|
Op 24 mei 1988 werd een parlementaire onderzoekscommissie geïnstalleerd waarvan de opdracht in haar benaming wordt omschreven : "Onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het terrorisme georganiseerd wordt" Met betrekking tot de controle op de politiediensten luidt de conclusie van de commissie : "(...) Er dient één extern controleorgaan te worden gecreëerd voor alle ambtenaren met politiebevoegdheid. Een interne controle blijkt inadequaat te zijn. Dit controleorgaan heeft geen disciplinaire maar een superviserende taak. Het moet met andere woorden controle uitoefenen op de wijze waarop de politieopdrachten worden uitgevoerd. Aan het Parlement en de Regering moet hierover regelmatig verslag worden gegeven" (Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 59/8 - 1988, 367). Hoewel het niet de eerste keer was dat een onderzoekscommissie werd opgericht
om bepaalde aspecten van de werking van de politiediensten te onderzoeken,
heeft deze commissie de verdienste gehad als eerste na te gaan hoe alle
politiediensten samen functioneren. 187 vergaderingen mondden uit in een
verslag dat op 30 april 1990 aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers
werd voorgelegd: "Parlementair Onderzoek
naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het terrorisme
georganiseerd wordt - Verslag namens de onderzoekscommissie"
(Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 59/8-1988; 59/9-1988; 59/10-
1988).
In het gedeelte "vaststellingen en conclusies" staat te lezen dat de slechte werking o.a. te wijten is aan :
In aansluiting op het verslag van bovenvermelde onderzoekscommissie werd in de regeringsmededeling van 5 juni 1990 het programma inzake ordehandhaving, veiligheid van de burgers en beteugeling van de misdrijven, beter gekend onder de naam "Pinksterplan" aangekondigd. De peilers van dit plan zijn:
Centraal in dit programma staan : de coördinatie van het politiebeleid,
de aanpassing van het strafrechterlijk beleid, de structurele aanpassingen
met betrekking tot de werking van politie- en de inlichtingendiensten
en de realisatie van de wet op het politieambt.
In uitvoering van het Pinksterplan heeft de regering in 1991 een voorstel van toezichtsregeling voor politiediensten neergelegd. Dat toezicht moet tegemoetkomen aan twee belangrijke doelstellingen:
In de vergaderingen van 27 en 28 februari en 12 en 13 juli 1991 nemen de beide wetgevende Kamers de wet tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten aan, door de Koning bekrachtigd op 18 juli '91.
Vallen onder de toepassing van deze wet:
Het door de wet georganiseerde toezicht heeft geen betrekking op:
Het Vast Comité P is echter wel bevoegd om te onderzoeken hoe de door deze overheden bevolen beleidsbeslissingen worden uitgevoerd.
Volgens artikel 1 van de wet van 18 juli 1991, streeft de wet twee doeleinden na:
Het Vast Comité P onderstreept dat de tweede doelstelling vooropstaat. Dat werd overigens tijdens de parlementaire voorbereiding ook aangeduid en herhaald. "In wezen bestaat de opdracht van het toezichtsorgaan erin om vast te stellen of de politiek verantwoordelijke op één of andere wijze de werking van de politie- of inlichtingendiensten waarvoor ze bevoegd zijn, zouden moeten bijschaven en of de wetgeving die van toepassing is op de genoemde diensten zou moeten worden aanpassen." "Het toezicht dat de Regering met dit wetsontwerp wil invoeren, heeft niet als voornaamste bedoeling om bij de politie- en inlichtingendiensten individuele feiten vast te stellen met het oog op het sanctioneren ervan; dat blijft de volle bevoegdheid van de gerechtelijke of tuchtrechtelijke overheid.Het doel van het toezicht is om eventueel onvolkomenheden in en het falen van het systeem vast te stellen en voorstellen te formuleren om dat te verhelpen." (Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1305/8 – 90/91, 12 – 13).
Toch blijven de particulieren geenszins in de kou staan.
Elke ambtenaar, elke persoon die een openbaar ambt uitoefent en elk lid van de krijgsmacht die of dat betrokken is bij richtlijnen, beslissingen of toepassingsregels daarvan, alsmede bij werkwijzen of handelingen, kan een klacht indienen of aangifte doen bij de Dienst Enquêtes zonder daartoe machtiging te moeten vragen aan zijn chefs of aan zijn hiërarchische meerderen. De Dienst Enquêtes stelt ook, hetzij uit eigen beweging, hetzij op vordering van de bevoegde procureur des Konings, krijgsauditeur of onderzoeksrechter, onderzoeken in naar de misdaden en wanbedrijven die ten laste worden gelegd van de leden van de politiediensten. Die onderzoeken verricht hij “samen met de andere officieren en agenten van gerechtelijke politie en zelfs met een recht van voorrang op deze” onder het toezicht van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep, eventueel de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof. Samenvattend kan dus worden gesteld dat de Dienst Enquêtes voor de politiediensten functioneert niet alleen als onderzoeksarm van het Vast Comité P, maar zal ook werken als gespecialiseerde politiedienst voor de gerechtelijke onderzoeken bij leden van de politiediensten zelf.
|
|
©2002
Comité P. Design by Molos |