17.4.1. Het afstemmen van een beleid gericht op het vermijden van de aanwerving of vorming van specifieke politiepersoonlijkheden, extreme idealisering van het politieberoep en verregaande autonomie in het beroep17.4.2. Het afstemmen van een beleid gericht op de detectie van stress, burn-out en de preventie en aanpak van alcoholisme
26.2.1. Aanwijzingen uit de toezichtsonderzoeken en klachten van 2006 naar aanleiding van het nemen van dwangmaatregelen door de politie
Bijlage D: Infrastructuur en ondersteuning
Bijlage E: Taakverdeling in het kader van de regiowerking van het Vast Comité P
Bijlage F: Onderzoeksmethodologie
Bijlage G: Klachten in verband met de tijdslimiet interventie en de taakuitoefening
Inleiding:
Het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten en zijn positie binnen
het politielandschap
Met de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie‑ en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse werd een specifiek extern toezicht op de politiediensten en het OCAD ingevoerd, dat wordt verzekerd door een onafhankelijke en neutrale speler, het Vast Comité P. Het waakt erover dat het zijn opdrachten uitvoert in alle objectiviteit, neutraliteit en transparantie ten behoeve van zowel de (politie)overheden als de burger. Binnen de bevoegdheidssfeer van het Comité P vallen alle politiediensten, alle agenten en officieren van gerechtelijke politie en alle personen die individueel bevoegd zijn om strafbare feiten op te sporen en vast te stellen, die we samenvattend “de politionele en inspectiediensten” zouden willen noemen.
Dit toezicht betreft: (1) de activiteiten en methodes van de politionele diensten; (2) hun interne reglementen en richtlijnen; (3) alle documenten betreffende de handelwijze van de leden van de politionele diensten, met uitzondering van de richtlijnen inzake het opsporings‑ en vervolgingsbeleid en het beleid met betrekking tot de bestuurlijke politie en (4) de activiteiten van de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie alsook de interne controlediensten eigen aan voormelde politionele diensten.
De hoofdopdrachten van het Comité P worden in zijn organieke wet omschreven als: (1) het toezien op het waarborgen van de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen verlenen en (2) het toezien op de coördinatie en (3) het toezien op de doelmatigheid van de politiediensten. Het door het Comité P beoogde toezicht heeft dus niet als voornaamste bedoeling om bij de politionele diensten individuele feiten vast te stellen met het oog op het sanctioneren ervan, wat de volle bevoegdheid van de hiërarchische, gerechtelijke of tuchtrechtelijke overheid en de respectieve diensten (diensten intern toezicht, Algemene inspectie, enz.) blijft. Integendeel, het doel is, onder het toezicht van het Parlement, eventuele onvolkomenheden in en het falen van het systeem vast te stellen en voorstellen te formuleren om daaraan te remediëren.
Doordat het Vast Comité P steeds meer naamsbekendheid geniet bij het grote publiek, wordt het geconfronteerd met een exponentiële toename van het aantal klachtendossiers. Om de behandeling van die dossiers te optimaliseren, werd er binnen de administratie van het Comité P een klachtencel opgericht. Die cel is op 1 april 2007 van start gegaan en heeft intussen een werkmethode uitgewerkt die het mogelijk maakt om de klachten sneller te oriënteren en vooral om de dossiers sneller af te sluiten. Zo wordt aan bijna 60 % van de dossiers binnen de 15 dagen na ontvangst van de klachtenbrief een oriëntatie gegeven (Dienst Enquêtes P, dienst intern toezicht voor autonome afhandeling of voor onderzoek, enz.). In bijna 60 % van de gevallen wordt het dossier ook afgesloten binnen een termijn van maximum 60 dagen, die uiteraard afhankelijk is van de opvolging die de betrokken dienst geeft aan de oriëntatie van de klacht.
Zaak is nu te bekijken hoe deze termijnen nog kunnen worden ingekort en de gegevens betreffende deze klachten te analyseren die opgenomen zijn in de databank van het Comité P. Deze gegevens kunnen immers wijzen op bepaalde disfuncties die bijvoorbeeld aanleiding kunnen geven tot de opening van een thematisch onderzoek.
Bovendien wordt de informatie, die nuttig en vooral nodig is voor de uitoefening van zijn wettelijke opdrachten, die het Vast Comité P ontvangt van derden (hoven en rechtbanken, parketten, politiediensten, inspectiediensten, Algemene inspectie, tuchtoverheden, enz.) nu op regelmatige wijze vergaard en verwerkt, zodat ze als basis kan dienen voor allerlei analyses, statistische, thematische of andere, indien nodig zelfs meer specifieke. Binnen de afdeling “gegevensverwerking” van de klachtencel wordt er ook een kwalitatieve analyse verricht van deze informatie om de gegevensuitwisseling met voormelde externe bronnen te verbeteren.
Het Vast Comité P blijft ook proactief optreden om bij te dragen tot een betere werking en coördinatie van de politiediensten, onder meer door raad en opleidingen te verstrekken. In dat verband wordt er binnen de Dienst Enquêtes P een “strategische analysecel” opgericht die samengesteld is uit commissarissen-auditors met diverse achtergrond (strategische analyse, sociologie, criminologie, rechten, enz.) en als voornaamste taak heeft te functioneren als observatorium van de politiefunctie en van het “politiebestel”. Deze observatoriumfunctie van de politie is werkelijk één van de strategische doelstellingen van het Comité P, wat, gezien de huidige politiestructuur – 196 politiezones en tientallen eenheden van de federale politie, meer dan honderd bijzondere inspectiediensten, het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse), enz. – absoluut geen evidente taak is.
Daarbij komt dat de Dienst Enquêtes P meer dan 300 zware gerechtelijke onderzoeken op jaarbasis doet en de magistratuur echt wel rekent op deze gespecialiseerde enquêtedienst om de meest moeilijke strafrechtelijke onderzoeken tegen politieambtenaren te kunnen “draaien”. Zodra er immers een politieambtenaar betrokken is in een strafrechtelijk feit, is de roep van de verdediging naar een onafhankelijk onderzoek zeer groot. De (parket)magistraat doet dan zeer dikwijls een beroep op de Dienst Enquêtes P, vermits dit de enige gespecialiseerde dienst is volledig extern aan de politiediensten of politieoverheden. Om die reden moet er ook kunnen voor gezorgd worden dat zowel de getalsterkte als de kwaliteit van de Dienst Enquêtes P op peil blijven.
Bovendien stellen wij vast dat het Comité P meer en meer gevonden wordt door allerhande personen of instanties (private personen, academische wereld, korpschefs, politieoverheden, syndicale organisaties, enz.) die een advies vragen aan het Comité P betreffende deze of gene regelgeving of politiepraktijk. De kwaliteitsvolle behandeling van deze dossiers vergt niet alleen capaciteit, maar ook kwaliteitsvol en hoog gekwalificeerd personeel op het niveau van de administratie van het Comité.
Bovendien werd het bevoegdheidskader van het Vast Comité P uitgebreid door de recente wet van 10 juli 2006 tot wijziging van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie‑ en inlichtingendiensten en van de artikelen 323bis en 327bis van het Gerechtelijk Wetboek. Het Comité dient sindsdien toezicht te houden op de coördinatie en de doeltreffendheid van het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. In de loop van de maand september 2007 werd in dit verband een eerste verslag neergelegd, dat samen met het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingendiensten werd opgemaakt. Daaruit blijkt dat dit toezicht geleidelijk aan wordt ingevoerd en dat het ook zal afhangen van de kwaliteit van de beschikbare informatie.
Met andere woorden, zoals hierna zal blijken, wordt het Comité P meer en meer gesolliciteerd, zowel wat klachtenbehandeling, toezichtsonderzoeken, adviesverlening als gerechtelijke onderzoeken tegen politieambtenaren betreft. Over dit alles hebben wij getracht een zo een accuraat mogelijk beeld te schetsen in dit jaarverslag.
Hoofdstuk I:
Het Vast Comité P, het observatorium voor een globale visie op de politiezorg
Afdeling 1:
Werking van het Vast Comité P
In 2006 kwam het Vast Comité P als collegiaal orgaan 35 maal
samen in plenaire vergadering. Deze plenaire vergaderingen hebben als vaste
dagorde: verslag van de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes; bespreking
en goedkeuring van de notulen van de voorbije vergadering; klachten, aangiften
en toezichtsonderzoeken: toebedeling en bespreking; administratie en logistiek
waaronder interne dossiers en beslissingen toegankelijk voor het Rekenhof.
In totaal werden meer dan 525 items besproken die te maken hebben met
statutaire voorschriften maar ook met de actualiteit. Deze wekelijkse bijeenkomsten
geven het Vast Comité P de mogelijkheid om zeer kort op de realiteit
in te spelen en de beslissingen te nemen die noodzakelijk zijn voor de goede
werking van de organisatie. Op twee na werden alle beslissingen met eenparigheid
van stemmen genomen, terwijl ze conform het huishoudelijk reglement bij bijzondere
of gewone meerderheid kunnen worden genomen. Het Vast Comité P streeft
er immers steeds naar om een volledige consensus te bereiken. Daarom wordt
er niet geaarzeld om, wanneer nodig of nuttig, met het lid dat om een of andere
reden niet aanwezig kan zijn, telefonisch contact op te nemen teneinde zijn
mening in het debat te horen. De aanwezigheidsratio van het voltallige Comité
bedroeg meer dan 50 % en bij één verontschuldigde, wegens andere opdrachten
op dat ogenblik, bedroeg deze zelfs 75 %. Steeds waren er minstens drie
leden aanwezig zodat de continuïteit van vergaderen altijd gewaarborgd werd.
Zo werden er, naast de klachten en aangiften en de toezichtsonderzoeken, tientallen
thematieken besproken.
In dit verband wenst het Vast Comité P de nadruk te leggen op de volgende
initiatieven: er werd een studiedag over de bijzondere inspectiediensten voorbereid;
cahiers en andere publicaties (zie bijlage A) werden besproken en voorbereid;
de algemene veiligheid van de gebouwen en de elektronische verbinding tussen
de twee gebouwen werden verbeterd waardoor er ook bijkomende toegangen naar
politionele databanken mogelijk zijn; er werd gewerkt aan een uitgebreide
toegang tot de gegevens van het Rijksregister; het intranet werd geactualiseerd;
de databank werd verbeterd door o.a. een “pop-uptool” waarbij iedere dossierbeheerder
verwittigd wordt wanneer er iets in zijn dossier gewijzigd wordt, enz.
De strategische vergaderingen kaderen in de permanente opvolging en bijsturing van de algemene werking van het Vast Comité P. Er wordt in het bijzonder aandacht besteed aan het realiseren en concretiseren van de speerpunten van de strategie inzake de observatoriumfunctie, de klachtenafhandeling, de gerechtelijke opdrachten en de interne werking. Er wordt aldus periodiek geëvalueerd en bijgestuurd.
In concreto handelden die vergaderingen in 2006 over het opstarten van de onthaal‑ en permanentiefunctie in haar nieuwe configuratie en het inplaatsstellen van een territoriale verdeling van de dossiers. Daarnaast werd vorm gegeven aan de klachtencel, die intussen van start is gegaan en verder in dit verslag wordt besproken, en ten slotte werden bijkomende aanwervingen besproken (zie bijlage B).
Verschillende beslissingen werden in 2006 genomen maar zullen pas in 2007 worden uitgevoerd, zoals het verfijnen van de observatoriumfunctie en de methodiek voor en de opvolging van de aanbevelingen, het exploiteren van gerechtelijke onderzoeken voor toezichtsonderzoeken, het organiseren van informatiedagen over de werking van het Comité P en het toezicht op de politiediensten in het algemeen, alsook het maken van een nieuwe voorstellingsbrochure, wat inmiddels is gerealiseerd [1] .
Dit alles en meer werd behandeld in acht strategische vergaderingen en een strategisch seminarie.
De verdeling van de uitgaven van het Vast Comité P voor
het jaar 2006 wordt weergegeven in bijlage C, net als de voornaamste
posten van de lopende uitgaven en de kapitaaluitgaven.
Op het vlak van de kapitaaluitgaven werden in 2006, op de post meubilair,
vooral kasten, bureaus en stoelen ingeschreven. Op informaticavlak betreffen
de aankopen LCD-schermen, draagbare computers, printers en een draadloze telefoonverbinding
tussen de twee gebouwen die het Vast Comité P in de Wetstraat bezet.
Het wagenpark van het Vast Comité P is opgenomen als bijlage D.
In 2002 heeft het Comité in principe gekozen voor het systeem van leasing
in plaats van eigen aankoop. Tijdens zijn plenaire vergaderingen van 6 en
14 november 2006 heeft het Comité niettemin, om budgettaire redenen,
beslist om 5 personenwagens aan te kopen. Deze voertuigen worden op een
langere termijn afgeschreven.
Elk jaar, in de loop van de maand juni en in het kader van
de opmaak van de federale uitgavenbegroting, zendt het Comité, overeenkomstig
de instructies die de eerste minister en de minister van Begroting terzake
hebben gegeven aan de leden van de Regering en van het Parlement, zijn begrotingsvoorstellen
over aan de FOD Budget en Beheerscontrole.
De door het Vast Comité P gevraagde dotatie wordt dan ingeschreven in
Afdeling 33: Dotaties aan de instellingen die uit de federale wetgevende
vergaderingen voortkomen – Programma 5 – Vast Comité van toezicht op
de politiediensten.
In het laatste trimester van het jaar wordt het bedrag van deze dotatie geanalyseerd
en worden de begrotingskredieten die aan het Vast Comité P worden toegekend,
goedgekeurd door de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De begroting van het Vast Comité P en alle boekhoudkundige
en financiële verrichtingen die daaruit voortvloeien, maken het voorwerp uit
van zowel een interne als externe controle.
Met betrekking tot de interne controle, kijkt de commissaris van de rekeningen
(een lid van het Comité aangesteld door het Vast Comité P), overeenkomstig
artikel 42 van het Huishoudelijk reglement van het Comité, na of de boekhouding
op regelmatige wijze wordt bijgehouden. Hij analyseert onder andere of de
kredieten goed worden besteed en of ze niet worden overschreden en waakt over
de strikte naleving van de begrotingsposten die zijn goedgekeurd door de Kamer
van volksvertegenwoordigers. Hij stelt een verslag op dat hij voorlegt aan
de externe controle van het Rekenhof en, in plenaire zitting, aan het Vast
Comité P ter goedkeuring van de budgetrekening. Het verslag van deze
commissaris, de heer Gil. L. Bourdoux, voor het begrotingsjaar 2006
werd opgesteld op 6 mei 2007 en de budgetrekening werd goedgekeurd
op 14 mei 2007 tijdens een plenaire vergadering van het Vast Comité P.
Mevrouw Isabelle Van Kruchten en de heer Karl Maes, adjunct-auditeurs,
alsook de heer Jan J. Haex, eerste auditeur-revisor bij het Rekenhof, zijn
overgegaan tot de externe controle van de rekeningen 2006 van het Vast Comité P
tijdens de week van 14 tot 18 mei 2007 en op 8 juni 2007.
Het Rekenhof zal zijn verslag ter goedkeuring toezenden aan de Kamer van volksvertegenwoordigers
in de loop van het laatste trimester van 2007.
Het Statuut van de directeur-generaal en van de leden van de Dienst Enquêtes van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten werd gepubliceerd in het Staatsblad [2] .
Er werd een teambuildingdag georganiseerd voor alle personeelsleden en het Vast Comité P verleende ook steun aan de Sport‑ en Cultuurkring en aan het sociaal fonds van de instelling.
De verspreiding van bruikbare informatie en de analyse die het Comité P permanent maakt, vinden hun neerslag in verschillende publicaties waarbij bestaande publicatiekanalen gebruikt worden of er nieuwe worden gecreëerd zoals de “Cahiers van het Vast Comité P”.
Verscheidene raadsleden zijn ook beslagen in tal van specifieke rechtstakken waardoor zij redactielid of auteur zijn van verschillende (meestal rechtskundige) bijdragen en uitgaven. Dit jaarverslag verwijst hiervoor naar de auteurslijsten van juridische uitgevers. In dit verband dient ook aangestipt dat de directeur-generaal via de publicatie van een handboek over de bijzondere opsporingsmethoden en aanverwante wetgeving [3] zijn kennis actueel houdt. Dit geldt ook voor een aantal leden van het Comité zelf of van zijn Dienst Enquêtes die meewerken aan de handboeken “De beleids‑ en organisatieorganen van de lokale politie” [4] , “De exploitatie van telefooncommunicatie in het strafproces” [5] of het “Handboek van de politiefunctie” [6] .
De overige publicaties uit 2006 die rechtstreeks voortvloeien uit de werking van het Vast Comité P, zijn meer in detail opgenomen als bijlage A.
Zoals meermaals vermeld in dit jaarverslag, organiseerde het Vast Comité P op 19 december 2006 een studiedag in de Koninklijke Militaire School met als thema de bijzondere inspectiediensten. Op deze studiedag waren zowel magistraten, inspectiediensten als politie uitgenodigd en in groten getale aanwezig. Het unieke van deze dag bestond erin met deze beroepsgroepen een dialoog te voeren. Het resultaat daarvan kunt u o.a. lezen in het tijdschrift Orde van de dag [7] .
De leden van het Vast Comité P en de Dienst Enquêtes hebben uiteraard ook deelgenomen aan diverse studiedagen zoals: in Gent een studiedag over “Veiligheidsbeleid” georganiseerd door Panopticon en over “Drugs” georganiseerd door het psychiatrisch centrum; in Antwerpen organiseerde Justitie een themadag over “De vleugels van Justitie”. Het Centrum voor politiestudies en ‘le Centre d’études sur la police’ hielden op verschillende locaties studiedagen onder meer over “Kerntakendebat”, “Wie is baas van de lokale politie?”, “Het politiestatuut”, “Politie en geweld”, “Leiderschap bij de politie” en “ILP en gemeenschapsgerichte politie”. In Rotterdam woonde een lid van het Comité het colloquium “de OM-beschikking in Nederland” bij en in Roeselare “Politieverhoor van doven en slechthorenden”. De studiedag “Veiligheid en burgemeesters” van de Senaat werd ook gevolgd, net als “Community policing” en “Openbaarheid en bestuur” van het CEPOL. Tot slot, woonde een lid van het Comité in Brussel een colloquium bij over “Rondtrekkende dadergroepen”.
Leden en commissarissen-auditors werden ook geregeld gevraagd als lesgever of als gastspreker, zoals voor de opleiding magistratuur over de gemeentelijke administratieve sancties (GAS), bijzondere opsporingsmethoden, de werking van het Vast Comité van Toezicht onder meer aan de faculteit recht en criminologie van de Vrije Universiteit Brussel, van de Université de Liège en van de KU Leuven, over het Strafprocesrecht aan de Vrije Universiteit Brussel, een informatieavond voor laatstejaarsstudenten aan de Vrije Universiteit Brussel, een studienamiddag Kluwer met als onderwerp het “Bewijs in strafzaken”, Prevention and detection: corruption in Belgium amongst officials with police powers in Beijing, Civil oversight organisation Make Justice Visible in Boise georganiseerd door NACOLE en Transparancy and accountibility te Vancouver georganiseerd door CACOLE of als maître de conférence aan de universiteit Luik over “Questions spéciales de police et de sécurité”, lesgever in de Nationale officierenschool of op een colloquium “Approche internationale de la déontologie policière” te Parijs over “L’intégration de la déontologie dans l’action des forces de l’ordre”. Ook werden er verschillende gelegenheidstoespraken gehouden over een of ander thema dat te maken heeft met de politieorganisatie of de controle daarop.
Een lid van het Vast Comité P en de directeur-generaal volgden een opleiding in competentiemanagement, terwijl een vijftiental anderen op verschillende niveaus een opleiding EFQM (of aanverwante modellen) konden volgen.
Samen met de adjunct-directeur-generaal bracht een lid een werkbezoek aan Infopol, de zesde internationale vakbeurs voor de uitrusting van politie, bewakings‑ en veiligheidsdiensten te Kortrijk.
Door deel te nemen aan internationale fora georganiseerd door
organisaties die te maken hebben met controle op politieactiviteiten, heeft
het Comité P niet alleen zijn netwerk kunnen uitbreiden maar is er ook
een uitwisseling van best practices geweest. Van deelnames aan congressen
en seminaries wordt een verslag opgemaakt dat ter beschikking wordt gesteld
via de bibliotheek.
Zo werden teksten opgenomen over het 12de congres van
de National Association for Civilian Oversight of Law Enforcement (NACOLE);
het jaarlijkse congres van de Canadian Association for Civilian Oversight
of Law Enforcement (CACOLE); het 1ste congres van de International
Association of Anti-Corruption Authorities (IAACA) en het colloquium van
La Commission nationale de déontologie de la sécurité de la République
Française.
In het kader van activiteiten rond de Raad van Europa en de
Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) werden er door
bepaalde leden werkbezoeken afgelegd in Moldavië, Montenegro, Servië, Kosovo,
Oekraïne, Rusland en Bulgarije. Het initiatief van de European Partners
Against Corruption (EPAC) werd voortgezet met een zeer geslaagd congres
te Boedapest. Het volgende congres vindt in Helsinki plaats. Met Oostenrijk
neemt het Comité P tevens het algemeen secretariaat van EPAC waar.
Het belang van het netwerk rond EPAC kwam trouwens duidelijk tot uiting in
een dossier waarbij een Griekse politicus klacht had neergelegd tegen de luchtvaartpolitie
te Zaventem. Dankzij het netwerk kon het dossier met een minimum aan tijd
en kosten beëindigd worden.
Gelet op het nut van deze netwerken en de schaalvergroting in Europa heeft
het Comité P ook niet geaarzeld om mee te werken aan de oprichting van
een nieuwe internationale (wereld)organisatie: International Network for
the Independent Oversight of Policing (INIOP).
Tevens werden de deuren van het Comité opengezet voor buitenlandse delegaties uit Servië, Burundi, Moldavië, Turkije en China.
Niet alleen heeft het Vast Comité P deelgenomen aan buitenlandse
werkgroepen maar ook in eigen land nam een lid steeds deel aan de “Commissie
ter begeleiding van de politiehervorming op lokaal niveau” (ook “Commissie-De
Ruyver” genoemd). Aan een permanente werkgroep rond zelfmoorden bij de politie
en de werkgroep rond het gebruik van geweld door de politie namen de voorzitter
en een lid van het Comité P alsook verschillende leden van de Dienst
Enquêtes deel.
Daarnaast was het Comité P vertegenwoordigd in de werkgroep van de FOD
Binnenlandse zaken rond het thema aanpassing van de wet op het politieambt,
in een ministeriële werkgroep over de vorming van veiligheidsagenten en in
een evaluatiecommissie van de privé-bewaking in het kader van de nieuwe wet
op de bewaking.
Ook was er meer dan een actieve deelname aan de werkgroep rond de uitvoeringsbesluiten
van het OCAD.
Op het strategisch seminarie van 30 juni 2005 is
de principebeslissing genomen dat de leden van het Vast Comité P de (klachten)dossiers
territoriaal zouden opdelen.
Op het strategisch seminarie van 21, 22 en 23 september 2005 is
hierop opnieuw bondig ingegaan en is afgesproken dat die regiowerking, in
eerste instantie, van toepassing zal zijn op de klachten. Later zullen in
beginsel ook de territoriale toezichtsonderzoeken dezelfde indeling volgen.
Dit wil zeggen dat het lid dat bijvoorbeeld het arrondissement Luik in zijn
takenpakket heeft in beginsel ook de toezichtsonderzoeken doet naar politiekorpsen
binnen dit arrondissement (ongeacht of deze zijn voortgekomen uit een klacht
of op een andere manier zijn gestart). Er wordt uitdrukkelijk ruimte gelaten
voor afwijkingen van dit principe. Deze afwijkingen dienen dan wel telkens
gemotiveerd te worden en het voorwerp uit te maken van een beslissing van
het Vast Comité P. Mogelijke redenen kunnen (niet limitatief) zijn: (1) de
omvang van het onderzoek; (2) de politieke gevoeligheid van het onderzoek;
(3) de moeilijkheidsgraad van het onderzoek; (4) taalredenen; enz.
Dit nieuwe systeem betekent dat er principieel wordt afgestapt
van het systeem van verdeling van de klachtendossiers op grond van een permanentiesysteem.
Na samenspraak met en in consensus tussen de directeur-generaal van de Dienst
Enquêtes en het Comité is besloten dat de regiowerking, zoals geconcipieerd
voor het Vast Comité P, niet zal worden doorgetrokken naar de Dienst
Enquêtes P.
De redenen voor de invoering van het regiosysteem zijn:
(1) de opbouw bij de leden van het Vast Comité P van een grotere expertise/knowhow. Door de vroegere versplintering was het moeilijk een korps of eenheid te “kennen”;
(2) het vermijden van een verschillend optreden door het Comité P. Zo was het in het verleden mogelijk dat ten aanzien van dezelfde eenheid door de leden verschillende opdrachten werden gegeven aan de Dienst Enquêtes of dat verschillende afhandelingsbeslissingen werden genomen in vergelijkbare zaken;
(3) de regiowerking is een middel om meer inhoud te geven aan de observatoriumfunctie;
(4) in samenspraak met de directeur-generaal van de Dienst Enquêtes P werd ervoor geopteerd om de regiowerking niet tot in al haar consequenties door te trekken naar de federale politie, maar daar een aantal meer gespecialiseerde eenheden (spoorwegpolitie, wegpolitie, enz.) in hun geheel aan één raadsheer toe te bedelen.
Binnen de administratie werd een gedachtewisseling gehouden die leidde tot een aantal zeer interessante pistes/bedenkingen. Het spreekt immers voor zich dat de administratie zich diende aan te passen aan deze vernieuwde werkwijze, onder meer door de oprichting van een klachtencel.
Een permanentietabel per raadslid van het Vast Comité P blijft alleszins noodzakelijk voor: (1) de dringende tussenkomsten; (2) de klachten waarvoor niet a priori een lokalisatie mogelijk is; (3) de klachten betreffende alle andere diensten en/of agenten of officieren van gerechtelijke politie die niet tot de geïntegreerde politie behoren; enz.
Het Comité waakt er permanent over om bepaalde valkuilen te vermijden zoals: (1) opletten dat men niet de “schoonmoeder” wordt van een politiezone of een eenheid van de federale politie; (2) opletten voor een te nauwe band met een politie-eenheid: afstand, objectiviteit en neutraliteit zijn de sleutelwoorden, zowel voor de leden van het Comité P als voor de leden van de Dienst Enquêtes en van de klachtencel; (3) opletten dat men niet in een auditrol vervalt zodra men “specialist” is geworden van een bepaalde eenheid of een bepaald korps; enz.
Om de regiowerking vlot te laten verlopen, werden een aantal kritieke succesfactoren geborgd:
(1) de themawerking (toezichtsonderzoeken) werd geïntegreerd in de regiowerking. Als er bijvoorbeeld een toezichtsonderzoek wordt geopend naar een bepaalde politiezone, wordt dit in principe behandeld door de “regioraadsheer”;
(2) het ontwikkelen van concrete partnerschappen met diensten die over informatie beschikken die het Comité als cruciaal aanziet: de Directie van de relaties met de lokale politie (CGL), de Federale Overheidsdienst Justitie/Dienst voor het Strafrechtelijk Beleid (DSB), de Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken/Algemene directie Veiligheids‑ en Preventiebeleid (ADVPB), enz. (zonale veiligheidsplannen, protocolakkoorden, actieplannen, enz.);
(3) neutraliteit: voor uiterst delicate dossiers worden twee dossierhouders aangesteld (teamwerking);
(4) de “regioraadsheer” is het aanspreekpunt, zowel intern als extern. Hij is de “expert” binnen het Vast Comité P (samen met de Dienst Enquêtes en de administratie) en fungeert als informatiebron;
(5) op regelmatige basis worden, onder voorzitterschap van de regioraadsheer, interne “regiovergaderingen” gehouden met de Dienst Enquêtes.
Zie bijlage E.
De regiowerking is van start gegaan op 1 april 2006.
Dagelijks richten burgers zich rechtstreeks tot het Comité P door middel van klachten en aangiften tegen politieambtenaren of ‑diensten. Daarnaast krijgt het Comité ook meldingen binnen over klachten en aangiften behandeld door de politiediensten zelf of door de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (AIG). Vanuit zijn voortdurend streven naar een uitstekende dienstverlening, is het Comité stilaan gaan inzien dat een geïntegreerd en gestructureerd beheer van al deze dossiers en gegevens wel eens het antwoord zou kunnen zijn op de uitdaging waarvoor het stond. Het Comité P heeft dan ook beslist een “klachtencel” op te richten.
Het Comité P is een collegiaal orgaan bestaande uit vijf leden en derhalve zijn alle beslissingen die worden genomen collegiale beslissingen. In november 2005 besliste het Comité met ingang van 1 april 2006 een andere werkwijze te hanteren voor de klachtendossiers, met name wat de titularis van het dossier betreft.
Zoals hoger gesteld, werd beslist over te gaan tot een scherpere
taakverdeling tussen de leden van het Comité P onderling door de creatie
van de zogenaamde “regioraadsheer”. Dit betekent dat de korpsen van de lokale
politie en de eenheden van de federale politie verdeeld werden onder de vijf
leden van het Vast Comité P.
Er moet echter herhaald en benadrukt worden dat het Comité P een collegiaal
orgaan is waarbij alle eindbeslissingen door de vijf leden in plenaire vergadering
worden genomen. De regiowerking doet daaraan niet de minste afbreuk.
De opdracht van de klachtencel is zesvoudig: (1) de autonome en integrale verwerking van het merendeel van de klachten en aangiften zodat aan het Comité, via één van zijn leden, afgewerkte dossiers kunnen worden voorgelegd met het oog op het nemen van een eindbeslissing; (2) het onthaal van en de informatieverstrekking aan de klagers; (3) de vatting van gegevens van derden met betrekking tot hun klachten of meldingen [8] ; (4) de periodieke opmaak van overzichtslijsten; (5) het beheer van de administratie en de briefwisseling die voortvloeien uit de vorige taken; (6) het opstellen en updaten van een algemeen klachtenreglement.
Onder supervisie van een lid van het Comité, worden de leiding
en de algemene coördinatie van de klachtencel momenteel waargenomen door de
adjunct-directeur-generaal die binnen de Dienst Enquêtes belast is met de
gerechtelijke zaken. Twee commissarissen-auditors zijn tijdelijk afgedeeld
bij de klachtencel en staan er, in nauw overleg met het administratief personeel,
in voor de organisatie van de nieuwe entiteit en de invoering ervan. Eén van
hun grote troeven is hun kennis van de politiestructuren en van de onderzoeksmodellen
die door het Comité P worden gehanteerd.
De klachtencel bestaat voor het ogenblik uit zeven administratieve medewerkers.
Overeenkomstig zijn missie, visie en waarden zoals goedgekeurd
door het Parlement, is het Comité P noch een klachtenbureau noch een
ombudsman. Met het oog op een goede dienstverlening aan de burger zal het
Comité uiteraard de klachten die hem worden gestuurd op professionele wijze
behandelen en toezien op de kwaliteit van de behandeling door de diverse intervenanten.
Afhankelijk van de oriëntatie die aan de klachtendossiers wordt gegeven, staat
één van de diverse intervenanten in voor de behandeling van de klacht. Zo
kan een klacht worden behandeld door een vast lid van het Comité, kan de bevoegdheid
om de klacht te behandelen worden overgedragen aan de AIG of kan het dossier
worden onderzocht door de Dienst Enquêtes of een dienst intern toezicht. De
beslissing om het onderzoek, indien nodig, op het niveau van het Comité P
te voeren, is gestoeld op de hoofdopdracht van onze instelling, namelijk om,
onverminderd de ernstige zaken of de zaken die een hoge specialisatiegraad
vereisen, bij voorrang de problemen van structurele aard te bekijken die verband
houden met de doeltreffendheid, de coördinatie en de naleving van de fundamentele
rechten van de burgers.
Eén van de grootste uitdagingen voor de leden van deze nieuwe
component van het Comité P ligt in de kennisoverdracht tussen de leden
van de cel, waarbij elk van hen de dossiers integraal moet kunnen behandelen,
teneinde zo snel als mogelijk tot een zo autonoom en geïntegreerd mogelijke
werking te kunnen komen. Na zes maanden werking zijn de eerste resultaten
meer dan bemoedigend. Eén van de succesfactoren van dit initiatief is de valorisatie
van de leden van de cel door hen verantwoordelijk te maken voor de autonome
afhandeling van de dossiers, wat zich onder meer vertaalt in meer contact
met de diverse externe actoren die optreden in het kader van die dossiers.
Onder de voortdurende en doordachte supervisie van de leden van het Comité,
staan de dossierbeheerders van de cel in voor de klachten en voor hun behandeling
op het niveau van onze instelling tot en met de definitieve afsluiting van
het dossier.
De ultieme uitdaging van de cel is uiteindelijk haar “klanten” een antwoord
te geven binnen de kortst mogelijke
tijdspanne. Rekening houdend met het feit dat er per week gemiddeld meer dan
50 klachten voor beslissing aan het Comité worden overgemaakt, kunnen
we ons alleen maar verheugen over het werk dat de leden van de klachtencel
hebben geleverd. Gemiddeld binnen de veertien dagen na ontvangst geeft het
Comité P in plenaire vergadering een oriëntatie aan de klachten. Wat
de definitieve afsluiting van het dossier betreft, werd een norm van zes weken
vooropgesteld. Het spreekt voor zich dat deze zes weken slechts een ideale
norm zijn waarbij men de gebeurlijkheden van het onderzoek en de informatievergaring
niet uit het oog mag verliezen. De kwaliteit van de eindbeslissing over het
probleem dat de klager heeft aangekaart, mag geenszins op het spel worden
gezet in een poging om de tijdslimieten te respecteren.
Zoals supra gesteld, kan de behandeling van de dossiers worden toevertrouwd aan verschillende intervenanten. Deze oriëntatie‑ of procedurekeuzes, die worden gemaakt om redenen van doeltreffendheid, worden door de klagers soms niet goed begrepen. De klachtencel van het Comité P staat ten dienste van de burgers om hen de nodige toelichting te verschaffen bij de geldende procedures voor klachtenafhandeling en luistert naar hun vragen om hen desgevallend bijkomende informatie te verstrekken. Toch moet worden benadrukt dat de klachtencel in geen geval een adviesbureau voor gerechtelijke zaken is.
De organisatie van de klachtencel komt ook de beschikbaarheid ten aanzien van onze gesprekspartners, zoals de AIG en de andere interne controlediensten, ten goede. Om zo snel mogelijk de vragen van de klagers te kunnen beantwoorden, volgt de cel voortdurend de dossiers op die voor onderzoek werden overgemaakt aan die diensten, waardoor er vaak inlichtingen moeten worden uitgewisseld. Rechtstreekse contacten tussen de dossierbeheerders binnen de cel en de leden van de controlediensten versnellen de informatiedoorstroming en zorgen ervoor dat beide partijen minder lang op een antwoord moeten wachten. Een dergelijke geharmoniseerde werking op basis van een persoonlijke informatie-uitwisseling heeft al positieve en meetbare resultaten opgeleverd op het vlak van de termijnen voor de behandeling van klachten.
Zonder te veel pluimen op onze hoed te willen steken, kunnen
we vaststellen dat na amper een semester werking er een stevige basis is gelegd
en dat de cel ongeveer op kruissnelheid is gekomen. Dankzij een constante
opvolging door het Comité konden zowel de structuren als de methoden worden
bijgestuurd teneinde naar excellentie te streven.
Een eerste cijferbalans toont aan dat de cel wekelijks een vijftigtal nieuwe
klachtendossiers behandelt.
Tussen de ontvangst van de klacht en de bespreking (oriëntatie) in plenaire
vergadering verstrijken er gemiddeld 14 kalenderdagen. Los van dit gemiddelde
wordt voor 98 % van de nieuwe klachten binnen de maand na ontvangst een
beslissing genomen over hun oriëntatie.
Meer dan 50 % van de klachten die zijn ingediend vanaf
1 april 2007, zijn al afgesloten.
Wat de verdeling naar taalrol betreft, kunnen we stellen dat er gemiddeld
15 % meer Nederlandstalige klachten worden geregistreerd dan Franstalige.
Het takenpakket van de klachtencel is niet beperkt tot dat van louter sorteer‑ en oriëntatiebureau. Wel integendeel, de massa aan informatie die door haar handen gaat, biedt een extern globaal beeld op het politiewerk. Hoewel de cel niet in eerste instantie aangewezen is om diepgaande fenomeenanalyses te maken, kan ze toch de organisatorische problemen bij de politiediensten die in de klachten en aangiften aan de kaak worden gesteld, onder de aandacht brengen. Wanneer er problemen van structurele aard worden ontdekt die verband houden met de doeltreffendheid, de coördinatie en de eerbiediging van de fundamentele rechten van de burgers, stelt zij een verslag op voor het Comité zodat er eventueel een meer algemeen onderzoek kan worden opgestart. Het beheer van dit soort van dossiers wordt dan integraal verzekerd door het behandelende lid.
Niettegenstaande het Comité P geen adviesbureau voor klagers is, streven we er toch naar de burgers zo volledig mogelijk te informeren over de stappen die zij kunnen ondernemen om hun problemen met de politiediensten kenbaar te maken. Op basis van haar ervaring met klachtenbehandeling, zal de cel aan het Comité voorstellen doen om de “fiches” te verbeteren die de klager schetsen welke weg hij kan volgen in het procedurele kluwen. In dit verband wordt momenteel een document met betrekking tot de problematiek van pesterijen en stalking afgewerkt.
De opdrachten, werking, samenstelling en bevoegdheden van de leden van de Dienst Enquêtes werden in vorige jaarverslagen reeds voldoende toegelicht [9] . Hierin is in wezen geen verandering gekomen, zij het dat de elders in dit verslag behandelde nieuwe oriëntaties inzake de inrichting van de ‘permanentie’ en de klachtafhandeling zich vertalen in de resultaten.
In 2006 werden er door de Dienst Enquêtes 439 gerechtelijke dossiers opgestart en/of uitgevoerd. Dit getal dient gelezen in termen van ‘vatting’ van de Dienst Enquêtes. Daarbinnen zijn onder meer 45 dossiers afkomstig van een onderzoeksrechter en 149 van de procureur des Konings. Deze laatste betreffen navolgende onderzoeken. Er werden 158 aanvankelijke processen-verbaal opgesteld naar aanleiding van klachten ontvangen tijdens de permanentiedienst, terwijl er 34 door de leden van de Dienst Enquêtes ambtshalve werden opgesteld.
Deze onderzoeken hebben vooral betrekking op het arrondissement Brussel: 45,33 % tegenover 49,73 % in 2005 en 52,89 % in 2004. Eerder, onder meer in het jaarverslag 2004, werd op basis hiervan gewezen op de weinig selectieve aanwending van de Dienst Enquêtes binnen het arrondissement Brussel. Eerder moet gedacht worden aan een quasi-automatische overmaking ‘voor verder onderzoek’ naar de eerste vaststellende dienst, in casu de Dienst Enquêtes. Het gegeven dat van de 158 aanvankelijke processen-verbaal die opgesteld werden tijdens de permanentie, er 108 betrekking hebben op het arrondissement Brussel wijst bijkomend in die richting. Los daarvan illustreert dit getal het zinvolle van de reorganisatie van de permanentiedienst die voor een groot deel optrad als eerstelijnspolitie, wat uiteraard niet de rol van de Dienst Enquêtes is. De gestage daling is hopelijk de bevestiging van een trend die het Vast Comité P absoluut bestendigd wil zien.
Wat de toezichts‑ en klachtenonderzoeken betreft, is de evolutie de volgende:
Tabel 1 : Evolutie van het aantal toezichts‑ en klachtenonderzoeken in de afgelopen vijf jaar

Teruggekoppeld naar het totale aantal klachten sensu stricto ontvangen door het Vast Comité P, betekent dit dat voor de jaren 2002, 2003, 2004, 2005 en 2006 respectievelijk 25,19 % (335 door de Dienst Enquêtes behandelde klachten op 1 330 ontvangen klachten), 24,1 %, 20,71 %, 14,72 % en 11,36 % (263 van 2 314 ontvangen klachten behandeld) van de klachten door het Vast Comité P aan de Dienst Enquêtes werden toevertrouwd voor verder onderzoek. We zien dus een beweging in tegengestelde zin: het aantal klachten dat het Comité P ontvangt, stijgt, maar het aantal daarvan dat voor onderzoek toegewezen wordt aan de Dienst Enquêtes daalt en dit zowel in absolute cijfers als percentsgewijs ten opzichte van het totale aantal klachten. Deze daling is logisch en doelbewust nagestreefd. Logisch, door de mogelijkheid om de bevoegdheid tot het behandelen van klachten, onder voorwaarden, te delegeren aan de korpschef of de commissaris-generaal en nagestreefd omdat de Dienst Enquêtes, conform de wil van het Parlement, selectief wordt ingezet teneinde capaciteit vrij te maken voor het uitvoeren van de hoofdopdrachten van het Vast Comité P. Een andere verklaring is ook de reorganisatie van de permanentiedienst, waardoor minder klachten in eerste lijn worden opgenomen.
In 2006 verlieten twee commissarissen-auditors de Dienst Enquêtes,
één wegens de leeftijdsgrens, een tweede ingevolge aangevraagde mobiliteit.
In 2006 werden geen bijkomende commissarissen-auditors aangeworven. Een operationeel-analist
werd gezocht en gevonden, maar nam uiteindelijk de bediening niet op, wegens
statutaire redenen, lees onzekerheden bij een benoeming in de Dienst Enquêtes.
In 2006 werd voortgegaan met de vormingsinspanningen die noodzakelijk zijn, gelet op de verscheidenheid van de (toezichts)onderzoeken, onder meer met deze inzake de EFQM-benadering, o.a. naar de globale aanpak inzake het project “Beeldvorming” toe.
Afdeling 2:
Samenwerking met andere instellingen
Tijdens 2006 waren er verschillende werkvergaderingen met het
Vast Comité I over de gekende dossiers “Erdal en Kimyongür”, met de Parlementaire
begeleidingscommissie over tal van punctuele verslagen; met de Federale politieraad;
met de procureurs des Konings over het gezamenlijk onderzoek ‘Terrorisme’;
met de gouverneur van Oost-Vlaanderen en tal van korpschefs in het kader van
en rond onderzoeken die uitgevoerd werden.
Er waren ook contacten met het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor
racismebestrijding en met de Hoge Raad voor de Justitie alsook met verschillende niet-gouvernementele organisaties zoals
de Liga voor Mensenrechten, le Mouvement contre le racisme, l’antisémitisme
et la xénophobie (MRAX), alsook met vertegenwoordigers van verschillende
politievakbonden.
Ook waren er samenwerkingsverbanden met de universiteiten van Luik en Gent,
de Koninklijke Militaire School en de consultantsbureaus Delta I, B Best
en Sysman, alsook met de directie van EFQM.
Last but not least kan een uitstekende samenwerking vermeld worden met de NV Politeia in de realisatie van heel wat publicaties.
Het Comité P heeft protocolakkoorden gesloten met de federale politie, de Centrale dienst voor de bestrijding van corruptie (CDBC), de Vaste Commissie van de lokale politie en de meeste politiezones. De opvolging van het merendeel van die protocolakkoorden behoeft geen specifiek commentaar. Onder meer gezien de indiensttreding van de nieuwe commissaris-generaal en de inplaatsstelling van een nieuwe Vaste Commissie van de lokale politie, zal het Comité P binnenkort met de commissaris-generaal en met de voorzitter van de Vaste Commissie een vergadering houden over de opvolging van die protocolakkoorden.
Daarnaast heeft het Comité P protocolakkoorden aangegaan met de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie (AIG) en met het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.
De wet van 13 mei 1999 legt aan het Vast Comité P bepaalde verplichtingen op ten aanzien van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, hierna het Centrum genoemd. Het Centrum en het Comité P zijn bovendien gebonden door een protocol, meer in het bijzonder inzake informatie-uitwisseling. Mede op deze basis konden sommige medewerkers van het Centrum in 2006-2007 kennisnemen van een of ander dossier van het Comité P en zond het Comité het Centrum meermaals informatie over één van zijn onderzoeken. In zijn meest recente jaarrapport, dat over het jaar 2006 handelt, geeft het Centrum aan welke informatie het wil krijgen van het Comité P. Tegelijkertijd geeft het Centrum desalniettemin duidelijk aan dat het van oordeel is dat het Vast Comité P niet voldoet aan zijn wensen.
Over de samenwerking met het Comité P uit het Centrum
in zijn jaarrapport 2006 een aantal kritieken [10]
.
Het Centrum verwacht onder meer van het Comité P dat het: (1) na
afsluiting van een tuchtonderzoek voldoende informatie meedeelt aan het Centrum,
opdat dit kan beoordelen of in de betrokken zaak sprake is van racisme en/of
discriminatie; (2) aan het Centrum voldoende informatie meedeelt die
het Centrum toelaat in te zien op welke gronden het Comité P stelt dat
er in het betrokken dossier geen sprake is van een politionele onregelmatigheid.
Het tweede aspect van de verzuchtingen van het Centrum wordt in relatie gebracht
met het eerste, met andere woorden met de vraag tot een duidelijk zicht op
het tuchtdossier. Het Centrum streeft dit laatste na om te kunnen beoordelen
enerzijds of tijdens dat onderzoek rekening gehouden werd met de informatie
(bewijselementen, getuigenissen), aangedragen door het Centrum en/of de klager,
en anderzijds of het onderzoek volledig was. Daarbij wordt aangegeven dat
het van belang is te weten of bepaalde getuigen of ambtenaren gehoord werden
en zo ja, wat de inhoud van hun verklaringen is.
Het Centrum stelt dat het Comité P niet voldoet aan hetgeen het Centrum ervan verwacht: het spreekt terzake van een gebrek aan transparantie dat het vertrouwen in het Comité P niet ten goede komt. Als remedie, mede gelet op de lange duurtijd van bepaalde gerechtelijke en tuchtonderzoeken, stelt het Centrum voor dat het Comité P periodiek en uit eigen beweging het Centrum inlicht van alle tuchtonderzoeken met betrekking tot racisme en/of discriminatie die lopende zijn.
Bij deze stellingnamen van het Centrum, zoals blijkend uit
het jaarrapport 2006, dienen onmiddellijk twee voorafgaande bemerkingen geformuleerd
te worden.
Vooreerst is het frappant te moeten vaststellen dat het Centrum zijn pijlen
richt op het Comité P en niet op de Algemene inspectie van de federale
politie en van de lokale politie of op de diensten intern toezicht van de
politiediensten als dusdanig die met het Centrum geen protocol hebben en geen
informatie uitwisselen. De vraag rijst of hieruit afgeleid moet worden dat
het Centrum enkel problemen ontwaart in zijn samenwerking met het Comité P
en niet in deze met de voormelde instanties. Het komt het Vast Comité P
alvast voor dat deze appreciatie zeer vreemd zou zijn, wanneer men rekening
houdt met het feit dat enerzijds het Centrum en het Comité P op 2 maart 2005
een protocolakkoord sloten, net om de samenwerking en informatieoverdracht
tussen beiden te optimaliseren (zie infra) en derhalve de uitvoering
van het wettelijk kader te realiseren (een dergelijk protocolakkoord lijkt
niet te bestaan met de Algemene inspectie en de politiediensten), en dat anderzijds
het Comité P door het Centrum nooit rechtstreeks aangesproken
werd op een gebrekkige samenwerking: de boodschap die het Centrum formuleert
in zijn jaarrapport 2006 komt bijgevolg zeer verrassend over.
Ten tweede focust het Centrum zijn kritiek in essentie op het beweerdelijk
uitblijven van communicatie vanuit het Comité P met betrekking tot tuchtonderzoeken.
Op dit punt dient natuurlijk onmiddellijk scherp gesteld te worden dat het
Vast Comité P geen politionele tuchtoverheid is. Het Vast Comité P
fungeert in tuchtzaken hoogstens als een doorgeefluik van dossiers
– ook bijvoorbeeld als die door het Centrum ingediend worden bij het Comité
– naar de gerechtelijke dan wel de tuchtoverheden die geenszins ondergeschikt
zijn aan het Comité P. Dit betekent dat qua feedback over de gerechtelijke
en de tuchtrechtelijke beslissingen met betrekking tot de politie en qua tijdstip
hiervan het Comité P volledig afhankelijk is van de betrokken overheden
en van de goodwill die er in hoofde van die overheden al of niet is.
Het komt het Comité P derhalve voor dat het Centrum blijkbaar onvoldoende
op de hoogte is van de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van het
Vast Comité P.
De vraag rijst of de supra geschetste harde beoordeling die het Centrum formuleerde jegens het Comité P, terecht is. Het hiervoor gestelde laat reeds toe een negatief antwoord terzake te formuleren. Om een en ander definitief uit te klaren, dient nagegaan te worden waartoe de wet het Comité P jegens het Centrum verplicht. Als blijkt dat hetgeen het Centrum terzake verwacht van het Vast Comité P niet strookt met de wettelijke verplichtingen van het Vast Comité P, dient in elk geval besloten te worden dat de supra geformuleerde mening niet gefundeerd is.
De verplichtingen van het Vast Comité P jegens het Centrum staan ingeschreven in artikel 26, 4de en 5de lid van de tuchtwet van 13 mei 1999 [11] , toegevoegd bij wet van 20 januari 2003 [12] . Uit de voorbereidende werken wordt de voormelde wetswijziging als volgt gemotiveerd: “Om het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding toe te laten doeltreffend actie te voeren tegen discriminatie door politiepersoneel, […] om de door het Comité P en de Algemene Inspectie van de politiediensten te volgen stappen te expliciteren wanneer hen door het Centrum feiten worden gemeld die het bestaan van discriminatie laten vermoeden. Voorts wordt voor het Comité P en voor de Algemene Inspectie een algemene verplichting ingevoerd om het Centrum voor gelijkheid van kansen in te lichten over klachten wegens discriminatie die hen meegedeeld worden en over het daaraan voorbehouden gevolg. […] Daardoor wordt voorgesteld om in de wet te verduidelijken dat de disciplinaire autoriteiten, zonder dat zij ertoe gehouden zijn individuele gegevens te verstrekken, uitgebreid het Centrum moeten inlichten over de analyse van de feiten. Door deze verplichting is er geenszins sprake van druk uit te oefenen of van inmenging in eventuele disciplinaire procedures. De bedoeling is om aan het Centrum een zo volledige kijk te bezorgen op het verschijnsel en op de manier waarop dit concreet bestreden wordt. Deze prerogatieven worden uitgebreid tot het disciplinair statuut van de personeelsleden van de politiediensten (art. 11)” [13] .
Pyl en Liners [14] schetsen de te volgen handelwijze in het geval dat het Centrum het Comité feiten meedeelt die een discriminerende behandeling doen veronderstellen, correct als volgt: “Wanneer het Centrum aan één van deze diensten (het Vast Comité P en de Algemene inspectie) feiten meedeelt die een discriminerende behandeling doen veronderstellen, moeten deze een onderzoek laten uitvoeren, de bevoegde overheid op de hoogte stellen, en de feiten aanhangig maken bij de tuchtoverheid of bij de gerechtelijke overheid. Zij moeten het Centrum informeren van de resultaten van hun optreden” [15] .
Neemt het Comité P los van het Centrum kennis van feiten die een discriminerende behandeling doen vermoeden in de zin van de wetten, vernoemd in artikel 26, 4de lid van de voormelde tuchtwet, dan moet het Comité P het Centrum hiervan op de hoogte stellen, zonder de identiteit van de betrokken partijen mee te delen, en het inlichten over de gevolgen die door de tucht‑ of gerechtelijke overheid aan het onderzoek van de feiten gegeven zijn [16] .
Toepassing van de vier interpretatiemethodes inzake normen, zijnde de grammaticale, de systematische, de historische en de teleologische interpretatiemethode, leidt eensluidend tot de slotsom dat op grond van artikel 26, 4de en 5de lid van de tuchtwet op tuchtrechtelijk vlak van het Vast Comité P enkel geëist kan worden dat het de beslissingen die het ontvangt van de politionele tuchtoverheden – hiertoe behoort het Vast Comité P niet – doorgeeft aan het Centrum en dit in de vorm zoals zij ontvangen werden: de voornoemde leden verplichten het Comité P ook niet tot een analyse van de betrokken beslissingen.
Overigens sluit dit aan bij hetgeen gesteld wordt in het protocol waarvan supra sprake. Meer bepaald staat hierin vermeld:
“2.6. Bij het afsluiten van zijn onderzoek, stelt de voorzitter van het Vast Comité P het Centrum op de hoogte van de resultaten van zijn analyse van de vermeende discriminatie en, in voorkomend geval van de gevolgen die de gerechtelijke of de tuchtoverheid aan het onderzoek heeft gegeven, indien deze voorhanden zijn.
2.7. Elk kwartaal maakt het Vast Comité P een gedepersonaliseerde lijst op van de klachten met betrekking tot feiten gepleegd door een politiedienst of een lid van een politiedienst die een discriminerende behandeling laten veronderstellen, met hun verloop en, in voorkomend geval, de gevolgen hieraan gegeven door de gerechtelijke of de tuchtoverheid. Deze lijst wordt overgemaakt aan het Centrum”.
De bewoordingen van dit protocol zijn overduidelijk: de woordengroep “indien deze voorhanden zijn” geeft ten overvloede aan dat het Comité P op tuchtrechtelijk vlak in een passieve hoek zit: dit sluit perfect aan bij de wet van 18 juli 1991 die het functioneren van het Comité P bepaalt.
Aan te stippen valt ten slotte dat het feit dat het protocol het Comité P verplicht om de resultaten van zijn analyse van de vermeende discriminatie vast te stellen, geenszins gelezen kan worden als steun voor de stelling, ontplooid door het Centrum in zijn jaarverslag 2006; het betekent enkel dat het Comité P melding moet maken aan het Centrum van wat het met de feiten zal aanvangen naar de mogelijkheden toe die de wet van 18 juli 1991 het Comité biedt. Tot die mogelijkheden behoort alvast niet het nemen van een tuchtrechtelijke, laat staan een gerechtelijke, beslissing.
Het komt ons voor dat het Centrum in zijn jaarrapport 2006 al te hard van stapel loopt: hetgeen daarin verweten wordt aan het Comité P, sluit ons inziens geenszins aan bij hetgeen het Centrum van het Vast Comité P op grond van de vigerende wetgeving kan verwachten dan wel eisen. Dit is des te meer niet het geval, nu de wetgever geen mogelijkheden geboden heeft om de toepassing van artikel 14bis van de wet van 18 juli 1991 af te dwingen.
Zonder wetgevend initiatief terzake blijft in elk geval de vervulling van de voormelde bepaling dode letter, indien de bereidwillige medewerking van de politionele tuchtoverheden achterwege blijft. Dit mag evenwel – wat het Centrum in het voormelde jaarrapport wel doet – niet ten kwade geduid worden van het Comité P, dat geenszins zelf te bestempelen is als een tuchtoverheid voor de politiediensten.
De negatieve stellingname door het Centrum is des te merkwaardiger nu het Comité P naar het Centrum toe in de praktijk zelfs meer tracht te doen dan hetgeen waartoe de wet het verplicht: behoudens in lopende gerechtelijke onderzoeken deelt het Comité P het Centrum namelijk de identiteit van de in de dossiers betrokken personen mee, alsmede de betrokken externe referentienummers en, hoewel niet systematisch, dringt het Comité P met betrekking tot bepaalde significante zaken bij de betrokken overheden aan op mededeling van de gerechtelijke of tuchtrechtelijke dossiers.
Afdeling 3:
Bevoegdheid van het Vast Comité P
Het bevoegdheidsdomein ratione personae van het Comité P
wordt bepaald in artikel 3 van de wet van 18 juli 1991 tot
regeling van het toezicht op politie‑ en inlichtingendiensten en op
het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse. Volgens die bepaling richt
de controle van het Comité P zich op de politiediensten, zijnde – naast
de lokale en de federale politie – de diensten die ressorteren onder de overheden
en instellingen van openbaar nut waarvan de leden met de hoedanigheid van
officier van gerechtelijke politie of van agent van gerechtelijke politie
bekleed zijn. Voor de toepassing van voornoemde wet worden met politiediensten
gelijkgesteld, de personen die individueel bevoegd zijn om strafbare feiten
op te sporen en vast te stellen.
De letterlijke tekst van die bepaling roept onvermijdelijk de vraag op of het Comité P
zijn toezicht, naar doel omschreven in artikel 1 van voornoemde wet van
18 juli 1991, kan uitoefenen op alle bijzondere inspectiediensten
(BID) dan wel op een gedeelte ervan.
Het Comité P heeft zich over deze vraag gebogen en kwam tot de conclusie
dat het controle kan uitoefenen op alle BID’s. Die slotsom
wordt kracht bijgezet enerzijds door de inhoud van het zogenaamde Pinksterplan I
van 5 juni 1990, dat aan de basis lag van de creatie van het Comité P,
alsook door de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 juli 1991,
en anderzijds door de evolutie die de rol van het Comité P recent onderging.
In de loop der jaren heeft het Comité P meermaals aandacht besteed aan verschillende aspecten van de werking van een of andere “bijzondere inspectiedienst” en, in voorkomend geval, aan diens relaties met de geïntegreerde politie.
Het eerste wat daarbij opvalt, is dat de wereld van de inspectiediensten bijzonder divers is en wordt gestuurd door een veelheid van wetten die, doordat ze zo uiteenlopend zijn en op elkaar inwerken, niet altijd even duidelijk zijn voor iemand die niet gespecialiseerd is in die materie [17] . Het is evident dat dergelijke omstandigheden niet bevorderlijk zijn voor het gevoel van rechtszekerheid dat leeft bij de personen die onderworpen zijn aan het toezicht van deze diensten. Met het oog op de doeltreffendheid van de politiediensten vormt het complexe karakter van de wetgeving die de werking van de inspectiediensten regelt tot op zekere hoogte een hinderpaal, zeker wanneer de politiediensten en de bijzondere inspectiediensten zij aan zij moeten optreden, wat steeds vaker het geval blijkt te zijn.
Bovendien hebben we vastgesteld dat de bijzondere inspectiediensten doorgaans beschikken over tal van ingrijpende bevoegdheden die, wanneer ze ten uitvoer worden gelegd, door de gecontroleerde burger kunnen worden ervaren als een inmenging in zijn fundamentele rechten en vrijheden en hieraan in verschillende opzichten afbreuk kunnen doen. Er moet dus worden op toegezien dat de inspecteurs, officieren of agenten van gerechtelijke politie en hun naaste medewerkers in het raam van dit toezicht niet de indruk kunnen wekken dat ze misbruik maken van de hen toegekende bevoegdheden die meer dan eens tot uiting komen in de aanwending van rechtstreekse of onrechtstreekse dwang (de sterke arm van de reguliere politie) en, in sommige gevallen, zelfs het gebruik van geweld of de vrijheidsberoving. En dan hebben we het nog niet over de bevoegdheid om inbreuken op te sporen en vast te stellen en daarover proces-verbaal (met een bijzondere bewijswaarde) op te stellen.
Wij kunnen de definitie bijtreden van Ponsaers en consorten [18]
, die een bijzondere inspectiedienst omschrijven als “een
dienst, administratie of ambtenaar die belast is met het toezicht en de controle
op de naleving van bepaalde bijzondere strafwetten en die over de politionele
bevoegdheid beschikt een proces-verbaal met bewijskracht tot bewijs van het
tegendeel op te stellen” maar hun stelling onmiddellijk
verfijnen door te poneren dat het “diensten zijn die
verbonden zijn aan diverse departementen en die toezicht uitoefenen op de
naleving van de bijzondere strafwetten m.b.t. domeinen als leefmilieu, volksgezondheid,
landbouw, economische aangelegenheden, arbeid en tewerkstelling e.d.m.”.
Bovyn en Hebberecht [19]
van hun kant stellen dat de term “bijzondere inspectiedienst” verwijst naar het “particulier” terrein
waarop deze diensten actief zijn. Het gaat als het ware om “speciale polities”,
namelijk diensten, administraties of ambtenaren die belast zijn met het toezicht
over en de controle op het bijzonder strafrecht, dit in tegenstelling tot
de reguliere politiediensten die in principe belast zijn met het toezicht
over en de controle op het algemeen strafrecht. Overeenkomstig de geldende
rechtsleer zijn deze inspectiediensten dus bijzonder enerzijds door de materie
waarop ze toezicht houden, doch anderzijds eveneens door het specifieke territorium
of de personen waarop ze hun controle uitoefenen.
Welke definitie men ook moge aankleven, het is duidelijk
dat een BID altijd in rechtstreeks verband staat met (bijzonder) strafrecht
en dus met het opsporen van inbreuken (en het opstellen van processen-verbaal),
d.w.z. met taken van gerechtelijke politie [20]
. Dezelfde redenering kan mutatis mutandis worden gevolgd voor de opdrachten
en taken van bestuurlijke politie, meer bepaald inzake toezicht, preventie,
bijsturing, raadgeving en ontrading, enz., die moeten worden uitgevoerd door
die diensten of ambtenaren.
Om hun takenpakket ten volle te kunnen vervullen en hun bevoegdheden op doeltreffende
wijze te kunnen uitoefenen, zijn de ambtenaren van de BID’s doorgaans uitdrukkelijk
bekleed met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie of impliciet
met de hoedanigheid van agent van gerechtelijke politie, belast met de opsporing
van inbreuken en de vastlegging ervan in processen-verbaal.
De controlebevoegdheden van de “bijzondere
inspectiediensten” zijn erg ruim. In verschillende opzichten hebben ze veel
weg van de bevoegdheden van gerechtelijke politie, zelfs van bestuurlijke
politie van de reguliere politiediensten en ‑ambtenaren, maar meestal
zijn ze zelfs nog ruimer. Ter illustratie kunnen de volgende bevoegdheden
worden aangehaald: plaatsen betreden; huiszoeking verrichten; voorwerpen in
beslag nemen; inlichtingen inwinnen; stukken ter inzage vragen; verklaringen
of getuigenissen opnemen; fouilleringen uitvoeren; proces-verbaal opstellen
(dat meestal bewijswaarde heeft tot bewijs van het tegendeel); dwangmiddelen
gebruiken in allerlei vormen en op allerhande manieren; soms ook personen
fouilleren of aanhouden.
Het merendeel van deze diensten kan ook (onrechtstreeks) geweld gebruiken,
ze hebben namelijk de mogelijkheid om de sterke arm van de politie te vorderen.
Deze bevoegdheid is zeker niet toegekend aan alle Belgische openbare besturen
of diensten en onderscheidt dus de meeste bijzondere inspectiediensten van
gewone besturen, die niet bekleed zijn met opdrachten van politie.
Naast deze klassieke politiebevoegdheden, hebben we een restcategorie voorzien
voor eventuele andere controlebevoegdheden die wij hier niet zullen opsommen
maar die erg uitgebreid zijn en eveneens afbreuk kunnen doen aan de fundamentele
rechten van de gecontroleerde personen of diensten [21]
.
In ieder geval kunnen deze bevoegdheden, zonder enige twijfel, worden bestempeld
als bevoegdheden van bestuurlijke of gerechtelijke politie.
Afgezien van de meer uitgebreide bevoegdheden die zijn toegekend aan de officieren van gerechtelijke politie, hulpofficieren van de procureur des Konings, werd de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie belangrijk bevonden in het raam van verschillende bijzondere wetten, onder meer gezien het bijzondere toezicht vanwege de procureur-generaal bij het hof van beroep dat met deze hoedanigheid gepaard gaat. Degene die dergelijke hoedanigheid bezit, staat dus duidelijk in verhouding tot het openbaar ministerie. Uit onze interne studie is ook gebleken dat bepaalde inspecteurs die houder zijn van een machtiging, hoewel ze niet bekleed zijn met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie, ook bevoegdheden uitoefenen die hen zijn toegekend onder het toezicht van de procureur-generaal, onverminderd hun ondergeschiktheid aan hun oversten binnen het bestuur. Met betrekking tot deze personen, kan men zonder twijfel spreken van agenten van gerechtelijke politie.
Met betrekking tot de officieren van gerechtelijke politie,
zijn de doctrine en de jurisprudentie het er over het algemeen over eens dat
deze hoedanigheid enkel wordt toegekend aan personen die bekleed zijn met
een ambt en wanneer een wettelijke bepaling dat uitdrukkelijk voorziet [22]
.
Meer algemeen gesproken is uit de recentste handboeken
inzake strafprocesrecht naar voor gekomen dat de eis die de rechtspraak maar
ook de wetgeving stelt inzake de toekenning van de hoedanigheid van officier
van gerechtelijke politie, niet opgaat voor agenten van gerechtelijke politie.
Zo rekent Verstraeten tot de opsporingsambtenaren “tal van agenten van
openbare besturen waaraan beperkte politiebevoegdheden verleend worden in
het raam van welbepaalde bijzondere wetten, decreten en ordonnanties” [23]
. Ook voor deze agenten werkzaam binnen BID’s laat voornoemde auteur het
onderscheid officier-agent van gerechtelijke politie opgaan: “Een aantal
belangrijke bijzondere wetten belasten bepaalde ambtenaren met gerechtelijke
opdrachten, zonder hen de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie
te verlenen”. Hij bestempelt deze ambtenaren als agenten van gerechtelijke
politie.
Franchimont, Jacobs en Masset zijn nog explicieter waar ze stellen: « Les agents de police judiciaire sont les fonctionnaires qui exercent des missions de police judiciaire sans avoir la qualité d'officiers de police judiciaire; ils constituent dès lors une catégorie résiduaire. […] Dans cette catégorie résiduaire d'agents de police judiciaire figurent notamment les fonctionnaires de police non O.P.J., mais aussi les agents des douanes, les inspecteurs du travail relevant de l'inspection des lois sociales, les inspecteurs de l'O.N.E.M., les inspecteurs des pharmacies, les médécins inspecteurs de l'I.N.A.M.I., les fonctionnaires de l'administration régionale de l'urbanisme et de l'aménagement du territoire, les inspecteurs vétérinaires et fonctionnaires chargés de la surveillance dans le domaine des denrées et substances alimentaires, etc. » [24] .
Men kan er derhalve van uitgaan dat, wanneer ambtenaren van
BID’s gelast zijn met een opdracht van gerechtelijke politie (dit is altijd
het geval) en zij gemachtigd zijn om proces-verbaal op te stellen maar niet
expliciet de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie toebedeeld
krijgen, ze sowieso agent van gerechtelijke politie zijn.
Een soortgelijke redenering zou kunnen worden ontwikkeld voor de hoedanigheid
van agent van bestuurlijke politie, maar dat is hier niet aan de orde.
Op basis van onze ruimere en volledige analyse kunnen we samenvattend stellen
dat de operationele leden van de BID’s of leden die op het terrein werken
of er inspecties of controles uitvoeren, officieren of agenten van gerechtelijke
politie zijn.
Tot op heden had het Comité P weinig contact met de BID’s.
Zij komen weliswaar aan bod in de teksten en in een aantal min of meer significante
onderzoeken maar tot nu toe was dit altijd enkel fenomeengelinkt of wanneer
er een belangrijke samenhang was tussen de opdrachten van de BID’s en die
van de reguliere politie.
Een dergelijke vaststelling doet vermoeden dat het in hoofde van de BID’s
onduidelijk is of, in de huidige staat van de wetgeving, het Comité P
wel bevoegd is om de BID’s of, beter gezegd, alle BID’s te controleren. Het
lijkt ons van belang deze toestand op te helderen en aldus bij te dragen tot
meer rechtszekerheid, niet alleen van de betrokken ambtenaren en van het Comité P,
maar ook van de burger die met de BID’s geconfronteerd wordt.
Vanuit de vaststelling dat de BID’s over heel wat ingrijpende bevoegdheden
beschikken, vergelijkbaar met politiebevoegdheden, en over soortgelijke afhandelingsmogelijkheden,
moet worden nagegaan of het Comité P al dan niet bevoegd is om de BID’s
te controleren.
Hierbij dient onderstreept dat de interne controle binnen de BID’s veelal
onbestaande dan wel onvoldoende is en, in die omstandigheden, het toezicht
op die diensten wel erg beperkt zou zijn. Het moge duidelijk zijn dat, gelet
op het verstrekkende bevoegdheidspakket van de BID’s, dit een uiterst onwenselijke
situatie zou zijn.
De wetgever heeft ervoor geopteerd om de “politiediensten”,
die het werkdomein van het Comité P vormen, niet te duiden vanuit hetgeen
ze doen (de functie), maar wel op basis van een – als het ware – organiek
criterium (de dienst en de hoedanigheid): bepalend is namelijk enerzijds of
binnen de betrokken dienst de leden de hoedanigheid van agent of officier
van gerechtelijke politie hebben en anderzijds of de dienst ressorteert onder
de overheden en instellingen van openbaar nut. De BID’s zijn ingebed in de
structuur van een federale overheidsdienst of van één van zijn gewestelijke
of gemeenschapstegenhangers. Meer nog, zoals supra
aangehaald, zijn de leden van de BID’s wel degelijk bekleed met de hoedanigheid
van officier of, op zijn minst, van agent van gerechtelijke politie. De conclusie
is dan snel getrokken: de controlebevoegdheid van het Comité P strekt
zich ook uit over de bijzondere inspectiediensten.
Of een dienst nu vooral regulerend, preventief of bestuurlijk
optreedt dan wel opsporingsgericht en dus gerechtelijk, was voor de wetgever
manifest niet van tel om het toepassingsgebied ratione materiae van
het Comité P af te bakenen.
Een en ander blijkt overduidelijk uit de voorbereidende werken
van de wet van 18 juli 1991. Daarin lezen we: “Onder politiediensten
wordt verstaan alle diensten die een opdracht van administratieve of gerechtelijke
politie hebben. Het gaat dus niet alleen om de drie grote politiediensten
[…], maar ook om de diensten met een territoriaal beperkte of met een zeer
specifieke politionele opdracht, […]. In de audit over de politiediensten,
uitgevoerd door Team-Consult komt men bij de verschillende ministeries tot
60 dergelijke diensten. Daaronder vallen onder meer de zeevaartpolitie, de
spoorwegpolitie, de dienst voor de nucleaire veiligheid, de douane, de economische
inspectie en nog vele andere diensten”.
Niet enkel de BID’s die bij naam zijn genoemd in verschillende
verslagen omtrent de politiediensten of in de voorbereidende werken van de
wet van 18 juli 1991 – waaronder de toenmalige Douane en Accijnzen [26]
–, maar ook alle andere BID’s vallen onder het toepassingsgebied van
het toezicht uitgeoefend door het Comité P.
Door Paul Ponsaers werd er recentelijk geheel terecht op gewezen
dat de doelstelling van BID’s niet zozeer opsporing, recherche of opheldering
in de klassieke betekenis van deze woorden is, maar in eerste instantie in
functie staat van het toetsen of de bijzondere (straf)wetgeving al dan niet
(goed) nageleefd wordt. Dit neemt niet weg dat aan deze problematiek ook andere
facetten verbonden zijn.
De vraag rijst dan of dit gegeven het toepassingsgebied
ratione personae van het Comité P jegens de BID’s inperkt. Ons
inziens is het antwoord op de gestelde vraag negatief. Daar de wetgever –
zoals aangegeven – in artikel 3 van de wet van 18 april 1991
geopteerd heeft voor een organiek criterium om het personele toepassingsgebied
van het Comité P af te bakenen, is dit laatste bevoegd om de BID’s te
controleren, ook als ze eerder regulerend dan opsporingsgericht optreden.
Het volstaat dat men een BID is, met agenten of officieren van gerechtelijke
politie of ambtenaren die individueel bevoegd zijn om strafbare feiten vast
te stellen, opdat het Comité P toezicht kan uitoefenen op de ganse werking
van de dienst.
Daarnaast kan niet ontkend worden dat, hoewel het aannemelijk klinkt dat BID’s
eerder een regulerend perspectief huldigen, bij hun optreden het strafrecht
steeds om de hoek schuilt. Vanuit de zorg de handhaving van regulerende normeringen
te garanderen, heeft de wetgever immers niet zelden de gewoonte aangenomen
om in een laatste wetgevend deel de strafbepalingen toe te voegen die toepasbaar
worden bij niet-naleving van die normen. Het is echter juist op dit penale
aspect van de betrokken wetgeving dat de oprichting van BID’s en de toekenning
van bepaalde bevoegdheden gestoeld is. Men kan derhalve stellen dat bij het
optreden van de BID’s de gerechtelijke politie in de zin van artikel 8
van het Wetboek van Strafvordering – zij het latent – aanwezig is, temeer
daar alle BID’s over verbaliseringsbevoegdheid beschikken, die vaak gepaard
gaat met een bijzondere bewijswaarde.
Er dient absoluut benadrukt dat de bevoegdheid van het Comité P
om controle uit te oefenen op alle BID’s niet alleen voortvloeit uit de definitie
van de notie “BID” en uit de omschrijving van de notie “politiedienst” zoals
omschreven in artikel 3 van de wet van 18 juli 1991: die controlebevoegdheid
resulteert tevens uit de bron van voornoemde wet, met name het Pinksterplan I
van 5 juni 1990.
In dat plan werd door de toenmalige regering duidelijk
geponeerd dat naar de rechtsbescherming van de burger en de politie toe men
werk zou maken – onder meer – van een uniformisering van de politiefunctie
en van “een externe controle over de politie‑ en de inlichtingendiensten”.
In het plan was geenszins sprake van een onderscheiden controle naargelang
de reguliere politie dan wel BID’s betrokken zijn. Er wordt integendeel in
gesteld: “Het toezicht dat zal worden ingesteld zal van toepassing zijn
op alle politie‑ en inlichtingendiensten, d.w.z. op alle diensten die
met een opdracht van administratieve of gerechtelijke politie zijn belast
[…]” en dit wordt ook verduidelijkt in de memorie
van toelichting [27]
.
Dat de BID’s niet onder de toepassing van de wet op het politieambt
vallen, betekent geenszins dat ze niet zouden delen in de politiefunctie,
op grond van artikel 1 van de wet op het politieambt te omschrijven als
een institutionele functie die de bescherming en de regulering van de maatschappelijke
orde beoogt en erop gericht is de uitoefening van de fundamentele rechten
mogelijk te maken en de verstoring van deze orde te voorkomen of te verhelpen.
In dat opzicht beschikken tal van BID’s immers over vrij ingrijpende bevoegdheden,
vergelijkbaar met deze van de reguliere politie, en werd een niet onaanzienlijk
deel van de BID’s de wettelijke mogelijkheid geboden om de sterke arm te vorderen
van de geïntegreerde politiedienst [28]
.
Het monopolie van het geweld, dat traditioneel in handen
is van de politie, geldt dus klaarblijkelijk ook in zekere zin, zij het onrechtstreeks,
voor de BID’s, zeker wanneer we vaststellen dat de wetgever bepaalde van hen
rechtstreeks de bevoegdheid tot gewelds‑ en vuurwapengebruik verleende
of de bevoegdheid tot huiszoeking, beslaglegging, fouillering, in sommige
gevallen zelfs tot aanhouding, toekende.
De hiervoor aangehaalde argumenten om te kunnen stellen dat
het Comité P bevoegd is voor alle BID’s, zijn eerder wetsteleologisch
van aard. Wanneer we een progressieve of evolutieve interpretatie hanteren
van de taakstelling van het Comité P, komen we evenwel tot dezelfde conclusie.
Het is namelijk zo dat, enkel wanneer geopteerd wordt voor een
bevoegdheid van het Comité P inzake alle BID’s, het Comité P zijn
taak kan vervullen, zoals deze vrij recentelijk door de inwerkingtreding van
de wet van 3 mei 2003 gehermoduleerd werd. De memorie van toelichting
bij voormelde wet stelt inzake de opdracht van het Comité P het volgende:
“Om deze opdracht ten volle te kunnen uitvoeren, volstaat het niet dat
het alle nodige informatie inzamelt, dit wil zeggen fungeert als algemeen
observatorium van het politiebestel en toezichtsonderzoeken uitvoert. Het
is voor het Parlement derhalve noodzakelijk dat de activiteiten van het Comité P
aanleiding geven tot een algemene en pertinente analyse die het mogelijk maakt
aanbevelingen te formuleren, de vastgestelde disfuncties te remediëren en
aldus de algemene werking van de politiediensten te verbeteren” [29]
.
Hieruit kan afgeleid worden dat de taak van het Comité P er thans in
bestaat om, met het oog op de doeltreffendheid en de eerbiediging van de fundamentele
rechten, vrijheden en mensenrechten, erop toe te zien dat de politiediensten
en ‑ambtenaren hun acties op elkaar afstemmen en rekening houden met
wat alle andere sociale actoren terzake ondernemen.
Indien dit niet het geval is, zal het Comité P nooit volledig zijn actuele
taak kunnen vervullen.
Wij gaan hier niet verder in op de analyse van het toepassingsgebied ratione materiae van het Comité P zoals bepaald door artikel 1, 2de lid van de wet van 18 juli 1991. Meer informatie daarover vindt u in diverse recente publicaties van het Comité P [30] .
Het Comité P dient zich bezig te houden met de BID’s als
dusdanig: uiteindelijk zijn het deze diensten die delen in de politiefunctie als
besturen, delen van besturen, diensten of delen van diensten of nog, en in
ieder geval, als personen die rechtstreeks optreden in naam en voor rekening
van een rechtspersoon van publiek recht, die onder het gezag staan van de
bevoegde overheden en die in dat raam bevoegd zijn om inbreuken op te sporen
en vast te stellen. In dat opzicht is het onze
overtuiging dat, al was het maar op grond van het hiervoor genoemde toepassingsgebied
ratione personae, het Comité P bevoegd is om ratione materiae
niet enkel te focussen op de puur gerechtelijke aspecten van de taakuitvoering
door de BID’s: vermits de wetgever opteerde voor een organiek criterium om
het toepassingsgebied van de BID’s te bepalen, is het Comité P terzake
ook bevoegd voor de eerder regulerende kant van de zaak.
Het Comité P buigt zich hierbij ook over de vraag of de politiediensten
efficiënt werken en of de coördinatie tussen de verschillende diensten goed
geregeld is, inclusief met de BID’s.
Deze taakstelling en dit bevoegdheidspakket van het Comité P bevestigen onze eerdere conclusie, met name dat de controle van het Comité P zich enerzijds richt op alle BID’s en anderzijds niet alleen het louter gerechtelijke aspect beslaat, maar tevens betrekking heeft op het eerder regulerende optreden van de BID’s. Zo dit niet het geval zou zijn, zou het Comité P de opdracht die hem door de wetgever toebedeeld werd, nooit naar behoren kunnen vervullen. Een beperking in de BID’s zou maken dat voor de van het toezicht door het Comité P uitgesloten BID’s, het Parlement verstoken zou blijven van een analyse van de wetsconformiteit van hun optreden en van hun doelmatigheid. Een beperking contra legem van de controle door het Comité P tot het puur gerechtelijke optreden van de BID’s zou dan weer een kunstmatige cesuur inhouden, vermits bij het regulerende optreden van de BID’s het gerechtelijke, opsporingsgerichte steeds op de achtergrond aanwezig is.
Bovendien is het naar het vertrouwen van de burger toe onverdedigbaar om de controle derwijze in te dijken. Het is namelijk net het spel van regulering en bestraffing dat bij bepaalde burgers mogelijk een gevoel van ongelijkheid en dus onbillijkheid ten aanzien van de fundamentele rechten doet rijzen.
We stippen tot slot aan dat in het feit dat de reguliere politie en de BID’s in de praktijk wel eens samenwerken, een argument te meer besloten ligt om de controle door het Comité P op de BID’s ruim op te vatten: dergelijke gezamenlijke optredens zullen door het Comité P nooit ten volle beoordeeld kunnen worden, als het zich enkel maar zou kunnen richten op de betrokken reguliere politiediensten of als het het regulerende optreden van de BID’s buiten beschouwing zou moeten laten.
De nadruk moet worden gelegd op het feit dat het rechtstreeks, intern of extern, toezicht op dergelijke bijzondere inspectiediensten aandacht verdient, dat deze controle zeker geen overbodige luxe is, maar integendeel absoluut noodzakelijk is. Dit toezicht is des te meer nodig omdat we vaststellen dat diverse wetten zeer uiteenlopende bevoegdheden toekennen aan de betrokken ambtenaren en inspecteurs. Hoe dan ook, de burger mag in geen geval – al dan niet terecht – de indruk hebben dat hij op een ongelijke en dus onbillijke manier wordt bejegend omdat een andere gecontroleerde burger een zachtere aanpak zou hebben genoten – althans in zijn ogen.
Zoals we zopas hebben gezien, kunnen we redelijkerwijs aanvoeren dat het de materie bijzondere inspectie aan duidelijkheid ontbreekt. Een grondige analyse van de verschillende bevoegdheden en hun tenuitvoerlegging toont bovendien aan dat alles nogal gelijk … en tegelijkertijd zeer verschillend is, zowel qua draagwijdte en modaliteiten als qua tijdsbepalingen, overheden die toelating geven om plaatsen te betreden of huiszoekingen te verrichten, de aard van de processen-verbaal, de overmaking van afschriften, fouilleringen, huiszoekingen en inbeslagnames, enz. In het licht van deze vaststelling pleiten wij in het algemeen voor een opheldering van de ‘flou artistique’ en de tegenstellingen die in deze materie bestaan, en dat dankzij een kaderwet, een beetje zoals voor de wet op het politieambt is gebeurd … Waarom niet denken aan een specifieke titel van deze wet?
De totstandkoming van een dergelijke wet, waarin de opdrachten
en bevoegdheden van de BID’s geregeld worden en waarvan in bijzondere wetten
enkel om uitzonderlijke redenen afgeweken zou mogen worden, dient volgens
ons ten zeerste aangemoedigd te worden. Een kaderwet leidt ook tot een verhoging
van de rechtszekerheid en dus tot een groter vertrouwen van de burger in de
politiediensten.
Meer in het bijzonder biedt een kaderwet inzake de BID’s, waarnaar dan bijzondere
wetten kunnen verwijzen, de mogelijkheid in ruime mate komaf te maken met
de enorme variaties inzake onder meer de materiële en geografische bevoegdheden
van de BID’s, zoals die naar voor komen uit de vrijwel ontelbare bijzondere
wetten waarin BID’s hun rechtsgrond vinden. De noodzaak tot fijnstemming blijkt
overigens des te meer uit het gegeven dat tal van deze wetten elkaar nogal
eens overlappen en verschillende BID’s bevoegd verklaren voor eenzelfde wetgeving
of materie, maar volgens verschillende modaliteiten.
Zo zou tevens meer eenheid worden geschapen in de rechten en
plichten van de BID’s, wat de democratische controle terzake alleen maar ten
goede komt.
De uitvaardiging van een kaderwet zou, wegens de duidelijkheid
die ze schept inzake wat een BID mag en niet mag, in elk geval ook leiden
tot een betere samenwerking tussen de reguliere politiediensten en de BID’s,
hetgeen onontbeerlijk is om te komen tot een effectieve en efficiënte aanpak
van een aantal ernstige maatschappijontwrichtende problemen, zoals mensenhandel.
Aangezien BID’s niet zelden bezig zijn met vitale sociaaleconomische velden
van het maatschappelijke leven (mensenhandel, koppelbazerij, enz.), dringt
een goede coördinatie tussen politie‑ en inspectiediensten zich op.
Aan te stippen valt ten slotte dat de gewenste duidelijkheid inzake de wereld van de BID’s, hiervoor geschetst, nog op andere manieren betracht zou kunnen worden dan door een kaderwet, met name:
(1) de oprichting van een centraal punt, waartoe men zich op elk moment kan wenden voor een steeds actuele stand van zaken van de wereld van de BID’s (Welke BID’s zijn er? Wat is hun wettelijk kader? Wat zijn hun opdrachten en bevoegdheden?, enz.);
(2) de creatie van een gemeenschappelijke opleiding voor alle functionarissen van de BID’s. Deze opleiding moet vooral betrekking hebben op de manier waarop de in essentie politionele bevoegdheden (de redactie van processen-verbaal, de afname van verhoren, enz.) uitgeoefend dienen te worden en moet enerzijds betrekking hebben op het inspectiewerk en anderzijds op de eerder politiegerichte taakcomponent. Dit neemt niet weg dat de inspecteurs, naar gelang van de BID waarvan zij afhangen, eigen inhoudelijke klemtonen zullen dienen te leggen in hun optreden;
(3) het voeren van een adequate interne en externe controle op de BID’s die constructief dient te zijn (bijvoorbeeld door auditing), waarbij in essentie beoogd wordt dat de actoren uit de wereld van de BID’s een beter zicht op elkaar krijgen en van elkaar kunnen leren;
(4) een meer uitgesproken coördinatie, meer dan thans het geval is, tussen de gerechtelijke overheden, de bestuurlijke overheden, de reguliere politie en de BID’s en het bepalen van prioriteiten. Derwijze wordt in de mate van het mogelijke vermeden dat de beleidslijnen van de parketten, van het vakdepartement waartoe de BID’s behoren en van de bestuurlijke overheden al te zeer uit elkaar lopen;
(5) de organisatie van functioneel gespecialiseerde parketten, onder wier leiding de respectieve BID’s zullen werken;
(6) de integratie van ambtenaren met de hoedanigheid van officier van gerechtelijke politie in de schoot van de BID's, waarbinnen het ook aangewezen is om – naast de controle-eenheden die controles en monsternames uitvoeren – een specifieke opsporingsdienst op te richten.
In elk geval zouden deze pistes ook geïntegreerd kunnen worden in een kaderwet.
In het raam van het protocolakkoord dat het Comité heeft gesloten met de Algemene inspectie, heeft het Comité in 2005-2006 op zeer geregelde basis allerhande informatie gemeld aan de AIG, onder meer met betrekking tot zijn opdracht om de mandaathouders van de federale politie te evalueren. Dit was tevens de gelegenheid om de gerechtelijke overheid te verzoeken om haar standpunt inzake een eventuele automatische overmaking van informatie aan de AIG betreffende lopende of afgesloten gerechtelijke onderzoeken. Zij vond dit terecht niet nodig.
In 2006 vond er één vergadering plaats over de opvolging van het protocolakkoord [31] . Daarop werd een aantal moeilijkheden besproken in de relaties tussen beide instellingen.
Ondanks de onmiskenbare problemen in de relaties tussen deze ministeriële dienst met politiebevoegdheid en het Comité P, wordt er met haar nog geregeld informatie, die bedoeld is om onnodig dubbel gebruik te vermijden, uitgewisseld met betrekking tot grootschalige of belangrijke inspecties, audits of toezichtsonderzoeken.
Ondanks de bij wijlen moeilijke verhouding met de AIG zal het Comité P de komende jaren, zoals steeds, trachten op constructieve wijze met de AIG samen te werken waarbij het de bedoeling blijft de taken zo veel als mogelijk te verdelen en dubbel gebruik, laat staan elkaar hinderen, zo veel als mogelijk vermeden wordt. Deze doelstelling moet uiteraard door iedereen gedeeld worden; zo niet, wordt het zeer moeilijk. Het feit dat de AIG zich in haar opdrachten en taakuitvoering, hoe dan ook, voor een deel op het werkterrein van het Comité P begeeft, brengt immers nodeloze spanningen met zich. Helaas heeft zelfs de wetgever deze problematiek wat uit het oog verloren, zoals mag blijken uit de wet van 15 mei 2007 op de Algemene inspectie en houdende diverse bepalingen betreffende de rechtspositie van sommige leden van de politiediensten [32] . Deze wet heeft eigenlijk niets wezenlijks toegevoegd aan de (thans afgeschafte) artikelen 143 tot en met 149ter van de Wet op de Geïntegreerde Politie (met een zeer omvangrijk uitvoeringsbesluit van 20 juli 2001 bestaande uit 93 artikelen) en was derhalve overbodig. Zij maakt de problematiek van overlapping en dubbel gebruik tussen beide organisaties alleen maar groter. Veel objectieve redenen om een “nieuwe organieke wet AIG” te creëren, kunnen niet gelezen worden in de voorbereidende werken, waarbij mag opgemerkt worden dat het juridisch wel zeer opmerkelijk is dat een ministeriële dienst opgericht wordt bij organieke wet. Normaal gesproken, behoort de oprichting en werking van een ministeriële dienst of departement tot de bevoegdheid van de Koning of bij delegatie tot die van de betrokken minister. De AIG verklaarde trouwens zelf op een vergadering, in aanwezigheid van twee leden van het Comité, op het kabinet van de Minister van Binnenlandse Zaken op 17 november 2006 dat 90 % van het (toenmalige) ontwerp niet meer was dan de overname van de bestaande teksten, zodat de evidente vraag was waarom er dan een nieuwe wet diende gemaakt te worden. Hierop kwam helaas nooit een duidelijk antwoord, ook niet tijdens de parlementaire behandeling. Ook het parcours dat deze wet heeft afgelegd – als amendement ingevoegd op een wetsvoorstel die een aantal bepalingen van de wet van 18 juli 1991 betreffende de Comités wilde wijzigen maar met als resultaat bovendien dat enkel het aspect AIG werd goedgekeurd en niet de wet van 18 juli 1991 – is merkwaardig te noemen. Met deze werkwijze werd daarenboven het normale traject via de Minister van Begroting, de Raad van State en de syndicale onderhandelingen ontlopen. Hoe dan ook, het Comité P kan alleen maar vaststellen dat problemen van overlapping, coördinatie en dubbel gebruik met deze nieuwe wetgeving er allerminst zullen op verminderen, een evolutie waarmee niemand gebaat is.
Hoofdstuk II:
Toezichts‑ en opvolgingsonderzoeken
In het kader van het toezichtsonderzoek “doorgangscellen en opsluitingen in politiekantoren” brachten de commissarissen-auditors van de Dienst Enquêtes van het Comité P, in de loop van het tweede semester van 2006, een bezoek aan de doorgangscellen van acht posten van de federale politie en twee posten van de lokale politie [34] , waarvan er één nog niet operationeel was. Voor elke controle werd de gebruikelijke checklist ingevuld. In het Vlaamse Gewest werden de cellen van drie politieposten aan een grondige controle onderworpen, in het Waalse Gewest waren dat er ook drie en in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vier. Over het algemeen waren deze bezoeken onaangekondigd en vonden de controles plaats toen de enquêteurs ter plaatse waren om andere opdrachten te verrichten. De korpschefs, de diensthoofden of hun naaste medewerkers vergezelden de enquêteurs, die hen onmiddellijk hun eventuele opmerkingen of aanbevelingen meedeelden. In sommige gevallen werd a posteriori een brief gestuurd aan de korpschefs of dienstoversten om hen aan te sporen om hun cellen aan te passen aan bepaalde aanbevelingen van het Europees Comité ter voorkoming van foltering en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (CPT) [35] , vooral met betrekking tot de hygiënische toestand van de opsluitingslokalen en het toezicht op aangehouden personen.
In de bezochte commissariaten van de federale politie worden
aangehouden personen die de nacht in de cel moeten doorbrengen doorgaans niet
bewaakt. Zij worden overgebracht naar het cellencomplex van de lokale politiezones
waarmee er protocolakkoorden werden gesloten. Die politiezones vragen daarvoor
geen geld maar soms bewijst de federale politie hen in ruil kleine diensten
(bv. gebruik van de Live-Scan [36]
).
In één post worden de cellen niet meer gebruikt omdat er renovatiewerken,
die volgens de directeur van de dienst absoluut noodzakelijk zijn, gepland
zijn. In een andere politiepost, die nog maar onlangs in gebruik werd genomen,
werd er nog nooit iemand in de cellen, die overigens conform de regels zijn,
opgesloten omdat aangehouden personen rechtstreeks naar de lokale politiezone
worden gevoerd. Aangezien arrestanten die ‘s nachts in de cel moeten
blijven, worden overgebracht naar de cellencomplexen van grote naburige politiezones,
stelt men vast dat er niet veel meer geïnvesteerd wordt in de herstelling
of renovatie van de cellen.
Toch zijn er in bijna alle bezochte posten interne richtlijnen uitgevaardigd,
of zullen die binnenkort worden verspreid, die de omstandigheden bepalen waarin
personen mogen worden opgesloten in de cel, ook al zijn ze soms nog onvolledig
(er wordt niet altijd vermeld dat betrokkene een vertrouwenspersoon kan verwittigen
of de tussenkomst van een arts kan vragen [37]
, de maaltijden waarop aangehouden personen recht hebben, zijn niet altijd
aangeduid [38]
, enz.). Tevens werd op verschillende plaatsen vastgesteld dat het visum
van de officier van gerechtelijke politie of van de officier van bestuurlijke
politie ontbrak in het aanhoudingsregister. Tijdens hun gesprek met de vertegenwoordigers
van de federale politie hebben ook de commissarissen-auditors benadrukt dat
het noodzakelijk is daadwerkelijk toezicht te houden op aangehouden personen
die gedurende korte tijd in een doorgangscel opgesloten zitten om, in de mate
van het mogelijke, incidenten te vermijden. In dit verband kan worden opgemerkt
dat de algemene staat waarin cellen, die sporadisch worden gebruikt, zich
bevinden, bevredigend was.
In het operationeel complex van een zone in het Waalse Gewest worden niet alleen de personen opgesloten die door de eigen diensten zijn aangehouden, maar ook de personen die aangehouden zijn door kleine naburige politiezones en door de federale politie, mits de afgifte van een vordering en overeenkomstig de samenwerkingsakkoorden. Na afloop van ons bezoek werd de korpschef verzocht om de celmuren op te frissen en om de verouderde camerabewakingsinstallaties te vervangen.
Er werd ook een bezoek gebracht aan een nieuw ingericht cellencomplex in de kelder van “Portalis”, het gebouw waarin sinds kort de magistraten en de onderzoeksrechters van het arrondissement Brussel zijn ondergebracht, dat door de lokale politie Brussel-Hoofdstad/Elsene - dienst Gerechtsgebouw zal worden beheerd. In het ontwerp van de infrastructuur van dat complex zijn verscheidene onregelmatigheden op te merken. Hierover werd een verslag opgemaakt en dit werd toegezonden aan de bevoegde overheden met de aanbeveling om deze tekortkomingen te verhelpen vóór het complex in gebruik wordt genomen. Tot op heden wordt het (erg dure) complex effectief niet meer gebruikt.
Doordat het Vast Comité P sinds 1997 systematisch controle
uitoefent op de cellencomplexen, hebben heel wat korpschefs en/of diensthoofden
de inrichting van hun lokalen herbekeken, hun interne richtlijnen bijgewerkt
en hun personeelsleden bewust gemaakt van de absolute noodzaak om de grondrechten
van aangehouden personen te eerbiedigen. Deze aanpak werpt duidelijk vruchten
af want geregeld vragen politieverantwoordelijken ons om advies.
Eind 2005 gaf het Vast Comité P ook twee cahiers [39]
uit die een antwoord bieden op vaak gestelde vragen met betrekking tot
deze problematiek. Het gebrek aan normen is nog steeds een rem op een aanzienlijke
verbetering van de opsluitingsomstandigheden in de politielokalen.
Op het ogenblik dat dit verslag werd afgerond, heeft het Comité P kennisgenomen
van de recente wijzigingen die werden aangebracht aan de wet op het politieambt
en die ook een gunstige invloed zouden moeten hebben op de bestudeerde materie.
In het koninklijk besluit, dat onlangs werd opgesteld door de minister van
Binnenlandse Zaken en dat betrekking heeft op de omstandigheden waarin door
de politie aangehouden personen worden opgesloten [40]
, alsook in het voorstel tot aanpassing van de wet op het politieambt
dat aanleiding zou geven tot de artikelen 53 tot 62 van de wet van 25 april 2007
houdende diverse bepalingen [41]
werd, volgens de minister, in grote mate rekening gehouden met de aanbevelingen
van het CPT [42]
en van het Comité P. De vertaling van het geheel naar het terrein
zal normaliter een einde maken aan jaren van besluiteloosheid en zal de standaardisatie
van de bepalingen terzake als grote voordeel hebben [43]
.
De komende jaren zal het Vast Comité P zijn controles van de cellen gericht voortzetten, zowel in de posten van de federale politie als in de commissariaten van de lokale politie.
De ambtenaren die de cellen bewaken, zouden ook voortdurend
aandacht moeten besteden aan de voorkoming van zelfmoord en zelfverminking
van aangehouden personen. Er moeten uiteraard rondes worden gelopen, maar
zelfs als er camerabewaking is, moet die worden aangevuld met een geregelde
controle om zich de visu te vergewissen van de gezondheidstoestand
van de aangehouden personen. Te vaak worden deze rondes overgelaten aan het
oordeel van de personeelsleden met permanentie en zijn ze dus niet systematisch.
De uitvoering van deze rondes zou moeten worden genoteerd in een rubriek van
het aanhoudingsregister met vermelding van het uur van de controle.
Duidelijke en volledige instructies betreffende het beheer van aangehouden
personen zouden steeds in interne richtlijnen moeten worden gegoten: aan de
hand van voorbeelden van concrete situaties met een passende oplossing zouden
de personeelsleden moeten weten wat te doen in praktisch elke situatie.
De officieren die een aanhouding bevestigen, zouden verplicht moeten tekenen
in het aanhoudingsregister. Dit zou een bijkomende garantie zijn voor de naleving
van de principes van legaliteit, proportionaliteit en opportuniteit van de
genomen maatregel.
Het zou tevens goed zijn dat de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie de Algemene inspectie van de federale politie en van de lokale politie gelasten om deze delicate kwestie in de komende jaren van naderbij te volgen.
Het Comité P heeft reeds aangetoond dat de lokale regels
niet uniform zijn en dat de lokale en federale politieambtenaren zich moeten
steunen op zeer diverse gemeentelijke regelgeving wanneer ze dienen op te
treden in situaties waarin daklozen en/of bedelaars betrokken zijn [45]
.
Sommige steden of gemeenten regelen bedelarij door ze in bepaalde omstandigheden
te verbieden. De wettelijkheid van deze gemeentebesluiten kan evenwel her
en der in twijfel worden getrokken en de repressieve aspecten ervan worden
zelden toegepast.
Over het algemeen is de interventie van de politieambtenaar “klassiek”: hij
knoopt geregeld een gesprek aan met de persoon die in bestaansonzekerheid
leeft en vaak beperkt zijn rol zich tot het doorverwijzen van betrokkene naar
een opvangcentrum waar hij kan overnachten. Er wordt haast nooit dwang of
geweld gebruikt.
Onlangs werd de aandacht van het Vast Comité P getrokken op situaties
waarin kinderen worden betrokken in de bedelarij van meerderjarigen, vooral
in grote steden.
Volgens Catherine Joppart [46] besteden de Belgische politiediensten over het algemeen geen bijzondere aandacht aan bedelarij door kinderen. Haar studie toont aan dat kinderen die op straat bedelen, minderjarigen van vreemde nationaliteit [47] zijn die al dan niet vergezeld zijn van hun familie in de ruime zin, die niet op de openbare weg slapen en die dus een dak boven het hoofd hebben [48] . Zij bedelen op een aantal strategische plaatsen in de steden. Vaak gaat de bedelarij gepaard met een aantal kleine ‘werkjes’ zoals de verkoop van bloemen of het bespelen van een muziekinstrument. Soms tonen ze duidelijk hun handicap om meer medelijden op te wekken bij de voorbijgangers. De onderzoekster benadrukt ook dat bedelarij door minderjarigen een courante praktijk zou zijn bij “Roma” die vaak zijn verdreven uit de landen uit Centraal‑ en Oost-Europa waarvan ze afkomstig zijn. Deze groep van mensen leidt vandaag de dag niet meer echt een rondtrekkend bestaan [49] . Aan dit soort van bedelarij is een socio-economische context onderliggend. Bovendien dient onderstreept dat deze families veelal als asielzoeker verwikkeld zijn in regularisatieprocedures, vluchteling zijn of hier illegaal verblijven. Met betrekking tot de eventuele exploitatie van minderjarige bedelaars, wijst de auteur erop dat hoewel dit fenomeen bestaat, het in België erg weinig schijnt voor te komen.
De juridische dienst van de FOD Justitie van zijn kant wijst erop dat de problematiek van de minderjarige bedelaars nogal complex is en sinds lange tijd een aandachtspunt is van onder meer de jeugdsectie van het Brusselse parket. De minderjarigen bedelen zelden zelf, doorgaans zijn ze vergezeld van meerderjarigen. Bovendien merken we op dat het optreden van de rechterlijke macht (meer bepaald in het kader van de wet van 8 april 1965) in een uiterst moeilijke context moet gebeuren. Vanuit ministerieel standpunt luidt het: “Men kan zich afvragen of de problematiek niet eerder een maatschappelijk probleem is of een probleem van bestuurlijke politie dan een strafrechtelijk probleem. In ieder geval blijkt er duidelijk uit […] dat de traditionele beschermingsmaatregelen hoegenaamd niet zijn aangepast aan deze situaties, ook al is het van belang om gerichte operaties te blijven verrichten, volwassenen op te pakken, processen-verbaal op te maken en de volwassenen voor de correctionele rechtbank te brengen op basis van artikel 182 van het Wetboek van Strafvordering. Deze bepaling zou op zijn minst moeten worden aangevuld met specifieke begeleidingsmaatregelen ten aanzien van minderjarigen”.
De nieuwe onderzoeksdaden [50]
van het Comite P spitsten zich toe op die evolutie van het fenomeen
en brachten aan het licht dat, wanneer politieambtenaren weet hebben van zulke
feiten, zij altijd een “passieve interventie” voorstellen, zich baserend op
het feit dat bedelarij niet meer strafbaar is.
Toch ergeren burgers zich meer en meer aan situaties waarin zeer jonge kinderen
zich in het gezelschap bevinden van volwassenen die op de openbare weg staan
te bedelen. Burgers zijn geregeld ook verontwaardigd over wat zij bestempelen
als disfuncties in hoofde van politieambtenaren wanneer zij hun schijnbare
ongevoeligheid en hun inefficiëntie aanklagen. Hoewel de politieke overheid
en de korpsleiding het probleem erkennen en terzake een duidelijk standpunt
innemen, is dat standpunt niet altijd gekend door de mensen op het terrein.
In de huidige stand van het vernieuwde onderzoek door het Comité P kon
nog worden opgemerkt dat veel politieambtenaren op het terrein niet wisten
dat er sinds 10 augustus 2005 een nieuwe wetgeving van kracht is
“tot wijziging van diverse bepalingen met het oog op de versterking van
de strijd tegen mensenhandel en mensensmokkel en tegen praktijken van huisjesmelkers”.
Deze nieuwe wettekst legt de nadruk op het onderscheid dat moet worden gemaakt
tussen de “minderjarige die bedelt aan de zijde van een volwassene”
en de “minderjarige die een volwassene die bedelt, vergezelt”. De ambtenaar
moet goed nagaan of de volwassene de vader of moeder is van de minderjarige
en, indien dit niet het geval is, moet hij proces-verbaal opmaken [51]
.
Niet alle zones hebben in dezelfde mate te maken met het fenomeen bedelarij: de bestuurlijke overheden van sommige grote steden wijzen erop dat er op hun grondgebied een groot aantal personen in bestaansonzekerheid leven, wat hen ertoe aanzet om, in hun zonaal veiligheidsplan, een operationele strategie te ontwikkelen en daaraan soms prioriteit te verlenen. Nochtans zijn de lokale bestuurlijke overheden en de korpschefs of hun personeelsleden het er lang niet altijd over eens of iemand die bedelt op een toeristische plaats of in een dichtbevolkte gemeente al dan niet een factor is die leidt tot een subjectief onveiligheidsgevoel. Terwijl sommigen bedelarij automatisch linken aan het subjectieve onveiligheidsgevoel dat de burger ervaart, denken anderen er genuanceerder over.
Niettegenstaande de inplaatsstelling van de geïntegreerde politiedienst al enkele jaren achter ons ligt, betreuren de sociale werkers in het algemeen nog steeds dat ze niet betrokken worden bij het werk van de wijkinspecteurs en dat er geen gezamenlijke strategieën worden ontwikkeld om de interventies in een geïntegreerd hulpkader te laten verlopen. Zij zouden graag hebben dat er zo vaak mogelijk informatiesessies worden georganiseerd met de ambtenaren die werkzaam zijn op het terrein – en niet enkel met de leidinggevenden – zodat alle actoren elkaar kunnen leren kennen, hun ervaringen kunnen uitwisselen, hun werk kunnen toelichten en, tot slot, gezamenlijke acties op touw kunnen zetten [52] .
Het Vast Comité P onderstreepte reeds eerder [53] en acht het nog steeds absoluut noodzakelijk dat de zonechefs, gezien de evolutie van het fenomeen bedelarij, vooral in de grootsteden, initiatieven uitwerken: de korpschefs zouden niet mogen aarzelen om terzake een dienstnota te verspreiden onder hun personeelsleden. Op die manier zou precies aan de terreinmedewerkers een denkpiste worden aangereikt waar ze op operationeel vlak iets aan hebben.
Wanneer bedelarij opduikt in een zone, ook al is dit slechts punctueel, zouden de overheid en de betrokken sociale intervenanten die dan niet moeten bestrijden of trachten in te dijken door eerder de oorzaken dan de gevolgen aan te pakken? Zo zouden sommige partnerschappen met diverse sociale actoren die terzake bevoegd zijn, systematisch kunnen worden geofficialiseerd. Zelfs indien een dergelijke strategie een meer doeltreffende community policing zou inluiden waarbij ook de personen die in bestaansonzekerheid leven en bedelen, kunnen worden betrokken, blijft de hamvraag of dit wel een opdracht voor de politie is en, zo ja, tot op welke hoogte. De verantwoordelijkheid op dit vlak ligt immers eerst en vooral bij de politici.
Hoe dan ook is de situatie voor de politiediensten, die vaak als eerste dienen op te treden, erg onduidelijk en paradoxaal. De verwachtingen van de burgers zijn immers velerlei. Politieambtenaren zijn echter geen maatschappelijk werkers noch eerstelijnshulpverleners. Deze taak is voor anderen weggelegd. Ze zijn bovendien gehouden door de wet en door de verplichtingen die voortvloeien uit artikel 1 van de wet op het politieambt en artikel 123 van de wet op de geïntegreerde politie. Dit neemt niet weg dat de overheden de verwachtingen die ze in deze koesteren ten overstaan van de politiediensten zeer zeker kunnen verduidelijken en er, indien nodig, samenwerkingsverbanden zouden moeten worden opgezet met andere intervenanten wier takenpakket en verantwoordelijkheden nog veel ruimer zijn.
De afgelopen jaren heeft het Comité P diverse klachten behandeld met betrekking tot de omstandigheden waarin personen die illegaal op het Belgische grondgebied verblijven, worden teruggedreven of gerepatrieerd [55] , of met betrekking tot de omstandigheden van hun verblijf in de transitzone, onder meer in het kader van een toezichtsonderzoek dat sinds 2003-2004 loopt. De repatriëringsopdrachten zijn niet enkel een delicate en moeilijke taak voor de politieambtenaren die ermee belast zijn, maar worden ook van zeer nabij gevolgd door talrijke instellingen en/of verenigingen die actief zijn op het vlak van de bescherming van de mensenrechten. Bovendien zijn ze ook geregeld het voorwerp van felle kritiek.
De onderzoeksmethodologie is uiteengezet in bijlage F.
In 2006 werden er 11 219 verwijderingen (repatriëringen
en terugdrijvingen) gepland. Dit betekent een gemiddelde van 30,7 verwijderingen
per dag. Effectief zijn er ook 7 948 verwijderingen gebeurd of een
gemiddelde van 21,7 personen per dag. De meeste niet-geslaagde verwijderingen
konden niet doorgaan door: (1) de verbale weigering; (2) een afgelasting
door de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ); (3) een aanvraag van politiek
asiel en (4) omdat er nog een procedure lopende was bij de Raad van State.
Vergelijken we de verwijderingen gepland in 2006 met deze gepland in 2005,
dan kunnen we eruit besluiten dat op de Nationale Luchthaven het aantal geplande
verwijderingen gedaald is met 3 %. Het slaagpercentage is echter in 2006
hetzelfde gebleven als in 2005, met name 71 %. De vermindering van het
aantal verwijderingen heeft vooral te maken met een sterke daling van het
aantal terugdrijvingen “gedwongen vertrek met escorte” door de vervoerder
en het feit dat Roemenië en Bulgarije sinds 2006 lid zijn van de Europese
Unie.
De 11 219 verwijderingen waren in 2006 als volgt
verdeeld: 7 874 repatriëringen (gemiddeld 21,6 gepland per dag,
met een slaagpercentage van 77 % of met andere woorden 16,5 personen
per dag effectief gerepatrieerd) en 3 345 terugdrijvingen (gemiddeld
9,2 gepland per dag, met een slaagpercentage van 58 % of met andere woorden
5,3 personen per dag effectief teruggedreven). Sinds 2006 worden ook
de terugdrijvingen vanuit derde landen in de cijfers opgenomen. Het betreft
terugdrijvingen vanuit het buitenland die transiteren via de Nationale Luchthaven.
In 2006 waren er 1 501 gepland.
In 2006 zijn 19 zakenvluchten (ook beveiligde vluchten of special
flights genoemd) vertrokken waarbij 145 personen collectief verwijderd
werden. Het gaat hier om personen die niet met reguliere vluchten te repatriëren
zijn. Het betroffen vooral Polen maar ook Russen, Nigerianen, Kameroeners,
Guineeërs, Albanezen, Kosovaren, Congolezen, Montenegrijnen en een Roemeen.
Drie van deze zakenvluchten werden uitgevoerd samen met de buurlanden. De
meeste personen die tijdens 2006 met een zakenvlucht gerepatrieerd werden,
waren personen die via Polen het Schengengebied waren binnengekomen en die
Polen, volgens de akkoorden van Dublin, moet terugnemen.
Vier leden van de AIG [57] voeren nog geregeld controles uit op zowel de reguliere vluchten als
de special flights.
De AIG voerde in 2006 24 controles uit op inschepingsprocedures op lijnvluchten
en volgde 2 lijnvluchten op (Wenen en Peking) van bij de inscheping tot
de overgave aan de lokale autoriteiten. Bovendien werd er toezicht uitgeoefend
op 19 beveiligde vluchten, waarvan 17 tijdens de uithaling, inscheping, vlucht
en overgave van de te repatriëren personen aan de lokale overheden.
Het verminderde aantal controles van de inscheping op lijnvluchten is tevens
een reactie op een uitgevoerd administratief onderzoek naar mogelijke wanpraktijken
en/of disfuncties tijdens het uitvoeren van repatriëringsopdrachten naar bepaalde
landen. Het verslag van dit onderzoek werd in december 2006 voorgesteld aan
de minister van Binnenlandse Zaken. De nadere opvolging die de minister in
dit kader heeft gevraagd, zou moeten worden verricht in de loop van het jaar
2007.
De AIG heeft slechts kennis van 2 gerechtelijke klachten naar aanleiding van
verwijderingen. De Dienst Enquêtes P behandelde 3 gerechtelijke klachten,
wat het aantal klachten met gerechtelijke gevolgen voor 2006 op 5 brengt.
Volgens de AIG deden er zich in 2006 minder incidenten voor omdat enerzijds
DVZ een betere uitleg verschaft aan de te repatriëren personen in de centra
en anderzijds de leden van LPA/BRUNAT een steeds professionelere opvang bieden
ondanks de moeilijke en delicate aard van hun taak.
De richtlijnen omtrent de omkadering van de vluchten werden
door LPA/BRUNAT eind 2005 uitgeschreven in een kadernota. Het is voor de leden
van LPA/BRUNAT een uitdaging om de verwijderingen op een humane manier uit
te voeren met een strikte naleving van de voorschriften terzake. De drie punten
waarmee de kaderleden permanent rekening dienen te houden bij hun beoordeling
zijn de wettelijkheid, de proportionaliteit en de opportuniteit om de opdracht
uit te voeren.
Er valt ook op te merken dat LPA/BRUNAT het nuttig acht een eigen Dienst Intern
Toezicht op te richten om de klachten zelf te behandelen. De klachten inzake
repatriëringen worden momenteel nog steeds onderzocht door het Comité P,
de AIG en de Dienst Intern Toezicht van de federale politie. LPA/BRUNAT betreurt
het zelf geen zicht te hebben op het aantal, het soort en de gevolgen van
de klachten. De leiding van LPA/BRUNAT heeft echter van haar hiërarchie of
van de AIG geen kennis gekregen van individuele disfuncties bij de verwijderingen
van 2006 noch werden haar verbeterpunten aangereikt.
Het eindverslag van de Commissie-Vermeersch II, die belast
was met de evaluatie van de instructies inzake de verwijdering, werd op 31 januari 2005
voorgesteld aan de minister van Binnenlandse Zaken. Het eindverslag had als
titel “Bouwstenen voor een humaan en effectief verwijderingsbeleid” en bevatte
ongeveer 34 aanbevelingen.
Op basis van die aanbevelingen werd in 2006 door LPA/BRUNAT een nieuw protocol
met DVZ opgesteld en werden er nieuwe richtlijnen uitgeschreven met betrekking
tot het verwijderingsbeleid. Daarnaast werd de samenwerking tussen de verschillende
diensten en partners (kabinetten, DVZ, MPOT-team, INAD-forum [58]
) verder aangezwengeld, die allen dezelfde filosofie voor ogen hebben,
nl. “zo veel mogelijk de nadruk leggen op verwijderingen zonder verzet”. De
voornaamste aanbevelingen voor LPA/BRUNAT zijn uiteraard deze die handelen
over de mogelijke dwangmaatregelen die kunnen aangewend worden naar aanleiding
van een verwijdering ten aanzien van onwillige vertrekkers.
Na de bekendmaking van voornoemd eindverslag werd in 2006 ook overwogen om
een opvolgingscommissie op te richten. Begin 2007 is deze commissie onder
het voorzitterschap van professor Parmentier met haar werkzaamheden gestart.
LPA/BRUNAT is immers vragende partij om de aanbevelingen verder uit te werken,
in het bijzonder de realisatie van: (1) de opvulling van de organieke
tabel (40 personeelsleden voor de Afdeling Grenscontrole); (2) de
inzet van burgerpersoneel om de operationele administratie uit te voeren;
(3) een budgettaire autonomie en (4) een cel interne opleiding omdat
de Directie van de opleiding (DSE) niet kan volgen met de opleidingen.
In dit verband is het nuttig de verschillende controle-instanties op de repatriëringsopdrachten op te sommen en nader toe te lichten wie voor welke taken instaat: (1) het intern toezicht door de luchtvaartpolitie van de federale politie; (2) het eventuele gerechtelijk luik van deze louter interne controle door het Comité P in opdracht van de gerechtelijke overheden; (3) de preventieve controle door de AIG op vraag van de minister van Binnenlandse Zaken; (4) de eventuele inspectie of behandeling van een klachtendossier door de AIG; (5) het extern toezicht door het Comité P, via zijn Dienst Enquêtes, zowel wat de gerechtelijke als de niet-gerechtelijke aspecten van de repatriëring betreft; (6) de rol van de gerechtelijke overheid en van de rechtbanken; (7) de derden die aanwezig zijn bij pogingen tot repatriëring (veiligheidsdienst van SN Brussels Airlines, bemanning van de vliegtuigmaatschappij, andere passagiers, enz.); (8) en tot slot bepaalde internationale organen, zoals het CPT.
Tijdens de hearing die het Vast Comité P heeft bijgewoond
op de dienst LPA/BRUNAT, heeft het kennis kunnen nemen van de procedures die
de leiding van LPA/BRUNAT heeft ingevoerd om enerzijds het risico op individuele
ontsporingen door politieambtenaren die repatriëringsopdrachten uitvoeren
te vermijden en anderzijds om permanent toezicht te houden op de uitvoering
van deze opdrachten: bepaling van een specifiek profiel voor de politieambtenaren
die dat soort taken vervullen, selectie‑ en opleidingsprocedures, aanwezigheid
van een kaderlid tijdens repatriëringsopdrachten met escorte, aanwerving van
sociaal assistenten voor het maatschappelijk en psychologisch ondersteuningsteam
(MPOT), enz.
De richtlijnen hieromtrent werden uitgeschreven in een kadernota van 20 december 2005.
Bij elke escorteopdracht gaan, naast de escorteurs, die minstens met twee
zijn, ook overbrengers, een lid van het MPOT-team en altijd een kaderlid mee,
op zijn minst tot aan het vliegtuig. In bepaalde gevallen kunnen de kaderleden
zelf escortes doen. Bij de begeleiding van de escortes tot aan het vliegtuig
beoordelen de kaderleden op basis van evaluatiecriteria de aan te wenden dwangmiddelen,
beslissen of de escorte moet worden stopgezet, vullen het notificatienummer
in [59]
, laten dit formulier invullen door BAC-Security en de boordcommandant
en maken de praktische afspraken met de crew en de boordcommandant. De kaderleden
geven ook de voorafgaande briefing en desgevallend een debriefing in het geval
van een mislukte poging, samen met het lid van het MPOT.
Hierbij mag men ook niet uit het oog verliezen dat de ministeriële
richtlijn van 2 juli 1999 werd aanpast ingevolge de aanbevelingen
van de Commissie Vermeersch II met het oog op een menswaardigere aanpak
van de repatriëringen. Het hoofddoel bestaat erin de te repatriëren persoon
ervan te overtuigen het grondgebied te verlaten zonder weerstand te bieden
om te vermijden dat de politieambtenaren dwang moeten aanwenden. Dankzij de
inzet van het MPOT van LPA/BRUNAT kan deze doelstelling worden gehaald en
kan tegelijkertijd het aantal personen die niet willen terugkeren, worden
ingeperkt.
Wanneer er bij een repatriëring toch dwang moet worden gebruikt omdat iemand
niet vrijwillig het grondgebied wil verlaten, moet dit geweldsgebruik steeds
voldoen aan de criteria van legaliteit, proportionaliteit en opportuniteit
overeenkomstig de richtlijnen die binnen deze dienst van de federale politie
van kracht zijn.
In de loop van onderzoeken gevoerd naar aanleiding van klachten die rechtstreeks bij het Comité P zijn ingediend en/of die hem zijn toevertrouwd door de gerechtelijke overheden wegens vermeende slagen en verwondingen of ongepast gedrag door politieambtenaren die repatriëringsopdrachten uitvoeren, heeft het Comité P vastgesteld dat deze politieambtenaren systematisch proces-verbaal opmaken voor het parket, nog voor het slachtoffer klacht heeft ingediend. Dit proces-verbaal wordt doorgaans opgemaakt op de dag van de repatriëringspoging.
De AIG verzekert een regelmatige inspectie op de repatriëringsopdrachten. Deze inspecties kunnen verschillende vormen aannemen zoals “discrete” controles [60] , vooraf aangekondigde controles [61] of controles op beveiligde vluchten, de zogenaamde special flights [62] . Ze kunnen ook plaatsvinden op eender welk moment van de repatriëringsprocedure: wanneer betrokkene wordt opgehaald aan het opvangcentrum, wanneer de te repatriëren persoon zich in de lokalen van de federale politie in de luchthaven van Brussel-Nationaal bevindt, wanneer hij wordt overgebracht naar het vliegtuig of bij het inschepen maar ook tijdens de vlucht, met name in geval van beveiligde vluchten.
Vooreerst dient opgemerkt dat het diensthoofd van LPA/BRUNAT
dat instaat voor de repatriëring open van geest is en zeer goed meewerkt.
Deze dienst heeft altijd een gunstig gevolg gegeven aan de vragen om inlichtingen
van het Comité P. De Dienst Enquêtes P heeft ook altijd inzage gekregen
in de verslagen en processen-verbaal die werden opgesteld naar aanleiding
van repatriëringspogingen en er werd geregeld een overzicht bezorgd van de
geplande repatriëringen. De leiding van LPA/BRUNAT heeft de enquêteurs ook
altijd de mogelijkheid geboden om hun lokalen te betreden in het kader van
controlebezoeken die de Dienst Enquêtes uit eigen beweging verricht.
Opdat het Comité P een beter zicht zou hebben op de opdrachten maar ook
op de beperkingen van deze dienst, werd in de loop van het jaar 2005 een werkbezoek
georganiseerd, in de vorm van een hearing, waaraan zowel de leden van
het Comité als een aantal commissarissen-auditors deelnamen.
In de loop van het jaar 2006 werd de Dienst Enquêtes P daarnaast aangezocht
om vier onderzoeken te voeren naar klachten ingediend ingevolge de uitvoering
van repatriëringsopdrachten.
Vermeldenswaardig is ook dat er momenteel bij het Comité P een onderzoek
loopt naar bepaalde inspectieactiviteiten die de AIG in dat domein heeft verricht.
In het verlengde van de vaststellingen van de vorige jaren
kan opnieuw gesteld worden dat LPA/BRUNAT de verwijderingen in 2006 op professionele
wijze heeft uitgevoerd en steeds zo veel mogelijk heeft getracht te anticiperen
op nieuwe omstandigheden. Een kritieke succesfactor blijft evenwel een goede
samenwerking met en coördinatie tussen alle diensten die betrokken zijn bij
de verwijderingen.
We merken op dat het aantal klachten dat in 2006 ter kennis werd gebracht
van het Comité P gering is ten overstaan van het aantal personen dat
werd gerepatrieerd. Het numeriek belang van de klachten moet dan ook worden
gerelativeerd, wat niet wegneemt dat elke individuele klacht grondig en systematisch
moet worden onderzocht. Elke ontvangen klacht is er immers één te veel.
Op basis van de informatie waarover we beschikken, kunnen we stellen dat de problematiek van de repatriëringen van zeer nabij wordt gevolgd door heel wat instanties en dat de situatie “onder controle” lijkt te zijn. Deze politieopdracht is zonder twijfel één van de opdrachten waarop diverse vormen van toezicht of inspectie worden uitgeoefend.
Hierbij mag men niet vergeten dat de “belangen” van de partijen die deelnemen aan de repatriëringsprocedure vaak erg verschillend zijn: het grondgebied doen verlaten versus hier blijven. Als gevolg hiervan duiken er allerlei ‘kunstgrepen’ op met als enig doel het effectieve vertrek uit te stellen (zelfverminking, verwondingen die aangepaste medische zorg behoeven, klachtneerlegging met vraag tot opschorting van de procedure tijdens de duur van het onderzoek, enz.). Men moet zich van dit probleem bewust zijn om te voorkomen dat het Comité P wordt “misbruikt” om deze doelstelling te verwezenlijken.
In dit soort van dossiers is het uiterst moeilijk om rekening te houden met eventuele bedreigingen en/of druk uitgeoefend tijdens deze opdrachten omdat duidelijke bewijzen ontbreken, maar ook omdat de grens tussen de “psychologische druk” waarop de klager zich eventueel beroept en de nood om de betrokkenen er, in de mate van het mogelijke, van te overtuigen om vrijwillig of zonder gebruik van dwang te vertrekken flinterdun is.
Door de wet van 6 januari 2003 betreffende de bijzondere
opsporingsmethoden en enige andere onderzoeksmethoden [64]
werd de problematiek van informantenwerking wettelijk geregeld. De bijzondere
opsporingsmethoden brengen verregaande inmengingen in bepaalde grondrechten
en vrijheden met zich mee en beperken een aantal fundamentele beginselen van
strafrechtspleging.
Vanuit zijn opdracht om toezicht te houden op de bescherming van de rechten
die de Grondwet en de wet aan de personen waarborgen, alsook op de coördinatie
en de doelmatigheid van de politiediensten, heeft het Comité P beslist
om de informantenwerking van nabij op te volgen door middel van een thematisch
toezichtsonderzoek [65]
.
De onderzoeksmethodologie is uiteengezet in bijlage F.
In afwachting van een verdere bevraging van de “BOM-magistraten”
van de geselecteerde arrondissementen kunnen, in de huidige stand van zaken,
al een aantal vaststellingen worden geformuleerd.
De informantenwerking kan worden gekaderd binnen het concept intelligence
led policing van het Nationaal Veiligheidsplan 2004-2007, doch de concrete
invulling hiervan is minder duidelijk. De informantenwerking komt zelden uitgebreid
aan bod in de diverse beleids‑ of actieplannen van de diverse niveaus
die werden bevraagd. De informatieposities worden hoofdzakelijk gebruikt op
het operationele niveau. Men is zich minder bewust van de structurele bijdrage
die de informantenwerking zou kunnen leveren bij het nemen van beslissingen
op strategisch niveau.
De informantenwerking biedt, grotendeels dankzij de BOM-regelgeving, voldoende
garanties voor de eerbiediging van de fundamentele rechten en vrijheden in
het algemeen en de privacy in het bijzonder.
Samengevat kan men voorlopig stellen dat de informantenwerking efficiënt is
georganiseerd en zeer effectief is in operationele dossiers. Er kan echter
onvoldoende worden bewezen dat de informantenwerking effectief is in haar
bijdrage tot het realiseren van de beleidsprioriteiten op de verschillende
niveaus. Dit is te wijten aan een gebrek aan afstemming op elkaar.
De voorlopige vaststellingen en bijhorende aandachtspunten
maakten reeds het voorwerp uit van een algemene debriefing met en feedback
aan de directeur-generaal van de gerechtelijke politie en de nationale informantenbeheerder.
Ze zullen verder worden verfijnd na de bevraging van de magistratuur.
Met betrekking tot een aantal aandachtspunten werden door de politie reeds
de nodige aanpassingen doorgevoerd zoals de implementatie van de eerste fase
van het project automatisering, de nieuwe rekruteringsvoorschriften voor de
leden van de diensten intern toezicht en de aanpassing van de beoordelingsmatrix
voor de uitbetaling van premies waardoor lokale prioriteiten en beeldvormende
informatie beter gehonoreerd worden.
Tegen leden van de geïntegreerde politie worden geregeld verwijten
of beschuldigingen geuit in deze uiterst delicate materie en dat is het Comité P
niet ontgaan. In 2006 heeft het, net als de vorige jaren, de acties die de
federale politie heeft ondernomen in de strijd tegen discriminatie binnen
de politiediensten dan ook op de voet gevolgd. Er werd onder meer een bezoek
gebracht aan de dienst gelijkheid en diversiteit (DPID) van de Directie van
de interne relaties (DSI) en gedurende het ganse jaar werd documentatie ingezameld
die verband houdt met het onderzoeksthema. Op basis van de verkregen elementen
achtte het Comité de tijd nog niet rijp om andere hoofdrolspelers van het
actieplan of externe partners te horen.
Het zwaartepunt van de activiteiten van de federale politie in dit domein
ligt nog steeds in het actieplan diversiteit, de concretisering van de strijd
die ze sinds 2001 voert tegen elke vorm van discriminatie en voor identitaire
diversiteit. Dit plan omvat verschillende acties op korte of middellange termijn,
zowel eenmalige als terugkerende, om uiteindelijk zeven doelstellingen te
verwezenlijken. Deze doelstellingen vinden we voornamelijk terug in de domeinen
personeelsbeheer, opsporingswerk, opleiding en communicatie. Vaak worden
ze gerealiseerd dankzij samenwerking met partners. Het diversiteitsbeleid
wil in fine inwerken op de organisatiecultuur – zonder twijfel een
ambitieuze doelstelling – en wil dat de diversiteit van de bevolking tot uiting
komt in de samenstelling van het personeel van de geïntegreerde politie. Het
doelpubliek is erg ruim en strekt zich uit over verschillende categorieën
van personeelsleden van de politie en van externe partners.
Het actieplan diversiteit kadert perfect in het federaal tienpuntenplan tegen racisme, antisemitisme en xenofobie, dat overigens van een latere datum is dan het werk dat de federale politie terzake heeft verricht. Sommige activiteiten passen in beide benaderingen zoals de versterking van de opleiding van de politiediensten, de sensibilisering van de politiediensten voor het probleem of nog de evaluatie van de rekrutering van Belgen van allochtone afkomst. Er dient opgemerkt dat deze activiteiten samen met het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding worden uitgewerkt. Een bijkomende bron van informatie voor onze analyse is het evaluatieverslag dat op 11 januari 2007 is verschenen over de tien prioriteiten van het federaal plan. Diversiteit bijvoorbeeld is voortaan een onderwerp dat wordt onderwezen in de basisopleiding. Dit vak is niettemin enkel bedoeld voor aspirant-inspecteurs en niet voor de andere personeelskaders. De Federale Overheidsdienst Binnenlandse Zaken heeft twee ambtenaren ter beschikking gesteld van de federale politie die eerder hebben gewerkt aan bepaalde aspecten van de basisopleiding (o.a. module 8.5) en die voortgezette opleidingen op poten zullen zetten.
De meest recente versie van het actieplan waarvan wij kennis
hebben kunnen nemen, dateert van 29 juni 2006 en geeft een overzicht
van de situatie van 16 augustus 2005, vorige publicatiedatum van
het plan, tot 29 juni 2006. Daaruit blijkt dat er nog concrete opdrachten
werden verricht in het kader van de zeven doelstellingen, zoals bijvoorbeeld
de realisatie van een film ter bevordering van de rekrutering waarin diversiteit
duidelijk een hoofdrol speelt, de aanwerving van 35 slechtzienden voor specifieke
taken, de artikelen gewijd aan de problematiek van de deontologische code
of nog een plan voor de mededeling van inbreuken van racistische aard volgens
de omzendbrief COL 6/2006 en, tot slot, het partnergeweld.
Er werden ook wijzigingen aangebracht aan het statuut om de ongelijkheid tussen
de personeelsleden uit te vlakken, bijvoorbeeld met betrekking tot het borstvoedingsverlof
of een verbetering van het Calogstatuut.
Uiteindelijk hebben weinig acties vertraging opgelopen noch werden ze uit
het plan geschrapt. Niettemin werd de invoering van een informatiesessie diversiteit
tijdens de voortgezette studiedagen voor vertrouwenspersonen achterwege gelaten
door gebrek aan tijd en werd de kennisgeving omtrent bepaalde zaken uitgesteld
om redenen buiten de wil van de federale politie om, zoals de publicatie van
de deontologische code en van de omzendbrief COL 6/2006.
In 2006 is de Begeleidingscommissie van het actieplan om diverse redenen niet bijeengekomen, voornamelijk wegens het overlijden van de adjunct-directeur-generaal personeel dat ontegenzeglijk een grote weerslag had op de commissie en de aan gang zijnde reorganisatie binnen de federale politie. In dat verband zal moeten worden bepaald in welke mate een nieuwe taakverdeling tussen de eenheden en een herschikking van het personeel moeilijkheden zouden kunnen opleveren.
Sommige activiteiten van het actieplan springen meer in het
oog en vergen de inzet van meer middelen op budgettair en personeelsvlak.
Het netwerk diversiteit is sinds 2006 fors uitgebreid en verstevigd en telt momenteel drieëntwintig Nederlandstalige en twintig Franstalige leden. Hun communicatieforum werkt ook naar behoren. Een databank die door alle personeelsleden zal kunnen worden geraadpleegd, wordt momenteel getest en zal beschikbaar zijn via een rechtstreekse link op de website www.hrpol.be, wat de thematiek laagdrempeliger zal maken. Twee universiteiten waarmee de federale politie samenwerkt en die de leden mede hebben gecoacht, zullen voortaan het netwerk evalueren.
Naast de activiteiten die aanvankelijk voorzien waren in het
plan, zijn er ook nieuwe initiatieven ontwikkeld. In samenwerking met het
Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding zal de federale
politie een sensibiliseringscampagne starten tegen homofobie. Onlangs heeft
de federale politie zich ook aangesloten bij het labelproces dat op gang werd
gebracht door de minister van Maatschappelijke Integratie en Gelijke Kansen
en de minister van Werk en
Het Comité P staat niet enkel in voor de opvolging van
de acties, volgens beproefde managementmethodes als EFQM, maar besteedt net
zo goed aandacht aan de concrete resultaten van het actieplan voor de organisatie,
het personeel en de gemeenschap. Met onze opvolging willen wij een antwoord
bieden op de vraag welke resultaten er uiteindelijk worden geboekt op het
vlak van diversiteit en de strijd tegen discriminatie na bijna 5 jaar identitaire
diversiteitsbeleid. We moeten echter toegeven dat we op dat punt niet echt
over veel concrete of verifieerbare elementen beschikken.
In het plan werden zes, algemene en specifieke, indicatoren bepaald. Toch
zijn deze indicatoren nog niet opgenomen in de laatste versie van het plan.
Sommige cijfers bestaan of kunnen worden bepaald, bijvoorbeeld over de communicatie-indicatoren
of het aantal interne en externe klachten. Wat de algemene en de rekruteringsindicatoren
betreft, blijft het grootste struikelblok de omschrijving van de doelgroepen
en meer in het bijzonder van het begrip allochtoon. De werkgroep etnische
statistieken, bestaande uit vertegenwoordigers van federale instellingen en
van de deelstaten alsook van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor
racismebestrijding, tracht tot een uniforme definitie van het concept te komen.
In het verleden hadden wij al opgemerkt dat het actieplan voortdurend evolueert en wordt aangepast, wat de nieuwe initiatieven van dit jaar opnieuw bewijzen. Toch sleept het probleem van de beperkte capaciteit, die volgens de prioriteiten zal moeten worden ingezet, aan. Het lijkt ons belangrijk dat het plan een coherente aanpak blijft nastreven op grond van de aanvankelijke doelstellingen, ongeacht de schrapping of toevoeging van initiatieven.
Het is niet uitgesloten dat het Comité, met de goedkeuring van zijn parlementaire begeleidingscommissie, de toestand opnieuw bekijkt in 2010-2011.
Naar aanleiding van een individuele klacht [67] is het Comité P nagegaan welke coördinatieproblemen er zich voordoen tussen de geïntegreerde politiedienst en een dienst met politiebevoegdheid van het Waalse Ministerie van Uitrusting en Vervoer (Ministère de l’Équipement et du Transport de la Région wallonne, kortweg MET). Een burger had zich namelijk beklaagd over de termijn van een maand die was verstreken tussen het ogenblik dat zijn voertuig in een waterweg werd teruggevonden en het ogenblik waarop hem dat werd gemeld. In die tussentijd was het voertuig in bewaring gegeven bij een firma, wat de klager bijkomende kosten opleverde. In het verlengde van de eerste vaststellingen heeft het Comité zijn studiegebied uitgebreid.
Op basis van de eerste fase van het onderzoek kan het Comité P de volgende vaststellingen naar voren schuiven:
(1) de agenten van het MET ondervinden nogal wat moeilijkheden om een gestolen voertuig dat ze in een waterweg hebben teruggevonden te ontseinen wanneer er bij de ontdekking van dat voertuig geen politiedienst met algemene bevoegdheid betrokken wordt;
(2) om dit systematische niet-optreden van de politiediensten in een deel van het Waalse Gewest te ondervangen en omdat ze geen toegang hebben tot de Algemene nationale gegevensbank (ANG), zijn de agenten van het MET genoodzaakt om hun eigen contacten aan te spreken om toch informatie te verkrijgen over de voertuigen die in waterwegen worden aangetroffen. Zij hebben deze gegevens immers nodig om hun processen-verbaal te kunnen opmaken (referte van het proces-verbaal van vaststelling van de diefstal, eventuele seining, enz.);
(3) sommige politiezones geven geen gevolg meer aan de vragen om bijstand die de agenten van het MET formuleren wanneer ze in het water een gedumpt voertuig ontdekken en verschuilen zich achter hun grote werklast of achter de bevoegdheid van de agenten van het MET, geheel onterecht gezien het beperkte karakter ervan [68] ;
(4) er is niet alleen een gebrek aan duidelijke richtlijnen die, wat de waterwegen betreft, het gezamenlijk optreden van en/of de coördinatie tussen de politiediensten met algemene of bijzondere bevoegdheid regelen, er zijn ook onvoldoende samenwerkingsakkoorden tussen deze diensten, die bijvoorbeeld wel bestaan voor de spoorwegen.
Dit toezichtsonderzoek heeft dus verschillende problemen aan het licht gebracht die nadere aandacht verdienen in het kader van de coördinatie in geval van gezamenlijk of afzonderlijk optreden van de politiediensten met algemene of bijzondere bevoegdheid. Er moet een oplossing worden gevonden voor: (1) de coördinatie van het optreden van de geïntegreerde politie en een bestuur van het MET met politiebevoegdheid; (2) de seining en ontseining van voertuigen die op de bodem van de waterwegen worden teruggevonden; (3) de wijze waarop de informatie tussen de politiediensten en het MET wordt overgemaakt; (4) de rol van de diverse intervenanten; (5) de beperkingen van de bevoegdheden van de agenten van het MET; (6) de verwittiging van de eigenaar van het teruggevonden voertuig; (7) de seiningen, enz.
Indien men meer duidelijkheid wil scheppen in deze materie waarin bepaalde tekortkomingen de burger schade kunnen berokkenen, is hoe dan ook dringend regelgeving nodig. Het Comité heeft in dit verband een omstandig schrijven gericht aan de bevoegde bestuurlijke en gerechtelijke overheden, dat tot op heden onbeantwoord is gebleven.
Dit toezichtsonderzoek werd opgestart naar aanleiding van een
zeer bondige klacht die leden van een lokaal politiekorps bij het Comité P
hadden ingediend. Zij maakten gewag van de prestaties die leden van het officierenkader
leverden en van de onkostennota’s die zij indienden. Deze feiten werden niet
nader toegelicht maar het was duidelijk dat het onderliggende verwijt was
dat sommige officieren daarin overdreven. In de drie daaropvolgende maanden
ontving het Comité twee min of meer gelijklopende aangiften en nadien werden
soortgelijke vragen gesteld in het kader van vier andere lopende onderzoeken.
Het was snel duidelijk dat het niet zo evident was om zich over die kwestie
uit te spreken. Wat is immers te veel? Wat is het referentiepunt?
Aangezien de beschreven situatie veelzeggend is voor de werking van een aantal zones, vinden wij het belangrijk erover te rapporteren in dit jaarverslag.
De onderzoeksmethodologie is uiteengezet in bijlage F.
In de eerste zone die wij bezochten, stelden wij vast dat sommige gepresteerde overuren a priori vragen opriepen. We merkten op dat er in 2004 en 2005 zeer grote verschillen merkbaar waren tussen de officieren. Zo bedroeg het verschil tussen het minimum aan overuren en het maximum aan overuren in 2004 637 uur. Afgaande op deze extreme cijfers, hebben wij 7 officieren geïdentificeerd die zich in 2004 en 2005 bevonden boven het 95ste centiel met prestaties die ruimschoots het gemiddelde overstijgen.
Uit de steekproef, die werd uitgebreid van vier naar elf zones, blijkt dat het aantal gepresteerde uren geen “normale” verdeling kent die zich situeert rond het gemiddelde en daarna afneemt naar de laagste en hoogste cijfers toe. Integendeel, er wordt een concentratie vastgesteld rond de vorken van ‘mindere’ overuren/prestaties die zich van het gemiddelde verwijderen en men ziet dat enkele overuren/prestaties zich situeren bij de hoogste vorken aan prestaties. De standaardafwijking is over het algemeen zeer groot en ligt soms zelfs hoger dan het gemiddelde. Sommige cijfers halen duidelijk de gemiddelden omhoog.
De analyse van deze 11 zones laat toe de cijfers van de bestudeerde zone te relativeren. Statistisch gezien is de zone wel “gespecialiseerd” in het maken van overuren, met waarden van 1,24 in 2004 en van 1,14 in 2005 boven de gegeven gemiddelden maar doet ze wel nog onder ten opzichte van andere zones uit dit staal, die een groter aantal uren, hogere gemiddelden en grotere verschillen tonen (cf. tabellen 2 en 3). In 2004 lieten vier zones een hoger gemiddelde per officier optekenen. In 2005 waren dat er drie. In verhouding tot de steekproef kunnen we niet stellen dat de zone in kwestie een uitzonderlijk profiel vertoonde.
Tabel 2 : Zones met een hoger gemiddelde (jaar 2004)

Tabel 3 : Zones met een hoger gemiddelde (jaar 2005)

Er schijnen ook enkele regionale kenmerken te zijn. De Brusselse zones uit de steekproef zijn vanuit statistisch oogpunt bijvoorbeeld allemaal gespecialiseerd in overuren. De prestaties van de officieren zijn er bovendien het hoogst. Bovendien vertonen de grote zones in termen van personeel gemiddeld meer overuren dan de kleine zones.
Om de vergelijking te vervolledigen, werden ook de cijfers van de gedeconcentreerde gerechtelijke directies (FGP) bekeken. Zij blijken soortgelijke statistische kenmerken te vertonen. De data betreffende de overuren/prestaties van die FGP’s situeren zich eveneens rond de laagste vorken van overuren en ook hier zijn er weer een paar die ruim het gemiddelde overstijgen. Niettemin hebben de officieren van de FGP’s over de twee jaren gemiddeld minder overuren gepresteerd als de officieren in de bestudeerde politiezones. Ter illustratie citeren wij het maximumcijfer van 449 overuren in 2005 voor alle FGP’s samen en dat van 837 overuren voor een zone uit de steekproef. In het kader van een ander belangrijk onderzoek werden zelfs pieken van 1 096 en 1 118 overuren geregistreerd.
Wat de onkostennota’s betreft, zijn er in de eerste aangeklaagde zone in 2004 en 2005 ook grote verschillen tussen de personeelsleden zichtbaar. In 2004 bedroeg de spreiding tussen de officieren die de laagste onkostennota’s binnenbrengen en zij die het hoogste aantal onkostennota’s ter uitbetaling binnenbrengen, 629 euro. Opgesplitst in centielen, zien we dat twee officieren zich boven het 95ste centiel bevinden.
Ook op dit vlak is het profiel van de zone niet uniek. Ditmaal schommelen de gegevens sterk van jaar tot jaar. Dit heeft ongetwijfeld te maken met de aard van de opdrachten die aanleiding geven tot onkostennota’s. Voor een groot deel van de steekproef zijn de verschillen tussen de officieren duidelijk merkbaar. Net als bij de overuren, zijn de onkostennota’s en de verschillen in de zone Brussel-Hoofdstad/Elsene niet de grootste van de steekproef (cf. tabellen 4 en 5). We merken op dat het ditmaal de kleine zones zijn die gemiddeld hogere onkostennota’s indienen. Misschien moeten de personeelsleden er meer en grotere verplaatsingen maken, bijvoorbeeld om opleidingen te volgen.
Tabel 4 : Hoogste gemiddelden inzake kostennota’s (jaar 2004)

Tabel 5 : Hoogste gemiddelden inzake kostennota’s (jaar 2005)

Op basis van zijn vaststellingen in verband met het profiel
van de zones en de prestaties, heeft het Comité P, in een eerste fase,
drie politiezones uit het staal bezocht, waaronder de zone waartegen de klacht
was gericht.
Algemeen gesproken, is het natuurlijk zo dat het laten presteren en vooral
het betalen van overuren voor de zone een kwestie van middelen is en dat niet
alle zones over evenveel middelen beschikken. Toch zijn de drie zones van
mening dat inzake overuren een beleid en een opvolgingssysteem absoluut noodzakelijk
zijn. In sommige zones is zo’n systeem van bij hun oprichting van toepassing,
in andere zones is men pas later met die opvolging gestart. De drie zones
verzekeren bovendien een follow-up van de overuren en de kostennota’s op verschillende
niveaus, voornamelijk op basis van de ISLP-module Admin. Het toezicht wordt
doorgaans uitgevoerd door de hiërarchie. Elk niveau controleert het niveau
onmiddellijk onder het zijne. Op het einde van de rit heeft de personeelsverantwoordelijke
en soms ook de korpschef zelf dan een zicht op alle individuele prestaties
en vooral op de onregelmatigheden.
In de zone waarvan sprake in de klacht werd onlangs een systeem van controle en opvolging ingevoerd, waarbij de dienst intern toezicht betrokken is. Er werd misbruiken vastgesteld die voortaan worden vervolgd, ook op tuchtrechtelijk vlak.
Afhankelijk van hun budgettaire middelen, beschikken de politiezones
over de mogelijkheid om de diverse inconveniënten, waaronder de overuren,
te “vergoeden”. Zoals uit de klacht blijkt, kunnen te grote verschillen tussen
de personeelsleden in deze delicate materie voor argwaan of spanningen zorgen.
Daarom lijkt het nodig, en de leidinggevenden van de bezochte zones zijn het
daarover eens, terzake een beleid te ontwikkelen en dat mee te delen aan het
personeel. Op basis van dat beleid moet dan een controle‑ en opvolgingssysteem
worden ingevoerd, waarbij misbruiken aanleiding moeten geven tot gepaste administratieve,
tuchtrechtelijke of gerechtelijke procedures.
Individuele opvolging is zeker mogelijk, op zijn minst op het direct hogere
hiërarchische niveau. Het lijkt normaal dat een diensthoofd de prestaties
van zijn personeelsleden kent en de juistheid ervan nagaat en erop toeziet
dat de overheidsfinanciën goed gebruikt worden.
De criteria waarop het beleid is gestoeld, moeten uiteraard de rechtvaardiging
van de overuren en de kosten zijn, net als een gelijke behandeling voor alle
personeelsleden, ongeacht de categorie waartoe ze behoren. Met andere woorden,
de verschillen moeten op objectieve wijze worden aangetoond.
De organisatie van de arbeidstijd is een moeilijke kwestie. Het beleid inzake
inconveniënten kan soms een factor zijn waarom een zone al dan niet aantrekkelijk
is. Zo zijn er gevallen gekend van personeelsleden die een bepaalde zone inruilen
voor een andere zone waar ze meer kunnen verdienen door de inconveniënten.
Vóór de politiehervorming en in de eerste weken na die hervorming had het Vast Comité P al vernomen dat er zich op het vlak van de kledijvergoeding en de aanschaf van materiaal en uitrusting hier en daar situaties voordeden die onaanvaardbaar waren. In 2005-2006 kreeg het Comité kennis van nieuwe problemen terzake en besliste het om, afgezien van de individuele gevallen, deze problematiek op een andere schaal te bekijken [71] . Daarenboven had het ook meermaals vastgesteld dat politieambtenaren en agenten van politie vandaag de dag nog altijd ‘hybride’ kledij dragen, vooral in Brussel. Uniformstukken worden er samen met andere kleren gedragen, wat zeker niet voor uniformiteit zorgt. Bovendien dragen sommigen het uniform met weinig overtuiging en discipline. Zo lijkt het in Brussel maar ook elders tegenwoordig wel de regel om geen hoofddeksel te dragen.
Bij het onderzoek werd eerst gekeken naar de praktische toepassing
van het beheer en de administratie van de individuele puntenrekening. Daarnaast
kwamen onvermijdelijk ook de levering, de kwaliteit en het dragen van het
uniform ter sprake.
Onze contactpersonen waren voornamelijk korpschefs en/of lokale verantwoordelijken
logistiek.
Het beheer van het kledijpuntensysteem in combinatie met de verwerking van de bestelling, de levering en de facturatie betekent een aanzienlijke administratieve werklast voor de zones. Deze administratie is een typische Calogtaak en in vrijwel alle zones wordt het beheer van de puntenmassa, het uitvoeren van de bestellingen en het opvolgen van de leveringen uitgevoerd door Calogmedewerkers. Maar ook in de verantwoordelijke niveaus vinden we Calogpersoneel terug.
Op het vlak van leveranciers bestaat er een grote verscheidenheid.
De lokale korpsen hebben immers de mogelijkheid om zich te bevoorraden via
de federale politie, nl. de Algemene directie van de ondersteuning en het
beheer (DGS)/Directie van de infrastructuur en de uitrusting (DSM) of via
overheidsopdrachten bij privéleveranciers. Deze dienen te voldoen aan de technische
normen en eisen van de federale lastenboeken. De verdeling van de nieuwe basisuitrusting
ging van start in 2005.
Wel blijft er veel kritiek bestaan op de leveringen van de federale politie,
ondanks de gewaardeerde distributie door DHL. De levertermijn is volgens de
lokale politie onvoorspelbaar en duurt soms te lang. Daarbij valt ook op te
merken dat bepaalde uniformstukken onvoldoende beschikbaar waren of mondjesmaat
en niet gegroepeerd werden geleverd, waarover het personeel moppert. Uitzonderlijk
gebeurt het dat de levering niet overeenstemt met de maatnames, wat kan leiden
tot een probleem bij de terugname (na 14 dagen). Zo werd o.a. een tekort
aan zomerhemden gesignaleerd alsook een achterstand in de levering van blousons,
parka’s, politiebroeken en handschoenen. Volgens sommigen bedroeg de leveringstermijn
gemiddeld meer dan 6 maanden en liep de bedeling voor de courante maten
soms zelfs vertraging op tot een jaar.
De kwaliteit van de polo’s (vormvastheid) liet te wensen over, alsook van
de broeken (kleur‑ en vormvastheid en knopen), de hemden (pluisjes),
de pullover en de fleece (pluizen, naden lossen). Anderen noemen het aanbod
schoenen beperkt en vragen zich af wanneer de regenkledij en het thermische
ondergoed bij de federale politie beschikbaar zal zijn.
Binnen één van de bezochte korpsen ging men in 2006 over tot een klantentevredenheidsonderzoek over de dienst kledij (persoonlijke uitrusting) van de zone. Daaruit bleek dat snelheid, informatieverstrekking en oplossingsgerichtheid voor verbetering vatbaar waren.
De federale politie heeft over deze moeilijkheden naar de lokale
zones en de federale eenheden gecommuniceerd. De leveringsproblemen worden
door de federale politie erkend en hangen volgens haar samen met verschillende
factoren zoals de kwaliteitsproblemen, de totale omvang van de bestellingen
en de verscheidenheid in maat‑ en taalstelsels. DGS/DSM tracht het stockbeheer
zodanig uit te bouwen dat dergelijke leverproblemen in de toekomst vermeden
worden en dat een levertermijn van 30 dagen kan worden gehaald.
Ze erkent de slechte kwaliteit van de polo’s, maar relativeert de andere genoemde
kwaliteitsgebreken.
Ondanks de problemen van kwaliteit, levering, tevredenheid, enz. levert de samenwerking met de federale politie voor de meeste zones toch winst op op het niveau van centrale bevoorrading. Het dienstverleningspakket van de federale politie wordt over het algemeen gewaardeerd, al zijn er punctuele opmerkingen. Verder worden de reeds uitgevoerde aanbestedingsprocedures als een voordeel gezien. Ten slotte staat de facturatie van de federale politie volgens de meesten op punt. Men vindt het o.a. positief dat de facturatie sinds 2006 maandelijks in plaats van zesmaandelijks wordt verricht, wat niet overzichtelijk was.
Vier zones kennen aan politieambtenaren met langdurig ziekteverlof
wel kledijpunten toe, maar “bevriezen” de besteding van die punten door tijdens
de duur van de ziekte geen bestelbons uit te schrijven. Toch kunnen aan de
politieambtenaar geen bestelbons worden geweigerd wanneer hij het werk hervat,
ook al is dit maar voor korte tijd. In een andere zone kunnen er wel bestellingen
worden geplaatst tijdens het ziekteverlof maar houdt men rekening met de eventuele
datum van pensionering.
Alle beheerders en korpschefs zijn het erover eens dat het koninklijk besluit
van 10 juni 2006 meer duidelijkheid en houvast biedt voor het personeel
en de beheerders op het vlak van de statutaire gevolgen op de puntenenveloppe.
Zo is bijvoorbeeld de overdracht van punten bij mobiliteit duidelijk geregeld.
In vier bezochte zones houdt men bij de toekenning van kledijpunten rekening
met de voorziene datum van opruststelling maar vervangt men tijdens het laatste
dienstjaar enkel nog beschadigde of echt versleten stukken. De punten die
de betrokken politieambtenaar niet heeft opgebruikt, gaan verloren. Men dient
ook in deze materie vast te stellen dat er nog onduidelijkheid blijft bestaan
over de opruststelling en het in dat geval toepasbare systeem. De bijlage
bij voornoemd koninklijk besluit van 10 juni 2006 vermeldt dat de
ambtsneerlegging de schrapping van de puntenenveloppe op datum van uitvoering
tot gevolg heeft.
Artikel 8 van het koninlijk besluit van 10 juni 2006 bepaalt dat het dragen van het uniform, met uitzondering van de wapens, geschiedt overeenkomstig de dienstorders die rekening houden met de specificiteit van de functie-uitoefening. Een nieuwe dresscode voor een eenvormige uniformdracht wordt naargelang van het geval hetzij per korps, arrondissementeel of provinciaal uitgewerkt. Alle korpsen hebben richtlijnen over de uniformdracht, waarin dikwijls ook het uniformprofiel, de procedure beschadiging van het uniform en de procedure zaakschaderegeling, de functiekledij en de afschrijvingsregels zijn opgenomen.
De regels zijn voorhanden maar het Comité stelt zich de vraag of de hiërarchie voldoende belang hecht aan de symboliek van het uniform en de correcte dracht ervan. Sommige waarnemingen, hoofdzakelijk in Brussel, plaatsen daar een vraagteken bij. Er bestaat ook op dat vlak een grote kloof tussen bepaalde reglementen en hun toepassing in het dagdagelijks leven op het terrein.
Andere aspecten die in verband met het uniform werden vermeld, zijn de volgende:
(1) geen enkele reglementaire bepaling regelt de kwestie van de kledijpunten toegekend aan politieambtenaren met langdurig ziekteverlof, noch definieert de langdurige ziekte in dit verband;
(2) wanneer een personeelslid van de federale politie overgaat naar de lokale politie, kan het soms verscheidene maanden duren voordat de zone diens puntenenveloppe kan overnemen;
(3) enkele Nederlandstalige zones vragen een oplossing voor het personeel dat gedetacheerd wordt vanuit de DAR en uniformuitrusting heeft met tweetalige opschriften;
(4) de slechte herkenbaarheid van de polohemden van op de rug wordt overal fel bekritiseerd. Men pleit ervoor om het opschrift “politie” op de rugzijde van de polo’s aan te brengen;
(5) er bestaat discussie over het vastgelegd model verkeersmantel en sommigen verkiezen een tweekleurige parka;
(6) er is nog geen uniforme fietskledij, geen uniform voor hondengeleiders, en ook geen winterhoofddeksel. Deze aspecten worden opgevolgd door de Vaste Commissie van de lokale politie (VCLP) van waaruit een aantal vertegenwoordigers naar de uniformcommissie zijn gemandateerd.
Het beheer van de kledijpunten voor de aanschaf en de vervanging
van het uniform, nl. de basisuitrusting, wordt geregeld in het koninklijk
besluit van 10 juni 2006 houdende de regeling van het uniform van
de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee niveaus [72]
bij de artikelen 13 tot 19 en in het ministerieel besluit van 15 juni 2006
inzake de basisuitrusting en de algemene functie-uitrusting van de leden van
het operationeel kader van de geïntegreerde politie, gestructureerd op twee
niveaus [73]
bij de artikelen 3 tot 6. Met deze regelgeving konden de lokale
korpsen hun bestaande systemen verfijnen en vergroot de transparantie in de
toepassing voor het personeel. De vrije maar rationele besteding van de puntenenveloppe,
gericht op de behoeften van de dienst, geldt als uitgangspunt opdat het personeel
over een volledige en keurige basisuitrusting kan beschikken.
De gevolgen van statutaire toepassingen voor het puntenaantal en de algemene
functie-uitrusting, die vroeger vatbaar waren voor discussie, zijn thans vastgesteld
in een bijlage bij het koninklijk besluit. Enkel de regeling rond de oppensioenstelling
wordt als ontoereikend ervaren en de toestand dient, om bepaalde misbruiken
te vermijden, verduidelijkt te worden.
Het beheer van de kledijpunten gebeurt in alle onderzochte
zones elektronisch. De opgebouwde puntenenveloppe was toereikend om de basisuitrusting
aan te schaffen, zodat in de meeste zones het operationeel personeel inmiddels
over nagenoeg alle uitrustingsstukken van het nieuwe basisuniform beschikt.
Het beheer van het kledijpuntensysteem en het opvolgen van bestellingen en
leveringen is vaak een Calogtaak. In de meeste grote korpsen is er een logistieke
kledijdienst die de maatname en de distributie organiseert vanuit een centraal
magazijn.
De vaststelling van het draagprofiel door de korpschef levert geen problemen
en in alle korpsen staan de richtlijnen voor het dragen van het uniform zo
goed als op punt.
Te vaak blijft de toepassing en de controle op de naleving
van die richtlijnen echter achterwege. Alle elementen om de situatie te verbeteren,
zijn nochtans voorhanden, inclusief de deontologische code en, indien nodig,
de tuchtwetgeving.
In deze materie lijkt het ons ook van belang dat de hiërarchie aandacht besteedt
aan het correct en regelmatig dragen van het uniform en dat zij erop toeziet
dat er op dit vlak opnieuw meer strengheid aan de dag wordt gelegd, vooral
in Brussel en in enkele andere grote steden.
De federale politie heeft aandacht voor de steun die zij terzake dient te leveren aan de volledige geïntegreerde politie. Wij kunnen haar enkel aanmoedigen om op deze weg voort te gaan en om navraag te doen naar de kwaliteit van de geleverde dienst en naar de tevredenheid van haar klanten, de korpschefs en de individuele politieambtenaren en agenten van politie.
Aangezien hier normen op het spel staan, zou het interessant
zijn dat, naast de hiërarchische verantwoordelijken, de minister van Binnenlandse
Zaken de AIG belast met een of andere inspectie terzake.
Daar het tuchtvraagstuk samengaat met het voorkomen van een politieambtenaar,
dat deels tot uiting komt in het dragen van een uniform, is het immers van
belang te weten dat het systeem van verdeling en aanschaf van de uitrusting
onder controle is.
Uit de opvolging van 15 jaar suïcide bij de politie blijkt
er geen onduidelijkheid te heersen over het al dan niet
bestaan van een hoog suïcidecijfer: een jaarlijks gemiddelde van 19 suïcides
bij de politie liegt er immers niet om. Suïcide is telkens opnieuw het resultaat
van een complex proces. Het is nooit een verhaal van
geïsoleerde problemen die ofwel uitsluitend berusten bij de persoonlijkheid,
zich enkel situeren binnen de privésfeer dan wel zich per definitie alleen
maar zouden voordoen op werkvlak.
In België zijn relatief weinig recente gegevens voorhanden omtrent de problematiek
van suïcide in het algemeen. De cijfers dateren in Vlaanderen van 2004 en
in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffen ze de periode 1998-2000. De
laatste nationale telling door het Nationaal Instituut voor de Statistiek
(NIS) gebeurde in 1997. Uit de bestaande gegevens leiden we af dat de suïcideratio
bij de Belgische populatie ongeveer 25 per 100.000 inwoners bedraagt,
waarbij de ratio van de mannelijke populatie wellicht 30 overstijgt. De suïcideratio
van de Belgische politie vertegenwoordigt in dat opzicht bijna het dubbele,
al moeten we daar, door het gebrek aan vergelijkbare data, toch een aantal
vraagtekens bij plaatsen.
Hoewel er voortdurend en publiekelijk heel wat vragen rijzen met betrekking
tot politiesuïcide in ons land, is de hamvraag van dit onderzoek niet zozeer
wat de oorzaken zijn, maar eerder of er specifieke aspecten of mechanismen
bestaan die ervoor zorgen dat dit fenomeen binnen het politiesysteem constant
en markant in beeld blijft en die er terzelfder tijd voor zorgen dat een aantal
begeleidende maatregelen en processen onvoldoende preventief effect kunnen
sorteren.
Huidig onderzoek naar suïcide omvat enerzijds een fenomeenstudie over suïcide bij de politie en anderzijds een casestudy van 100 politiesuïcides die zich de afgelopen 6 jaar hebben voorgedaan. De complementariteit van de aanpak, georiënteerd vanuit het sociaal-wetenschappelijk onderzoek, laat toe een aantal determinanten nauwkeuriger te omschrijven naar aard, werking en naar hun effect binnen de specifieke context van de politie. Hierbij werd uitgegaan van de wederzijdse relatie individu – systeem, namelijk de politieambtenaar binnen de sociale omgeving. Dit heeft automatisch als gevolg dat de resultaten van dit onderzoek niet uitsluitend worden bekeken vanuit de persoonlijkheid of psyche an sich maar ook vanuit de omgeving van betrokkene.
Wanneer we het fenomeen van politiesuïcide beschouwen, zien we dat er in een periode van 6 jaar (2001-2006) 111 suïcides plaatsvonden met personen die op dat ogenblik allen werkzaam waren bij de Belgische politie. Het Vast Comité P kreeg ook melding van 38 pogingen tot suïcide in de jaren 2003 tot en met 2005. Wat op het eerste gezicht op een jaarlijkse verhoging van het aantal suïcides zou kunnen wijzen, wordt door de opvolging en de evolutie van suïcide over de jaren heen weerlegd. Het jaarlijkse aantal suïcides vertoont op zich, over meer dan 15 jaar opvolging, geen enkele regelmaat en de cijfers geven zowel piek‑ als dalmomenten aan.
Tabel 6 : Een overzicht van 15 jaar suïcide bij de politie

We zien deze piekmomenten zowel verschijnen in het begin als op het einde van de jaren negentig, maar evengoed na de eeuwwisseling. Politiesuïcide wordt door de belangengroepen en in de media nogal vlug in verband gebracht met de hervormingen op de politiewerkvloer. De piekjaren in de suïcidecijfers, namelijk 25 en 23 suïcides, zijn respectievelijk 1995 en 1999; in feite jaren die zich ruim voor dergelijke hervormingen situeren. De daljaren met 8 en 11 suïcides komen enerzijds voor in 1991 en anderzijds in 1990 en 2002; jaren die zich kort bij deze structurele veranderingen op het werk situeren. Op momenten dat het jaarlijkse aantal suïcides zich ten opzichte van de andere jaren zou kunnen stabiliseren, zien we in de jaren 90 net op die momenten een verlaging of verhoging in de cijfers van de vroegere gemeentepolitie of ex-rijkswacht of de aanwezigheid van suïcide(s) bij de toenmalige gerechtelijke politie bij de parketten. Na de eeuwwisseling gebeurt net hetzelfde wanneer plots ook een aantal suïcides van aspiranten en personeelsleden van het administratief en logistiek kader de cijfers de hoogte induwt, omdat dergelijke suïcides voorheen niet werden gemeld. Het totaalbeeld blijft in elk geval een gemiddeld suïcidecijfer van 19 per jaar.
In tegenstelling tot de vastgestelde onregelmatigheid in het aantal suïcides per jaar, zien we dat politiesuïcide zich naar vorm op eenzelfde manier verhoudt als suïcide in het algemeen. Een aantal onderzochte parameters toont dat aan: (1) politiesuïcide komt net als suïcide meer of minder voor in bepaalde periodes van het jaar, nl. net voor de zomer – met een piek in de maanden april tot juni – en net voor de winter in de maanden oktober en november; (2) de regionale en/of culturele verschillen die vastgesteld worden naar aanleiding van suïcides in België zijn eveneens vergelijkbaar wat politiesuïcide betreft. Het zijn de Waalse provincies Luik, Namen en Henegouwen die de hoogste cijfers in politiesuïcide vertonen, terwijl de laagste, net als bij suïcide in het algemeen, teruggevonden worden in Limburg, Antwerpen en Brabant. Oost-Vlaanderen springt er uit door het hogere aandeel van politiesuïcide; (3) politiesuïcide bevestigt, hoewel er zich een gebrek in vertegenwoordiging van alle leeftijdscategorieën en een vergelijkbare verdeling van de geslachten voordoet, eenzelfde globaal beeld over de jaren heen van een belangrijke groep boven de 45 jaar en een bijzonder jonge groep onder de 30 jaar.
Daarnaast, maar zeker zo fel in contrast met de onregelmatigheid in de suïcidecijfers, zijn de geregeld terugkerende typische kenmerken die politiesuïcide wel van suïcide onderscheiden. Het vuurwapen, meer specifiek het dienstwapen, is jaar na jaar het meest gebruikte middel bij politiesuïcide. Op de tweede plaats komt de ophanging. Bij suïcide daarentegen is verhanging de meest gebruikte wijze en vormt het aanwenden van een vuurwapen pas het derde meest gebruikte middel. Wellicht niet specifiek, doch wel in hoge mate, komt regelmatig het fenomeen van imitatie bij politiesuïcide voor. Dit fenomeen doet zich in elk geval, behalve in 2002, minimum 2 à 3 keer per jaar voor. Suïcide bij de politie wordt binnen de media echter frequenter en uitgebreider behandeld dan suïcide in het algemeen.
Wanneer we politiesuïcide specifieker bekijken, zien we – naast
het gebruik van het vuurwapen, het betrekken van de politiecontext bij de
daad of het fenomeen van imitatie, alle min of meer typische aspecten die
we met de regelmaat van de klok zien terugkomen – één aspect dezelfde onregelmatigheid
vertonen als de cijfers zelf, namelijk het al dan niet meer of minder vertegenwoordigd
zijn van de uiterste leeftijdsgroepen in de suïcidecijfers. Volgens de casestudy
verhoudt de leeftijd zich op een bepaalde manier bijna evenredig tot de felle
schommelingen binnen de cijfers zelf. Het meest frappante voorbeeld hiervan
vinden we vlak na de eeuwwisseling terug, waarbij in 2001 uitsluitend de oudere,
bijna pensioengerechtigde politieambtenaar voorkomt, terwijl 2002 met verstomming
doet slaan door exact het tegengestelde beeld van uitsluitend heel jonge politiemensen
die suïcide plegen; een beeld dat op zijn minst vragen doet rijzen want de
maximale anciënniteit in de politie bedraagt op dat moment amper 7 jaar.
We zien dus dat de piekjaren van suïcide een doorsnede van alle leeftijdscategorieën
omvatten en dat de daljaren vooral gekenmerkt worden door het ontbreken van
net die oudste, dan wel de jongste categorieën in de cijfers.
Wanneer signalen van burn-out worden vastgesteld, dan lijkt dit gegeven bij oudere politieambtenaren – de ‘anciens’ – eerder voort te vloeien uit de specifieke veranderingen en weerstanden die meer de extrinsieke motivatie van het werk betreffen. Het gaat in dit geval veel vaker om het verlies aan erkenning en status wanneer deze politieambtenaar in het zicht van zijn pensioen nog wordt overgeplaatst, het verlies van de jarenlang opgebouwde autonomie in het werk en het verlies van werkzekerheid en economische stabiliteit bij een gedwongen pensioen. Bij de jongere politieambtenaar daarentegen zijn symptomen van burn-out veel minder of soms totaal niet zichtbaar op de werkvloer. Dit komt omdat die jonge persoon er eerder onzichtbaar voor zijn werkomgeving aan lijdt, terwijl hij binnen dezelfde omgeving als bijzonder actief en optimistisch overkomt en als motor van de dienst functioneert. Burn-out lijkt in dit geval frequenter te maken te hebben met de intrinsieke motivatie van het werk, zoals het gebrek aan betrokkenheid of aan ontplooiingsmogelijkheden.
Opvallend komt bij dit verschil in uiterste leeftijden ook
de vraag naar voor of de politie bepaalde politiepersoonlijkheden eerder aantrekt
bij haar rekrutering en selectie en/of deze vormt door de specifieke cultuur
en de socialisatie van nieuwe leden. Iets frequenter bij de politieambtenaar
van jonge of middelbare leeftijd zien we een aantal gelijkaardige kenmerken
en gedragingen verschijnen. Ze lijken zich meer dan de
oudere politieambtenaar te onderscheiden door hun voorliefde voor actie,
het aanvragen van speciale diensten, het beoefenen van specifieke (individuele)
sporten, het beoefenen van self defense en schieten, ook binnen de
privé-omgeving, en het volgen van zo veel mogelijk opleidingen, in het bijzonder
van geweldsbeheersing binnen de politieomgeving. Op sommige momenten neigt
de bijzondere aandacht zelfs naar narcisme.
Een tweede groep die we binnen de casestudy geregeld zien terugkomen, waarbij
de oudere politieambtenaar dan weer iets meer vertegenwoordigd lijkt, vertoont
een aantal andere specifieke gedragskenmerken. Enerzijds gaat het hier om
een hoge mate van introversie, het totaal anoniem en geïsoleerd opgaan in
de dienst, het zoeken naar autonomie en afzondering bij de uitvoering van
het werk, enz. Daarnaast zien we bij de ‘ancien’ eerder de terugkerende beschrijving
van de consequente en vastberaden politieambtenaar. Het verschil in leeftijd, de jongere politieambtenaar tegenover de oudere,
komt op die manier opnieuw naar voor in de gedragingen en de wijze waarop
de persoon suïcide pleegt. Het gaat hierbij dus niet zozeer om het middel
dat men aanwendt, maar wel om de intentie of motivatie om suïcide te plegen.
De oudere politieambtenaar neemt volgens dit onderzoek ook vaker op een anonieme
manier afscheid door geschenken of persoonlijke zaken af te geven, geleend
materiaal terug te bezorgen of nog vlug een bezoek te brengen aan naasten,
aan de dokter of aan collega’s. Een dergelijk signaal is vooraf weinig of
niet herkenbaar. Het onderscheid tussen de jongere versus de oudere
politieambtenaar blijkt nog uit tal van andere aspecten zoals het al of niet
hebben van een geschiedenis van absenteïsme, het al of niet werken op de dag
van de suïcide zelf, het aantal mobiliteitsaanvragen, enz.
De casestudy van 100 politiesuïcides laat toe een aantal determinanten uitvoeriger te belichten vanuit de relatie van de politieambtenaar tot het systeem waartoe hij behoort, waarin hij leeft en na te gaan hoe hij functioneert binnen de sociale omgeving. Dit onderzoek toont aan dat politiemensen in België hun volledige actieve arbeidsloopbaan bij de politie presteren. Dit betekent dat het merendeel van de ambtenaren die suïcide plegen minstens 13 jaar en vaak zelfs 23 à 30 jaar bij de politie in dienst zijn, terwijl een tweede groep op het ogenblik van de suïcide amper een handvol dienstjaren heeft vervuld. Jaarlijks worden gemiddeld 120 politieambtenaren verplicht om de politie te verlaten op een niet-pensioengerechtigde leeftijd. Aan de basis hiervan ligt de overtreding van een norm. Het gaat hetzij om een tuchtvergrijp, hetzij om de vaststelling van fysieke ongeschiktheid of de uitputting van het ziektecontingent. Deze laatste reden tot gedwongen vertrek is vanaf 2003 enorm toegenomen ten nadele van het vrijwillige pensioen en overschrijdt ook ruimschoots het vrijwillige vertrek van politieambtenaren voor de pensioengerechtigde leeftijd. In de afgelopen 6 jaar stierven in totaal 522 politieambtenaren. Confronterend is dat ongeveer 1 op 5 sterft door suïcide. Eén op 12 sterfgevallen wordt officieel toegeschreven aan een ongeval, al of niet in of door de dienst.
Sinds de hervorming zijn minstens 9000 nieuwe politiemensen aangeworven op 40.000, die onder andere de meer dan 4000 meer ervaren politieambtenaren – veelal voor de uiterste pensioendatum vertrokken of overleden – hebben vervangen. Dit betekent niet alleen dat deze dubbele beweging gepaard gaat met een gestage verjonging van het politiepersoneel, maar dat ze vooral ook een enorm en vroegtijdig verlies aan kennis en kunde inhoudt. Bovendien stellen we in dit onderzoek vast dat de politieambtenaren, buiten het geval van integriteitsschennis en tuchtinbreuken, die zich de politierol onvoldoende eigen maken hetzij omdat de werkomgeving hen duidelijk maakt dat ze onbekwaam zijn, hetzij omdat ze zelf inzien dat ze niet de juiste keuze maakten bij aanvang, evengoed hun ganse loopbaan bij de politie blijven.
Politiesuïcide blijkt het resultaat te zijn van een min of meer langdurig proces en is ook volgens deze studie zelden het gevolg van een plotse opwelling. Toch blijkt binnen de politie totaal geen ‘formele’ kennis aanwezig over de mate van voorkomen van suïcidaliteit, van dreigingen en effectieve pogingen. Nochtans gaat aan minstens 1 op 3 politiesuïcides een effectieve dreiging of poging vooraf.
Bij 30 % van de politieambtenaren die suïcide pleegden, omschrijft men signalen in de aanloop naar de suïcide als “uitgeblust, uitermate stil, afwezig en gelaten”, in 20 % van de gevallen als “enorm prikkelbaar, opvliegend en soms heel agressief” en in 15 % ten slotte als “te optimistisch en enorm actief”. In minstens de helft van de gevallen bereidt de politieambtenaar deze daad voor, schrijft hij een afscheidsbrief of praat hij uitgebreid, ook op de werkvloer, over zijn intentie. Telkens wijzen deze signalen op een persoon die voor zijn omgeving totaal niet meer herkenbaar is als de persoon die hij ervoor was. Meer dan 1 op 5 politieambtenaren blijkt langdurig uit het zicht van de vertrouwde werkomgeving te zijn door langdurig absenteïsme of door overplaatsing, waardoor men totaal geen zicht meer heeft op de persoon en signalen binnen de werkomgeving onopgemerkt blijven. Dit onderzoek toont immers telkens opnieuw een persoon, slachtoffer van fel emotioneel belastende gebeurtenissen, conflicten en/of definitieve beslissingen, die zijn functioneren danig beïnvloeden en die daardoor zichtbaar treurt of uitermate ontevreden is.
De persoonlijkheid en ook de bijzondere gedragingen van de politieambtenaar vallen in het bijzonder op door regelmatig voorkomende gelijkende patronen en aspecten. Enorme introversie en isolatie, ook op het werk, komt bij minstens 1 op 3 personen voor en vooral de beschrijving van de politieambtenaar met de twee gezichten – extravert, energiek en optimistisch binnen het werkmilieu en eerder pessimistisch, angstig en vooral twijfelend erbuiten – komt regelmatig in die extreme vorm voor binnen de omschrijvingen. Al deze politiemensen scheiden op een of andere manier hun werk totaal van hun privéwereld.
Een opvallende vaststelling is dat enerzijds een groot deel van de betrokken politiemensen een paar uur voordat ze overgaan tot de daad, hun dienst zoals altijd vervullen, alsof er totaal niets aan de hand is. Noch het gedrag noch de communicatie laten iets uitschijnen van wat ze een paar uur later van plan zijn. Het gaat hier vooral over de groep van politieambtenaren die op het voorplan staan, ogenschijnlijk bijzonder positief door het leven stappen en hun werkomgeving met verstomming slaan door een paar uur later, na afloop van de werkdag, suïcide te plegen. In schril contrast daarmee staat de grote groep van politiemensen die langdurig afwezig is wegens ziekteverlof of wegens non-activiteit op vraag of die afwezig is ten gevolge van een maatregel. Een aantal van hen was al meer dan een jaar niet meer op de werkplek geweest en zou het werk niet meer hervatten. Tweede opvallende vaststelling is dat het niet altijd noodzakelijk om mensen gaat die hun definitieve pensioendatum afwachten, maar dat ook veel jonge politieambtenaren onder de 30 jaar langdurig afwezig blijven. Ze komen echter opvallend in de politiesuïcidecijfers voor en vaak net op het moment dat ze na een lange evolutie en cumulatie van problemen opeens worden geconfronteerd met het onvermijdelijke, namelijk ontslag of oppensioenstelling. Deze ‘verwijdering’ uit het politiesysteem gebeurt bijgevolg pas op het ogenblik dat de persoon duidelijk een bepaalde norm overschrijdt, zoals het plegen van een gerechtelijke of vanuit deontologisch oogpunt zware inbreuk, het overschrijden van het maximale aantal ziektedagen of het ongewettigd afwezig zijn. Het is een opmerkelijke vaststelling dat het hier minstens om een derde van al die suïcides gaat.
In het jaarlijkse aantal suïcides zien we duidelijk de aanwezigheid van politiemensen die al verschillende jaren niet meer op de dienstplanning voorkomen, al jaren compleet autonoom en in de anonimiteit functioneren en/of totaal disfunctioneren omdat ze nog amper aanwezig zijn op de dienst. We zien extreem lange en regelmatig terugkerende afwezigheden, soms extreme alcoholproblemen, sociale isolatie, ontregeling, enz. Een aantal van hen heeft duidelijk een langdurige medische geschiedenis met veel absenteïsme of met een langdurige opname in een psychiatrische instelling, anderen hebben zelf langdurig verlof gevraagd om hun werkoriëntering te verleggen of werden verplicht op non-activiteit gezet ingevolge tuchtmaatregelen.
Er is binnen de politie een enorme miskenning van de aanwezigheid
van stress, frustratie, ontevredenheid, vooral van burn-out en zelfs van het
compleet disfunctioneren binnen de politie, wat tot uiting komt in het bestaan
van absenteïsme, gerelateerde ziektebeelden en langdurig alcoholisme. Uit
dit onderzoek blijkt dat een aantal politieambtenaren in de laatste periode
voor de suïcide duidelijke tekenen van stress en van burn-out vertoont.
Burn-out gaat ook hier telkens om een ‘rolconflict’ van een politieambtenaar
die niet kan voldoen aan (hogere) verwachtingen, een ‘rolonduidelijkheid’
bij de politieambtenaar die uit zijn vertrouwde werkomgeving wordt gehaald
en in een ‘onnuttige’ dienst wordt geplaatst of die gedwongen wordt in de
nabije toekomst te vertrekken of over een ‘roloverdaad’ bij de bijzonder actieve
en gedreven politiemensen die constant en op een perfectionistische manier
op de voorgrond willen staan.
Ofschoon er onder collega’s bitter weinig gepraat wordt over alcoholisme en depressie, merken we bij deze groep duidelijk dat ongeveer 40 % een verhaal van absenteïsme over de laatste 5 jaar laat optekenen. Een deel van deze mensen komt opnieuw werken na langdurige afwezigheid of opname in een centrum en het lijkt, vooral voor hun werkomgeving, beter met hen te gaan. Ze verbazen echter Jan en alleman binnen de politieorganisatie door zich net in die schijnbaar betere periode, waarin ze terug operationeel zijn en opnieuw bezit hebben genomen van hun dienstwapen, van het leven te beroven. Bovendien blijkt meer dan een derde van de betrokken politieambtenaren al jaren te worstelen met een alcoholprobleem of met overdreven medicijngebruik. Het probleem van verslaving bleek al eerder in dezelfde mate uit het exploratief onderzoek van het Comité P uit 1998. Dit probleem wordt, ongeacht de oorzaak of het effect van de sociale problematiek en van suïcide, in beide onderzoeken van het Comité P bevestigd en dient samen met het probleem van burn-out daadwerkelijk aangepakt te worden, wil men het suïciderisico effectief doen dalen.
Het politiesysteem is zich ook totaal niet bewust van het bestaan
van een extreme mate van sociale isolatie bij zijn leden, een factor die door
menig onderzoeker als voorname oorzaak van suïcide werd aangeduid. Ongeveer
40 % van de betrokken politieambtenaren ontbeert een solide thuisbasis
waar ze in geval van nood kunnen op terugvallen. Dit komt enerzijds door conflicten
en anderzijds door overlijden. Opvallend is dat 2 op 10 politieambtenaren
uit het onderzoek in de afgelopen 3 jaar minstens één ouder heeft verloren.
In totaal gaat het zelfs over een derde van al deze politieambtenaren die
minstens één van hun ouders ontberen door overlijden. Daarnaast blijken ook
diepgaande problemen met eigen kinderen, waarvan een aantal zwaar gehandicapt
en één overleden. Het verdriet hierom is vaak in het bijzonder opgevallen
door de collega’s, hetzij omdat de persoon herhaaldelijk aangeeft niet over
dit verlies heen te kunnen, hetzij omdat men sindsdien een serieuze gedragswijziging
vaststelt. Sommige politieambtenaren vindt men al treurend op het kerkhof,
een aantal pleegt er suïcide en anderen grijpen zich naar het leven in de
eerste week van november. Even opvallend, doch niet onderling in relatie tot
elkaar, blijken minstens 1 op 4 politieambtenaren enig kind te zijn en
een aantal anderen totaal geen contacten met de eigen familie te onderhouden.
Minstens 6 politieambtenaren hebben in die mate
ernstige tuchtvergrijpen gepleegd dat er automatisch ontslag op volgt. Zij
bevinden zich al in non-activiteit. Daarnaast zijn er 9 anderen die hun job
als politieambtenaar dreigen te verliezen, omdat ook zij vrezen voor zware
tuchtmaatregelen na de vaststelling van valsheden, diefstallen, corruptie
of het mogelijk onderhouden van criminele banden.
Figuur 1 : Middelen waarmee suïcide wordt gepleegd
Uit dit onderzoek blijkt dat bij het gebruik van het dienstwapen enorm voorbehoud dient te worden gemaakt. Bovenstaande tabel toont een verontrustend patroon van handelen aan. Er moet een groot onderscheid worden gemaakt tussen het effectief beschikken over het dienstwapen op het moment van de daad en, zoals meestal het geval is, dit nog speciaal gaan ophalen of trachten te bemachtigen via list. 71 % van alle suïcides grijpt plaats met een vuurwapen, waarvan 60 % met een dienstwapen. Van 30 politieambtenaren die vooraf in het bezit waren van hun wapen en dit ook aanwendden bij de daad, zijn er 9 die er automatisch over beschikken (uniformdracht, specifieke functie of hogere graad), zijn er 11 die het zonder medeweten na afloop van de dienst meenemen en zijn er 10 die net voor de daad hun wapen, dat eerder ingetrokken was, terugvragen en ook krijgen omdat ze ogenschijnlijk beter zijn. In de helft van deze gevallen is ofwel de hiërarchie ofwel de interne hulpverlening niet van deze teruggave op de hoogte. Van de 36 politieambtenaren die hun dienstwapen specifiek ophalen of er één via list verkrijgen, zijn er 15 die dit halen op een ogenblik dat ze niet met dienst zijn, zijn er 9 die een list aanwenden en 12 die het aanwenden op de werkplaats. In totaal gebruikte 40 % van de betrokkenen geen dienstwapen omdat er 11 niet over beschikken als lid van het administratief en logistiek kader, als aspirant of als agent of omdat het ingetrokken is. Van 9 anderen weten we niet of zij beschikking kunnen hebben over hun dienstwapen, ze grijpen in elk geval terug naar een ander suïcidemiddel. Deze mensen maken echter net door langdurig absenteïsme geen deel meer uit van hun dienst en kunnen dus vaak ook helemaal niet over hun dienstwapen beschikken. Ten slotte gebruiken 13 politieambtenaren een eigen vuurwapen. De situaties waarin de politieambtenaar zijn dienstwapen kan aanwenden, zijn dus ongeacht de nieuwe regelgeving totaal niet beheersbaar. Het gros van deze politiemensen is immers operationeel, heeft te allen tijde toegang tot de politielokalen, kan zijn dienstwapen ophalen, een list gebruiken of het juiste ogenblik afwachten of ten slotte het wapen op de dienst zelf aanwenden. Maatregelen uitvaardigen die de toegang tot het dienstwapen beperken, kunnen daardoor helemaal niet werken omdat ze geen rekening kunnen houden met de tijd en ruimte waarin dit complex proces stilaan groeit en escaleert. Er is immers veel te weinig zicht op de signalen en zelfs op de dreigingen en de pogingen.
Er werden verscheidene initiatieven genomen om dit fenomeen te trachten in te dijken. Zowel bij de federale politie als in de lokale politiezones werden algemene beleidsmaatregelen genomen zoals de aanwerving van psychologen, de aanduiding van vertrouwenspersonen, de oprichting van praatgroepen of de creatie van een stressteam en een medische dienst. In heel wat politiekorpsen en ‑diensten werden bovendien inspanningen geleverd om onder meer het wapenbeheer te verbeteren. Wanhopige politieambtenaren gebruiken immers doorgaans hun dienstwapen om zich van het leven te beroven. Bijgevolg werden er richtlijnen uitgevaardigd om het bezit van het dienstwapen te beperken tot de duur van de prestaties en kan het dienstwapen tijdelijk worden ingetrokken door de korpschef of het diensthoofd. De Directie van de interne dienst voor preventie en bescherming op het werk (DSW) heeft actieplannen “welzijn” [75] ontwikkeld met het oog op de uitwerking van een systeem om het welzijn te meten aan de hand van checklists. De federale politie verspreidt ook folders die uitleggen welke actiemiddelen kunnen worden ingezet tegen geweld en ongewenst seksueel gedrag of pesterijen op het werk [76] , namelijk een beroep doen op vertrouwenspersonen en op preventieadviseurs.
Politiesuïcide kent echter het grote nadeel van systeemblindheid. Het politiesysteem is zich totaal niet bewust van de aanwezigheid en bestendigheid van bestaande of gecreëerde mechanismen die, wellicht naast een aantal aanwezige factoren bij de persoon en zijn omgeving, een determinerende rol spelen in het (blijvend) bestaan van een zo hoge mate van politiesuïcide. De vraag is dan ook hoe men dergelijke zorgsystemen kan doen werken, wanneer men elk sociaal probleem verborgen houdt, signalen niet meldt, de werkvloer ervan uitgaat dat de melding de aanzet is tot nog meer problemen, controles, veranderingen in taak, verlies van autonomie en elk probleem pas daadwerkelijk aangepakt wordt op het ogenblik dat de politieambtenaar de norm overschrijdt.
Dit onderzoek toont aan dat de aandacht zich daadwerkelijk moet richten op de bevordering van het ‘welzijn’ van het politiepersoneel alsook op het toezicht en de begeleiding van de politieloopbaan en gerelateerd moet worden aan de werkmotivatie. Dit kan enkel door het installeren van een humanresourcesmanagement (HRM), ondersteund door een actief aanwezig welzijnsplatform.
De aandacht moet in elk geval opeenvolgend en doorheen de aanwerving, de opleiding en vooral ook bij het personeelsbeheer gericht zijn op:
(1) het onderkennen van extreme idealisering van bepaalde gespecialiseerde politiefuncties. Veel kandidaten laten zich beïnvloeden door politiefilms en vaak hebben ze een verkeerd beeld van de loopbaan of menen ze makkelijk te kunnen doorstoten naar gespecialiseerde functies. Hun ontgoocheling kan dan erg groot zijn en leiden tot desillusie [77] ;
(2) het vermijden van gedragingen die neigen naar extreme introversie, afzondering, individualiteit en autonomie in het handelen;
(3) het toezicht op en de begeleiding van extreme vormen van actiegerichtheid bij jonge politiemensen, van hen die per se “de criminelen” willen “pakken”, wat zich onder andere uit (ook buiten de politie) in een uitgesproken voorliefde voor actie, fictie, gevechtssporten, vuurwapens, schieten en het volgen van (alle) mogelijke cursussen van geweldsbeheersing en gevechtssporten intern en extern de politie;
(4) alvorens met de opleiding te starten, zou de leiding van de politiescholen een informatiesessie moeten organiseren waarop niet alleen de kandidaten worden uitgenodigd maar ook hun familieleden. De voordelen van een baan bij de politie moeten hen worden uitgelegd, maar er moet hen ook worden gewezen op de risico’s van het vak, zowel de fysieke als de psychologische. Het is nodig dat zowel de kandidaat als zijn naasten weten welke moeilijkheden de uitoefening van dit beroep kan inhouden.
(1) Het is essentieel de toekomstige politieambtenaren bewust te maken van de stressproblemen waarmee ze te maken kunnen krijgen en waarop ze adequaat zullen moeten reageren. Tijdens de opleiding (zowel de basisopleiding als de voortgezette opleiding) moet men er niet voor terugdeinzen hen nogmaals te wijzen op de symptomen van burn-out en van een depressie opdat elkeen ze bij zijn collega’s of medewerkers zou kunnen herkennen en tijdig de nodige maatregelen kan nemen;
(2) het beleid dient op alle niveaus actief gericht te worden op de detectie en preventie van stress, burn-out en alcoholisme. Hiervoor is een daadwerkelijk beleid noodzakelijk in een vroeg stadium. De politieambtenaar dient van bij zijn inlijving bewust te worden gemaakt van de eigenschappen, van de gevolgen en vooral van de aanwezige oplossingen. De indicatoren van een burn-out moeten worden afgewogen in functie van de individuele politieambtenaar, zijn leeftijd en anciënniteit en vooral van zijn werkmotivatie;
(3) bij het sensibiliseren alsook in de opleidingen moet men, naast de algemene kennis rond stress en burn-out en de preventie van alcoholisme, voornamelijk werken rond beroepsspecifieke factoren en situaties, de werkmotivatie alsook rond specifieke gedragingen en ervaringen van politiemensen.
(1) Het inschrijven van een HRM-beleid, afgestemd op een goede loopbaanbegeleiding, de mobiliteit, het overwegen van een eventuele outplacement en vooral de begeleiding van de pensioengerechtigde leeftijd vanaf het bereiken van 50 jaar is primordiaal. Politiemensen moeten doorheen hun loopbaan ‘overkoepelend’ opgevolgd en begeleid worden bij hun opleidingen, hun aanvragen en de al dan niet toekenning van diensten en vooral ook bij de confrontatie met persoonlijke of privéproblemen die al dan niet tijdelijk een grote invloed uitoefenen op de uitoefening van de dienst;
(2) de actieve deelname van het welzijnsplatform waarbij een bijzondere taak is weggelegd voor de arbeidsgeneeskundige dienst en de psychosociale medewerkers. Politiemensen moeten er zelf in alle vertrouwen terechtkunnen in het geval dat ze kampen met psychosociale problemen en zelf dient deze dienst de opvolging te verzekeren van politiemensen in hun loopbaan door actief tussen te komen bij dreigend absenteïsme en langdurig disfunctioneren op de werkvloer. Een proactieve werking van het welzijnsplatform en HRM is hierbij onmiskenbaar;
(3) het contact met de arbeidsgeneesheer gebeurt in principe jaarlijks. Hierbij dient automatisch gepeild naar de mate van stress en het welzijn, naar eventuele traumatische ervaringen en naar de mate van (on)tevredenheid. In het geval van een dreigend herhaald absenteïsme of burn-outs dient het contact met de politieambtenaar actief versterkt te worden. Dit betekent niet enkel de start voor een nauwere begeleiding vanuit het welzijnsplatform, ook de samenwerking met HRM naar de eventuele verdere loopbaanplanning op korte en lange termijn in samenspraak met de betrokkene is noodzakelijk;
(4) de informatieverstrekking aan en de begeleiding van de chefs in hun taak. De ploegoverste moet zijn personeelsleden observeren en hun persoonlijkheid kennen. Hij staat dagelijks in contact met hen, geeft hen opdrachten, houdt briefings en debriefings, gaat met hen eten, neemt deel aan hun vrijetijdsactiviteiten, enz. Hij is dus door zijn positie de geknipte persoon om een gedragswijziging op te merken en maatregelen te nemen om te voorzien in psychologische begeleiding. Bij herhaald absenteïsme en psychosociale problemen is hij de aangewezen persoon om contacten te verzekeren, de persoon te ontraden integriteitsinbreuken te plegen en hierbij ook het welzijnsplatform in te schakelen. Het contact met de persoon in zijn privé-omgeving kan de detectie en kennis van problematische situaties, dreigingen met en pogingen tot suïcide drastisch verbeteren.
(1) Er dringt zich, naast de algemene regeling betreffende het wapenbeheer, een specifieke regeling op die het wapenbeheer intern de dienst regelt, afhankelijk van de dienstnoodwendigheden, de infrastructuur en de eigen situatie en verantwoordelijkheden. Niet enkel dient in elke dienst het bezit van eigen vuurwapen(s) bekend te zijn, ook het daadwerkelijke bezit van het dienstwapen moet, buiten en na afloop van de diensttijd, minstens gekend zijn bij de verantwoordelijke die de toelating verstrekt en de wachtofficier die verantwoordelijk is voor het wapenbeheer;
(2) wanneer er een medisch of psychologisch probleem opduikt, moet het diensthoofd pas na rijp beraad beslissen over de intrekking van het dienstwapen. Voor een Belgische politieambtenaar is het dienstwapen immers het symbool van zijn functie. Hem dat wapen ontnemen, kan gelijkstaan met een afbrokkeling van zijn waardestelsel, temeer daar hij zonder wapen kan vrezen dat hij niet meer zal worden ingezet in dezelfde functie, waardoor zijn loopbaan gebroken kan zijn, wat zijn schuldgevoel nog kan vergroten. De beslissing tot intrekking van het dienstwapen moet altijd en onmiddellijk gepaard gaan met een psychologische begeleiding. Wanneer dergelijke beslissing wordt genomen, mag men zich bovendien niet beperken tot de intrekking van het dienstwapen, maar moet men ernaar streven dat betrokkene ook al zijn andere persoonlijke vuurwapens overhandigt.
(1) Wanneer een politieambtenaar zich van het leven berooft, is de melding van dit overlijden een pijnlijke zaak die niettemin zo snel mogelijk en met de nodige tact en psychologisch inzicht moet gebeuren. Uit dit onderzoek blijkt dat het vaststellen van een suïcide van een collega enorm choqueert en diepe sporen nalaat bij de omgeving. Veelal gaan dergelijke vaststellingen gepaard met de overbodige aanwezigheid van chefs en van vele collega’s. Niet enkel is de aard en de vorm van de berichtgeving over en rond een dergelijke suïcide van essentieel belang met het oog op de latere verwerking, eveneens op de werkvloer, ze is vooral cruciaal voor het fenomeen van imitatie. Een te grote discretie is dan wellicht het minst schadelijk;
(2) de vaststellingen van een suïcide laten verrichten door collega’s van de eigen dienst is uitgesloten. De keuze van wie deze vaststellingen voor zijn rekening neemt, kan niet berusten op een toevallige keuze. Indien de beschikbare personeelsleden niet het profiel hebben om die taak tot een goed einde te brengen, moet er een beroep worden gedaan op een geschikte politieambtenaar. Hierbij is een cruciale taak weggelegd voor de rechtstreekse chef. Hij dient niet enkel toe te zien op wie de vaststellingen doet, hij moet eveneens zorgen voor het beheer van de aanwezige collega’s en hulpverleners op de plaats van het onheil, alsook voor het beheer van de informatie en het beheer van de nazorg door het welzijnsplatform op de dienst;
(3) vooral de verantwoordelijken zijn bijzonder geschikt om telkens na een politiesuïcide ‘de’ mogelijke oorzaak aan te duiden. Dit onderzoek toont aan dat er telkens een veelheid van aspecten, ook werkgerelateerde, in de achtergrond een rol speelt. Het is onzinnig de dienst achteraf te confronteren met vragen, met stressenquêtes of met diepgaande onderzoeken. Een burn-out is bijvoorbeeld vaak aanwezig gebleken, doch gaat telkens gepaard met het ‘individueel’ onvermogen van de betrokken politieambtenaar om met bepaalde situaties om te gaan waarbij de brede werkcontext en vooral de intrinsieke en extrinsieke motivatie een grote rol spelen. Een burn-out is dus niet noodzakelijk het gevolg van ‘het’ werk of van ‘de werkdruk’ en is niet noodzakelijk aanwezig bij andere collega’s op de dienst;
(4) de familieleden zijn niet de enigen die helemaal van slag zijn door een dergelijk drama, de collega’s van de overledene moeten ook psychologisch worden bijgestaan indien ze dat wensen. Enerzijds is een correcte berichtgeving intern de dienst van cruciaal belang. Het is uit den boze hierbij veronderstellingen te maken en kritiek te uiten op de betreurde collega. De berichtgeving, zowel intern als extern de dienst, dient zich vooral te onthouden van elke informatie die aanleiding kan geven tot de idealisering van de persoon en zijn daad. Anderzijds dient in de volgende periode van minstens één jaar in het bijzonder gelet te worden op signalen, gedragingen en uitingen van teamgenoten van de dienst waartoe de betrokkene behoorde. Hier is een bijzondere taak weggelegd voor het welzijnsplatform.
In zijn activiteitenverslag 2004 [79]
besteedde het Comité P aandacht aan twee facetten van dit onderzoek,
meer bepaald de analyse van de opgevraagde richtlijnen officier bestuurlijke
politie (OBP) [80]
en de analyse van de protocollen [81]
op het gebied van interzonale samenwerking opgesteld in het kader van
de diverse wettelijke bevoegdheden toegekend aan de officier van bestuurlijke
politie.
Deze richtlijnen evenals de samenwerkingsverbanden werden geanalyseerd en
getoetst aan de in de wet van 5 augustus 1992 op het politieambt
(WPA) vastgelegde bevoegdheden van de OBP.
Medio 2006 gaf het Comité P aan zijn Dienst Enquêtes de opdracht te voorzien
in een onderzoek met als bedoeling een status quaestionis op te maken
van de toestand betreffende de richtlijnen voor officieren van bestuurlijke
politie.
Het Comité P heeft een schrijven gericht aan alle korpschefs wier richtlijnen OBP en/of samenwerkingsprotocollen in 2004, naar aanleiding van het eerste onderzoek, werden geanalyseerd. De respondenten werden bevraagd over de mate waarin de resultaten van het onderzoek OBP, opgenomen in het activiteitenverslag 2004 van het Comité P, door hen werden aangewend om de bestaande richtlijnen en/of protocollen te optimaliseren of om terzake richtlijnen of samenwerkingsverbanden op te stellen.
Er werden 73 brieven verstuurd en we hebben 51 antwoorden
ontvangen, wat overeenkomt met een respons van 70 %.
Zevenendertig korpschefs, zijnde 72,5 % van de respondenten, antwoordden
rechtstreeks op de vraag en gaven bijgevolg aan ofwel daadwerkelijk de bestaande
richtlijnen te hebben geactualiseerd (17) of althans die intentie te hebben
(2) ofwel de bestaande richtlijnen niet te hebben aangepast (18).
De overgrote meerderheid van de respondenten refereerde aan de binnen het
korps beschikbare richtlijnen met betrekking tot het opsluiten van personen
in de doorgangscellen. De terzake overgemaakte richtlijnen geven niet altijd
even volledig de verschillende bevoegdheden van de OBP in het kader van de
bestuurlijke aanhoudingen weer.
Met betrekking tot de problematiek van de opsluiting van personen in doorgangscellen,
in de meest ruime zin van het woord, vermeldden verschillende respondenten
dat er gevolg werd gegeven aan de aanbevelingen van het Comité P, waarbij
verwezen wordt naar: (1) de verschillende jaarverslagen; (2) de
precieze opmerkingen die gemaakt werden door de commissarissen-auditors naar
aanleiding van hun plaatsbezoek (in het kader van dit thematisch opvolgingsonderzoek)
en (3) de cahiers, en er dus aanpassingen werden doorgevoerd aan de bestaande
procedures.
Niet alle overgemaakte informatie had betrekking op de werking en de inzet
van de OBP.
Er werd door geen enkele respondent een richtlijn of procedure overgemaakt
waarin alle verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de OBP beschreven staan,
zoals onder meer zijn/haar rol en bevoegdheden bij: (1) een ramp, onheil
of schadegeval; (2) de bestuurlijke doorzoeking en ontruiming van gebouwen,
onbebouwde zones en vervoermiddelen; (3) de veiligheidsfouilleringen;
(4) een bestuurlijke inbeslagneming; (5) een bestuurlijke aanhouding;
(6) een fouillering vóór opsluiting in de cel; (7) het vorderen
van bijstand, enz.
Er dient echter opgemerkt dat er binnen de politiezone Anzegem/Avelgem/Spiere-Helkijn/Waregem/Zwevegem
heel wat werkafspraken zijn gemaakt, die aanvullend werden bekrachtigd in
dienstnota’s.
Hieronder wordt een opsomming gegeven van de thema’s waarin volgens de respondenten, al dan niet in meerdere of mindere mate, een rol is weggelegd voor de OBP met wachtdienst. Dit overzicht kan inspirerend werken voor leidinggevenden die op dat vlak initiatieven wensen te nemen binnen hun korps of eenheid en hiermee hoopt het Comité P bovendien (deels) tegemoet te komen aan het expliciet verzoek van een korpschef om in het bezit te worden gesteld van een algemeen kader dat door de lokale leidinggevende, naargelang van de eigen noden, kan worden aangepast:
(1) de OBP behandelt zelf alle klachten met een gerechtelijk karakter die zijn gericht tegen politieambtenaren die deel uitmaken van de eigen politiezone;
(2) de verplichting voor de OBP met weekdienst om persoonlijk de staat te controleren van de persoon die het voorwerp is van om het even welke administratieve aanhouding [82] ;
(3) volgende functionele taken zijn weggelegd voor de OBP met wachtdienst: (3.1) geschillen en conflicten regelen tussen diensten (met betrekking tot de uitvoering van verdere onderzoeksdaden); (3.2) over het optimaal functioneren van het personeel waken en desgevallend controles organiseren en (3.3) dringende problemen inzake personeelsbeheer beheren;
(4) op het vlak van de operationele invulling van de OBP-taken onderscheiden we, op basis van de ontvangen informatie, volgende aspecten: (4.1) het optimaal gebruik van de middelen opvolgen; (4.2) de operationele coördinatie op het terrein verzekeren en in het bijzonder het wisselen van de interventiepatrouilles superviseren; (4.3) belangrijke evenementen (mediagevoelige en politiek geladen thema’s) beheren; (4.4) de interne hiërarchie informeren en (4.5) de bestuurlijke en gerechtelijke overheden inlichten;
(5) de OBP is operationeel verantwoordelijk voor de doorgangscellen. Dit verantwoordelijkheidsdomein wordt in sommige richtlijnen geoperationaliseerd door: (5.1) de toestand na te gaan van elke bestuurlijk aangehouden persoon voor zijn of haar opsluiting; (5.2) dagelijks het register der aangehouden personen te controleren; (5.3) periodiek de cellen te inspecteren en (5.4) te fungeren als algemeen aanspreekpunt indien er beschadigingen werden vastgesteld;
(6) de OBP kondigt in de schoot van het korps een procedure af indien er binnen de politiezone bijstand dient geleverd in het kader van rampspoedige situaties en beslist verder om deze procedure te beëindigen. Hij of zij coördineert op dat vlak ook de personele en materiële middeleninzet en beoordeelt het gegeven of het al dan niet noodzakelijk is om bijstand te vragen van andere zones;
(7) in een ondersteuningsvorm uitgewerkt tussen de verschillende zones van een gerechtelijk arrondissement (Kortrijk en Dendermonde) om het hoofd te kunnen bieden aan een plotse crisistoestand waarin de coördinerende rol van de gedeconcentreerde coördinatie‑ en steundirecties (CSD) een niet onbelangrijke positie inneemt, is er eveneens een voorname taak weggelegd voor de OBP met wachtdienst. Het is immers deze persoon die het verzoek kan richten aan de CSD om de procedure op te starten en vervolgens terzake binnen het eigen korps de verdere ondersteunende initiatieven op zich neemt;
(8) een aantal ambtsverrichtingen, al dan niet expliciet gegroeid uit de zorgen en de verwachtingen die de medewerkers naar aanleiding van de diverse overlegfora ter kennis brachten, in hoofde van de werking en de inzet van de OBP met wachtdienst zijn bijvoorbeeld: (8.1) een minimale aanwezigheid in uniform op de werkvloer tijdens de ploegenwissel van de dienst interventie evenals een aanwezigheid tijdens de weekends in de verschillende posten tijdens de onthaaluren; (8.2) de frequente deelneming aan de ochtendbriefings en de andere (operationele) overlegmomenten; (8.3) de aanwezigheid op evenementen tijdens het weekend; (8.4) het plaatsbezoek in alle gevallen waarin de korpschef dient gewaarschuwd te worden; (8.5) de precieze bijstand op verzoek van een OGP met wachtdienst; (8.6) de controle van de onderscheiden diensten evenals hun respectieve opdrachten; (8.7) de bijzondere aandacht voor het maandthema dat wordt ontwikkeld door de beleidsondersteuning; (8.8) het nemen van de leiding van de geplande en de niet-geplande operaties en (8.9) het informeren van de korpschef met betrekking tot knelpunten of verbeterpunten op het gebied van de werking van het korps;
(9) naar aanleiding van de interne en externe slachtofferbejegening, die moet opgestart worden bij schietincidenten of ingevolge andere traumatische ervaringen, worden volgende taken beschreven die dienen uitgevoerd te worden door de OBP met wachtdienst: (9.1) de leiding en de coördinatie ter plaatse waarnemen; (9.2) zijn of haar verantwoordelijkheid voor de eerste opvang door onder meer een kort gesprek met de OGP en/of andere personeelsleden om zich een beeld te kunnen vormen van het incident en de impact ervan; (9.3) voorzien in de verwittiging van een arts; (9.4) diverse verwittigingen (laten) uitvoeren, in het bijzonder de korpschef, de dienst slachtofferbejegening en de burgemeester;
(10) op het vlak van de operationele berichtgeving en de interne communicatie onthouden we uit de ontvangen rapporteringen volgende taken of ambtsverrichtingen, zowel in hoofde van de OBP als van de rechtstreekse medewerkers: (10.1) alle verwittigingen OBP moeten nauwgezet worden geregistreerd in de module “melding” ISLP of in een “wachtboek OBP” evenals de richtlijnen die de OBP als gevolg aan zijn gesolliciteerde tussenkomst gaf en alle contacten die in dat verband werden gelegd met de diverse autoriteiten en diensten; (10.2) de dagelijkse korpsbriefing leiden en de besproken punten en genomen beslissingen (per interne mail) overmaken aan alle geïnteresseerde diensten van het korps; (10.3) managementvergaderingen bijwonen die betrekking hebben op beleidsgebonden thema’s en onderwerpen die om diverse redenen als vrij gevoelig werden beschouwd en een doorgedreven en weldoordachte benadering vergen; (10.4) elk gebruik van dwang of geweld tegen personen grondig registeren. Indien de dwang of het geweld diende aangewend in een administratieve context, moet de OBP met dienst telkens worden gewaarschuwd; (10.5) waarborgen dat de informatiedoorstroming binnen het korps geschiedt conform de voorschriften opgenomen in de dwingende richtlijn MFO-3 [83] ;
(11) de coördinerende rol die de OBP met wachtdienst dient op te nemen [84] ;
(12) de tussenkomst van de OBP met wachtdienst van een lokale politiezone (Grensleie) in het kader van een samenwerkingsverband met de Spoorwegpolitie (SPC) en de interne bewakingsdienst van de NMBS (Corporate Security Service) waarin vermeld staat dat hij/zij zal tussenkomen bij bomalarm of naar aanleiding van het aantreffen van een verdacht voorwerp wanneer dit niet binnen een redelijke termijn kan gebeuren door de SPC.
Uit de aangereikte informatie met betrekking tot de samenwerkingsverbanden blijkt dat: (1) zeventien korpsen of 33,4 % van de respondenten verwezen naar het bestaande protocol op het gebied van het gebruik van de cellen. Er kan in dat verband worden opgemerkt dat de afgesloten protocolakkoorden niet steeds betrekking hebben op beide soorten aanhoudingen; (2) de bestuurlijke overheid zich in de zone Orneau/Mehaigne verzet tegen het afsluiten van een dergelijk samenwerkingsakkoord; (3) vier politiezones een gemeenschappelijk convenant in het kader van de permanentierol OGP-OBP hebben afgesloten [85] .
Diverse respondenten informeerden het Comité P aanvullend aangaande de informatie‑ en opleidingsinspanningen die ze ondernamen om hun OBP-werking verder te optimaliseren. Deze initiatieven kunnen als volgt worden samengevat:
(1) het in herinnering brengen van de OBP-bevoegdheden tijdens de vergadering officieren als gevolg van de publicaties van het Vast Comité P;
(2) het vertalen van de richtlijn DGA-2006/2649/O van 9 mei 2006 omtrent aangehouden personen en de fouille;
(3) de deelneming aan de opleidingen georganiseerd door de Officierenschool (DPEO) [86] , waar de themadag “bestuurlijke aanhoudingen” als zeer waardevol werd omschreven [87] ;
(4) het volgen van een opleiding georganiseerd door de gedeconcentreerde coördinatie‑ en steundirectie [88] ;
(5) het ter beschikking stellen van de goede praktijken die door de Algemene directie bestuurlijke politie (DGA) via Portal worden aangeboden;
(6) het gebruik maken van de schema’s en samenvattingen die verschenen zijn in het vakblad “Politiejournaal & Politieofficier” [89] ;
(7) het gebruik van een “farde OBP” [90] ;
(8) enz.
De controlefunctie van de OBP komt in verschillende overgemaakte
richtlijnen aan bod, doch het valt op dat de invulling ervan in zeer algemene
bewoordingen wordt weergegeven. Uit het thematisch onderzoek “interne controle
s.s.” [91]
kwam naar voor dat een aantal van de destijds bezochte korpsen werken
met een kwaliteitscontroleagenda. Hieraan werd ook door twee respondenten
(politiezones Halen/Herk-de-Stad/Lummen en Anzegem/Avelgem/Spiere-Helkijn/Waregem/Zwevegem)
gerefereerd in het kader van huidig onderzoek.
De finaliteit van dit werkinstrument is onder meer concreet inhoud te geven
aan de controlefunctie van de OBP. Uit het eerstgenoemde onderzoek bleek
dat er zowel met week‑ als maandthema’s wordt gewerkt die door de korpsleiding
vrij divers worden ingevuld, gaande van echt operationeel na te leven procedures
tot de meer administratieve of logistieke aspecten.
Uit het thematisch onderzoek “interne controle s.s.” bleek verder dat
er diverse rapporteringsvormen worden gehanteerd, gaande van de mondelinge
feedback, over de schriftelijke rapportering tot het bespreken van de controleresultaten
op diverse overlegfora en het proactief vermelden van de geplande thema’s
in een korpskrant waarbij dan in een volgende editie de controleresultaten
worden toegelicht en gekoppeld aan concrete aanbevelingen.
Hoewel geen enkele korpschef een richtlijn of een procedure ter kennis brengt waarin de belangrijkste verantwoordelijkheden en bevoegdheden van de OBP beschreven staan, blijkt uit deze analyse duidelijk dat, naast de richtlijnen die betrekking hebben op enerzijds het “verwittigen van de OBP” en anderzijds “het opsluiten van personen in de doorgangscellen” en die vrijwel in de meeste korpsen bestaan, er nog diverse domeinen zijn waarin de taken en verantwoordelijkheden van de OBP idealiter ondubbelzinnig worden vertaald binnen het korps.
Het Comité P blijft bijgevolg zijn aanbeveling herhalen
om de voornaamste wettelijke bevoegdheden toegekend aan de OBP in de praktijk
te vertalen.
Deze aanbeveling is niet enkel gestoeld op de talrijke bevindingen opgedaan
in onderzoeksdossiers waar tot uiting kwam dat de (ondersteunende) functie
van de OBP (nog) beter kon worden ingevuld, maar is aanvullend gebaseerd op
het feit dat het Comité P vaststelt dat de nieuwe wet‑ en regelgeving
met betrekking tot de grondwettelijke rechten en fundamentele vrijheden van
de burger terecht voor laatstgenoemde nog meer waarborgen voorziet, wat een
niet onbelangrijke impact heeft op de dagdagelijkse werking van de individuele
politieambtenaar.
Rekening houdend met het voorgaande en aangevuld met het gegeven dat de werkzaamheden
binnen de werkgroepen van de stuurgroep “politionele aanhoudingen” eveneens
raakvlakken vertonen met de OBP-werking, lijkt een verdere professionalisering
van de diverse interne ondersteuningsvormen, waaronder de inzet van de OBP,
een noodzakelijk in te vullen randvoorwaarde om te kunnen waarborgen dat de
burger een dienstverlening geniet die voldoet aan alle wettelijke bepalingen.
In het verlengde van het onderzoek naar een klacht over het gezamenlijke optreden van politiediensten met algemene en bijzondere bevoegdheden bij de ontdekking van een gestolen voertuig dat in het kanaal was gedumpt en ingevolge verscheidene vaststellingen die daarbij werden gedaan op het vlak van coördinatie, informatie en wederzijdse ondersteuning, achtte het Comité P het nuttig een analyse te maken van de rol en de werking van de scheepvaartpolitie Luik (SPNL) van de federale politie.
Vooreerst dienen de beperkingen van dit onderzoek te worden
onderstreept. Dat had namelijk niet tot doel om een diepgaande analyse te
maken van deze gespecialiseerde politiedienst in alle facetten van zijn werking,
maar wel om zich een zo nauwkeurig mogelijk beeld te vormen van het optreden
van de SPNL (wat doet de SPNL?) en van de perceptie die de politiepartners
van dat optreden hebben.
In het raam van dit toezichtsonderzoek heeft de Dienst Enquêtes P vooral
aandacht besteed aan de volgende aspecten van de operationele werking van
de SPNL: (1) de uitvoering van gespecialiseerde politieopdrachten in
het kader van de scheepvaartpolitie; (2) haar bijdrage tot het nationaal
veiligheidsplan; (3) de geografische spreiding van de controles door
de schepen en de vastgestelde inbreuken maar ook de oriëntatie van de controleacties;
(4) het sluiten van protocolakkoorden, het aangaan van partnerschappen
en de meer globale integratie in het politielandschap; (5) het bestaan
van actieplannen en/of bijzondere initiatieven om een antwoord te bieden op
specifieke situaties die zich voordoen binnen het werkterrein van de SPNL.
Uit operationeel oogpunt beschouwd beheert het diensthoofd van de scheepvaartpolitie Luik zijn eenheid goed en slaagt hij erin de opdrachten die hem zijn toebedeeld tot een goed einde te brengen. Dit beheer is gebaseerd op dagelijks pragmatisme, dat evenwel soms ten koste gaat van een meer structurele uitbouw van de dienst op basis van een weldoordacht actieplan met te behalen doelstellingen en gesteund op opvolgingsindicatoren. Zodoende heeft de SPN Luik verscheidene interessante initiatieven uitgewerkt die echter niet kaderen in een globaal plan en die niet zijn afgestemd op de vooraf bepaalde doelstellingen.
Aanvankelijk richtte de SPNL haar optreden, om redenen die hoofdzakelijk te wijten zijn aan haar geografische inplanting, voornamelijk op het grondgebied van het arrondissement Luik. Wij hebben niettemin in de loop der tijd kunnen vaststellen dat er voortdurend inspanningen worden geleverd om aanwezig te zijn op alle waterwegen in het Waalse Gewest. Deze proactieve aanwezigheid of dit optreden uit eigen beweging is gegroeid samen met de grotere bekendheid van haar optreden door de andere politionele spelers op het terrein.
Toch moeten er nog aanzienlijke inspanningen worden geleverd om haar rol in het politielandschap te versterken, met name om als partner te worden beschouwd. Wij denken hierbij meer in het bijzonder aan de verspreiding van Service Level Agreements (SLA), het sluiten van protocolakkoorden met de partners of de voornaamste belanghebbenden, enz.
Tussen 2002 en eind 2004 heeft het Comité P een onderzoek
gevoerd naar de opslag van dienstvuurwapens en munitie bij de lokale politiezones.
Dit onderzoek was vooral toegespitst op een toetsing van de bestaande fysieke
of procedurele veiligheidswaarborgen die ontvreemding of misbruik van dienstvuurwapens
dienden te voorkomen. Eind 2005 heeft het Comité P een soortgelijk onderzoek
gelast naar de veiligheid van de opslag van dienstwapens en munitie bij de
diensten van de federale politie. Tevens kreeg de Dienst Enquêtes P de
bijkomende opdracht na te gaan of de situatie bij de lokale politiekorpsen
gewijzigd was ten opzichte van de problematische veiligheidssituatie die in
2004 was vastgesteld.
Hiertoe werden in de loop van 2006 en begin 2007 negen gedeconcentreerde diensten
of eenheden van de federale politie bezocht, eenzelfde aantal lokale politiezones
en één provinciale politieschool. Hierbij werd dezelfde onderzoeksmethodiek,
gebaseerd op de bestaande en te verwachten wet‑ en regelgeving, gehanteerd
als in het eerste onderzoek.
In afwachting van de publicatie van een gecoördineerde regelgeving voor alle politiediensten heeft de commissaris-generaal op 26 juni 2005 een tijdelijke richtlijn uitgevaardigd betreffende het bezit, het dragen, het bewaren en het opslaan van politiebewapening binnen de federale politie. Deze richtlijn zou kunnen beantwoorden aan alle benodigde veiligheidsaspecten die door ons getoetst werden. Niettemin werd vastgesteld dat de, vooral logistieke, randvoorwaarden, zoals individuele wapenlockers, nog niet overal vervuld zijn om deze richtlijn toe te passen, in het bijzonder naar inbraakbeveiliging van de commissariaten.
In twee van de negen gecontroleerde diensten van de federale
politie werd vastgesteld dat niet alle personeelsleden kennis hadden van de
richtlijn, of dit althans beweerden, en er nog een strijdige procedure op
na hielden. Zo namen zij hun dienstwapen mee naar huis zonder toelating van
het diensthoofd.
Op het vlak van fysieke beveiliging is nagenoeg geen enkele van de bezochte
federale politiediensten in de mogelijkheid om deze richtlijn toe te passen,
vooral omdat op het vlak van infrastructuur en logistiek de middelen nog niet
voorhanden zijn of de geplande investeringen nog niet uitgevoerd werden [94]
.
In zes van de negen bezochte kwartieren kan de toestand ronduit
gevaarlijk genoemd worden, doordat de gebouwen nog niet voorzien zijn van
enig afdoend traliewerk, er geen alarminstallatie is en de individuele vuurwapens
nog steeds, noodgedwongen, worden bewaard in individuele kledijkastjes of
bureaulades. De collectieve vuurwapens worden meestal wel opgeborgen in een
brandkast of wapenkamer, doch deze procedure geldt niet voor de individuele
vuurwapens.
Naar intern misbruik is de situatie nog precairder daar er slechts in één
commissariaat een afdoend sleutelbeheer is, gerealiseerd via een individueel
badgesysteem, maar vooral omdat men slechts in één van de bezochte kwartieren
zijn individueel vuurwapen kan opbergen in een individuele locker. Deze locker
biedt op zich dan nog onvoldoende waarborgen tegen misbruik. Slechts één van
de kwartieren, een nieuwbouw, is uitgerust met een elektronisch alarmsysteem.
Wat de registratie van vuurwapens in het centraal wapenregister (CWR) betreft, werd begin 2006 vastgesteld dat ook voor de federale politie slechts een deel van de dienstwapens geregistreerd was in het centraal wapenregister [95] .
In zes van de negen gecontroleerde eenheden respecteert men de door de commissaris-generaal opgelegde beslissing dat men, behoudens toegestane uitzonderingen, zijn vuurwapen niet mee naar huis kan nemen. In de drie andere eenheden zijn sommige medewerkers (ook operationeel hiërarchische verantwoordelijken) nog de mening toegedaan dat dit nog steeds kan [96] .
Samengevat kan men stellen dat de toestand bij de bezochte
federale politie-eenheden, op het vlak van de beveiliging van vuurwapens en
munitie, niet beter is dan deze in 2004 vastgesteld bij de lokale politiezones.
Dat men de aanzienlijke financiële inspanningen spreidt over een aantal jaren,
is budgettair te begrijpen doch anderzijds is ook hier de huidige situatie
een gevolg van onvoldoende tot geen aandacht voor de problematiek in het verleden.
In twee specifieke sites heerst er, gelet op hun ligging of functionaliteit,
een acuut veiligheidsprobleem en is het onaanvaardbaar dat de wapens er tot
op heden nog opgeslagen worden in bureaumeubels of kledijkastjes die ook voor
derden toegankelijk zijn. In deze sites wordt de federale politie geconfronteerd
met het feit dat zij de lokalen ter beschikking krijgt van een publiekrechtelijke
instantie die blijkbaar niet bereid is deze meerkost te dragen.
Met betrekking tot de lokale politie werd in acht van de negen
bezochte zones vastgesteld dat de inhaalbeweging er daadwerkelijk ingezet
werd. Waar wij in het verleden vaststelden dat de toestand in de meeste commissariaten
te wensen overliet, stelden wij nu vast dat men in alle zones een specifieke
reglementering oplegde, men in meerdere zones financiële inspanningen deed
om individuele wapenlockers aan te kopen of men in de andere bijna in de uitvoeringsfase
zit van de bouw van een nieuw commissariaat.
In één van de bezochte grote politiezones bleek echter een groot veiligheidsgevaar
te bestaan, niet zozeer door de opslag van de vuurwapens zelf, maar door de
opslag van de munitie [97]
. In deze zone kunnen we algemeen stellen dat zowel door een gebrek aan
beheer, vooral door een gebrek aan goede procedures en de afwezigheid van
enige investering in inbraakpreventie, de toestand een reëel gevaar inhoudt.
Extern, maar vooral naar intern misbruik.
Op het vlak van de registratie van vuurwapens in het CWR werden, behoudens
in één bezochte zone, alle vuurwapens aangetroffen in het wapenregister. Voor
deze ene zone is het niet aanvaardbaar dat dit tot op de dag van vandaag nog
niet het geval is.
Wel werd vastgesteld dat alle bezochte zones op het vlak van periodieke controle
op de naleving van de interne reglementen ook niet zo hoog scoorden, behoudens
één waar dit structureel in een intern proces werd uitgewerkt.
Voor de lokale politiezones kan men globaal stellen dat het
signaal dat in 2004 door het Comité P werd gegeven vele politieverantwoordelijken
en lokale bestuurlijke overheden bewust gemaakt heeft van de problematiek
en dat zij niet nagelaten hebben de nodige inspanningen, niet in het minst
financieel, te leveren om tot een verantwoord en veiliger vuurwapenbeheer
te komen.
Dit maakt de discrepantie des te groter met de minderheid van politiezones
die nalieten in dit domein de nodige initiatieven te nemen. Vooral de korpschefs,
maar ook de lokale bestuurlijke overheden van die zones, zullen er zich bewust
moeten van worden dat zij bij incidenten medeaansprakelijk kunnen worden gesteld.
Dit gegeven maakt trouwens het voorwerp uit van een specifiek gerechtelijk
onderzoek.
Voor de federale politie werd de inhaalbeweging pas in 2006 ingezet en wordt
ze bezwaard door de financiële mogelijkheden, waaruit blijkt dat de lokale
zones in deze optiek meer middelen ter beschikking gesteld kregen of bezitten.
Naar de lokale politiekorpsen toe rest enkel nog een kleine
minderheid die de noodzakelijke inspanningen dient te leveren. Algemeen kan
wel gesteld worden dat er te weinig structurele controles plaatsvinden op
de wijze waarop de individuele medewerkers de vigerende korpsregels naleven.
Het bestaan van deze controles was eerder uitzondering dan regel.
Naar de federale politie toe kan het aangewezen zijn dat de centrale diensten
een risicoanalyse maken met het oog op de toebedeling van de aangekochte wapenlockers
of kluizen. In afwachting van de levering van de nodige technopreventieve
middelen verdient het aanbeveling dat de diverse dienstchefs, zich steunend
op de situationele omstandigheden, voorlopige maatregelen nemen om een zekere
mate van veiligheid te garanderen. In sommige eenheden zouden deze eventueel
tijdelijk in tegenstrijd kunnen zijn met de bestaande nota van de commissaris-generaal.
Meer algemeen gesproken, dient de federale overheid in deze delicate materie – net als in domeinen zoals de amigo’s en bewaarkamers – op geregelde tijdstippen inspecties te laten uitvoeren, bijvoorbeeld door de AIG [98] .
Eind 2001 heeft het Comité P, op vraag van zijn parlementaire begeleidingscommissie, een toezichtsonderzoek gevoerd naar de problematiek van personen die in de steden en gemeenten belast zijn met een toezichtsfunctie, in het raam waarvan zij al dan niet over enige politiebevoegdheid beschikken of nauw samenwerken met de politie. Het merendeel van deze personen draagt een uniform, dat in sommige gevallen een aantal gelijkenissen vertoont met het politie-uniform, waardoor bij de burger de indruk zou kunnen ontstaan dat hij met een politieambtenaar wordt geconfronteerd. Dit onderzoek, dat aanvankelijk beperkt was tot verschillende gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, werd in 2004-2006 geactualiseerd en vervolgens uitgebreid tot een representatief staal van steden en gemeenten over het hele land.
De onderzoeksmethodologie is uiteengezet in bijlage F.
De opdrachten van een aantal actoren zijn zeer ruim en divers. Er werden dan ook belangrijke overlappingen vastgesteld van taken over de verschillende functies. Dikwijls oefenen mensen met verschillende uniformen dezelfde taken uit op eenzelfde grondgebied. In samenhang met andere factoren laat dit vermoeden dat er hetzij geen echt planmatige aanpak is, ondersteund door een visie inzake veiligheid, hetzij dat er budgettaire redenen zijn om op dergelijke wijze taken op te splitsen. Dergelijke taakoverlappingen kunnen onder meer vastgesteld worden bij de stadswachten. Zij kunnen in sommige gemeenten verslag opstellen van overtredingen die het voorwerp uitmaken van administratieve sancties, een overlapping dus met de functie van GAS-ambtenaar. Zij werken in de meeste steden en gemeenten ook als gemachtigd opzichter, in een aantal gevallen als Lijnspotter (agent d’ambiance). In Knokke-Heist worden de stadswachten ook ingezet voor vakantietoezicht, een opdracht die ook tot het takenpakket van de veiligheidsbeambte behoort.
Uit de antwoorden blijkt dat een aantal gemeenten de gemachtigde opzichters taken toevertrouwen die niet passen in het wettelijk kader noch in de omzendbrief die hun bevoegdheden regelt. Hoewel gemachtigd opzichter als afzonderlijke functie werd vermeld op het enquêteformulier, gaat het mogelijk om personen die deze hoedanigheid cumuleren met een andere veiligheidsfunctie waarin deze taken wel tot hun bevoegdheidspakket behoren. Voor bepaalde identieke taken worden in verschillende steden verschillende benamingen gebruikt: zowel de ‘Lijnspotters’ in Antwerpen als de ‘Lijnhelpers’ in Kortrijk hebben tot taak aanwezig te zijn op risicolijnen van De Lijn.
In een aantal functies wordt aan taakverrijking gedaan. Dit is in het bijzonder het geval waar bijvoorbeeld parkwachters dienen in te staan voor het ontwikkelen en organiseren van activiteiten voor kinderen. In de gevallen die in dit onderzoek naar voor kwamen, is evenwel niet duidelijk of deze bijkomende taken zijn opgenomen in een functieprofiel en of daarmee rekening wordt gehouden bij de selectie van het personeel en de vorming.
Tevens blijkt in een aantal politiezones dat in de gemeenten
die er deel van uitmaken niet alleen het uniform maar ook de taakinhoud van
eenzelfde functie verschillen. Dit kan een indicator zijn voor een gebrek
aan integratie van deze veiligheidsactoren in het globaal veiligheidsbeleid
van de zone. In het bijzonder voor de stadswachten werden geen duidelijke
aanwijzingen gevonden van synergie met de politionele preventie en het zonaal
veiligheidsplan, zoals vooropgesteld in het koninklijk besluit van 7 december 2006
betreffende de strategische veiligheids‑ en preventieplannen [100]
.
Nochtans blijkt ook uit de enquête dat in een aantal steden en gemeenten de
activiteiten van de verschillende functies in min of meerdere mate passen
in een globaal veiligheidsbeleid, waarin ook de politie wordt betrokken. Dit
is duidelijk het geval in Kortrijk, waar de politie, in het kader van een
‘veiligheidscel’, geregeld overlegt met de preventieambtenaar en de schepen
van veiligheid, om de preventieactiviteiten van de politie en de stedelijke
preventiedienst op elkaar af te stemmen. De stad Antwerpen liet een audit
uitvoeren teneinde alle taken van toezichters op haar grondgebied in kaart
te brengen, om te komen tot een effectiever en efficiënter toezicht, vertrekkende
vanuit de stedelijke beleidsdoelstellingen. In Brugge bestaat er een samenwerkingsverband
tussen politie en veiligheidsfunctionarissen en een opvolging van meldingen,
doch de vorm en draagwijdte ervan wordt niet gepreciseerd. In Knokke-Heist
wordt overleg gepleegd tussen de gemeentelijke preventiedienst en de politie
wat het takenpakket van de stadswachten en veiligheidsbeambten betreft. Deze
laatsten (ex-RMT) zijn gedetacheerd bij de politie, van waaruit zij hun taken
krijgen, onder het rechtstreeks gezag van de korpschef.
In een aantal steden worden de bestuurlijke overheden in hun leidinggevende functie bijgestaan door een politieambtenaar. Dit is onder meer het geval in Oostende, waar de stadssecretaris in zijn leidinggevende functie met betrekking tot de veiligheidsbeambten bijgestaan wordt door een middenkader van de politie en in Gent, waar een politie-inspecteur instaat voor de dagelijkse leiding en sturing van de stadswachten. De vorm van interactie met de politie wordt dikwijls in zeer vage bewoordingen weergegeven: partnerschap, begeleiding, samenwerking. Derhalve is het zeer moeilijk een duidelijk beeld te krijgen van de inhoud en draagwijdte van de rol van de lokale politie.
Ook met betrekking tot de leidinggevende of toezichthoudende overheden wordt dikwijls in vage bewoordingen geantwoord (stad of gemeente), waardoor het vaak onduidelijk is wie daadwerkelijk deze functies uitoefent. Waar sprake is van informatie-uitwisseling, wordt niet gepreciseerd welke informatie wordt uitgewisseld, in welke omstandigheden en in welke richting de informatiestromen lopen: naar de politie toe, die vervolgens al dan niet feedback geeft, of ook van de politie aan derde diensten.
In verschillende steden en gemeenten worden in een aantal uiteenlopende functies nog steeds blauwe uniformen gedragen, waardoor het onderscheid met de reguliere politie onduidelijk kan worden en bij de burger tot verwarring kan leiden. Blijkbaar bestaat terzake een lacune in de wetgeving, voor de veiligheidsfuncties die buiten het toepassingsveld vallen van de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid [101] . Tevens werden in een aantal gevallen verschillen vastgesteld in de kleur van het uniform, niet alleen binnen eenzelfde functie over het hele land, maar in sommige gevallen ook tussen de gemeenten binnen eenzelfde politiezone.
In minstens één korps in elk landsgedeelte (Sint-Niklaas en
Seraing) wordt vermeld dat de “parkeerwachters” en de “startbaners” verkeersveiligheid
gehuisvest zijn in het politiecommissariaat, waar zij ook gebruik maken van
computers, telefoons, fax, enz. Dit gegeven, dat jammer genoeg geen deel uitmaakt
van de vragenlijst, vormt een risico op het, al dan niet opzettelijk, overtreden
van het beroepsgeheim van de politie. Dit kan gaan van het toevallig horen
van gesprekken tot bewuste misbruiken.
Het was immers de bedoeling om fenomenen als ‘grey policing’ tegen
te gaan door de reguliere politiediensten (met een bijzondere vorming, toegang
tot gegevensbestanden en gebonden aan beroepsgeheim) strikt te scheiden van
de andere actoren inzake veiligheid. Dergelijke scheiding is des te belangrijker
omdat het niet duidelijk is of deze actoren enige opleiding krijgen inzake
deontologie en discretieplicht.
Aangezien dit geen onderdeel was van de vragenlijst, is er geen zicht op de
opleiding die deze actoren genieten. Slechts in een aantal gevallen (in het
bijzonder de Egregoros) werden duidelijke aanwijzingen gevonden van een functieprofiel
en een opleiding die expliciet rekening houden met communicatievaardigheden
en conflictbeheersing.
Uit het onderzoek blijkt bovendien dat een aantal taken die aan deze actoren in het veiligheidslandschap worden toebedeeld, zich bevinden op het raakvlak tussen de opdrachten van reguliere politiediensten en de taken en bevoegdheden van de bewakingsagenten, in het raam van de wet tot regeling van de private en bijzondere veiligheid. Dit is meer in het bijzonder het geval voor de gemachtigde opzichters en voor een aantal taken van de veiligheidsbeambten, stadswachten, stewards, Lijnspotters en ‑helpers en GAS-ambtenaren. De parkeerwachters en parkeertoezichters vallen reeds geheel of ten dele onder deze wet, al naargelang zij al dan niet werken in het kader van een met de overheid afgesloten concessieovereenkomst [102] .
Verschillende veiligheidsfuncties ontplooien activiteiten op
het openbaar vervoer (De Lijn en TEC). Aangezien De Lijn een eigen veiligheidsdienst
aan het creëren is, zullen in de toekomst taakafspraken dienen te worden gemaakt.
Overigens was het ook een conclusie van de audit inzake veiligheid die op
vraag van de stad Antwerpen werd uitgevoerd, waarin werd geadviseerd de controles
op De Lijn uit te voeren in gemengde teams met de controleurs van deze vervoersmaatschappij.
Er dient nauwgezet toezicht te worden uitgeoefend op taken
die zich situeren op het raakvlak tussen de opdrachten van de reguliere politiediensten
en de activiteiten van vergunde bewakingsondernemingen.
Er dient te worden gestreefd naar een grotere graad van integratie van initiatieven
en inzet van veiligheidsambtenaren in het globaal veiligheidsbeleid van de
politiezone. In het verlengde daarvan dient een grotere synergie te worden
bewerkstelligd tussen de verschillende veiligheidsfuncties onderling zowel
als met de lokale politie. De nieuwe wet van 15 mei 2007 tot instelling
van de functie van gemeenschapswacht, tot instelling van de dienst gemeenschapswachten
en tot wijziging van artikel 119bis van de Nieuwe Gemeentewet [103]
vormt daartoe de ideale gelegenheid.
Er dient zo veel mogelijk te worden vermeden de veiligheidsambtenaren te huisvesten in de politiecommissariaten. Zelfs wanneer hun uniform duidelijk verschilt van de kledij van de reguliere politiediensten, kan dit in hoofde van de burger verwarring creëren. Bovendien kan dergelijke nabijheid aanleiding geven tot problemen, onder meer inzake het beroepsgeheim van de politieambtenaren.
Met een aantal vormen van taakuitbreiding dient rekening te worden gehouden bij de selectie van het personeel en tijdens de opleiding. Dit is in het bijzonder het geval waar bijvoorbeeld parkwachters dienen in te staan voor het ontwikkelen en organiseren van activiteiten voor kinderen. In de gevallen die in dit onderzoek naar voor kwamen, is niet duidelijk of dit gebeurt en of de bijkomende taken zijn opgenomen in een functieprofiel. De opleiding van deze veiligheidsactoren dient afgestemd te zijn op de taken die hen worden toevertrouwd, maar tevens op de synergie met andere diensten en in het bijzonder met de lokale politie.
Conform artikel 3 van de wet van 18 juli 1991
tot regeling van het toezicht op politie‑ en inlichtingendiensten strekt
de bevoegdheid van het Vast Comité P zich uit over de bijzondere inspectiediensten
(BID’s). Meteen dient ook gezegd dat, naast de interne controle die bij een
aantal van deze diensten in verschillende vormen voorhanden is, al dan niet
gestructureerd, het Comité P het enige externe controleorgaan is op deze
diensten, die toch wel bijzonder ingrijpende bevoegdheden hebben (dikwijls
veel verregaander dan de politiediensten) waarbij elementen van respect voor
de grondrechten, efficiëntie, effectiviteit en coördinatie met andere BID’s
en politiediensten evenzeer aan de orde zijn als bij de klassieke politiediensten.
Het Comité P heeft vorig jaar, in samenspraak met zijn parlementaire
begeleidingscommissie, beslist om in dit domein een meer actieve, ook proactieve,
rol te spelen en met name zijn toezichtsopdrachten tegenover deze actoren
meer te structureren en uit te bouwen in de diepte en in de breedte.
Enkele punctuele onderzoeken met betrekking tot sommige van deze diensten
of afdelingen van diensten worden hierna in synthese weergegeven.
De afgelopen jaren diende het Comité geregeld een onderzoek
te voeren naar aanleiding van klachten ingediend tegen een lid of een dienst
van de Administratie der Douane en Accijnzen. Het Comité was tevens een toezichtsonderzoek
gestart naar bepaalde aspecten van de inzet en werking van officieren van
gerechtelijke politie van deze dienst, dat werd opgeschort in 2006 maar werd
hernomen in 2007.
We kunnen ook een (anonieme) klacht citeren die betrekking had op het innen
van een boete naar aanleiding van een verkeersovertreding vastgesteld door
een douaneambtenaar. Uit het onderzoek bleek dat meer dan waarschijnlijk de
feiten nooit hebben plaatsgevonden en dat de klacht kwam van een collega teneinde
de betrokken ambtenaar te schaden. In een ander dossier stelt een klager,
die chauffeur is, dat zijn voertuig op een onheuse manier geïmmobiliseerd
werd naar aanleiding van een controle door de Douane. Het onderzoek heeft
geen concrete elementen opgeleverd. In een ander dossier wordt een persoon
geïntercepteerd door een anoniem voertuig van de Douane. De douanier vraagt
de klager 150 euro, die hij ook betaalt [104]
. Een (andere) ambtenaar van de Douane werd verweten op een vrij onkiese
manier te zijn overgegaan tot een fouillering inzake drugs en nog een andere
klager zou eveneens op een weinig eerbare wijze gefouilleerd zijn. Bij gebrek
aan medewerking van de klager kon deze zaak niet verder onderzocht worden.
In een vrij belangrijk dossier, omdat daarin niet alleen sprake is van het
eigen optreden van de Douane maar ook van de coördinatie met andere (politie)diensten
in een prioritair domein, met name mensenhandel, werden de volgende vaststellingen
gedaan. Tijdens een douanecontrole langsheen de parking van een autosnelweg
onderscheppen de douaniers een bestelwagen met aan boord een twintigtal illegalen.
Zij roepen er de federale wegpolitie bij om de nodige vaststellingen door
politieambtenaren te laten verrichten. Deze laatsten weigeren dat – terecht
overigens – op grond van het feit dat ook de douanebeambten uitdrukkelijk
zijn opgesomd bij de bevoegde ambtenaren in artikel 81 van de Vreemdelingenwet.
Wel levert de wegpolitie (en ook de federale gerechtelijke politie) de nodige
bijstand respectievelijk inzake de overbrenging van de illegalen, in personeel
en ook inzake knowhow met betrekking tot de op te stellen documenten. De federale
gerechtelijke politie van haar kant neemt de ‘passeur’ voor haar rekening.
Dit voorval werd besproken op de arrondissementele coördinatievergadering
mensenhandel [105]
, waar vastgesteld werd dat er bij de Douane een gebrek was aan officieren
van gerechtelijke politie en aan een adequate gerechtelijke administratie.
Een en ander is verrassend aangezien, zoals hoger gezegd, de Douane en Accijnzen
uitdrukkelijk bevoegd zijn voor het vaststellen van inbreuken inzake mensenhandel.
Anderzijds heeft het onderzoek aangetoond dat er toch enige onlogica in het
geheel schuilt in die zin dat de dienst niet is opgenomen als ‘verplichte’
deelnemer aan de genoemde coördinatievergaderingen; wat overigens niet wegneemt
dat zijn leden kunnen uitgenodigd worden. Een ander heikel punt vormt het
gegeven dat de Douane niet onderworpen is aan de MFO-3 [106]
(of aan een equivalente richtlijn), wat voor een groot aantal aspecten
‘normaal’ is maar, belangrijker, daardoor niet onderworpen is aan enige meldingsplicht
inzake de operaties die zij opzet. Dat haar operaties ook discreet en gewapend
kunnen gebeuren maakt dat hierin een potentieel gevaar schuilt wanneer andere
diensten zouden moeten tussenkomen. Het enige wat er wel bestaat is een richtlijn
van het College van procureurs-generaal met betrekking tot het gebruik van
de bijzondere opsporingsmethoden door de Douane. Het verdient aanbeveling
na te gaan of de hele gerechtelijke functie uitgeoefend door de Douane niet
het voorwerp moet uitmaken van een meer omvattende richtlijn.
In het toezichtsonderzoek naar mensenhandel (mensensmokkel) en een ander recenter onderzoek [107] zijn de coördinatieproblemen met de reguliere politiediensten duidelijk naar voren gekomen.
Hoewel dit niet systematisch het geval was, heeft het Comité toch meermaals moeten vaststellen dat sommige leden van de Douane en Accijnzen zich terughoudend opstelden, zelfs weerstand boden, tegenover het extern toezicht. Meer dan één agent of officier van gerechtelijke politie die werd ondervraagd in het kader van een of ander onderzoek, begon zijn verhoor met te stellen dat niettegenstaande (volgens hen of volgens hun hiërarchie) het Comité niet bevoegd was, hij zou antwoorden op de vragen die hem werden gesteld.
In 2007-2008 zal het Comité zich verder buigen over de activiteiten van de Administratie der Douane en Accijnzen, die onder zijn bevoegdheid valt.
Een klacht [108]
had betrekking op het verbaliseren door een boswachter van een persoon
die met een bootje te dicht bij een sluis aan het vissen was. Naast het opstellen
van een proces-verbaal werd ook een deel van het vismateriaal in beslag genomen.
Uit het onderzoek blijkt dat de wettelijkheid, noch de legitimiteit en de
proportionaliteit in twijfel konden getrokken worden.
Een andere klacht betrof een klager die de gedane vaststelling betwist en
op het arrogante gedrag van de ambtenaar wijst. Het dossier is nog lopende
bij het Comité P.
Het betreft de klacht van een fietser die geverbaliseerd werd wegens inbreuk op het Boswetboek. De fiets werd opgeladen en er ontstond een schermutseling. Het dossier werd door het parket zonder gevolg geklasseerd wegens geen misdrijf.
Op een werkdag in december 2005 kreeg de permanentiedienst
van de Dienst Enquêtes P rond 15 uur een dringende telefonische
oproep van een zaakvoerder van een meubelfirma die gevestigd is in Sint-Truiden.
Betrokken zaakvoerder deed het verhaal dat zijn werknemer die dag te Lommel
tijdens zijn leveringsronde met een vrachtwagen van de firma was gecontroleerd
door een ambtenaar van de FOD Verkeer. Deze wegcontrole gebeurde rond het
middaguur. De zaakvoerder beschreef hoe hij werd opgebeld door zijn chauffeur
van op de plaats van de controle in aanwezigheid van de wegcontroleur. Hij
sprak over verschillende onregelmatigheden en inbreuken op de toepassing van
de rij‑ en rusttijden. De zaakvoerder vertelde dat tijdens dit gsm-gesprek
tussen hemzelf, zijn chauffeur en de wegcontroleur er was onderhandeld over
de betaling van een onmiddellijke inning ten belope van ongeveer 1.250 euro.
Op een afgesproken uur en tijdstip vond een ontmoeting plaats tussen de zaakvoerder
en de wegcontroleur. Op het moment dat de zaakvoerder op een donkere parking
de geldsom in een envelop aan de wegcontroleur overhandigde vond een interceptie
plaats en werd de betrokken ambtenaar gearresteerd op last van de procureur
des Konings te Hasselt. De wegcontroleur werd ’s anderendaags voorgeleid
voor de onderzoeksrechter in Hasselt, maar werd niet aangehouden.
In de periode volgend op de interceptie en de arrestatie van de betrokken
wegcontroleur vonden heel wat onderzoeksverrichtingen plaats. Om geen onderlinge
storingen te veroorzaken, werd eerst het gerechtelijk onderzoek afgewerkt
en vervolgens een toezichtsonderzoek uitgevoerd.
Al tijdens het gerechtelijk onderzoek bleek dat de bestaande werkwijzen en
de gevolgde procedures binnen de Dienst Wegcontrole dikwijls tot verschillende
interpretaties konden leiden en kansen boden op willekeur en eventueel frauduleuze
praktijken. De gerechtelijke overheid oordeelde in juni 2006 dat er onvoldoende
aanwijzingen waren dat de betrokken wegcontroleur individuele strafrechtelijke
fouten zou hebben gemaakt, aangezien hij buiten vervolging werd gesteld. Het
toezichtsonderzoek werd echter voortgezet en de procedures met betrekking
tot het uitschrijven van onmiddellijke inningen werden tegen het licht gehouden.
Er werd een syntheseverslag gestuurd aan de minister van Mobiliteit, die zijn
opmerkingen heeft laten geworden, maar vooral de maatregelen heeft opgesomd
die reeds waren genomen ingevolge dat verslag alsook de maatregelen die overwogen
werden.
Uit de contacten met de verschillende vertegenwoordigers van de FOD Mobiliteit
en Vervoer blijkt dat als gevolg van het incident met de wegcontroleur een
aantal procedures in vraag werd gesteld en een hele reeks maatregelen werd
ontwikkeld om herhaling in de toekomst te vermijden en om de nodige verbeteringen
in de organisatie van de dienst aan te brengen.
Het Comité heeft beslist zijn toezichtsonderzoek voort te zetten in 2007-2008
en na te gaan of en hoe de genomen of overwogen maatregelen zijn doorgevoerd.
Een klager betwist de grond en het bedrag van een parkeerovertreding
vastgesteld door een veiligheidsagent van de Maatschappij voor het Intercommunaal
Vervoer te Brussel (MIVB) [111] . Uit onderzoek blijkt dat volledig correct werd geverbaliseerd.
Twee agenten zouden personen gefouilleerd hebben op drugs, waartoe ze geen
bevoegdheid hebben [112]
.
Twee leden van de MIVB zouden klager zonder reden geslagen hebben [113]
. Het betreft een gerechtelijk onderzoek.
Een andere klager stelt slagen te hebben gekregen naar aanleiding van een
betwistbare tussenkomst. Dit onderzoek is nog lopende.
Vóór de politiehervorming hadden de drie politiediensten elk hun eigen opleidingsstructuren. In 1998 werd een ambtelijke werkgroep opgericht in de schoot van de toenmalige Algemene politiesteundienst [114] , die een aantal interessante visies en concepten formuleerde over de harmonisering van de verschillende opleidingen en in het bijzonder over de externe oriëntering, de ‘vermaatschappelijking’ van de opleiding en de ‘inbreng van buitenaf’ in de rekrutering, selectie en opleiding [115] . Met de hervorming ging de ‘werkgroep 5’ zich vervolgens bezighouden met de rekrutering, selectie en opleiding en legde men de belangrijkste principes vast [116] : (1) men kandideert sindsdien voor de geïntegreerde politie; (2) men legde de selectieprocedure vast op basis van een profiel; (3) de scholen werden behouden en zouden erkend moeten worden door de ministers van Binnenlandse zaken en van Justitie om de opleiding te verzorgen. Daarvoor wordt een beheerscontract afgesloten. Dat contract bepaalt de opleidingscycli, inclusief frequentie en minimumaantal studenten, kwaliteitsstandaarden, omkaderingsnormen en pedagogische normen, samenwerkingsmodaliteiten tussen scholen onderling en met de federale opleidingsdiensten en de federale dienst personeel (eerst DGP nu DGS) en de werkingsmiddelen die toegekend worden; (4) de fundamentele beslissingen in de materie zouden worden genomen door de minister (van Binnenlandse Zaken) die zich hierbij kon laten adviseren door externen; (5) het opleidingsprogramma nam de principes over van de modulaire opleiding zoals al toegepast bij de voormalige rijkswacht.
Wanneer we naar de huidige toestand kijken, stellen we vast
dat aan beide zijden van de taalgrens, wat de erkende lokale politiescholen
betreft, er sprake is van een duale structuur. Enerzijds zijn er scholen die
onder een provinciale koepel werken. Voordeel hierbij is dat men tot financiële,
organisatorische en operationele synergie kan komen met andere provinciale
scholen, in het bijzonder indien deze zich op dezelfde site of campus bevinden.
Doorgaans gaat het hier om de provinciale bestuurschool, brandweerschool en
de opleidingen voor dringende geneeskundige hulpverlening (DGH). Dit bevordert
ook een zekere externe oriëntering zoals hierboven aangegeven. Mogelijk nadeel
is wel dat de externe oriëntering hierbij beperkt blijft tot een overheidsdienst,
wat ook met ‘verambtelijking’ gepaard kan gaan (zie infra).
Politieonderwijs onder zulke provinciale koepelstructuur bindt de school aan
een provinciale administratie met eigen regels en procedures. Dit biedt een
ondersteuning, maar kan ook de mogelijkheid belemmeren om een dynamisch beleid
te ontwikkelen en snel op specifieke opleidings‑ en vormingsbehoeften
in te spelen.
Anderzijds zijn er scholen die in een vzw-structuur werken. Deze structuur
biedt het voordeel soepel te kunnen werken en bindt korpsen door lidmaatschap(sgelden)
sterk aan de school. Zulke structuur kan in principe snel inspelen op nieuwe
behoeften en maakt ook een transparant financieel beheer gericht op maximale
rentabiliteit mogelijk. Mogelijk nadeel is de vzw als ‘einzelgänger’
binnen het geheel. Ze is minder ingebed in het geheel van de geïntegreerde
politie en de eis tot rentabiliteit moedigt de school aan om voortdurend nieuwe
afzetmarkten te vinden. Dat bevordert mogelijke concurrentie met andere scholen,
wat tot het onderling afsnoepen van studenten kan leiden.
Vrij vaak wordt opgemerkt dat de sterk gedecentraliseerde structuur
van de politiescholen leidt tot versnippering, incoherentie en gebrek aan
kritisch minimum (leefbaarheid) voor de scholen. Misschien is het niet zozeer
de decentrale organisatie dan wel de behoefte van elke provincie om een school
onder haar vleugels te hebben. Zeker in het Brusselse (en in de rand) zijn
de scholen goed vertegenwoordigd.
Men zit dus met verschillende inrichtende machten. Wat ontbreekt ten opzichte
van het reguliere onderwijs is een overkoepelend departement onderwijs, dat
de eindtermen vastlegt, werkingsnormen bepaalt en inspecties uitvoert. Wat
dit laatste aspect betreft, is er zeker nood aan ondersteuning van het pedagogische
proces in de scholen, meer in het bijzonder ondersteuning en vorming van docenten [117]
.
Momenteel is er ontegensprekelijk nog marge voor meer synergie tussen de scholen,
alsook voor een optimalisering van de contacten en relaties tussen de lokale
scholen en de federale politie.
Waar men in beginsel stelde dat de fundamentele beslissingen in de materie worden genomen door de minister (van Binnenlandse Zaken) die zich hierbij kon laten adviseren door externen, stellen we vast dat het politieonderwijs, de werkingsprincipes en de organisatie ervan, alsook de intrede ertoe via werving en selectie een louter interne politieaangelegenheid is geworden. Dit niettegenstaande nogal wat mensen dit als belangrijke bekommernis voordien reeds naar voren schoven en men ervaringen in Nederland hiermee al kon meenemen [118] .
De externe inbreng uit het niet-politionele milieu of
een zekere integratie of afstemming van het politionele in het reguliere onderwijs
bijvoorbeeld is erg beperkt tot onbestaande. In die zin gebeurt het socialisatieproces
van mensen die bij de politie gaan volledig intern. In de selectie is er geen
inbreng van externen. We denken onder meer aan betrokkenen uit het veiligheidsveld,
zoals het forensische welzijnswerk, bijzondere jeugdzorg, gevangeniswezen,
magistratuur, academische wereld of aan mensen die met jongeren en in de hulpverlening
werken. Ook het aantal externe docenten in de opleiding is erg beperkt. In
de officierenopleiding bv. is hun impact ook beperkt aangezien ze geen eigen
examens afnemen voor hun vak. Een inschatting maken van het potentieel om
een goede politiemens te worden of de functie aan te kunnen wordt bijgevolg
quasi volledig voorbehouden aan de politie zelf. Daarbij groeit de kans dat
bepaalde interne socialisatiemechanismen aspecten van de bestaande politiecultuur
met disfunctionele opvattingen of stereotype beelden gaan overnemen. We verwijzen
hierbij naar crimefighting-cultuurkenmerken zoals o.m. de isolatie
van de samenleving, achterdocht jegens burgers, cynisme, machogedrag, het
‘thin blue line’-gevoel e.a. die de ontwikkeling van een gemeenschapsgerichte
politiezorg, zoals ze in ons land wordt gepropageerd, sterk in de weg kunnen
staan. Hiertegen is actueel ruim onvoldoende extern tegengewicht.
Wanneer in de fase van de rekrutering sterk de nadruk wordt gelegd op de marketing
van de politiefunctie (en dat doet men zeer goed), bestaat de kans tot versterking
van wat “anticiperende socialisatie” wordt genoemd. Mensen zijn geïnteresseerd
en hebben een bepaald idee over politie en de kans bestaat dat door te weinig
kritische toetsing hiervan vooraf bij de rekrutering onrealistische of disfunctionele
opvattingen bestendigd worden.
Het feit dat de opleiding betaald is en men vanaf dan onder
het aantrekkelijke politiestatuut valt, vormt ongetwijfeld een aantrekkingskracht
voor de aspiranten en biedt hen vele voordelen. Vanuit het voorgaande perspectief
bekeken, is het echter niet ondenkbeeldig dat dit het overnemen van disfunctionele
of stereotype opvattingen bevordert. Men heeft immers het gevoel al ‘binnen’
te zijn en deel uit te maken van de groep. Een groep en milieu waaraan men
zich als ‘novice’ zo vlug mogelijk dient te conformeren [119]
.
Door het ambtenarenstatuut is de impact van de politievakbonden op de opleiding
eveneens versterkt en misschien zelfs nu al te sterk. Dit kan het normale
pedagogische proces sterk doorkruisen en, nogmaals, mogelijke disfunctionele
aspecten van de politiecultuur versterken.
Het betaalde aspect van de opleiding – wat op zich het voorwerp van een grondig debat zou mogen uitmaken – maakt ook dat de druk om op zo kort mogelijke tijd zo veel mogelijk functionarissen af te leveren, evenredig toeneemt. Deze druk is wellicht geen positief signaal tot verdere stapsgewijze verwerving van de nodige competenties (cf. via echte modulatie, infra) en verdere selectie in de opleiding. Gekoppeld aan een rekruteringsfase waarin weinig tot zelfselectie wordt aangespoord, maakt dit dat het beoordelen van iemands affiniteit met en geschiktheid voor de functie volledig in de selectiefase komt te liggen. Dit belemmert de coherentie en de ontwikkeling van een horizontale strategie tussen de rekrutering, selectie en opleiding.
Bij aanvang werd innoverend geopteerd voor een modulaire opleiding,
zoals die ook in het reguliere beroepsonderwijs wordt gepropageerd en zelfs
destijds één van de basisbeginselen was van het vernieuwde secundair onderwijs
of het VSO. De toenmalige rijkswacht had al een vorm van modulatie ingevoerd [120]
. Voordeel daarvan is het tegengaan van versnippering van kennisgebieden
en de integratie van theorie en praktijk (vorming van kennis, vaardigheden
én attitudes).
In de praktijk echter maakt de beperkte en betaalde opleidingstijd en de beperkte
beschikbaarheid van externe (politie)docenten de invoering van een echte
modulatie onmogelijk. De vakken worden dus alvast positief in modules gerangschikt,
maar het doorloopsysteem met feedback is er grotendeels uitgehaald. In de
kering maakt men gewag van het feit dat de versnippering en incoherentie hiermee
enkel is toegenomen.
We horen ook vaak de opmerking dat de juridische basiskennis (en opstellen
proces-verbaal e.a.) er in al de onderscheiden richtingen op achteruitging.
We verwijzen hier ook naar testen omtrent de kennis van de wet op het politieambt
georganiseerd door het Comité P. In de officierenopleiding bijvoorbeeld
was de oververtegenwoordiging van het aspect management (en de theoretische
invulling ervan) ten opzichte van de andere bestuurlijke en gerechtelijke
vorming opvallend en ontbeerde men intern de soepelheid om er een pragmatische
mouw aan te passen.
Met de herinvoering in de basisopleiding van de luiken 1 (agent van politie)
en 2 (inspecteur van politie) komt een aspect van feedback terug. Anderzijds
vormt men hierdoor groepen die een erg verschillend pedagogisch startniveau
kennen. Het niveau van de vorming van aspirant-agenten van politie situeert
zich doorgaans op het beroepsonderwijs, dat van de aspirant-inspecteur op
niveau technisch of algemeen secundair onderwijs tot en met universitair niveau.
Verder dient erop gelet in welke volgorde deze modules worden aangeboden en welke in het informele socialisatieproces de meeste impact hebben. Met andere woorden, komt het boeien van verdachten vóór de kennis van de werking van de partners (gemeente, OCMW, hulpverlening, enz.) en wat krijgt uiteindelijk het meeste gewicht en impact?
De vragen die hierdoor worden opgeroepen, zullen in de verdere fase van het onderzoeksproject van het Comité P naar de rekrutering, selectie en opleiding worden onderzocht.
Qua structuur van de opleiding bevelen we stapsgewijze hervormingen
aan door middel van de ontwikkeling van kwaliteitscriteria voor de inrichting,
organisatie en opvolging van de ganse keten (rekrutering-selectie en opleiding).
Hierbij verwijzen we opnieuw naar de principiële opties tot gemeenschapsgerichte
politiezorg en bijgevolg de externe inbreng van de samenleving in de ganse
keten. Dit betekent meer toetsing en zelfselectie in de rekruteringsfase.
Dit verdient een discussie over welk profiel men daarbij wil aantrekken (selecting
out én selecting in), in ‘welke vijver’ men daarbij wil vissen
(BO, TSO, ASO, hoger onderwijs) en welke mix daarbij gewenst is.
In de selectie betekent dit een doorgedreven toetsing van die competenties
die van tel zijn om aan de nieuwe politiemens gestalte te geven (vermogen
tot externe gerichtheid, probleemoplossing, partnerschap, empowerment
en verantwoording) en deze toetsing niet enkel door de politie te laten gebeuren.
Aangezien het hier ook om vaardigheden en attitudes gaat, bevelen we meer
praktijkgerichte tests aan zoals assessmentcenters en rollenspelen.
Het peilen naar integriteit vormt een ander belangrijk aandachtspunt voor
de selectiefase.
In de opleiding dient een verdere vertaling plaats te vinden van de gewenste
competenties door eindtermen voor de verschillende functionaliteiten te definiëren.
Als men het lokale politiebeleid stoelt op veiligheidsplannen waarin partners
en overheden zoals de bevolking, de burgemeester en het parket ruime inbreng
hebben, dan is het logisch dat ook hier zulke opleidingsdoelstellingen niet
enkel intern de politie worden bepaald.
In de organisatie van het onderwijs kan externe gerichtheid ook worden aangemoedigd
door meer externe inbreng van niet-politionele docenten, ook op structurele
basis. De vaste pedagogische medewerkers van de scholen zijn nu overwegend
enkel politiemensen. Synergie met het reguliere onderwijs kan leiden tot de
organisatie van opleidingsonderdelen in het reguliere onderwijs. Dit kan ook
een vorm van ‘kazernering’ tegengaan die een grote impact heeft op het socialisatieproces [121]
.
In dezelfde zin opperen we de mogelijkheid om ook stage buiten de politie
te lopen. Dit verruimt de blik en brengt de student in contact met andere
zienswijzen van doelgroepen of partners in het veiligheidsbeleid.
Ten slotte zou men daarmee, zoals in Nederland en Canada, moeten komen tot
diplomagelijkwaardigheid zodat het politiediploma ook elders kan worden gevaloriseerd [122]
. Voor de hogere en voortgezette opleidingen ligt zulke nauwere integratie
met bestaande al dan niet academische opleidingen voor de hand (cf. ook synergie
met magistratenopleiding). De kwaliteitscontrole erop dient ontwikkeld met
de betrokken scholen en met inbreng van knowhow door de departementen onderwijs
van de gemeenschappen.
Indien men deze opnieuw uitsluitend intern en centraal concipieert, zal dit
het draagvlak ervoor sterk hypothekeren. Bij de voorstellen daartoe, zoals
ze nu voorliggen, bestaat het reële gevaar dat ze in de uitwerking beperkt
zullen blijven tot een veeleer formalistische aftoetsing van vormvereisten.
Ook het instellen van een centraal examen biedt mogelijkheden tot coherentie.
Dit zal leiden tot een sterke normering van wat men moet kennen. Maar zal
dit een minimum‑ of maximumnorm worden? Met andere woorden, er dient
op gelet te worden dat zo’n examen daarbij een (onbewust en ongewenst) nivellerend
effect kan hebben. Ook hier is andermaal externe inbreng noodzakelijk.
De vraag over de toekomst van de opleiding is ons inziens bijgevolg niet steeds centraal of decentraal, maar wel hoe en in welk perspectief en met welke inbreng vanuit de politie en daarbuiten.
Hoofdstuk III:
Globale en geïntegreerde monitoring van de politiediensten
Afdeling 1:
Beschikbare informatie bij het Vast Comité P en informatie hem toegezonden
– Evaluatie van de tendensen inzake klachten en aangiften in 2006
Globaal gesteld en rekening houdend met het aantal en de aard van de interventies die de politiediensten op jaarbasis presteren en de veelal aanwezige tijdsdruk kan gesteld worden dat de meerderheid van de politiezones goed werken of op de best mogelijke manier, gegeven de omstandigheden waarin ze zich bevinden. Er kan immers niet genoeg benadrukt worden dat politieambtenaren dikwijls binnen een zeer korte tijdspanne zeer belangrijke beslissingen moeten nemen op basis van veelal onvolledige informatie. Dit betekent ook dat het Comité P zich er steeds goed van bewust is dat het, wanneer het achteraf de feiten beoordeelt in alle rust en met alle elementen van de zaak voorhanden, absoluut rekening moet houden en ook houdt met deze realiteit. Ook de meest recente Veiligheidsmonitor lijkt aan te geven dat er globaal genomen een vrij hoge mate van tevredenheid bij de bevolking is voor het optreden van de politie.
In de vorige jaarverslagen werden vergelijkende tabellen gepubliceerd
van 2000 tot 2006 gevolgd door een bespreking van de ontvangen en verwerkte
informatie. In dit jaarverslag worden geen vergelijkende tabellen opgenomen
over zulke lange periode. De lezer krijgt dit jaar een overzicht van de door
het Comité P bewerkte gegevens die niet volledig vergelijkbaar zijn met
de analyses en tabellen van de voorgaande jaren.
De redenen zijn multipel. Het Comité P is intern met een reorganisatie
gestart voor de behandeling van de klachten die rechtstreeks bij het Comité
worden ingediend. Hierdoor zijn er nieuwe afspraken gemaakt rond de verwerking
van de gegevens.
Een tweede factor is het feit dat via het aangepaste artikel 10 van de
wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie‑
en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse [123]
, de zogenaamde code 127, de federale politie en de lokale korpsen
meer autonomie kregen inzake de behandeling van klachten en zij bijgevolg
in 2006 rechtstreeks een zeer groot gedeelte van de klachten zelf behandelden.
Het Comité P ontvangt echter nog steeds hun gegevens met betrekking tot
de afhandeling van deze klachten op basis van het onderzoek door het korps
volgens een soms eigen methodiek.
Derde reden voor verandering is het feit dat het Comité P geopteerd heeft
voor een andere wijze van verslaggeving in de toekomst en zijn volgende jaarverslag
zal in principe gebaseerd zijn op het EFQM-model gekoppeld aan het MAPE-spectrum
dat werd ontwikkeld door professor Bouckaert [124]
– MAPE staat voor Middelen, Activiteiten, Prestaties en Effecten. Vergelijkende
tabellen zijn dan ook niet meer in dezelfde mate nodig omdat deze, in principe,
reeds in de loop van het jaar zullen gepubliceerd zijn en in het jaarverslag
alleen nog de verwijzing waar en de bespreking van de vaststellingen zal opgenomen
worden. Door een verbeterde toepassing van de database kunnen er nu dag aan
dag en per korps statistische gegevens opgevraagd worden en dit over de verschillende
categorieën wettelijk mee te delen informatie.
Als overgang tussen de vorige jaarverslagen en de toekomstige wordt u volgende analyse aangeboden.
Het Vast Comité P ontving of behandelde in 2006 informatie over 7 476 dossiers:
Tabel 7 : Algemene cijfergegevens 2006

Ten opzichte van 2005 vertoont het aantal klachten rechtstreeks
ingediend bij het Vast Comité P een stijging van 4 %.
De Dienst Enquêtes werd in 2006 met 128 minder gerechtelijke onderzoeken belast
ten opzichte van 2005, dit is een daling met bijna 22 %.
Het aantal medegedeelde (klachten)dossiers door de AIG en door de politiediensten
vertoonde met 16,3 % dossiers minder een neerwaartse trend.
De medegedeelde uitgesproken vonnissen en arresten kenden een daling met 8 %,
terwijl de medegedeelde opsporingsonderzoeken toenamen met 8,4 %.
Ten slotte werden in 2006 111 meer tuchtdossiers beëindigd dan in 2005, wat
een verhoging geeft met 16,6 %.
Niettegenstaande er verschillende dalingen kunnen aangeduid worden, werd, wat het totaal aantal dossiers betreft, het Vast Comité P in 2006 in 1 235 dossiers minder gevat dan in 2005 (8 711) of was er een daling van bijna 16 %.
In de verdere bespreking per onderwerp zal duidelijk worden dat dit een relatieve stijging is.
Vorig jaar werden in totaal 2 314 klachten rechtstreeks
bij het Comité P ingediend, waarvan 2 006 ten laste van de lokale
politie. Aan de hand van deze 2 006 klachten kan men regionale verschillen
bemerken. Over 3 politiezones ontving het Comité P meer dan 100 klachten,
met name de zones Brussel-Hoofdstad/Elsene 5339 (324), Brussel Zuid 5341 (101)
en Antwerpen 5345 (157).
Deze cijfers staan in schril contrast met andere grote zones zoals Gent 5415
(51), Charleroi 5330 (37), Luik 5277 (38) en Brussel-West 5340 (66). Opvallend
is ook dat sommige betrekkelijk kleinere zones zoals Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-ten-Node
5344 met 72 klachten, Leuven 5388 met 42 en Oostende 5449 met 33 klachten
relatief hoog scoren. Deze 10 zones zijn samen goed voor 921 klachten
of 45,91 % van de totaliteit der klachten ten laste van de lokale politie.
Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat meer dan 50 % van de
klachten verdeeld wordt over de overige 186 zones
Tegen alle andere zones werd minstens 1 klacht ingediend, zodat er in
2006 geen enkele zone zonder klachten werd genoteerd. Een klachtenvrije zone
hebben, is dus misschien wel een streefdoel maar geen te verwachten realiteit.
Eenzelfde tendens zien we bij de 2 519 klachten die rechtstreeks
bij het lokale korps werden neergelegd. Bij verschillende korpsen werden meer
dan 100 klachten rechtstreeks ingediend, wat volgende regionale verschillen
geeft: Brussel-Hoofdstad/Elsene 5339 (158), Brussel-West 5340 (150), Brussel
Zuid 5341 (148), Antwerpen 5345 (455), Gent 5415 (187). Andere korpsen die
verschijnen op de shortlist zijn Montgomery 5343 (97), Ukkel/Watermaal-Bosvoorde/Oudergem
5342 (67), Leuven 5388 (74), Brugge 5444 (57), Schaarbeek/Evere/Sint-Joost-ten-Node
5344 (55), Hekla 5349 (35), RIHO 5453 (40) en Grensleie 5455 (39). Deze 13 korpsen
vertegenwoordigen 1 562 klachten of 62 % van het totaal.
De 80/20-regel van Pareto vindt hier dan ook geen toepassing.
De andere zones hebben minder klachten laten optekenen, maar
er is ook hier geen enkel korps dat volledig klachtenvrij is.
Als we het geheel van alle klachten beschouwen, dient opgemerkt dat vooral
de zones van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hoog scoren.
Het Comité P heeft dan ook in zijn werkingsjaar 2006 bijzondere aandacht
geschonken aan hogervermelde korpsen, zoals u verder in het verslag zult merken.
Ook wordt het door de vernieuwde regiowerking van de leden van het Vast Comité P,
die eerder in dit verslag werd besproken, mogelijk om rechtstreeks en zeer
snel de vastgestelde klachten met de korpsleiding te bespreken.
Om zich een beeld te vormen van de totale omvang van de klachten en aangiften, dient het aantal klachten bij het Comité P dus vermeerderd te worden met de 2 665 aangiften door de politiediensten zelf en in mindere mate door de AIG, waardoor het totaal aantal geregistreerde klachten 4 979 bedraagt. Dit is een vermindering met 425 ten opzichte van 2005, toen er in totaal 5 404 klachten geregistreerd werden. Bij verdere analyse van de gegevens is de vermindering ook gedeeltelijk te wijten aan de verbetering van de aan het Comité P gezonden informatie en de verwerking ervan waarbij dubbeltelling zo veel mogelijk vermeden wordt. In elk geval kan als besluit genomen worden dat de klachten niet spectaculair gedaald zijn ten opzichte van de voorbije jaren, zo ook niet in vergelijking met 2005. Bijna alle klachten worden door individuele burgers neergelegd. Dit betekent dat een kleine 5 000 situaties aanleiding hebben gegeven tot het formuleren van klachten, ongeacht of deze nu terecht zijn of niet.
Deze vaststelling moet de korpschefs en de overheden er blijvend
toe aanzetten in eigen boezem te kijken en voor hun korps een eigen klachtenanalyse
te maken, uitgaande van de filosofie dat elke klacht een gratis advies en
een signaal van niet ingeloste verwachtingen is.
Het aantal klachten (op 9 jaar tijd registreerde het Vast Comité P
28 915 klachten) blijft natuurlijk een hoog cijfer wanneer rekening
gehouden wordt met het aantal politieambtenaren die rechtstreeks in contact
komen met de bevolking.
Zelfs indien gesteld kan worden dat het overgrote deel van de klachten over
banaliteiten gaat, werpt dit toch een licht op de samenwerking en de goodwill
die de politie met de bevolking moet zien te onderhouden.
A. Klachten ingediend bij het Comité P
2 006 klachten hadden betrekking op de werking van de
lokale politie en 247 klachten waren gericht tegen de federale politie, voornamelijk
tegen leden van de Directie van de verbindingswegen (DAC), de GDA (nu federale
gerechtelijke politie (FGP)) en de Directie van de algemene reserve (DAR).
Naar de taal van de klager toe werden 1 110 Franstalige klachten en 1 182
Nederlandstalige klachten genoteerd [i]
.
Zoals de vorige jaren reeds werd aangetoond, is er ook nu geen
grote verschuiving waar te nemen wat de allegaties betreft.
Machtsoverschrijding (161), klantonvriendelijkheid (206), neutraliteit-onpartijdigheid
(120), niet akteren (169), niet optreden (110), ongelijke behandeling (103),
onjuiste vaststellingen (181), willekeurige vrijheidsberoving (89), gewelddaden
tegen personen en goederen (242), schending van het beroepsgeheim (53), daden
van willekeur (65), racisme (49), pesterijen (56), verkeer (59) en overacting
(29) zijn grieven die regelmatig tot uiting komen in de klachten. Wat nieuw
lijkt, zijn de pesterijen en klachten rond personeelsbeheer en werving.
Ten slotte weze vermeld dat de invoering van een gestandaardiseerd
model van klachtenformulier op de website vanaf het eerste uur een zeer groot
succes heeft gekend.
Zo werd 27 % van de klachten per e-mail ingediend; 1 035 klagers
verkozen een brief; daarnaast gaven 336 processen-verbaal van de eigen Dienst
Enquêtes P ook aanleiding tot het behandelen en onderzoeken van een klacht.
B. Klachten rechtstreeks ingediend bij het korps
Ook hier is de overgrote meerderheid tegen de lokale politie
gericht (2 519), terwijl het aandeel van de rechtstreekse klachten ingediend
bij de federale politie bescheidener is (117), wat te verklaren is door de
getalsterkte van de lokale politie en vooral door het feit dat zij in de uitoefening
van haar taken meer in rechtstreeks contact komt met de bevolking.
De vergelijking met de bij het Comité P ingediende klachten tegen de
federale politie wijst op het feit dat mogelijks de drempel te hoog is voor
de klager ofwel dat hij weinig vertrouwen heeft in de afhandeling van zijn
klacht door de betrokken dienst.
Wat de aangeklaagde feiten betreft, deze gaan grosso modo over dezelfde
fouten of disfuncties als in de klachten bij het Comité P, maar is er
toch een nuance te onderscheiden in de overige feiten.
Meer dan in de klachten bij het Comité P wordt rechtstreeks veelvuldig
geklaagd over handelingen en houdingen in en buiten dienst die de waardigheid
en het imago van het ambt aantasten; het niet of slecht naleven van de verplicht
gestelde procedures; agressieve houding, intimiderende houding; gebrek aan
verantwoordelijkheid.
Nog steeds is het takelen een item, met name de slechte uitvoering van de
opdracht en het opstellen van het proces-verbaal terzake.
De ingediende klachten zijn allegaties die meestal op basis
van een eigen onderzoek door de korpschef, de dienst intern toezicht, de AIG
of het Comité P getoetst worden. Niet elke klacht leidt tot een actie
ten opzichte van de betrokken politieambtenaar of het korps. De mensen vergeten
dat de politie werkt binnen de grenzen van legitimiteit en proportionaliteit.
Deze grenzen worden best niet door de betrokkene(n) zelf geëvalueerd, dit
is één van de belangrijke lessen die we na meer dan tien jaar klachtenanalyse
onthouden.
Elk controleorgaan dient wel degelijk rekening te houden met de context waarbinnen
de feiten zich zouden afgespeeld hebben.
Om een analyse te maken van de door het Comité genomen beslissingen werden uit de database alleen deze dossiers weerhouden die gestart en ook afgesloten werden in 2006. In dergelijk referentiekader betreft de onderstaande tabel 1 508 klachtendossiers die rechtstreeks werden ingediend bij het Comité. Er zijn ook klachtendossiers binnengekomen bij het Comité die voor autonome afhandeling naar de korpsen werden gezonden. Het betreft 552 geopende en gesloten dossiers in 2006.
Tabel 8 : Door het Comité genomen beslissingen

Buiten deze beslissingen zijn er uiteraard nog tal van andere die in deze 1 508 dossiers werden genomen, maar hier werden slechts deze weerhouden die relevant zijn op het vlak van de afhandeling van de klachtendossiers.
Te weerhouden als conclusie is zeker dat in 6,75 % van de dossiers het Comité eenvoudigweg niet bevoegd is en dat een even groot percentage dossiers onmiddellijk overgemaakt wordt aan het openbaar ministerie voor verder gevolg. In 45,28 % van de dossiers werd er geen fout of disfunctie weerhouden, wat erop duidt dat de politie in bijna de helft van de klachten gelet op de soms specifieke omstandigheden correct is opgetreden.
Ruim 17 % van de dossiers geeft een te zwakke klacht naar feiten toe en kan dan alleen als vrijblijvende allegatie beschouwd worden.
Wanneer geteld wordt hoeveel dossiers werkelijk leiden tot
de conclusie van een foutief optreden of een duidelijk aanwezige disfunctie,
dient dit percentage geplaatst te worden in orde van grootte van 8,61 %.
Bij extrapolatie van deze berekeningen op het totaal aantal afgesloten dossiers
(2 063 voor 2006) dient enige voorzichtigheid in acht genomen te worden,
maar het zou toch gaan over minimaal 177 dossiers.
Vraag is vinden wij deze grootheid van gegevens terug in de
(autonome) beslissingen van de korpsen? Op de 552 weerhouden klachtendossiers
vinden wij 12,68 % terug als ongegrond (70); 7,97 % als onvoldoende
bezwaren (44); 3,98 % als geen concrete elementen (22). Zowat een kwart
(24,63 %) van het totaal van de klachtendossiers is zeer zwak wat feiten
betreft.
Wat met het weerhouden van verantwoordelijkheden? In 28,98 % werd geen
fout (160) weerhouden en in 28,26 % ook geen disfunctie (156). Samen
is dit goed voor 57,24 % van de klachtendossiers. In 40 dossiers
of 7,24 % werd een individuele fout weerhouden en in 27 dossiers
of 4,89 % een organisatorische disfunctie. Er werden geen beslissingen
in verband met individuele disfuncties genomen. Beide disfuncties samen betekenen
dat in 12,13 % van de gevallen er wel terecht klacht werd neergelegd.
34 dossiers gaven aanleiding tot verbeteringen of 6,15 % van de
gevallen.
Uit bovenvermelde cijfers blijkt duidelijk dat het Vast Comité P en de politiekorpsen elk jaar honderden klachten ontvangt die kennelijk niet gegrond, volledig fantaisistisch of zelfs ronduit lasterlijk of eerrovend zijn. Deze onnodige klachten hypothekeren de werking van het Vast Comité P en slorpen een deel van de werkingskosten op zonder dat er enige maatschappelijke meerwaarde uit voortvloeit. De mogelijkheid tot aangifte door de burger werd juist ingevoerd om de werking van de overheid te bevorderen en niet om die te boycotten. Gelukkig kan het Vast Comité P hier als eerste filter de politieambtenaar behoeden voor de massa klachten die als louter doel hebben de politiedienst in een slecht daglicht te stellen of de politieman of ‑vrouw in zijn of haar functie te schaden.
Klachten moeten dan ook beantwoorden aan kwaliteitscriteria en de burger heeft als eerste plicht zelf loyaal mee te werken. Een klacht die te kwader trouw wordt ingediend, is een teken van incivisme en dient gepareerd te worden. Ten teken van openheid en het overtuigen van de burger tot het hebben van vertrouwen in ons politiebestel, heeft het Parlement al jaren zwaar geïnvesteerd in de diverse parlementaire organen zoals – naast het Rekenhof – het Vast Comité P en het Vast Comité I, alsook in interne of van de uitvoerende macht afhangende inspectiediensten zoals de AIG [125] . De burger mag dan ook deze openheid en drempellaagheid niet misbruiken om persoonlijke rancunes bot te vieren of om wraak te nemen. Indien het Parlement, samen met het Vast Comité P, tot de conclusie komt dat lasterlijke aangiften ontraden dienen te worden, moeten er passende maatregelen worden genomen, minstens moet er een campagne tot voorlichting van de burger komen om te vermijden dat hij misbruik maakt van zijn klachtrecht.
Verder in dit jaarverslag, bij de bespreking van de vonnissen
en arresten, zal u op pertinente wijze kunnen lezen waartoe lasterlijke aangiften
kunnen leiden.
Het Comité P zal er een erezaak van maken om ter bescherming van de individuele
politieambtenaar een actieplan tegen lasterlijke aangifte te ontwikkelen.
Wij doen hier al een dringende oproep aan iedereen om geen misbruik te maken
van zijn klachtrecht en aldus op positieve wijze mee te werken aan de goede
werking van onze instellingen en de democratische ontwikkeling van onze samenleving.
Het Vast Comité P heeft aan het Parlement verslag uitgebracht
over een analyse van klachten en aangiften voor de periode 1 januari 2006
tot 1 juli 2006, verslag dat door deze bijdrage vervolledigd wordt.
Een conclusie van toen, die ook nu nog kan gelden, is dat er zeer veel betwistingen
in verband worden gebracht met politionele vaststellingen en de wijze waarop
klagers worden aangesproken en behandeld.
De onderbouw van deze analyse wordt besproken in een afzonderlijke publicatie
van het Vast Comité P met als titel “Bloemlezing van klachten met
commentaar van het Vast Comité P. Waar loopt het mis tussen burger en
politie? Bestaat er een remedie?” [126]
.
Een analyse over de referentieperiode 1994 tot 1 juni 2006, waarin
12 215 dossiers werden geopend als gevolg van allerhande klachten
of aangiften, kan gevonden worden in de opeenvolgende jaarverslagen van het
Vast Comité P en o.m. op de site www.comitep.be.
Wat de feiten van racisme betreft, heeft het Vast Comité P, onverminderd zijn klassieke interne analyses, in de loop van 2007 een beroep kunnen doen op een stagiair criminologie die onder leiding en met omkadering van het Comité een kwantitatieve en kwalitatieve dossieranalyse heeft gemaakt met betrekking tot de klachten die burgers tussen 2000 en 23 april 2007 bij het Comité P hebben ingediend wegens racisme bij de politiediensten. Zodra deze studie een academisch fiat krijgt, zal ze in principe, indien nodig mits de nodige aanpassingen, gepubliceerd worden.
Zoals in de eerste tabel werd vermeld, werden er aan de Dienst
Enquêtes 439 gerechtelijke onderzoeken toevertrouwd. Uiteenlopende opdrachten
werden gegeven in delicate casussen waarvan sommige de pers hebben gehaald.
Gelet op het geheim van het onderzoek spreekt het vanzelf dat het Comité P
niet overgaat tot publicatie van of mededelingen omtrent specifieke dossiers.
Dit verslag komt wel tegemoet aan de openheid van onze werking zodat de lezer
weet dat een groot deel van de capaciteit van de Dienst Enquêtes opgaat aan
gerechtelijke opdrachten.
Tabel 9 : Gerechtelijke onderzoeken per arrondissement

De opdrachten tot gerechtelijke onderzoeken zijn door het Vast Comité P zelf niet te sturen en hangen af van de feitelijke gebeurtenissen. Hoewel elke commissaris-auditor een gerechtelijk proces-verbaal mag opstellen, worden de beslissingen tot verdere opdrachten voor onderzoek niet door de dienst zelf genomen. In een tabel die u na deze tekst kan vinden, zijn de dossiers opgedeeld per opdrachtgever.
In vergelijking met vorig jaar werden er 128 dossiers minder toevertrouwd aan de Dienst Enquêtes. Wij weten dat deze vermindering in belangrijke zo niet uitsluitende mate te maken heeft met de reorganisatie van het onthaal en het direct en systematisch verhoren van klagers te Brussel waarbij het fysiek onthaal met onmiddellijke klachtopname werd afgebouwd. Dit effect zien wij ook op de ingediende klachten die op andere wijzen zoals e-mail en brief binnenkomen.
Deze vermindering vindt men het sterkst terug in het arrondissement Brussel, dat 83 opdrachten minder gaf dan in 2005. In de volgende gerechtelijke arrondissementen bedroeg deze daling respectievelijk: Antwerpen (- 20), Gent (- 7), Luik (- 6), Namen (- 21) en Nijvel (- 14).
Andere arrondissementen kenden dan weer een lichte toename
van het aantal opdrachten toevertrouwd aan de Dienst Enquêtes, zoals Tongeren
(+ 2), Oudenaarde (+ 12) en Charleroi (+ 13).
Van de 439 toevertrouwde dossiers zijn er 302 beëindigd binnen het jaar, werden
er 110 zonder gevolg geklasseerd en zijn er nog 27 lopende.
Van die onderzoeken waren er o.m. 362 gericht tegen leden van de lokale politie,
69 tegen de federale politie en 1 tegen de Algemene inspectie
[ii] .
De Dienst Enquêtes werd gevat door:
Tabel 10 : Vatting van de Dienst Enquêtes

Uit alle gerechtelijke dossiers werden in totaal 551 feiten gedistilleerd waarvan de meest voorkomende in onderstaande tabel zijn opgenomen.
Tabel 11 : Verdeling volgens de aard van de inbreuk

Het is zeer moeilijk een vergelijking te maken met de voorgaande
jaren omdat dan ook rekening dient te worden gehouden met de gerechtelijke
opdrachten die door andere onderzoekers werden uitgevoerd.
Wel kan in vergelijking met vorig jaar gesteld worden dat het aandeel van
de feiten met betrekking tot slagen en verwondingen ook hier het grootst was.
De valsheden vertonen ook proportioneel een stijging in 2006.
In eerdere jaarverslagen werd er verslag uitgebracht over de
toepassing van de aangifteplicht van elk lid van een politiedienst dat een
misdaad of wanbedrijf door een lid van een
politiedienst gepleegd, vaststelt. Deze opdracht ligt vervat in het artikel 26
van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op politie‑
en inlichtingendiensten en op het Coördinatieorgaan voor de dreigingsanalyse [127]
.
Deze informatieve verslagen worden overgemaakt aan de directeur-generaal van
de Dienst Enquêtes.
In totaal werden er 567 informatieve verslagen ingezonden. Hieronder vindt
u de verdeling per arrondissement.
Tabel 12 : Aangifte van misdaden of wanbedrijven per arrondissement

Veruit de meeste aangiften kwamen van de lokale politie nl. 530; van de federale politie kwamen er 35 en 2 betroffen MIVB-agenten.
Volgende feiten kwamen in de aangiften, in dalende orde, het meest voor:
Tabel 13 : Verdeling volgens de aard van de inbreuk

Indien het openbaar ministerie niet op de hoogte zou zijn van de aangegeven strafrechtelijke feiten, kan de directeur-generaal steeds een aanvankelijk proces-verbaal opstellen dat overgemaakt wordt aan de bevoegde procureur des Konings.
Het Vast Comité P dient ook automatisch op de hoogte gebracht
te worden door de procureur des Konings van opsporingsonderzoeken die lastens
een politieambtenaar gestart worden.
Zoals volgende tabel weergeeft, zijn er tussen de verschillende arrondissementen
nogal wat verschillen waar te nemen. De wel doorgegeven gegevens zijn belangrijk
genoeg want het gaat het toch in totaal om 1 173 gestarte onderzoeken.
Tabel 14 : Opsporingsonderzoeken per arrondissement

De meeste onderzoeken zijn gestart naar de lokale politie nl.
1 043 en 121 naar de federale politie. Opmerkelijk is wel dat 40 opsporingsonderzoeken
gestart werden naar GDA’s (nu FGP), wat een aanwijzing oplevert dat het openbaar
ministerie ook kritisch is ten opzichte van de federale gerechtelijke politie.
Er is wel een onderscheid merkbaar op het vlak van de taal van de betrokkene,
namelijk 511 Franstaligen tegenover 206 Nederlandstaligen.
Wegens welke feiten werden opsporingsonderzoeken gestart?
In belangrijkheid worden de feiten die meer dan 10 % van de opsporingsonderzoeken
uitmaken, hierna, in dalende orde, vermeld:
Tabel 15 : Verdeling volgens de aard van de inbreuk

Mits enig voorbehoud kunnen we ook de beslissingen nagaan die
door het openbaar ministerie in opsporingsdossiers werden genomen. Daar het
Vast Comité P niet alle informatie van alle arrondissementen heeft ontvangen,
kan steekproefsgewijze in de vijf hoven van beroep worden gepeild naar de
medegedeelde beslissingen die na of tijdens het opsporingsonderzoek door het
parket werden genomen.
Wij ontvingen informatie dat in 237 dossiers geen misdrijf werd weerhouden;
in 216 waren er onvoldoende bewijzen; 48 dossiers werden nadien zonder
gevolg geklasseerd; 25 beslissingen steunden op toevallige feiten die
hun oorzaak vinden in specifieke omstandigheden. In 27 dossiers werd
wel een beslissing tot verwijzing genomen.
Deze beperkte gegevens zijn alleen richtinggevend en kunnen niet leiden tot absolute uitspraken. Als het merendeel (453) van de beslissingen bestaat uit geen misdrijf weerhouden of onvoldoende bewijzen en er slechts 27 dossiers verwezen werden, rijst niettemin het zeer sterke vermoeden dat zeer weinig opsporingsonderzoeken uiteindelijk leiden tot een strafrechtelijke vervolging of veroordeling.
Bij de analyse van de ontvangen vonnissen zal hieraan ook aandacht besteed worden (cf. verder).
In totaal werden er 779 tuchtuitspraken door de tuchtoverheden
meegedeeld. Dit zijn in vergelijking met 2005 (701 tuchtuitspraken),
78 uitspraken meer of een stijging met 11 %. 627 beslissingen
werden genomen door lokale tuchtoverheden en 121 door de federale tuchtoverheden
en voor het overige waren het tuchtuitspraken in scholen en opleidingscentra
en onjuiste aangiften.
In de schoot van de federale politie gaat het voornamelijk over de DAR (36),
GDA’s (nu FGP) (22) en de DAC (39).
Deze ontvangen uitspraken betreffen niet alle korpsen, sommige hebben immers
de afgelopen jaren geen tuchtsancties genomen. Opvallend is wel is dat sommige
korpsen in verhouding tot andere meer uitspraken hebben gedaan.
De volgende lijst bevat alleen korpsen die meer dan 10 tuchtmaatregelen
hebben genomen:
Tabel 16 : Korpsen waarin minstens 10 tuchtmaatregelen werden genomen

De meest voorkomende feiten waarvoor tuchtsancties werden uitgesproken, worden hierna in dalende orde weergegeven:
Tabel 17 : Feiten waarvoor tuchtmaatregelen werden genomen

Wanneer deze cijfergegevens gelegd worden naast deze van de
in hoger rubriek besproken feiten bij de klachten, aangiften, gerechtelijke
onderzoeken, enz., dan merkt men op dat de tuchtsanctie meestal wordt genomen
voor feiten die weinig of slechts in geringe mate voorkomen in de andere overzichten.
Veel feiten die ook als bewezen aanvaard worden in klachten of gerechtelijke
onderzoeken, worden evenwel niet teruggevonden in de tuchtsancties.
Anderzijds is het niet automatisch zo dat een ingeleide tuchtprocedure
ook een tuchtsanctie tot gevolg heeft. Van de 779 dossiers werden er
750 door de eigen dienst intern toezicht onderzocht, wat het belang van deze
dienst inzake tucht benadrukt.
Voor één dossier werd gerapporteerd dat het ook overgemaakt werd aan het openbaar
ministerie, de andere werden strikt intern geregeld. Zoals blijkt uit de volgende
tabel zijn de lichtere sancties ook ditmaal duidelijk overwegend aanwezig.
Tabel 18 : Tuchtstraffen

Ook blijft het door het Vast Comité P uitgegeven Cahier “Moet er nog tucht zijn? Een analyse en bedenkingen bij vijf jaar tuchtbeleid van de politie” [128] actueel. Er zijn veranderingen waarneembaar maar de meeste tuchtoverheden wachten blijkbaar op een nieuwe en werkzamere tuchtwet alvorens voluit te gaan.
Het Vast Comité P schreef in dat cahier: “In een organisatie
waar men goed opgeleid, gemotiveerd en bekwaam is en waar men bereid is tot
samenwerken, heerst een positieve discipline. De discipline of tucht is het
zich houden aan bepaalde opgelegde regels of voorschriften van gedrag en is
daardoor voorspelbaar. Als deze positieve discipline niet aanwezig is, zal
het gedrag dienen te worden bijgestuurd hetzij door een beloningsstructuur,
hetzij door sancties indien de discipline faalt. Discipline heeft tot doel
voor de burger zekerheid te scheppen betreffende het optreden van de politieambtenaar.
De openheid en standvastigheid van een korps en zijn leiding kan worden
afgemeten aan de hand van het tuchtbeleid. Dit geeft een duidelijk beeld van
de waarden en normen waarvoor de organisatie staat. Indien de burger meer
vertrouwen in het politiekorps wil krijgen, dan moet hij ervan overtuigd zijn
dat het principe “de ene dekt de andere” niet van toepassing is.
De erkenning dat ook de politie fouten kan maken, maar dat die fouten ook
worden opgevolgd en zo nodig gesanctioneerd, zal veel sneller een gunstige
invloed hebben op het imago dan de publicatie van talloze statistieken” [129]
.
Dit geldt niet alleen voor feiten die in de ruime publieke belangstelling komen, maar vooral voor al die kleine incidenten die blijvende wrevel bij de burger oproepen. Zeer veel belang moet dan ook gehecht worden aan tal van andere feiten die niet rechtstreeks te maken hebben met de werking van het korps maar vooral met de hoffelijkheid die men automatisch moet tentoonspreiden bij de contacten met de burger. Ook hier is het tuchtrecht een middel om bij te sturen.
De publicatie van de deontologische code heeft op het eerste gezicht nog niet zichtbaar bijgedragen tot een heroriëntering van de te bestraffen feiten, wat te betreuren valt. Maar wellicht is het nog wat te vroeg om hieromtrent reeds definitieve uitspraken te doen.
In totaal werden 106 beschikkingen, vonnissen en arresten meegedeeld door de rechterlijke overheden waarin ten aanzien van 127 politieambtenaren en agenten van politie een rechterlijke uitspraak op strafrechtelijk (en eventueel burgerrechtelijk) gebied werd geveld. Van de 106 uitspraken gingen er 11 beschikkingen uit van een onderzoeksgerecht. Dit kan ofwel een beschikking houdende regeling van de rechtspleging zijn (hetzij verwijzing naar het vonnisgerecht, hetzij een buitenvervolgingstelling) dan wel een uitspraak ten gronde (opschorting van de uitspraak van de veroordeling of een internering). In de 116 rechterlijke beslissingen van een bodemrechter gaat het daarentegen hetzij om het opleggen van een gevangenisstraf al dan niet gekoppeld aan (probatie)uitstel, een werkstraf al dan niet met (gedeeltelijk) uitstel, een geldboete of een combinatie van de drie voorgaande, een eenvoudige schuldigverklaring, een opschorting van de uitspraak van de veroordeling dan wel een vrijspraak.
Tabel 19: Verdeling volgens ressort Hof van beroep: uitspraken vonnisgerechten
Tabel 20: Verdeling volgens ressort Hof van beroep: uitspraken onderzoeksgerechten
Tabel 21 : Verdeling volgens rechtsmacht
Tabel 22 : Overzicht van de meest voorkomende misdrijven
Tabel 23 : Overzicht van het aantal vrijspraken 2003-2006
Naar de analyse van de cijfers toe is het opvallend vast te stellen dat de politie in het rechtsgebied Gent duidelijk het strengst benaderd wordt wat het aantal vervolgingen betreft. Deze vaststelling klemt des te meer indien we ook de verhouding met het aantal politieambtenaren werkzaam in het desbetreffende rechtsgebied in aanmerking nemen. Zo zijn er in de rechtsgebieden Antwerpen (kader van 6 088 lokale politieambtenaren) ongeveer evenveel, maar vooral in Brussel (kader van 8 517 lokale politieambtenaren) beduidend meer politieambtenaren werkzaam dan in het rechtsgebied Gent (kader van 6 246 lokale politieambtenaren). Naar het aanvoelen van het Comité P heeft dit verschil in cijfers vooral te maken met het vervolgingsbeleid van de respectieve korpschefs van het openbaar ministerie. Wanneer het aantal vonnissen vergeleken wordt met het aantal aangemelde strafrechtelijke vooronderzoeken [131] , komt men tot enkele markante vaststellingen. Zo blijken er in Luik met 302 veruit de meeste onderzoeken te zijn gestart (25,74 %), maar zien we slechts 5 correctionele veroordelingen. Het arrondissement Antwerpen laat 13 uitspraken optekenen voor 135 aangemelde dossiers (11,51 %). Het arrondissement Charleroi laat 14 rechterlijke beslissingen noteren tegenover 104 aangemelde dossiers (8,87 %). Het arrondissement Gent telt 9 rechterlijke uitspraken tegenover 6 aangemelde onderzoeken (0,51 %), terwijl het arrondissement Brussel 18 uitspraken telt tegenover 84 aangemelde onderzoeken (7,16 %). Hoewel deze cijfers uiteraard niet volledig met elkaar te vergelijken zijn vermits de meerderheid van de uitspraken feiten betreft van vóór 2006, geven ze toch een, zij het rudimentair, beeld van het vervolgingsbeleid ten aanzien van politieambtenaren. Het ressort Bergen tot slot valt op door het hoge aantal vrijspraken, met name meer dan 1/3 van de ingestelde vervolgingen (9 op 25).
Hoogst opmerkelijk blijft het amper te verklaren hoge aantal
opschortingen van de uitspraak van de veroordelingen waarvan politieambtenaren
kennelijk kunnen genieten: 30 opschortingen op 95 uitspraken door
de bodemrechters (als we de vrijspraken niet meerekenen). Het gaat om het aanzienlijke
percentage van 31,5 % of met andere woorden bijna 1 op de 3 criminele politieambtenaren
bekomt de opschorting en behoudt dus een blanco strafregister. Dit aandeel bedroeg
vorig jaar nog 26 % ofwel 1 op 4 politieambtenaren. Wanneer we dat
percentage vergelijken met het normale percentage opschortingen die de modale
burger kan bekomen, moeten we vaststellen dat politieambtenaren wel een uitzonderlijk
gunstig strafrechtelijk regime schijnen te kunnen genieten. Wanneer we het gemiddelde
aantal opschortingen in de massa van de strafrechtelijke veroordelingen van
1994 tot 2003 nemen, komen we aan een percentage van 4,72 [132]
. Daartegenover staat het percentage van 31,5 % voor de politie,
wat naar ons aanvoelen niet meer te verantwoorden is. Uit de verdere analyse
zal inderdaad blijken dat vele rechters in de (onjuiste) overtuiging verkeren
dat ofwel politieambtenaren reeds voldoende gestraft zijn door hetzij de (dreiging
van een) tuchtbeslissing, hetzij een ordemaatregel, dan wel dat zij niet wensen
dat de politieambtenaar op professioneel vlak al te zeer zou te lijden hebben
onder een strafrechtelijke veroordeling. De onuitgesproken reden voor de vele
opschortingen ligt vooral in het feit dat deze rechterlijke beslissing niet
wordt opgenomen in het uittreksel van het strafregister (tot op heden is dat
echter nog steeds het zogenaamde bewijs van goed gedrag en zeden) dat eenieder
conform het artikel 595 Sv. van zichzelf kan bekomen. Net zoals vorig jaar
blijkt men vooral in het rechtsgebied Antwerpen een groot pleitbezorger te zijn
van de zachte aanpak van de criminele politieambtenaar. Op de 18 veroordelingen
noteren we 8 opschortingen, wat bijna 50 % is.
We zien wel dat de tuchtoverheid van de politiezone Antwerpen dergelijke “zachte
aanpak” niet voorstaat omdat er in de onderzochte gevallen door de hogere overheid,
ondanks de opgelegde opschortingen, toch een tuchtsanctie volgde (meestal de
schorsing gaande van 5 dagen tot 1 maand, zelfs één keer een ontslag
van ambtswege). We zien echter dat die laatste houding de uitzondering is.
Ook in de twee vorige jaarverslagen wezen wij reeds op het feit dat opvallend veel mildheid aan de dag wordt gelegd ten aanzien van over de schreef gaande politiemensen. Thans kan men meer spreken van een strafrechtelijk gedoogbeleid ten aanzien van de rotte appels binnen de politie. Door onvoldoende sanctionerend op te treden, wordt niet alleen het verkeerde signaal gegeven aan de betrokken politieambtenaar dat het “allemaal zo erg niet is” maar, erger, wordt een nefast “voorbeeld” gesteld ten aanzien van alle andere leden van de politieorganisatie, en dan vooral de jonge politie-inspecteurs, die ervaren dat blijkbaar zelfs het plegen van misdrijven al bij al geen man overboord betekent. Het is immers de ervaring van het Comité P dat het verlenen van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling (zoals ook werkstraffen of schuldigverklaringen) zo goed als gelijkstaat met complete straffeloosheid op alle andere gebieden en derhalve de veroordeelde politieambtenaar zonder al te veel problemen gewoon verder functioneert binnen de politie. Als beleidsaanbevelingen ziet het Vast Comité P dan ook, ten eerste, de creatie van een strafverzwarende omstandigheid wanneer het misdrijf wordt gepleegd door een politieambtenaar, desgevallend met gradaties en, ten tweede, een dwingende richtlijn van de minister van Justitie en/of het College van procureurs-generaal waarbij het openbaar ministerie, bij het uitspreken van zijn vordering, de aandacht van de rechtbank zou vestigen op dit aspect en op de zeer nefaste gevolgen van een te milde bestraffing voor de politieorganisatie in het algemeen. Een derde mogelijkheid en de enige die wellicht een stuk doeltreffender is, bestaat erin de mogelijkheden van de rechter om (probatie)opschorting uit te spreken, aan banden te leggen wanneer een politieambtenaar zich aan strafrechtelijke feiten heeft bezondigd. Het is immers weinig coherent enerzijds een deontologische code af te kondigen en allerhande actieplannen te ontwikkelen met betrekking tot integriteit binnen de politie en anderzijds vast te stellen dat er al bij al niet echt zwaar getild wordt aan politieambtenaren die over de schreef gaan.
Behoudens het plegen van effectieve misdrijven stelt het Vast Comité P een zekere vorm van normvervaging vast bij de politieambtenaar. Dit is een evolutie die we ook kunnen afleiden uit de klachten die bij het Comité binnenlopen [133] . Dit fenomeen uit zich zowel in het professioneel gedrag tijdens de job als in de louter private levenssfeer. Ook bij de analyse van de rechterlijke beslissingen kunnen we deze signalen waarnemen. Ter illustratie kan verwezen worden naar een lokale politie waarin het nodig bleek duidelijke richtlijnen te formuleren met betrekking tot het gebruik van internet en het surfen naar seks‑ en pornosites. Geregeld kan het Comité P in de vonnissen van de politierechters en (vooral) correctionele rechters in verkeerszaken vaststellen dat politieambtenaren die beklaagd werden van bijvoorbeeld vluchtmisdrijf of alcoholintoxicatie/dronkenschap met dubieuze getuigen komen aandraven. Dit soort van procedureel verdedigingsgedrag, waarbij men fictieve of valse getuigen laat opdraven, wijst ons inziens op een verontrustende vorm van normvervaging. Een ander voorbeeld betreft het gedurende jaren ten onrechte bekomen van een fietsvergoeding en daartoe valse formulieren te hebben ingevuld. Hoewel dit natuurlijk niet de zwaarste misdrijven zijn, werd de betrokken politieambtenaar wel correctioneel veroordeeld. Kennelijk beseffen bepaalde politiemensen amper dat hiermee de norm wordt overschreden.
Gelijkaardig aan het voorgaande geval, maar toch een stuk ernstiger, waren de feiten waarvan de correctionele rechtbank te Brugge werd gevat en die gestart waren met een anonieme aangifte bij het Comité P in verband met “gesjoemel” door een hoofdinspecteur van een FGP. Uit vaststellingen door de Dienst Enquêtes P was gebleken dat betrokkene op grote schaal niet-gepresteerde (over)uren toch noteerde in het dienstboek en deze hem dus uitbetaald werden. De correctionele rechtbank overwoog in haar veroordelend vonnis van 12 juni 2006 dat “de feiten ernstig zijn. Van een hoofdinspecteur van de GDA mag verwacht worden dat hij zijn professionele plicht om loyaal mee te werken aan een getrouw dienstschrijfboek, dat dienst doet als controlemiddel op zijn activiteiten en als basis geldt voor de renumeratie van zijn prestaties, ernstig neemt. De rechtbank wenst te benadrukken dat ter zake van nonchalance en/of gebrek aan discipline geenszins sprake is. De beklaagde heeft wetens en willens diensturen ingeschreven als gepresteerd terwijl hij deze uren ontegensprekelijk en uitsluitend besteedde aan private aangelegenheden”. Hoewel het zeker is dat de oude cultuur van de gerechtelijke politie bij de parketten wel heeft meegespeeld in deze casus [134] , waar er zo goed als geen controle bestond op de tijdsbesteding van de speurders, mag en moet deze veroordeling (het hoger beroep is hangende) een waarschuwing zijn voor alle politie‑ en/of recherche-eenheden, van de federale of van de lokale politie. Geregeld bereiken het Comité P immers berichten van “gesjoemel” met overuren, zeker in de recherche-eenheden waar controle nog veel moeilijker ligt en waar argumenten als “de magistraat heeft gevraagd dat …” of “onderzoekswerk is geen nine-to-five-job” (al te) gemakkelijk worden gehanteerd om geen verantwoording nopens de tijdsbesteding te moeten afleggen [135] . Er bereiken ons ook geruchten over politieofficieren die meer dan 600 à 700 overuren per jaar genereren. Het blijft ook opmerkelijk hoe dikwijls bijvoorbeeld een huiszoeking blijkbaar alleen maar in het weekend kan plaatsvinden. Het valt te vrezen dat de dubbele vergoeding voor nacht‑ en weekendwerk aan een en ander niet vreemd is. Het komt ook aan de magistratuur toe hier aandacht voor te hebben en zeer kritisch bepaalde operationele beslissingen te benaderen.
De meest verregaande vorm van normvervaging, indien we dat woord nog mogen gebruiken, hebben we uiteraard gezien in de politiezone Rupel waar niet minder dan vier politie-inspecteurs, in wisselende interventieploegen, zich schuldig maakten aan het, onder misbruik van hun politie-uniform, afhandig maken van geld van gecontroleerden, alsook van verdovende middelen, die ze vervolgens ofwel zelf verbruikten, dan wel verkochten ten eigen bate of zelfs terugverkochten aan de gecontroleerden voor een groot bedrag. Zoals de correctionele rechter stelde, handelden de veroordeelde politieambtenaren, die een voorbeeldfunctie hebben, uit hebzucht en gaven de feiten blijk van een voortdurende corrupte ingesteldheid.
Het meest merkwaardige aan al deze zaken, en dat lijkt ons het meest verontrustende gegeven, is vast te stellen dat al deze politieambtenaren kennelijk in de overtuiging verkeerden dat zij gedurende jaren hun crimineel gedrag (zouden) kunnen voortzetten zonder ooit eens tegen de lamp te lopen. Het Comité P is ervan overtuigd dat een deel van de verklaring te vinden is in het feit dat “de pakkans” te klein is of minstens als marginaal wordt ervaren door de betrokken politieambtenaren, die anders wellicht twee keer zouden nadenken vooraleer dergelijke risico’s te nemen. Een ander deel van de verklaring zit hem ongetwijfeld in een verminderd doorleefd integriteitsgevoel. Het komt er voor de politiechefs en politieoverheden dus op aan, zonder in een heksenjacht te vervallen, een performant systeem van intern toezicht uit te bouwen dat op tijd bepaalde knipperlichten weet te identificeren (abnormaal hoog aantal overuren, nachtprestaties, laattijdig opmaken van processen-verbaal, enz.) zodat, meer nog dan vandaag, ook preventief kan opgetreden worden.
Enkele belangrijke strafrechtelijke inbreuken of laakbare gedragingen gepleegd door politieambtenaren en waarvoor zij werden veroordeeld, waren in 2006 de volgende:
Het misbruik maken van politionele en andere databanken voor persoonlijke doeleinden
Voor het eerst stelt het Comité P tot zijn tevredenheid vast dat er correctionele veroordelingen zijn uitgesproken wegens het onrechtmatig raadplegen van politionele en andere databestanden. Meestal gaat het om het raadplegen van bestanden zoals de Algemene nationale gegevensbank (ANG), het Rijksregister (RRN), het register der ingeschreven voertuigen (DIV) of het centraal wapenregister (CWR). De motivatie ligt dan door de band in de louter private sfeer. De Antwerpse correctionele rechter veroordeelde op 27 juni 2006 een politie-inspecteur tot een geldboete van 100 euro wegens een onrechtmatige opzoeking in een databestand, wat onder de strafrechtelijke kwalificatie van “daden van willekeur” werd gevat, bestraft door artikel 151 Sw. [136] . Het Comité P is hierover bijzonder verheugd omdat dit soort van veroordelingen als een extra krachtig signaal moet aanzien worden in de strijd tegen de wijdverbreide praktijk, die in het politiemilieu nog steeds bestaat, van privacyschendingen van burgers voor niet-politionele doeleinden. Naast de penale sanctie kan daar bovendien nog de tuchtrechtelijke sanctie bijkomen. De Ieperse correctionele rechter verleende op 27 maart 2006 de eenvoudige opschorting aan een politie-inspecteur die “als vriendendienst” informatie in verband met een nummerplaat opzocht in het databestand van de DIV en in het Rijksregister en die informatie aan zijn vriendin doorspeelde. De correctionele rechtbank te Bergen tot slot kreeg het geval te behandelen van een politieambtenaar die de houders van bepaalde nummerplaten (via een consultatie DIV) meedeelde aan zijn informant. Hij werd op 15 december 2005 schuldig verklaard aan het misdrijf van schending van het beroepsgeheim en verkreeg de opschorting. Het ten onrechte raadplegen van databestanden blijft in de dagelijkse politiepraktijk een pijnpunt, getuige ook het aantal klachten dat het Comité P terzake jaarlijks ontvangt. Hopelijk zijn deze veroordelingen een duidelijk signaal dat ook deze praktijk (die andermaal dikwijls zijn oorzaak vindt in een vorm van normvervaging) niet door de beugel kan.
Het misbruik maken van zijn hoedanigheid van politieambtenaar
Uit het vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 8 november 2006 blijkt dat het voor sommige politieambtenaren bijzonder moeilijk is te weerstaan aan de verleiding om, door gebruik en misbruik te maken van de hoedanigheid van politieambtenaar, met alle prerogatieven die daarbij behoren (gebruik van dwang of geweld, gebruik van patrouillewagen met zwaailicht en geluidssignaal, mogelijkheid tot inbeslagname, enz.), een onrechtmatig geldgewin na te streven. Zo was er het geval van twee Brusselse inspecteurs die er jarenlang in slaagden om afpersingen te plegen. De gebruikte modus was steeds dezelfde: de daders richtten zich tot de eigenaars van voertuigen (bij voorkeur vreemdelingen die de Franse taal niet machtig waren) die in overtreding of beweerdelijk in overtreding werden bevonden (verkeersinbreuk, niet-verzekering, enz.) en vorderden een onmiddellijke inning in de vorm van een contante betaling, die zij echter onmiddellijk op zak staken. Teneinde het geld te kunnen afpersen, werd af en toe gedreigd met arrestatie, werden de slachtoffers “begeleid” tot aan de geldautomaat of werd hen om geld gevraagd teneinde de zogenaamde takelkosten te kunnen dekken. Ook in een verkeerszaak stelde diezelfde rechtbank op 15 september 2006 dat “de eerste rechter (kan) worden bijgetreden waar hij op grond van de vaststellingen van het strafdossier oordeelde dat appellant het blijkbaar nodig achtte om misbruik te maken van zijn hoedanigheid van hoofdinspecteur om zijn collega’s te intimideren en te trachten te ontsnappen aan de alcoholtest. […]”.
De verkeersinbreuken
A. Verkeersinbreuken tijdens de uitvoering van de dienst
Geregeld stelt het Comité P vast dat politievoertuigen in een ongeval betrokken raken doordat zij allerhande manoeuvres uitvoeren die enkel achter het stuur van een prioritair voertuig kunnen, zoals het niet verlenen van de voorrang, door het rood licht rijden, enz. Kennelijk zijn de politieambtenaren er onvoldoende van op de hoogte dat zij enkel als een prioritair voertuig kunnen aanzien worden wanneer zij én het zwaailicht én het geluidssignaal in werking gezet hebben. De praktijk die erin bestaat enkel het zwaailicht aan te schakelen, is gevaarlijk. Uit een vonnis van de correctionele rechtbank te Brussel van 12 juni 2006 bleek dat de politie, met zwaailicht maar zonder geluidstoestel, met een snelheid van 70 km/uur een kruispunt opgereden was na het rode verkeerslicht te hebben genegeerd. Deze roekeloze manier van sturen werd door de rechter niet in dank afgenomen. Zo werd er niet ingegaan op de vraag tot opschorting. Zowel de wegcode [137] als de omzendbrief van het College van procureurs-generaal nr. 16/2006 van 6 september 2006 omschrijft zeer duidelijk de krijtlijnen waarbinnen een prioritair voertuig moet opereren. Voor het voorbijrijden van een rood licht geldt dat een prioritair voertuig dit mag doen, op voorwaarde dat het speciale geluidstoestel gebruikt wordt, men voorafgaandelijk gestopt is en dat dit geen gevaar oplevert voor de naderende weggebruikers.
Er helemaal over was de houding van een politieambtenaar van de politiezone Charleroi die (samen met zijn passagier-collega) zwaar geïntoxiceerd achter het stuur van een dienstvoertuig bleek te zitten (minimaal 1,39 promille) en die toch zeer licht veroordeeld werd door de politierechtbank te Charleroi op 14 december 2005, met name tot een geldboete van 1.100 euro waarvan 660 euro met uitstel en een rijverbod van 1 maand waarvan 22 dagen met uitstel.
B. Verkeersinbreuken buiten de dienstuitvoering
Ook deze inbreuken zijn klassiek, gaande van vluchtmisdrijf over alcoholintoxicatie of dronkenschap tot niet-verzekering. De politierechtbank van Leuven veroordeelde op 13 januari 2006 een politieambtenaar die niet minder dan 3,32 gram per liter bloed liet optekenen. De bijzondere hoedanigheid van de politieambtenaar wordt overigens zo goed als nooit mee in overweging genomen door de politierechters. Een gelukkige uitzondering vinden we terug in het vonnis van de Brugse politierechter van 6 oktober 2005 die in een zaak van weigering ademtest, ademanalyse en bloedproef en dronken sturen stelde dat “zeker gelet op zijn functie had de beklaagde beter dienen te weten en zich correct dienen te gedragen conform de wetgeving, die op elke persoon en ook op de beklaagde van toepassing is”, waarop de hoofdinspecteur werd bedacht met een effectieve geldboete van 1.100 euro en een rijverbod van in totaal 5 maanden, met bovendien de verplichting te slagen voor een geneeskundig en psychologisch onderzoek.
De valsheid in geschrifte door het opmaken van valse processen-verbaal
Elk jaar kan vastgesteld worden dat er politieambtenaren zijn die volledig het criminele pad opgaan door doelbewust valse processen-verbaal op te stellen. Zo veroordeelde de correctionele rechtbank te Brugge op 13 maart 2006 een politie-inspecteur wegens niet alleen het bewust vervalsen van een proces-verbaal door niet te vermelden dat de dader van een verkeersongeval wel gekend was waardoor zijn vriend, die in staat van intoxicatie een vluchtmisdrijf had gepleegd, aan rechtsvervolging kon ontsnappen, maar daarenboven werd daags nadien, voor de tweede maal, een vals proces-verbaal opgesteld inzake een fictief ongeval, teneinde zijn vriend toe te laten bij diens werkgever de opgelopen voertuigschade te recupereren. Het is merkwaardig hoe een politieambtenaar zich op die manier in zijn ondergang kan laten meesleuren. De rechtbank bleek genadeloos: “de handelswijze van X kan echter ook absoluut niet worden getolereerd. Zijn functie als politieambtenaar vereist volstrekte integriteit. Zo het reeds totaal onaanvaardbaar is dat een politieambtenaar zich laat verleiden tot het verlenen van zogenaamde vriendendiensten, dan is het verfoeilijk te moeten vaststellen dat deze politieambtenaar zelfs zover gaat hiertoe valse processen-verbaal op te stellen. Door zijn perfide optreden tast X niet alleen zijn eigen beroepsbekwaamheid aan, maar ondermijnt hij onrechtstreeks ook onze democratie en rechtsbestel, die slechts naar behoren kan functioneren mits beroep kan worden gedaan op een goed opgeleid, bekwaam en vooral integer politiekorps”. Betrokkene werd veroordeeld tot een gevangenisstraf van 12 maanden met uitstel. Het Comité P schaart zich ten volle achter de argumentatie en strafmaat.
Interessant was het geval dat heeft geleid tot een vonnis van de correctionele rechtbank te Luik van 12 april 2006 waarbij een agent van politie valse verklaringen aflegde en een heel fictief verhaal had opgezet om te verdoezelen dat hij van zijn tante een bedrag van 150.000 euro had ontvangen. De verdediging betwistte de tenlastelegging van valsheid in geschrifte (en gebruik) om reden dat een constitutief element zou ontbreken, te weten dat de bedoelde processen-verbaal (met zijn valse verklaringen) niet tot doel zouden hebben gehad als bewijs te dienen. De rechtbank kon deze stelling niet volgen: “het doel zelf van een proces-verbaal opgemaakt door een politieoverheid is de rechtsgeldigheid aan te tonen van wat erin is verklaard. Het eerste juridische gevolg van deze valse verklaringen was de opening van een onnodig gerechtelijk onderzoek. De getuigenissen genoteerd in de processen-verbaal vormen in het recht immers een erg gangbare manier om het bewijs te leveren van strafrechtelijke inbreuken. De beklaagden lijken zich niet bewust van het feit dat het strafdossier dat is voortgevloeid uit hun leugens zich tegen derden had kunnen keren. […] Onlangs heeft de Franse gerechtelijke actualiteit het reële risico aangetoond dat de opening van een strafdossier gestoeld op de verzinsels van vermeende getuigen inhoudt voor onschuldigen” [138] .
De zedenmisdrijven
Opvallend waren de veroordelingen voor zedenmisdrijven, al dan niet via internet. Zo werd een politieofficier van een lokale politie veroordeeld wegens het bezoeken van kinderpornosites en het downloaden van afbeeldingen van minderjarigen. Een hoofdinspecteur van de Brugse politie pleegde aanrandingen op de eerbaarheid van een licht mentaal gehandicapte jongen van minder dan 16 jaar, in uniform en gewapend, en kreeg daarvoor van de Brugse correctionele rechter terecht een zware rekening gepresenteerd, met name een gevangenisstraf van 18 maanden waarvan 2/3 met uitstel en een volledige ontzetting uit de rechten voorzien in artikel 31 Sw. Bovendien bleek uit het deskundigenverslag een gebrekkig schuldinzicht waarbij de dader, zoals de meeste pedofielen, de zaken omdraait en zichzelf als het slachtoffer ziet dat “in de val” is gelokt door de minderjarige … De deskundige besloot dat de hoofdinspecteur een “sociaal gevaar” is. Het Comité P kan alleen maar hopen dat betrokkene uit de politieorganisatie is verdwenen. Een politie-inspecteur van de zone Sint-Niklaas maakte gebruik van de klachtneerlegging van een vader betreffende een beweerde verkrachting van zijn minderjarige dochter (15 jaar) om aan deze dochter haar e-mailadres te vragen en naderhand (lange en nachtelijke) pikante chatsessies te starten met dit slachtoffer en haar concrete avances te maken. Hij werd dan ook vervolgd voor het aanzetten tot ontucht (art. 379 Sw.) en verkreeg van de Dendermondse correctionele rechter op 9 januari 2006 de eenvoudige opschorting. Terecht werd het argument van de “uitlokking” door de minderjarige niet aanvaard daar deze strafverminderende verschoningsgrond enkel van toepassing is op een beperkt aantal misdrijven (doodslag, slagen).
De correctionele rechtbank van Nijvel verleende op 14 april 2005 de opschorting aan een hoofdinspecteur die op geregelde tijdstippen feiten van exhibitionisme pleegde in het politiecommissariaat (tonen van de geslachtsdelen aan een poetsvrouw). De correctionele rechtbank te Dendermonde behandelde in haar vonnis van 23 oktober 2006 het geval waarbij een politieambtenaar de minderjarige dochter van zijn bijzit diverse malen volledig naakt fotografeerde. Hij werd vervolgd voor aanranding van de eerbaarheid zonder geweld waaromtrent de rechtbank stelde: “de rechtbank is van oordeel dat het doen blootgeven van de intieme eigenheid van een meisje van twaalf jaar, dat op dat ogenblik verkeert in een fase van nakende puberteit, ontluikende seksualiteit, lichamelijke verandering en zelfontdekking, door het vastleggen op foto van het naakte lichaam van dit meisje zonder meer een aantasting uitmaakt van de seksuele integriteit van de minderjarige”. Omtrent het naturisme, dat ter verdediging werd opgeworpen, overwoog de rechtbank dat “hoewel het naturisme maatschappelijk algemeen aanvaard is, vormt het daarom nog geen maatschappelijke norm. Deze levensopvatting mocht in geen geval opgedrongen worden aan een kind dat zich in een stadium bevond van ontluikende seksualiteit en ontwaakt seksueel schaamtegevoel”.
Het gebruik van geweld
A. Geweld tijdens de ambtsuitoefening
Een zeer belangrijke categorie van klachten en aangiften en strafrechtelijke onderzoeken die het Comité P bereiken, heeft te maken met slagen en verwondingen door politieambtenaren. Ook het grootste gedeelte van de rechterlijke beslissingen heeft hierop betrekking. Een vorm van geweldsuitoefening kan bestaan in het nodeloos bedreigen van burgers zoals dat was gebleken in een vonnis van de correctionele rechtbank te Luik van 6 maart 2006 waarbij een politieambtenaar tijdens een vrij banaal incident zijn dienstwapen niet alleen had getrokken maar bovendien (ostentatief) had gewapend en gericht, wat door de rechtbank als een bedreiging door gebaren of zinnebeelden werd aanzien en waarvoor zij de opschorting uitsprak rekening houdend met “het feit dat de beklaagde, na een lange werkdag, snel diende te reageren in een situatie die onverwacht voor hem opdook, het feit dat de beklaagde zelf voordien een soortgelijk trauma had opgelopen en daar nog altijd getroffen door blijkt te zijn […]” [139] . De vraag moet natuurlijk gesteld worden of de betrokken politieambtenaar nog wel geschikt is om in een interventiedienst mee te draaien zoals kennelijk het geval was.
Een opmerkelijk fenomeen dat nu en dan wordt aangetroffen (ook in de klachtendossiers van het Comité P) zijn de zogenaamde “preventieve” slagen die door politieambtenaren worden uitgedeeld en die als doelstelling hebben een persoon “te kalmeren”, een soort van “shocktherapie” te zijn of iemands weerspannigheid in de kiem te smoren. Dit kan natuurlijk niet aanvaard worden, ook al zijn er gevallen waarin de hiërarchie deze “methode” in bepaalde gevallen aanvaardbaar schijnt te vinden. De Antwerpse correctionele rechter verleende op 30 januari 2006 de opschorting aan een politieambtenaar die erkende het slachtoffer “uit voorzorg” geslagen te hebben. Het geweld naar aanleiding van een interventie kan bij wijlen ook excessief worden wanneer een dispuut helemaal uit de hand loopt, zoals het geval aantoont dat werd behandeld door de correctionele rechtbank te Charleroi op 20 maart 2006 waar, bij een vrij banale ruzie tussen echtgenoten, de politieambtenaren de verbaal agressieve echtgenoot ernstig toetakelden, in die mate dat de verwondingen nooit compatibel konden zijn met normale interventie‑ en neutraliseringstechnieken: kaakbeenbreuk, neusbeenbreuk en breuk van drie ribben … Zijn collega had zich met name “laten vallen” op het slachtoffer dat toen reeds op de grond lag om vervolgens zijn voeten op de borstkas van betrokkene te houden om hem “in bedwang te houden”. Beide politieambtenaren werden veroordeeld tot 4 maanden gevangenisstraf met uitstel.
De politieambtenaren worden ook geregeld vrijgesproken van het toebrengen van slagen en verwondingen [140] , wat niet hoeft te verwonderen vermits het zeer dikwijls woord tegen woord blijkt te zijn en de medische getuigschriften die worden voorgelegd zeker niet steeds betrouwbaar en/of onvoldoende bewijskrachtig blijken.
B. Geweld in de private levenssfeer
Het Comité P kreeg kennis van meerdere rechterlijke beslissingen omtrent partnergeweld gepleegd door politieambtenaren. Zaken van zwaar fysiek geweld en psychisch geweld gepleegd door politiemensen zijn geen rariteit. Bovendien blijkt dat de mannelijke daders-politiemensen vaak misbruik maken van hun functie, hetzij op een actieve, hetzij op een passieve manier. Een actieve manier is dan het slachtoffer bedreigen met de politionele competenties (“laten aanhouden”, “zorgen voor een verkeerscontrole”, “neuzen in de databestanden”, enz.). Passief is dan het slachtoffer aanzetten om geen aangifte te doen van de feiten omdat men anders zijn job zou dreigen te verliezen. Ook hier stellen we nochtans door de band de milde bestraffing vast precies omdat een en ander zich in de private sfeer afspeelt en omdat een effectieve bestraffing (werkstraf, geldboete, gevangenisstraf met uitstel) de professionele toekomst van de politieambtenaar te zeer nadelig zou beïnvloeden. De correctionele rechtbank te Ieper verleende op 12 december 2005 bijvoorbeeld de opschorting aan een politie-inspecteur van de FGP Ieper voor zwaar partnergeweld.
Geregeld moet het Comité P vaststellen dat politieambtenaren betrokken raken in vechtpartijen (meestal tijdens het uitgaan) en daarbij “vergeten” dat ze politieambtenaar zijn en zich beter gereserveerd hadden opgesteld of waren weggewandeld van een conflict, eerder dan het te trachten op te lossen “met de vuisten”. Daar waar het meestal gaat over inspecteurs, laten nochtans ook politieofficieren nu en dan pluimen. Zo oordeelde de correctionele rechtbank van Bergen bij vonnis van 6 juni 2006 “dat de gepleegde feiten in hoofde van de beklaagde wijzen op een zeker gebrek aan zelfbeheersing. Dat zulk gedrag des te meer onaanvaardbaar is daar de beklaagde binnen de politie een verantwoordelijke functie bekleedt; dat hij in die hoedanigheid de controle over zichzelf en over de situatie zou moeten houden” [141] , om dan toch opnieuw de opschorting toe te staan.
In de vonnissen van de politierechtbank wordt zelden tot nooit verwezen naar de specifieke hoedanigheid van politieambtenaar. Daarentegen is dit aspect wel aan de orde in de meeste beslissingen van de correctionele rechtbanken en hoven. Het is daarbij opvallend dat die hoedanigheid meestal in het nadeel van de politieambtenaar speelt in de beoordeling nopens het bewezen zijn van de feiten, terwijl die hoedanigheid omgekeerd manifest in zijn voordeel speelt wanneer het gaat over de concrete straftoemeting. Vooral dat laatste aspect waarbij de politieambtenaar, omdat hij/zij politieman of ‑vrouw is, op zeer veel clementie kan rekenen, is voor het Comité P actueel het meest nijpende probleem. Gelukkig oordeelt een deel van de zittende magistratuur dat, integendeel, de hoedanigheid van politieambtenaar een verzwarende omstandigheid is die zich ook dient te reflecteren in de bestraffing. We zetten enkele voor de politieambtenaar positieve en negatieve rechterlijke beoordelingen op een rijtje.
Als positieve voorbeelden kunnen we verwijzen naar het vonnis van de Antwerpse politierechter van 12 juni 2006 die stelde “dat het de rechtbank, op vraag en met instemming ter zitting van gedaagde, echter inderdaad gepast voorkomt de opschorting […] uit te spreken […] als een op proef stellen van gedaagde daar waar een veroordeling […] als hoofdinspecteur bij de politie, zelfs met uitstel van de tenuitvoerlegging, de verbetering waaraan gedaagde werkende is en die van gedaagde kan en mag worden verwacht en zijn reclassering ernstig en nadelig zou kunnen beïnvloeden”. Dat men een hoofdinspecteur, die binnen de politieorganisatie een modelrol en voorbeeldfunctie ten aanzien van het basiskader heeft, vermits hij meestal aan het hoofd staat van een team van inspecteurs, en die zich in casu aan vluchtmisdrijf en weigering bloedanalyse schuldig had gemaakt, dergelijke mildheid betoont, is moeilijk te vatten. Het is immers evident dat het gebrek aan veroordeling tot een (fikse) geldboete en rijverbod “inspirerend” werkt naar de inspecteurs van het betrokken politiekorps. Men kan van die inspecteurs ook nog moeilijk verwachten dat ze de gezagspositie van de betrokken hoofdinspecteur verder aanvaarden. Dan hebben we het nog niet over de burger die de dag erna een verkeers‑ en/of alcoholcontrole door diezelfde hoofdinspecteur moet ondergaan. De correctionele rechtbank te Leuven verleende op 9 augustus 2006 de opschorting voor het bezit van kinderporno via internetsites aan een politiecommissaris onder de motivering dat “de openbare orde en de maatschappij voldoende gevrijwaard zullen worden door deze maatregel en dat anderzijds door de toepassing van een sanctie het professioneel en familiaal leven van X overdreven in het gedrang zou komen”.
Als negatieve voorbeelden kunnen we verwijzen naar het Brusselse hof van beroep dat op 15 juni 2006 besliste dat “overwegende dat, zoals de bodemrechter pertinent heeft opgemerkt, het gedrag van de beklaagde onaanvaardbaar is, voor zover hij enerzijds de functie van politieambtenaar uitoefent en hij anderzijds reeds, op 28 mei 1990, heeft genoten van een opschorting bevolen door de raadkamer van Nijvel voor verscheidene andere strafrechtelijke feiten; niettegenstaande die serieuze waarschuwing, heeft hij zijn strafbare activiteiten voortgezet; kortom, hij blijkt zich geenszins bewust van de ernst van zijn misdadig gedrag” [142] . Betrokkene voerde te zijner verdediging ook aan dat hij al jaren depressief loopt en onder medische behandeling staat. Ondanks deze voorgeschiedenis en problematiek werd er, met toepassing van artikel 85 Sw. en aanneming van verzachtende omstandigheden, slechts een geldboete van 30 euro (x 5) opgelegd. De correctionele rechtbank te Luik verwees op 12 april 2006 naar die hoedanigheid in het kader van het afleggen van een valse verklaring aan de politie: “[…] Dit is des te erger daar hij zelf (hulp)agent van politie is, dus perfect geplaatst is om het juridische en maatschappelijke belang in te schatten van een proces-verbaal opgemaakt door de politie” [143] . Niettemin werd een werkstraf opgelegd omdat “een gevangenisstraf, in voorkomend geval met gedeeltelijk uitstel, zou zijn beroepsloopbaan in de weg kunnen staan” [144] .
Elk jaar opnieuw moet het Comité P vaststellen dat de rechter vaak zeer licht oordeelt over misdrijven gepleegd door politieambtenaren. Elk jaar wordt erop gewezen dat men kennelijk onvoldoende het belang van een strenge (maar correcte) bestraffing inziet en dat een politieambtenaar absoluut strenger mag en moet worden beoordeeld dan de “gewone burger”. Hij heeft immers: (1) de voorbeeldfunctie bij uitstek; (2) het quasi-monopolie [145] van het legaal geweld; (3) bijzonder veel strafvorderlijke macht te beginnen met het opstellen van een proces-verbaal en (4) hij/zij werkt in een organisatie waarbij de voorbeeldfunctie essentieel is (en dus collega’s gemakkelijk “aangestoken worden” wanneer ze zien dat er niet krachtdadig wordt opgetreden tegen misdrijven gepleegd door politiemensen). Het argument dat dikwijls kan gelezen worden, namelijk dat het niet ingaan op de vraag tot opschorting onredelijke gevolgen zou hebben voor de beroepsloopbaan van de politieambtenaar, kan niet gevolgd worden. De praktijk leert immers dat een opschorting tegelijk hetzij een vrijspraak op tuchtrechtelijk vlak betekent, hetzij, in veel gevallen, de lichte tuchtstraf van de waarschuwing oplevert. In een minderheid van gevallen wordt een “zware tuchtstraf” uitgesproken van enkele dagen of maximaal enkele maanden schorsing. In veel gevallen gebeurt er echter niets meer of wordt een en ander beperkt tot een louter functioneringsgesprek. Een effectieve veroordeling (het zij met uitstel) betekent geenszins dat de politieambtenaar wordt ontslagen. Het betekent wél dat men als politieoverheid iets sterker staat bij het opleggen van een gepaste tuchtstraf en men met enige kans op succes een annulatieverzoek bij de Raad van State kan doorstaan.
Gegeven het feit dat de politieambtenaren in dit land sinds de politiehervorming bijzonder goed verloond worden (en dikwijls meer verdienen dan de bestuurlijke en gerechtelijke politieoverheden) mag en moet verwacht worden dat alle personeelsleden van een onberispelijke moraliteit en gedrag zijn en een dito normbesef hebben. Een politieambtenaar die correctioneel veroordeeld wordt of die voor bepaalde misdrijven veroordeeld wordt door de politierechtbank (zoals vluchtmisdrijf), heeft dergelijke moraliteit naar het oordeel van het Comité P niet meer en kan eenvoudigweg geen deel meer uitmaken van de politie. Er is overigens, vanuit macroperspectief, geen enkele reden om die overdreven mildheid aan de dag te leggen. Elk jaar opnieuw dienen zich rond de 14 000 kandidaat-inspecteurs aan voor de zowat 1 200 vacatures die dienen te worden ingevuld. Van enige schaarste op de arbeidsmarkt is er dus absoluut geen sprake. Het uitoefenen van de job van politieambtenaar is één van de meest gegeerde overheidsfuncties, wat gezien de vele aantrekkelijke aspecten aan het beroep (financieel, inhoudelijk, werkzekerheid, enz.) niet hoeft te verwonderen. Daarnaast moeten nog andere criteria meespelen voor de rechter, zoals de noodzaak van de bewaking van een democratische politie en de rechtstaat. Er is dus geen enkele reden om niet zeer veeleisend te zijn ten aanzien van politieambtenaren.
De volgende voorbeelden kunnen de grote bezorgdheid van het Comité P alleszins illustreren. In verkeerszaken werd bij vonnis van 12 juni 2006 door de Antwerpse politierechter de opschorting toegekend aan een politieambtenaar die zich schuldig had gemaakt aan onopzettelijke slagen in het verkeer, vluchtmisdrijf en weigering om een bloedproef te ondergaan. Hoewel begrip kan worden opgebracht voor problemen van familiale, medische en/of relationele aard, komt het het Comité P voor dat de politieambtenaar hier een stuk milder wordt beoordeeld dan gelijk welke andere burger in een vergelijkbare situatie. Het lijkt ook aan die burger moeilijk uit te leggen hoe het komt dat een politieambtenaar die de bloedproef weigert en vluchtmisdrijf pleegt, zelfs geen geldboete moet betalen. Soms is zelfs elke motivering zoek of tot in zijn uiterste consequenties zeer summier gehouden. Zo sprak de Brusselse politierechter op 28 april 2006 een politie-inspecteur vrij van alcoholintoxicatie en weigering bloedproef onder de uitsluitende “motivering” (en dat is dan ook letterlijk te nemen) dat de “feiten niet bewezen zijn”. Men mag nochtans aannemen dat het openbaar ministerie een politie-inspecteur niet zal vervolgen voor beide zware verkeersdelicten indien er niet minstens een begin van bewijs aanwezig is. In correctionele zaken kan verwezen worden naar het vonnis van de correctionele rechtbank te Hasselt die op 19 juli 2006 de probatieopschorting verleende aan een politieambtenaar die zich gedurende jaren schuldig had gemaakt aan zware fysieke gewelddaden ten aanzien van zijn wisselende partners. Mede gezien de feiten die bewezen werden verklaard, die neerkwamen op het folteren van zijn slachtoffer en de door de rechtbank zelf vastgestelde bedenkelijke manier waarop hij vrouwen leerde kennen (met misbruik van politionele databanken), komt het toestaan van de probatieopschorting het Comité P onbegrijpelijk over. Het Brusselse hof van beroep oordeelde op 15 juni 2006 met betrekking tot een recidiverende “politieambtenaar-dief” dat “overwegende dat, zoals de bodemrechter pertinent heeft opgemerkt, het gedrag van de beklaagde onaanvaardbaar is, voor zover hij enerzijds de functie van politieambtenaar uitoefent en hij anderzijds reeds, op 28 mei 1990, heeft genoten van een opschorting bevolen door de raadkamer van Nijvel voor verscheidene andere strafrechtelijke feiten; niettegenstaande die serieuze waarschuwing, heeft hij zijn strafbare activiteiten voortgezet; kortom, hij blijkt zich geenszins bewust van de ernst van zijn misdadig gedrag” [146] . Betrokkene voerde te zijner verdediging ook aan dat hij al jaren depressief is en onder medische behandeling staat. Nochtans wordt er met toepassing van artikel 85 Sw. en aanneming van verzachtende omstandigheden slechts een geldboete van 30 euro (x 5) opgelegd. Dit betekent dus dat een recidiverende dief, die kennelijk geen enkel schuldbesef heeft, blijft functioneren als politieambtenaar en hem een geldboete wordt opgelegd evenredig met een lichte snelheidsovertreding … Elke verhouding lijkt hier zoek te zijn. De Brusselse raadkamer verleende op 16 februari 2006 de opschorting aan een lid van de FGP Brussel wegens schending van het beroepsgeheim zonder verdere inhoudelijke motivering dan de klassieker dat de openbaarheid van de debatten zijn declassering tot gevolg zou kunnen hebben. Een bijkomend nadeel van het verlenen van de opschorting in raadkamer is dat niet kan uitgemaakt worden waarover de zaak handelde, vermits het onderzoeksgerecht in zijn beschikkingen zo goed als nooit een uiteenzetting van de feiten geeft. Uit het oogpunt van een democratische controle op de politiewerking is dit een voor kritiek vatbare praktijk. Voor feiten van opzettelijke slagen en verwondingen, waarbij de politieambtenaar bovendien nog opzettelijk een valsheid in het terzake opgestelde proces-verbaal pleegde door het te laten voorkomen alsof hij niet geslagen had maar enkel een duw had gegeven, bekwam de beklaagde van het hof van beroep te Gent op 27 juni 2006 de eenvoudige opschorting, hoewel hij door de correctionele rechter veroordeeld was tot een gevangenisstraf van 6 maanden met uitstel en een geldboete. Opnieuw werd, naar het oordeel van het Comité P, ten onrechte gewag gemaakt van het feit dat een gevangenisstraf (met uitstel) “zijn verdere toekomst al te zwaar zou hypothekeren”.
Er zijn echter ook een aantal gelukkige uitzonderingen waarin de rechter duidelijk aangeeft dat de hoedanigheid van politieambtenaar noopt tot een strengere, meer aangepaste straftoemeting. Het Comité kan alleen maar hopen dat de zittende magistratuur en het openbaar ministerie meer en meer gesensibiliseerd raken voor het belang van een goed doordachte maar toch strenge bestraffing. Zo is er in verkeerszaken de Mechelse politierechtbank die bij vonnis van 12 januari 2006 een politieambtenaar, die vluchtmisdrijf had gepleegd, veroordeelde tot een werkstraf die erin bestond in samenspraak met het justitiehuis de sensibilisatiecursus “Verkeersveiligheid” te volgen bij het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid (BIVV). Dit soort van straffen lijkt al veel nuttiger dan telkens weer de opschorting toe te staan. De politierechter te Halle veroordeelde een hoofdinspecteur wegens dronken sturen, alcoholintoxicatie, vluchtmisdrijf en een verkeersinbreuk tot een geldboete van 1.100 euro, 500 euro en 275 euro, een rijverbod van in totaal 65 dagen en het slagen voor de medische en psychologische proeven om zijn rijbewijs terug te krijgen. De politierechter te Vilvoorde veroordeelde op 9 september 2005 een inspecteur voor dronken sturen en alcoholintoxicatie tot een geldboete van 550 euro, een rijverbod van 2 maanden en de gekende proeven. Terecht kan men voor dit soort van laakbaar verkeersgedrag, laat staan gepleegd door een middenkaderlid, geen clementie betonen. Er is in deze materie inderdaad geen enkele reden om een politieambtenaar milder te behandelen dan een doorsneeburger, wel integendeel. Principieel moet er, gezien de voorbeeldfunctie, gezien het feit dat zij dagdagelijks de burger op diezelfde inbreuken wijzen en verbaliseren, gezien de nu reeds jaren durende overheidscampagne inzake veilig verkeer, strenger worden opgetreden. Dit betekent in de ogen van het Comité P sowieso een strenge effectieve geldboete, een rijverbod van minstens 1 maand en zo nodig de proeven. In correctionele zaken had de Brugse correctionele rechter terecht geen begrip voor een jonge politie-inspecteur van de federale politie die in het kader van een FIPA-actie te Brugge een gsm stal van een onderschepte illegaal: “de feiten zijn zwaarwichtig en bijzonder verwerpelijk. De gedaagde getuigt van een totaal gebrek aan normbesef. Van een politieambtenaar mag worden verwacht dat hij zijn functie op een integere wijze vervult. De gedaagde heeft door zijn handelswijze een ernstige smet gebracht op het blazoen van het politieambt in zijn geheel. Zijn handelswijze is in een democratische maatschappij als de onze volstrekt onduldbaar. De rechtbank wijst de vraag tot opschorting van de uitspraak van de veroordeling af gelet op de ernst van de feiten. Gezien de aard en de ernst van het door beklaagde gepleegd misdrijf, is er geen grond om tegen hem een werkstraf uit te spreken, aangezien de maatregel van dien aard is dat de beklaagde de ernst van zijn daad zou bagatelliseren”. Betrokkene werd veroordeeld tot een gevangenisstraf met uitstel van 3 maanden en een geldboete van 250 euro. Het Bergense hof van beroep hervormde op 16 december 2005 de door de correctionele rechtbank van Doornik verleende opschorting, wegens meerdere feiten van politiegeweld tijdens de dienstuitvoering, naar een gevangenisstraf van 6 maanden met uitstel en een geldboete van 100 euro.
De problemen die het Belgische strafrechtelijk systeem kent om binnen een redelijke termijn een delinquent voor zijn misdrijven te berechten, zijn alom gekend. Ook bij politieambtenaren is dit niet anders en is de proceduregang in correctionele zaken al te vaak een lijdensweg. De voorbeelden zijn legio waarbij het jaren duurt voor de misdrijfplegende politieambtenaar zich bestraft ziet, te wijten aan een veelheid van factoren zoals het veel te complex en te accusatoir getint vooronderzoek, de ongebreidelde mogelijkheden om rechtsmiddelen aan te wenden (zowel in de fase van het vooronderzoek als in de fase van het onderzoek ter terechtzitting), de afwezigheid van een management van het vooronderzoek en de zittingen ten gronde, enz. Dit probleem stelt zich bovendien het scherpst bij de gerechtelijke onderzoeken geleid door de onderzoeksrechter waar de interventiemogelijkheden van partijen en de procedurehindernissen te nemen door de rechterlijke macht al te veelvuldig zijn.
Zo verleende het Antwerpse beroepshof bij arrest van 29 juni 2006 de opschorting voor het bezit en de verspreiding van harde kinderporno en het manipuleren van de informatica-architectuur van de lokale politie gepleegd in de jaren 1999 tot 2001 wegens het “tijdsverloop sinds de feiten”. Het Gentse hof van beroep diende een zaak van valsheden in processen-verbaal en dagverslagen te behandelen zich situerend in de jaren 1990-1991 van twee Brugse politie-inspecteurs en kwam tot een eindarrest op … 10 januari 2006. Meerdere periodes binnen de procedure duurden effectief onredelijk lang. De eerste verhoren dateerden van januari 1997, de formele inverdenkingstelling van december 1999 en pas op 13 juni 2001 werd de verwijzing naar de correctionele rechtbank beslist. Hierop gingen betrokkenen in beroep, dat onontvankelijk werd verklaard in januari 2002. De procedure ten gronde, met getuigenverhoor, werd nog relatief kort daarna beslecht met een eindvonnis in eerste aanleg van juni 2002. Tussen het aantekenen van het beroep en de fixatie voor het hof van beroep verliep er echter niet minder dan 3 jaar. Daarbij mag benadrukt worden dat het openbaar ministerie in deze geen beslissingsmacht heeft, vermits het de eerste voorzitter van het hof is die de zaken toebedeelt aan de verschillende kamers van het hof. Weer kwamen politieambtenaren die meerdere valsheden hadden gepleegd in processen-verbaal en andere stukken, zoals dagverslagen, hier zeer goed weg en functioneren zij verder ongestoord binnen de politieorganisatie. De correctionele rechtbank te Luik oordeelde op 15 februari 2006 met betrekking tot enkelvoudige slagen aan de partner en bedreigingen aan het adres van personeel van de dienst 100, in oktober 2000, dat de redelijke termijn overschreden was en sprak de loutere schuldigverklaring uit. Diezelfde rechtbank velde op 1 maart 2006 een vonnis over feiten van diefstal, oplichting en valsheden door een politieambtenaar, samen gepleegd met zijn vriend-informant in 2001 en 2002. De correctionele rechtbank te Charleroi sprak op 8 mei 2006 een politieambtenaar vrij voor feiten van partnergeweld en verkrachting die zich afspeelden tussen 1997 en 2001. De kroon wordt wel gespannen in een vonnis van de correctionele rechtbank van Aarlen van 27 februari 2006 die de opschorting beval in een zeer eenvoudige zaak van wederzijdse slagen (door onder meer een politieambtenaar) die gevallen waren op 25 oktober 1999. Het heeft dus bijna 6,5 jaar geduurd vooraleer een banale zaak van slagen werd behandeld door de correctionele rechtbank. In een arrest van het hof van beroep te Gent van 30 juni 2006 werd een politieambtenaar definitief vrijgesproken voor vermeende slagen en verwondingen die dateerden van april 1998. Het vonnis van de correctionele rechtbank van Oudenaarde dateerde van 23 december 2002 zodat de jarenlange vertraging enerzijds in het vooronderzoek en anderzijds in de zeer lange fixatietermijnen voor het hof van beroep lag. Het resultaat is natuurlijk wel dat de betrokken politieman meer dan 8 jaar in onzekerheid heeft verkeerd nopens het feit of hij nu al dan niet een correctionele veroordeling zou oplopen. Gezien onder meer de Straatsburgse rechtspraak moeten deze vaststellingen grote vraagtekens doen rijzen.
Geregeld kan worden vastgesteld dat de vertragingen zich in hoofdzaak situeren enerzijds bij de regeling van de rechtspleging (uiteraard uitsluitend wanneer er een gerechtelijk onderzoek onder leiding van de onderzoeksrechter heeft plaatsgevonden) en anderzijds bij de hoven van beroep waar het openbaar ministerie per zitting maar een beperkt aantal zaken kan vaststellen. Het is hoe dan ook onmiskenbaar zo dat, door het grote tijdsverloop, bepaalde bewijsstukken teloor kunnen gaan die in onderzoeken tegen politieambtenaren essentieel zijn, zoals meldfiches, opgenomen telefoongesprekken bij de politie, radioberichten van de dispatching, enz. Komt daarbij de vaststelling dat getuigen, jaren na de feiten, zich bepaalde zaken niet meer zullen of kunnen herinneren. Vandaar het belang dat het Comité P hecht aan en de nadruk die het legt op het feit om onderzoeken tegen politieambtenaren, niet alleen omwille van de maatschappelijke relevantie maar ook om louter procedurele redenen, met de nodige prioriteit en spoed te behandelen. In de huidige strafprocedurele context kan het openbaar ministerie hier een voortrekkersrol en knipperlichtfunctie vervullen, ook in die zaken die door een onderzoeksrechter behandeld worden. Het openbaar ministerie kan op voormelde problemen wijzen zowel ten aanzien van de onderzoeksrechter, rechter in het onderzoeksgerecht als de bodemrechter.
Dat het ook anders kan, bewijst het vonnis van de correctionele rechtbank te Luik van 26 juli 2006 inzake partnergeweld (art. 410, 2de lid Sw.) en waarbij de procedure van het snelrecht (zonder aanhouding) conform artikel 216quater Sv. werd toegepast. Aan betrokken politieambtenaar werd op 4 juli 2006 de oproeping bij proces-verbaal betekend om zich op 26 juli 2006 de opschorting van de uitspraak van de veroordeling te horen opleggen. Los van de lichte strafsanctie is het voor het Comité P nog belangrijker dat de sanctie kort na de feiten valt en absoluut aanbevelenswaardig dat strafzaken tegen politieambtenaren in de mate van het mogelijke met absolute prioriteit worden be‑ en afgehandeld, zowel in het belang van de bevolking die recht heeft op een snelle berechting, als in het belang van betrokkene zelf, die op die manier zeer snel weet waar hij aan toe is, als, niet in het minst, in het belang van het politiekorps, waar het beheersmatig essentieel is dat kort op de bal kan worden gespeeld ten aanzien van delinquente politieambtenaren.
Het Vast Comité P wil hier absoluut waarschuwen dat voormelde vaststellingen exponentieel dreigen te zullen toenemen indien het ontwerp van wetboek van stafprocesrecht (de zgn. “Grote Franchimont”) [147] , zoals het door de Senaat werd goedgekeurd maar vooralsnog nog niet door de Kamer, ongewijzigd zou worden aangenomen. Ook formateur Leterme stelt in zijn nota van 22 juli 2007 [148] dat zal worden nagegaan welke delen van het ontwerp op korte termijn goedgekeurd kunnen worden. Het Comité kreeg de gelegenheid, tijdens de hoorzittingen in de Kamercommissie voor de Justitie, op 22 februari 2006 zijn standpunt en diepe vrees betreffende dit ontwerp, te uiten en blijft, na lezing van alle meegedeelde vonnissen en arresten, meer dan ooit achter zijn standpunt staan. Er moet absoluut gevreesd worden dat de “proceduritis” die thans reeds onze strafprocedure lamlegt, nog vele malen dreigt te verergeren, indien de wetgever niet resoluut opteert voor een drastische vereenvoudiging van onze strafprocedure met dwingende termijnen en veel minder interventiemogelijkheden voor alle mogelijke partijen gedurende het vooronderzoek.
In correctionele en politiezaken zien we regelmatig dat de politieambtenaar niet meer ter terechtzitting verschijnt maar enkel zijn advocaat. Hoewel het recht om vertegenwoordigd te worden door zijn advocaat, in navolging van de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens, wettelijk verankerd werd, kan men er niet omheen dat ook deze regeling, eens te meer, een soort van normvervaging in de hand werkt. Zelfs een criminele politieambtenaar moet immers zich niet meer in persoon voor de rechter verantwoorden, wat maakt dat de impact van een strafrechtelijke veroordeling niet meer van dezelfde orde is. Het is een jammerlijke evolutie voor de politieorganisatie in het algemeen, maar ook voor de democratische werking van onze rechtstaat waar het van belang is dat de burger (de visu) kan zien dat ook politieambtenaren zich voor de door hen gepleegde misdrijven voor de rechter moeten verantwoorden. Helaas is dat minder en minder het geval.
Voor het eerst werd het Comité P in kennis gesteld van een
vonnis [149]
waarbij twee daders (burgers van Franse nationaliteit) werden vervolgd
wegens het misdrijf van lasterlijke aangifte bij de overheid (art. 445 Sw.).
Eén van de daders werd in 2002 geverbaliseerd voor overdreven snelheid en een
onmiddellijke inning werd voorgesteld van 200 euro die in contanten onmiddellijk
werd betaald. Twee dagen later beweerde één van hen in een schrijven aan het
Franse openbaar ministerie dat hij naar aanleiding van voormeld incident afgeperst
zou zijn geweest en 520 euro had dienen te betalen, daar waar de kwijting
maar sprak van een bedrag van 200 euro. Het saldo zouden de verbalisanten
onder hen hebben verdeeld, aldus nog de klager. Dit verhaal bevestigde hij nog
een keer aan de gedeconcentreerde gerechtelijke directie Brugge. De voorwaarden
voor de lasterlijke aangifte (spontaneïteit, kwaadwillig opzet, een valse aantijging,
geschreven vorm en een aangifte die wordt overhandigd aan de overheid) werden
in casu onderzocht. Naar aanleiding van de klacht werd een gerechtelijk
onderzoek opgestart wegens knevelarij als openbaar ambtenaar (art. 243,
1ste en 2de lid Sw.), dat eindigde met
een buitenvervolgingstelling van de betrokken politieambtenaren door de raadkamer.
De rechtbank achtte de lasterlijke aangifte bewezen wat betreft de brief die
de beklaagde schreef aan het Franse openbaar ministerie, maar achtte de valse
verklaringen die nadien bij de FGP werden afgelegd niet bewezen wegens het ontbreken
van de vereiste spontaneïteit (vermits het verhoor werd afgenomen op uitnodiging
van de politie).
Terecht tilde de rechtbank zwaar aan de feiten: “het is voor de rechtbank
duidelijk dat X uitsluitend gehandeld heeft uit een totaal misplaatste rancune,
voortvloeiend uit de vastgestelde overtreding en de daaraan vasthangende sanctie.
Hierdoor werd het gerechtelijk apparaat zowel in Frankrijk als in België totaal
ten onrechte in werking gezet, met een absolute verspilling van tijd en middelen
tot gevolg. De feiten zijn des te ergerlijker waar uit de door X neergelegde
stukken blijkt dat hij in Frankrijk uit hoofde van zijn functie als eerste schepen
van de gemeente Y bekleed is met een bevoegdheid van gerechtelijke politie”.
De Franse eerste schepen werd veroordeeld tot vier maanden gevangenisstraf met
uitstel en 500 euro. Omtrent de politieambtenaren die het slachtoffer werden
van deze valse aantijging stelde de rechtbank: “de naam en faam van
de burgerlijke partijen werd onmiskenbaar besmeurd. Anders dan men zou kunnen
betogen omtrent fysiek geweld, kan van de burgerlijke partijen geenszins verwacht
worden dat zij uit de aard van hun job een grote(re) weerbaarheid aan de dag
dienen te leggen tegen dergelijke klachten. Het tegendeel is waar. De burgerlijke
partijen kunnen noch in het korps zelf, noch ten aanzien van de burgers functioneren
wanneer hun integriteit niet boven elke verdenking verheven is”. Beiden
kregen een schadevergoeding van ex aequo et bono begroot op 750 euro.
Een tweede voorbeeld vinden we in het vonnis van de correctionele rechtbank
te Charleroi van 7 juni 2006 waarbij vier politieambtenaren door een
dader van een gewapende weerspannigheid rechtstreeks voor de correctionele rechtbank
werden gedaagd voor slagen en verwondingen. De rechtbank, zo bleek uit de motivering,
was kennelijk verontwaardigd door deze manifest onterechte rechtstreekse dagvaarding,
uitgestuurd als een soort van “verdediging” tegen de aanklacht van weerspannigheid
en met de bedoeling twijfel te zaaien. Ze sprak de betrokken politieambtenaren
vrij.
Het Comité P is omtrent deze vonnissen bijzonder verheugd omdat ze aantonen dat burgers niet straffeloos eender wat kunnen en mogen beweren in de klachten die zij neerleggen. Jaar na jaar en zoals reeds eerder gesteld stelt ook het Comité vast dat heel wat onterechte klachten worden neergelegd en komt er vanuit politiemiddens de terechte kritiek dat men dat blijkbaar allemaal zomaar straffeloos kan blijven doen. Men hekelt enerzijds de energie, mensen en middelen die voor dit soort van klachten moeten worden gemobiliseerd en anderzijds het gemak waarmee men iemands naam en faam kan besmeuren. Deze voorbeelden tonen alvast aan dat men niet alles over zijn kam moet laten gaan. Politieambtenaren die ten onrechte besmeurd werden, hebben reeds een aantal actiemogelijkheden waaronder de strafvervolging wegens lasterlijke aangifte. Dit belet echter niet dat naar het oordeel van het Comité P op wetgevend vlak zeker nog initiatieven kunnen worden genomen ter bescherming van de ten onrechte aangevallen politieambtenaar. Zo moet men zich beraden over het feit of het aanvaardbaar is dat politiefunctionarissen rechtstreeks, in strijd met het standpunt van het openbaar ministerie, zomaar en zonder enige beperking voor een strafrechter kunnen worden gedaagd. Gezien het feit dat de burger effectief steeds mondiger en bij wijlen “stouter” wordt en veel sneller procedurele stappen neemt, meent het Comité dat het niet langer aanvaardbaar is dat politieambtenaren, tegen de visie van het openbaar ministerie in, zonder enige beperking voor een correctionele rechter kunnen worden gedaagd. Indien al niet moet overwogen worden om – desgevallend in een limitatief aantal op te sommen gevallen – de burgerlijke partijstelling en rechtstreekse dagvaarding voor een slachtoffer onmogelijk te maken, dan is het minstens noodzakelijk een filter te installeren. Als tegengewicht voor de beslissing van het openbaar ministerie dat er geen reden tot vervolging is, zou men, indien men oordeelt dat er effectief zo’n tegengewicht moet zijn (in andere landen zoals Nederland en Duitsland beslist het openbaar ministerie soeverein over de strafvervolging), kunnen overwegen het dossier voor te leggen aan een rechter van het onderzoek die dan de afweging zou moeten maken of een rechtstreekse daging door een dader-slachtoffer aanvaard kan worden.
Zowel voor de burger (die recht heeft op integere en bekwame politieambtenaren waar de rotte appels er snel uitgehaald worden), de politieorganisatie (die al evenzeer zo snel mogelijk de slechte elementen moet kunnen verwijderen), als voor de individuele politieambtenaar zelf (het is een democratisch recht binnen een aanvaardbare termijn en liefst zo kort mogelijk duidelijkheid te krijgen nopens de feiten die hem of haar ten laste worden gelegd) zijn de hoger beschreven procedurele toestanden hoe dan ook nog moeilijk te aanvaarden. Het lijkt dus meer dan raadzaam dat hier een grondige reflectie aan wordt gewijd.
Het Comité neemt zich alleszins voor binnen afzienbare tijd aan de problematiek van de onterechte klachten tegen politieambtenaren, zoals reeds aangekondigd, een exclusief onderzoek te wijden dat dieper zal ingaan op de vaststellingen, een correcte omschrijving van de problematiek zal proberen te geven, de actuele juridische en andere mogelijkheden die voor de belaagde politieambtenaar openstaan, zal beschrijven, om te eindigen met een reeks van aanbevelingen voor de wetgever.
Het Comité P wijst, zich steunend op vaststellingen naar
aanleiding van de uitoefening van zijn globale toezichtfunctie, op het bestaan
van tekortkomingen en disfuncties in de dagdagelijkse praktijk van de politie.
Deze gaat nogal vaak gepaard met het nemen van dwangmaatregelen en vrijheidsbeperkende
maatregelen. Hierbij wordt geregeld misbruik in gezag en in macht vastgesteld.
Zoiets doet rechtstreeks afbreuk aan de bescherming van de mensenrechten. Het
gaat hierbij niet enkel om een mogelijke schending van iemands recht op vrijheid
en veiligheid [151]
of een overtreding van het verbod op discriminatie, dit kan eveneens
een schending van iemands fysieke integriteit inhouden. Bepaalde specifieke
omstandigheden en niet-tolereerbare werkwijzen komen terug in de klachten, aangiften
en meldingen.
Ofschoon veel van die gegevens door het gevoerde onderzoek niet konden en kunnen
bevestigd worden, dient de aandacht te worden gevestigd op het vermeende bestaan
van steeds weerkerende problemen. In die zin wijzen de onderzoeken eveneens
op het bestaan van mogelijke gebreken in de kennis en de toepassing van de bestaande
fundamentele basiswetten.
Het Comité P stelt zich de vraag of er zich aan de basis
geen probleem voordoet, met name bij de rekrutering en selectie in functie van
het vastgestelde profiel of bij het leerproces, dat de politieambtenaren in
staat moet stellen over de noodzakelijke kennis en vaardigheden te beschikken,
opdat ze op een professionele en integere wijze hun functie op het terrein zouden
kunnen uitvoeren. Tevens binnen het breed onderzoek naar dwang en geweld wenst
het Comité P de instroom van de kandidaat-politiefunctionarissen doorheen de rekrutering en het selectieproces,
alsook dit van de kennisverwerving en het aanleren van specifieke vaardigheden,
te bekijken.
Eerder werden door het Comité P meerdere bevragingen in de politiescholen [152]
georganiseerd waarvan de resultaten over het algemeen en vanuit verschillende
opzichten vrij alarmerend waren. Het ging in dit geval niet enkel over de vaststelling
van een gebrek aan kennis van de wettelijke basis voor het politieoptreden,
maar eveneens over een gebrek aan kennis op het vlak van het informeren, het
probleemoplossend denken en het verantwoorden van het eigen (politie)handelen.
In het raam van huidig onderzoek wezen de antwoorden van de aspiranten van het
basiskader in het algemeen vrij sterk in de richting van de gebreken en tekortkomingen
die evengoed naar voor komen uit andere onderzoeken die het Comité P in
dat kader voert en die betrekking hebben op de politiepraktijk zelf. In elk
geval wijzen de resultaten van de bevragingen op mogelijke tekorten, waardoor
er twijfel rijst of de aspiranten op het einde van hun opleiding wel onmiddellijk
inzetbaar zijn in de politiepraktijk. De oorzaak voor de vastgestelde gebreken,
die naar voor komen in het toezicht, zou in dat geval niet noodzakelijk alleen
te wijten zijn aan bepaalde misbruiken of fouten of aan een tekort aan politie-ervaring,
maar ook aan structurele tekorten binnen de organisatie.
Het optreden van de politie dat mogelijk een inbreuk of tekortkoming inhield ten aanzien van de mensenrechten, vormt het voorwerp in meer dan 50 % van de klachten en vaststellingen. In totaal gaat het in 2006 over 2 086 aangeklaagde inbreuken en tekortkomingen die handelen over willekeurige handelingen, gebruik van geweld, misbruik van macht en van gezag, discriminatie en racisme en onmenselijk, krenkend, vernederend, intimiderend en/of agressief gedrag vanwege politieambtenaren. Ofschoon in veel gevallen deze inbreuken en tekortkomingen na onderzoek leiden tot een klassering zonder gevolg, omwille van een gebrek aan concrete elementen, een gebrek aan disfunctie of fout vanwege de politieambtenaar of bij gebrek aan bewijs, wijst het totaalcijfer wel op het bestaan van een problematische interactie tussen de burger en de politie of minstens op een problematisch optreden in hoofde van sommige leden van de politie. In functie van het globaal leerproces is het evenwel nuttig de gegevens in hun totaliteit te bekijken.
Tabel 24 : Aantal klachten en meldingen inzake tekortkomingen in het kader van de bescherming van de mensenrechten

* Bepaalde gebreken kunnen enkel of tezamen voorkomen in dezelfde klacht of aangifte.
In 2006 kreeg het Comité P kennis van 116 klachten
en vaststellingen betreffende de willekeurige vrijheidsberoving. Eenmaal was
het Comité onbevoegd rationae materiae en in 6 gevallen diende bijkomende
informatie opgevraagd te worden aan de betrokken politiedienst, waarna geen
verder onderzoek kon worden gedaan door het gebrek aan gegevens.
Vijfenveertig keer werden de gegevens overgemaakt aan de gerechtelijke overheden.
In 16 gevallen werd het niet-gerechtelijk onderzoek toevertrouwd aan de
Dienst Enquêtes P, in 46 gevallen werd het onderzoek toevertrouwd
aan de betrokken Dienst Intern Toezicht en in 2 gevallen werd het onderzoek
gedaan door de AIG.
In 2006 kreeg het Comité kennis van 325 klachten, aangiften
en vaststellingen inzake willekeurig optreden, waarvan er 168 ter kennis gebracht
werden van de gerechtelijke overheden en een ander ruim gedeelte het voorwerp
uitmaakte van een niet-gerechtelijk onderzoek.
Willekeurig optreden door de politie gaat bovendien vaak gepaard met andere
tekorten, die niet altijd gerechtelijk gekwalificeerd kunnen worden. Zo registreerde
het Comité in 2006, 237 meldingen inzake het gebrek aan klantvriendelijkheid,
gebrek aan beleefdheid en respect, 41 klachten handelden over discriminerend
en racistisch gedrag; 48 dossiers hadden betrekking op een gebrekkige of
vernederende behandeling en in 46 gevallen bekloeg de burger zich over
een gebrekkige slachtofferbejegening. Deze gegevens duiden op problemen, die
meestal voortvloeien uit de escalatie van de interactie met de burger die het
voorwerp uitmaakt van een dwangmaatregel. Het gaat dan vaak eerder over de attitude
van de politieambtenaar, de gebrekkige communicatie tegenover en de behandeling
van de burger. Dit gegeven vormt een constante binnen de klachten en vaststellingen.
Hierna vindt u enkele cijfers met betrekking tot klachten en meldingen inzake tekortkomingen in het kader van verplicht gestelde procedures.
Tabel 25 : Aantal klachten en meldingen inzake tekortkomingen in het kader van verplicht gestelde procedures

Jaarlijks zijn er relatief veel aanwijzingen dat procedures bij hun uitvoering in de dagdagelijkse politiepraktijk in vraag gesteld worden door de burger. Het gaat hierbij heel vaak over de wijze waarop wordt gehandeld. We zien dat dergelijke vragen voornamelijk opduiken binnen de functionaliteiten verkeer en interventie, en meer specifiek in het kader van het nemen van controlemaatregelen, het takelen van voertuigen, het in beslag nemen, het fouilleren van personen, het doorzoeken van woningen, bij het verhoren of naar aanleiding van het al of niet opstellen van een proces-verbaal. We krijgen bij dit soort klachten steeds weer de bevestiging dat de burger vaak de wijze van optreden en de toepassing van het geweldsgebruik door de politie in vraag stelt. Daarnaast blijken bepaalde administratieve procedures, onder andere betreffende het opstellen van processen-verbaal, het afleveren van een kopie van het proces-verbaal van verhoor, bepaalde registraties en seiningen – wij komen daar elders op terug – een steeds weerkerende aanleiding tot klacht of aangifte te zijn. Bij dit eerste gaat het niet altijd over het al of niet opstellen van het proces-verbaal zelf, maar evenzeer om de noodzakelijke formaliteiten en de vorm of stijl ervan.
De zogenaamde Mammoetregeling [153] voorziet dat het toetreden tot het kader van aspirant-politieambtenaar, ongea