Jaarverslag 2005

Inhoudsopgave

Het Comité P, het observatorium voor een globale visie op de politiezorg

Inleiding

Relaties met de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de rechten van de mens

Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse

Nieuwe bevoegdheden van het Comité P inzake private en bijzondere veiligheid

Weerstand tegen onderzoek en controle bij de politie

Toezichts- en opvolgingsonderzoeken

Doorgangscellen (amigo’s) en opsluitingen in politiekantoren

Fouilleringen en aanhoudingen door de politie

Terugdrijvingen en repatriëringen

Toepassing van de MFO-1

Interactie gerechtsdeurwaarders – politie

Controle op reizigers in logementhuizen

Beheersing van prostitutie en bestrijding van mensenhandel

Mensensmokkel

Centraal technisch interceptiesysteem

Oneigenlijke of verdachte bevragingen van gegevensbanken

Discriminatie binnen de politiediensten

Lokale vuurwapenregisters en het centraal wapenregister

Interpolitionele criminaliteitsstatistieken

Astrid

Eerste verslag omtrent het rapport “De zonale veiligheidsplannen 2005-2008” (CGL)

Spoorwegpolitie

Wegpolitie

Inzet van honden door de politiediensten

Optreden van bijzondere eenheden

Opslag van vuurwapens en munitie bij de politiediensten

Van hulpagent naar agent van politie

Nevenactiviteiten

Sponsoring van de leden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie

Vertrouwenspersonen

Politiewebsites

Interacties privé-publiek

Globale en geïntegreerde monitoring van de politiediensten

Klachten en aangiften 2005 - cijfergegevens
Vonnissen en arresten uitgesproken ten aanzien van leden van de politiediensten - artikel 14, 1ste lid

Opvolging van de verantwoorde en transparante implementatie van de wetten van 7 december 1998 en van 5 augustus 1992 alsook van andere bijzondere wetten betreffende de politionele opdrachten en bevoegdheden

Onthaal
Politionele slachtofferbejegening
Interventie
Vergaring en verwerking van informatie inzake bestuurlijke politie
Openbare orde in het algemeen
Het begeleiden en beheren van voetbalwedstrijden
Lokale recherche

Conclusies en perspectieven

De strategische en beleidsmatige keuzes
Een performant en modern beheer van de human resources
De implementatie van de politiefunctie (veiligheid)
Nog enkele laatste aandachtspunten
Perspectieven

Bijlage: Lijst van afkortingen


Het Comité P, het observatorium voor een globale visie op de politiezorg

Inleiding

Met de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse [i] werd een specifiek extern toezicht op de politiediensten ingevoerd dat wordt verzekerd door een onafhankelijke en neutrale actor, het Comité P.  
Het Comité P ziet in het bijzonder toe op de wijze waarop de doelmatigheid, de doeltreffendheid en de coördinatie worden gerealiseerd alsook op de wijze waarop de fundamentele rechten en vrijheden worden nageleefd in de uitoefening van de politiefunctie. Het Comité waakt erover dat het zijn opdrachten uitvoert in alle objectiviteit en transparantie ten behoeve van zowel de overheden als de burger. Binnen zijn bevoegdheidssfeer vallen alle politiediensten, alle agenten en officieren van gerechtelijke politie en alle personen die individueel bevoegd zijn om strafbare feiten op te sporen en vast te stellen.

De afgelopen jaren werd het Comité P in een voortdurend veranderend politie- en veiligheidslandschap voor nieuwe uitdagingen geplaatst, enerzijds door de onafgebroken stijging van het aantal vragen en klachten van burgers en politieambtenaren en anderzijds door de blijvende groei van het aantal opdrachten afkomstig van de overheden. Het Comité heeft dan ook een aantal belangrijke initiatieven genomen om zijn effectiviteit en efficiëntie nog meer te verhogen.

Zo werd begin 2005 gestart met het bijsturen van de bestaande strategische planning conform de verwachtingen van het Parlement en de burgers. Het mission statement en de strategische doelstellingen die de basis moeten vormen van de vernieuwde aanpak van het Comité P voor de komende drie jaren werden herijkt en vastgelegd in het strategisch plan 2005-2008. Het Comité P dient zijn activiteiten zo te organiseren dat het in staat is om te allen tijde een actueel en zo volledig mogelijk beeld van de politiefunctie op te hangen. De gehele werking moet aldus bijdragen tot de invulling van deze observatoriumfunctie. Het vernieuwde mission statement en de strategische doelen werden daarom opgebouwd rond vier grote assen: (1) de observatoriumfunctie, (2) de klachtenafhandeling, (3) de gerechtelijke onderzoeken en (4) de interne werking (zie schema infra).

Met betrekking tot de “observatoriumfunctie” zijn de strategische doelstellingen erop gericht het observatorium van de politiefunctie, dat de situatie, de evolutie en de impact van de politiewerking in ons land permanent opvolgt en evalueert, te optimaliseren door: (1) het proces van de beeldvorming, naar methodologie en input, te herzien en bij te sturen; (2) voor de toezichtsonderzoeken een verbeterde cyclische opvolging in plaats te stellen en te streven naar een verhoogde betrokkenheid van de bevoegde overheden; (3) de externe rapportering naar kwaliteit en periodiciteit te verbeteren; (4) via een intensievere opvolging van de uitgebrachte aanbevelingen nog beter bij te dragen tot de implementatie van noodzakelijke bijsturingen in de schoot van de betrokken diensten.        
Met betrekking tot de “klachtenafhandeling” zijn de strategische doelstellingen het verder uitbouwen en optimaliseren van de klachtenafhandeling over de uitoefening van de politiefunctie, als onderdeel van de beeldvorming in het observatorium, waarbij: (1) klachtenonderzoeken prioritair worden uitgevoerd naar structurele problemen verbonden met de doelmatigheid, de doeltreffendheid, de coördinatie en het niet respecteren van individuele rechten en vrijheden; (2) er een bijdrage wordt geleverd om een kwaliteitsvolle klachtenafhandeling en klachtenmanagement in de schoot van de politiediensten te blijven garanderen en waar mogelijk te verbeteren; (3) er wordt gestreefd naar een verbetering van de informatie-instroom over de resultaten van de klachtenonderzoeken uitgevoerd bij de politiediensten.        
Met betrekking tot de “gerechtelijke onderzoeken” bestaan de strategische doelstellingen erin de gerechtelijke onderzoeken prioritair uit te voeren in de domeinen die nuttige informatie opleveren voor het observatorium en waarvoor een bijzondere expertise vereist is of die een delicaat karakter hebben.  
Met betrekking tot de “interne werking” zijn de strategische doelstellingen gericht op het blijven garanderen van een performant werkende organisatie die streeft naar uitmuntendheid in een positief georiënteerde werksfeer.

Schema:         De assen van het mission statement

Met de goedkeuring van zijn parlementaire begeleidingscommissie, werd beslist terug te keren naar het origineel concept van het jaarverslag dat betrekking heeft op het parlementaire jaar en dat wordt neergelegd op de eerste dag van de gewone zitting van de Kamer van volksvertegenwoordigers en van de Senaat. Op grond van het verloop van de onderzoeken, analyses en activiteiten van het Comité P, zullen in dit verslag dan ook elementen worden opgenomen die betrekking hebben op het laatste deel van het parlementaire jaar 2005-2006. De meeste analyses werden trouwens afgerond op basis van de (gekende) toestand in juni 2006.

Het Comité P heeft zijn activiteitenverslag 2005 begin oktober 2006 neergelegd op het Parlement. Dit verslag, goedgekeurd door de Bijzondere commissie belast met zijn parlementaire begeleiding, kan worden geraadpleegd op de website van het Comité www.comitep.be.

Relaties met de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de rechten van de mens

De buitengewone aandacht die het besteedt aan de bescherming van de fundamentele rechten van de burgers in het kader van de uitoefening van het politieambt, maakt van het Comité P een bevoorrechte partner op Belgisch niveau van de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de rechten van de mens, onder meer het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT), het Comité tegen foltering van de Verenigde Naties (CAT), het Comité voor de rechten van de mens, de Europese Commissie tegen racisme en intolerantie (ECRI) en het Comité tegen rassendiscriminatie van de Verenigde Naties (CERD) [ii] .

Dankzij de diversiteit van de kennis en informatie waarover het thans beschikt, evenals de knowhow over het meten van politionele disfuncties die het de voorbije tien jaar als globaal observatorium van de politiefunctie heeft ontwikkeld, beschikt het Comité over een stevig onderbouwde kennisbron, die van zeker belang is voor de internationale instanties die toezien op de eerbiediging van de mensenrechten.

De voornaamste toezichtsonderzoeken die het Comité P in 2005 en 2006 heeft aangevat of voortgezet in dit domein betreffen de volgende thema’s: (1) racisme, discriminatie en diversiteit; (2) doorgangscellen (amigo’s) en opsluitingen in politiekantoren; (3) incidents in custody en (4) mensenhandel en prostitutie. De resultaten van de drie laatste onderzoeken werden trouwens besproken in afzonderlijke publicaties van het Comité P, in de vorm van cahiers gewijd aan de studie van elk van deze thema’s [iii] .

In 2005 en 2006 werd het Comité P zowel door de departementen Justitie, Binnenlandse Zaken als Buitenlandse Zaken aangezocht om een bijdrage te leveren tot de redactie van periodieke verslagen, met name: (1) het periodiek verslag van België aan het Comité tegen foltering van de Verenigde Naties, overeenkomstig artikel 19 van het Internationaal Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling en bestraffing; (2) het periodiek verslag van België aan het Comité tegen rassendiscriminatie van de Verenigde Naties, overeenkomstig artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van rassendiscriminatie.

In het kader van de opvolging van de behandeling van personen die van hun vrijheid zijn beroofd door de politie, heeft het Comité P in april 2005 het bezoek gekregen van de delegatie van het CPT. Dit was het vierde bezoek van het CPT aan België, na bezoeken in 1993, 1997 en 2001. Voor de uitwerking van het programma van dit bezoek, heeft het Comité P actief samengewerkt met het CPT en het alle inlichtingen bezorgd die nuttig werden geacht (met de nodige garanties op het vlak van vertrouwelijkheid) met betrekking tot de toestand van personen die door de Belgische politie worden vastgehouden. Voorts werd het Comité verzocht mee te werken aan het opstellen van het verslag van de Belgische regering in antwoord op het rapport aan de Belgische regering over het bezoek aan België van het CPT.

In februari 2006 werd het Comité P door het departement Justitie aangezocht in het kader van een vraag om inlichtingen uitgaande van de secretaris-generaal van de Raad van Europa betreffende het Belgische systeem voor de controle van niet-erkende vrijheidsberovingen door functionarissen behorende tot een andere staat. Deze vraag was gericht aan de verdragsluitende staten van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) naar aanleiding van het opstellen, door de Commissie juridische zaken en mensenrechten van de Raad van Europa, van een verslag over “De aantijgingen van het bestaan van geheime gevangenissen in de lidstaten van de Raad van Europa in het licht van het verslag betreffende de opsluiting van personen door de Verenigde Staten in Guantánamo Bay”.

Het Comité P zet zijn actie op verschillende fronten voort zodat de naleving van de rechten en vrijheden van de burgers bij de uitoefening van het politieambt almaar beter wordt verzekerd, en dit, afgezien van de samenwerkingsverbanden met de politieoverheden en -diensten, aan de hand van een optimale en transparante samenwerking met de internationale controle-instanties, door informatie en adviezen van hoogstaande kwaliteit te verstrekken en met hen van gedachten te wisselen.

Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse

Het Comité P kreeg de gelegenheid gehoord te worden nopens het initiatief van de regering tot oprichting van het ‘Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse’ (OCAD) naar aanleiding van het wetsontwerp betreffende de analyse van de dreiging. Het Comité was immers tot de vaststelling gekomen dat er een aantal bepalingen werden voorzien die een belangrijke impact hebben op zijn werking. Aan de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten werden bovendien een aantal wijzigingen aangebracht, waardoor de Comités P en I hun respectieve bevoegdheden drastisch uitgebreid zien tot een heel ander domein, met name dat van toezicht op een sui generis orgaan dat opereert in de materie van het terrorisme en extremisme.                 
Het Comité P achtte het bijgevolg nodig enkele bedenkingen te formuleren ter attentie van zijn parlementaire begeleidingscommissie en dus de wetgever.

Zijn bedenkingen hadden voornamelijk betrekking op de volgende aspecten: het feit dat de Comités P en I worden geacht gezamenlijk een orgaan te controleren dat wordt geleid door een lid van de rechterlijke orde; het feit dat Kamer en Senaat hun initiatiefrecht zouden verliezen en geen onderzoek meer kunnen vragen naar het OCAD; het probleem van het steeds toekennen van bijkomende taken aan de Comités P en I zonder dat wordt voorzien in bijkomende budgettaire middelen en tot slot, het feit dat de Dienst Enquêtes geen initiatiefrecht meer zou mogen uitoefenen ten aanzien van het OCAD.         
Het Comité P betreurt dat met de grote meerderheid van zijn opmerkingen geen rekening is gehouden.

Hoe dan ook, zal het Comité P, in samenwerking met het Comité I, alles in het werk stellen om, naar best vermogen en gegeven de instrumenten van controle die er wel zijn, de bedoelingen van de wetgever in de praktijk om te zetten. Het spreekt echter voor zich dat de kwaliteit van de controle recht evenredig is met de bereidwilligheid van het OCAD om zijn medewerking aan deze controle te verlenen. Dit laatste is dan ook een oproep aan de toekomstige directeur en adjunct-directeur van het OCAD om in een geest van samenwerking en op constructieve wijze de dialoog aan te gaan met beide Comités. Dit kan alleen maar in het voordeel van de verschillende instellingen zijn.

Nieuwe bevoegdheden van het Comité P inzake private en bijzondere veiligheid

De wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, zoals gewijzigd door de Programmawet van 27 december 2004, kent aan het Comité P een aantal nieuwe bevoegdheden toe inzake toezicht op de veiligheidsdiensten en -agenten die voor een openbare vervoersmaatschappij werken.

Bij een uitbesteding aan private partners van taken die vroeger tot het monopolie van de reguliere politiediensten behoorden, zeker wanneer dit gepaard gaat met het doorbreken van het geweldsmonopolie van laatstgenoemden, is een goede communicatie met de burger essentieel. Hij moet duidelijk ingelicht worden over het onderscheid tussen politie enerzijds en veiligheidsdienst of bewakingsonderneming anderzijds en over hun respectieve bevoegdheden.

Er dient op toegezien te worden dat, conform de bepalingen van artikel 8 van de wet van 10 april 1990 tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, door de bewakingsondernemingen of veiligheidsdiensten in hoofde van de burger geen misverstand wordt gecreëerd door het dragen van werkkledij en het gebruik van voertuigen die moeilijk te onderscheiden zijn van de uniformen en dienstvoertuigen van de reguliere politiediensten. Ook wat het gebruik van handboeien en verdedigingsspray betreft, dient erover gewaakt dat de voorschriften en het toezicht op het gebruik ervan aan dezelfde kwalitatieve eisen voldoen als bij de reguliere politiediensten.

Weerstand tegen onderzoek en controle bij de politie

Verantwoordelijkheidszin en transparantie (accountability) zijn essentiële waarden van politie die de wetgever van 1998 wenste in te voeren, zowel in het kader van de community policing als in het kader van de intelligence led policing (die trouwens intrinsiek met elkaar verbonden zijn). Toch moet er de facto in België nog een hele weg worden afgelegd.       
Aangezien de Deontologische code van de politiediensten onlangs is gepubliceerd, lijkt het ons dringend nodig dat de cultuur en de waarden, voornamelijk over essentiële vraagstukken, dringend veranderen in alle geledingen van de politiewereld, en dit zowel met betrekking tot het intern en het extern toezicht, zowel op nationaal als op internationaal vlak.

Volgens sommige auteurs zouden stilte, geheimhouding en solidariteit in verschillende opzichten, niveaus en gradaties het politiewerk karakteriseren tegenover de buitenwereld in het algemeen, tegen elke vorm van ‘als bedreiging ervaren’, elke vorm van externe inspectie of controle. In dat verband heeft het Comité P meer dan eens het klassieke voorbeeld kunnen vaststellen van informatie die hem niet of laattijdig wordt overgemaakt, hoewel die melding krachtens de wet verplicht is. Maar er worden ook allerhande andere vertragingsmanœuvres uitgevoerd, zelfs door het hoogste niveau van de betrokken hiërarchieën en in sommige gevallen blijkt daaruit duidelijk zo niet minachting, dan toch vrijpostigheid ten overstaan van het extern toezicht.  
Zelden was de weerstand frontaal of direct, maar toch zijn die gevallen verre van uitzonderlijk. En dan hebben we het nog niet over het stilzwijgen waarin sommigen zich hullen naar aanleiding van legitieme vragen van het Comité P of zijn leden.

Inzake politie-ethiek bestaat de uitdaging er dan ook niet alleen in de regels te veranderen, de Deontologische code van de Belgische politiediensten op korte termijn aan te nemen, maar ook een cultuurwijziging door te voeren en de nieuwe waarden te hanteren die duidelijk gewild zijn door de wetgever o.m. inzake accountability en transparantie.           
Men zal ook de louter defensieve houdingen achter zich moeten laten om te bouwen aan een nieuwe democratische en transparante politiestructuur, die kan leiden tot meer doeltreffendheid en meer vertrouwen van de burgers in de politie.

Toezichts-  en opvolgingsonderzoeken

Het globale en geïntegreerde toezicht van het Comité P spitst zich hoofdzakelijk toe op de drie voornaamste aandachtspunten die hem door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten zijn opgelegd, met name de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen, alsook de coördinatie en de doeltreffendheid/doelmatigheid [iv] van de politiediensten in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991.

Op basis van de aard en de draagwijdte van het toezicht en de doelstellingen die worden nagestreefd bij een bepaald onderzoek kunnen de toezichtsonderzoeken worden onderverdeeld in vier hoofdcategorieën, met name de toezichtsonderzoeken met betrekking tot: (1) de bescherming van de rechten van de mens en de doelmatigheid van de politie s.l.; (2) de coördinatie en de doelmatigheid van de politie s.l.; (3) de doelmatigheid van bepaalde politiediensten en (4) de onderzoeken die niet rechtstreeks of onvoldoende duidelijk in verband kunnen worden gebracht met één van de drie vorige categorieën.                                                                                         
Al deze toezichtsonderzoeken kunnen bovendien worden ingedeeld in enerzijds het thematisch gericht onderzoek en anderzijds het verantwoord en transparant toezicht toegespitst op een organisatie en haar (globale of geïntegreerde, zelfs specifieke) werking, meer bepaald de implementatie van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt, de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus, of nog, afgezien daarvan, de nieuwe gemeentewet, het Wetboek van Strafvordering of enige andere specifieke wetgeving of reglementering die een of andere politionele bevoegdheid in het leven roept of toekent en aldus bijdraagt tot de implementatie van de politiefunctie. Dit laatste soort toezicht wordt hoofdzakelijk uitgeoefend via toezichtsonderzoeken s.s., audits of preaudits, quick scans, opvolgingsonderzoeken of nog marginale controles van de functie intern toezicht wanneer het specifiek gaat om globale en geïntegreerde monitoring, enz.

Tussen 1 januari 2005 en 30 juni 2006 heeft het Comité P 90 toezichtsonderzoeken s.s. beheerd of uitgevoerd, 26 ervan werden in die periode aangevat. Deze onderzoeken worden aangevat hetzij uit eigen beweging, voornamelijk in het verlengde van de analyse van andere gegevens die bijvoorbeeld afkomstig zijn uit één of meer klachten, hetzij op vraag van het Parlement of van diverse overheden van bestuurlijke of gerechtelijke politie.

Doorgangscellen (amigo’s) en opsluitingen in politiekantoren

Net als de voorgaande jaren, hebben de commissarissen-auditors van het Comité P in 2005 en begin 2006 een bezoek gebracht aan de doorgangscellen van verschillende politiecommissariaten en hebben ze voor elke controle de gebruikelijke checklist ingevuld. In het Vlaamse Gewest werden de cellen van 31 commissariaten gecontroleerd, in het Waalse Gewest waren dat er 22 en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 7. Doorgaans waren deze bezoeken onaangekondigd en vonden ze plaats toen de enquêteurs ter plaatse waren om andere opdrachten te vervullen. De korpschefs of hun naaste medewerkers vergezelden de enquêteurs, die hen onmiddellijk hun eventuele opmerkingen of aanbevelingen meedeelden. In sommige gevallen werd a posteriori een brief gestuurd aan de korpschefs om hen te wijzen op de noodzaak om zich te richten naar sommige eerdere aanbevelingen van het Comité P of aanbevelingen geformuleerd door het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT).

Doordat het Comité P sinds 1997 bijna voortdurend controle uitoefent op de cellencomplexen, hebben heel wat korpschefs de inrichting van hun lokalen herbekeken, hun interne richtlijnen bijgewerkt en hun personeelsleden bewust gemaakt van de absolute noodzaak om de grondrechten van de aangehouden personen te eerbiedigen. Toch doen er zich nog een aantal problemen voor, soms zelfs bij herhaling.

Zoals herhaaldelijk onderstreept, is de vrijheidsberoving een extreme maatregel die slechts kan worden genomen in de gevallen die strikt door de wet zijn bepaald. Het is aan de politiehiërarchie – op alle niveaus – om erop toe te zien dat enkel wordt overgegaan tot een aanhouding, hetzij een bestuurlijke, hetzij een gerechtelijke, indien is voldaan aan de criteria van legaliteit en opportuniteit. Toch wordt het toezicht door de officieren van gerechtelijke politie (OGP) of de officieren van bestuurlijke politie (OBP) niet overal op dezelfde manier noch even doeltreffend uitgeoefend.   
Hoewel dit slechts randgevallen zijn, moet nogmaals worden onderstreept dat politieambtenaren nog te vaak hun toevlucht nemen tot de vrijheidsberoving vanuit de vaste wil de geïnterpelleerde persoon die een fout heeft begaan, onmiddellijk te bestraffen omdat sommigen lijken te betwijfelen of deze persoon later zal worden gestraft door de gerechtelijke instanties, die daartoe nochtans als enige gemachtigd zijn. De vrijheidsberoving wordt dan in se een drukmiddel, een dwangmaatregel of een soort van vroegtijdige sanctie.     
Het is ook niet ongewoon dat politieambtenaren een willekeurig iemand van zijn vrijheid beroven enkel en alleen omdat hij een politieman heeft beledigd. Hoewel hiervoor een proces-verbaal mag worden opgemaakt ten laste van de dader en hij daarvoor later kan worden gestraft, rechtvaardigt deze inbreuk in se niet altijd noch automatisch een gerechtelijke aanhouding. De opsluiting in de cel gebeurt dus nog te vaak zonder kennisgeving aan het parket en, als hij erover is ingelicht – soms laattijdig –, zal de officier van gerechtelijke of bestuurlijke politie er niet altijd een einde aan maken.      
Hetzelfde geldt op het vlak van openbare dronkenschap: een aangeschoten persoon systematisch opsluiten in de amigo, is geenszins gerechtvaardigd, tenzij, na een eventueel medisch onderzoek, de dronkenman een gevaar inhoudt voor zichzelf of voor iemand anders.

Ondanks de vooruitgang die terzake is geboekt, acht het Comité het van belang dat de overheden in deze materie nog verschillende punten verduidelijken, met name de celleninfrastructuur, de ligging van de cellen, hun inrichting en het betrekkelijke comfort dat de opgesloten personen moeten kunnen genieten (mogelijkheid om zijn natuurlijke behoefte te doen in een proper toilet, verstrekken van propere dekens, maaltijden, enz.); de bewaking en de noodzaak om zich de visu te vergewissen van de toestand van de aangehouden personen (door een oproepsysteem, rondes lopen, camerabewaking van de cellen, enz.); en de tussenkomst van een arts en de tenlasteneming van de kostprijs van het medisch onderzoek.

Zonder afbreuk te doen aan de verdiensten van de verschillende werkgroepen die zich over deze problematiek buigen en bij gebrek aan een initiatief die naam waardig op het niveau van de federale verantwoordelijken, moeten er in elke zone klare richtlijnen worden verspreid zodat iedereen weet hoe hij zich in dit verband dient te gedragen.

Fouilleringen en aanhoudingen door de politie

De afgelopen jaren werden bij het Comité P verscheidene dossiers geopend die aan het licht hebben gebracht dat sommige politieambtenaren bepaalde gewoonten hadden aangenomen in het kader van de fouilleringen die ze verrichtten in uitvoering van de wet op het politieambt.                                                                   
Voor de meeste klachten die het Comité in dit kader heeft geanalyseerd, was het niet mogelijk de waarachtigheid van de feiten te achterhalen. Dit neemt niet weg dat sommige gedragingen, al dan niet bewezen, vaker dan andere door de klagers naar voren worden geschoven. Met behulp van een inventaris van deze onaangepaste gedragingen en van de ‘abnormale’ omstandigheden waarin sommige fouilleringen plaatsvinden, zou de aandacht van de bevoegde overheden moeten kunnen worden gevestigd op sommige aspecten van de problematiek om daaruit gedragslijnen voor de toekomst te kunnen afleiden.

In het verleden heeft het Comité P heel wat verbeterpunten, disfuncties of misbruiken vastgesteld bij de verrichting van fouilleringen en/of aanhoudingen zowel van gerechtelijke als van bestuurlijke aard. Bijgevolg heeft het Comité beslist een onderzoek te starten om de oorzaken en omstandigheden van deze misbruiken of disfuncties te achterhalen. In de eerste fase van dit onderzoek werden de cursussen van de politiescholen onder de loep genomen, net als de nota’s en richtlijnen uitgevaardigd in een aantal politiezones en bij de federale politie. Daarna werd een kennistest afgenomen van de aspirant-inspecteurs van politie op het einde van hun opleidingscyclus in de politiescholen en van de aspirant-commissarissen van politie.

Dit onderzoek bevestigt wat reeds werd besproken in onze laatste twee jaarverslagen met betrekking tot de kennis, de verwerking en de toepassing van de wet op het politieambt. De resultaten van het onderzoek versterken ons in onze mening om van naderbij aandacht te besteden aan de opleidingen die worden gegeven aan de aspirant-politieambtenaren en aan de politieambtenaren, niet alleen in basismateries maar ook in meer gespecialiseerde domeinen. De oefening die werd herhaald in 2005, hoewel betere resultaten kunnen worden vastgesteld, strekt ertoe aan te tonen dat er inspanningen moeten worden geleverd door alle partners die betrokken zijn in het opleidingsproces.

De opleiding geniet bijzondere aandacht en belangstelling, zowel van de verschillende verantwoordelijken van de geïntegreerde politie als van de bevoegde overheden en wij hebben de gelegenheid gehad om daarover met succes van gedachten te wisselen.                                                                                                             
Een reglementaire bepaling betreffende de verschillende normen en standaarden die toepasbaar zijn inzake opleiding zou zo snel mogelijk moeten worden genomen. Daarnaast meent het Comité dat de opleidingen, cursussen en trainingen voortaan zouden moeten worden opgevolgd door een component van de geïntegreerde politie en met zekere regelmaat zouden moeten worden gecontroleerd door een autonoom orgaan zoals bijvoorbeeld de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie.

Terugdrijvingen en repatriëringen

Sinds 2003-2004 loopt er een toezichtsonderzoek rond de problematiek repatriëringen. De onderzoeksverrichtingen door de Dienst Enquêtes P in dit dossier zijn beperkt, aangezien de minister van Binnenlandse Zaken specifiek de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (AIG) belast heeft met de opvolging van het ‘dossier repatriëringen’. De AIG maakt hieromtrent jaarlijks een verslag ad hoc op voor de minister van Binnenlandse Zaken.

In 2005 werden geen incidenten of disfuncties vastgesteld bij de verwijderingspogingen uitgevoerd door LPA/BRUNAT. Er vielen iets meer klachten te noteren dan in 2004, maar toch is het aantal relatief laag en vrijwel verwaarloosbaar in vergelijking met het aantal verwijderingspogingen.        
Ho
ewel er geen disfuncties werden vastgesteld in 2005, werden er door LPA/BRUNAT toch verschillende organisatorische maatregelen genomen, met name: (1) een verbetering van het beheer van de bagage en de goederen van de te verwijderen persoon; (2) de implementatie van quickrelease-dwangmiddelen; (3) de optimalisering van de samenwerking met SNBA en DVZ.

In het verlengde van de conclusies van de vorige jaren kan opnieuw gesteld worden dat LPA/BRUNAT de verwijderingen in 2005 op professionele wijze heeft uitgevoerd. Bovendien trachtte deze dienst te anticiperen op de conclusies van de Commissie Vermeersch II, behoedde hij zich permanent voor individuele ontsporingen en nam hij de nodige organisatorische maatregelen ter optimalisering van een efficiënte en effectieve verwijderingspolitiek. Ter ondersteuning van de door LPA/BRUNAT genomen initiatieven, is het noodzakelijk dat de FOD Binnenlandse Zaken in het raam van de aanbevelingen van de Commissie Vermeersch II de federale politie officieel op de hoogte brengt van de in aanmerking genomen aanbevelingen en de implementatie ervan.

Toepassing van de MFO-1

Uit een punctueel gerechtelijk onderzoek dat in 2002 gevoerd werd door de Dienst Enquêtes van het Comité P naar de ontsnapping van een gevangene tijdens zijn overbrenging, kwam een gebrek aan exploitatie, registratie en uitwisseling van informatie met betrekking tot de gedetineerden naar voor: hierdoor kon diens gevaarlijkheid niet ingeschat worden, evenmin als het risico op ontsnapping. Het Comité P besloot terzake een ruimer onderzoek in te stellen met als doel te komen tot een betere informatiestroom, zoals voorzien in de ministeriële omzendbrief MFO-1. Zo kan enerzijds de veiligheid van het politie- en penitentiair personeel, belast met de overbrenging van gedetineerden, vergroot worden en anderzijds het risico op ontsnapping tijdens de overbrenging verkleind worden.

Het onderzoek dat in twee fasen liep tussen eind 2002 en november 2005 bevestigde dat er verschillende partners betrokken zijn in de hiervoor geschetste informatiestroom. Het gaat met name om: de lokale politiezones, het AIK, de strafinrichtingen, de DirCo’s-DirJu’s en de directies van de federale politie (DGA/DAO-DGS/DSB-DST). Op grond van de vaststellingen die het met betrekking tot elk van de partners deed, komt het Comité P tot de belangrijke conclusie dat anno 2005 de evaluatie van de dreiging vaak te zeer beperkt is tot het lokale niveau: er wordt nog altijd geen gezamenlijk beeld van de dreiging geschetst door de federale politie, de politiezones en het Directoraat-generaal Uitvoering van Straffen en Maatregelen.
Illustratief voor dit alles is dat: (1) de lokale rechercheurs en de federale gerechtelijke onderzoekers zich weinig bewust zijn van de dreigingskwestie, vermits ze maar partieel met overbrengingen te maken hebben; (2) de informatie in SIDIS weinig bruikbaar is voor operationele politiedoeleinden; (3) er een gebrek aan eensgezindheid is inzake de meest geschikte plaats om informatie over het ontsnappingsrisico te coderen in de ANG; (4) het feit dat de fiches “Memo lang”, nuttig en lokaal heel veel gebruikt, niet opgenomen zijn in het penitentiaire dossier van de gedetineerde noch op geïnformatiseerde wijze gearchiveerd zijn op het niveau van het voormelde Directoraat-generaal; (5) het feit dat de fiches “IGO” (met informatie over elke anomalie betreffende de gedetineerden en hun ontsnappingsmiddelen) enkel intern in het gevangeniswezen gebruikt worden en niet meegedeeld worden aan de politiediensten.

Terugkoppelend naar de MFO-1, die een globale aanpak voorschrijft, stelt het Comité P dat – naast de nodige (herhaalde) duiding van het belang van een en ander, zowel aan de politiediensten als aan de gevangenisadministratie – een supralokale beheerswijze, thans ontbrekend, zich opdringt. In dit kader is de oprichting op middellange termijn van een uniek informaticaoverlegplatform, waarin alle partners van relevante informatie participeren, noodzakelijk. Ondertussen dient alvast door het voormelde Directoraat-generaal en de betrokken algemene directies van de federale politie overlegd te worden over de toezending van de hoger aangehaalde fiches en over hun archivering voor operationeel gebruik. Het Comité P zal een en ander opvolgen en over twee jaar een nieuwe stand van zaken opmaken.

Interactie gerechtsdeurwaarders – politie

Er werd door het Comité P een eerste algemene analyse gemaakt van de samenwerking tussen de gerechtsdeurwaarders en de politie. 
Terzake komen in het bijzonder de volgende knelpunten naar voor. Vooreerst blijkt, niettegenstaande de wettelijke bepalingen, de draagwijdte van de bijstandsopdracht van de politie onduidelijk te zijn, meer bepaald wat het concrete optreden zelf betreft. De problemen situeren zich hier op het vlak van de preventieve vordering versus een capaciteitsplanning, de draagwijdte van de fysieke tussenkomst, het al dan niet tekenen op de stukken van de deurwaarders, de interventie inzake het hoederecht over kinderen, de (beperkte) mogelijkheden tot informatieverstrekking aan de deurwaarder en het beheer van neergelegde deurwaardersexploten in de politiekantoren. Hierbij valt aan te stippen dat een klachtenanalyse aangaf dat, wanneer een politiebeambte een actieve rol aanneemt wanneer hij met een deurwaarder optreedt, dit leidt tot rolverwarring in hoofde van de burger. Ook de kwestie van de betaling door de deurwaarder wordt naar de vigerende deontologische regels toe bepaald als contradictorisch ervaren. Daarnaast is gebleken dat de politie de taak van bijstand aan de deurwaarders eerder als een last aanziet.

Vanuit de idee dat het vervullen van de bijstandstaak naar wijkwerking toe nuttig kan zijn, is het Comité P van oordeel dat enerzijds een ruimer debat zinvol is om de plaats van de betrokken taak binnen de politie te kaderen (uitvoering door een wijkagent? door specialisten? door interventieploegen?) en anderzijds een gestructureerde behandeling van de betrokken taak tijdens de opleiding zich opdringt.         
De betaling door de deurwaarder dient afgeschaft te worden. Initiatieven om per arrondissement protocollen af te sluiten tussen de verschillende betrokken actoren verdienen navolging.

Controle op reizigers in logementhuizen

In de marge van zijn onderzoek naar internationale politiesamenwerking werd het Comité P ingelicht over het feit dat de wettelijke voorschriften betreffende de controle op reizigers die in logementhuizen verblijven niet in alle politiezones op systematische en uniforme wijze zouden worden nageleefd. Het Comité heeft bijgevolg, in juni 2005, beslist een toezichtsonderzoek aan te vatten en heeft aan alle korpschefs van de 196 politiezones een vragenlijst gestuurd met betrekking tot de wijze waarop in hun dienst de controle op reizigers in logementhuizen in de praktijk wordt verricht. In de gevallen waarin er geen of niet langer controles werden uitgevoerd, werd gepeild naar de reden(en) daarvoor.

Van de 196 bevraagde politiezones hebben er 178 binnen de toegestane termijn geantwoord, zijnde 90,81 %. Honderdvierentwintig korpschefs, of zowat 70 % van de respondenten, hebben verklaard de hotelfiches geregeld te controleren. Toch verloopt deze controle niet overal systematisch en is er geen eenvormige wijze van controle in alle politiezones. Vierenvijftig korpschefs, of ongeveer 30 % van de respondenten, melden dat ze de hotelkaarten niet (meer) controleren. Hiervoor worden allerhande redenen aangehaald.

Onze aandacht werd gevestigd op de briefwisseling tussen de minister van Justitie en de voorzitter van de Vaste Commissie van de lokale politie (VCLP). De minister maakte gewag van de noodzaak om de wet van 17 december 1963 en haar uitvoeringsbesluit aan te passen, rekening houdend met de mogelijkheden die het informaticatijdperk biedt. Een mogelijk voorstel tot modernisering is dat de reizigers elektronisch worden geregistreerd door de hoteluitbater en dat deze gegevens via e-mail worden gestuurd aan de politiedienst belast met de controle. Aangezien de lokale politie rechtstreeks betrokken is bij de toepassing van deze wetgeving, heeft de minister van Justitie zich gewend tot de voorzitter van de VCLP om van hem te vernemen of hij een wijziging van de wetgeving in die zin opportuun acht. 
De VCLP vindt dat het behoud van deze wetgeving, die in de praktijk niet meer wordt of kan worden toegepast door de politiediensten, ter discussie moet worden gesteld. Indien zou worden beslist de registratieverplichting te behouden, meent de Vaste Commissie dat de modernisering zou moeten gebeuren via een digitale registratie door de hotelhouders gekoppeld aan een automatische controle in de Algemene nationale gegevensbank (ANG).

Volgens het Comité P biedt het vigerend wettelijk kader de politiediensten een zeker en discreet middel om een doeltreffende controle op de reizigers te verrichten, zowel vanuit preventief als vanuit repressief oogpunt. Het toezichtsonderzoek heeft een aantal moeilijkheden aan het licht gebracht in de concrete toepassing van de wetgeving inzake controle op reizigers en vooral een gebrek aan uniformiteit en systematisatie binnen de verschillende lokale politiezones van het koninkrijk. Dit neemt niet weg dat die controle een duidelijke wettelijke verplichting is.
Iedere eventuele wijziging van die wetgeving moet dus vooraf worden bekeken in het licht van de beginselen vervat in het artikel 45 van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord zoals bekrachtigd door de wet van 18 maart 1993, met name de registratieverplichting van reizigers in hoofde van de hotelhouders en de controle door de politie. Op nationaal niveau kan het debat dus geen betrekking hebben op de opportuniteit van het behoud van dat controlemechanisme, dat door sommigen als verouderd wordt bestempeld.

Op basis van informatie van de lidstaten-ondertekenende partijen van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord dient te worden vastgesteld dat, niettegenstaande de registratie van reizigers in de Schengenzone in de meeste bevraagde lidstaten op regelmatige wijze lijkt te zijn verwezenlijkt, de politionele controle op de reizigerskaarten niet uniform noch systematisch wordt verricht, meestal door een gebrek aan capaciteit en tijd.
In dit algemeen kader zou het dan ook interessant kunnen zijn om de discussie over deze problematiek op gang te brengen binnen de werkgroep ad hoc die op het niveau van de Europese Unie is opgericht en belast is met de implementatie en opvolging van de Overeenkomst ter uitvoering van het te Schengen gesloten akkoord, alsmede met het zoeken naar praktische, gemeenschappelijke oplossingen.

Beheersing van prostitutie en bestrijding van mensenhandel

Het Comité P verrichtte in 2005 aanvullend onderzoek naar de politionele opvolging van prostitutie en mensenhandel in Brussel-Hoofdstad. Hiermee wordt aangesloten bij een thematiek waarvoor niet alleen het Comité P, maar ook de overheden belangstelling hebben. De algemene beeldvorming met betrekking tot de voormelde fenomenen werd geactualiseerd, onder meer op grond van verschillende gesprekken.

Wat de algemene beeldvorming betreft, werd vastgesteld dat de dienst mensenhandel het belang van opleiding erkent in een fenomeengerichte aanpak van een en ander. In dit kader heeft hij in 2005, tijdens een vergadering met de verantwoordelijken van de politieopleidingscentra, aangeboden een module “slachtoffers van mensenhandel” te integreren in de basisopleiding, aansluitend bij het lessenpakket “slachtofferbejegening”. Aan te stippen valt hierbij dat sedert de inwerkingtreding van een wet van 10 augustus 2005 elke persoon, dus ook elke Belg of onderdaan van de EU die in België wettig verblijft, kan vallen onder de kwalificatie “slachtoffer van mensenhandel”. Overigens participeert de dienst mensenhandel thans reeds in een aantal bestaande opleidingen inzake mensenhandel.

Naar de aanpak van de fenomenen toe, waarbij een onderscheid gemaakt dient te worden tussen lokaal prostitutiebeheer en bestrijding van mensenhandel, beveelt het Comité P tegen de achtergrond van de omzendbrief COL 10/2004 van het College van procureurs-generaal aan dat de verbindingsmagistraat bij het parket van eerste aanleg voor zijn twee- of driemaandelijks overleg ter bestrijding van de prostitutie en de mensenhandel niet alleen de actoren, vernoemd in de COL 10/2004, zou uitnodigen, maar tevens alle personen en diensten die volgens hem een nuttige bijdrage kunnen leveren tot de opsporingen en de vervolgingen. Hierbij denkt het Comité P aan de Dienst Vreemdelingenzaken en de Bijzondere belastingsinspectie.
Daarnaast adviseert het Comité P de voormelde omzendbrief die uitgaat van de prostituee als slachtoffer, nauwgezet te volgen, waar zijn uitvoering – onder meer door controles – leidt tot een accurate registratie van informatie in het AIK. Thans blijkt dit niet altijd het geval te zijn. In haar optreden moet de politie zoeken naar een evenwicht tussen enerzijds de maatregelen tegen mensenhandel en anderzijds de bescherming van de mensenrechten in hoofde van de slachtoffers. Er moet worden gezocht naar zo veel mogelijk bewijselementen, temeer daar dit kan bijdragen tot de algemene beeldvorming van het fenomeen mensenhandel, wat essentieel is voor de uitwerking van een strategie inzake preventie, proactieve werking, repressie en nazorg.

Mensensmokkel

Het Comité P peilde in maart 2004 naar de verwachtingen van het federaal parket, Eurojust en Europol inzake de aanpak van mensensmokkel, alsmede naar de mate waarin de Belgische politiediensten daaraan voldoen. Begin januari 2006 volgde dan – door middel van de afname van interviews van enkele bevoorrechte getuigen – een summier opvolgingsonderzoek. Hierin werd gepolst naar de evolutie van een aantal initiatieven en werd overgegaan tot de evaluatie van de inzet van technische middelen, de coördinatie en het verzamelen, verwerken, analyseren en verspreiden van inlichtingen.

De slotsom van het opvolgingsonderzoek was zeer positief naar de inbreng van de politiediensten in de strijd tegen mensensmokkel toe: het federaal parket, Europol en Eurojust bleken terzake zeer tevreden te zijn. Er bleek namelijk dat door alle betrokken actoren in het politielandschap op een doordachte, continue en geïntegreerde wijze initiatieven ontwikkeld werden met het oog op het verhogen van de effectiviteit en efficiëntie van de aanpak van mensensmokkel. Het Comité P, dat in een cahier een gedetailleerd overzicht biedt van zijn toezichtsonderzoeken inzake de politionele aanpak van mensensmokkel, mensenhandel en prostitutie, sluit dit dossier dan ook voorlopig af.

Temeer daar – Europa is zich daar terdege van bewust – mensensmokkel een grensoverschrijdend fenomeen is dat nogal eens durft te verhuizen van het ene naar het andere land en van voorwerp verandert (zo kan het brandpunt komen te liggen bij schijnhuwelijken, valse documenten, enz.), geeft het Comité P nog wel mee dat men blijvend dient te investeren in het fenomeen en men voldoende capaciteit moet besteden aan onderzoek naar de nieuwe fenomen die er vooral op gericht zijn bepaalde personen illegaal in het land te laten blijven. Dit is zeker zo nu de aanpak van mensensmokkel noodzakelijkerwijs en in steeds toenemende mate samenwerking met buurlanden impliceert.

Centraal technisch interceptiesysteem

Uit twee – het ene volgde uit het andere – gerechtelijke onderzoeken in relatie tot artikel 314bis, § 1 Sw., door de Dienst Enquêtes uitgevoerd, kwam in 2004 een aantal anomalieën naar voor inzake het beheer van de administratieve gegevens met betrekking tot telefoontaps en/of -observaties, niet enkel op het niveau van de telefoonoperatoren, maar ook op het niveau van het centraal technisch interceptiesysteem (CTIF). Om de oorzaken van een en ander te achterhalen, voerde het Comité P een toezichtsonderzoek uit. In 2005 breidde het Comité dit onderzoek uit en zette het voort bij het CTIF van de federale politie.

Het Comité P situeert de kwestie van de disfuncties op vier niveaus, met name: (1) het CTIF van de federale politie; (2) de telefoonoperatoren, betrokken bij het dossier; (3) de wetgeving; en (4) het toezicht op de toepassing van de tapwetgeving. Het Comité P is alvast van oordeel dat er actueel sprake is, althans buiten een gerechtelijk kader, van een gebrek aan toezicht op de telefoondossiers bij het CTIF van de federale politie en op de dossiers, bijgehouden door de telefoonoperatoren. Gelet op de aanzienlijke democratische en financiële belangen die bij de organisatie van een telefoontap of -observatie op het spel staan, dringt een of andere controle zich op.     
In deze context vindt het Comité P het alvast niet wenselijk dat het CTIF bekleed wordt met de opdracht alle facturen te controleren die uitgaan van de telefoonoperatoren voor opdrachten uitgevoerd ten bate van de FOD Justitie. Het Comité stelt zich uitdrukkelijk vragen bij de wettelijkheid van de ministeriële omzendbrief betreffende gerechtskosten in strafzakentelefonie die deze opdracht verleent aan het CTIF.

De nieuwe geïnformatiseerde gegevensbank TANK, een administratief instrument bedoeld om in een paar tellen een globaal beeld in real time te krijgen van alle actieve maatregelen in België (intercepties en observaties), kan hier ook haar nut bewijzen. Een actueel minpunt van deze gegevensbank is alvast dat ze, vermits ze geen operationele resultaten bevat over uitgevoerde observaties of intercepties, niet toelaat de door haar bevatte informatie te linken met de gegevens waarover de verschillende telefoonoperatoren beschikken.

Oneigenlijke of verdachte bevragingen van gegevensbanken

Het Comité P is er in het bijzonder om bekommerd normvervaging bij de politiebeambten tegen te gaan. Een dergelijke attitude durft zich nogal eens te uiten in het oneigenlijk bevragen van gegevensbanken, wat bijvoorbeeld het geval is wanneer men over personen, al dan niet familie of bekenden, informatie opzoekt, zonder dat dit in verband gebracht kan worden met de taakuitvoering door de politiebeambte. In 2005 onderzocht het Comité P in deze context twee samenhangende dossiers.

Dat onderzoek wees manifest in de richting van normvervaging met betrekking tot het gebruik van de aan de politiebeambten ter beschikking gestelde informaticatoepassingen. In een substantieel deel van de onderzochte gevallen kon namelijk geen verantwoording gegeven worden voor de controle van de betrokken private personen in de politionele of externe databases; vaak bleek er sprake van een oneigenlijk gebruik van de databases om private redenen.

Gelet op deze vaststelling, beveelt het Comité P aan de bestaande wetgeving aan te vullen met een bijzondere bepaling die het oneigenlijk gebruik van de voor de politie beschikbare informatie strafbaar stelt.

Daarnaast herhaalt het Comité met klem zijn reeds eerder geformuleerde aanbeveling verplicht te stellen om het veld “reden van bevraging” in Portal telkens in te vullen. Naast het preventieve effect dat hiervan uitgaat, ontneemt het de persoon, verdacht van oneigenlijk gebruik van de databanken, de mogelijkheid te stellen dat hij niet meer weet waarom hij de bevraging deed.          
Een en ander betekent niet dat een algemene bijsturing zich niet zou opdringen: de personeelsleden dienen overtuigd te worden van de noodzaak de privacy van de burgers en van hun collega’s te respecteren. Een belangrijke rol terzake berust bij de functionele beheerders die ook geregeld controles dienen uit te voeren op het gebruik van de databases en hun rol niet mogen beperken tot de formele procedures voor het voeden van de ANG.

Discriminatie binnen de politiediensten

In de loop der jaren heeft het Comité P getracht problemen van discriminatie, onverdraagzaamheid, racisme en xenofobie binnen de politiediensten of bij politieambtenaren op te volgen. Ook in 2005 heeft het dit thema ter harte genomen. Meer bepaald werd, in geregeld contact met de Cel Gelijke Kansen van de federale politie, nagegaan in welke mate gevolg werd gegeven aan het actieplan Diversiteit en zijn bijbehorende projecten (met name de oprichting van een netwerk diversiteit en de ontwikkeling van vormen van externe samenwerking, onder meer met de universiteiten).

Vastgesteld werd dat het actieplan enerzijds op vele gebieden verder uitgewerkt werd en anderzijds, ook in functie van een meer realistische uitvoeringstiming, voortdurend aangepast werd. Het Comité P is niet tegen aanpassing, temeer men steeds de aanvankelijke doelstellingen ervan moet blijven nastreven en een geïntegreerde aanpak van de ondernomen acties in stand gehouden dient te worden. Hierbij is het niet onbelangrijk vast te stellen dat – doordat de budgettering soms ontbreekt – de financiering van de voorziene acties wel eens problematisch is. Het behoort dat de verantwoordelijken van de pilootprojecten de manier waarop de impact van het actieplan gemeten wordt, opnieuw beschrijven. Tevens zou door DGP/DPI een document opgesteld moeten worden waarin de acties die vertraging opgelopen hebben of uitgesteld zijn, uitvoeriger beschreven worden. Naar duidelijkheid toe, ook inzake personeelsbeheer, is het aangewezen dat het plan op geïntegreerde wijze voorgesteld zou worden door de Algemene directie personeel.

Er zal onder meer nagegaan worden of er voorzien dient te worden in een voortzetting van de pre-entry trainings, waarvan de financiering door het Impulsfonds voor het migrantenbeleid dreigt weg te vallen. Tevens kan in dat kader de werking van het netwerk diversiteit – thans op de goede weg, vermits de leden ervan bepaald werden en zijn communicatie-instrumenten geleidelijk ingevoerd worden – geëvalueerd worden.

Lokale vuurwapenregisters en het centraal wapenregister

Het Comité P heeft vastgesteld dat het het centraal wapenregister, sedert 2001 overgeheveld naar de federale politie, vanaf zijn oprichting altijd aan capaciteit ontbroken heeft om al zijn opdrachten te vervullen.

Uit een opvolgingsonderzoek naar de opslag van wapens en munitie in de politiezones is gebleken dat heel wat politiewapens mogelijkerwijs niet opgenomen zijn in het centraal wapenregister.   
Volgens het Comité P dringen zich terzake dan ook geregelde inspecties op, zowel op het niveau van de hiërarchie als op het niveau van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie.

Interpolitionele criminaliteitsstatistieken

In het kader van het dossier “Criminaliteitsstatistieken” heeft het Comité P in 2005 een nieuwe status quaestionis opgemaakt in verband met de interpolitionele criminaliteitsstatistieken, terecht een punt van aandacht van de Commissie belast met de parlementaire begeleiding van het Comité P. Op die manier werd er een actualisering tot stand gebracht van eerdere follow-ups van 2003 en 2004.

Onder meer in gesprekken met de directeur-generaal van de Algemene directie operationele ondersteuning en met de directeur van de Algemene nationale gegevensbank (ANG) werden – met het oog op de opvolging van de situatie inzake de opmaak van criminaliteitsstatistieken – de volgende zaken nagegaan: (1) de globale en algemene evolutie van de voeding van de ANG; (2) de initiatieven, ontplooid om de opmaak van de criminaliteitsstatistieken te verbeteren: deze kaderen hoofdzakelijk in het nationaal veiligheidsplan 2004-2007 en houden verband met het strategische thema betreffende het beheer van de operationele informatie en de gemeenschappelijke telematica binnen de geïntegreerde politie; (3) de omstandigheden waarin de criminaliteitsstatistieken opgemaakt worden, waarbij gekeken werd of ze bruikbaar zijn in het kader van de politiewerking en of zij beantwoorden aan de politionele behoeften; en (4) de concretisering van de maatregelen, voorzien in het kader van het nationaal veiligheidsplan, meer in het bijzonder de maatregelen die de creatie beogen van een systeem voor kwaliteitsbeheer van operationele en statistische informatie. Aan te stippen valt dat vastgesteld werd dat een aantal initiatieven, eerder op gang gebracht door DSB in het kader van het systeem voor het kwaliteitsbeheer van informatie, stopgezet werden, vermits de situatie gunstig evolueerde of om opportuniteitsredenen.

Thans kan gesteld worden dat de geïntegreerde politie anno 2005 beschikt over betrouwbare cijfers voor vijf opeenvolgende jaren (2000 tot en met 2004). Dit houdt in dat actueel tendensen aangegeven kunnen worden in de evolutie van verschillende criminaliteitsfenomenen. Tevens kan komaf gemaakt worden met de tot vandaag steeds terugkerende polemiek over de eenvoudige vergelijkingen tussen twee refertejaren (de twee meest recente) die volledig aleatoir kunnen zijn. Het Comité P is van oordeel dat de loutere vaststelling van een verschil tussen twee cijfers die geen betrouwbare informatie opleveren, nietszeggend is: het – thans is dit mogelijk – schetsen van reële tendensen, zonder ze te verklaren, verdient hierop de voorkeur; voor zover statistisch onderbouwd, betreft het hier namelijk een neutrale operatie.

Ondanks dit positieve gegeven dient nog wel een waarschuwing meegegeven te worden. Rekening houdend met het noodzakelijkerwijze beperkende karakter van de informatie vervat in de cijfers van de geregistreerde criminaliteit, dient gepleit te worden voor een meer systematische en regelmatige aanpak van de raming van het dark number voor sommige van de meest relevante fenomen in België, een gegeven waardoor de gepubliceerde cijfers gerelativeerd zouden moeten worden.

Astrid

In 2003 werd het toezichtsonderzoek Astrid opgestart met als doel: “De werking en implementatie van het communicatiesysteem ASTRID ten behoeve van politie- en bij uitbreiding van de veiligheidsdiensten in het algemeen, opvolgen en evalueren. Die opvolging kadert in het verlengde van het toezichtsonderzoek dat werd gevoerd omtrent de werking van de oproepen naar het noodnummer 101”. Concreet moet het toezichtsonderzoek een antwoord bieden op de vraag wat de meerwaarde is van het Astridcommunicatieproject en hoe en wanneer de werking van het systeem gemaximaliseerd kan worden. Dit alles dient geëvalueerd te worden in termen van een betere coördinatie tussen en een effectievere en efficiëntere werking van de politiediensten.

In 2005 is gebleken dat er vooruitgang merkbaar is inzake de implementatie van het Astridproject binnen de geïntegreerde politie: de betrokken actoren blijken zich bewust te worden van de voordelen die dit systeem ontegensprekelijk heeft, zowel op het vlak van de radiomiddelen (veiligheid, betrouwbaarheid, gespreksgroepen) als op het vlak van de CAD’s en de CIC’s (ondersteuning, coördinatie, opvolging, beleidsinstrument).

Dit neemt niet weg dat globaal gesteld dient te worden dat de implementatie als dusdanig nog steeds vrij traag verloopt en dit niettegenstaande bepaalde politieke intentieverklaringen, wetgevende initiatieven (tenlasteneming van kosten, neutrale calltakers, detacheringen, enz.) en de samenwerking tussen N.V. ASTRID en de federale politie. Gesteld kan dan ook worden dat men nog steeds ver verwijderd is van de maximale benutting van het systeem, temeer daar zich ook nog bijna dagelijks verschillende knelpunten in de werking ervan aandienen. Thans kan derhalve niet voorspeld worden wanneer het integrale Astridsysteem – dat ongetwijfeld zal bijdragen tot een efficiëntere politiewerking – in voege zal zijn.
Het is in elk geval al een goede zaak dat, enerzijds, alle CIC’s sinds eind 2005 operationeel zijn (sommige slechts gedeeltelijk) en, anderzijds, al tal van verbeterpunten inzake het systeem gekend zijn. Bovendien zijn alle partners bereid mee te werken aan de verbetering van de knelpunten. Het gegeven dat dit project zeer duur is, noopt des te meer tot een permanent toezicht op alle partners van het Astridproject, opdat een efficiëntere en effectievere geïntegreerde politiewerking inderdaad bereikt en behouden kan worden.

Eerste verslag omtrent het rapport “De zonale veiligheidsplannen 2005-2008” (CGL)

Het Comité P ontving het statistische rapport “De zonale veiligheidsplannen 2005-2008”, dat opgesteld werd door de federale politie, meer bepaald de Directie van de relaties met de lokale politie (CGL). In dit rapport analyseert CGL de zonale veiligheidsplannen op het vlak van methodologie, strategie, organisatie en deployment. Onder deze laatste noemer werden twee thema’s behandeld: overeenkomsten door de zones en capaciteit.

Het Comité P nam in 2005 dit rapport door vanuit de focus van zijn eigen taakstelling, zoals bepaald in artikel 1 van zijn organieke wet van 18 juli 1991. De relevante kwesties op het vlak van democratische werking van de politiediensten, hun integriteit en community policing werden gecapteerd. Hierbij geeft het Comité P aan op welke punten een en ander in de toekomst nader uitgewerkt zou kunnen worden.

Spoorwegpolitie

Het Comité P analyseerde in juni 2004 de verschillende klachten die het registreerde inzake de dienstverlening door de spoorwegpolitie van de federale politie (SPC). Die klachten waren niet gering. Het Comité P besliste dan ook – temeer daar het hoofd van de SPC zich wou buigen over de werkingsproblemen van zijn dienst, inzonderheid over het werkklimaat en de werksfeer – een globaal onderzoek in te stellen naar de werking van de SPC.

De analyse door het Comité P leidde tot een verslag waarin ingegaan wordt op de wijze waarop de SPC haar opdrachten uitvoert, de manier waarop de betrekkingen met de partners geregeld zijn, de infrastructuur en de logistiek, het personeelsbeheer en de privébeveiliging van het openbaar vervoer. Tevens werd een inventaris gemaakt van elementen waarvan de verbetering leidt tot een beter politiewerk. Deze punten situeren zich op operationeel vlak, op het vlak van personeel en op het vlak van infrastructuur en logistiek.

Vastgesteld werd dat de leiding van de SPC zich bewust is van de problemen door het Comité P aangekaart. Ze wil in een eerste fase de situatie analyseren en pogen de meest acute problemen te verhelpen. Wat daarna mogelijk is, zal afhangen van het feit of er al dan niet voorzien wordt in een bijkomende inzet van bekwaam personeel. Het Comité P volgt een en ander verder op in 2006-2009.

Wegpolitie

In 2002 besliste het Comité P een toezichtsonderzoek uit te voeren naar de werking van de provinciale verkeerseenheden van de wegpolitie. Meer concreet wou men nagaan wat de impact is van de huidige personeelsbezetting, de infrastructurele en materiële middelen van de verkeersposten op de verkeersveiligheid in het algemeen en binnen het werkterrein van deze dienst en zijn personeelsleden in het bijzonder.

Op grond van enkele plaatsbezoeken en gesprekken met leden van de verkeersposten werd de afgelopen jaren vastgesteld dat er al heel wat inspanningen geleverd werden op het vlak van het optimaliseren van het veiligheidsmateriaal, het opvullen van de personeelstekorten en het vernieuwen van het wagenpark. Verder onderzoek en/of opvolging bleef evenwel noodzakelijk. Het Comité P zal hier verder werk van maken in 2006-2007.

Inzet van honden door de politiediensten

Er werden bij het Comité P verschillende dossiers geopend die betrekking hebben hetzij op de inzet van honden door de politie, hetzij op de wijze waarop sommige hondenbrigades van de lokale dan wel de federale politie zouden functioneren. Het Comité P besloot dan ook terzake een thematisch onderzoek op te starten.

In dat kader werd vastgesteld dat de hondensteun de jongste jaren een grondige hervorming heeft doorgemaakt die veel verder gaat dan een loutere afstemming op de nieuwe politiestructuren. De Algemene directie operationele ondersteuning en de Dienst hondensteun richtten namelijk een werkgroep op, niet alleen om de structuur van een en ander te herzien, maar ook om te streven naar een uniformisering van de opleidingen en praktijken en naar de invoering van gemeenschappelijke werkprincipes. De hervorming waarop gedoeld wordt, betreft dus zeker ook een grotere professionalisering: de Dienst hondensteun ontplooit thans een beleid dat focust op kwaliteit en partnerschappen.

De Dienst hondensteun dient absoluut op de ingeslagen weg door te gaan en de maatregelen die hij bepaalde, verder te finaliseren door, dit werd reeds voorzien, aanpassingen aan te brengen in het kader van een cyclus voor het beheer van geïmplementeerde strategieën. Het vastgestelde tekort aan trainers moet weggewerkt worden, zo niet komt de kwaliteit van de opleiding door de politiescholen in het gedrang. Eventueel kan hieraan verholpen worden door de rekrutering van attachés bij deze scholen of door de creatie van trainerspools ten bate van die instellingen. Tevens zal de kwestie van de inzet van honden in een eenheid die samengesteld wordt in het raam van het genegotieerd beheer van de publieke ruimte, uitgeklaard moeten worden.

Optreden van bijzondere eenheden

Het Comité P heeft een analyse gemaakt van een aantal dossiers inzake bijzondere eenheden. Hieronder worden verstaan enerzijds de diensten van de Directie van de speciale eenheden van de federale politie (DSU) en anderzijds de diensten van de lokale politie die als dusdanig bekendstaan of zichzelf als dusdanig beschouwen.

Voor 2005 zijn er in totaal 10 klachten met betrekking tot dergelijke diensten bekend bij het Comité P, waarvan 7 in het toezichtsluik en 3 op gerechtelijk vlak. Ze hebben betrekking op politioneel optreden naar aanleiding van een “versterkte” huiszoeking of een bijzondere arrestatie op de openbare weg. De 6 dossiers inzake de “versterkte” huiszoekingen werden in toezicht onderzocht: 3 klachten hadden betrekking op het binnenvallen op een verkeerd adres. Van de 4 dossiers met betrekking tot een arrestatie waren er 3 gerechtelijk; 1 betrof een toezichtsdossier.

Na onderzoek werden 4 klachten ongegrond bevonden. Drie klachten werden gegrond bevonden en met betrekking tot 3 andere klachten is het onderzoek nog lopende. Twee van de 3 gegronde klachten slaan op “versterkte” huiszoekingen, waarbij de recherchedienst verkeerde adresgegevens overmaakte.

Het Comité P besluit dat er in 2005 te weinig klachten met betrekking tot bijzondere eenheden geformuleerd werden om significante algemene conclusies te trekken. Dit neemt niet weg dat, vermits in één van de geanalyseerde dossiers sprake was van de arrestatie van een verkeerde persoon en in 3 dossiers van het binnenvallen op een verkeerd adres, er erg goed gewaakt moet worden over de inzet van bijzondere eenheden.         
Ook dient er in deze delicate materie over gewaakt te worden dat niet onoordeelkundig door lokale politiekorpsen – vaak ten gevolge van een gebrekkige selectie en opleiding – gebruik gemaakt wordt van technieken, (types van) methoden en/of overtuigingsstukken van bijzondere eenheden.

Opslag van vuurwapens en munitie bij de politiediensten

In het kader van een toezichtsonderzoek dat eind 2002 en in 2003 gevoerd werd, werd in meerdere individuele dossiers vastgesteld dat er zich problemen voordeden inzake de opslag van vuurwapens en munitie bij de politiediensten: deze vertaalden zich bijwijlen in de diefstal of het misbruik van dienstvuurwapens.           
Het Comité P besloot dan ook in eerste orde de nodige aandacht te besteden aan de toetsing van de wijze waarop de lokale politiekorpsen instaan voor de opslag en bewaring van hun vuurwapens en munitie, en aan een reeks eerste verificaties bij de lokale politie. In aansluiting daarop achtte het Comité P het nuttig en noodzakelijk het onderzoek uit te breiden tot bepaalde eenheden van de federale politie. Eind 2005 werd dan ook bij de (gedeconcentreerde) federale politie of afdelingen ervan gepeild naar het algemeen beeld van de nodige schikkingen genomen om het misbruik van de hen bij wet toegewezen bewapening te voorkomen. Tegelijkertijd werd aan een aantal lokale politiezones een follow-upbezoek gebracht om na te gaan in welke mate de situatie ondertussen veranderd was.

Met betrekking tot de federale politie werd vastgesteld dat de commissaris-generaal eenvormige, duidelijke en consequente richtlijnen inzake het beheer van de vuurwapens uitgevaardigd heeft. In de meeste van de bezochte locaties worden deze evenwel niet nageleefd. Er bleek tevens dat niet alle personeelsleden op de hoogte zijn van het bestaan van deze richtlijnen en er kon niet aangetoond worden dat de naleving ervan systematisch gecontroleerd zou worden. Op een aantal specifieke plaatsen is bovendien sprake van een dringend veiligheidsprobleem: er worden thans nog steeds wapens opgeslagen in kantoor­meubelen of kledijkastjes, wat onaanvaardbaar is.

Er kan dan ook vastgesteld worden dat de bezochte federale eenheden zich bevinden in een toestand waarin de lokale politiezones zich in 2003 bevonden. Men dient de nodige aandacht te besteden aan de problematiek, aandacht die tot op heden ontbreekt, en te investeren in veilige opbergkastjes. Tevens is het onaanvaardbaar dat niet alle vuurwapens geregistreerd blijken te zijn in het centraal wapenregister: een en ander is nochtans verplicht.

Inzake de lokale politie kan een inhaalbeweging vastgesteld worden. In de meeste zones werd de afgelopen jaren een eenvormige reglementering opgelegd, werden financiële inspanningen gedaan om individuele wapenlockers aan te kopen of wordt een en ander mee opgepikt in de bouw van een nieuw commissariaat.      
Dit neemt niet weg dat een periodieke controle leerde dat de interne reglementen veelal niet nageleefd worden. 
Er is in deze materie tevens een taak voor de AIG weggelegd.

Van hulpagent naar agent van politie

De voorbije jaren kaartte het Comité P meermaals de problematiek aan van de bevoegdheden van de ‘hulpagenten’ en hun concrete inzet op het terrein. Er werd onder meer gewezen op de niet-consequent geregelde rechtspositie van de hulpagenten en het niet naleven van de normen inzake het aantal hulpagenten in sommige korpsen. Soms werden hulpagenten op een aantal bevoegdheidsvlakken misbruikt of eigenden ze zichzelf bevoegdheden toe.

De wet van 1 april 2006 betreffende de agenten van politie, hun bevoegdheden en de voorwaarden waaronder hun opdrachten worden vervuld, komt tegemoet aan de wil van de regering om de bevoegdheden van de hulpagenten uit te breiden en om het de politieambtenaren mogelijk te maken zich te concentreren op wat gemeenzaam hun ‘werkelijke politietaken’ wordt genoemd. Wanneer we hierna dus spreken over de ‘agenten’, dan bedoelen we diegenen die gisteren nog ‘hulpagent’ waren.           
Deze bevoegdheidsuitbreiding doet geenszins afbreuk aan het principeonderscheid dat het artikel 117 van de wet op de geïntegreerde politie heeft gemaakt tussen de politieambtenaren en de (hulp)agenten van politie wiens politiebevoegdheid beperkt is. Krachtens de nieuwe formulering van het artikel 58 van de wet op de geïntegreerde politie, zou hun bevoegdheid in hoofdzaak beperkt zijn tot: (1) de bepalingen van de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt die op hen van toepassing zijn verklaard; (2) de bevoegdheden die hen zijn toegekend inzake wegverkeer en het toezicht op de naleving van de gemeentelijke verordeningen; (3) de vaststelling van een verkeersongeval en de verbaliseringsbevoegdheid; (4) de identiteitscontrole van elkeen die een inbreuk heeft begaan.

Naast de wijzigingen aangebracht aan de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie op het wegverkeer, de wet van 18 februari 1969 betreffende de maatregelen ter uitvoering van de internationale verdragen en akten inzake vervoer over zee, over de weg, de spoorweg of de waterweg en de wet van 7 december 1998 op de geïntegreerde politie, wordt deze bevoegdheidsuitbreiding gerealiseerd door: (1) een aantal bepalingen van de wet op het politieambt toepasbaar te maken op de hulpagenten van politie, met name het artikel 7 (betreffende de operationele leiding), het artikel 25 (betreffende de toewijzing van administratieve taken) en het artikel 45 (betreffende de territoriale bevoegdheid); (2) de vorm en de uitvoeringsvoorwaarden van hun opdrachten te definiëren binnen een nieuwe onderafdeling die de nieuwe artikelen 44/12 tot 44/17 zou bevatten.

Het gegeven dat de agenten van politie geen politieambtenaren zijn maar wel tot het politiekader behoren, blijft een moeilijke constructie en vergemakkelijkt het inzicht in de materie niet. Nopens de noodzaak om, behoudens de materie van het verkeer en de plaatselijke reglementen, de bevoegdheden van de agent van politie uit te breiden, was het Comité P in het verleden eerder sceptisch. Nu de wetgever echter heeft gemeend deze uitbreiding te moeten doorvoeren, is deze discussie gedeeltelijk achterhaald.      
Waar het Comité P in 1995 hoofdzakelijk tot de vaststelling kwam dat het statuut van de hulpagenten aanleiding gaf tot verwarring, kan vandaag de dag worden vastgesteld dat een grote stap voorwaarts werd gezet. De wetgevende teksten, vooral in de materie van het verkeer en de gemeentelijke verordeningen, laten thans geen twijfel meer bestaan over de bevoegdheid ratione materiae van de agent van politie.

Nochtans blijven er nog enkele grijze zones of moet minstens vastgesteld worden dat veranderingen die men op het terrein graag had gezien, niet werden doorgevoerd. Zo lijkt de agent van politie niet meer bevoegd om inbreuken op provinciale reglementen vast te stellen, is de identificatieplicht niet op hem van toepassing, evenmin als de bepaling van het artikel 44/1 van de wet op het politieambt betreffende het inwinnen, verwerken en meedelen van informatie. Een regeling nopens het gebruik van handboeien was tevens wenselijk geweest, daar een aantal bevoegdheden die hem thans zijn toegekend inzake bewaking en ophouding wel degelijk het gebruik van handboeien kunnen impliceren.     
In dit opzicht meent het Comité P dat een algemene regeling zich opdringt in de wet op het politieambt ten behoeve van het volledige operationele kader.

Inzake de politie over het wegverkeer werd het artikel 29, § 2 van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie op het wegverkeer gewijzigd waardoor, tot een door de Koning nader te bepalen datum, de agenten van politie bevoegd zijn het niet meer strafrechtelijk bestrafte parkeren vast te stellen. Het is voor het eerst dat agenten van politie een fiscale vaststellingsbevoegdheid krijgen (toepassing van een retributie of taks inzake niet meer strafrechtelijk bestraft parkeren), wat op zijn zachtst gezegd weinig orthodox is. Hun vaststellingen hebben dan natuurlijk ook niet de klassieke bijzondere bewijswaarde inzake verkeer zoals voorzien door artikel 62 van de Wegverkeerswet.

Men moet goed voor ogen houden dat de agent van politie een beperkte bevoegdheid heeft.
Dat betekent dat de vroegere vaststellingen van het Comité P dat nog te veel zones, nochtans duidelijke, overschrijdingen van de bevoegdheden van de hulpagenten (thans agenten van politie) gedogen of zelfs procesmatig in hun korpswerking opnemen, hun actualiteit behouden, zij het dat dit thans wellicht veel minder uitgesproken het geval zal zijn.          
Bevoegdheidsoverschrijdingen zorgen niet alleen voor rechtsonzekerheid naar de bevolking toe, doch de hiërarchisch verantwoordelijken zouden er zich bewust moeten van zijn dat eventuele gevolgen van daden gesteld door niet-bevoegde agenten hun minstens mede-aansprakelijk kunnen stellen voor de mogelijks aangerichte schade of andere gevolgen. Eveneens is het theoretisch mogelijk dat bij bepaalde bevoegdheidsoverschrijdingen de agent zelf, of zijn hiërarchische overste, strafrechtelijk vervolgd zou worden.

De uitbreiding van de bevoegdheden van de agenten van politie dient, zoals de Vaste Commissie van de lokale politie toen en het Comité P meermaals hebben gesteld, gepaard te gaan met bijkomende opleidingen, bijscholingen en/of een aanpassing van de aanwervingscriteria. Zo niet dreigt de kwaliteit van de politiezorg waarvan ze sommige aspecten voor hun rekening (zullen) nemen, er op achteruit te gaan.          
De vraag die zich hier natuurlijk stelt, is in welke mate deze bijkomende opleidingsinvesteringen verantwoord zijn, gelet op het steeds kleiner wordende verschil met de inspecteurs van politie. Het is niet ondenkbaar dat er dan nog meer dan nu een grijze zone zal ontstaan waar de bevoegdheden van de agenten van politie individueel of vanuit korpsniveau zullen worden overschreden.

Nevenactiviteiten

Gezien de inzet van de herziening van het statuut van de politieambtenaren en de onverschilligheid voor de nevenactiviteiten die soms worden uitgeoefend door politieambtenaren, meende het Comité nogmaals te moeten terugkomen op deze problematiek.

Het Comité P wilde een zicht krijgen op de wijze waarop de politiediensten de principes toepassen die zijn vermeld in de bepalingen betreffende de uitoefening van nevenactiviteiten door personeelsleden van de geïntegreerde politie. Daartoe heeft het alle zonechefs van de lokale politie en de commissaris-generaal van de federale politie bevraagd om na te gaan hoeveel afwijkingen er waren toegestaan en welk soort activiteiten er waren toegestaan door de bevoegde instanties.  
Hun antwoorden vertonen te veel leemtes om de omvang van het fenomeen te kunnen schatten, al was het maar kwantitatief. Niettemin blijkt dat de interpretatie van de wet en de ministeriële richtlijnen door de lokale politieverantwoordelijken soms lijnrecht staat tegenover die van de commissaris-generaal, die strenger is bij de toekenning van afwijkingen. Zo werden er zowel in het noorden, het centrum als het zuiden van het land – doorgaans na gunstig advies van sommige korpschefs – door de lokale overheden afwijkingen toegekend voor nevenactiviteiten die, volgens het Comité P, het belang van de dienst kunnen schaden.

De uitoefening van sommige lucratieve nevenactiviteiten dreigt er, op termijn, toe te leiden dat deze begunstigden minder beschikbaar zijn voor hun hoofdberoep en kan, bij het publiek, leiden tot rolverwarring. Deze problematiek komt trouwens aan bod in de Deontologische code van de politiediensten. Het Comité P meent dat bijvoorbeeld de politieambtenaar die daarnaast ‘kelner’ is, en dus bovenop zijn loon wel eens een fooi krijgt, tegenover ‘zijn clientèle’ in de uitoefening van zijn politieambt geen blijk zal kunnen geven van de vereiste onpartijdigheid.

Het Comité P heeft de korpschefs van de zones waar dit type van nevenactiviteiten was toegestaan, om meer uitleg gevraagd. Zij antwoordden dat de toekenning van afwijkingen de uitsluitende bevoegdheid van de lokale overheid was en dat zij slechts een advies konden uitbrengen dat niet noodzakelijk werd gevolgd. Hoewel het aantal personen dat een afwijking voor de uitoefening van nevenactiviteiten geniet, relatief beperkt lijkt, cumuleren sommige politieambtenaren nog altijd functies zonder medeweten van hun hiërarchie, en overtreden aldus de wet. Het belang van het ‘zwarte’ cijfer is vermoedelijk niet onbelangrijk.

Het Comité P vraagt de overheden en korpschefs eens te meer om vastberaden op te treden ten aanzien van hun medewerkers die de wet niet naleven en moedigt hen aan om voor de aanvragen tot toekenning van afwijking die hen worden voorgelegd, slechts een gunstig advies te formuleren indien de nevenactiviteit niet behoort tot één van de categorieën opgesomd in de ministeriële richtlijnen. Tot slot, zouden de burgemeesters en politiecolleges zich nog omzichtiger moeten uitspreken over de aanvragen tot toekenning van afwijking en deze afwijking slechts mogen toestaan wanneer ze ervan overtuigd zijn dat de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de personeelsleden zijn gewaarborgd.

Sponsoring van de leden van het operationeel kader van de geïntegreerde politie

Sponsoring van politieambtenaren voor de uitoefening van extraprofessionele activiteiten is geen nieuw fenomeen. Rekening houdend met haar specificiteit en belang, ook gezien de flauwe belangstelling van sommige verantwoordelijken of overheden voor deze kwestie, achtte het Comité P het opportuun een thematisch onderzoek te openen naar dit thema en, meer recent, een opvolgingsonderzoek.

Wanneer men het artikel 130 van de wet van 7 december 1998 tot organisatie van een geïntegreerde politiedienst, gestructureerd op twee niveaus sensu stricto interpreteert, is deze praktijk niet toegelaten, want het tweede lid van dat artikel stelt: “het is de personeelsleden verboden, zelfs buiten hun functies, maar uit dien hoofde, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenpersonen, giften, beloningen of welke voordelen ook te vragen, te eisen of aan te nemen”. Toch moet worden vastgesteld dat niet alle korpschefs deze bepaling op dezelfde wijze interpreteren. Sommige politiechefs menen dat het artikel in strijd is met de filosofie van community policing die pleit voor een meer actieve betrokkenheid van de politie in plaatselijke activiteiten

Het Comité P van zijn kant is van mening dat de politieambtenaar die persoonlijk voordeel haalt uit sponsoring om een individuele activiteit uit te oefenen, niet alleen de geest van het artikel 130 van voornoemde wet met de voeten treedt, maar ook een loopje neemt met de deontologie. Sponsorgeld verworven door een politieambtenaar die lid is van een vereniging zonder winstoogmerk, een schoolcomité, een cultuurkring, enz. voor activiteiten eigen aan deze vereniging, lijkt daarentegen volkomen aanvaardbaar, mits enige nuances.

Vertrouwenspersonen

Overeenkomstig de wettelijke voorschriften moeten er vertrouwenspersonen worden aangesteld om het hoofd te bieden aan problemen van pesterijen of geweld op het werk.          
In de meeste lokale politiediensten en bij de federale politie is er een vertrouwenspersoon en een preventieadviseur aanwezig. Weinig politiezones hebben daarentegen een risicoanalyse gemaakt van eventuele situaties die aanleiding kunnen geven tot geweld of pesterijen op het werk. Op basis van de verrichte risicoanalyses heeft de federale politie in 80 % van de gevallen wel specifieke maatregelen genomen en de lokale politie in meer dan 50 % van de gevallen.

De aangeklaagde feiten stijgen over het geheel genomen allemaal, maar de aard ervan evolueert verschillend al naar gelang van de organisatie. Hoewel de feiten van pesterijen bij de federale politie zijn gedaald, stijgen deze feiten fel bij de lokale politie. Hetzelfde geldt voor de feiten van geweld. De waaier van maatregelen lijkt de problemen te kunnen oplossen zowel onmiddellijk als op lange termijn, en dat overeenkomstig de doelstellingen van de zogenaamde wet-Onkelinx.   
Toch betreuren we dat er nog niet op elk niveau een echt preventiebeleid lijkt te bestaan en dat men er eerder de voorkeur aan geeft om een antwoord te bieden op punctuele problemen.
Om een kwaliteitsvolle bijstand door de vertrouwenspersonen te waarborgen, ongeacht het probleem dat hen wordt voorgelegd, zou de uitbouw van ‘informele kanalen voor informatie-uitwisseling’ tussen het lokaal en het federaal niveau moeten worden bevorderd, zodat elke vertrouwenspersoon zijn professionele bagage kan verruimen dankzij de uitwisseling van ervaringen en goede praktijken.

Politiewebsites

De bedoeling van de analyse was na te gaan welke verbeteringen zijn aangebracht aan de verschillende websites van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus, vooral sinds ons wetenschappelijk verslag. Aanvankelijk was dit onderzoek gericht op de geldigheid en de updating van de opsporingsberichten die op de websites van de rijkswacht en de gerechtelijke politie waren geplaatst. Maar gaandeweg werd het uitgebreid tot de problematiek van de integratie van verschillende websites van de geïntegreerde politie in een homogene politieportaalsite, waar de burger makkelijk toegang zou hebben tot de informatie zonder overbodige overlappingen.           
Naar aanleiding van de publicatie van de resultaten van het onderzoek “politiewebsites” in het activiteitenverslag 2004 van het Comité P, heeft de directeur van de Directie van de werking en van de coördinatie van de federale politie (CGC) het Comité uitgenodigd om deel te nemen aan de eerste plenaire vergadering van het “Beheerscomité” en het “Functioneel platform Internet”, die plaatsvond op 26 september 2005 en bedoeld was om het definitief ontwerp van functioneel kader voor te stellen aan de actoren die instaan voor een politiewebsite. Nadat de nieuwe portaalsite van de politie online was geplaatst, werd een vergadering georganiseerd om in alle transparantie de laatste ontwikkelingen van het project te kunnen uiteenzetten.

De opmaak van een functioneel kader en de toepassing ervan hebben ontegensprekelijk de toestand van de websites van de federale politie verbeterd.   
Wij hebben dergelijke vooruitgang niet opgemerkt voor de verschillende sites van de lokale politie, maar à décharge van de Vaste Commissie van de lokale politie moeten we toch erkennen dat de coördinatie van 196 politiezones van een totaal andere omvang is dan de coördinatie op het niveau van de verschillende algemene directies en diensten van de federale politie. Men mag ook niet uit het oog verliezen dat heel wat websites van de lokale politie zijn ondergebracht bij en worden beheerd door een gemeentebestuur, waarover de Vaste Commissie nog veel minder gezag heeft.   
Toch moeten we betreuren dat er rivaliteit is ontstaan tussen de Vaste Commissie van de lokale politie en de federale politie omtrent het medium internet.
Ingevolge de eerder gespannen relaties tussen CGC en de VCLP lijkt het probleem van het beheer van de domeinnamen (police.be en politie.be) nog altijd niet opgelost.

Interacties privé-publiek

De privatiseringstendens van de publieke sector vindt de laatste jaren ook ingang in het veiligheidsbeleid. Hierdoor kunnen deze personen en diensten, binnen die hoedanigheid, onder de toezichtsbevoegdheid van het Comité P vallen. Zodoende wordt hun werking, zoals die van de reguliere politiediensten, in principe getoetst aan de drie kerntaken van het Comité: de opvolging van de doeltreffendheid en doelmatigheid, van de coördinatie en ten slotte van het respect voor en de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden van de mens.

Rekening houdend met de recente wijzigingen in de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid, in het bijzonder het toekennen van bijzondere bevoegdheden aan veiligheidsagenten in de sector van het openbaar vervoer, lijkt het meest dringende de uitwerking van het conceptueel kader, waarin de krijtlijnen worden getrokken van de verhoudingen tussen publieke en private sector. Gezien de (mogelijke) controverse in deze materie lijkt het aangewezen dit op een voldoende theoretisch onderbouwde manier te doen.

Momenteel worden de veiligheidsdiensten in de sector van het openbaar vervoer in plaats gesteld, o.m. binnen de NMBS en de MIVB. Gezien de vaststellingen van de afgelopen jaren, voornamelijk met betrekking tot het gebruik van uniformen, toebehoren en voertuigen – die moeilijk te onderscheiden zijn van die van de politiediensten ondanks het uitdrukkelijke verbod opgelegd door de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid –, zal het Comité hun geleidelijke inplaatsstelling nauwgezet opvolgen en meer specifiek aandacht besteden aan hun interacties en samenwerkingsverbanden, niet enkel met de politiediensten maar ook met de bewakingssector s.s., bijvoorbeeld B-Security. Tegelijkertijd zal het Comité zich buigen over de problematiek van het gebruik van geweld door deze veiligheidsdiensten.

Globale en geïntegreerde monitoring van de politiediensten

Het Comité P oefent zijn opdrachten uit via verschillende kanalen, onder meer door klachten en aangiften te onderzoeken. Binnen de limieten van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten behandelt het Comité P de klachten en aangiften die het ontvangt betreffende de werking, het optreden, het handelen of het nalaten te handelen van de politiediensten en hun personeelsleden. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat het Comité geen ombudsfunctie vervult en dus niet is opgericht om a priori individuele problemen van klagers op te lossen.

Het Comité P wil bijdragen tot de goede werking van een democratische, integere en gemeenschapsgerichte politie. Conform de wet en de duidelijke wil van de wetgever is het Comité P a priori of bij uitstek geen klachtenbureau en voert het daarom binnen de limieten van de wet een klachtenbeleid dat toegespitst is op de monitoring van de politiediensten, eerder dan op de tegemoetkoming aan de behoeften van individuele klagers en aangevers. Dit maakt dat het engagement van het Comité P om klachten en aangiften tegen de politie te verzamelen en te registreren groot is, maar dat het evenwel steeds focust op de harde kern van zijn activiteiten. Met andere woorden, het Comité onderzoekt geen klachten en aangiften waarvoor het duidelijk is dat ze net zo goed of zelfs beter door een andere dienst, dichtst bij de feiten betrokken, kunnen worden onderzocht. Dit neemt niet weg dat het Comité P toezicht houdt op het geheel van klachtenbehandelingsystemen, een zekere garantie biedt voor de afwikkeling van ieder klachtendossier en oog heeft voor de uiteindelijke uitkomst ervan.

Het klachtenbeleid van het Comité P is gericht op de efficiëntie van het eigen klachtenbehandelingsysteem en dat gehanteerd door de politiediensten. Daarnaast beoogt het een maximale output van de klachtenanalyse in het kader van de globale en geïntegreerde observatoriumfunctie van het Comité.

Het doel van de klachtenbehandeling bestaat erin – binnen de limieten van de wet en de opdrachten en bevoegdheden van het Comité P en meer in het bijzonder zijn observatorium­functie – ten eerste, toezicht uit te oefenen met betrekking tot de bescherming van de fundamentele rechten en vrijheden; ten tweede, disfuncties op te sporen inzake de coördinatie; ten derde, de doelmatigheid van de politiediensten te controleren; ten vierde, een correcte klachtenbehandeling buiten zijn muren te waarborgen en ten vijfde, gegevens te verzamelen als basis voor een overkoepelende klachtenanalyse en rapportering.

Aangezien de behandeling van klachten en aangiften tegen de politie geen hoofdopdracht is van het Comité P, maar slechts één onderdeel van zijn toezicht op de doeltreffendheid van de politiediensten, wordt ze toegepast met het oog op snelheid en efficiëntie. Op die manier blijft de prioriteit van zijn kernactiviteiten van monitoring te allen tijde gewaarborgd. In het verlengde hiervan komt het algemene principe van de klachtenbehandeling door het Comité P erop neer dat alle klachten en aangiften tegen de politie die het ontvangt, worden geregistreerd en een deel voor verder onderzoek wordt georiënteerd naar de dienst die daarvoor het meest aangewezen is volgens vooropgestelde criteria. Deze criteria hebben betrekking op de aard van de feiten, de aard van het onderzoek alsook op de persoon van de klager en de betrokken politieambtena(a)r(en), evenals op de betrokken politiedienst. In het algemeen kunnen we stellen dat klachtenonderzoeken worden doorverwezen naar zijn eigen Dienst Enquêtes volgens de principes van specialiteit en subsidiariteit.

Voor de klachtindiening werd door het Comité P een standaardklachtenformulier ter beschikking gesteld aan het onthaal van de instelling en op zijn website www.comitep.be. Dit formulier zal tevens als tussentijdse oplossing aanbevolen worden aan de politiediensten.

Het Comité heeft beslist de klachtenregistratie aan het onthaal te wijzigen en de permanentiedienst van de leden van zijn Dienst Enquêtes af te schaffen, behalve wat hun noodzakelijke tussenkomst in welbepaalde en duidelijk omschreven gevallen betreft.
Personen die zich aanbieden op de zetel van het Comité om een klacht/aangifte in te dienen, worden in de regel niet meer ontvangen door de leden van de Dienst Enquêtes. De klagers/aangevers worden dus niet meer systematisch of a priori gehoord door een commissaris-auditor, maar ze worden in plaats daarvan aan het onthaal wegwijs gemaakt in de verschillende wegen om klacht in te dienen tegen de politie en een oplossing te vinden voor hun probleem.

Conform de wet van 18 juli 1991 worden alle klachten en aangiften die rechtstreeks worden neergelegd bij de betrokken politiediensten, ter kennis gebracht van het Comité P op basis van artikel 14bis, 1ste [v] en 2de lid [vi] opdat het zijn toezichtfunctie zou kunnen vervullen. Daarnaast wordt de database ook gevoed met informatie die verschillende overheden het Comité P dienen te verstrekken op basis van de artikelen 14, 1ste [vii] en 2de lid [viii] , en artikel 26 [ix] .

De input van deze gegevens gebeurt op dezelfde wijze als de input van de gegevens afkomstig uit de rechtstreeks bij het Comité P ingediende klachten en aangiften. Op dit ogenblik is intern een werkgroep de procedure van de behandeling en registratie van de klachten en aangiften aan het herbekijken in het licht van een vernieuwd strategisch plan.

Niet alleen over feiten en handelingen ontvangt het Comité P informatie, maar ook over de verdere beoordeling daarvan door de hiërarchische tuchtoverheden en de gerechtelijke overheden. Al deze informatie kan op dit ogenblik nog niet automatisch via de database aan elkaar worden gelinkt, zodat er nog steeds voor een deel manueel opzoekingswerk dient te worden verricht, wat soms wordt gehinderd door de verschillende tijdstippen waarop de informatie ons bereikt. Ook hieraan wordt gewerkt, zodat een feit van a tot z kan worden gevolgd, zijnde van bij de kennisname, over de behandeling door de verschillende overheden tot en met het uiteindelijke gevolg dat eraan werd gegeven. Dit is van belang om bijvoorbeeld na te gaan of een correctionele veroordeling al dan niet gevolgd werd door een tuchtprocedure. Eenzelfde opvolging is nuttig voor het tuchtaspect voorafgaandelijk aan een correctionele behandeling.     
Er dient nogmaals op gewezen dat het in de meeste klachten en aangiften om allegaties gaat en er bijgevolg niet van uitgegaan mag worden dat een in onze statistiek verwerkte klacht of aangifte ook a priori en daadwerkelijk gegrond is.

De klachten en aangiften alsook de aan de korpsen en overheden opgelegde informatieplicht zijn voor het Comité P noodzakelijke gegevens om zich een beeld te kunnen vormen van de ‘politiewerking’ in het algemeen of van een dienst of een individuele politieambtenaar in het bijzonder. Deze informatie wordt aangevuld met eigen onderzoeken en door de uitwisseling van gegevens met inspectiediensten, zoals de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie of de inspecties specifiek intern aan een zone.
Aangezien niet alle informatie altijd betrouwbaar is en soms al geïnterpreteerd werd, blijft het belangrijk om zo veel mogelijk informatie te ontvangen zodat de invloed van verstorende en soms onjuiste informatie zo minimaal mogelijk wordt.

In dat opzicht is het opmerkelijk dat, niettegenstaande alle korpsen reeds jaren aangespoord worden om correcte informatie door te geven – ook al betekent dit de melding dat er niets te melden valt –, er toch nog korpsen zijn die helemaal geen hetzij gedeeltelijke of laattijdige informatie verstrekken.     
In verband met tucht ontving het Comité P van 101 korpsen informatie. Van 127 korpsen kreeg het Comité P een informatief verslag in overeenstemming met artikel 26 en 155 korpsen verstrekten informatie met betrekking tot de bij hen neergelegde klachten (bij deze korpsen en diensten is de federale politie inbegrepen).      
Van de gerechtelijke overheden ontving het Comité P van elk ressort van het hof van beroep informatie, waarbij dient opgemerkt te worden dat het aantal gerechtszaken in het ressort Luik zeer laag is ten opzichte van de andere.

In vorige jaarverslagen werden bedenkingen gemaakt bij de door de wet voorziene meldingen en verplichte informatieoverdrachten door de parketten en parketten-generaal.   
In dit opzicht merkte de parlementaire begeleidingscommissie tevens op: “De begeleidingscommissies benadrukken dat de voornaamste taak van het Vast Comité P, dat door het Parlement werd ingesteld, erin bestaat erop toe te zien dat deze diensten hun plaats in ons democratisch bestel behouden. In deze context dringen zij erop aan dat al de overheden die er wettelijk toe gehouden zijn dit Comité de daarvoor benodigde informatie te verstrekken, zich strikt aan hun verplichtingen ter zake houden”.    
Van één parket heeft het Comité helemaal geen informatie ontvangen. Het Comité P moet helaas nog steeds vaststellen dat de informatieoverdracht verschilt van parket tot parket, zowel in kwaliteit als in kwantiteit. Daarenboven geschiedt de informatieoverdracht doorgaans als antwoord op een uitdrukkelijke vraag of verzoek van het Comité P en niet ambtshalve zoals voorzien door de wet van 18 juli 1991.

De kwalificatie of omschrijving van de allegaties vervat in klachten en aangiften wordt gegeven zonder rekening te houden met het resultaat van het verdere onderzoek. De aangifteplicht volgens artikel 14, 1ste en 2de lid, artikel 14bis, 1ste en 2de lid en artikel 26 van de wet van 18 juli 1991 dient vooreerst te gebeuren zonder bewerking of herkwalificatie van de feiten. Met andere woorden, zoals de allegaties van feiten of gebeurtenissen binnenkomen, worden ze ook aangegeven. Het is evident dat er meerdere feiten, gebreken of tekortkomingen kunnen voorkomen in één klacht, dossier of melding en dat de aantijgingen vervolgens aan een kwaliteitscontrole worden onderworpen.       
Nadien maken zij het voorwerp uit van verder onderzoek dat gerechtelijk of niet-gerechtelijk kan zijn en waarbij ook de gegevens, waarover verslag werd uitgebracht, verwerkt worden, los van het resultaat van het onderzoek. Het is niet omdat bijvoorbeeld een gerechtelijk onderzoek eindigt in een sepot dat de gegevens, feiten die aan de basis liggen van het onderzoek niet meer geëvalueerd kunnen worden naar de persoon of organisatie toe, binnen de limieten en bevoegdheden van het Comité P.           
De uiteindelijk weerhouden elementen kunnen vertaald worden naar beslissingen zoals het nemen van tuchtsancties, het maken van evaluaties, geven van felicitaties, nemen van inwendige ordemaatregelen, geven van instructies, nieuwe of bijsturende richtlijnen, enz., tenzij na gerechtelijke onderzoeken een vonnis of arrest wordt geveld.

Klachten en aangiften 2005 - cijfergegevens

De analyse van klachten en aangiften geeft opnieuw een duidelijke stijging weer van het aantal klachten en informatieve verslagen met betrekking tot strafrechtelijke feiten, terwijl het aantal door de Dienst Enquêtes gevoerde gerechtelijke onderzoeken, net als de voorgaande jaren, licht is gestegen. 
Deze stijgingen zijn nu al gedurende vijf jaar waarneembaar zodat een nieuwe analyse en nulmetingbis zich opdringen.      
Het aantal klachten kent een constante stijging van meer dan 20 %. In 2005 werden 2 221 klachten en aangiften rechtstreeks ingediend bij het Comité P. Hierbij vallen volgende categorieën door hun stijging op: handelingen die het imago van de politie schaden; handelingen in verband met neutraliteit; niet optreden van de politie, ongelijke behandeling; handelingen bij controle woonplaats; formaliteiten in verkeerszaken en het eigen personeelsbeheer.

In grotere groepen opgedeeld, komen volgende klachten in vergelijking met 2004 beduidend meer voor: niet-definieerbaar van 70 naar 110; handelingen in verband met het imago van 19 naar 29; klachten in verband met neutraliteit van 76 naar 116; klachten in verband met niet-optreden van 81 naar 102; ongelijke behandeling van 79 naar 116; klachten tijdens controle woonplaats van 7 naar 17; klachten over optreden in verband met verkeer van 17 naar 58 en klachten over personeelsbeheer van 8 naar 15.

De toename van het aantal klachten dient niettemin gerelativeerd te worden in die zin dat lang niet alle klachten werkelijk gegrond en ontvankelijk zijn gebleken. Voor 272 klachten of 12 % was het Comité P niet bevoegd, in 10 dossiers was de aangever onvindbaar en in 47 gevallen was de klacht reeds bij een andere dienst of instelling ingediend.

Het aantal gerechtelijke onderzoeken die toevertrouwd werden aan de Dienst Enquêtes van het Comité kent nog steeds een stijging van gemiddeld 4 % per jaar. Deze stijging is te verklaren door een aantal significante bijkomende opdrachten specifiek voor het gerechtelijk arrondissement Antwerpen (10), het gerechtelijk arrondissement Namen (12) en het gerechtelijk arrondissement Nijvel met 15 onderzoeken meer dan in 2004.

De toename van het aantal informatieve verslagen die betrekking hebben op het plegen van een misdaad of wanbedrijf door een lid van de politie (verplicht mee te delen informatie volgens artikel 26 van de wet van 18 juli 1991), vinden we sterk terug tussen 2002 en 2003 met een stijging van bijna 50 %, wat wees op een grotere aangiftebereidheid. Maar ook in 2005 werd een stijging genoteerd van 13 % ten opzichte van 2004 en dit niettegenstaande sommige gerechtelijke arrondissementen minder aangiften deden, zoals Antwerpen (- 72), Gent (- 10), Brugge (- 9) en Oudenaarde en Hasselt (- 8). Een stijging is te noteren voor de arrondissementen Brussel (+ 145), Luik (+ 41), Dendermonde (+ 10) en Namen (+ 7).

Analyse van het aantal vaststellingen ten laste van politieambtenaren door een andere politieambtenaar meegedeeld (art. 26) en van het aantal gerechtelijke onderzoeken door de Dienst Enquêtes per gerechtelijk arrondissement toont aan dat daar waar Antwerpen in 2004 in de vaststellingen op basis van artikel 26 in verhouding tot het geheel van de aangiften het grootste percentage had (29,75 %), dit in 2005 hoger is voor het arrondissement Brussel, namelijk 33,22 %. Het arrondissement Luik is goed voor een tiende van de aangiften, een stijging van 4 % ten opzichte van 2004, en ten slotte blijft het arrondissement Bergen, net als in 2004, goed voor 8,07 % van de aangiften. Met betrekking tot de gerechtelijke onderzoeken merken wij dit jaar opnieuw op dat het arrondissement Brussel bijna de helft (49,74 %) van de gerechtelijke onderzoeken door de Dienst Enquêtes voor zijn rekening neemt. Weliswaar is dit in vergelijking met 2004 een daling van bijna 3 %, maar toch slorpt dit arrondissement zeer veel (te veel) capaciteit op van de Dienst Enquêtes. Van de andere arrondissementen volgt Antwerpen met 6,53 % (2 % hoger dan in 2004) en Nijvel met 6,17 %, wat in vergelijking met 2004 eveneens een verhoging is van 2,5 %.

Hoewel ook hier niet de regel geldt dat alle aangiften uiteindelijk gegrond zijn en dubbeltelling soms mogelijk is, moet een weerkerend cijfer van meer dan 1 200 aangiften per jaar op basis van strafrechtelijk gekwalificeerde feiten de hiërarchische overheden en verantwoordelijken toch aan het denken zetten.

Voor zover geregistreerd, waren er bij de meldingen bij het Comité P op basis van artikel 14bis, 1ste lid 1 943 klachten afkomstig van Franstalige en 2 371 van Nederlandstalige burgers. In orde van belangrijkheid kwamen, wat de rechtstreekse klachten bij de politie betrof, volgende feiten voor: klantonvriendelijk (148); niet akteren (136); agressieve houding (129); fout bij de uitvoering van taken (116); machtsoverschrijding (110); onjuiste vaststellingen (102); lakse of negatieve houding bij taakuitvoering (97); niet optreden (87); handelingen tegen de waardigheid of het imago (58); onbeleefdheid (61); niet vaststellen (53); partijdigheid (43) en misbruik van functie (29).

De meldingen bij het Comité P op basis van artikel 14bis, 2de lid tonen aan dat bij de lokale politie 514 tuchtsancties werden geregistreerd en bij de federale politie 187. De meeste sancties bij de federale politie werden getroffen in de eenheid Algemene reserve (DAR) (28), in de Directie van de politie van de verbindingswegen (DAC) (32) en in de federale gerechtelijke politie (de vroegere GDA) (44).

Feiten die in 2005 de hoofdmoot uitmaakten van een tuchtsanctie betroffen voornamelijk handelingen die de waardigheid van het ambt in gevaar brengen (33 tijdens de dienst, 46 buiten de dienst); misbruiken met opgave uren (36), voornamelijk te laat komen (27) en te vroeg weggaan (38); fouten bij de uitvoering van de dienst (57); gebruik van alcohol tijdens de dienst (58); lakse of negatieve houding bij taakuitvoering (27); integriteit (19); beschikbaarheid en onwettige afwezigheid (12 en 26 feiten); laattijdig uitvoeren van kantschriften en opstellen van processen-verbaal (21); weigeren bevel (18); gewelddaden tegen personen en goederen (18) en niet naleven van administratieve formaliteiten bij ziekte en afwezigheid (16).

Voor 2005 kan de opvallende bemerking worden gemaakt dat de feiten die men het vaakst terugvindt in de klachten, niet diegene zijn die het voorwerp uitmaken van de tucht. Bij tuchtzaken wordt de klemtoon veeleer gelegd op inbreuken met materiële gevolgen dan op het niet respecteren van de rechten die aan de burgers zijn toegekend.

De publicatie van de Deontologische code kan ertoe bijdragen dat ook inbreuken op andere waarden meer tuchtrechtelijk onder de aandacht worden gebracht.

In 2004 werd een stijging van de kwaliteit van toegezonden informatie door sommige lokale politiekorpsen waargenomen en er is niet onmiddellijk een verklaring waarom deze trend zich in 2005 niet heeft voortgezet. Elk korps wordt geregeld, dit is om de 6 maanden, op de hoogte gehouden van de informatiestroom die het Comité P nodig heeft en er wordt op regelmatige basis feedback gegeven over de resultaten.          
Sommige gegevens moeten de korpsen ook aan andere instanties leveren, zodat er geen redenen zijn om geen kopie te sturen aan het Comité P of om niet te laten weten dat er geen gegevens voorhanden zijn. Een reden verzinnen dat het te maken heeft met een slechte organisatie of ontbrekende middelen is na zo veel jaar (10 jaar) duidelijke verplichting de werkelijkheid serieus geweld aandoen. De cijfers dienen dan ook met de nodige voorzichtigheid benaderd te worden en geven een beeld weer dat is gesteund op driekwart van het gehele politielandschap. Wat de federale politie betreft, dient benadrukt dat haar informatie tijdig en volledig het Comité P bereikt.

De verhouding tussen het aantal feiten en het aantal klachten is over de periode 2003, 2004 en 2005 stabiel gebleven, namelijk gemiddeld werden er per klacht 1,6 feiten geregistreerd.
Deze vaststelling staat in licht contrast met het feit dat er opnieuw een stijging kan genoteerd worden van 16 % van het aantal genoteerde feiten. De genoteerde feiten bij gerechtelijke onderzoeken vertonen een daling, terwijl het gemiddelde aantal feiten per onderzoek 1 bedraagt.

Feiten die een ernstige inbreuk uitmaken

Valsheden in processen-verbaal, verklaringen en andere geschriften: Een eerste vaststelling is dat er een duidelijk dalende tendens is op het gebied van de gerechtelijke onderzoeken. Deze tendens wordt versterkt door de klachten die rechtstreeks bij het Comité P zijn toegekomen. In het jaarverslag 2004 werd de lezer trouwens reeds opmerkzaam gemaakt op het feit dat de cijfers met betrekking tot de valsheden in processen-verbaal bij gerechtelijke onderzoeken niet overeenkwamen met de andere gegevens o.a. deze van de klachten.      
Inhoudelijk betroffen het feiten die te maken hadden met fraude, zowel in persoonlijke leningen als in verzekeringszaken. Klassiek wordt ook de aangifte van diefstal van een voertuig om de verzekeringspremie op te strijken. De betrokken politieambtenaren werden hiervoor trouwens door de rechtbank veroordeeld. Een tweede reeks van feiten betreft een valse aangifte van gepresteerde uren of het gebruik van brandstof voor privéverplaatsingen. Deze feiten werden meestal ook tuchtrechtelijk behandeld.    
Ten slotte is er een derde groep van feiten waarbij de optredende politieambtenaren verweten wordt valse verklaringen te noteren zoals bij burengeschillen, echtscheidingen of bij het lenen van de sterke arm aan een gerechtsdeurwaarder. Een nieuwer fenomeen, dat niettemin ook in vorige jaarverslagen aan bod kwam, is de betwisting rond de opgestelde processen-verbaal van mensen die in de gevangenis worden opgesloten en zich daar bewust worden van de draagwijdte van hun verklaringen en vervolgens klacht neerleggen tegen de ondervragende rechercheurs. Deze klachten worden telkenmale grondig onderzocht en geen enkel onderzoek heeft voor 2005 kunnen aantonen dat er van valsheid sprake was.

Corruptie: Bij feiten gecatalogeerd onder corruptie valt een lichte stijging waar te nemen. De feiten van corruptie zijn veruiterlijkt door allegaties van contacten in het prostitutiemidden en de vrouwenhandel. Eén enkele aantijging vermeldde expliciet banden met de Russische maffia. Een vijftal allegaties ging over banden met takeldiensten. Eenzelfde aantal betrof een politieambtenaar bij het inschrijven in een bepaalde woonst of het bezorgen van een identiteitsbewijs. Meer persoonlijke corruptie situeert zich in het kader van zwartwerk, het besteden van kledijpunten voor de aanschaf van burgerkleding en ten slotte het helpen van vrienden bij een verkeersdelict.

Gewelddaden tegen personen en goederen: Deze rubriek steekt qua cijfers met kop en schouders boven de andere uit, met het zoveelste jaar op rij een verhoging, behalve wat de klachten ingediend bij de politie betreft. Deze houding kan te verklaren zijn door het feit dat men met betrekking tot het gebruik van geweld geen heil ziet in een rechtstreekse klacht bij het korps. Er zijn allegaties van geweld bij het opsluiten in een amigo of politiecel, bij aanhoudingen, bij familiale geschillen en intrafamiliaal of partnergeweld, bij het lenen van de sterke arm aan gerechtsdeurwaarders en bij de openbare ordehandhaving en manifestaties.

Racisme: De allegaties van racisme vertonen in hun geheel een lichte stijging, die te wijten is aan de toename van het aantal opsporingsonderzoeken en klachten. In zijn jaarverslag 2005 publiceerde het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding een overzicht van 10 jaar (1995-2005) klachten per sector. Wat de sector ordediensten betreft, is er sinds 1995 een daling waar te nemen en maakten in 2005 de klachten tegen de ordediensten 9 % uit van het geheel, daar waar dit in 1995 nog meer dan 17 % was. In zijn analyse vermeldde het Centrum: “In het kader van de categorie ‘ordediensten’ heeft 46 % van de klachten te maken met een slechte behandeling of pesterijen. Zeventien procent van de incidenten deed zich voor tijdens een identiteitscontrole van de ordediensten”. Van de in 2005 ingeleide dossiers met betrekking tot racisme heeft het Comité in 10 dossiers de beslissing genomen dat er geen concrete elementen of onvoldoende bezwaren waren; in 13 dossiers was er geen fout of disfunctie; 4 dossiers werden in onderzoek gegeven bij de Dienst Enquêtes en 2 bij de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie. Ten slotte werden 23 onderzoeken toevertrouwd aan de specifiek interne inspectie of de dienst intern toezicht van de betrokken korpsen.

Verduistering: Dit soort van allegaties is in totaliteit toegenomen, zeker wat de gerechtelijke onderzoeken betreft. Dit heeft allicht ook te maken met het feit dat het dossier van het gebruik van Visakaarten te Antwerpen nog vers in het geheugen ligt. De omstandigheden waarbinnen de verduistering werd gepleegd, hebben in bijna alle gevallen te maken met de uitoefening van het politieambt: het uitwissen van gegevens in het politiecomputersysteem, het niet uitvoeren van kantschriften, die dan weggemoffeld worden, het ten onrechte innen en achterhouden van verkeersboetes, pogingen om overuren-, nacht- en andere vergoedingen te ontvangen zonder titel of om politiegoederen te verduisteren. Wel dient opgemerkt dat in deze laatste materie de schuld van relatief weinig politiemensen uiteindelijk wordt bewezen.

Willekeurige vrijheidsberoving: De daling van de allegaties is voornamelijk te wijten aan een daling van het aantal klachten in dit domein dat rechtstreeks bij het Comité P ingediend werd. Wanneer de omstandigheden waarin vrijheidsberovingen verricht worden die het voorwerp van een dossier uitmaken, bekeken worden, valt het op dat vooral naar aanleiding van een of andere verkeersinbreuk de politie personen voor korte of langere tijd van hun vrijheid beroofde. Bij analyse van de concrete omstandigheden kunnen we ons niet van de indruk ontdoen dat de vrijheidsberoving nog te vaak gebruikt wordt als een onmiddellijke straf voor hun houding ten opzichte van de verbalisanten.

Het gebruik van een wapen: Het betreft hier niet alleen dossiers met betrekking tot vuurwapens maar ook met betrekking tot het gebruik van pepperspray, uitschuifbare wapenstokken en het bezit van persoonlijke wapens. Gelukkig kan gesteld worden dat incidenten met vuurwapens zelden voorkomen en dat er doorgaans een goede wapenbeheersing is. Het Comité blijft zich evenwel zorgen maken over het feit dat zelfdoding door politieambtenaren met hun eigen dienstwapen nog frequent voorkomt.

Woonstschennis: De meeste allegaties in dit domein werden geformuleerd naar aanleiding van huiszoekingen waarbij de politie zich ofwel vergiste van pand ofwel geen toestemming had gevraagd wanneer er geen gerechtelijk bevel was gegeven. Ook werden er klachten geformuleerd wegens het niet respecteren van de woonst waar de ex (betrokken politieman) een verbod had om de woonst te betreden. Een laatste categorie betreft het optreden van de politie bij een interventie waarbij klagers vonden dat de politieambtenaren zich op ongepaste wijze toegang tot hun eigendom hadden verschaft.

Vonnissen en arresten uitgesproken ten aanzien van leden van de politiediensten - artikel 14, 1ste lid

In totaal werden 114 beschikkingen, vonnissen en arresten meegedeeld door de rechterlijke overheden waarin ten aanzien van 150 politieambtenaren en agenten van politie een rechterlijke uitspraak op strafrechtelijk (en eventueel burgerrechtelijk) gebied werd geveld. Van die 150 uitspraken gingen 11 beschikkingen uit van een onderzoeksgerecht. Dit kan ofwel een beschikking houdende regeling van de rechtspleging zijn (hetzij verwijzing naar het vonnisgerecht, hetzij een buitenvervolgingstelling) dan wel een uitspraak ten gronde (opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een internering).     
In de 139 rechterlijke beslissingen van een bodemrechter gaat het hetzij om het opleggen van een gevangenisstraf al dan niet gekoppeld aan (probatie)uitstel, een werkstraf al dan niet met (gedeeltelijk) uitstel, een geldboete of een combinatie van de drie voorgaande, een eenvoudige schuldigverklaring, een opschorting van de uitspraak van de veroordeling dan wel een vrijspraak. 
In vergelijking met 2004, toen slechts 98 rechterlijke uitspraken werden meegedeeld, kunnen we alleszins een stijging met 52 uitspraken noteren, wat toch een aanzienlijke verhoging voorstelt. Het is voor het Comité P nochtans zeer moeilijk deze stijging te duiden, hoewel vaststaat dat de verklaring, in hoofdzaak, slechts tweeërlei kan zijn: ofwel worden er meer politieambtenaren vervolgd en veroordeeld, ofwel voldoen de rechterlijke overheden beter aan de mededelingsverplichting hen opgelegd door de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten. Het kan natuurlijk ook een combinatie van beide zijn en wellicht is het dat ook.

De vaststelling in de twee vorige jaarverslagen van het Comité P dat de gegevens niet steeds betrouwbaar zijn, blijft ook nu van kracht, hoewel er jaar na jaar beterschap kan worden vastgesteld, wat moge blijken uit de merkelijke stijging (met meer dan 50 %) van het aantal meegedeelde rechterlijke uitspraken. Niettemin valt op dat dit jaar de cijfers voor het ressort Luik hoe dan ook niet met de werkelijkheid (kunnen) overeenstemmen zodat er voor Luik geen relevante conclusies kunnen worden getrokken. Het is voor een ressort bestaande uit 9 arrondissementen immers niet mogelijk dat er slechts 4 uitspraken zouden zijn geweest. Enkel voor het arrondissement Luik werd 1 beschikking van de raadkamer meegedeeld en voor de arrondissementen Verviers en Aarlen telkens 1 vonnis van de politierechtbank. Van alle andere arrondissementen in het ressort Luik was er op de dag van de telling geen enkele uitspraak binnengekomen.     
Maar ook van de andere arrondissementen kunnen we niet steeds zeker zijn. Dat er noch in Turnhout, noch in Hasselt enige rechterlijke uitspraak zou zijn geweest, terwijl er in Leuven maar 1 vonnis van de politierechtbank werd meegedeeld, laat toe om ook daar nog enige twijfel te koesteren omtrent de volledigheid van de meegedeelde cijfers.
Het Comité herhaalt dan ook dat het voor zijn werking en de voorlichting van het Parlement, alsmede het geven van feedback aan de politiediensten en -overheden, absoluut noodzakelijk is over alle rechterlijke uitspraken te kunnen beschikken. Ook voor het verkrijgen van enig inzicht in het vervolgingsbeleid van de parketten van het land met betrekking tot misdrijven gepleegd door politieambtenaren is voormelde informatie primordiaal. Inzicht in dit vervolgingsbeleid laat overigens ook toe dat de politieoverheden en politiechefs zich daaraan conformeren.        
Het Comité P neemt zich alleszins voor de betrokken korpsoversten van het openbaar ministerie hieromtrent te contacteren teneinde tot een maximale volledigheid te komen.

Naar de analyse van de cijfers toe kan vastgesteld worden dat de politieambtenaren in de ressorten Gent en Antwerpen op niet veel clementie moeten rekenen wat het bewezen zijn van de feiten betreft, vermits er in totaal, voor beide ressorten samen, slechts 1 vrijspraak te noteren valt. Naar het aanvoelen van het Comité P heeft dit echter vooral te maken met het vervolgingsbeleid van het openbaar ministerie, eerder dan met de rechterlijke beoordeling als zodanig. Het is blijkbaar toch wel zo dat het openbaar ministerie in voormelde ressorten slechts een politieambtenaar vervolgt wanneer de kansen op succes quasi 100 % verzekerd zijn en er dus over de materialiteit van feiten weinig discussie kan zijn.

Opmerkelijk blijft vervolgens het hoge aantal opschortingen van de uitspraak van de veroordelingen waarvan politieambtenaren kennelijk kunnen genieten: 36 op de 139 door de bodemrechters. Het gaat om het aanzienlijke percentage van 26 %, ofwel 1 op 4 politieambtenaren.         
Wanneer we dat percentage vergelijken met het normale percentage opschortingen die de ‘gewone burgers’ kunnen genieten, moeten we inderdaad vaststellen dat politieambtenaren wel een uitzonderlijk gunstig regime schijnen te genieten. Voor het jaar 2003 bleken er immers 4,4 % opschortingen te zijn. Wanneer we het gemiddelde aantal opschortingen in de massa van de strafrechtelijke veroordelingen nemen van 1994 tot 2003, komen we aan 4,72 %.

Ook in ons jaarverslag 2004 wezen wij reeds op het feit dat opvallend veel mildheid aan de dag wordt gelegd ten aanzien van over de schreef gaande politiemensen. Thans kan men bijna spreken van een ‘gedoogbeleid’ ten aanzien van de ‘rotte appels’ binnen de politie. Door onvoldoende sanctionerend op te treden, wordt niet alleen het verkeerde signaal gegeven aan de betrokken politieambtenaar dat het “allemaal zo erg niet is” maar, erger, wordt een verkeerd ‘voorbeeld’ gesteld ten aanzien van alle andere leden van de politieorganisatie, en dan vooral de jongere, die zien en ervaren dat blijkbaar zelfs het plegen van misdrijven al bij al nog zo ingrijpend niet is. Het staat immers vast dat het verlenen van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling (zoals ook werkstraffen of schuldigverklaringen) zo goed als gelijkstaat met complete straffeloosheid op alle andere gebieden en derhalve de veroordeelde politieambtenaar zonder al te veel commotie gewoon verder functioneert binnen de politie.

Belang van de hoedanigheid van politieambtenaar bij de bepaling van de strafmaat

In de vonnissen van de politierechtbank is er zelden tot nooit verwijzing naar de specifieke hoedanigheid van politieambtenaar. In de vonnissen van de correctionele rechtbank of de arresten van de hoven van beroep wordt daarentegen bijna steeds allusie gemaakt op die hoedanigheid bij de bepaling van de strafmaat. In de meerderheid van de gevallen gebeurt dit dan op een voor de betrokken politieambtenaar positieve wijze en wordt door de band het argument van de sociale reclassering gebruikt. Maar ook in een vroeger stadium, met name dat van het verwijzingsmoment, zien we dat het onderzoeksgerecht zich op dat vlak niet onbetuigd laat.        
Zoals ook was gebleken in ons vorige jaarverslag, verwijst de rechter soms naar het oplopen van een tuchtsanctie of meestal zelfs naar de potentiële mogelijkheid dat er een tuchtrechtelijk gevolg zal zijn (wat niet altijd het geval is, wel integendeel) om zijn strafmaat te verantwoorden.

Er zijn echter ook enkele uitspraken, hoewel de minderheid, waarachter het Comité P zich veel meer kan scharen, waarbij de hoedanigheid van politieambtenaar integendeel als een verzwarende factor werkt.

Er kan wel gesteld worden dat, daar waar in het jaarverslag 2004 er nog een zeker evenwicht tussen de positieve en negatieve beslissingen te noteren viel, thans duidelijk opvalt dat de hoedanigheid van politieambtenaar manifest in het voordeel lijkt te spelen van de verdachte wanneer hij in het strafrechtelijke circuit terechtkomt en dan vooral op het vlak van de uiteindelijke beoordeling.

Het Comité P maakt zich grote zorgen over het wellicht ongewilde of onbewuste gedoogbeleid ten aanzien van die politieambtenaren die deze misdrijven begaan die van dermate grote ernst getuigen dat het openbaar ministerie of het onderzoeksgerecht van oordeel zijn dat een vervolging zich opdringt. Niet minder dan 120 politieambtenaren werden in 2005 veroordeeld tot correctionele straffen, wat een stijging is met bijna 35 % in vergelijking met 2004 (88 veroordelingen) en zelfs met 106 % in vergelijking met 2003 (58 veroordelingen).  
Echt verontrustend is, naar het aanvoelen van het Comité P, het gedoogbeleid dat door een deel van de zittende magistratuur lijkt te worden gevolgd ten aanzien van politieambtenaren die over de schreef gaan. Bovendien stellen we vast dat bepaalde motiveringen voor de opgelegde strafmaat eerder laconiek dan wel onbestaande zijn.

Soorten misdrijven gepleegd door politieambtenaren

Het misbruik maken van politionele databanken voor persoonlijke doeleinden: Ook in de dagelijkse klachtenafhandeling kan vastgesteld worden dat politieambtenaren nog te vaak politionele en niet-politionele databestanden raadplegen in strijd met het finaliteits- en proportionaliteitsbeginsel. Klassiek zijn de gevallen waarin in het kader van echtelijke moeilijkheden de politieambtenaar misbruik maakt van zijn functie en bevoegdheden door politionele of andere databanken te raadplegen in het raam van louter privaatrechtelijke aangelegenheden waarin hijzelf, dan wel een naaste (echtgenoot of echtgenote, vriendin, enz.) betrokken is. Daarbij gaat het voornamelijk om raadplegingen van het Rijksregister, het register van de nummerplaten bijgehouden door de Dienst Inschrijvingen Voertuigen (DIV) en de Algemene nationale gegevensbank (ANG). Het kan ook gaan om het raadplegen in het ISLP-systeem van verklaringen die deze of gene partij (tegen de politieambtenaar zelf of tegen een kennis) heeft afgelegd.

Het misbruik maken van de verbaliseringsbevoegdheid: Politieambtenaren die dergelijk gedrag aan de dag leggen, lijken inderdaad niet de nodige garanties van integriteit en betrouwbaarheid te bieden en zijn niet op hun plaats binnen de politie.

De verkeersinbreuken: Klassiekers zijn alcoholintoxicatie en, in mindere mate, dronkenschap achter het stuur en vluchtmisdrijf. Opvallend is dat er toch wel zeer hoge alcoholgehaltes worden genoteerd en dat in de overgrote meerderheid van de gevallen door de politierechters nog steeds niet specifiek wordt gemotiveerd in functie van het feit dat voor hen een politieambtenaar op het beklaagdenbankje zit.
Dit soort van uitspraken kan niet worden goedgekeurd. Over het algemeen kan men wel vaststellen dat politieambtenaren door de politierechtbanken niet zwaarder worden bestraft dan de gewone burger, wat op zich al een opvallende vaststelling is. Men zou eerder verwachten dat, gezien het maatschappelijk belang van de verkeersmaterie, de onophoudelijke campagnes van de overheid tegen het geïntoxiceerd sturen, het feit dat de doorsneepolitieorganisatie meer dan 50 % van haar capaciteit steekt in verkeerspreventie en -handhaving en het feit dat het precies de politie is die zorg moet dragen voor de handhaving, men eerder strenger zou optreden tegen politieambtenaren die zondigen tegen de verkeersregels (en dan gaat het vooral over geïntoxiceerd sturen, dronkenschap, weigering ademtest of bloedproef, niet-verzekering en vluchtmisdrijf).       
Niets is echter minder waar, zodat opnieuw een zeker gedoogbeleid kan worden waargenomen.

De valsheid in geschrifte door het opmaken van valse processen-verbaal: Deze misdrijven komen geregeld terug. Bepaalde politieambtenaren kunnen er kennelijk niet aan weerstaan misbruik te maken van hun politionele bevoegdheid en hoedanigheid om, meestal om privéredenen, valse processen-verbaal op te maken. Het is duidelijk dat hier streng moet tegen opgetreden worden.       
Een bijzondere toepassing vormt het heikele probleem van het ‘vervalsen’ van een proces-verbaal teneinde de identiteit van een informant te beschermen. In twee vonnissen van twee verschillende correctionele rechtbanken was deze problematiek aan de orde en moet vastgesteld worden dat er twee diametraal tegenovergestelde visies werden weerhouden. Het willen beschermen van een informant is uiteraard een geldige reden om niet alles op proces-verbaal te zetten, maar het lijkt ons dat dit enkel in het kader van de toepassing van de bijzondere opsporingsmethoden (cf. art. 47quater e.v. Sv.) als aanvaardbaar kan worden beschouwd. Iets anders is nog het bewust verdraaien van de waarheid, wat nog verder gaat dan het niet vermelden van bepaalde elementen.

De zedenmisdrijven: Wat inderdaad in het algemeen kan opgemerkt worden, is dat het soms merkwaardig is vast te stellen hoe politieambtenaren zware misdrijven plegen en vooral in de tijd blijven plegen en zich als het ware onaantastbaar wanen. Dit is misschien toch wel een element dat kan meegenomen worden in de opleiding van de politiemensen.

De taalwetgeving: Een interessante casus betrof het geval waarin aan een noodoproep niet het gewenste en verwachte gevolg werd gegeven door de dispatcher van de politie omdat die weigerde Frans te spreken.

Het gebruik van geweld: Een nog steeds vaak voorkomend misdrijf, dat in vergelijking met vorig jaar trouwens een verdubbeling kent (van 12 naar 24 vervolgingen), is dat van slagen en verwondingen door politieambtenaren, al dan niet gepaard gaand met arbeidsongeschiktheid. Klassiek is het ‘opbouwscenario’ waarbij iemand die beweert slachtoffer te zijn (en zelf de politie belt) uiteindelijk zelf het slachtoffer wordt van een hardhandig optreden van de politie. Het is, ook in de vonnissen en arresten, opvallend vast te stellen dat veel leed en onnodig geweld had kunnen vermeden worden door een meer professioneel optreden van de politie en dan vooral door wat communicatiever te zijn. Vaak wordt immers geen enkele uitleg gegeven bij een fouillering of aanhouding, wat dan snel aanleiding geeft tot onbegrip en (fysieke) escalatie. Iets meer uitleg zou al veel ellende kunnen besparen.

De (relatieve) zwaarte van de strafmaat

Hoger stelden we reeds dat de ‘rotte appels’ binnen de politieorganisatie (en vermits het gaat over 150 vervolgde politieambtenaren op een totaal van 38 000, kan men hier die term gebruiken) door de strafrechter met al te veel mildheid worden bejegend.    
Net zoals in het jaarverslag 2004 was aangegeven, gebeurt het ook nu dat de rechter rekening houdt met een reeds opgelopen tuchtstraf om op penaal gebied een zekere mildheid aan de dag te leggen.

Enkele bijkomende structurele vaststellingen

Oude titulatuur: Nog steeds (cf. jaarverslag 2004) zien we in de meerderheid van de vonnissen en arresten spreken van ‘rijkswachter’, ‘politieagent’, enz. waardoor het dikwijls onmogelijk is de juiste graad van de betrokken politieambtenaar te achterhalen. Zelfs parketmagistraten spreken in hun brieven aan het Comité P nog steeds over ‘adjudanten van de rijkswacht’ … of ‘adjunct-commissaris van politie’. Bovendien kan zeer vaak noch uit de vonnissen, noch uit de begeleidende brief van het openbaar ministerie afgeleid worden tot welke politiedienst de beklaagde behoort.

Weigering medewerking aan het onderzoek en verstek: Er moet vastgesteld worden dat ook politieambtenaren nog wel eens verstek laten gaan en het dus zelfs niet nodig achten voor de strafrechter te verschijnen. Dat gebeurt geregeld in politiezaken (zowel verkeer als gewone overtredingen zoals openbare dronkenschap) maar uitzonderlijk ook in correctionele zaken.

Sanctie voor manifest onterechte klachten: Nu en dan stelt het Comité P vast, ook bij de analyse van de rechterlijke uitspraken, dat er bijwijlen manifest onterechte strafklachten worden neergelegd waarvoor een systeem van sanctionering en/of genoegdoening zou moeten ontwikkeld worden ten behoeve van de politieambtenaar die ten onrechte door de modder is gesleurd of ten onrechte het slachtoffer is geworden van strafklachten allerhande. De actuele instrumenten voor een ten onrechte bekladde politieambtenaar zijn de gekende wegen zoals een strafklacht (al dan niet met burgerlijke partijstelling voor de onderzoeksrechter) wegens laster en eerroof of een burgerlijke procedure. Nochtans zijn die wegen weinig efficiënt en, vooral, duren ze door de band veel te lang. Misschien kan hier een wetgevend initiatief worden overwogen.

Het zwaard van de ‘redelijke termijn’: Ook het vervolgings- en bestraffingsbeleid ten aanzien van delinquente politieambtenaren heeft te lijden onder de gekende traagheid van de rechtsgang met veel te lange doorlooptijden tussen het plegen van de feiten en de uiteindelijke be- of veroordeling. Om de haverklap komt de verdediging dan aandraven met de redelijke termijn, wat meebrengt dat de straffeloosheid ten aanzien van die politieambtenaren zonder meer een pijnlijke vaststelling is.

Opvolging van de verantwoorde en transparante implementatie van de wetten van 7 december 1998 en van 5 augustus 1992 alsook van andere bijzondere wetten betreffende de politionele opdrachten en bevoegdheden

Onthaal

De onthaalfunctie bij de lokale politie is een wezenlijke component van de basispolitiezorg. Het eerste contact van de burger met de politie verloopt immers gewoonlijk via het onthaal (hetzij telefonisch, hetzij ter plaatse). De manier waarop de politieambtenaar de burger onthaalt, zal rechtstreeks impact hebben op het globale beeld dat hij zich vormt van de politie. Niettemin moeten we vaststellen dat de korpschefs vaak de neiging hebben om de stressfactor inherent aan de functie van onthaalbeambte te onderschatten en misschien niet alles in het werk stellen om het goede verloop van die taak te bevorderen.

Het Comité P heeft de nadruk gelegd op een aantal ‘probleemsituaties’ die een invloed hebben op de indruk die het grote publiek heeft van de kwaliteit van het werk dat wordt geleverd door de lokale politie. 
Zo blijven verschillende politieambtenaren vasthouden aan de strategie van ‘een politiezone staat vooreerst ten dienste van haar eigen inwoners’. Niet zelden worden klagers doorverwezen naar een andere politiezone. Meer globaal gesproken, stellen we vast dat er zich, van tijd tot tijd, een probleem van ‘communicatie in real time’ voordoet tussen de interventieploegen en het onthaal: een patrouille op het terrein zal een burger ‘ontvangen’ en hem, om een precieze en waarschijnlijk terechte reden, doorsturen naar een onthaalpost. Wanneer de eerste intervenanten automatisch en puur formeel gezien beginnen door te verwijzen naar het onthaal, ontstaan er problemen. In dat verband betreurt het Comité P ook dat sommige politieambtenaren op het vlak van onthaal enkel werken volgens het principe van de ‘volgende klant’. Sommige burgers beklagen zich er immers over dat men in verschillende zones, door een gebrek aan triage, te lang moet wachten om uiteindelijk triviale inlichtingen te verkrijgen.

Het virtueel onthaal van de klant (e-government) was een nog grotendeels braakliggend terrein op het ogenblik dat de nieuwe politiestructuur in plaats werd gesteld. Sinds enkele maanden veranderen de zaken op het vlak van informaticatechnologie in alle politiezones evenwel snel. Zij treden naar buiten door de creatie van hun eigen website. Toch mogen deze nieuwe communicatievormen nooit het ‘rechtstreeks contact’ met de burger vervangen.

Vanuit kwalitatief oogpunt zouden alle zones instrumenten of indicatoren op punt moeten zetten om de onthaalfunctie te meten. Alle zones zouden de onthaalprocessen meer in detail moeten beschrijven in hun zonale veiligheidsplannen en er rekening mee moeten houden dat er voldoende financiële middelen worden vrijgemaakt voor die functionaliteit. De commissariaten moeten niet enkel beter toegankelijk zijn, het moeten onthaalstructuren zijn die tegelijkertijd een veilig en gemoedelijk gevoel opwekken. Op de belangrijkste invalswegen zouden vaker wegwijzers moeten worden geplaatst die de weg naar de verschillende politieposten aanduiden en ook binnen de gebouwen moeten enkele infrastructurele aanpassingen worden doorgevoerd. Tot slot, zouden de personeelsleden die de onthaalfunctie vervullen, vooreerst moeten worden geselecteerd op basis van een welbepaald profiel (vrijwilligerswerk, aangeboren zin voor empathie, erkende beroepskennis, vermogen om een te analyseren situatie objectief te percipiëren, processen eigen aan de instelling beheersen), maar voornamelijk op basis van een aangepaste gezamenlijke opleiding, zelfs van een doorgedreven psychologische selectie. De korpschefs moeten dus koste wat het kost beletten dat er wordt gekozen voor de gemakkelijkheidsoplossing, die erin bestaat deze functie toe te wijzen aan de medewerker die men meent nergens anders kwijt te kunnen.

Politionele slachtofferbejegening

Net als de functie onthaal, is de functie politionele slachtofferbejegening vaak het eerste contact van de burger met de politie.

Uit de onderzoeken en analyses worden volgens het Comité volgende situaties als problematisch ervaren: (1) de verhouding politieambtenaar-slachtofferbejegenaar en gerechtelijke overheden; (2) het bestaan van een specifieke dienst slachtofferbejegening mag niet betekenen dat er desinteresse is van de politieambtenaren; (3) de kwaliteit van de opvang in het algemeen; (4) het feit dat er geen specifieke richtlijnen bestaan voor bepaalde veel voorkomende domeinen zoals bijvoorbeeld intrafamiliaal geweld en omgaan met ‘marginalen’ in het algemeen; (5) de grenzen van de tussenkomst van de politieman-slachtofferbejegenaar.

Uit de onderzoeken en analyses kan in het algemeen afgeleid worden dat: (1) de minimum normen gehaald worden en dat in dit domein samenwerkingsakkoorden worden afgesloten. Waar dit niet het geval is, moet dit aangemoedigd worden; (2) voor specifieke domeinen een meer specifieke regeling wenselijk is, vooral dan voor intrafamiliaal geweld; (3) de problematiek van de grenzen van de tussenkomst alsmede de relatie tussen de ambtenaar en de gerechtelijke overheden en ook tussen de ambtenaar-bejegenaar en de collega-onderzoekers dient verduidelijkt; (4) een specifieke vorming gebaseerd op case studies zich zeker opdringt.

Interventie

Doorgaans komt de burger met de interventieploegen in contact in stresserende situaties of op moeilijke momenten. Het is bijgevolg van groot belang voor het goed functioneren van de politie, alsook voor het imago en de legitimiteit, dat de interventie goed wordt uitgevoerd. Doorgaans betekent dat een snelle en adequate afhandeling volgens de filosofie van community policing.       
Samengevat komt dit neer op een snelle, coherente en probleemoplossende behartiging van noodoproepen en een gerichte uitvoering van de gewone surveillance. Criteria om dit te onderzoeken zijn o.a.: (1) de interventietijd (dispatchtijd, aanrijtijd, afhandelingstijd); (2) de kwaliteit van de interventie; (3) de volledigheid van de interventie (geïnformeerde start, goede nazorg); (4) de relevantie van de patrouilleplaats; (5) de (actieve) doorverwijzingen, zichtbaarheid en aanspreekbaarheid, enz.

Vanuit het standpunt van de bevolking bekeken, lijken de sterktes van de interventiewerking in België in het algemeen: een vrij goed bereikbare 101-dienst en vrij snelle aanrijtijden zonder veel filtering in opdrachten. Zwaktes daarentegen vormen de routineuze afhandeling, de interventiedruk (cf. ook te veel oneigenlijke opdrachten, dus toch te weinig filtering), de kwaliteit van de dienstverlening en de link en taakintegratie met andere diensten opdat een meer probleemgerichte aanpak kan volgen (zie gebrek aan projecten in het interventieluik van de zonale veiligheidsplannen).

Binnen het Comité P is een aanzet tot analyse voorhanden over de volgende punten: tijdslimiet, Astrid, informatiebeheer, wijze van tussenkomst en toepassing van de bevoegdheden.

Tijdslimiet

In de periode 2001-2005 werd het Comité P van 112 klachten met betrekking tot het aspect tijdslimiet – zijnde het tijdsverloop tussen de oproep en de daadwerkelijke tussenkomst – in kennis gesteld, casu quo werden deze klachten onderzocht. Uit de analyse blijkt dat, in geval van geen of laattijdige interventie, het doorgaans eerder gaat om het niet beschikbaar zijn van ploegen, dan wel om een (concrete) toepassing van de prioriteiten. Een burger wil natuurlijk altijd zo snel mogelijk geholpen worden, en dat geldt zeker ook als het om een politie-interventie gaat.

Door omtrent haar interventiewijze en -prioriteiten goed te communiceren met de bevolking, zou de politie in het concrete geval een en ander beter kunnen kaderen en aldus op meer begrip van de burger kunnen rekenen.

Astrid

Uit het onderzoek naar de werking van ASTRID (All-round Semi-cellular Trunking Radio communication system with Integrated Dispatchings) kan met betrekking tot de basisfunctionaliteit interventie het volgende worden vastgesteld:

Sinds de inplaatsstelling van de communicatie- en informatiecentra (CIC) maken de politiezones hun interventiebeleid over aan de CIC’s. Dit houdt in: (1) het beheer van gebeurtenissen; (2) het beheer van de ploegen en hun opdracht; (3) het bepalen van de respons en het instructiebeleid: voor elk van de 450 mogelijke gebeurtenissen (types en subtypes) moeten instructies worden toegekend. Het betreft dus een soort standaardrespons voor elk type van gebeurtenis.     
Een voordeel van dit systeem is dat de politiezone het zonaal veiligheidsplan kan inbrengen in haar interventiebeleid door bijvoorbeeld bijkomende instructies te koppelen aan een gebeurtenis. Dit kan verschillen van politiezone tot politiezone. Het CIC kan ook rekening houden met de hoedanigheid van een interventieploeg (bijvoorbeeld: iemand in de ploeg met kennis van Arabisch, een milieuspecialist in de interventieploeg, enz.). Deze mogelijkheden worden echter nog niet ten volle benut. Indien het CIC de dispatching uitvoert voor een politiezone, dan kan er ook beter gecoördineerd worden tussen de interventieploegen, zelfs over de provinciegrenzen heen.

Het CIC houdt ook per politiezone statistieken bij, o.a. van de aanrij- en afhandelingstijden van de interventieploegen. Deze rapportage wordt in principe driemaandelijks gestuurd aan de politiezone, die er rekening mee kan houden voor het bijsturen van haar interventiebeleid (aantal ploegen, nieuwe richtlijnen, vorming, enz.).    
Anderzijds is het operationeel vatten en het up-to-date houden van het interventiebeleid zeer arbeidsintensief en vergt het veel capaciteit van de vatters van het CIC. Het systeem is ook ondergeschikt aan de kwaliteit en de reactie van de calltaker die de juiste vragen dient te stellen aan de oproeper om op die manier de juiste kwalificatie aan de gebeurtenis te kunnen toekennen. Er is ook een risico dat de dispatchers na een tijd terugvallen op routine en de instructies die gekoppeld zijn aan een gebeurtenis niet meer lezen en aldus bepaalde opdrachten niet gaan uitvoeren. Een permanent onderricht in de CIC’s moet dergelijke risico’s ondervangen. Het duurt immers gemiddeld een tweetal jaar vooraleer een dispatcher het gewenste competentieprofiel bereikt.

De politiezones moeten bewust gemaakt worden van de meerwaarde van dit systeem en de kwaliteit van dergelijk aangestuurde interventies. De rekrutering, selectie en opleiding van het personeel (calltaker/dispatcher) vormt hierbij een kritische succesfactor. Er dient voldoende geïnvesteerd te worden in capaciteit voor het vatten op de CIC’s teneinde de correcte toepassing van het interventiebeleid toe te laten. Aangezien er op het CIC gespecialiseerde vatters aanwezig zijn, is het Comité P de mening toegedaan dat het aan te raden valt dat politiezones zich laten dispatchen door het CIC.

Informatiebeheer

Niet alle korpsen gebruiken de mogelijkheden van ISLP (Integrated System for Local Police). Sommige opties van het systeem worden niet gebruikt zoals het hoort. Zo heeft het Comité P bijvoorbeeld vastgesteld dat politiezones niet altijd in staat zijn een overzicht te geven van de politieambtenaren die in een geschil zijn tussengekomen. Een ander aspect dat meermaals naar voor is gekomen, is het gebrek aan gestructureerde informatie-uitwisseling tussen interventie- en wijkdiensten. In een aantal dossiers werd vastgesteld dat de wijkwerking goed op de hoogte was van een problematische situatie, maar dat deze niet bekend was bij de interventie noch bij de dispatcher die een ploeg ter plaatse stuurde, soms met kwalijke gevolgen.

Het Comité P beveelt zo snel mogelijk een beter gebruik van de bestaande ISLP-mogelijkheden en een gestructureerde informatie-uitwisseling tussen de diensten onderling aan.

Wijze van tussenkomst

Niettegenstaande het voor iedereen duidelijk zou moeten zijn dat het politionele optreden niet langer enkel beheerst wordt door het aspect legaliteit, maar ook door concepten als legitimiteit, opportuniteit, evenredigheid, effectiviteit en gelijkwaardige dienstverlening aan de bevolking, moet men vaststellen dat, vooral bij jonge interventieagenten, het aspect legaliteit de bovenhand heeft en vaak nog het enige referentiekader is.

Inspanningen dienen bijgevolg in dit kader te gebeuren in het raam van het mentorship, maar zij kunnen ook structureel van aard zijn, onder andere door een meer oordeelkundige samenstelling van de ploegen.

Toepassing van de bevoegdheden

Het wettelijk kader is één van de pijlers van het politieoptreden en moet dus voldoende gekend zijn. Het Comité P tracht via zijn jaarverslagen en allerhande andere verslagen, publicaties of artikels ad hoc daartoe een bijdrage te leveren en op dat vlak voortdurend te sensibiliseren, maar dit is uiteraard ontoereikend. Een correcte toepassing van de wet dient in de eerste plaats op de werkvloer te worden opgevolgd.       
In deze materie dringen zich tevens geregelde controles op en moet worden herinnerd aan de belangrijke rol die verantwoordelijken en leidinggevenden in het algemeen hierin spelen, vooral dan het middenkader.

Vergaring en verwerking van informatie inzake bestuurlijke politie

In het verlengde van zijn vroegere toezichtsonderzoeken gewijd aan de problematiek van ‘het handhaven en herstellen van de openbare orde en rust’ wenste het Comité P een analyse te maken van de inzameling en exploitatie van de informatie inzake bestuurlijke politie naar aanleiding van het evenement van openbare orde ‘bomspotting’ dat werd gehouden op 16 april 2005.

Dit evenement vertoonde verscheidene interessante kenmerken: (1) tegelijkertijd moest de openbare orde worden gehandhaafd op drie sites verspreid over het ganse grondgebied (de zetel van de SHAPE in Casteau, de zetel van de NAVO in Brussel en de luchtmachtbasis van Kleine Brogel); (2) het was noodzakelijk om informatie in te zamelen bij buitenlandse politiepartners omtrent de eventuele aanwezigheid van buitenlandse deelnemers; (3) de manifestanten moesten in real time worden gevolgd op de drie sites, net als hun respectieve verplaatsingen; (4) het federaal niveau diende absoluut een coördinerende rol te vervullen doordat de gebeurtenissen gelijktijdig plaatsvonden; (5) de politiediensten dienden samen te werken met de Veiligheid van de Staat en/of de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht (ADIV).

Alle Franstalige en Nederlandstalige directeurs-coördinators werden geraadpleegd om een zo getrouw mogelijk beeld te verkrijgen van de initiatieven die op hun niveau waren genomen om de inzameling van informatie inzake bestuurlijke politie naar aanleiding van dit evenement te stimuleren.                                              
Tijdens het evenement zijn diverse goede praktijken opgevallen. Ter illustratie vermelden we: het nationaal zoekprogramma dat in het leven werd geroepen door de Directie van de operaties en de informatie inzake bestuurlijke politie (DAO), dat geregeld werd vertaald naar het niveau van elk arrondissement afhankelijk van de lokale akkoorden en specificiteiten; de ‘structurele vergaderingen’ die werden gehouden om de beschikbare informatie inzake bestuurlijke politie uit te wisselen en de aangekondigde en/of geplande evenementen te bespreken die een weerslag kunnen hebben op de openbare orde; de inschakeling van ‘netwerken contactpersonen’ van de diverse betrokken diensten om de problemen te bespreken die gepaard gaan met de informatie inzake bestuurlijke politie, maar ook om opleidingssessies te organiseren omtrent specifieke problemen; de punctuele ‘werkvergaderingen’ die werden belegd met de verschillende partners (coördinatie- en steundienst van de federale politie (CSD), federale gerechtelijke politie (FGP), arrondissementeel informatiekruispunt (AIK) maar ook met de Veiligheid van de Staat en/of de ADIV) om de taakverdeling inzake inzameling van informatie te bepalen; enz.

De bestuurlijke directeurs-coördinators (DirCo) en de politiezones die betrokken waren bij dit evenement hebben bovendien verschillende coördinatievergaderingen bijgewoond die plaatsvonden bij de Algemene Directie van het Crisiscentrum (ADCC) van de FOD Binnenlandse Zaken. Tegelijkertijd werd de informatie inzake bestuurlijke politie gewijd aan de bomspotting aangevuld met boodschappen van operationele aard die verband hielden met de inzet van de gehypothekeerde capaciteit.

De antwoorden leren dat de DirCo’s tevreden lijken over de wijze van inzameling en exploitatie van de informatie binnen hun arrondissement. Globaal kunnen we vaststellen dat de gedeconcentreerde diensten daadwerkelijk betrokken zijn bij deze zoektocht naar informatie. Zo werden op de dag van het evenement bijzondere inspanningen geleverd om te beschikken over een totaalbeeld van de verschillende plaatsen waar manifestanten bijeenkwamen en die verspreid waren over het ganse grondgebied teneinde de betrokken DirCo's in real time te kunnen inlichten over het evenement.

Tot slot worden diverse informaticatoepassingen zoals Argos of Nemesys ontwikkeld en geïnstalleerd binnen de politiezones en/of centrale en gedeconcentreerde diensten van de federale politie met het oog op de optimalisering van de informatiestroom inzake bestuurlijke politie.

Openbare orde in het algemeen

De functionaliteit openbare orde wordt door het Comité P specifiek onderzocht vanuit de idee van proactief toezicht op de politie-uitvoering. Een aantal gebeurtenissen en politieacties werden op een gestructureerde en systematische manier geobserveerd. Bijkomend werd de documentatie met betrekking tot de voorbereiding, het verloop en de evaluatie ervan geanalyseerd. Deze observaties dragen bij tot een realistische beeldvorming van de huidige politiepraktijk en de eventuele problemen waarmee de politie wordt geconfronteerd. Deze kennis vult deze verkregen uit de klachtenbehandeling en de verschillende toezichtsonderzoeken aan.

Op basis van deze onderzoeken met betrekking tot de functionaliteit openbare orde werden problemen vastgesteld op de volgende terreinen: (1) de toepassing van dwang in de praktijk: routinematige aanpak met tekorten op het vlak van veiligheid, gebrek aan effectieve leiding en organisatie op het terrein, gebrek aan dialoog met de betrokken burger(s); (2) de toepassing van dwangmaatregelen en het gebruik van geweld(middelen): verschillen tussen theorie en praktijk, onterecht gebruik van bivakmutsen, inzet van honden zonder muilkorf en soms excessief geweldsgebruik na neutralisatie van de perso(o)n(en); (3) een tekort aan coherentie tussen de voorbereiding en hetgeen men brieft enerzijds en de uitvoering anderzijds en het nog te vaak ontbreken van debriefings en evaluatie; (4) een tekort aan zichtbare uitvoering van het alom geprezen en gepropageerde concept ‘genegotieerd beheer van de publieke ruimte’.

Het Comité P meent dat de politiediensten absoluut meer moeten evalueren met het oog op het leerproces en toch minimaal een briefing en een debriefing moeten organiseren met de verantwoordelijken van de verschillende diensten en functies.  
Het concept ‘genegotieerd beheer’ en de problemen die men in de praktijk ondervindt om dit toe te passen, alsook de verschillen tussen theorie en praktijk in de toepassing van dwang(middelen) en geweld(middelen) zullen het voorwerp uitmaken van verder onderzoek opdat de opleiding en training beter zouden kunnen worden afgestemd op de praktijk en omgekeerd.      
Er moet ook aandacht worden besteed aan het aspect leiderschap en verantwoordelijkheid op het terrein, zowel vanuit het politiebeleid bij de organisatie van gebeurtenissen en politieacties als vanuit de specifieke opleidingen waar dit aspect in de praktijk te weinig aan bod komt.

Het begeleiden en beheren van voetbalwedstrijden

In opdracht van de minister van Binnenlandse Zaken werd het Comité P gevraagd om een toezichtsonderzoek uit te voeren met betrekking tot de omstandigheden waarin de handhaving van de openbare orde [x] naar aanleiding van voetbalwedstrijden wordt verzekerd. Dit onderzoek had enerzijds betrekking op het verbaliseringsbeleid en anderzijds op de inzet van mensen en middelen. Het Comité heeft beslist deze problematiek gedurende twee jaar verder op te volgen aan de hand van een opvolgingsonderzoek.

Aangezien hooliganisme een nationale en internationale dimensie kent, lijkt het voor het Comité P een evidentie dat de strijd tegen dit fenomeen een grotere federale aansturing krijgt. Vanuit die redenering is het aangewezen om de speerpunten van het federale beleid op een of andere manier (nog meer) te officialiseren en vooral afdwingbaar te maken.

Het verfijnen van de rol van de spotter op basis van de ervaringen die beide voetbalcellen hebben opgedaan, is een opportuniteit. Het Comité is van oordeel dat de spotter zich globaal gezien ‘actiever’ moet manifesteren en dit zowel in het globale proces van de ordehandhaving als op het vlak van de gerechtelijke politie. Leidinggevenden die ingezet worden naar aanleiding van het begeleiden en beheren van manifestaties, moeten terzake (degelijk) zijn opgeleid.

Het strekt verder tot aanbeveling om naar aanleiding van het jaarlijks tweedaags trainingsprogramma Hycap of de opleiding in het algemeen de nodige aandacht te besteden aan volgende aspecten: (1) ordehandhaving naar aanleiding van voetbalwedstrijden; (2) samenwerking tussen spotters-terreinofficieren en commandanten ordedienst; (3) communicatie tussen politiemensen en deelnemers aan manifestaties; (4) progressieve aanwending van dwang en geweld.

Lokale recherche

De functionaliteit lokale recherche als dusdanig werd door het Comité P de afgelopen jaren niet specifiek onderzocht. Wel gebeurden er enkele onderzoeken naar de werking van de lokale recherche in bepaalde korpsen, maar deze hadden veeleer betrekking op de leiding en het beheer dan op het inhoudelijke van de functionaliteit. Bovendien ligt een toezichts- of controleonderzoek het minst voor de hand bij een recherchedienst, vermits men zeer snel dreigt te vervallen in een controle op de (parket)magistratuur, waartoe het Comité P niet bevoegd is.

Deze functionaliteit vertoont niettemin verschillende problemen: de samenhang tussen de korpsentiteiten; de kennis en kunde; het gebruik van de lokale recherche voor zaken die niet lokaal zijn; de verzelfstandiging; de informantenwerking binnen de lokale recherche, enz.

Een aantal leden van de lokale recherche is verplicht een ‘functionele gerechtelijke opleiding’ te volgen. Misschien is het nuttig een stand van zaken te hebben omtrent het aantal nog te vormen leden van de lokale recherche.        
Niettegenstaande, in de bezochte zones, de norm wordt gehaald en overschreden, is het duidelijk dat door deelname van de lokale recherche aan andere dienstactiviteiten, de beschikbare recherchetijd vermindert en misschien wel onder de norm komt te liggen.           
Hoewel de benaming ‘lokale’ recherche ons inziens niet betekent dat deze niet buiten de zone kan werken, dient er toch over gewaakt dat zij niet tot een ‘FGP light’ verwordt, omdat men (het gevoel heeft) als gerechtelijke overheid meer vat heeft (te hebben) op die lokale recherche dan op een FGP.

De lokale recherche moet haar specificiteit behouden en een bepaalde mate van eilandvorming moet een constante bekommernis zijn.

Wat de informantenwerking betreft, wordt er nog onvoldoende systeem- en ketengericht gewerkt, doch dit is een probleem van de werking van de lokale recherchedienst an sich. Door de BOM-wetgeving werd wel een beweging in gang gezet of versneld die op korte termijn kan leiden tot een professionalisering van de informantenwerking binnen de lokale recherchedienst. Dit wordt deels geïllustreerd door de sterke toename van het aantal actieve informanten.

Conclusies en perspectieven

De voornaamste aandachtspunten, conclusies en aanbevelingen die heeft Comité P in het verlengde van zijn activiteiten 2005-2006 heeft geformuleerd, kunnen als volgt worden samengevat:

De strategische en beleidsmatige keuzes

Naar een echte en meer community policing: Wetende dat er tussen de zones op dat vlak nog meningsverschillen merkbaar zijn, nemen we met genoegen waar dat op federaal niveau, behoudens de intelligence led policing die één van haar legitieme prioriteiten is, men zich rekenschap begint te geven, niet alleen van het feit dat die benadering moet worden ingepast in de globale benadering van community policing, maar ook van het feit dat de federale politie haar werking ook moet afstemmen op die community oriented policing en dat zij daarin een belangrijke rol te spelen heeft.

Naar meer transparantie: Echt werken in de optiek van community oriented policing, zowel op federaal als op lokaal niveau, vraagt meer verantwoordelijkheidszin van de diverse actoren en intervenanten en veronderstelt dat men in alle transparantie rekenschap aflegt, niet alleen aan de rechtstreekse overheid, maar ook aan het Parlement via het extern toezicht.

Naar een echte kwaliteitsvolle en geïntegreerde werking: Thema’s als samenwerking op verschillende niveaus en de loyale ondersteuning van de integratiemechanismen moeten bovenaan het prioriteitenlijstje staan van de diverse politionele en politieke verantwoordelijken. Hierbij dient opgemerkt dat de federale politie op dat vlak veelal een positieve en constructieve houding aanneemt en inspanningen levert om dit prioritair aan te pakken. Sommige lokale politiekorpsen, daarentegen, zijn daartoe helemaal niet geneigd, of doen dat althans niet op dezelfde manier noch even afdoend.

Astrid, de CIC’s en de AIK’s zijn onmisbare schakels, wil men in alle opzichten meer en betere veiligheid garanderen. In dat opzicht moet er ook aandacht worden besteed aan de kwaliteit en het professionalisme van de personeelsleden die worden tewerkgesteld in de CIC’s en AIK’s en moeten zij de passende opleidingen kunnen volgen.

Naar een betere omkadering van de politieambtenaren op het terrein: De kwaliteit van bepaalde primaire (gerechtelijke) processen en taken, bijvoorbeeld van processen-verbaal opgesteld door bepaalde politieambtenaren of in bepaalde politiecomponenten, is geregeld als ondermaats te bestempelen. Sommige verhoren en processen-verbaal zijn verworden tot standaardakten, zonder enige vorm van individualisering, wat zonder meer problematisch is, zeker in geval van eventuele vervolging.

Het Comité P is de mening toegedaan dat één van de oorzaken daarvan te weinig of geen supervisie en/of coaching is.       
De middenkaders hebben een essentiële omkaderingsrol en controlefunctie te vervullen, onder het toezicht van het officierenkader. Een frequentere en betere opvolging van de kwaliteitscontrole zou een goede zaak zijn zowel voor de geschreven als de operationele interventies van de politiediensten (o.m. inzake het opstellen van processen-verbaal, controles en fouilleringen, het gebruik van geweld, enz.).

Uit die individuele gevallen zouden ook gepaste lessen moeten worden getrokken, die dan worden teruggekoppeld naar alle belanghebbende partijen binnen de korpsen. Zo komt het o.a. ook de functionele beheerders en de middenkaders toe, onder eindverantwoordelijkheid van de korpschef, om geregeld controles uit te voeren op bijvoorbeeld de consultatie of het gebruik van de politionele databases. In deze bijzondere materie blijkt er ook nood te zijn aan een algemene bijsturing van de personeelsleden door hen te overtuigen van de noodzaak om de privacy van de burgers en de collega’s te respecteren en ze in deze te volgen en te coachen.

De inplaatsstelling en verfijning van de structuren gewild door de wetgever: Sinds de start van de politiehervorming hebben de bestuurlijke directeurs-coördinators (DirCo) nog niet echt de gelegenheid gehad om al hun potentiële mogelijkheden waar te maken noch om al hun energie en hun knowhow ten dienste te stellen van de geïntegreerde werking van beide politieniveaus. Het zal, gezien de reorganisatie van de federale politie, thans een hoofdtaak van de (nieuwe) commissaris-generaal worden die DirCo’s de rol ten volle te laten spelen die ze kunnen en willen spelen.

De oprichting en inplaatsstelling van een echte nieuwe Vaste Commissie van de lokale politie, zoals gewild door de wetgever, d.w.z. werkelijk representatief, zal ongetwijfeld een aanzienlijke verbetering betekenen voor de geïntegreerde werking en de afstemming van het lokaal op het federaal niveau en vice versa.

Het Comité pleit er ook voor om een halt toe te roepen aan de opeenvolgende kleine of grote hervormingen, tussentijdse evaluaties, eindevaluaties, herevaluaties en benoemingen die, niet enkel op het niveau van de federale politie, maar ook in heel wat politiezones, nu eens hebben geleid tot een stagnatie, dan weer tot een vertraging in de implementatie van een moderne en professionele politie. Die opeenvolging van kleine en grote hervormingen, verandering van prioriteiten, kritieken, nieuwigheden was allesbehalve makkelijk voor de betrokkenen of voor de personen die ze dienden te ondergaan.

Een performant en modern beheer van de human resources

Naar een degelijke opleiding: Gezien de integrerende en innoverende rol die de opleiding moet vervullen in het politielandschap, is het uiterst belangrijk de coördinerende initiatieven en het streven naar meer kwaliteit in dat domein aan te moedigen.

Het Comité P stelde een aantal tekortkomingen vast op het vlak van de kwaliteit van het gerechtelijk politiewerk, zowel met betrekking tot de gespecialiseerde als met betrekking tot de basistaken. Het Comité moet ook blijven vaststellen dat in sommige korpsen, eenheden of diensten, de wet op het politieambt, het Wetboek van Strafvordering en het Strafwetboek niet of onvoldoende gekend zijn.           
Daarnaast blijft het Comité P hameren op het belang om begrippen als ‘aanhouding’ en ‘fouillering’ duidelijk te onderwijzen en zich ervan te vergewissen dat de aspiranten de draagwijdte van die termen goed hebben begrepen, ongeacht of ze van bestuurlijke of van gerechtelijke aard zijn. Hetzelfde geldt voor concepten als ‘opsporing’, ‘heterdaad’, enz. Zo moet men ook alle aspecten en mechanismen van de vrijheidsberoving of de bestanddelen van een inbreuk goed onder de knie hebben. Verschillende tekortkomingen in de onderzochte domeinen zijn volgens ons, afgezien van het hierboven beschreven gebrek aan omkadering, te wijten aan de kwaliteit van sommige basis- en voortgezette opleidingen.

De uitbreiding van de bevoegdheden van de (hulp)agenten moet gekoppeld worden aan de uitbreiding van de basisvorming en/of bijkomende bijscholingen. Zo niet dreigt de kwaliteit van de politiezorg waarvan ze verscheidene aspecten voor hun rekening nemen, er op achteruit te gaan.

Een duidelijke en zo volledig mogelijke reglementering betreffende de verschillende normen en standaarden inzake opleiding, zou zo snel mogelijk moeten worden genomen.

Naar performantere en meer adequate middelen: Het lijkt ons tevens van belang om nog meer aandacht te besteden aan de ontwikkeling van de administratieve gegevensverwerking en de ICT die, in verschillende opzichten, nog te log is.   
Bij gebrek aan klare gegevens is het bijzonder moeilijk om, in de huidige stand van zaken, de geïntegreerde werking afdoend betrouwbaar en valide door te lichten, vooral dan de steunverlening door het federaal niveau in bepaalde domeinen of materies. Het is bijvoorbeeld belangrijk te kunnen beschikken over instrumenten en indicatoren waarmee men zich een beeld kan vormen van onder meer de steunaanvragen per specialiteit, per arrondissement, per aanvrager, enz.

Naar een ‘learning organisation’: De aard van sommige disfuncties impliceert in principe dat er maatregelen van bestuurlijke of andere aard (kunnen) worden genomen telkens het nodig blijkt. In deze materie moet men voor ogen houden dat het ‘blijvend verbeteren’ en het ‘levenslang leren’ absolute voorwaarden zijn in een streven naar een kwaliteitsvolle openbare dienstverlening. Het Comité P meent dat een dergelijke ingesteldheid vandaag nog te vaak ontbreekt in tal van componenten van de geïntegreerde politie.

Naar een doorleefde deontologie en een beter tuchtbeheer: Het Comité P kan niet anders dan tevreden zijn dat er onlangs een deontologische code van kracht is geworden. Die code moet wel nog worden geïmplementeerd en alles moet in het werk worden gesteld opdat iedereen ze zich daadwerkelijk en in zijn dagelijks optreden eigen maakt.
Niettemin zijn enkele houdingen, lacunes en gedragingen voor het Comité P de reden om te stellen dat men nog te vaak geconfronteerd wordt met een werkelijke (deontologische) normvervaging, een gebrek aan normbesef inzake discipline, een ondermaatse zin voor nauwkeurigheid en loyauteit die ermee gepaard gaat. Kortom, een gebrek aan het elementaire professionalisme en de broodnodige politionele beroepsethiek die men op alle niveaus van de politieorganisatie moet vinden.

In de praktijk levert de interactie tussen de strafvordering enerzijds en de tuchtrechtelijke tuchtprocedures/evaluatieprocedures anderzijds nog altijd enige problemen op. Als gevolg daarvan lijkt de tucht soms verder weg dan ooit. Er moet worden vermeden dat de tuchtoverheden zich te veel of te vaak verschuilen achter een lopende procedure of de complexiteit van de zaak inroepen om uiteindelijk niets te ondernemen op tuchtgebied of de termijnen te laten verstrijken zodat er geen tuchtrechtelijk optreden meer mogelijk is. Wij vinden deze situatie steeds verontrustender, zelfs indien ze gedeeltelijk te wijten is aan de ingewikkelde procedures en er ook hier reeds sinds geruime tijd verandering is beloofd.

De implementatie van de politiefunctie (veiligheid)

De systemen en processen

Naar een betere opsporing en exploitatie van de informatie: In verscheidene onderzoeken is naar voren gekomen dat er nog heel wat vooruitgang moet worden geboekt in het domein van de opsporing en de exploitatie van informatie. Het ontbreekt in de hele informatiehuishouding en de voeding van de Algemene nationale gegevensbank (ANG) bijvoorbeeld nog geregeld aan contextinformatie.      
Nog te vaak wordt beslist om politie-eenheden in te zetten op basis van historische gegevens veeleer dan op basis van operationele informatie die daartoe werd vergaard of beschikbaar is. Het beheer en de begeleiding van bepaalde gebeurtenissen die de inzet en het gebruik vereisen van aanzienlijk veel menselijke en materiële middelen, alsook de informatie-inspanning die daarmee gepaard gaat, moeten een meer doordachte plaats krijgen in de voorbereiding van de operaties naar aanleiding van zulke gebeurtenissen.

Er moet ook worden gefocust op de kwaliteit van de voeding van de ANG en het gebruik ervan moet worden aangemoedigd en verbeterd. In dat verband mag, naast het aspect opleiding, ook niet vergeten worden dat de goede werking van de CIC’s en AIK’s daarin van fundamenteel belang is. Volgens onze vaststellingen kan de kwaliteit van de beschikbare informatie nog worden verbeterd. Op sommige plaatsen moeten er nog belangrijke inspanningen worden geleverd, zowel op het vlak van de vergaring van informatie als op het vlak van de doordachte en geïntegreerde registratie en exploitatie van de gegevens, ten bate van alle betrokken partijen.

Naar een uniforme aanpak van mensensmokkel en –handel: De nood aan uniformisering van het prostitutiebeleid blijft actueel. In dat domein zijn de kritische succesfactoren een nauwe samenwerking met de parketten, goede samenwerking tussen de parketten onderling en met de externe diensten, alsook duidelijke afspraken met de diverse betrokken instanties. Een harmonisatie van de strategische en operationele grondslagen voor de beheersing van het fenomeen mensenhandel op basis van best practices van verschillende politiekorpsen moet worden gestimuleerd.

Naar een verantwoord en kwalitatief hoogstaand intern toezicht: Op het vlak van het intern toezicht, meer in het bijzonder de afhandeling van klachten tegen politieambtenaren, werden tot op heden, ondanks de veelvuldige verzoeken, geen formele of materiële standaarden of normen vastgelegd in een reglementaire tekst of in een (dwingende) richtlijn. Toch is de politiewereld – zowel op federaal als op lokaal vlak – vragende partij voor dergelijk regelgevend kader.

De functie intern toezicht en inspectie moet dus beter worden georganiseerd en erkend binnen alle politiediensten. Ze moet minstens opnieuw worden getoetst aan de bestaande normen of instructies en ze moet nog verder worden uitgewerkt binnen de federale politie. Tot slot moet die functie worden ingevoerd in de andere politiediensten in de zin van artikel 3 van de wet van 18 juli 1991. In elk geval moet er een bijzondere plaats worden voorbehouden aan een kwaliteitsvolle afhandeling van de klachten ingediend tegen politieambtenaren of -officieren.

Naar de bevestiging van de specificiteit van de opdrachten van het verlenen van de sterke arm, naar een beter beheer van de administratieve taken: Met betrekking tot de administratieve taken evolueren de zaken in gunstige zin, aangezien er een nieuwe, nogal volledige richtlijn in de maak is, in uitvoering van artikel 25 van de wet op het politieambt. Het moet alleszins duidelijk zijn dat het verlenen van de sterke arm één van de kerntaken van de politie is en dat deze opdracht geenszins, zelfs niet door een omzendbrief, kan verworden tot een administratieve taak. Het meest essentiële vraagstuk zal echter het afdwingbaar karakter zijn ten overstaan van de lokale politie en politieoverheden van de toekomstige omzendbrief “administratieve taken”. Indien de omzendbrief niet meer zal zijn dan een verzoek of een uitnodiging aan de lokale politie en -overheden riskeert men opnieuw een zeer disparate toepassing te bekomen waarbij in de ene zone bepaalde taken wel en in de andere zone bepaalde taken niet worden afgestoten als ‘administratief’.

Naar een kwaliteitsvol gerechtelijk werk: Processen-verbaal die duidelijk, volledig, van goede kwaliteit zijn en die kaderen in een consequent en gewenst verbaliseringsbeleid, zijn een bijzonder performant en nuttig instrument in de strijd tegen verschillende criminele fenomenen. Sommige vaststellingen die het Comité P heeft gedaan, tonen aan dat de weg nog lang is. Zoals eerder gezegd, zou een adequate opvolging van de kwaliteits- en conformiteitscontrole van de processen-verbaal, politieverslagen en dergelijke meer niet overbodig zijn.

Uit verschillende onderzoeken blijkt immers nog dat het wettelijk en reglementair kader waarin de politieambtenaren zich moeten bewegen nog te vaak niet is gekend. Zo wordt de verplichting om proces-verbaal op te maken van de vaststellingen en interventies, de uitvoering van fouilleringen of het te vaak systematisch laten ontkleden van gefouilleerde personen op verschillende wijze onderwezen en geïnterpreteerd in de politiediensten en -scholen niettegenstaande de merkbare verbeteringen die in dit domein zijn vastgesteld.

Naar een gemotiveerd en proportioneel gebruik van geweld, met name op het vlak van ordehandhaving: Als we de balans opmaken van twaalf jaar toezicht op de politiediensten, is het duidelijk dat het gebruik van geweld één van de permanente en voornaamste aandachtspunten van het Comité P is. Elk jaar onderzoekt het Comité een relatief groot aantal klachten en aangiften met betrekking tot een mogelijk willekeurig optreden, een niet-toegestane of niet-gerechtvaardigde aanwending van dwang door de politie.     
Het Comité P volgt sommige thema's in dit delicaat en belangrijk domein aandachtig op, o.m. het beheer van wapens en munitie, de controles, fouilleringen en aanhoudingen, de inzet van bijzondere middelen of honden bij interventies, enz. Ook hier speelt omkadering een bijzondere rol.

Naar nog meer menswaardige opsluitingen in de politiecellen: De reglementaire bepalingen houdende de minimale normen die moeten worden nageleefd voor cellen in de politiediensten laten al jaren op zich wachten, ondanks de herhaaldelijke aanbevelingen van het Comité P en het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. Hetzelfde geldt voor de richtlijnen met betrekking tot de opsluiting van personen.

Het externe toezicht

Over elk abnormaal gebruik van geweld moet een verslag worden opgesteld, dat indien nodig wordt aangevuld met een debriefing, een controle, een evaluatie en, zo nodig, een bijsturing. Elk gebruik van wapengeweld (met inbegrip van sprays) moet, zoals beloofd door het kabinet van de minister van Binnenlandse Zaken en de commissaris-generaal, het voorwerp uitmaken van een verslag dat tevens wordt gestuurd aan het Comité P.

Het Comité P heeft, zoals wettelijk voorzien, over de verdeling van de onderzoeken ten laste van politieambtenaren zoals voorzien door artikel 16, 3de lid van de wet van 18 juli 1991 sinds 2000 al verschillende voorstellen geformuleerd, maar die blijven tot op heden dode letter. Het is blijkbaar niet mogelijk omtrent deze materie een uitvoeringsbesluit te nemen. Deze stand van zaken is bovendien in strijd met de bestaande internationale tendens volgens dewelke de meest ernstige zaken betreffende politie-interventies moeten worden behandeld door diensten die volkomen extern zijn aan de politie en die onafhankelijk zijn van de overheden die hen rechtstreeks aanwenden.           
In dat opzicht mogen we ook de houding van sommige magistraten niet onvermeld laten. Zij lijken geen rekening te willen houden met de ernst van de feiten noch met de complexiteit van de zaak, noch met de specificiteit van de Dienst Enquêtes P wanneer ze hem een of andere zaak toevertrouwen. In Brussel wordt de situatie stilaan zorgwekkend door het overaanbod van ‘banale’ zaken dat richting Comité P wordt gestuurd.

Het Comité P wenst eraan te herinneren dat er geen toezichtsorgaan is dat, buiten het gerechtelijk kader, gemachtigd is om over te gaan tot nazicht van zowel telefoondossiers bij het centraal technisch interceptiesysteem (CTIF) als van de dossiers bijgehouden door de telefoonoperatoren.

Nog enkele laatste aandachtspunten

Telkens als het Comité P cijferanalyses publiceert, komt er hevige kritiek vanwege sommige overheden, korpschefs of politieverantwoordelijken.

Men mag nooit uit het oog verliezen dat de kwalificatie van de feiten toegelicht in de verslagen en analyses van het Comité P betreffende de klachten en aangiften betrekking heeft op aantijgingen die gestandaardiseerd worden gekwalificeerd zonder rekening te houden met de onderzoeksresultaten. De perceptie van de klager of aangever wordt dus omgezet in een aantijging. Met andere woorden, de feiten worden gekwalificeerd en beschreven in de database van het Comité P zoals ze worden vermeld in de aanvankelijke klacht of aangifte. Het spreekt vanzelf dat eenzelfde klacht of aangifte kan verwijzen naar verschillende feiten, lacunes of tekortkomingen.

Zelfs indien zij niet allemaal terecht blijken te zijn, verre van overigens, zijn zij toch een signaal van de burger aan de overheid en de politie. Zonder omwegen stellen dat die cijfers niet overeenstemmen met het aantal strafrechtelijke of tuchtrechtelijke straffen, is allesbehalve een pertinent argument of een argument dat het vertrouwen van de burgers in hun politie kan versterken. Integendeel, dergelijke attitude zou de burger veeleer kunnen sterken in het idee dat politieambtenaren ongestraft alles kunnen doen. Het is dus van belang die cijfers te nemen voor wat ze zijn: duidelijke signalen van wat de burger vindt van zijn politie.

Het is ook zo dat sommige feiten aan het Comité P worden gemeld om een lopende procedure te vertragen of te verstoren, indien het al niet duidelijk de bedoeling is om schade te berokkenen aan de aangeklaagde. Het Comité is ervan overtuigd dat het belangrijk is, samen met de overheid, te zoeken naar een evenwichtige oplossing om op te treden tegen misbruiken op dat vlak. De voorstellen van de politieverantwoordelijken en -chefs zijn welkom. Het Comité is trouwens bereid om over die kwestie overleg te plegen.

Voor het Comité P is het uiterst belangrijk om op het juiste ogenblik te kunnen beschikken over goede, relevante en betrouwbare gegevens enerzijds en om antwoorden te krijgen binnen aanvaardbare termijnen anderzijds. Nog te vaak krijgt het geen antwoord of is dit antwoord ongepast. Bijwijlen wordt het Comité P geconfronteerd met vertragingsmanoeuvres, die soms uitgaan van hooggeplaatsten binnen de politiehiërachie.

De afgelopen jaren werd de draagwijdte van zijn organieke wet van 18 juli 1991 gewijzigd en werden aan het Comité P nieuwe opdrachten en bevoegdheden toegekend, zonder dat het daarbij voldoende (of minstens vroeg genoeg) werd betrokken.

Perspectieven

Wat de klachtenbehandeling betreft, zal het Comité P verder blijven streven naar een adequate afhandeling door in de eerste plaats de klacht door de verantwoordelijke diensten zelf te laten onderzoeken en pas in tweede lijn, of uitzonderlijk ab initio zelf – al dan niet via de Dienst Enquêtes –, door het Comité.

Wat de toezichtsonderzoeken betreft, zal het Comité P de volgende accenten leggen:     
(1) het toezicht in het kader van de hem nieuw toegekende bevoegdheden in de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid;  
(2) het toezicht op de werking van de diensten die geen politiediensten zijn met uiteraard een specifieke aandacht voor de werking van OCAD;  
(3) de implementatie van de wet van 20 juni 2006 tot wijziging van bepaalde teksten betreffende de geïntegreerde politie en dan meer in het bijzonder deze die betrekking hebben op de federale politie;      
(4) de wijze waarop doorheen de functionaliteiten gestalte gegeven wordt aan de gelijkwaardige minimale politiezorg.

Daarnaast zal het Comité P zijn rol inzake observatorium van de politiefunctie verder waarmaken.

Bijlage: Lijst van afkortingen

ADCC

Algemene Directie van het Crisiscentrum

ADIV

Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht

AIG

Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie

AIK

Arrondissementeel informatiekruispunt

ANG

Algemene nationale gegevensbank

ASTRID

All-round Semi-cellular Trunking Radio­communication Integrated Dispatching

BOM

Bijzondere opsporingsmethoden

BRUNAT

Brussel-Nationaal

CAD

Computer aided dispatching

CAT

Comité tegen foltering van de Verenigde Naties

CERD

Comité tegen rassendiscriminatie van de Verenigde Naties

CGC

Directie van de werking en van de coördinatie van de federale politie

CGL

Directie van de relaties met de lokale politie

CIC

Communicatie- en informatiecentrum

CPT

Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing

CSD

Coördinatie- en steundienst

CTIF

Centraal technisch interceptiesysteem

DAC

Directie van de politie van de verbindingswegen

DAO

Directie van de operaties en de informatie inzake bestuurlijke politie

DAR

Directie van de algemene reserve

DGA

Algemene directie van de bestuurlijke politie

DGS

Algemene directie operationele ondersteuning

DirCo

Bestuurlijke directeur-coördinator

DirJu

Gerechtelijke directeur

DIV

Dienst Inschrijving Voertuigen

DSB

Directie van de nationale gegevensbank

DST

Directie van de telematica

DSU

Directie van de speciale eenheden

DVZ

Dienst Vreemdelingenzaken

ECRI

Europese Commissie tegen racisme en intolerantie

EVRM

Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden

FGP

Federale gerechtelijke politie

FOD

Federale Overheidsdienst

GDA

Gerechtelijke dienst arrondissement

Hycap

Gehypothekeerde capaciteit

ICT

Information and Communication Technology

ISLP

Integrated System for Local Police

LPA

Luchtvaartpolitie/police aéronautique

MIVB

Maatschappij voor het Intercommunaal Vervoer te Brussel

NAVO

Noord-Atlantische Verdragsorganisatie

NMBS

Nationale Maatschappij der Belgische Spoorwegen

OBP

Officier van bestuurlijke politie

OCAD

Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse

OGP

Officier van gerechtelijke politie

SHAPE

Supreme Headquarters Allied Powers Europe

SIDIS

Système Informatique de Détention/Detentie Informatica Systeem

SNBA

SN Brussels Airlines

SPC

Spoorwegpolitie/police des chemins de fer

SPN

Scheepvaartpolitie/police de la navigation

Sv.

Wetboek van Strafvordering

Sw.

Strafwetboek

VCLP

Vaste Commissie van de lokale politie

VDNL

Veiligheidsdetachement van de Nationale Luchthaven

WPR

Wegpolitie/police de la route



[i]         Op 10 juli 2006 werd de wet tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten en van de artikelen 323bis en 327bis van het Gerechtelijk Wetboek uitgevaardigd (B.S. van 20 juli 2006). Krachtens deze wet wordt het opschrift van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten vervangen door het opschrift “wet tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse”. De bepalingen van deze wet zullen van kracht worden op een door de Koning bepaalde datum en uiterlijk op 1 december 2006.

[ii]        Als bijlage vindt u een lijst van de afkortingen gebruikt in deze synthese.

[iii]       BOURDOUX, Gil. L. et al., Doorgangscellen en bewaarkamers bij de politie, Cahiers Vast Comité P, Brussel, Politeia, 2005.            
CUVELIER, Chr. en BOURDOUX, Gil. L., Incidenten met personen onder politietoezicht: leren uit een problematische politiewerking, Cahiers Vast Comité P, Brussel, Politeia, 2005.     
DE COCK, Ph., WARD, E. en BOURDOUX, Gil. L., Politie, mensenhandel en prostitutie, Cahiers Vast Comité P, Brussel, Politeia, 2006.

[iv]       Het Comité P vat het begrip ‘doeltreffendheid’ in ruime zin op, d.w.z. dat de term zowel de doeltreffendheid als de doelmatigheid beslaat. Op die manier wenst het Comité eventuele verwarring tussen beide begrippen te vermijden. In de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie- en inlichtingendiensten spreekt men in artikel 1 in de Nederlandse versie immers over de doelmatigheid (efficience in het Frans), terwijl men het in datzelfde artikel in de Franse versie heeft over efficacité (doeltreffendheid in het Nederlands).

[v]        Artikel 14bis, 1ste lid: De commissaris-generaal van de federale politie, de algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie en de korpschefs van de lokale politie sturen aan het Vast Comité P ambtshalve een kopie van de klachten en aangiften die zij betreffende de politiediensten hebben ontvangen en bij het afsluiten van het onderzoek een korte samenvatting van het resultaat ervan”.

[vi]       Artikel 14bis, 2de lid: De bevoegde tuchtrechtelijke overheden brengen het Comité maandelijks omstandig op de hoogte van enige tuchtmaatregel of ordemaatregel die is uitgesproken tegen een lid van een politiedienst”.

[vii]      Artikel 14, 1ste lid: “De procureur-generaal en de auditeur-generaal sturen aan de voorzitter van het Vast Comité P ambtshalve een kopie van de vonnissen en arresten betreffende misdaden of wanbedrijven begaan door de leden van de politiediensten”.

[viii]     Artikel 14, 2de lid: “De procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de federale procureur of de procureur-generaal bij het hof van beroep, al naar het geval, brengt de voorzitter van het Comité P op de hoogte telkens als tegen een lid van een politiedienst een opsporingsonderzoek of een gerechtelijk onderzoek wegens misdaad of wanbedrijf wordt ingesteld”.

[ix]       Artikel 26: “Elk lid van een politiedienst dat een misdaad of een wanbedrijf gepleegd door een lid van een politiedienst vaststelt, stelt daarover een informatief verslag op en bezorgt dat binnen vijftien dagen aan de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes.

[x]        De terminologie ‘handhaving van de openbare orde’ is inmiddels geëvolueerd naar ‘het begeleiden en beheren van gebeurtenissen’.