Een extern controleorgaan van alle ambtenaren met politiebevoegdheid

Voorgeschiedenis Banditisme en terrorisme; het Pinksterplan
Wet van 18 juli 1991 De legale basis voor de externe controle op de politie
Opdracht Opdracht van het Comité P en zijn Dienst Enquêtes
Klachten Geen ombudsdienst, maar toch ook voor individuele burgers
Dienst Enquêtes Bevoegdheden en werking
Procedure Procedure voor toezichtsonderzoeken

 

Voorgeschiedenis

Banditisme en terrorisme

Op 24 mei 1988 werd een parlementaire onderzoekscommissie geïnstalleerd waarvan de opdracht in haar benaming wordt omschreven : "Onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het terrorisme georganiseerd wordt"

Met betrekking tot de controle op de politiediensten luidt de conclusie van de commissie : "(...) Er dient één extern controleorgaan te worden gecreëerd voor alle ambtenaren met politiebevoegdheid. Een interne controle blijkt inadequaat te zijn. Dit controleorgaan heeft geen disciplinaire maar een superviserende taak. Het moet met andere woorden controle uitoefenen op de wijze waarop de politieopdrachten worden uitgevoerd. Aan het Parlement en de Regering moet hierover regelmatig verslag worden gegeven" (Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 59/8 - 1988, 367).

Hoewel het niet de eerste keer was dat een onderzoekscommissie werd opgericht om bepaalde aspecten van de werking van de politiediensten te onderzoeken, heeft deze commissie de verdienste gehad als eerste na te gaan hoe alle politiediensten samen functioneren. 187 vergaderingen mondden uit in een verslag dat op 30 april 1990 aan de Kamer van Volksvertegenwoordigers werd voorgelegd: "Parlementair Onderzoek naar de wijze waarop de bestrijding van het banditisme en het terrorisme georganiseerd wordt - Verslag namens de onderzoekscommissie" (Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 59/8-1988; 59/9-1988; 59/10- 1988).

De slechte werking van de politiediensten

In het gedeelte "vaststellingen en conclusies" staat te lezen dat de slechte werking o.a. te wijten is aan :

  • groot wantrouwen en gebrek aan collegialiteit tussen de onderzoekers onderling en de magistratuur. De samenwerking gebeurt meestal gedwongen;
  • rivaliteit tussen politiediensten die ondermeer nog wordt aangescherpt door uiteenlopende statuten, werving, vorming en werkterrein;
  • slechte coördinatie tussen de politiediensten;
  • ondemocratische aspecten van bepaalde politiemethodes;
  • grote problemen met de leiding van het onderzoek;
  • bevoegdheden van de politiediensten die elkaar overlappen.

Pinksterplan

In aansluiting op het verslag van bovenvermelde onderzoekscommissie werd in de regeringsmededeling van 5 juni 1990 het programma inzake ordehandhaving, veiligheid van de burgers en beteugeling van de misdrijven, beter gekend onder de naam "Pinksterplan" aangekondigd. De peilers van dit plan zijn:

  • de aanpak van structurele en institutionele problemen, alsook van de mentaliteit;
  • de samenhang van een reeks maatregelen die door de regering stapsgewijze zullen worden gevoerd;
  • het streven naar de eerbiediging en waarborg van de democratische vrijheden, rechten van de mensen naar doorzichtigheid en doeltreffendheid en het onderstrepen van de erantwoordelijkheid van iedereen die bij de uitoefening van het politieambt is betrokken;
  • het beklemtonen van de kwalitatieve i.p.v. de kwantitatieve aspecten.

Centraal in dit programma staan : de coördinatie van het politiebeleid, de aanpassing van het strafrechterlijk beleid, de structurele aanpassingen met betrekking tot de werking van politie- en de inlichtingendiensten en de realisatie van de wet op het politieambt.

Uitvoering van het Pinksterplan

In uitvoering van het Pinksterplan heeft de regering in 1991 een voorstel van toezichtsregeling voor politiediensten neergelegd.

Dat toezicht moet tegemoetkomen aan twee belangrijke doelstellingen:

  • de eerbiediging van de grondwettelijke rechten en van de fundamentele vrijheden van de burgers;
  • instaan voor de efficiëntie en de coördinatie van de politiediensten.

In de vergaderingen van 27 en 28 februari en 12 en 13 juli 1991 nemen de beide wetgevende Kamers de wet tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten aan, door de Koning bekrachtigd op 18 juli '91.

 

Wet van 18 juli 1991


De Wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten, (Belgisch Staatsblad van 26 juli 1991 pagina 16576), vormt de legale basis voor de externe controle van de politiediensten in België. Door deze wet wordt het "Vast comité van toezicht op de politiediensten" - afgekort "Vast Comité P" of "Comité P"- opgericht.

Vallen onder de toepassing van deze wet:

  • De “klassieke” politiediensten , in casu de gemeentepolitie, de rijkswacht en de gerechtelijke politie bij de parketten.
  • De diensten die ressorteren onder openbare overheden en instellingen van openbaar nut, waarvan de leden met de hoedanigheid van agent of officier van gerechtelijke politie zijn bekleed.
  • De personen die individueel bevoegd zijn om strafbare feiten op te sporen en vast te stellen. Het betreft hier een paar duizend ambtenaren van diverse ministeries en diensten die in de sectoren economie, arbeid en tewerkstelling, landbouw, volksgezondheid sociale zaken en openbare werken over politiebevoegdheid beschikken.

Het door de wet georganiseerde toezicht heeft geen betrekking op:

  • de gerechtelijke overheden, in casu de rechters en de leden van het Openbaar Ministerie;
  • de bestuurlijke overheden, in casu de provinciegouverneurs, de arrondissementscommissarissen en de burgemeesterss.

Het Vast Comité P is echter wel bevoegd om te onderzoeken hoe de door deze overheden bevolen beleidsbeslissingen worden uitgevoerd.

 

De opdrachten van het Vast Comité P en zijn Dienst Enquêtes

Volgens artikel 1 van de wet van 18 juli 1991, streeft de wet twee doeleinden na:

  • het waarborgen van de bescherming van de rechten die de Grondwet en de wet aan de personen verlenen;
  • te zorgen voor de coördinatie en de doelmatigheid van de politiediensten.

Het Vast Comité P onderstreept dat de tweede doelstelling vooropstaat. Dat werd overigens tijdens de parlementaire voorbereiding ook aangeduid en herhaald.

"In wezen bestaat de opdracht van het toezichtsorgaan erin om vast te stellen of de politiek verantwoordelijke op één of andere wijze de werking van de politie- of inlichtingendiensten waarvoor ze bevoegd zijn, zouden moeten bijschaven en of de wetgeving die van toepassing is op de genoemde diensten zou moeten worden aanpassen."

"Het toezicht dat de Regering met dit wetsontwerp wil invoeren, heeft niet als voornaamste bedoeling om bij de politie- en inlichtingendiensten individuele feiten vast te stellen met het oog op het sanctioneren ervan; dat blijft de volle bevoegdheid van de gerechtelijke of tuchtrechtelijke overheid.Het doel van het toezicht is om eventueel onvolkomenheden in en het falen van het systeem vast te stellen en voorstellen te formuleren om dat te verhelpen." (Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers, 1305/8 – 90/91, 12 – 13).

 

Het Vast Comité P heeft dus geen ombudsfunctie;
het is niet in het leven geroepen om de problemen van de individuele klagers op te lossen

Toch blijven de particulieren geenszins in de kou staan.

Elk individu dat rechtstreeks betrokken is geweest bij het optreden van een politiedienst kan een klacht indienen of een aangifte doen.

Elke ambtenaar, elke persoon die een openbaar ambt uitoefent en elk lid van de krijgsmacht die of dat betrokken is bij richtlijnen, beslissingen of toepassingsregels daarvan, alsmede bij werkwijzen of handelingen, kan een klacht indienen of aangifte doen bij de Dienst Enquêtes zonder daartoe machtiging te moeten vragen aan zijn chefs of aan zijn hiërarchische meerderen.

De Dienst Enquêtes

De Dienst Enquêtes stelt ook, hetzij uit eigen beweging, hetzij op vordering van de bevoegde procureur des Konings, krijgsauditeur of onderzoeksrechter, onderzoeken in naar de misdaden en wanbedrijven die ten laste worden gelegd van de leden van de politiediensten.

Die onderzoeken verricht hij “samen met de andere officieren en agenten van gerechtelijke politie en zelfs met een recht van voorrang op deze” onder het toezicht van de procureur-generaal bij het Hof van Beroep, eventueel de auditeur-generaal bij het Militair Gerechtshof.

Samenvattend kan dus worden gesteld dat de Dienst Enquêtes voor de politiediensten functioneert niet alleen als onderzoeksarm van het Vast Comité P, maar zal ook werken als gespecialiseerde politiedienst voor de gerechtelijke onderzoeken bij leden van de politiediensten zelf.

 

©2002 Comité P. Design by Molos