 2003 bevonden. Men dient de nodige aandacht te besteden aan de problematiek, aandacht die tot op heden ontbreekt, en te investeren in veilige opbergkastjes. Tevens is het onaanvaardbaar dat niet alle vuurwapens geregistreerd blijken te zijn in het centraal wapenregister: een en ander is nochtans verplicht.
Inzake de lokale politie kan een inhaalbeweging vastgesteld worden. In de
meeste zones werd de afgelopen jaren een eenvormige reglementering opgelegd,
werden financiële inspanningen gedaan om individuele wapenlockers aan te kopen
of wordt een en ander mee opgepikt in de bouw van een nieuw commissariaat.
Dit neemt niet weg dat een periodieke controle leerde dat de interne reglementen
veelal niet nageleefd worden.
Er is in deze materie tevens een taak voor de AIG weggelegd.
De voorbije jaren kaartte het Comité P meermaals de problematiek aan van de bevoegdheden van de ‘hulpagenten’ en hun concrete inzet op het terrein. Er werd onder meer gewezen op de niet-consequent geregelde rechtspositie van de hulpagenten en het niet naleven van de normen inzake het aantal hulpagenten in sommige korpsen. Soms werden hulpagenten op een aantal bevoegdheidsvlakken misbruikt of eigenden ze zichzelf bevoegdheden toe.
De wet van 1 april 2006 betreffende de agenten van politie, hun
bevoegdheden en de voorwaarden waaronder hun opdrachten worden vervuld, komt
tegemoet aan de wil van de regering om de bevoegdheden van de hulpagenten
uit te breiden en om het de politieambtenaren mogelijk te maken zich te concentreren
op wat gemeenzaam hun ‘werkelijke politietaken’ wordt genoemd. Wanneer we
hierna dus spreken over de ‘agenten’, dan bedoelen we diegenen die gisteren
nog ‘hulpagent’ waren.
Deze bevoegdheidsuitbreiding doet geenszins afbreuk aan het principeonderscheid
dat het artikel 117 van de wet op de geïntegreerde politie heeft gemaakt
tussen de politieambtenaren en de (hulp)agenten van politie wiens politiebevoegdheid
beperkt is. Krachtens de nieuwe formulering van het artikel 58 van de
wet op de geïntegreerde politie, zou hun bevoegdheid in hoofdzaak beperkt
zijn tot: (1) de bepalingen van de wet van 5 augustus 1992
op het politieambt die op hen van toepassing zijn verklaard; (2) de bevoegdheden
die hen zijn toegekend inzake wegverkeer en het toezicht op de naleving van
de gemeentelijke verordeningen; (3) de vaststelling van een verkeersongeval
en de verbaliseringsbevoegdheid; (4) de identiteitscontrole van elkeen
die een inbreuk heeft begaan.
Naast de wijzigingen aangebracht aan de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie op het wegverkeer, de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg en de wet van 7 december 1998 op de geïntegreerde politie, wordt deze bevoegdheidsuitbreiding gerealiseerd door: (1) een aantal bepalingen van de wet op het politieambt toepasbaar te maken op de hulpagenten van politie, met name het artikel 7 (betreffende de operationele leiding), het artikel 25 (betreffende de toewijzing van administratieve taken) en het artikel 45 (betreffende de territoriale bevoegdheid); (2) de vorm en de uitvoeringsvoorwaarden van hun opdrachten te definiëren binnen een nieuwe onderafdeling die de nieuwe artikelen 44/12 tot 44/17 zou bevatten.
Het gegeven dat de agenten van politie geen politieambtenaren zijn maar wel
tot het politiekader behoren, blijft een moeilijke constructie en vergemakkelijkt
het inzicht in de materie niet. Nopens de noodzaak om, behoudens de materie
van het verkeer en de plaatselijke reglementen, de bevoegdheden van de agent
van politie uit te breiden, was het Comité P in het verleden eerder sceptisch.
Nu de wetgever echter heeft gemeend deze uitbreiding te moeten doorvoeren,
is deze discussie gedeeltelijk achterhaald.
Waar het Comité P in 1995 hoofdzakelijk tot de vaststelling kwam dat
het statuut van de hulpagenten aanleiding gaf tot verwarring, kan vandaag
de dag worden vastgesteld dat een grote stap voorwaarts werd gezet. De wetgevende
teksten, vooral in de materie van het verkeer en de gemeentelijke verordeningen,
laten thans geen twijfel meer bestaan over de bevoegdheid ratione materiae
van de agent van politie.
Nochtans blijven er nog enkele grijze zones of moet minstens vastgesteld
worden dat veranderingen die men op het terrein graag had gezien, niet werden
doorgevoerd. Zo lijkt de agent van politie niet meer bevoegd om inbreuken
op provinciale reglementen vast te stellen, is de identificatieplicht niet
op hem van toepassing, evenmin als de bepaling van het artikel 44/1 van
de wet op het politieambt betreffende het inwinnen, verwerken en meedelen
van informatie. Een regeling nopens het gebruik van handboeien was tevens
wenselijk geweest, daar een aantal bevoegdheden die hem thans zijn toegekend
inzake bewaking en ophouding wel degelijk het gebruik van handboeien kunnen
impliceren.
In dit opzicht meent het Comité P dat een algemene regeling zich opdringt
in de wet op het politieambt ten behoeve van het volledige operationele kader.
Inzake de politie over het wegverkeer werd het artikel 29, § 2 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie op het wegverkeer gewijzigd waardoor, tot een door de Koning nader te bepalen datum, de agenten van politie bevoegd zijn het niet meer strafrechtelijk bestrafte parkeren vast te stellen. Het is voor het eerst dat agenten van politie een fiscale vaststellingsbevoegdheid krijgen (toepassing van een retributie of taks inzake niet meer strafrechtelijk bestraft parkeren), wat op zijn zachtst gezegd weinig orthodox is. Hun vaststellingen hebben dan natuurlijk ook niet de klassieke bijzondere bewijswaarde inzake verkeer zoals voorzien door artikel 62 van de Wegverkeerswet.
Men moet goed voor ogen houden dat de agent van politie een beperkte bevoegdheid
heeft.
Dat betekent dat de vroegere vaststellingen van het Comité P dat nog
te veel zones, nochtans duidelijke, overschrijdingen van de bevoegdheden van
de hulpagenten (thans agenten van politie) gedogen of zelfs procesmatig in
hun korpswerking opnemen, hun actualiteit behouden, zij het dat dit thans
wellicht veel minder uitgesproken het geval zal zijn.
Bevoegdheidsoverschrijdingen zorgen niet alleen voor rechtsonzekerheid naar
de bevolking toe, doch de hiërarchisch verantwoordelijken zouden er zich bewust
moeten van zijn dat eventuele gevolgen van daden gesteld door niet-bevoegde
agenten hun minstens mede-aansprakelijk kunnen stellen voor de mogelijks aangerichte
schade of andere gevolgen. Eveneens is het theoretisch mogelijk dat bij bepaalde
bevoegdheidsoverschrijdingen de agent zelf, of zijn hiërarchische overste,
strafrechtelijk vervolgd zou worden.
De uitbreiding van de bevoegdheden van de agenten van politie dient, zoals
de Vaste Commissie van de lokale politie toen en het Comité P meermaals
hebben gesteld, gepaard te gaan met bijkomende opleidingen, bijscholingen
en/of een aanpassing van de aanwervingscriteria. Zo niet dreigt de kwaliteit
van de politiezorg waarvan ze sommige aspecten voor hun rekening (zullen)
nemen, er op achteruit te gaan.
De vraag die zich hier natuurlijk stelt, is in welke mate deze bijkomende
opleidingsinvesteringen verantwoord zijn, gelet op het steeds kleiner wordende
verschil met de inspecteurs van politie. Het is niet ondenkbaar dat er dan
nog meer dan nu een grijze zone zal ontstaan waar de bevoegdheden van de agenten
van politie individueel of vanuit korpsniveau zullen worden overschreden.
Gezien de inzet van de herziening van het statuut van de politieambtenaren en de onverschilligheid voor de nevenactiviteiten die soms worden uitgeoefend door politieambtenaren, meende het Comité nogmaals te moeten terugkomen op deze problematiek.
Het Comité P wilde een zicht krijgen op de wijze waarop de politiediensten
de principes toepassen die zijn vermeld in de bepalingen betreffende de uitoefening
van nevenactiviteiten door personeelsleden van de geïntegreerde politie. Daartoe
heeft het alle zonechefs van de lokale politie en de commissaris-generaal
van de federale politie bevraagd om na te gaan hoeveel afwijkingen er waren
toegestaan en welk soort activiteiten er waren toegestaan door de bevoegde
instanties.
Hun antwoorden vertonen te veel leemtes om de omvang van het fenomeen te kunnen
schatten, al was het maar kwantitatief. Niettemin blijkt dat de interpretatie
van de wet en de ministeriële richtlijnen door de lokale politieverantwoordelijken
soms lijnrecht staat tegenover die van de commissaris-generaal, die strenger
is bij de toekenning van afwijkingen. Zo werden er zowel in het noorden, het
centrum als het zuiden van het land – doorgaans na gunstig advies van sommige
korpschefs – door de lokale overheden afwijkingen toegekend voor nevenactiviteiten
die, volgens het Comité P, het belang van de dienst kunnen schaden.
De uitoefening van sommige lucratieve nevenactiviteiten dreigt er, op termijn, toe te leiden dat deze begunstigden minder beschikbaar zijn voor hun hoofdberoep en kan, bij het publiek, leiden tot rolverwarring. Deze problematiek komt trouwens aan bod in de Deontologische code van de politiediensten. Het Comité P meent dat bijvoorbeeld de politieambtenaar die daarnaast ‘kelner’ is, en dus bovenop zijn loon wel eens een fooi krijgt, tegenover ‘zijn clientèle’ in de uitoefening van zijn politieambt geen blijk zal kunnen geven van de vereiste onpartijdigheid.
Het Comité P heeft de korpschefs van de zones waar dit type van nevenactiviteiten was toegestaan, om meer uitleg gevraagd. Zij antwoordden dat de toekenning van afwijkingen de uitsluitende bevoegdheid van de lokale overheid was en dat zij slechts een advies konden uitbrengen dat niet noodzakelijk werd gevolgd. Hoewel het aantal personen dat een afwijking voor de uitoefening van nevenactiviteiten geniet, relatief beperkt lijkt, cumuleren sommige politieambtenaren nog altijd functies zonder medeweten van hun hiërarchie, en overtreden aldus de wet. Het belang van het ‘zwarte’ cijfer is vermoedelijk niet onbelangrijk.
Het Comité P vraagt de overheden en korpschefs eens te meer om vastberaden op te treden ten aanzien van hun medewerkers die de wet niet naleven en moedigt hen aan om voor de aanvragen tot toekenning van afwijking die hen worden voorgelegd, slechts een gunstig advies te formuleren indien de nevenactiviteit niet behoort tot één van de categorieën opgesomd in de ministeriële richtlijnen. Tot slot, zouden de burgemeesters en politiecolleges zich nog omzichtiger moeten uitspreken over de aanvragen tot toekenning van afwijking en deze afwijking slechts mogen toestaan wanneer ze ervan overtuigd zijn dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de personeelsleden zijn gewaarborgd.
Sponsoring van politieambtenaren voor de uitoefening van extraprofessionele activiteiten is geen nieuw fenomeen. Rekening houdend met haar specificiteit en belang, ook gezien de flauwe belangstelling van sommige verantwoordelijken of overheden voor deze kwestie, achtte het Comité P het opportuun een thematisch onderzoek te openen naar dit thema en, meer recent, een opvolgingsonderzoek.
Wanneer men het artikel 130 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sensu stricto interpreteert, is deze praktijk niet toegelaten, want het tweede lid van dat artikel stelt: “het is de personeelsleden verboden, zelfs buiten hun functies, maar uit dien hoofde, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen, giften, beloningen of welke voordelen ook te vragen, te eisen of aan te nemen”. Toch moet worden vastgesteld dat niet alle korpschefs deze bepaling op dezelfde wijze interpreteren. Sommige politiechefs menen dat het artikel in strijd is met de filosofie van community policing die pleit voor een meer actieve betrokkenheid van de politie in plaatselijke activiteiten
Het Comité P van zijn kant is van mening dat de politieambtenaar die persoonlijk voordeel haalt uit sponsoring om een individuele activiteit uit te oefenen, niet alleen de geest van het artikel 130 van voornoemde wet met de voeten treedt, maar ook een loopje neemt met de deontologie. Sponsorgeld verworven door een politieambtenaar die lid is van een vereniging zonder winstoogmerk, een schoolcomité, een cultuurkring, enz. voor activiteiten eigen aan deze vereniging, lijkt daarentegen volkomen aanvaardbaar, mits enige nuances.
Overeenkomstig de wettelijke voorschriften moeten er vertrouwenspersonen
worden aangesteld om het hoofd te bieden aan problemen van pesterijen of geweld
op het werk.
In de meeste lokale politiediensten en bij de federale politie is er een vertrouwenspersoon
en een preventieadviseur aanwezig. Weinig politiezones hebben daarentegen
een risicoanalyse gemaakt van eventuele situaties die aanleiding
kunnen geven tot geweld of pesterijen op het werk. Op basis van de verrichte risicoanalyses heeft de federale politie
in 80 % van de gevallen wel specifieke maatregelen genomen en de lokale
politie in meer dan 50 % van de gevallen.
De aangeklaagde feiten stijgen over het geheel genomen allemaal, maar de
aard ervan evolueert verschillend al naar gelang van de organisatie. Hoewel
de feiten van pesterijen bij de federale politie zijn gedaald, stijgen deze
feiten fel bij de lokale politie. Hetzelfde geldt voor de feiten van geweld.
De waaier van maatregelen lijkt de problemen te kunnen oplossen
zowel onmiddellijk als op lange termijn, en dat overeenkomstig de doelstellingen
van de zogenaamde wet-Onkelinx.
Toch betreuren we dat er nog niet op elk niveau een
echt preventiebeleid lijkt te bestaan en dat men er eerder de voorkeur aan
geeft om een antwoord te bieden op punctuele problemen.
Om een kwaliteitsvolle bijstand door de vertrouwenspersonen
te waarborgen, ongeacht het probleem dat hen wordt voorgelegd, zou de uitbouw
van ‘informele kanalen voor informatie-uitwisseling’ tussen het lokaal en
het federaal niveau moeten worden bevorderd, zodat elke vertrouwenspersoon
zijn professionele bagage kan verruimen dankzij de uitwisseling van ervaringen
en goede praktijken.
De bedoeling van de analyse was na te gaan welke verbeteringen zijn aangebracht
aan de verschillende websites van de geïntegreerde politie, gestructureerd
op twee niveaus, vooral sinds ons wetenschappelijk verslag. Aanvankelijk was
dit onderzoek gericht op de geldigheid en de updating van de opsporingsberichten
die op de websites van de rijkswacht en de gerechtelijke politie waren geplaatst.
Maar gaandeweg werd het uitgebreid tot de problematiek van de integratie van
verschillende websites van de geïntegreerde politie in een homogene politieportaalsite,
waar de burger makkelijk toegang zou hebben tot de informatie zonder overbodige
overlappingen.
Naar aanleiding van de publicatie van de resultaten van het onderzoek “politiewebsites”
in het activiteitenverslag 2004 van het Comité P, heeft de directeur
van de Directie van de werking en van de coördinatie van de federale politie
(CGC) het Comité uitgenodigd om deel te nemen aan de eerste plenaire vergadering
van het “Beheerscomité” en het “Functioneel platform Internet”, die plaatsvond
op 26 september 2005 en bedoeld was om het definitief ontwerp van
functioneel kader voor te stellen aan de actoren die instaan voor een politiewebsite.
Nadat de nieuwe portaalsite van de politie online was geplaatst, werd
een vergadering georganiseerd om in alle transparantie de laatste ontwikkelingen
van het project te kunnen uiteenzetten.
De opmaak van een functioneel kader en de toepassing ervan hebben ontegensprekelijk
de toestand van de websites van de federale politie verbeterd.
Wij hebben dergelijke vooruitgang niet opgemerkt voor de verschillende sites
van de lokale politie, maar à décharge van de Vaste Commissie van de
lokale politie moeten we toch erkennen dat de coördinatie van 196 politiezones
van een totaal andere omvang is dan de coördinatie op het niveau van de verschillende
algemene directies en diensten van de federale politie. Men mag ook niet uit
het oog verliezen dat heel wat websites van de lokale politie zijn ondergebracht
bij en worden beheerd door een gemeentebestuur, waarover de Vaste Commissie
nog veel minder gezag heeft.
Toch moeten we betreuren dat er rivaliteit is ontstaan tussen de Vaste Commissie
van de lokale politie en de federale politie omtrent het medium internet.
Ingevolge de eerder gespannen relaties tussen CGC en de VCLP lijkt het probleem
van het beheer van de domeinnamen (police.be
en politie.be) nog altijd niet opgelost.
De privatiseringstendens van de publieke sector vindt de laatste jaren ook ingang in het veiligheidsbeleid. Hierdoor kunnen deze personen en diensten, binnen die hoedanigheid, onder de toezichtsbevoegdheid van het Comité P vallen. Zodoende wordt hun werking, zoals die van de reguliere politiediensten, in principe getoetst aan de drie kerntaken van het Comité: de opvolging van de doeltreffendheid en doelmatigheid, van de coördinatie en ten slotte van het respect voor en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens.
Rekening houdend met de recente wijzigingen in de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, in het bijzonder het toekennen van bijzondere bevoegdheden aan veiligheidsagenten in de sector van het openbaar vervoer, lijkt het meest dringende de uitwerking van het conceptueel kader, waarin de krijtlijnen worden getrokken van de verhoudingen tussen publieke en private sector. Gezien de (mogelijke) controverse in deze materie lijkt het aangewezen dit op een voldoende theoretisch onderbouwde manier te doen.
Momenteel worden de veiligheidsdiensten in de sector van het openbaar vervoer in plaats gesteld, o.m. binnen de NMBS en de MIVB. Gezien de vaststellingen van de afgelopen jaren, voornamelijk met betrekking tot het gebruik van uniformen, toebehoren en voertuigen – die moeilijk te onderscheiden zijn van die van de politiediensten ondanks het uitdrukkelijke verbod opgelegd door de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid –, zal het Comité hun geleidelijke inplaatsstelling nauwgezet opvolgen en meer specifiek aandacht besteden aan hun interacties en samenwerkingsverbanden, niet enkel met de politiediensten maar ook met de bewakingssector s.s., bijvoorbeeld B-Security. Tegelijkertijd zal het Comité zich buigen over de problematiek van het gebruik van geweld door deze veiligheidsdiensten.
Globale en geïntegreerde monitoring van
de politiediensten
Het Comité P oefent zijn opdrachten uit via verschillende kanalen, onder meer door klachten en aangiften te onderzoeken. Binnen de limieten van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten behandelt het Comité P de klachten en aangiften die het ontvangt betreffende de werking, het optreden, het handelen of het nalaten te handelen van de politiediensten en hun personeelsleden. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het Comité geen ombudsfunctie vervult en dus niet is opgericht om a priori individuele problemen van klagers op te lossen.
Het Comité P wil bijdragen tot de goede werking van een democratische, integere en gemeenschapsgerichte politie. Conform de wet en de duidelijke wil van de wetgever is het Comité P a priori of bij uitstek geen klachtenbureau en voert het daarom binnen de limieten van de wet een klachtenbeleid dat toegespitst is op de monitoring van de politiediensten, eerder dan op de tegemoetkoming aan de behoeften van individuele klagers en aangevers. Dit maakt dat het engagement van het Comité P om klachten en aangiften tegen de politie te verzamelen en te registreren groot is, maar dat het evenwel steeds focust op de harde kern van zijn activiteiten. Met andere woorden, het Comité onderzoekt geen klachten en aangiften waarvoor het duidelijk is dat ze net zo goed of zelfs beter door een andere dienst, dichtst bij de feiten betrokken, kunnen worden onderzocht. Dit neemt niet weg dat het Comité P toezicht houdt op het geheel van klachtenbehandelingsystemen, een zekere garantie biedt voor de afwikkeling van ieder klachtendossier en oog heeft voor de uiteindelijke uitkomst ervan.
Het klachtenbeleid van het Comité P is gericht op de efficiëntie van het eigen klachtenbehandelingsysteem en dat gehanteerd door de politiediensten. Daarnaast beoogt het een maximale output van de klachtenanalyse in het kader van de globale en geïntegreerde observatoriumfunctie van het Comité.
Het doel van de klachtenbehandeling bestaat erin – binnen de limieten van de wet en de opdrachten en bevoegdheden van het Comité P en meer in het bijzonder zijn observatoriumfunctie – ten eerste, toezicht uit te oefenen met betrekking tot de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden; ten tweede, disfuncties op te sporen inzake de coördinatie; ten derde, de doelmatigheid van de politiediensten te controleren; ten vierde, een correcte klachtenbehandeling buiten zijn muren te waarborgen en ten vijfde, gegevens te verzamelen als basis voor een overkoepelende klachtenanalyse en rapportering.
Aangezien de behandeling van klachten en aangiften tegen de politie geen hoofdopdracht is van het Comité P, maar slechts één onderdeel van zijn toezicht op de doeltreffendheid van de politiediensten, wordt ze toegepast met het oog op snelheid en efficiëntie. Op die manier blijft de prioriteit van zijn kernactiviteiten van monitoring te allen tijde gewaarborgd. In het verlengde hiervan komt het algemene principe van de klachtenbehandeling door het Comité P erop neer dat alle klachten en aangiften tegen de politie die het ontvangt, worden geregistreerd en een deel voor verder onderzoek wordt georiënteerd naar de dienst die daarvoor het meest aangewezen is volgens vooropgestelde criteria. Deze criteria hebben betrekking op de aard van de feiten, de aard van het onderzoek alsook op de persoon van de klager en de betrokken politieambtena(a)r(en), evenals op de betrokken politiedienst. In het algemeen kunnen we stellen dat klachtenonderzoeken worden doorverwezen naar zijn eigen Dienst Enquêtes volgens de principes van specialiteit en subsidiariteit.
Voor de klachtindiening werd door het Comité P een standaardklachtenformulier ter beschikking gesteld aan het onthaal van de instelling en op zijn website www.comitep.be. Dit formulier zal tevens als tussentijdse oplossing aanbevolen worden aan de politiediensten.
Het Comité heeft beslist de klachtenregistratie aan het onthaal te wijzigen
en de permanentiedienst van de leden van zijn Dienst Enquêtes af te schaffen,
behalve wat hun noodzakelijke tussenkomst in welbepaalde en duidelijk omschreven
gevallen betreft.
Personen die zich aanbieden op de zetel van het Comité om een klacht/aangifte
in te dienen, worden in de regel niet meer ontvangen door de leden van de
Dienst Enquêtes. De klagers/aangevers worden dus niet meer systematisch of
a priori gehoord door een commissaris-auditor, maar ze worden
in plaats daarvan aan het onthaal wegwijs gemaakt in de verschillende wegen
om klacht in te dienen tegen de politie en een oplossing te vinden voor hun
probleem.
Conform de wet van 18 juli 1991 worden alle klachten en aangiften die rechtstreeks worden neergelegd bij de betrokken politiediensten, ter kennis gebracht van het Comité P op basis van artikel 14bis, 1ste [v] en 2de lid [vi] opdat het zijn toezichtfunctie zou kunnen vervullen. Daarnaast wordt de database ook gevoed met informatie die verschillende overheden het Comité P dienen te verstrekken op basis van de artikelen 14, 1ste [vii] en 2de lid [viii] , en artikel 26 [ix] .
De input van deze gegevens gebeurt op dezelfde wijze als de input van de gegevens afkomstig uit de rechtstreeks bij het Comité P ingediende klachten en aangiften. Op dit ogenblik is intern een werkgroep de procedure van de behandeling en registratie van de klachten en aangiften aan het herbekijken in het licht van een vernieuwd strategisch plan.
Niet alleen over feiten en handelingen ontvangt het Comité P informatie,
maar ook over de verdere beoordeling daarvan door de hiërarchische tuchtoverheden
en de gerechtelijke overheden. Al deze informatie kan op dit ogenblik nog
niet automatisch via de database aan elkaar worden gelinkt, zodat er nog steeds
voor een deel manueel opzoekingswerk dient te worden verricht, wat soms wordt
gehinderd door de verschillende tijdstippen waarop de informatie ons bereikt.
Ook hieraan wordt gewerkt, zodat een feit van a tot z kan worden gevolgd,
zijnde van bij de kennisname, over de behandeling door de verschillende overheden
tot en met het uiteindelijke gevolg dat eraan werd gegeven. Dit is van belang
om bijvoorbeeld na te gaan of een correctionele veroordeling al dan niet gevolgd
werd door een tuchtprocedure. Eenzelfde opvolging is nuttig voor het tuchtaspect
voorafgaandelijk aan een correctionele behandeling.
Er dient nogmaals op gewezen dat het in de meeste klachten en aangiften
om allegaties gaat en er bijgevolg niet van uitgegaan mag worden dat een in
onze statistiek verwerkte klacht of aangifte ook a priori en daadwerkelijk
gegrond is.
De klachten en aangiften alsook de aan de korpsen en overheden opgelegde
informatieplicht zijn voor het Comité P noodzakelijke gegevens om zich
een beeld te kunnen vormen van de ‘politiewerking’ in het algemeen of van
een dienst of een individuele politieambtenaar in het bijzonder. Deze informatie
wordt aangevuld met eigen onderzoeken en door de uitwisseling van gegevens
met inspectiediensten, zoals de Algemene inspectie van de federale politie
en van de lokale politie of de inspecties specifiek intern aan een zone.
Aangezien niet alle informatie altijd betrouwbaar is en soms al geïnterpreteerd
werd, blijft het belangrijk om zo veel mogelijk informatie te ontvangen zodat
de invloed van verstorende en soms onjuiste informatie zo minimaal mogelijk
wordt.
In dat opzicht is het opmerkelijk dat, niettegenstaande alle korpsen reeds
jaren aangespoord worden om correcte informatie door te geven – ook al betekent
dit de melding dat er niets te melden valt –, er toch nog korpsen zijn die
helemaal geen hetzij gedeeltelijke of laattijdige informatie verstrekken.
In verband met tucht ontving het Comité P van 101 korpsen informatie.
Van 127 korpsen kreeg het Comité P een informatief verslag in overeenstemming
met artikel 26 en 155 korpsen verstrekten informatie met betrekking
tot de bij hen neergelegde klachten (bij deze korpsen en diensten is de federale
politie inbegrepen).
Van de gerechtelijke overheden ontving het Comité P van elk ressort
van het hof van beroep informatie, waarbij dient opgemerkt te worden dat het
aantal gerechtszaken in het ressort Luik zeer laag is ten opzichte van de
andere.
In vorige jaarverslagen werden bedenkingen gemaakt bij de door de wet voorziene
meldingen en verplichte informatieoverdrachten door de parketten en parketten-generaal.
In dit opzicht merkte de parlementaire begeleidingscommissie tevens op: “De
begeleidingscommissies benadrukken dat de voornaamste taak van het Vast Comité P,
dat door het Parlement werd ingesteld, erin bestaat erop toe te zien dat deze
diensten hun plaats in ons democratisch bestel behouden. In deze context dringen
zij erop aan dat al de overheden die er wettelijk toe gehouden zijn dit Comité
de daarvoor benodigde informatie te verstrekken, zich strikt aan hun verplichtingen
ter zake houden”.
Van één parket heeft het Comité helemaal geen informatie ontvangen. Het
Comité P moet helaas nog steeds vaststellen dat de informatieoverdracht
verschilt van parket tot parket, zowel in kwaliteit als in kwantiteit.
Daarenboven geschiedt de informatieoverdracht doorgaans als antwoord op een
uitdrukkelijke vraag of verzoek van het Comité P en niet ambtshalve zoals
voorzien door de wet van 18 juli 1991.
De kwalificatie of omschrijving van de allegaties vervat in klachten
en aangiften wordt gegeven zonder rekening te houden met het resultaat van
het verdere onderzoek. De aangifteplicht volgens artikel 14, 1ste
en 2de lid, artikel 14bis, 1ste en
2de lid en artikel 26 van de wet van 18 juli 1991
dient vooreerst te gebeuren zonder bewerking of herkwalificatie van de feiten.
Met andere woorden, zoals de allegaties van feiten of gebeurtenissen binnenkomen,
worden ze ook aangegeven. Het is evident dat er meerdere feiten,
gebreken of tekortkomingen kunnen voorkomen in één klacht, dossier of melding
en dat de aantijgingen vervolgens aan een kwaliteitscontrole worden onderworpen.
Nadien maken zij het voorwerp uit van verder onderzoek dat gerechtelijk of
niet-gerechtelijk kan zijn en waarbij ook de gegevens, waarover verslag werd
uitgebracht, verwerkt worden, los van het resultaat van het onderzoek. Het
is niet omdat bijvoorbeeld een gerechtelijk onderzoek eindigt in een sepot
dat de gegevens, feiten die aan de basis liggen van het onderzoek niet meer
geëvalueerd kunnen worden naar de persoon of organisatie toe, binnen de limieten
en bevoegdheden van het Comité P.
De uiteindelijk weerhouden elementen kunnen vertaald worden naar beslissingen
zoals het nemen van tuchtsancties, het maken van evaluaties, geven van felicitaties,
nemen van inwendige ordemaatregelen, geven van instructies, nieuwe of bijsturende
richtlijnen, enz., tenzij na gerechtelijke onderzoeken een vonnis of arrest
wordt geveld.
De analyse van klachten en aangiften geeft opnieuw een duidelijke stijging
weer van het aantal klachten en informatieve verslagen met betrekking tot
strafrechtelijke feiten, terwijl het aantal door de Dienst Enquêtes gevoerde
gerechtelijke onderzoeken, net als de voorgaande jaren, licht is gestegen.
Deze stijgingen zijn nu al gedurende vijf jaar waarneembaar zodat een nieuwe
analyse en nulmetingbis zich opdringen.
Het aantal klachten kent een constante stijging van meer dan 20 %. In
2005 werden 2 221 klachten en aangiften rechtstreeks ingediend bij het
Comité P. Hierbij vallen volgende categorieën door hun stijging op: handelingen
die het imago van de politie schaden; handelingen in verband met neutraliteit;
niet optreden van de politie, ongelijke behandeling; handelingen bij controle
woonplaats; formaliteiten in verkeerszaken en het eigen personeelsbeheer.
In grotere groepen opgedeeld, komen volgende klachten in vergelijking met 2004 beduidend meer voor: niet-definieerbaar van 70 naar 110; handelingen in verband met het imago van 19 naar 29; klachten in verband met neutraliteit van 76 naar 116; klachten in verband met niet-optreden van 81 naar 102; ongelijke behandeling van 79 naar 116; klachten tijdens controle woonplaats van 7 naar 17; klachten over optreden in verband met verkeer van 17 naar 58 en klachten over personeelsbeheer van 8 naar 15.
De toename van het aantal klachten dient niettemin gerelativeerd te worden in die zin dat lang niet alle klachten werkelijk gegrond en ontvankelijk zijn gebleken. Voor 272 klachten of 12 % was het Comité P niet bevoegd, in 10 dossiers was de aangever onvindbaar en in 47 gevallen was de klacht reeds bij een andere dienst of instelling ingediend.
Het aantal gerechtelijke onderzoeken die toevertrouwd werden aan de Dienst Enquêtes van het Comité kent nog steeds een stijging van gemiddeld 4 % per jaar. Deze stijging is te verklaren door een aantal significante bijkomende opdrachten specifiek voor het gerechtelijk arrondissement Antwerpen (10), het gerechtelijk arrondissement Namen (12) en het gerechtelijk arrondissement Nijvel met 15 onderzoeken meer dan in 2004.
De toename van het aantal informatieve verslagen die betrekking hebben op het plegen van een misdaad of wanbedrijf door een lid van de politie (verplicht mee te delen informatie volgens artikel 26 van de wet van 18 juli 1991), vinden we sterk terug tussen 2002 en 2003 met een stijging van bijna 50 %, wat wees op een grotere aangiftebereidheid. Maar ook in 2005 werd een stijging genoteerd van 13 % ten opzichte van 2004 en dit niettegenstaande sommige gerechtelijke arrondissementen minder aangiften deden, zoals Antwerpen (- 72), Gent (- 10), Brugge (- 9) en Oudenaarde en Hasselt (- 8). Een stijging is te noteren voor de arrondissementen Brussel (+ 145), Luik (+ 41), Dendermonde (+ 10) en Namen (+ 7).
Analyse van het aantal vaststellingen ten laste van politieambtenaren door een andere politieambtenaar meegedeeld (art. 26) en van het aantal gerechtelijke onderzoeken door de Dienst Enquêtes per gerechtelijk arrondissement toont aan dat daar waar Antwerpen in 2004 in de vaststellingen op basis van artikel 26 in verhouding tot het geheel van de aangiften het grootste percentage had (29,75 %), dit in 2005 hoger is voor het arrondissement Brussel, namelijk 33,22 %. Het arrondissement Luik is goed voor een tiende van de aangiften, een stijging van 4 % ten opzichte van 2004, en ten slotte blijft het arrondissement Bergen, net als in 2004, goed voor 8,07 % van de aangiften. Met betrekking tot de gerechtelijke onderzoeken merken wij dit jaar opnieuw op dat het arrondissement Brussel bijna de helft (49,74 %) van de gerechtelijke onderzoeken door de Dienst Enquêtes voor zijn rekening neemt. Weliswaar is dit in vergelijking met 2004 een daling van bijna 3 %, maar toch slorpt dit arrondissement zeer veel (te veel) capaciteit op van de Dienst Enquêtes. Van de andere arrondissementen volgt Antwerpen met 6,53 % (2 % hoger dan in 2004) en Nijvel met 6,17 %, wat in vergelijking met 2004 eveneens een verhoging is van 2,5 %.
Hoewel ook hier niet de regel geldt dat alle aangiften uiteindelijk gegrond zijn en dubbeltelling soms mogelijk is, moet een weerkerend cijfer van meer dan 1 200 aangiften per jaar op basis van strafrechtelijk gekwalificeerde feiten de hiërarchische overheden en verantwoordelijken toch aan het denken zetten.
Voor zover geregistreerd, waren er bij de meldingen bij het Comité P op basis van artikel 14bis, 1ste lid 1 943 klachten afkomstig van Franstalige en 2 371 van Nederlandstalige burgers. In orde van belangrijkheid kwamen, wat de rechtstreekse klachten bij de politie betrof, volgende feiten voor: klantonvriendelijk (148); niet akteren (136); agressieve houding (129); fout bij de uitvoering van taken (116); machtsoverschrijding (110); onjuiste vaststellingen (102); lakse of negatieve houding bij taakuitvoering (97); niet optreden (87); handelingen tegen de waardigheid of het imago (58); onbeleefdheid (61); niet vaststellen (53); partijdigheid (43) en misbruik van functie (29).
De meldingen bij het Comité P op basis van artikel 14bis, 2de lid tonen aan dat bij de lokale politie 514 tuchtsancties werden geregistreerd en bij de federale politie 187. De meeste sancties bij de federale politie werden getroffen in de eenheid Algemene reserve (DAR) (28), in de Directie van de politie van de verbindingswegen (DAC) (32) en in de federale gerechtelijke politie (de vroegere GDA) (44).
Feiten die in 2005 de hoofdmoot uitmaakten van een tuchtsanctie betroffen voornamelijk handelingen die de waardigheid van het ambt in gevaar brengen (33 tijdens de dienst, 46 buiten de dienst); misbruiken met opgave uren (36), voornamelijk te laat komen (27) en te vroeg weggaan (38); fouten bij de uitvoering van de dienst (57); gebruik van alcohol tijdens de dienst (58); lakse of negatieve houding bij taakuitvoering (27); integriteit (19); beschikbaarheid en onwettige afwezigheid (12 en 26 feiten); laattijdig uitvoeren van kantschriften en opstellen van processen-verbaal (21); weigeren bevel (18); gewelddaden tegen personen en goederen (18) en niet naleven van administratieve formaliteiten bij ziekte en afwezigheid (16).
Voor 2005 kan de opvallende bemerking worden gemaakt dat de feiten die men het vaakst terugvindt in de klachten, niet diegene zijn die het voorwerp uitmaken van de tucht. Bij tuchtzaken wordt de klemtoon veeleer gelegd op inbreuken met materiële gevolgen dan op het niet respecteren van de rechten die aan de burgers zijn toegekend.
De publicatie van de Deontologische code kan ertoe bijdragen dat ook inbreuken op andere waarden meer tuchtrechtelijk onder de aandacht worden gebracht.
In 2004 werd een stijging van de kwaliteit van toegezonden informatie door
sommige lokale politiekorpsen waargenomen en er is niet onmiddellijk een verklaring
waarom deze trend zich in 2005 niet heeft voortgezet. Elk korps wordt geregeld,
dit is om de 6 maanden, op de hoogte gehouden van de informatiestroom
die het Comité P nodig heeft en er wordt op regelmatige basis feedback
gegeven over de resultaten.
Sommige gegevens moeten de korpsen ook aan andere instanties leveren, zodat
er geen redenen zijn om geen kopie te sturen aan het Comité P of om niet
te laten weten dat er geen gegevens voorhanden zijn. Een reden verzinnen dat
het te maken heeft met een slechte organisatie of ontbrekende middelen is
na zo veel jaar (10 jaar) duidelijke verplichting de werkelijkheid serieus
geweld aand